Preek zondag 27 oktober 2019

Preek zondag 27 oktober 2019
Reformatieherdenking
Schriftlezing: Romeinen 1:1-17 en 1 Korinthe 15:1-11.

Meer dan 500 jaar geleden wordt een jonge monnik op reis gestuurd.
De abt, de overste van het klooster, stuurt hem naar Rome
om de paus in Rome een conflict binnen de kloosterorde in Duitsland op te laten lossen.
Deze monnik, Maarten Luther, draagt niet alleen de brief van zijn abt met zich mee,
maar onzichtbaar in zijn hart draagt hij nog iets anders mee,
een zwaar gevoel dat het tussen hem en God niet goed zit.
Enkele jaren ervoor was hij tijdens een onweersbui overvallen
en had toen een belofte afgelegd dat als hij bewaard zou blijven in het klooster zou gaan.
Die belofte om het klooster in te gaan had hij gehouden.
In het klooster vond hij echter niet de rust die hij zocht, de rust voor zijn hart.
Vol onrust sprak zijn hart in hem: ‘Het zit niet goed tussen jou en God.
Als je nu zult sterven, zul je verloren gaan, voor eeuwig verloren gaan.’
Wat hij ook probeerde in het klooster, door zichzelf te vernederen,
door veel te vasten en te bidden, door hard binnen het klooster te werken,
nergens kon hij die rust vinden die zijn ziel nodig had.
Nu hij op reis gegaan was naar Rome, de meest heilige plek die er dan op aarde was,
kon hij proberen om daar een goed geweten te krijgen,
de geruststelling dat tussen hem en God in orde was gemaakt.
Op zijn blote knieën beklimt hij de Heilige Trap, om door de pijn die hem dat doet
boete te doen voor de zonden die als een last op hem drukken.
Ook deze boetedoening helpt Luther niet.
Na enige tijd als Luther weer terug is uit Rome wordt hij aangesteld
als professor: hij moet studenten lesgeven uit de Bijbel.
Als hij een lessenreeks voorbereidt over de brief van Paulus aan de Romeinen
doet hij een ontdekking die zijn leven op zijn kop zet:
Als mens kun je het niet zelf voor elkaar krijgen dat het weer goed komt met God.
Je bent als zondaar niet in staat om je zonden te compenseren of goed te maken,
zelfs niet door jezelf enorm te pijnigen, of jezelf hard aan te pakken,
door hard te werken om bij God alsnog weer in een goed blaadje te komen.
Daarvoor is de zonde te aangrijpend, teveel een aantasting van Gods eer.
Het kan wel goed komen, doordat de Heere dat uitspreekt over je leven,
als een oordeel door een rechter over je leven geveld
en dan niet zomaar door een rechter, maar door de hoogste Rechter die er is,
die eens het laatste oordeel over ons leven zal uitspreken.
Het bijzondere van deze rechter is dat Hij vrijspraak geeft,
Een oordeel dat het weer goed zit tussen mij en God,
omdat deze Rechter zelf de straf heeft gedragen.
Luther ontdekte dat tijdens het lezen in de Romeinenbrief,
toen hij bezig was met het eerste hoofdstuk, waar hij las over de gerechtigheid van God.
Gerechtigheid is dat het weer helemaal goed zit,
dat de vertrouwensbreuk is geheeld, dat de zonden en de fouten die ik als mens deed
zijn rechtgezet en dat er niets meer tussen mij en God in staat
en we weer bij elkaar kunnen horen.
Luther dacht altijd dat die gerechtigheid – dus dat het weer goed zat tussen mij en God –
door onszelf moest worden hersteld.
Hij ontdekt dat Paulus echter iets anders bedoelde: ik maak het niet goed,
maar God maakt het goed.
Ik kan alleen maar geloven en geloven is alleen maar ontvangen:
de open handen ophouden, zodat God die kan vullen.
Het is genade en genade betekent niets anders dan dat die gerechtigheid,
het oordeel waarin God zegt dat het goed is en dat onze schuld weg is,
een geschenk van God is, dat God geeft aan ons.
Dat geschenk kunnen wij niet kopen, niet verdienen, ook niet door onze prestaties,
alleen maar ontvangen in geloof.

Het is niet voor niets, denk ik, dat Luther zich zo in Paulus herkende.
Hij zich in Paulus iemand die net als hij worstelde met schuld.
En dan niet een schuld naar medemensen toe, maar schuld naar God toe.
In de brief aan de Korinthe schrijft hij dat hij niet trots op zichzelf kan zijn
en dat hij zijn positie als apostel niet heeft verdiend door zo geweldig te presteren.
Integendeel, hoezeer het aan de buitenkant erop leek dat hij heel gelovig was
en hoezeer hijzelf ook dacht dat hij met zijn manier van leven God diende,
had hij God buiten zijn leven geplaatst, God buiten zijn hart gesloten
en zijn houding naar God toe werd gekenmerkt door puur wantrouwen.
Wat hij niet door had, was dat hij zich verzette tegen God
en van de Heere zijn vijand had gemaakt.
Als een rebel in opstand leefde tegen de God die Hem geschapen had.
En dan verschijnt Christus als Opgestane, de Heer die de dood overwon, aan hem, Paulus!
Aan hem, Paulus, die niets van die Jezus moest weten
en zijn volgelingen met alle mogelijke inzet vervolgde
omdat hij dacht dat hij daarmee God een goede dienst bewees.
Aan hem, die het werk van God op aarde wilde verwoesten,
die als een brullende leeuw tekeer ging, tegen de kerk van God op aarde,
verscheen Christus.
In die ontmoeting besefte Paulus wie hij was en hoe het ervoor stond met God.
Dat wat hij deed, helemaal geen dienst aan God was,
maar dat hij zich verzette tegen God en zijn hart voor hem had afgesloten.
Een ontijdig geborene noemt Paulus zich – NBV: een misbaksel.
Dat kan zijn dat de tegenstanders van Paulus in de kerk hem zo noemden
als ze het over Paulus had: Paulus was een gevaarlijk monster,
een tegenstander van God een middel in hand van de duivel.
Paulus kon je toen niet vertrouwen en kun je nog steeds niet vertrouwen
al doet hij of hij apostel is en het evangelie over Christus vertelt.
Het kan zijn dat Paulus daarmee bedoelde
dat Christus zo onverwacht in zijn leven is gekomen
dat Paulus het niet heeft zien aankomen.
Overrompeld door de komst van Christus in zijn leven
en dat zijn leven niet meer hetzelfde is als voorheen.
Mogelijk ook – het is niet helemaal duidelijk – dat Paulus hier doelt
op een baby die te vroeg geboren is en het daardoor niet overleefd heeft.
Dat hij zich in de periode van verzet tegen Christus zo ziet
en dat hij door de komst van Christus in zijn leven weer tot leven kwam,
Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Dood – dat is een vrij scherp beeld en het past bij wat Paulus hier zegt.
Ik was dood zonder Jezus en ik leef alleen omdat de Opgestane, de levende
naar mij toekwam en zich liet zien,
liet zien dat Hij de dood had overwonnen, echt ook Gods Zoon was.
Paulus spreekt hier niet alleen over de opstanding,
maar ook over wat er daarvoor gebeurde: dat Jezus in het graf werd gelegd,
dat Hij echt de dood is ingegaan.
En dat daarmee de opstanding echt een bijzonder gebeuren is,
een daad van God, een overwinning van onze Heere op de dood.
En het gaat Paulus ook om wat ervoor gebeurde:
Dat Jezus stierf aan het kruis voor onze zonden, zoals in de Schriften staat.
Christus, die door Paulus werd tegengewerkt, van wie Paulus niets moest hebben,
kwam Paulus vertellen dat Hij, Christus, voor Paulus aan het kruis was gegaan
en dat daar aan het kruis ook zijn zonden zijn weggedragen.
Dat daar aan het kruis het oordeel van God werd gedragen
door de gekruisigde Christus.
In die verschijning van Christus aan de grootste tegenstander,
de minste van de apostelen, die helemaal geen enkel recht heeft om apostel te zijn.

Dat kan Paulus wel over zichzelf zeggen, maar als je eens naar die anderen kijkt:
Petrus (Kefas, zoals hij hier genoemd wordt).
Kan hij vooraan in de rij staan van de apostelen en zeggen:
Ik ben zo’n geweldige apostel, want ik heb Jezus gevolgd tijdens zijn reizen.
Ik ben met hem meegeweest naar Jeruzalem en heb daar Zijn lijden en sterven gezien.
Ik had ook gezegd dat ik Hem tot in de dood zou volgen.
Nee, in de verschijning van Petrus komt dezelfde genade naar voren, die Paulus ontving:
Gods geschenk, waarbij Gód het weer goedmaakte,
verklaarde dat de schuld weg is, omdat Christus die door Petrus werd verloochend
aan het kruis ook de zonde van de verloochening heeft gedragen
en dat Christus bij Petrus kwam om dat te zeggen, dat verkondigen
en om te vragen om geloof: Geloof je Mij, Petrus, dat Ik ook voor jou stierf
en dat die schuld van verloochening,
die grote zonde waardoor Ik je voor altijd had kunnen wegsturen bij Mij vandaan,
maar Ik doe het niet. Ik kom je opzoeken en je weer bij Mij terug te brengen
en als je in Mij gelooft, dan is je schuld weg en is het weer goed met God.

En de twaalf dan – even afgezien van de vraag of hier Matthias bij gerekend moet worden.
Waar waren zij op het moment dat Jezus werd opgepakt?
Waar waren zij toen Jezus werd gekruisigd?
Lieten ze Hem niet allemaal in de steek?
En Jakobus – waarschijnlijk de broer van Jezus.
Deze broer van Jezus heeft niet in Jezus geloofd tijdens Jezus’ leven.
Pas nadat Jezus de dood inging en opstond en naar Jakobus toeging
om Zich aan Jakobus te laten zien, ging deze broer van Jezus geloven.
Welk recht heeft Jakobus om een apostel te zijn
als hij een groot deel van zijn leven niet wilde geloven dat Jezus Gods Zoon was
en pas ging geloven nadat hij Jezus als de Opgestane mocht zien.
Is dat niet eveneens genade?

En nu wijzelf: hoe zit het met ons? Met u, met jou, met mij?
Geldt wat voor Paulus geldt, en voor Petrus, en voor Jakobus
ook niet voor ons,
dat als wij geloven het alleen maar een geschenk is
omdat Christus in ons leven gekomen is.
Dat het alleen maar genade is als we geloven?
Maar dan ook even verder:
Want stel dat Christus niet gekomen was in jouw leven,
of als u niet zou geloven – misschien doe je dat ook wel niet
en is Christus nog niet in je leven gekomen – wat dan?
Wat dan als je voor God moet verschijnen en Hij een oordeel over je leven velt.
Als je wilt weten waar de Reformatie, de Hervorming van de kerk
met namen van Luther, Zwingli, Calvijn en zoveel anderen om gaat,
dan is dat wel een van de belangrijkste vragen geweest:
Hoe krijg ik een genadig God? Wanneer velt God over mij een genadig oordeel
als ik voor Hem verschijn en laat Hij mij binnen in Zijn koninkrijk?
Hoe kan ik voorkomen dat ik verloren ga?
Of anders gezegd: wanneer zal God anders besluiten en mij niet verloren laten gaan?
Van nature ben ik geneigd om God en mijn naaste te haten,
zegt de Heidelbergse Catechismus.
Daarmee bedoelt de Catechismus niet dat God ons zo geschapen heeft
in dat verzet tegen Hem, zelfs het haten van Hem.
Maar dat wij daar nog in leven, in die haat, als Christus nog niet gekomen is in ons leven.
De ontdekking van de Reformatie was,
dat wij allemaal dezelfde schuld hebben, als Paulus had, als Petrus had, als Jakobus had.
En dat niemand vanuit zichzelf kan zeggen: Ik kan uit mijzelf bij God komen.
Ik kan voor Hem verschijnen en het zelf weer goed maken, alle schuld bijleggen,
Ik kan zelf wel het wantrouwen en ongeloof uit mij aan de kant schuiven
en mij het geloof en vertrouwen geven waar God recht op heeft.
Nee, het kan alleen gegeven worden
en als het gegeven wordt, dan is het een groot geschenk,
zo’n groot geschenk dat je opgewekt wordt uit de dood, dat je van dood levend wordt
Een geschenk dat God wil geven, zonder dat wij van tevoren prestaties moeten afleveren,
vanuit onze eigen kracht onszelf omhoog werken, buiten de zonde stappen.
Dat kunnen we niet.
We kunnen alleen maar gered worden.
En dat wil God doen. Met u, met jou, met mij.
Door dat kruis dat op Golgotha stond.
U hoeft het alleen maar aan te nemen, te geloven,
dankbaar te zijn dat God u dit geschenk wil geven,
en dat ik in ruil voor het geschenk dat Hij mij geeft
aan Hem mijn oude leven mag geven, mijn schuld, mijn zonden
en dat die door Christus reeds zijn weggedragen aan het kruis.
Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Amen

Oordeel

Oordeel
De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (8 – slot)

‘Bij alles wat ik doe, heb ik voortdurend een camera op mijzelf gericht. Alles wat ik doe, wordt steeds door mij beoordeeld: Lach ik niet te hard? Ben ik niet teveel aan het woord? Doe ik het wel goed?’ Ik kom ze steeds meer tegen: jongeren die continue bezig zijn om zichzelf te beoordelen. Vaak is dat oordeel negatief. Ze zijn van mening dat zij het niet goed doen. En ze zijn van mening dat ook anderen vinden, dat zij falen.
Het zijn vooral meisjes. Ze twijfelen vaak aan zichzelf en aan de waarde van wat zij presteren. Daarom leggen zij de lat hoog, want als zij tevreden over zichzelf zijn, zullen anderen dat waarschijnlijk ook zijn. In deze maatschappij, die heel erg gericht is op het behalen van prestaties, hebben zij het niet gemakkelijk. Al hebben zij dat vaak niet door, omdat zij het niet vreemd vinden dat de maatschappij veel van hen eist. Zij vragen dat immers ook van zichzelf? Waarom zouden anderen het dan niet van hen verlangen?
Het is een neiging naar perfectionisme, die deze jongeren in hun geloof meenemen. Ze houden de boot af als het gaat om belijdenis te doen van het geloof. Want zij hebben te weinig Bijbelkennis om belijdenis te doen. Willen ze belijdenis doen, moeten ze eerst de Bijbel grondig kennen. Ze doen veel voor de kerk, want God vraagt toch dat zij hun leven inzetten voor het evangelie? En toch hebben ze het idee, dat er van alles aan hun geloof schort. Als zij al ontevreden over zichzelf zijn, hoe streng zal het oordeel van God over hun leven en geloof dan wel niet zijn? En dat leidt er toe, dat zij nog wel meer willen doen.
Door de strenge eisen aan zichzelf, door hun perfectionisme lopen veel jongeren lopen daarom in hun geloof of in hun studie. En ook dat nemen ze zichzelf weer kwalijk.
Weinig thema’s uit de reformatorische traditie zijn zo behulpzaam als de rechtvaardiging van de goddeloze. En toch stuit het allereerst op weerstand. Wat je doet, telt toch voor God? Hoe kan God een gunstig oordeel vellen over je leven als de hoge norm van een heilig leven niet haalt? Dat wij niet door onze werken zalig worden, weten ze vaak wel. In theorie. Maar dat prestaties een hedendaagse variant op goede werken is, hebben ze niet door. Ze kunnen niet accepteren, dat de genade van God onvoorwaardelijk. Zozeer zijn ze gewend om het oordeel over zichzelf af te laten hangen van de prestaties die ze leveren. Was dit ook niet de weg, waarop Luther vrij  
Ze kunnen niet geloven, dat liefde onvoorwaardelijk is. Tijdens voorbereiding van een huwelijksdienst vroeg ik aan de aanstaande bruid, van wie ik de indruk kreeg dat zij een neiging tot perfectionisme had: ‘Geloof je dat je vriend van je houdt.’ ‘Nee,’ zei ze eerlijk. ‘Maar ik zie zoveel aan hem, dat ik het wel moet accepteren.’ Ik zei tegen haar: ‘Wie weet, geeft de Heere je wel dit huwelijk om te leren, dat je ook Zijn liefde mag accepteren.’
Het is moeilijk voor een perfectionist om zalig te worden. Omdat het moeilijk is om te ontvangen, zonder dat er van tevoren om een behalen van een norm is gevraagd.  Voor hen is het vaak schokkend om te horen, dat Gods liefde genade is.
Menselijke woorden kunnen dit patroon, dat zo diep zit, niet doorbreken. Alleen woorden, die het gezag van God zelf hebben, kunnen hier een uitweg bieden. Daarom geef ik hen één regel mee uit de Bijbel. Omdat het in de Bijbel staat, zijn het geen menselijke woorden meer, maar is het God die het tegen hen zegt: Zo is er geen veroordeling meer voor wie in Christus Jezus zijn (Romeinen 8:1a). Voor perfectionisten geldt hetzelfde als voor andere gelovigen: niet onze prestaties redden ons, maar de gemeenschap met Christus. Het oordeel over ons leven is in Christus een genadig geschenk. Dat is voor perfectionisten confronterend én bevrijdend.

 

Beeldenstorm

Beeldenstorm
De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (7)

Het eerste gebod geeft aan, dat er maar één God is. In het tweede gebod betreft het dienen van deze ene, ware God. Kenmerkend voor de gereformeerde traditie is, dat men dit gebod voortdurend heeft uitgewerkt. Hierin verschilt de gereformeerde traditie bijvoorbeeld van de Lutherse. Voor Luther was het tweede gebod slechts voor de Joden bedoeld. Binnen de gereformeerde traditie werd dit tweede gebod van belang geacht, omdat de eer van God centraal stond. Het eren van God komt tot uitdrukking in gehoorzaamheid van wat de Here vraagt.

‘Vraag: Wat eist God in het tweede gebod? Antwoord: Dat wij God op geen enkele wijze afbeelden en op geen andere wijze vereren dan Hij in zijn Woord bevolen heeft.’ (HC, vr&a 96).
Dit antwoord uit de HC geeft aan, dat het gebod breder werd ingevuld dan het vervaardigen van stenen of houten beelden. Dit gebod raakt ook de manier waarop wij God vereren en waarop wij over Hem denken. Wij mogen Hem alleen vereren, zoals Hij in zijn Woord voorschrijft. Wij mogen alleen maar die beelden over Hem hebben, zoals Hij Zichzelf bekend maakt in zijn Woord.

Theologie vor jongeren
Op het eerste gezicht lijkt dit de botsen met de theologie die jongeren zelf hebben. De beelden die zij over God hebben zijn meestal juist niet ontleend aan de Bijbel, maar aan hun eigen ervarings- en denkwereld. Deze beelden kunnen ook haaks staan op wat God in zijn Woord over zichzelf te kennen geeft.
Toch kan dit gebod een belangrijke bijdrage leveren aan een theologie voor jongeren. Daarmee bedoel ik: dit tweede gebod (en vooral de uitwerking daarvan in de gereformeerde traditie) kan jongeren juist helpen in hun nadenken over God. Een theologie voor jongeren vraagt kritisch door op de godsbeelden die jongeren hebben. Om schadelijke godsbeelden te ontmaskeren. Om inconsequenties naar voren te halen. Om hen in te wijden in een andere manier van nadenken over God.

Mondig
Het beeldverbod wordt gedragen door het Bijbelse besef, dat mensen niet in staat zijn om geheel te doorgronden wie Hij is. Menselijke woorden en menselijke beelden zijn te beperkt om de grote en heilige God, onze Schepper, af te beelden. De uitwerking van het beeldverbod had in de gereformeerde traditie de intentie om de gewone gelovigen mondig te maken. De reformatoren waren humanistisch geschoolde geleerden, die zich er aan stoorden hoe beelden en godsbeelden de gelovigen van hun tijd onmondig gemaakt hadden. Vanuit het geloof dat het Woord van God de gelovigen bevrijdt van banden die onmondig maakten wezen zij de gelovigen erop, dat zij zich slechts hadden te houden aan de levende verkondiging van Gods Woord (HC, antw 98).

Beeldenvloed
Vandaag de dag stelt het beeldverbod een andere onmondigheid onder kritiek. Jongeren worden in alle media overladen met beelden. Deze beelden kunnen zo overweldigend zijn dat zij moeite krijgen met luisteren en lezen. Deze mediabeelden kunnen ook hun beeld van God beïnvloeden. Het tweede gebod nodigt uit tot een beeldenstorm en te meer tijd te nemen voor luisteren en reflectie op Gods spreken.

Beeldenstorm
In mijn gesprekken met jongeren kom ik verschillende beelden van God tegen. Jongeren die geen kerkelijke opvoeding hebben gehad voelen zich ontheemd. Zij willen net zo vertrouwd worden met God als hun vriend of vriendin die wel die opvoeding heeft gehad. Aan de hand van hoe God Zelf spreekt in zijn Woord mogen zij ontdekken dat God hen dat geestelijk thuis wil bieden.

Aan de andere kant kom ik jongeren tegen met een opvoeding, waarbij geloof vooral bestond uit regels. Of uit een God van Wie niets mocht. Zij lopen vast in hun beeld over God en slagen er met moeite in om een nieuw beeld van God te ontwikkelen, zoals Hij dat aangeeft in zijn Woord.
Deze jongeren kunnen aan de hand van de geschiedenis van Israël leren om de verkeerde beelden van God te verwijderen en te vernietigen. Een beeldenstorm, zoals Mozes , Gideon en Hizkia deden. In de lege ruimte krijgt de Heere ruimte om te onthullen wie Hij werkelijk is.

Geschreven voor HWConfessioneel

Geen andere goden

Geen andere goden

De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (6)

In de reformatorische traditie speelt het eerste gebod een belangrijke rol. Als Luther zijn eerste catechismus aanvult, geeft hij vooral een uitgebreide uitleg van het eerste gebod. Daarin schrijft hij: ‘Een God noemt men dat, waarvan men alle goeds verwacht en waarheen men kan vluchten in alle noden. Daarom betekent ‘een God liefhebben’ niets anders, dan dat men van harte op Hem vertrouwt en in Hem gelooft, zoals ik al zo dikwijls gezegd heb, dat alleen het vertrouwen en het geloof van het hart beide God en afgod maakt. (…) Ik zeg u, dat waar uw hart aan hangt en op vertrouwt, dat is eigenlijk uw God.’
Voor kinderen en jongeren is het eerste gebod een abstract gebod. Het is niet gemakkelijk om hier een voorstelling bij te hebben of het in praktijk te brengen. Andere goden komen zij alleen tegen als zij andersgelovigen ontmoeten.
Er zijn pogingen ondernomen om dit gebod wat meer te laten spreken. De uitleg van Luther is er een voorbeeld van. Ik vrees dat het niet veel verder helpt. Is het niet meer iets voor volwassenen om je hart ergens aan te hangen? Bijvoorbeeld aan geld of macht? Mijn catechisanten van 14 en 15 zijn vaak net begonnen met een zaterdagbaantje of krijgen hooguit wat zakgeld. De verleiding om alles in het leven af te stemmen op het verdienen van zoveel mogelijk geld kennen ze nog niet echt.
Wat dichterbij komt het als jongeren zich vol overtuiging in laten met een politieke overtuiging. Een van de jongeren die ik vroeger als kind kende heeft op de lijst van de PVV gestaan. Toch ben ik ook hierin voorzichtig. In het verleden hebben christenen veel vaker gedacht dat bepaalde politieke voorkeuren te verenigen waren, waarvan wij nu ons afvragen of die combinatie met het christelijk geloof te maken is.
In een klein boekje over de Tien Geboden citeert de godsdienstpedagoog Fulbert Steffensky een preek uit de Tweede Wereldoorlog: ‘Voor ons is het vaderland heilig. Daarom offeren wij onze jeugd, onze gezondheid en onze levenskracht vol vreugde en van harte – zelfs in de voorste linie. Voor ons is het vaderland heilig. Wij eren Gods heilige wil in ons Duitser-zijn.’ Hij schrijft daar vervolgens achter aan, dat in dit citaat de natuurlijke liefde voor het vaderland tot een afgod wordt gemaakt. Ik stem van harte met zijn opmerking in, maar vraag mij wel af of wij dit door het ontzaglijke leed van de Tweede Wereldoorlog dit inzicht tot onze schande hebben moeten leren. Het is waar dat wij met de keuze voor een afgod ons leven verspelen. Maar voor ons is het vaak niet gemakkelijk aan te wijzen wat een afgod is.
Ook voor jongeren niet. Zij hebben vaak het idee, dat zij niet door de reclamefolders worden beïnvloed. Wanneer er een tv-spot komt, zappen ze naar eigen zeggen naar een andere zender.
In het eerste gebod gaat het om de eer van God. Eerder schreef ik dat de eer van God voor de reformatorische traditie een kernbegrip is. Voor Calvijn gaat de eer van God gepaard met het welbehagen dat God heeft in mensen. De eer van God maakt mensen zoals ze door God bedoeld zijn. Geen supermensen. Het eerste gebod is een relativering van alle menselijke grootheidswaanzin: wij zijn slechts schepsel en voor Gods aangezicht komen wij het beste tot ons recht. Het eerste gebod is ook een bescherming tegen vernedering: Voor Gods aangezicht staan wij allen op hetzelfde niveau. Niemand mag ons gehoorzaamheid afdwingen: een christen heeft alleen te buigen voor zijn hemelse Heer. Wanneer wij God alle eer geven, worden wij vol op mens.

Die Reformatoriese Tradisie as ’n Teologie vir Jongmense

Die Reformatoriese Tradisie as ’n Teologie vir Jongmense

Die Gereformeerde Protestantisme het ontwikkel as ’n stroming naas ander strominge soos die Lutherane, Rooms-Katolieke en Anglikane. ’n Gereformeerde kerk is ’n Christelike Kerk, dit wil sê ’n kerk onder haar hoof, Jesus Christus. Christus is verhoog in die hemel, maar tegelyk by sy kerk op aarde aanwesig.

Gereformeede kerke was daarom van oorsprong af ekumenies ingestel: een van die belangrikste belydenisskrifte is vir ’n groot deel deur ’n Lutheraan opgestel (Die Heidelbergse Kategismus). Wanneer ’n nuwe geloofsbelydenis opgestel word, word daar nie gesoek om die eie kerk te verdedig nie, maar word daar saam met andersoortige kerke gesoek na die waarheid van die Evangelie. Dit gaan om die belydenis van Christus as Hoof van die kerk en as Heer.

Wat hou die terme reformatories of Gereformeerd in? Dié aanduiding beteken vernuwend en is ’n onderdeel van ’n langer sin: gereformeerd beteken vernuwend volgens en deur die Woord van God. Die Woord van God is die norm van die vernuwing, maar ook die veroorsaker van die vernuwing. Deur die Woord van God word die kerk geskape en deur dieselfde Woord word die kerk telkens weer nuutgemaak.

Die gereformeerde tradisie en vormgewing van die kerk kan daarom nie as afgehandel beskou word nie. Dit geld die geloofsbelydenis, die manier waarop die kerk bestuur word en die invulling van die erediens.. Die kerk moet telkens van voor af deur en ooreenkomstig die Woord nuutgemaak word.

Die Gereformeerde tradisie gaan daarvan uit dat God deur sy Woord tot ons praat. Die Skrif is daarom nie alleen ’n historiese dokument nie, maar die Woord waarmee die Here ook in die hede praat en waarmee Hy in sy gemeente en in die lewe van gelowiges werk. Die gelowiges het ontsag vir hierdie spreke van die Here en laat hulle daardeur in gehoorsaamheid lei.

Die reformatoriese tradisie is derhalwe by uitstek geskik as ’n teologie vir jongmense. Hierdie tradisie is naamlik nie gerig om die handhawing van homself nie, maar soek in elke tydsgewrig na die eer van God. Die inkleding van die erediens, die geloofsbelydenis, die riglyne vir die daaglikse lewe kan nie deur die tradisie bepaal word nie, maar moet telkens weer deur die eerbiedige luister na die spreke van God in sy Woord gesoek word. Die reformatoriese tradisie bied vir jongmense ’n geestelike tuiste by Christus en in die Skrif, maar leer tegelykertyd die jongmense om krities te bly ten opsigte van hulle eie tradisie en ten opsigte van die wêreld waarin hulle leef.

’n Bykomende voordeel is dat die gereformeerde tradisie reeds ervaring opgedoen het oor hoe om in ’n tyd van sekularisasie en kritiek op die Christelike geloof tog die Here te bly dien. Gereformeerdes word al vir ’n lang tyd vervolg en teen gediskrimineer. Van hulle oorsprong af is hulle gewoond om vanuit ’n gemarginaliseerde posisie terwyl hulle openlik bespot word, Christus te dien. Selfs al verloor hulle gereeld hulle poste of hulle lewens, bly hulle bereid om God en die samelewing te dien. Hierdie manier van doen help jongmense om in belangrike poste hulle werk getrou te doen sonder om verbitterd te raak oor die aanvalle op hulle Christelike geloof.

Met dank aan dr. Wouter van Wyk, Sekretaris: Toerusting, Inligting en Kommunikasie van de Nederduitsch Hervorme Kerk van Afrika – voor de vertaling en de publicatie in het kerkblad e-Hervormer

Wie God is

Wie God is

De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (5)

In de vorige bijdrage gaf ik aan: de gereformeerde traditie is samen te vatten als alleen aan God de eer (soli Deo gloria). Het centraal stellen van de eer van God heeft ook consequenties voor hoe wij over God denken. Als wij over God spreken, gaat het over God zoals Hij Zichzelf aan ons openbaart. In de gereformeerde traditie hebben de eerste twee geboden dan ook een belangrijke plaats gekregen in het spreken over God.
In het eerste gebod wordt aangegeven dat er maar één God is. Veel geloofsbelijdenissen zetten daarom ook in met de ene God die er is. Bijvoorbeeld de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 1:Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er één God is… De NGB zet met het geloof in de ene God in, omdat de Schrift er over spreekt. God Zelf openbaart Zich aan ons als de enige God die er is. De eenheid van God staat voorop. Dat is het uitgangspunt. Pas daarna wordt er gesproken over de drie-eenheid. Tegelijkertijd geeft de Nederlandse Geloofsbelijdenis in de woordkeus aan, dat we bij God moeten denken aan de Vader van onze Heere Jezus Christus. De woordkeuze geloven met het hart en belijden met de mond is namelijk ontleend aan Romeinen 10:9. Het belijden van Christus behoort volgens de gereformeerde traditie tot het eerste gebod: er is maar één God en Hij heeft Zich ons geopenbaard als Vader, Zoon en Heilige Geest. De eenheid van God gaat voorop, maar het geloven in God als Vader, Zoon en Geest en toch één is een daad van gehoorzaamheid aan God Zelf. Onze kennis over God hebben we niet te danken aan onze ervaring, aan wat onze ouders over God vertellen, wat wij zelf vinden van God, maar is ontleend aan de Schrift (NGB zie artikel 2).
Nu raakt dit eerste artikel van de NGB ook aan het tweede gebod, het beeldverbod, dat in de gereformeerde traditie zo’n belangrijk spoor heeft getrokken. De manier waarop in art. 1 over God gesproken wordt moet op de Schrift terug te voeren zijn. Anders is het in strijd met het tweede gebod. Artikel 1 moeten we dan ook zien als een samenvatting van hoe de Schrift over God spreekt: God, Die deze wereld geschapen heeft door te spreken; de Heere, die Abram uitkoos en daarmee Israël; God, Die Zijn volk uit Egypte leidde naar Kanaän; God die in Christus mens werd. In artikel 1 wordt geen definitie gegeven van God, maar wordt in verwondering en dankbaarheid verteld wie God is. Artikel 1 is – conform het Soli Deo gloria – dan ook lofprijzing: Heere, U bent eeuwig, onbevattelijk, onzienlijk, enz.
Wezenlijk voor de gereformeerde traditie is wat over God beschreven wordt geen herinnering aan een roemrijk verleden is. God is nog steeds zo: nog steeds is Hij eeuwig, onveranderlijk, almachtig, rechtvaardig, enz. De gereformeerde traditie wordt gedragen door het besef dat God nog steeds werkzaam is.  De voorredes van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels zijn door dat geloof gestempeld. Christus is in de hemel, maar ook bij Zijn kerk op aarde aanwezig. Hij schept en bewaart Zijn kerk hier op deze aarde. Bijvoorbeeld tijdens de verkondiging en de viering van het Heilig Avondmaal, maar ook in moeilijke omstandigheden van vervolging. De eerste twee geboden zijn voor de gereformeerde traditie van groot belang, omdat we in de Schrift de enige God die er is leren kennen. Vandaag de dag is Hij geen ander dan in de tijd van Abram of van David. Christus is nog steeds – zoals Hij aan de apostelen beloofde – tot het einde van de wereld bij Zijn gemeente. God is de levende God. Hij is (vandaar de ruime aandacht voor gebed in de gereformeerde belijdenisgeschriften) en was (vandaar de aandacht voor het verbond en de heilsgeschiedenis) en zal komen (het was het waard om het eigen leven te geven voor het geloof in deze God).

In de volgende bijdragen wil ik verder uitwerken wat de betekenis is van deze twee geboden in de gereformeerde traditie én wat deze uitwerking kan betekenen voor jongeren.

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor HWConfessioneel

Deel 1:https://mjschuurman.wordpress.com/2012/07/04/de-reformatorische-theologie-als-een-theologie-voor-jongeren-1/
Deel 2: https://mjschuurman.wordpress.com/2012/07/24/de-reformatorische-traditie-als-theologie-voor-jongeren-2/
Deel 3:https://mjschuurman.wordpress.com/2012/08/29/wat-is-reformatorisch/
Deel 4: https://mjschuurman.wordpress.com/2012/09/13/soli-deo-gloria-de-kern-van-de-gereformeerde-traditie/

Leestip: Matthias Freudenberg

Leestip: Matthias Freudenberg

In 2011 publiceerde Matthias Freudenberg een mooie en goed begrijpelijke introductie in de gereformeerde theologie. Het boek begint met biografische schetsen van Hyldrich Zwingli, Heinrich Bullinger, Johannes Calvijn en de Hugenoten. In deze schetsen komt ook kort hun theologie en hun betekenis voor vandaag naar voren. Alleen al in de korte biografische schetsen wordt duidelijk dat de gereformeerde theologie ook vandaag de dag nog veel te zeggen heeft. Deze hoofdstukken nodigen uit om de reformatoren zelf te lezen vanwege pastorale inzichten. Niet alleen hun geschriften en geloofsbelijdenissen, maar ook hun brieven.
Na deze schets worden 13 thema’s, die kenmerkend zijn voor de gereformeerde theologe belicht: zoals uitverkiezing, het christelijk leven, de kerk, de sacramenten, de eredienst, de verhouding tussen kerk en staat, de verhouding tussen arm en rijk.
In het laatste deel komt de verdere ontwikkeling van de gereformeerde theologie aan de orde. In dit deel komen Melanchton, Schleiermacher, Karl Barth, Alfred de Quervain, de Barmer Thesen en de Leuenberger Konkordie langs.
 
Matthias Freudenberg promoveerde op Karl Barth en de gereformeerde theologie. Tot 2012 was hij hoogleraar Systematische theologie – met als zwaartepunt de gereformeerde theologie. Omdat zijn contract niet verlengd kon worden, werd hij in 2012 studentenpredikant in Saarbrücken. Freudenberg is betrokken bij de heruitgave van gereformeerde belijdenisgeschriften, van geschriften van Karl Barth, Hyldrich Zwingli en Johannes Calvijn. Vanwege het jubileum van de Heidelberger Catechismus was hij ook betrokken bij de uitgave van enkele geschriften over deze catechismus.
Boeken over theologie zullen tegenwoordig niet veel kans maken om in het Nederlands vertaald te worden. Deze introductie van Matthias Freudenberg zal wellicht ook geen kans maken. Maar dat zou wel een gemiste kans zijn. Freudenberg publiceerde een mooie, goed toegankelijke introductie in de gereformeerde theologie.
(Wanneer ik er aan toe kom, zal ik een aantal blogs aan dit boek wijden)

Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie. Eine Einführung. Neukirchener Theologie. (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2011) http://www.neukirchener-verlage.de/index.php?action=artikel&subaction=zeige&var=602.523&sucheID=180529
www.nvg-medien.de