Preek zondag 27 oktober 2019

Preek zondag 27 oktober 2019
Reformatieherdenking
Schriftlezing: Romeinen 1:1-17 en 1 Korinthe 15:1-11.

Meer dan 500 jaar geleden wordt een jonge monnik op reis gestuurd.
De abt, de overste van het klooster, stuurt hem naar Rome
om de paus in Rome een conflict binnen de kloosterorde in Duitsland op te laten lossen.
Deze monnik, Maarten Luther, draagt niet alleen de brief van zijn abt met zich mee,
maar onzichtbaar in zijn hart draagt hij nog iets anders mee,
een zwaar gevoel dat het tussen hem en God niet goed zit.
Enkele jaren ervoor was hij tijdens een onweersbui overvallen
en had toen een belofte afgelegd dat als hij bewaard zou blijven in het klooster zou gaan.
Die belofte om het klooster in te gaan had hij gehouden.
In het klooster vond hij echter niet de rust die hij zocht, de rust voor zijn hart.
Vol onrust sprak zijn hart in hem: ‘Het zit niet goed tussen jou en God.
Als je nu zult sterven, zul je verloren gaan, voor eeuwig verloren gaan.’
Wat hij ook probeerde in het klooster, door zichzelf te vernederen,
door veel te vasten en te bidden, door hard binnen het klooster te werken,
nergens kon hij die rust vinden die zijn ziel nodig had.
Nu hij op reis gegaan was naar Rome, de meest heilige plek die er dan op aarde was,
kon hij proberen om daar een goed geweten te krijgen,
de geruststelling dat tussen hem en God in orde was gemaakt.
Op zijn blote knieën beklimt hij de Heilige Trap, om door de pijn die hem dat doet
boete te doen voor de zonden die als een last op hem drukken.
Ook deze boetedoening helpt Luther niet.
Na enige tijd als Luther weer terug is uit Rome wordt hij aangesteld
als professor: hij moet studenten lesgeven uit de Bijbel.
Als hij een lessenreeks voorbereidt over de brief van Paulus aan de Romeinen
doet hij een ontdekking die zijn leven op zijn kop zet:
Als mens kun je het niet zelf voor elkaar krijgen dat het weer goed komt met God.
Je bent als zondaar niet in staat om je zonden te compenseren of goed te maken,
zelfs niet door jezelf enorm te pijnigen, of jezelf hard aan te pakken,
door hard te werken om bij God alsnog weer in een goed blaadje te komen.
Daarvoor is de zonde te aangrijpend, teveel een aantasting van Gods eer.
Het kan wel goed komen, doordat de Heere dat uitspreekt over je leven,
als een oordeel door een rechter over je leven geveld
en dan niet zomaar door een rechter, maar door de hoogste Rechter die er is,
die eens het laatste oordeel over ons leven zal uitspreken.
Het bijzondere van deze rechter is dat Hij vrijspraak geeft,
Een oordeel dat het weer goed zit tussen mij en God,
omdat deze Rechter zelf de straf heeft gedragen.
Luther ontdekte dat tijdens het lezen in de Romeinenbrief,
toen hij bezig was met het eerste hoofdstuk, waar hij las over de gerechtigheid van God.
Gerechtigheid is dat het weer helemaal goed zit,
dat de vertrouwensbreuk is geheeld, dat de zonden en de fouten die ik als mens deed
zijn rechtgezet en dat er niets meer tussen mij en God in staat
en we weer bij elkaar kunnen horen.
Luther dacht altijd dat die gerechtigheid – dus dat het weer goed zat tussen mij en God –
door onszelf moest worden hersteld.
Hij ontdekt dat Paulus echter iets anders bedoelde: ik maak het niet goed,
maar God maakt het goed.
Ik kan alleen maar geloven en geloven is alleen maar ontvangen:
de open handen ophouden, zodat God die kan vullen.
Het is genade en genade betekent niets anders dan dat die gerechtigheid,
het oordeel waarin God zegt dat het goed is en dat onze schuld weg is,
een geschenk van God is, dat God geeft aan ons.
Dat geschenk kunnen wij niet kopen, niet verdienen, ook niet door onze prestaties,
alleen maar ontvangen in geloof.

Het is niet voor niets, denk ik, dat Luther zich zo in Paulus herkende.
Hij zich in Paulus iemand die net als hij worstelde met schuld.
En dan niet een schuld naar medemensen toe, maar schuld naar God toe.
In de brief aan de Korinthe schrijft hij dat hij niet trots op zichzelf kan zijn
en dat hij zijn positie als apostel niet heeft verdiend door zo geweldig te presteren.
Integendeel, hoezeer het aan de buitenkant erop leek dat hij heel gelovig was
en hoezeer hijzelf ook dacht dat hij met zijn manier van leven God diende,
had hij God buiten zijn leven geplaatst, God buiten zijn hart gesloten
en zijn houding naar God toe werd gekenmerkt door puur wantrouwen.
Wat hij niet door had, was dat hij zich verzette tegen God
en van de Heere zijn vijand had gemaakt.
Als een rebel in opstand leefde tegen de God die Hem geschapen had.
En dan verschijnt Christus als Opgestane, de Heer die de dood overwon, aan hem, Paulus!
Aan hem, Paulus, die niets van die Jezus moest weten
en zijn volgelingen met alle mogelijke inzet vervolgde
omdat hij dacht dat hij daarmee God een goede dienst bewees.
Aan hem, die het werk van God op aarde wilde verwoesten,
die als een brullende leeuw tekeer ging, tegen de kerk van God op aarde,
verscheen Christus.
In die ontmoeting besefte Paulus wie hij was en hoe het ervoor stond met God.
Dat wat hij deed, helemaal geen dienst aan God was,
maar dat hij zich verzette tegen God en zijn hart voor hem had afgesloten.
Een ontijdig geborene noemt Paulus zich – NBV: een misbaksel.
Dat kan zijn dat de tegenstanders van Paulus in de kerk hem zo noemden
als ze het over Paulus had: Paulus was een gevaarlijk monster,
een tegenstander van God een middel in hand van de duivel.
Paulus kon je toen niet vertrouwen en kun je nog steeds niet vertrouwen
al doet hij of hij apostel is en het evangelie over Christus vertelt.
Het kan zijn dat Paulus daarmee bedoelde
dat Christus zo onverwacht in zijn leven is gekomen
dat Paulus het niet heeft zien aankomen.
Overrompeld door de komst van Christus in zijn leven
en dat zijn leven niet meer hetzelfde is als voorheen.
Mogelijk ook – het is niet helemaal duidelijk – dat Paulus hier doelt
op een baby die te vroeg geboren is en het daardoor niet overleefd heeft.
Dat hij zich in de periode van verzet tegen Christus zo ziet
en dat hij door de komst van Christus in zijn leven weer tot leven kwam,
Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Dood – dat is een vrij scherp beeld en het past bij wat Paulus hier zegt.
Ik was dood zonder Jezus en ik leef alleen omdat de Opgestane, de levende
naar mij toekwam en zich liet zien,
liet zien dat Hij de dood had overwonnen, echt ook Gods Zoon was.
Paulus spreekt hier niet alleen over de opstanding,
maar ook over wat er daarvoor gebeurde: dat Jezus in het graf werd gelegd,
dat Hij echt de dood is ingegaan.
En dat daarmee de opstanding echt een bijzonder gebeuren is,
een daad van God, een overwinning van onze Heere op de dood.
En het gaat Paulus ook om wat ervoor gebeurde:
Dat Jezus stierf aan het kruis voor onze zonden, zoals in de Schriften staat.
Christus, die door Paulus werd tegengewerkt, van wie Paulus niets moest hebben,
kwam Paulus vertellen dat Hij, Christus, voor Paulus aan het kruis was gegaan
en dat daar aan het kruis ook zijn zonden zijn weggedragen.
Dat daar aan het kruis het oordeel van God werd gedragen
door de gekruisigde Christus.
In die verschijning van Christus aan de grootste tegenstander,
de minste van de apostelen, die helemaal geen enkel recht heeft om apostel te zijn.

Dat kan Paulus wel over zichzelf zeggen, maar als je eens naar die anderen kijkt:
Petrus (Kefas, zoals hij hier genoemd wordt).
Kan hij vooraan in de rij staan van de apostelen en zeggen:
Ik ben zo’n geweldige apostel, want ik heb Jezus gevolgd tijdens zijn reizen.
Ik ben met hem meegeweest naar Jeruzalem en heb daar Zijn lijden en sterven gezien.
Ik had ook gezegd dat ik Hem tot in de dood zou volgen.
Nee, in de verschijning van Petrus komt dezelfde genade naar voren, die Paulus ontving:
Gods geschenk, waarbij Gód het weer goedmaakte,
verklaarde dat de schuld weg is, omdat Christus die door Petrus werd verloochend
aan het kruis ook de zonde van de verloochening heeft gedragen
en dat Christus bij Petrus kwam om dat te zeggen, dat verkondigen
en om te vragen om geloof: Geloof je Mij, Petrus, dat Ik ook voor jou stierf
en dat die schuld van verloochening,
die grote zonde waardoor Ik je voor altijd had kunnen wegsturen bij Mij vandaan,
maar Ik doe het niet. Ik kom je opzoeken en je weer bij Mij terug te brengen
en als je in Mij gelooft, dan is je schuld weg en is het weer goed met God.

En de twaalf dan – even afgezien van de vraag of hier Matthias bij gerekend moet worden.
Waar waren zij op het moment dat Jezus werd opgepakt?
Waar waren zij toen Jezus werd gekruisigd?
Lieten ze Hem niet allemaal in de steek?
En Jakobus – waarschijnlijk de broer van Jezus.
Deze broer van Jezus heeft niet in Jezus geloofd tijdens Jezus’ leven.
Pas nadat Jezus de dood inging en opstond en naar Jakobus toeging
om Zich aan Jakobus te laten zien, ging deze broer van Jezus geloven.
Welk recht heeft Jakobus om een apostel te zijn
als hij een groot deel van zijn leven niet wilde geloven dat Jezus Gods Zoon was
en pas ging geloven nadat hij Jezus als de Opgestane mocht zien.
Is dat niet eveneens genade?

En nu wijzelf: hoe zit het met ons? Met u, met jou, met mij?
Geldt wat voor Paulus geldt, en voor Petrus, en voor Jakobus
ook niet voor ons,
dat als wij geloven het alleen maar een geschenk is
omdat Christus in ons leven gekomen is.
Dat het alleen maar genade is als we geloven?
Maar dan ook even verder:
Want stel dat Christus niet gekomen was in jouw leven,
of als u niet zou geloven – misschien doe je dat ook wel niet
en is Christus nog niet in je leven gekomen – wat dan?
Wat dan als je voor God moet verschijnen en Hij een oordeel over je leven velt.
Als je wilt weten waar de Reformatie, de Hervorming van de kerk
met namen van Luther, Zwingli, Calvijn en zoveel anderen om gaat,
dan is dat wel een van de belangrijkste vragen geweest:
Hoe krijg ik een genadig God? Wanneer velt God over mij een genadig oordeel
als ik voor Hem verschijn en laat Hij mij binnen in Zijn koninkrijk?
Hoe kan ik voorkomen dat ik verloren ga?
Of anders gezegd: wanneer zal God anders besluiten en mij niet verloren laten gaan?
Van nature ben ik geneigd om God en mijn naaste te haten,
zegt de Heidelbergse Catechismus.
Daarmee bedoelt de Catechismus niet dat God ons zo geschapen heeft
in dat verzet tegen Hem, zelfs het haten van Hem.
Maar dat wij daar nog in leven, in die haat, als Christus nog niet gekomen is in ons leven.
De ontdekking van de Reformatie was,
dat wij allemaal dezelfde schuld hebben, als Paulus had, als Petrus had, als Jakobus had.
En dat niemand vanuit zichzelf kan zeggen: Ik kan uit mijzelf bij God komen.
Ik kan voor Hem verschijnen en het zelf weer goed maken, alle schuld bijleggen,
Ik kan zelf wel het wantrouwen en ongeloof uit mij aan de kant schuiven
en mij het geloof en vertrouwen geven waar God recht op heeft.
Nee, het kan alleen gegeven worden
en als het gegeven wordt, dan is het een groot geschenk,
zo’n groot geschenk dat je opgewekt wordt uit de dood, dat je van dood levend wordt
Een geschenk dat God wil geven, zonder dat wij van tevoren prestaties moeten afleveren,
vanuit onze eigen kracht onszelf omhoog werken, buiten de zonde stappen.
Dat kunnen we niet.
We kunnen alleen maar gered worden.
En dat wil God doen. Met u, met jou, met mij.
Door dat kruis dat op Golgotha stond.
U hoeft het alleen maar aan te nemen, te geloven,
dankbaar te zijn dat God u dit geschenk wil geven,
en dat ik in ruil voor het geschenk dat Hij mij geeft
aan Hem mijn oude leven mag geven, mijn schuld, mijn zonden
en dat die door Christus reeds zijn weggedragen aan het kruis.
Genade, zo oneindig groot.
Dat ik, die ’t niet verdien
het leven vond, want ik was dood
en blind, maar nu kan ‘k zien.
Amen

Ademnood en vitaliteit

Ademnood en vitaliteit.
Terugblik op de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond

In veel gemeenten binnen de Gereformeerde Bond zijn veranderingen aan de gang. De liturgie verandert: naast de Psalmen uit de Oude Berijming wordt nu gebruik gemaakt van Op Toonhoogte en Weerklank. Een misschien nog wel veel grotere verandering is dat het bezoek aan de kerkdienst terugloopt, zeker in de middag- of avonddienst. Omdat gemeenteleden overstappen naar een andere gemeente of het belang van kerkdienst niet meer inzien en makkelijker wegblijven. In veel gemeenten zijn ook spanningen rondom de koers van de gemeente. Of conflicten tussen gemeente en predikant.

Secularisatie?
Zijn dat tekenen dat de secularisatie nu ook in de kringen van de Gereformeerde Bond is aangekomen? Afgelopen donderdag en vrijdag was er door de Gereformeerde Bond daarom een conferentie belegd om ervaringen uit te wisselen en elkaar toe te rusten. We lazen ter voorbereiding een artikel uit 1996 over Godsverduistering en ademnood. Op de eerste dag werd Godsverduistering nog wel genoemd, maar ik kreeg de indruk dat het vooral de sfeer van de jaren-’80 opriep en dat daarom het woord niet door iedereen werd overgenomen. Het woord ademnood raakte wel meer een snaar. Al werd niet uitgelegd wat er met die ademnood werd bedoeld en kon iedereen zijn eigen ervaring er aan koppelen.

Kwetsbaar voor nostalgie
De opzet, waarbij er nogal eens teruggeblikt werd op de afgelopen decennia, maakte de aanpak kwetsbaar voor een vorm van nostalgie. Al werd ons voorgehouden dat het voor de Gereformeerde Bond nu echt tijd is om de secularisatie te gaan verwerken en de gevolgen niet weg te lakken onder een vroom vernis. Er werd teruggegrepen op de discussie dr. H. Berkhof – ds. G.  Boer, waarbij deze keer gezegd werd, dat ds. Boer het punt van Berkhof over de opkomende secularisatie niet aanvoelde.

Grote woorden
Om de tijd te duiden werd er een grote lijnen getrokken en grote woorden gebruikt. Persoonlijk had ik liever gezien dat navraag gedaan werd in hoeverre de verschijnselen die door godsdienstsociologen en cultuurfilosofen werd opgemerkt ook in de gemeenten spelen. Kun je er vanuit gaan dat die verschijnselen, zoals transcendentieverlies, onttovering van de wereld, natuurwetenschappelijk wereldbeeld echt ook impact hebben op de gemeenten? Er zullen gemeenten zijn, waarbij die effecten gemerkt worden.

Ongelijktijdigheid
Door mijn rol als voorzitter van de classis Hattem en betrokkenheid bij de Generale Raad van Advies heb ik gemerkt dat er een grote ongelijktijdigheid is: wat in de ene regio speelt, speelt in een andere regio helemaal niet. Sinds ik predikant ben iets ten oosten van het midden, valt mij op dat vanuit dit deel van het land (en ik vermoed dat het voor het noorden niet anders is) er een andere kijk op Nederland is. Ik krijg de indruk dat dit ook voor kerkelijk Nederland geldt. Ontwikkelingen in het oosten van Nederland zouden wel eens anders kunnen zijn dan in het westen.

Ik bedoel niet persé rooskleuriger: in de Achterhoek hebben de gemeenten het net zo moeilijk als in Noord-Holland. Toch is in bepaalde streken van het oosten God onderdeel van het dagelijks leven. Hij hoort er gewoon bij. Net als kerkgang. Al ga je zelf dan misschien niet meer, je ouders gaan nog wel. Al zijn je kinderen misschien niet meer gedoopt, ze gaan nog wel naar een christelijke basisschool. Mijn ervaring is dat in het oosten er nog volop een structuur is om naar de kerk terug te keren als je afgehaakt bent. In het westen van Nederland is die structuur voor een groot deel verdwenen, waardoor mensen die kerkgang weer op zouden willen pakken niet weten waar ze moeten beginnen.

Ademnood
In de afgelopen dagen heb ik me ook de vraag gesteld: wat zegt het over ons als predikanten dat we ademnood krijgen in deze tijd? In de lezingen en in de wandelgangen werd er vooral gekeken naar de cultuur die verandert en de gemeenteleden die zich door die veranderingen in de luren laten leggen. Een enkele collega gaf aan: die secularisatie werkt ook in mij. Houden we onszelf niet teveel buiten schot als we bepaalde ontwikkelingen in de cultuur en in de kerk duiden als ademnood of zelfs als Godsverduistering? We lazen een artikel van Herman Oevermans van tevoren, waardoor de toon eigenlijk al somber was ingezet.

Teveel menselijke zekerheid
Wat was er gebeurd als we een artikel gelezen hadden van A.A. van Ruler over God en de chaos? In dat artikel zegt Van Ruler, dat God onze zekerheden omver kan werpen omdat het menselijke zekerheden zijn. Zou er in de kerk in de afgelopen decennia ook niet teveel menselijke zekerheid zijn geweest? Bijvoorbeeld door te denken dat de secularisatie ons niet kan raken, omdat we de Schrift en de Belijdenis hebben, omdat we orthodox genoeg zijn? Is dat niet eerder een vorm van struisvogelpolitiek geweest? Waarom hebben we in onze kringen niet geleerd van de achteruitgang in gemeenten met een heel andere ligging? Waar was de betrokkenheid op de classis of in de werkgemeenschap op gemeenten, die het in de afgelopen decennia reeds zwaar te verduren hadden?

Niet op voorbereid
In de 12,5 jaar dat ik nu predikant ben, heb ik veel gepreekt in kleine gemeenten, waarbij de jongste kerkganger in de 60 was. Daarbij heb ik altijd het besef gehad, dat deze ontwikkeling ook in kringen van de Gereformeerde Bond zou kunnen komen. Wat me vooral als vraag bij bleef, is waarom zijn we daar niet op voorbereid?
Dat geldt ook voor mijzelf. Ik kwam uit het kerkelijke Veenendaal in Noord-Holland terecht, waar de kerk anders was. Dat gaf een grote cultuurschok, waar ik niet op voorbereid was. Daarnaast begon ik net na de fusie van de PKN, waardoor alle structuren eigenlijk zo goed als weg waren. Omdat ik net uit een andere kerk kwam, had ik ook niet zelf een netwerk waar ik op kon terugvallen. Dat gebrek aan netwerk en die cultuurschok waar ik niet op voorbereid was, deden mij enorm twijfelen.

Twijfel
Nu had ik al een enorme twijfel, maar die werd behoorlijk versterkt. Achteraf heb ik die twijfel leren duiden als eenzaamheid. Niet dat ik binnen de gemeente geen contact had. Gelukkig genoeg fijne contacten en ik heb er een mooie tijd gehad en veel beleefd. Het vrije paste me meer dan een strakke structuur in een plaats met vaste kerkelijke kaders, maar had ook duidelijke schaduwkanten voor mij.

Predikant in zo’n context
Wat mij in die tijd had kunnen helpen, was een duidelijke visie op de rol van predikant in zo’n context: bezig met de Schrift, sensitief voor de omgeving, serieus luisterend naar de aanvechtingen, maar toch ook een geloof dat het alles in Gods hand ligt en dat ik daar niet voor niets ben. Eugene Peterson had me kunnen helpen. Al leerde ik die later pas kennen. Monastieke gewoonten, zoals een gestructureerd geestelijk leven had me kunnen helpen: gewoon doorgaan, al stormt het in je hart vanwege alle aanvechtingen. Wat me ook had kunnen helpen is een visie op wat gemeente en liturgie: hoe kun je een kerkdienst houden als je met 10 – 20 mensen bij elkaar bent in een oude, monumentale kerk? Wat betekent dat voor het zingen en voor de preek? Hoe maak je kinderen vertrouwd met kerkliederen en psalmen als ze dat niet op school leren?

Zwaarmoedigheid als ongeloof
Een theoloog die mij in die tijd hielp was Christian Möller. Hij hielp mij om gewoon als predikant mijn taak te doen en de kerk, hoe klein ook, kerk te laten zijn. Hij hielp mij ook om kritisch naar mijzelf te kijken. Hij leerde mij, dat Schwermut scheert langs het ongeloof. Voor mijzelf heb ik geleerd dat zwaarmoedigheid zelfs ongeloof is: je vergeet dat er een God is die alle dingen nieuw kan maken. Ten diepste wantrouwen: je gelooft niet dat God het kan of zal doen. Een van de pijlers van het werk van Möller is de zondeleer en de vraag van Anselmus: besef je wel hoe ernstig de zonde is?

Van nature geneigd
Daarbij kijk je niet naar anderen maar naar jezelf. Je hebt anderen nodig, die je op de zonde in jezelf te wijzen, omdat je voor jezelf de schijn ophoudt dat je gelovig bent. Daardoor heb ik geleerd om de Catechismus op mijzelf toe te passen: Ik ben van nature geneigd om God en mijn gemeente te haten. Dat ik dat niet doe, is genade. Ik mag het ook niet doen, want dan komt de oude mens boven. Het moet een gevecht zijn als ik kritisch zou zijn op de gemeente om eerst naar mijzelf te kijken: kijk ik wel goed? Duid ik wel goed? Want als onze beste werken met zonde bevlekt zijn, geldt dat ook voor mijn duiding van de tijd en voor mijn kijk op de gemeente.

Verwachting dat God er zal zijn
In de loop van de jaren dat ik rondpreek heb ik een hoge waardering voor de kerk gekregen. Op onverwachte plekken komen mensen bij elkaar in verwachting dat God er ook zal zijn. Ik deed in Purmerend diensten in verzorgingstehuizen. Er waren er tien aanwezig, waarbij de jongste aanwezige 86 was. Als 28jarige predikant ging ik voor in die diensten op donderdagmiddag. Ik nam een cd met koormuziek mee, zodat de dienst niet afhankelijk was van de ielige stemmen. Bij een andere verzorgingstehuis kwam ik aan en bleek er op een rooms-katholieke viering gerekend te zijn. Er kwam echter geen pastoor, maar een predikant. De viering gebeurde toch maar op de katholieke manier. De hostie werd in de wijn gedoopt en uitgedeeld, waarbij ik zei tegen de aanwezigen: Dit is het lichaam van Christus voor u. In het rondpreken heb ik gemerkt, dat er zelden meer iemand uit gewoonte naar de kerk komt. Mensen die komen willen iets van God gewaarworden. In de liederen die ze zingen. In de preek die ze horen.

Op zoek naar gereformeerde bevinding
Sinds enige tijd ben ik bezig met K. Schilder, K.H. Miskotte en O. Noordmans. Schilder en Noordmans waren in hun tijd op zoek naar een gereformeerde bevinding, een eigentijdse gereformeerde mystiek. Ook Noordmans gaf aan, dat het niet meer op de traditionele manier kon en dat men weer moest beginnen bij de Schrift. Ik denk dat het eigen is aan gereformeerde bevinding: dat je steeds opnieuw moet beginnen. Geloof, Bijbel, aanwezigheid van God, bevinding – dat is niet iets dat je ‘hebt’, je moet het steeds ontvangen en zoeken. En vormen hebben, die dat zoeken vormgeven. Vormen die de aanvechting een plek geven, maar wel op zo’n manier dat je door die aanvechting groeit naar een tweede naïviteit. Ik ben nooit echt zonder twijfel geweest. Ik heb me geregeld afgevraagd waarom juist ik predikant moet worden. Soms denk ik dat het is juist omdat ik steeds besef dat ik het niet ‘heb’. Alleen heb ik wel moeten leren, dat ik daarin niet moet blijven steken. Dat is niet mijn roeping, niet mijn taak.

Ontzaglijk ruime wereld
Als ik mijn exegese doe, betreed ik in een ontzaglijk ruime wereld, waarin mijn hart niet altijd mee kan komen, maar waarin ik wel merk dat God daar is. Aanvechting heeft de neiging om je hart daarvoor te sluiten, maar wekt ook een sterk verlangen naar God. Vanuit de exegese, waar je soms net als Petrus, Johannes en Jakobus mag zien hoe Christus van gedaante verandert, moet je weer naar beneden, met je preek de gemeente in. Dat blijft wel behelpen. Want welke woorden kunnen weergeven wie Christus is?

Vitaliteit
Terugkijkend op de conferentie denk ik, dat voor mij in ieder geval aanvechting weer op de agenda staat. Samen met volharding. En zelfonderzoek. Al zijn die thema’s nooit echt weg geweest. En dan vooral: wat betekent het om als predikant, die de aanvechtingen kent, toch oog te blijven houden voor wat God in deze tijd doet? Welke vormen heb ik, die mijn aanvechting serieus nemen, maar ook weer verder leiden? Welke mensen zijn mij voorgegaan en gaan mij die weg mee? In de afgelopen jaren ben ik me steeds meer bewust geworden van de gereformeerde traditie, omdat die zowel de aanvechting en de volharding, als het zelfonderzoek en het oog voor de mensen, die God je geeft om je heen, leert.

Iets over ‘Christus in zijn lijden’ van Klaas Schilder

Iets over ‘Christus in zijn lijden’ van Klaas Schilder

In deze Lijdenstijd heb ik een het laatste deel van Christus in zijn lijden van Klaas Schilder gelezen. Een van de vragen die tijdens het lezen bij mij bovenkwam, was waarom dit werk niet meer zo bekend is. Dat kan aan de schrijfstijl liggen: een expressionistische schrijfstijl met een geladen toon.

Dat gaat niet helemaal op,  want vergelijkbare werken van Miskotte en Noordmans zijn ook niet eenvoudig te lezen. Ook Miskotte heeft een barokke schrijfstijl, waarbij zinnen geregeld herlezen moeten worden om de pointe te begrijpen. Noordmans heeft juist een heel sobere, eerder stugge schrijfstijl. Hij schrijft echter vaak zo cryptisch dat zinnen ontcijferd moeten worden.

Imago
Zou het er aan kunnen liggen dat Miskotte en Noordmans een beter imago hebben? De meditaties van Noordmans hebben het imago van diepzinnigheid. Miskotte heeft de naam dat hij goed aanvoelde wat er in de cultuur speelde en dat verwerkte in zijn theologiseren. Schilder heeft het imago overdadig te schrijven, een moeilijk mens te zijn, die volop polemiseerde en daarin doordraafde en brokken maakte. Nu gaat het mij er niet om het imago van Noordmans of Miskotte aan te tasten. Hun betekenis voor de theologiegeschiedenis en hun betekenis voor vandaag zijn onmiskenbaar. Voor mij doet Schilder niet onder. Als het gaat om aanvoelen wat er in de cultuur gaande was, deed hij niet voor Miskotte onder. Er wordt over Schilder gezegd dat hij de eerste theoloog is die de secularisatie theologisch verwerkte. Ook wat diepzinnigheid doet hij niet voor Noordmans onder.


Stroming
Naar mijn idee wordt de theologiegeschiedenis van de eerste helft van de twintigste eeuw teveel in stromingen geduid. Alsof het neocalvinisme een aparte stroming is naast de ethische (en later: Barthiaanse) theologie. Het hanteren van stromingen heeft slechts relatieve betekenis: de wisselwerking tussen de verschillende theologen is zo intens en de grenzen lopen per theoloog weer anders. De Nederlandse theologiegeschiedenis kan niet bestudeerd worden zonder oog te hebben voor de onderlinge verwevenheid. Wie Van Ruler wil begrijpen, dient niet alleen Th.L. Haitjema en Barth te bestuderen, maar ook Kuyper en Schilder intensief te bestuderen. Wie Miskotte wil begrijpen, doet er ook goed aan om Schilder te lezen om te zien hoe een theoloog met wie veel raakvlakken zijn, op dezelfde ontwikkelingen in de cultuur reageert. Omgekeerd geldt ook dat Schilder tekort gedaan wordt als hij niet gelezen wordt in de context van Haitjema, Miskotte, Noordmans en Van Ruler. En dan noem ik alleen de namen, die nu nog enigszins herinnerd worden en gelezen worden. Hepp, Geelkerken, De Hartog, Eekhof en nog vele anderen horen hier ook bij om een goed beeld te krijgen.


Skandalon
Elke theoloog moet in zijn eigen tijd gelezen worden. Dat geldt zeker voor Schilder en zijn trilogie over
Christus in zijn lijden. Deze trilogie over de gang van Jezus naar Golgotha is een groots werk, waarin Schilder discussieert en polemiseert met verschillende fronten. De trilogie is existentieel. De verhalen gaan niet buiten hem om. Voortdurend ziet hij zichzelf voor Christus geplaatst. Christus: of je gelooft in Hem óf je ergert je aan hem. Schilder neemt het skandalon van het kruis op een existentiële wijze serieus.

Schrijfstijl
Aan zijn schrijfstijl is te zien dat Schilder zichzelf als theoloog van de moderniteit ziet. Geladen, expressionistische beelden en zinnen komen ook in de literatuur van die tijd voor. Schilder verwerkt dichters en polemiseert tussen de regels door met dichters en schrijft soms ook bewust in poëtische stijl en vorm. Schilder is in zijn werk getriggerd door hoe Christus in de kunst en de cultuur wordt afgebeeld: de bleke Christus van de dichter Albert Verweij en de schilder Jan Toorop. De bleke Christus roept vooral medelijden op en laat het lijden van de wereld zien. Voor Schilder is dat medelijden een verkeerde psychologische reactie, omdat dit medelijden teveel op het lijden als zodanig geconcentreerd is en niet wil zien dat het lijden een doel heeft: namelijk het wegdragen van het oordeel van God.

Apocalyptisch
Schilder deelt de apocalyptische stemming, die na de Eerste Wereldoorlog in cultuur, filosofie, literatuur en theologie heerst. Het oordeel zal als een catastrofe komen. Die catastrofe wordt nog getemperd door God zelf: de schok wordt uitgesteld. In zijn weg naar het kruis en aan het kruis ondergaat Christus wel die catastrofe en draagt daarmee het oordeel weg. De reactie hoort niet medelijden te zijn, maar huiver en ontzetting. Geregeld spreekt hij de lezer toe: zwijg, huiver, zie! Tegelijkertijd is huiver niet de enige reactie. De gelovige kan en moet zelfs zingen als hij ziet dat Christus zelf er voor kiest om het oordeel te ondergaan.

Daad
Van groot belang is dat Christus voortdurend zelf kiest om deze weg te gaan. Het is geen lot dat hem overkomt. Voortdurend stelt hij een daad, weliswaar een daad van gehoorzaamheid, maar wel een daad. Christus in zijn lijden is aan de ene kant Christus die aan heel wat lijden onderworpen wordt: door de Joden en de Romeinen, door de satan en Godzelf. Uiteindelijk is het Christus zelf die steeds de keuze maakt om dit lijden te accepteren, te ondergaan en er niet voor weg te lopen.

Bevindelijkheid
Het front van Schilder ligt niet alleen buiten de kerk en buiten de theologie. Fel verzet hij zich ook tegen een bepaalde vorm van bevindelijkheid. Het is een bevindelijkheid die het lijden verpsychologiseert en voortdurend in de exegese in de weer is met wat Christus moet doormaken en met wat wij erbij zouden moeten ervaren. Moeite heeft Schilder hiermee, omdat het tot een sentimentele lezing van de Schrift komt. Het draait dan om onze ervaring en emoties en niet meer om wat er in de Schrift geopenbaard wordt. Het is goedkope en sentimentele psychologie, die door een robuuste Schilder bespot wordt. Het is een sentimentele bevindelijkheid, die op de verkeerde momenten rust kiest en daardoor de verleiding van de satan niet doorziet. De trilogie is een grootse poging om Christus als sacramentum naar voren te schuiven en een grootse kritiek op een leeswijze die in de lijdensverhalen Christus als exemplum ziet.

Loci
In de meditaties klinken allerlei stemmen mee. Zinnen van dichters en filosofen die Schilder ooit las. Dogmatische loci uit de gereformeerde en uit de meer specifiek kuyperiaanse traditie worden op een (soms te) creatieve manier gebruikt: de leer van de drie ambten van Christus, de vernedering en verhoging van Christus, algemene en bijzondere genade (gemene en bijzondere gratie), de christologische leeswijze van het OT. Verrassend vond ik om te merken dat Schilder niet zo veel moet hebben van een archeologische onderbouwing van de Bijbelverhalen. Dat geeft teveel speculatie, teveel legendevorming. Het past voor Schilder ook in de manier waarop God openbaart: Hij wist de sporen uit van Golgotha. Waar het kruis precies gestaan heeft, weten we niet. Het is voldoende dat de Schrift laat zien dat het tussen de Godsstad Jeruzalem en de mestvaalt Gehinnom gestaan heeft.

Christologische mystiek
Indrukwekkend vind ik dat de triologie als één geheel gelezen kan worden, terwijl er volop ruimte is voor het detail van elke tekst. Wanneer er dubbelingen zijn, die Schilder bewust invoert, verwijst hij terug of vooruit. Veel lijnen uit zijn theologie komen hier samen. Christus in zijn lijden is een van de hoofdwerken van Schilder.

In de recente bundel Wie is die man? geeft Ad de Bruijne aan dat Schilder met dit werk een voorbeeld van een gereformeerde mystiek heeft willen geven, die gericht is op Christus. Ondanks de overdaad en scherpheid die soms irriteert en vermoeit, is de trilogie inderdaad een indrukwekkend voorbeeld van een christologische mystiek, die ook nog eens een grote gevoeligheid voor de cultuur laat zien. Schilder voelt scherp aan, soms te scherp. Maar ook in zijn scherpheid dwingt hij tot nadenken en laat hij zien dat een gereformeerde theologie in de moderniteit een kritische theologie is, die in de kritische reactie de cultuur serieus neemt.

Schilder heeft wel een nadeel: je kunt het niet zomaar kopiëren. Toch is dat voor degene die de tijd neemt een voordeel: hij neemt je mee en plaatst je voor Christus, hij daagt je uit om zelf over je eigen verhouding met Christus na te denken.

Boeiende introductie in de gereformeerde theologie

Boeiende introductie in de gereformeerde theologie
N.a.v. Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie (2011)

FILAGO_db2_2471_M_00

In de afgelopen jaren is de gereformeerde theologie volop in de belangstelling komen te staan. Aan de toenemende belangstelling zullen het Calvijnjaar (2009) en het jubileum van de Heidelberger Catechismus hebben bijgedragen. In de afgelopen tijd is een aantal boeiende boeken verschenen, waardoor de gereformeerde theologie weer op de kaart staat.

Een voorbeeld hiervan is het mooie boek van Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie. Eine Einführung – in 2011 uitgegeven bij Neukirchener Verlagsgesellschaft. Freudenberg promoveerde in 1997 op de vraag hoe de jonge Barth omging met de reformatoren Calvijn en Zwingli en is sindsdien betrokken bij de heruitgave van de werken van Zwingli, Calvijn en Barth. Vanuit die kennis schreef hij een boeiende introductie in de gereformeerde theologie.

In het eerste hoofdstuk wijst Freudenberg erop dat de vraag: “Wat is gereformeerd?” vooral opkomt in crisistijd, als gereformeerden niet meer weten waar ze voor staan. Gereformeerd is de afkorting van een langere zin: de kerk die gereformeerd wordt door naar Gods Woord te luisteren. Hierbij zou men kunnen aantekenen, dat juist ook in tijden van een jubileum de gereformeerde theologie onder de aandacht wordt gebracht. (Maar dat zou juist kunnen duiden op een crisis: we noemen ons wel gereformeerd, maar weten eigenlijk niet meer waar we voor staan.)

Het boek is opgebouwd uit 3 delen: begin – thema’s – ontwikkelingen. In het eerste deel schetst hij op een sympathieke wijze de persoon en de theologie van Zwingli, Bullinger en Calvijn en laat hij iets van de context zien van de tijd waarin een aantal bekende belijdenisgeschriften zijn ontstaan.
In het tweede deel gaat hij een aantal thema’s langs, die kenmerkend zijn voor de gereformeerde theologie. In die hoofdstukken steeds op dezelfde manier het thema langs: (a) themazetting, (b) weergave van dit thema bij Calvijn en bij belijdenisgeschriften, zoals de Heidelberger of de Geneefse Catechismus, (c) latere ontwikkelingen in de tijd van de gereformeerde orthodoxie, (d) de herinterpretatie van het thema door Barth.

Thema’s die aan de orde komen:
– de betekenis van de Schrift als het spreken van God
– het geloof op een publieke wijze belijden (belang van belijdenisgeschriften)
– het belang van de catechismi voor het kennen en vertrouwen van God en voor een levenswandel in dankbaarheid aan God.
– Schepping, voorzienigheid en bewaring van Gods kinderen in een tijd van aanvechting
– het belang van het verbond
– Jezus Christus als koning, profeet en priester en de betekenis van voor het leven als christen.
– Uitverkiezing
– Leven uit dankbaarheid: de Heilige Geest, de heiliging en het naleven van de geboden
– Vrijheid
– de kerk als plaats waar Gods goedheid wordt ervaren, de eredienst en de traditie van het zingen van de psalmen
– doop en avondmaal als teken en zegel
– de betekenis van het beeldverbod
– als christen leven in een wereld die nog niet is verlost: thema van kerk en staat
– elkaar als mensen ontmoeten: sociale en economische ethiek

In het derde deel schetst Freudenberg de latere ontwikkelingen aan de hand van Melanchton, Karl Barth, Alfred de Quervain en Barmen.

Een mooie introductie, waarbij elk hoofdstuk uit 20-30 pagina’s bestaat. Een prima omvang om elke dag een hoofdstuk te lezen of bij de preekvoorbereiding even kort de gereformeerde inzet bij bij een thema mee te nemen. Ook al zijn we enkele jaren verder – nog steeds een aanrader.

N.a.v. Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie. Eine Einführung (Neukirchen-Vluyn, 2011).

Leestip: Matthias Freudenberg

Leestip: Matthias Freudenberg

In 2011 publiceerde Matthias Freudenberg een mooie en goed begrijpelijke introductie in de gereformeerde theologie. Het boek begint met biografische schetsen van Hyldrich Zwingli, Heinrich Bullinger, Johannes Calvijn en de Hugenoten. In deze schetsen komt ook kort hun theologie en hun betekenis voor vandaag naar voren. Alleen al in de korte biografische schetsen wordt duidelijk dat de gereformeerde theologie ook vandaag de dag nog veel te zeggen heeft. Deze hoofdstukken nodigen uit om de reformatoren zelf te lezen vanwege pastorale inzichten. Niet alleen hun geschriften en geloofsbelijdenissen, maar ook hun brieven.
Na deze schets worden 13 thema’s, die kenmerkend zijn voor de gereformeerde theologe belicht: zoals uitverkiezing, het christelijk leven, de kerk, de sacramenten, de eredienst, de verhouding tussen kerk en staat, de verhouding tussen arm en rijk.
In het laatste deel komt de verdere ontwikkeling van de gereformeerde theologie aan de orde. In dit deel komen Melanchton, Schleiermacher, Karl Barth, Alfred de Quervain, de Barmer Thesen en de Leuenberger Konkordie langs.
 
Matthias Freudenberg promoveerde op Karl Barth en de gereformeerde theologie. Tot 2012 was hij hoogleraar Systematische theologie – met als zwaartepunt de gereformeerde theologie. Omdat zijn contract niet verlengd kon worden, werd hij in 2012 studentenpredikant in Saarbrücken. Freudenberg is betrokken bij de heruitgave van gereformeerde belijdenisgeschriften, van geschriften van Karl Barth, Hyldrich Zwingli en Johannes Calvijn. Vanwege het jubileum van de Heidelberger Catechismus was hij ook betrokken bij de uitgave van enkele geschriften over deze catechismus.
Boeken over theologie zullen tegenwoordig niet veel kans maken om in het Nederlands vertaald te worden. Deze introductie van Matthias Freudenberg zal wellicht ook geen kans maken. Maar dat zou wel een gemiste kans zijn. Freudenberg publiceerde een mooie, goed toegankelijke introductie in de gereformeerde theologie.
(Wanneer ik er aan toe kom, zal ik een aantal blogs aan dit boek wijden)

Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie. Eine Einführung. Neukirchener Theologie. (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2011) http://www.neukirchener-verlage.de/index.php?action=artikel&subaction=zeige&var=602.523&sucheID=180529
www.nvg-medien.de

Soli Deo gloria – de kern van de gereformeerde traditie

Soli Deo gloria – de kern van de gereformeerde traditie
De reformatorische traditie als een theologie voor jongeren – deel 4

De gereformeerde traditie is met 3 woorden samen te vatten: soli Deo gloria (alleen aan God de eer). God verdient al onze eer, omdat Hij de Schepper is van deze wereld en van ons bestaan en omdat Hij deze wereld niet aan zijn lot heeft overgelaten. Hij handelt nog steeds met zorg in onze wereld. Hij verdient al onze eer, omdat Hij ons wilde redden uit de verlorenheid en met Zich wilde verzoenen. Hij verdient onze eer, omdat Hij ons door Zijn Geest wil vernieuwen.
God staat dus in het middelpunt. Dat is een relativering van ons mensen. Niet wij en onze eer staan in het middelpunt, maar de Heere. Het eerbetoon aan de Heere gebeurt niet alleen met woorden, maar met heel ons leven en alle facetten van ons bestaan. In ons leven gaat het niet om onze plannen, onze opvattingen en onze wensen, maar om de wil van God. We moeten onszelf ook niet te hoog inschatten: zelfs onze beste werken zijn nog aan de zonde onderhevig. Om de wil van God te kennen, is er zorgvuldig luisteren naar Gods Woord en gebed om de leiding van de Heilige Geest voor nodig. Het Woord van God is niet zozeer een boek met verschillende teksten en verhalen, maar allereerst de levende stem waarmee God ons aanspreekt en gezag over ons heeft. In de zoektocht naar Gods wil worden de opvattingen die wij hebben, gecorrigeerd. Wanneer wij van tevoren reeds weten wat de Schrift zegt (al zouden dat goed gereformeerde standpunten zijn!), gaat het om onze eer en niet de eer van God. Het soli Deo gloria heeft is daarmee een kritische en relativerend ‘principe’ van al ons handelen en denken, van al onze standpunten en houdingen: de mens komt alleen als dienaar van God tot zijn recht.
Geen enkele instantie mag de eer, die voor God bedoeld is, naar zichzelf toehalen. Of het nu gaat om de overheid, de synode of welke andere instantie er ook is die streeft naar gezag over ons leven, kan  in het soli Deo gloria een kritische houding tegenkomen. De eer van God betekent ook de vrijheid van de mens van knechtende en onderdrukkende instanties. God is onze vrijheid toegedaan, aldus Hyldrich Zwingli. Het soli Deo gloria is daarom heilzaam voor de mens.[1]
Het soli Deo gloriageeft aan de mens ook een hoge status. Door de vernieuwing van de Heilige Geest zijn we in staat om in heel ons doen en laten God eer te bewijzen. De Heilige Geest maakt ons in staat om door middel van goede werken God eer te bewijzen. Door de Heilige Geest ontvangen we de waardigheid om tot eer van God te leven. Daarmee kan alles uit het gewone, dagelijks leven tot eer van God worden. Scholing, opleiding, werk, kunst, naastenliefde, vrije tijd kunnen tot eer van God worden gedaan. De reformatoren Zwingli, Calvijn, Bullinger, Beza waren hoogopgeleide, erudiete persoonlijkheden. Ze leefden vanuit de Schrift. Dat was hun geestelijk thuis. Vanuit de Schrift zochten ze naar nieuwe wegen voor de kerk en de maatschappij. Daarnaast kenden ze ook hun klassiekers, waren zeer muzikaal Ze waren literair onderlegd (Zwingli en Beza waren dichters). Zij werden vanuit geheel Europa geraadpleegd vanwege hun politieke inzichten. Het was hun echter niet te doen om die invloed. Maar om de eer van God en het lichamelijk en geestelijk welzijn van de mensen om wie het ging.


[1] De Rooms-Katholieke Calvijn-onderzoeker vatte de theologie van Calvijn samen met de tweeslag: De eer van God en het heil van de mens. Zie: http://www.digibron.nl/search/share.jsp?uid=00000000012de1b67f59c94687b16d23&sourceid=1011

De reformatorische theologie als een theologie voor jongeren (1)

De reformatorische theologie als een theologie voor jongeren (1)

Kan de reformatorische traditie van betekenis zijn voor de jongeren van vandaag? Het is immers niet meer vanzelfsprekend om jongeren in te wijden in deze traditie.  De reformatorische traditie heeft veel aan invloed verloren. Jongeren zullen voor hun zoektocht in geloof niet snel naar de belijdenisgeschriften grijpen. Ze zullen zich niet snel afvragen wat de reformatorische traditie vindt. Dat komt deels doordat zij dat van hun ouders niet meer hebben meegekregen of deels dat de reformatorische traditie een slecht imago heeft.

Dat slechte imago kan komen door ervaringen binnen de reformatorische traditie. Het geloof is in het verleden geregeld gepresenteerd als een inperking van de eigen vrijheden. Binnen de reformatorische traditie had men moeite uitgaan, films, muziek. Binnen de kerk gold een verbod op andere liederen dan de psalmen, mocht er niet worden geëxperimenteerd. De vrijheid en de mogelijkheid om gebruik te maken van de eigen creativiteit werd bijvoorbeeld wel in de evangelische cultuur gevonden. Ook in de media, waar jongeren volop mee bezig zijn, is de reformatorische traditie nauwelijks aanwezig. Programmamakers van de EO laten zich eerder door het evangelische gedachtengoed inspireren dan door de reformatorische traditie. Jongeren komen dus steeds minder in aanraking met de reformatorische traditie. Deze traditie verdwijnt uit hun blikveld.

Meerwaarde
Is het erg dat de jongeren steeds minder vertrouwd zijn met deze traditie? Deze vraag is een vraag naar de betekenis die de reformatorische traditie van geloof en kerkzijn in het geheel van alle stromingen kan hebben: Wat is de meerwaarde van de reformatorische traditie? Deze vraag kan nog verder aangevuld worden: Wat is de meerwaarde van de reformatorische traditie voor jongeren, die opgroeien in een multiculturele samenleving, waarin het christelijk geloof steeds minder invloed heeft  en waarin de andere jongeren nauwelijks meer weet hebben van een christelijke traditie?

Voor jongeren
In de komende bijdragen hoop ik uit te werken wat de reformatorische traditie voor de jongeren van vandaag kan betekenen. De vraagstelling is: op welke manier kan de reformatorische traditie een bijdrage leveren aan een theologie voor jongeren.
Enige tijd geleden heb ik aandacht besteed aan jongerentheologie aan de hand van een boek van Friedrich Schweitzer en Thomas Schlag. In dat boek werd een onderscheid gemaakt tussen een theologie van jongeren, met jongeren en voor jongeren. Ik kies dus voor de laatste optie: een theologie voor jongeren. Ik ben me ervan bewust dat de theologie van jongeren zelf aanzienlijk kan afwijken van wat de reformatorische traditie belijdt. Ik neem een andere invalshoek dan Harmen van Wijnen en Herman van Wijngaarden in hun boekje Gereformeerd? Ik? Doen. Zij zien veel meer overeenkomst tussen de theologie van jongeren en de reformatorische traditie. De lijn van het boek is: wat je nu al denkt, is al reformatorisch. Daarbij valt naar mijn idee de uitdaging om gereformeerd te zijn weg. Een theologie voor jongeren daagt jongeren uit. Niet alleen om na te denken over hun eigen gedachten over God, geloof en de kerk, maar daagt ook uit op basis van andere inzichten en invalshoeken de eigen gedachten verder te ontwikkelen. Tegelijkertijd kan een theologie voor jongeren de jongeren helpen om gedachten, die ogenschijnlijk positief zijn maar bij verder doordenken schadelijk kunnen zijn, te ontmaskeren. Naar mijn idee biedt de reformatorische traditie beide aspecten: uitdaging en ontmaskering.
Op internationaal gebied is de reformatorische traditie bezig aan een comeback. Het Calvijnjaar 2009 heeft daar een belangrijke bijdrage aangeleverd. Ook de herdenking van het ontstaan van de Heidelberger Catechismus draagt bij. De situatie vandaag lijkt op een bijna een eeuw geleden. Toen Karl Barth hoogleraar gereformeerde theologie werd, bestond deze traditie nauwelijks meer. In de schaduw van de bloei van de dialectische theologie en de Lutherrenaissance bloeide ook de gereformeerde traditie op. Naar mijn idee hebben we opnieuw te maken met een renaissance van de reformatorische traditie. Het is naar mijn idee bovendien de moeite waard om de boeken die verschijnen door te vertalen naar de praktijk van geloofsopvoeding en inwijding in het christelijk geloof.

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor: HWConfessioneel

Ik denk bijvoorbeeld aan:
– de boeken die o.a. vanwege het Calvijnjaar 2009 verschenen zijn over de theologie van Calvijn (Eberhard Busch, Christian Link, Handboek Calvijn, Rudolf Bohren, Bitten mit Paulus und Calvin e.d.).
– Eberhard Busch, Reformiert. Profil einer Konfession (2007) of zijn boek over de Heidelberger Catechismus.
– Matthias Freudenberg, Reformierte theologie (2011)
– de boeken die de komende tijd o.a. in Duitsland verschijnen vanwege  het jubileum van de Heidelberger Catechismus.
– wellicht de nieuwe Christelijke dogmatiek van C. van de Kooi en G. van den Brink
– de boeken van Walter Mostert

Daarnaast zijn boeiende boeken verschenen over de theologie van Luther. Ik denk aan de boeken van bijvoorbeeld Oswald Bayer, Hans-Martin Barth, K. Zwanepol.

Welke aanknopingspunten biedt de gereformeerde theologie in deze tijd?

Welke aanknopingspunten biedt de gereformeerde theologie in deze tijd?

In welke tijd leven we? Hoe moeten we ons tot die tijd verhouden? Herman Oevermans, docent filosofie aan de CHE was gevraagd om te vertellen wat de veranderde tijd betekent voor de identiteit van de Gereformeerde Bond. 

Oevermans zet gelijk in met een kritische vraag: ‘Waarom zouden de hervormd-gereformeerden hun identiteit moeten bewaren?’ Het begrip identiteit is volgens niet eens zo oud: afkomstig van de psycholoog Erikson. ‘Misschien is de Geest bezig om vormen af te breken.’
De eenheid van het leven is verdwenen. Voorheen deed je als gelovige alles binnen de zuil. Oevermans wijst erop, dat er een verlangen is om die eenheid terug te willen. Een voorbeeld hiervan vindt hij het boek van Bart-Jan Spruyt over ds. J.T. Doornenbal. Hij vraagt zich af of dat verlangen naar die eenheid ermee te maken heeft, dat voor het gevoel van de aanwezige predikanten dit de enige context waarin te preken valt over zonde en genade.

In welke tijd leven we? Hoe moeten we ons tot die tijd verhouden? Herman Oevermans, docent filosofie aan de CHE was gevraagd om op de conferentie, die de Gereformeerde Bond en de IZB hadden belegd over Geestelijk leiderschap in tijden van crisis te vertellen wat de veranderde tijd betekent voor de identiteit van de Gereformeerde Bond.

Welke factoren maken de Gereformeerde Bond onrustig?
Volgens Oevermans maken we nu het ineenstorten mee van de utopie van het neokapitalisme. Oevermans verwijst naar de boeken van Hans Achterhuis (De utopie van de vrije markt) en van Ton Lemaire (De val van Prometheus). Op basis van deze auteurs wijst hij op de spirituele crisis, die ten grondslag ligt aan de economische crisis. Christenen moeten volgens hem aan de bak. Dat geldt ook voor de milieucrisis. De seculariserende machten die in deze crises aanwezig zijn, zijn reële machten die invloed hebben (Ad Verbrugge spreekt over sferische machten).
Progressie is niet altijd positief. Oevermans verwijst naar de meditatie van Walter Benjamin over een schilderij van Paul Klee. Dit schilderij, getiteld Angelus novum, was voor Benjamin de verbeelding van de engel van de geschiedenis. De engel kijkt achteruit, maar wordt door de wind van de vooruitgang weggeblazen uit het paradijs. De engel is ziet er geschonden uit.

Netwerksamenleving
De tijden zijn veranderd. Aan de verdwijning van de eenheid van het leven liggen 3 factoren ten grondslag: (1) democratisering, (2) het verdwijnen van de standenmaatschappij, (3) de verdwijning van de burgerlijke waarden.
De levensstijl van de huidige dertigers past bij de netwerksamenleving. In de hectiek van deze samenleving zijn zij op zoek naar kwaliteit. De zondagse eredienst moet voor hen kwaliteit hebben. 60% van de CHE-studenten gaan, voordat zij zich aansluiten bij een gemeente, eerst op zoek naar een kerk die bij hen past. Volgens Oevermans moeten we dit zoeken naar een eigen gemeente niet veroordelen.
De veranderde levensstijl heeft gevolgen. Ongemerkt kan men de kerk uitglijden. Niet omdat men het plotseling niet meer geloofd. Het geloof is langzaamaan van hen afgegleden. Oevermans wijs op een interview dat hij voor Wapenveld hield met de historicus Peter van Rooden, die theologie studeerde om predikant te worden.

Welke intuïties uit de gereformeerde traditie kunnen helpen?
Prof. dr. A.van de Beek hield op de CHE een lezing over het verschil tussen evangelischen en reformatorischen. Dat verschil moest niet overdreven worden. Het werkelijke verschil tussen hen zit in de antropologie. Bij de reformatorischen gaat het (in tegenstelling tot de evangelischen niet om de activiteit van de mens), maar om de receptiviteit. De mens is een ontvangend wezen. Het gaat om ontvankelijk, om aanspraak. Zoals Van de Beek in zijn boek Jezus Kurios zegt, dat hij gelooft omdat hij aangesproken is.
Deze receptiviteit kan in het beeld gevangen worden van het leven als een reis. Deze reformatorische gedachte kan de hedendaagse mens aanspreken. Het leven is geen project dat ik zelf moet verwerkelijken, zoals de postmoderniteit zegt, maar een reis. Of, zoals reformatorischen ook zeggen: een voortdurend afsterven en opstaan.
(Overigens, Oevermans gaf dat niet aan, maar volgens de socioloog Peter L. Berger is het levensproject niet iets waar de hedendaagse mens voor kiest. De postmoderne mens wordt gedwongen om het project van zijn eigen leven te voltooien.)
Hij wijst op 3 publicaties waarin het beeld van de reis voorkomt:
* Kluun, Komt een vrouw bij de dokter, waarin de hoofdpersoon na onstuimig leven in Australië tot zichzelf komt.
* Susanne van der Schot, De minnaar, de monnik en de rebel. In dit boek doet Van der Schot verslag van haar zoektocht naar discipelschap. Zij leest het Markusevangelie. Voordat zij dit boek schreef, had Van der Schot (die zonder geloof is opgevoed) enige tijd in het klooster gezeten.
* Gerard Visser, een filosoof die van huis uit katholiek was. Deze filosoof is bezig met onder andere levensfilosofie. In een essay over de ziel, dat hij schrijft aan de hand van een bespreking van het gedicht Awater van Martinus Nijhoff geeft Visser aan, dat er in het leven niets kado is.

M.J. Schuurman

NB: Deze lezing is mijn eigen samenvatting. Het is de bedoeling dat de lezingen van de GB-conferentie worden gepubliceerd.

Avondmaalsformulier met (verklarende) aantekeningen

Avondmaalsformulier met (verklarende) aantekeningen
Gemeente van Christus[1]

Woorden van de instelling[2]
Luister[3] naar de instelling van het heilig Avondmaal, zoals deze beschreven is door de apostel Paulus:
Want wat ik heb ontvangen en aan u heb doorgegeven, gaat terug op de Heer zelf. In de nacht waarin de Heer Jezus werd uitgeleverd nam hij een brood, 24 sprak het dankgebed uit, brak het brood en zei: ‘Dit is mijn lichaam voor jullie. Doe dit, telkens opnieuw, om mij te gedenken.’ Zo nam hij na de maaltijd ook de beker, en hij zei: ‘Deze beker is het nieuwe verbond dat door mijn bloed gesloten wordt. Doe dit, telkens als jullie hieruit drinken, om mij te gedenken.’ Dus altijd wanneer u dit brood eet en uit de beker drinkt, verkondigt u de dood van de Heer, totdat hij komt. (1 Korinthe 11:23-26; NBV).


Zelfonderzoek
[4] en schuldbelijdenis[5]
Gemeente van Christus, het avondmaal wordt gevierd tot onze troost[6]. Om die troost te ontvangen, is het van belang dat we onszelf op de juiste wijze[7] toetsen[8].
In de eerste plaats[9] overdenke ieder zijn zonden[10] met als doel dat wij onze eigen huichelarij[11] doorkrijgen en ons voor God verootmoedigen[12].
In de tweede plaats toetst eenieder zijn hart[13] of hij de stellige[14] belofte[15] van God gelooft[16], dat hem al zijn zonden vergeven[17]zijn in Jezus Christus, de gekruisigde en opgestane Heer.
In de derde plaats toetst eenieder zichzelf, of hij gezind[18] is voortaan met zijn gehele leven de waarachtige dankbaarheid[19] aan de Here in praktijk te brengen; de intentie hebbend om.[20] Dat in praktijk brengen van de dankbaarheid aan de Here gebeurt door oprecht[21] voor Gods aangezicht te wandelen. Dat in praktijk brengen van de dankbaarheid aan de Here gebeurt ook het voornemen zonder te huichelen[22] alle vijandschap, haat en nijd[23] af te leggen[24] en door serieus voor te nemen om voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met zijn naaste te leven.

Verkondiging van Gods genade[25]
Allen die zo gezind zijn wil God zeker[26] in genade aannemen[27] en voor waardige gasten[28] van de tafel van Christus houden.
Die daarentegen het getuigenis van de Geest[29] met betrekking tot zonde en vergeving niet gelooft en zich van zijn zonden niet wil bekeren, vermanen[30] wij om zich van de tafel des Heren te onthouden. Aan hem verkondigen wij dat hij geen deel heeft aan het Rijk van Christus.[31]
Dat betreft[32]:
– allen die afgoden[33] in welke gestalte ook voor de Here in de plaats stellen. (Het eerste gebod)
– allen die God op een zelfbedachte manier vereren (Het tweede gebod).[34]
– allen die de Naam van God ontwijden en misbruiken[35], die zich bezighouden met occulte praktijken[36] (Het derde gebod).
– die God en zijn heilig Woord verachten[37] (Het vierde gebod)
– die aan hun ouders of andere gezagsdragers ongehoorzaam zijn[38] (Het vijfde gebod)
– allen die zich aan menselijk leven vergrijpen[39], haat koesteren tegen hun naaste[40] en zich niet met hen willen laten verzoenen[41] (Het zesde gebod).

ds. M.J. Schuurman


[1] Gemeente van Christus: Als het goed is heeft de gemeente een band met Christus, haar  Heer. Daar wordt de gemeente op aangesproken.

[2] Woorden van de instelling: de gemeente heeft het heilig Avondmaal niet zelf bedacht. Door het heilig Avondmaal te vieren is de gemeente gehoorzaam aan Christus. Om te laten zien, dat de gemeente het avondmaal niet zelf verzonnen heeft, wordt een tekst uit de Schrift aangehaald. Een bijzondere tekst, want hierin wordt de Here Jezus zelf geciteerd.

[3] Luister: bedoeld in de dubbele betekenis van (a) aanhoren, (b) gehoor geven aan, gehoorzamen.

[4] Vanuit de gedachte, waarmee Calvijn zijn Institutie begint, dat zelfkennis alleen mogelijk is vanuit de kennis van God. Zelfonderzoek vindt plaats voor het aangezicht van God.

[5] Zie voor meer informatie over schuldbelijdenis: https://mjschuurman.wordpress.com/2010/03/20/herwaardering-van-de-schuldbelijdenis/ en https://mjschuurman.wordpress.com/2010/02/11/de-biecht-schuld-belijden-voor-gods-aangezicht-kans-om-opnieuw-te-beginnen/

[6] Het klassieke formulier heeft hier tot hulp en troost. In de visie van Calvijn zijn de sacramenten gegeven vanwege onze menselijke zwakheid. De Here komt ons zwak geloof daarin tegemoet.
Troost: dit woord betekent houvast als gelovige, de kracht in dit aardse leven en de basis voor het leven in de eeuwigheid. Troost ontvangt de gelovige, omdat de Here in het avondmaal Zichzelf geeft.
Troost heeft te maken met: (1) dat je van Christus bent en niet van de duivel of een andere macht, (2) dat je zonden vergeven zijn, (3) dat de Vader voor je zorgt, (4) dat de Heilige Geest je bijstaat om als volgeling van Christus te leven.
Vergelijk zondag 1 uit de Heidelbergse Catechismus:  Wat is uw enige troost, zowel in leven als in sterven? Antwoord: Dat ik met lichaam en ziel, zowel in leven als in sterven, niet mijzelf toebehoor, maar het eigendom ben van mijn getrouwe Heiland Jezus Christus. Hij heeft met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen voldaan en mij uit alle heerschappij van de duivel verlost. Hij waakt met zoveel zorg over mij, dat zonder de wil van mijn hemelse Vader geen haar van mijn hoofd vallen kan, ja zelfs dat alle dingen mij tot mijn heil moeten dienen.
Daarom verzekert Hij mij ook door zijn Heilige Geest van het eeuwige leven en maakt mij van harte bereid om voortaan voor Hem te leven.

[7] Op de juiste wijze: Wanneer je jezelf toetst, moet dat wel op de goede manier gebeuren. Dat betekent: (1) als er zonde in je leven is, moet je dat voor God belijden. Bij het avondmaal ontvang je immers Christus. Christus en zonde dat gaat niet samen. (2) dat je niet krampachtig op zoek moet gaan naar wat je verkeerd doet.
Het vervolg van het avondmaal geeft namelijk aan, dat niemand uit zichzelf waardig is. Die waardigheid wordt aan ons geschonken. Je toetst jezelf op de juiste manier als je in die toets (weer) bij Christus uitkomt. Je hebt Hém nodig! Je verlangt naar Hem! Je gelooft en vertrouwt de Here Jezus.

[8] Het toetsen van onszelf: afkomstig uit het vervolg van 1 Kor. 11, namelijk vers 31. Jezelf toetsen betekent, dat je naar je leven kijkt zoals God kijkt naar je leven. Een klassiek woord hiervoor is: zelfonderzoek. Voor Johannes Calvijn (een belangrijke inspirator van onze manier van Avondmaal vieren) bestaat geloven uit (1) kennis van God en (2) kennis van onszelf. Zelfkennis kan alleen door God te kennen.

[9] In de eerste plaats: Deze stap mag niet de enige zijn. Over je zonden nadenken heeft altijd tot doel dat je weer tot Christus geleid wordt. Christus moet centraal staan. Johannes Calvijn zegt: ‘Zo wordt een ieder door de kennis van zichzelf niet alleen aangezet tot het zoeken van God, maar ook als het ware aan hand ertoe geleid om Hem te vinden.’ Institutie I,I,1. Bij hem staat niet de schuldbelijdenis in het middelpunt, maar dat God zich naar ons toegewend heeft.

[10] Zonden: zonde is vooral ongeloof, dat wil zeggen opstand tegen en vervreemding van God. Calvijn vult nader in wat zonde is: eigen ontwetendheid, ijdelheid, (geestelijke) armoede, slechtheid. De mens wordt ontmaskert als huichelaar. Vergelijk Heidelberger Catechismus vraag & antwoord 5: wij kunnen dit niet volbrengen, omdat ik van nature geneigd ben God en mijn naaste te haten.

[11] Eigen huichelarij: hier staat eigenlijk een mishagen aan jezelf hebben, dat wil zeggen: je staat jezelf niet aan. Bedoeld wordt dat je als zondaar niet te positief over jezelf moet denken. Kenmerk van de zonde is zelfbedrog: je beeldt je in dat je Gods wil doet. Dat zelfbedrog wordt doorgeprikt. Daarom kun je alleen een goed beeld van jezelf kennen door God te kennen.

[12] Voor God verootmoedigen: bedoeling is niet dat we blijven steken in dat negatieve beeld over onszelf, maar ons richten op Christus. Dat is het doel van het Avondmaal.
Verootmoediging voor God betekent dat we het oude leven achter ons laten. Een belangrijk onderdeel van het doen van belijdenis en van Avondmaal is we ‘de oude mens afleggen’, het afzweren van de Boze. Deze breuk geeft aan dat het oude leven zonder God ingeruild wordt door het nieuwe leven (‘de nieuwe mens aandoen’). 

[13] In de bijbelse zin van het woord, namelijk bedoeld als kern van ons hele bestaan. Ons hart is de kern van ons persoon-zijn. Vandaar uit denken we, voelen we, nemen we onze beslissingen, observeren we. Bekering kan in de Bijbel niet voor niets worden beschreven als het ontvangen van een nieuw hart, waarin de Geest woont.

[14] De basis van het Avondmaal (en de kinderdoop!) is de zekerheid van Gods belofte. We gaan aan het avondmaal in de zekerheid van het geloof dat de Here ook daadwerkelijk zal geven wat Hij beloofd heeft. Vergelijk het met de Wederkomst: de christen leeft met het oog op de verschijning van Christus vanwege de belofte van Christus’ Wederkomst. Het stellige geloof in Gods belofte is gebaseerd op Gods betrouwbaarheid. Als God iets belooft, komt Hij het na.

[15] Dat de belofte van God de basis van het Avondmaal is, is kenmerkend voor de gereformeerde traditie. Niet door middel van brood en wijn ontvangen wij Christus, maar door middel van de belofte van God. Zie verderop bij het sursum corde: het lichaam wordt gevoed met brood, het hart ontvangt door de Geest de in de hemel tronende Christus. De Heilige Geest maakt die belofte waar en zorgt ervoor dat die belofte werkelijkheid wordt. De inhoud van de belofte is, dat Hij ons in Christus aanneemt als Zijn kinderen.

[16] Deelnemen aan het avondmaal is in de gereformeerde traditie een vorm van belijden. Door deel te nemen belijdt en beaamt men Gods belofte. De inhoud van de belofte is, dat Hij ons in Christus aanneemt als Zijn kinderen.

[17] Het ontvangen van  vergeving van zonden van vergeving wordt vaak gezien als het belangrijkste van deelname aan het avondmaal, maar is een onderdeel van de gemeenschap met Christus. In het avondmaal gaat het om de vereniging met Christus: het ontvangen van Christus en Zijn weldaden (waaronder dus de vergeving).

[18] Gezind: het gaat om het voornemen, de bereidheid. In de gereformeerde traditie leeft het besef dat het nieuwe leven gepaard gaat met vallen en opstaan. Deze nieuwe gezindheid komt door de Geest die in de gelovige woont en werkt.
 In dit leven zijn onze beste werken onvolmaakt en met zonden bevlekt (Heidelberger Catechismus antwoord 62). In het gedeelte over de dankbaarheid is de Heidelberger Catechismus positiever van toon. Er is meer aandacht voor de vrucht van het geloof en de mogelijkheid om door ons leven anderen te winnen voor Christus (Heidelberger Catechismus antwoord 86).

[19] Dankbaarheid: het nieuwe leven, dat geleid wordt door de Geest, is een leven van dankbaarheid. Aandacht voor dat nieuwe leven als christen is kenmerkend voor de gereformeerde traditie. In de Heidelberger Catechismus is het grootste gedeelte gewijd aan dit leven vanuit de dankbaarheid.  In dit gedeelte wordt de Wet en het gebed behandeld.

[20] Voor Gods aangezicht wandelen: Bijbelse aanduiding voor een leven in gehoorzaamheid aan de Here.

[21] Tegenovergestelde van huichelarij. Zie noot 11.

[22] Zie noot 11 en 21. 

[23] Zoals verderop blijkt is Avondmaal een onderdeel van de gemeente. Avondmaal vieren heeft ook betekenis voor hoe men met elkaar omgaat. Het tweede belangrijke gebod is: de naaste liefhebben als jezelf.

[24] In Efeze 4 wordt het beeld gebruikt van de oude mens afleggen. Dat houdt in dat men nadrukkelijk afstand neemt van dit oude leven. Vergelijk ook Heidelbergse Catechismus, vraag & antwoord 89: de afsterving van de oude mens bestaat in een oprecht berouw, [vanuit het zelfinzicht dat wij] God door onze zonden vertoornd. Berouw betekent echter ook een afkeer hebben en mijden van de zonden.

[25] Dit gedeelte wordt verkondiging van Gods genade. Op het oog een merkwaardige aanduiding voor een gedeelte, dat de deur dicht doet voor bepaalde mensen. De mensen worden van het avondmaal geweerd in de hoop dat zij breken met het leven dat zij leiden en zich alsnog de genade kunnen ontvangen. De prediking van de zonde leidt als het goed is tot Christus.

[26] De basis van het Avondmaal is de zekerheid van Gods belofte.

[27] Onderdeel van de gemeenschap met Christus is dat zondaren in Christus aangenomen worden als kinderen van God (zie: Romeinen 8).

[28] Het formulier heeft hier deelgenoten. Dit oudere woord benadrukt het geschenk dat de Avondmaalsganger van Christus ontvangt.

[29] De nieuwe gezindheid is afkomstig van de Geest.  De Geest overtuigt ons van zonde, gerechtigheid en oordeel. Vgl. Joh. 16.

[30] Vermanen (het Bijbelse woord voor tucht) heeft twee betekenissen: (1) troosten en (2) corrigeren, vermanen, aanscherpen. De bedoeling om iemand aan te spreken is om de gelovige, die op het verkeerde pad is geraakt aan te sporen weer terug te keren naar Christus. Als de gelovige echter geen gehoor geeft, is er geen ruimte aan de tafel. Er ontstaat dan immers een ondraaglijke tegenstelling: hij wil Christus ontvangen, maar tegelijkertijd niet zijn leven leiden in gehoorzaamheid aan Christus. Een mooi boek dat dit woord vermanen uitwerkt voor de prediking en het pastoraat is: Chr. Möller, Seelsorglich predigen (20033).

[31] De kerk heeft dit gezag van haar Heer ontvangen. Zie de Heidelberger Catechismus, die de sleutels van het hemelrijk behandeld in verband met het Heilig Avondmaal. De gereformeerde traditie kent de mogelijkheid om een gelovige, die ondanks de vele vermaningen hardnekkig blijft volharden in zijn zonde buiten de gemeente te sluiten. Dit buitensluiten hoeft niet definitief te zijn. Als men oprechte berouw aan de Here toont, is er weer de mogelijkheid om opgenomen te worden. Bij dat oprechte berouw gaat het niet alleen om de intentie, maar ook om de getoonde praktijk. Degene die buitengesloten was, dient zich in zijn levenspraktijk te laten zien als iemand die met zijn zondige leven heeft gebroken.
Bij de tucht gaat het natuurlijk wel om gezag aan Christus, niet aan kerkelijke regels.

[32] De wet is de pedagoog (tuchtmeester), die de gelovige bij Christus brengt. Zie Galaten 3:24. In de Naardense Bijbel staat:  zodat de Wet voor ons een opvoeder tot Christus is geweest. Daarom wordt in veel reformatorische kerken de Wet voorgelezen. Zie ook noot 25.
De opsomming is gebaseerd op de Tien Geboden, die in de reformatorische traditie de wil van God verwoorden. Die Tien Geboden zijn daarom ook voor het dagelijks leven de norm. De christen is immers geroepen om te leven naar Gods wil.

[33] Een afgod is: alles waar men op vertrouwt om niet op de Here te hoeven te vertrouwen. In het leven gaat het om één vraag: wat is je enige houvast in leven en sterven? (zie noot 6) Jezus spreekt erover dat we geen twee heren kunnen dienen: niet God en de mammon. De mammon (afgeleid van amen) is niet alleen geld, maar alles waar ons vertrouwen op gestoeld is behalve op het ware fundament (namelijk God).
Hedendaagse christenen kunnen zich bij dit eerste gebod vaak geen voorstelling maken. Om dit actueel te maken, is het goed om aan woorden van de reformator Luther uit de Grote Catechismus herinnerd te worden: ‘Wat betekent: een God hebben of: wat is een God? Antwoord: een God noemt men dat, waaarvan men alle goeds verwacht en waarheen men kan vluchten in alle noden. Daarom betekent ‘een God hebben’ niets anders, dan men van harte op Hem vertrouwt en in Hem gelooft (…).’ Volgens hem zijn er wel degelijk afgoden: ‘Menigeen meent, dat hij God heeft en van alles genoeg, wanneer hij geld en goed heeft, zich daarop verlaat en er zich daarop verlaat en er zich op beroemt, dat hij om niets anders geeft. Zie, deze mens heeft ook een god, die heet Mammon, dat is geld en goed, waarop alleen hij zijn hart gezet heeft; deze is de meest voorkomende afgod op aarde.’ Vergelijk ook HC antw 95: ‘Afgoderij is in plaats van of naast de enige ware God, die zich in zijn Woord heeft geopenbaard, iets anders bedenken of hebben waarop men zijn vertrouwen stelt.’
Zie voor een recente verwerking het nieuwste boek van Tim Keller, Namaakgoden. Vgl: http://www.refdag.nl/artikel/1473145/Tim+Keller+Alles+kan+een+afgod+zijn.html

[34] Het tweede gebod heeft te maken met: (a) hoe wij tegen God aankijken, bijvoorbeeld godsbeelden, (b) met het vereren van God. In beide gevallen moet men zich houden aan wat God in zijn Woord heeft bekend gemaakt. Was in het verleden het dienen en vereren van God vooral een probleem, tegenwoordig is vooral het eerste een probleem. Wat wij over God weten, komt niet op uit onze gedachten of ervaringen, maar uit wat God zelf over zich bekend heeft gemaakt. Een visie op God, waarin geen plaats is voor bijvoorbeeld zijn toorn, voor zijn liefde, voor Christus als de vanuit de hemel gezonden Zoon van God, past niet binnen het christelijk geloof.
In de uitleg van de HC wordt dit gebod op beelden in de kerk betrokken. Dat kan vandaag de dag niet meer, omdat beelden in de kerk niet meer de zeggingskracht hebben die ze in de Middeleeuwen (en in de tijd van de Bijbel!) hadden. Mijn belangrijkste bezwaar tegen dit verband, is dat het tweede gebod buiten werking wordt gesteld en van zijn kritische scherpte wordt ontdaan.

[35] Over het algemeen wordt hier vloeken mee bedoeld. Ook hier geldt: dat is slechts een interpretatie die dit gebod afzwakt. Het vloekverbod is een verburgerlijking van het derde gebod. (Wat niet wil zeggen dat vloeken is toegestaan!)
De Naam van God wordt ontwijd wanneer zijn Naam wordt verbonden aan een aardse zaak en zo die zaak moet legitimeren: God wil het! Dit derde gebod houdt in dat we kritisch moeten zijn naar alles wat zich met de naam ‘christelijk’ tooit. Of het nu gaat om de kerk, een partij, een school, een vorm van politiek of literatuur: de christelijke naam kan een dekmantel zijn, die de heilige Naam schade berokkent. Zich presenteren als christelijk kan nooit zonder zelfkritiek. Dat geldt overigens ook voor kritiek op anderen die zich presenteren als christelijk.

[36] Waarom kan occultisme niet? (a) omdat het een vorm van magie is: willen beschikken over een bepaalde kracht, het willen heersen over God en zijn kracht. Dit geldt niet alleen voor praktijken die duidelijk niet-christelijk zijn. Ook binnen de christelijke wereld kan men hierop stuiten. Bijvoorbeeld in bepaalde vormen van gebedsgenezing en bevrijdingspastoraat. (b) omdat occultisme een zekerheid biedt, die je van God afhoudt. Je laat je in met een sterke macht, waarvan je als christen juist bevrijd was: de duivel en zijn gehele rijk.

[37] Het vierde gebod gaat over de rustdag. In de uitleg van de HC wordt hieraan verbonden dat de verkondiging in standgehouden dient te worden. Overigens spreekt de HC ook over ‘de armen christelijke hulp betonen’. Dat gedeelte wordt in het avondmaalsformulier niet genoemd.

[38] In de HC wordt de uitleg van het 5e gebod breder getrokken: naar alle gezagsdragers. Vanuit de gedachte dat gezag van God afkomstig is en God door middel van gezagsdragers ons regeert.

[39] Ook hier wordt het gebod breder getrokken. De achtergrond van het 6e gebod is dat het leven van God afkomstig is. Dit gebod is ook de reden waarom in het Vroege Christendom christenen geen soldaat konden worden. Ook vandaag de dag zijn er christelijke pacifisten, zoals John Howard Yoder en Stanley Hauerwas. In lijn met dit gebod heeft de christelijke traditie altijd moeite gehad met moord, doodslag, abortus en euthanasie.

[40] De vijand wordt gezien als naaste! Dit houdt echter niet in dat men zich zomaar moet schikken. In zowel het Oude en als het Nieuwe Testament staan gebeden, waarin God wordt gevraagd om wraak te nemen op de vijand. Zie hiervoor: https://mjschuurman.wordpress.com/2009/12/11/wraakpsalmen/

[41] Dit is een typisch christelijke interpretatie van de Tien geboden. Door de komst en het sterven van Christus is verzoening tussen God en mens mogelijk geworden en dient die verzoening de basis te zijn van de verzoening. Net als bij de verzoening tussen God en mens is bij de intermenselijke verzoening het zelfonderzoek, de waarachtige schuldbelijdenis en de boetedoening van belang. Dit gebod wordt slachtoffers vaak voorgehouden. Naar mijn idee is deze uitwerking vooral voor de dader bedoeld. Zoals God niet verzoend moet worden, maar de mens – moet ook het slachtoffer niet verzoend worden, maar de dader. De offercultus in het Oude Testament is er op gericht om de schuld van de dader af te nemen. Verzoening is geen goedkope schuldsanering, waarbij de dader gemakkelijk van zijn schuld afkomt!
Van belang is het om te zien dat de toorn van God vaak gericht is op degenen die niet oprecht hun schuld willen belijden. Dat God de dader vergeeft, betekent nog niet dat het slachtoffer in de kou blijft staan. Er is ook het laatste oordeel waarop God rechtspreekt.

De achtergronden van het Heilig Avondmaal

De achtergronden van het Heilig Avondmaal

Vier keer per jaar wordt in het Heilig Avondmaal gevierd. Voor veel gemeenteleden is het niet zo duidelijk wat het Heilig Avondmaal betekent. Vaak ook niet voor degenen die al belijdenis hebben gedaan. Daarom zal ik de betekenis geven.
Heilig avondmaal heeft dezelfde betekenis als de preek. Toch heeft het Avondmaal een meerwaarde.
Om de betekenis en de meerwaarde van het Heilig Avondmaal te begrijpen, moeten we stilstaan bij de kern van het christelijk geloof. De kern van het christelijk geloof is dat God ons (door het offer van Zijn Zoon) aanneemt als Zijn kinderen. Het mooiste wat een gelovige kan overkomen, is dat hij verbonden is met Christus. In het geloof gaat het om de gemeenschap of vereniging met Christus.
In de hemel zal die vereniging of gemeenschap volmaakt zijn. Dan zullen we Hem zien. Hier op aarde is die gemeenschap nog onvolmaakt. Vaak ervaren we er niets van. Vaak ontmoeten we Christus niet en zijn we op zoek naar Hem.

Christus is het geschenk
Als het Avondmaal wordt gevierd, zetten mensen alles klaar: de tafels, het brood en de wijn. Maar wat er écht wordt uitgedeeld, dat kan alleen Christus doen. Want de Here Jezus geeft Zichzelf. Wie aan het Avondmaal gaat, ontvangt Christus – die ontvangt gemeenschap met Christus.
Vanuit die gemeenschap met Christus ontvangen wij alles: vergeving, geloof, kracht om vol te houden, zegen in ons dagelijks leven, de Heilige Geest, een toekomst bij de Here in de hemel.
Christus geeft Zichzelf. Dat is taal van de liefde, want op een bruiloft geeft iemand zichzelf aan de ander. Het Avondmaal is – net als onze relatie met Christus – te vergelijken met een bruiloft. Een bruiloft in gemeenschap van goederen. Onze zonden en ellende worden van Christus. Wat van Christus is, wordt van ons: Zijn heiligheid. We ruilen!

Gods eer en onze zondigheid
Het Avondmaal laat twee dingen zien: Wie God is en wie wij zijn. God is de heilige God, zonder zonde. Wij mensen zijn juist zondig.
Dat kan ervoor zorgen, dat we helemaal niet met het Avondmaal bezig willen zijn. Zonde is geen positief begrip. Het Avondmaal is er echter niet voor bedoeld om ons te laten somberen over onszelf. De zonde heeft juist – gek genoeg – een zonnige kant. Onze zonde kan vergeven worden. En de Here wil dat ook graag doen. In het Avondmaal zien we niet alleen een heilige God, maar ook een God die van harte ons wil vergeven.
In het Avondmaal gaat het om het offer van Christus. We gedenken, dat Christus Zijn leven voor ons heeft gegeven.

Jezelf toetsen
Bij het Avondmaal gaat het erom, dat je gelooft dat de Here je wil vergeven. Voorafgaande aan de viering is er altijd een week van voorbereiding. In die week toets je als gelovige jezelf. Waar let je dan op? In de eerste plaats of er zonde in je leven is. Als dat zo is, moet je met die zonde breken. Zonde betekent niet alleen dat je iets verkeerds hebt gedaan. Zonde betekent vooral dat je je niet door God wil laten leiden. Dat kan in woorden, in handelingen, in gedachten.
Als je je niet door de Here wilt laten leiden, wordt het geschenk dubieus. De Here Jezus wil zichzelf aan je geven, maar eigenlijk wil je dat niet.
Daarom die toetsing, want je blijft niet stilstaan bij de zonde. Het gaat om nog twee belangrijke dingen: dat je gelooft in de vergeving en dat je gelooft dat de Heilige Geest in je wilt werken.
Geloof je dat, dan ben je klaar voor het Avondmaal. Dan kun je er zelfs naar verlangen: je mag Christus ontmoeten, je mag Hem ontvangen!

Hij maakt je waardig om Hem te ontvangen
Toch kun je bij jezelf denken: ben ik het wel waard? Laat je dan troosten door de gedachte dat het niemand uit zichzelf waard is om Christus te ontvangen. De troost van het Avondmaal is, dat Hij je dan juist aan Zijn tafel wilt ontvangen.
Hij is immers gekomen voor zondige mensen. Anders had Hij niet hoeven te sterven. Het bijzondere van het Avondmaal is, dat Hij ons waardig maakt om Hem te ontvangen. Hij bekleedt ons met de nieuwe mens.

Nieuw leven
Het Avondmaal is niet alleen bedoeld om het oude leven achter ons te laten. De Bijbel vertelt ook over een nieuw leven: de nieuwe mens. Aan het Avondmaal laat Christus ons zien, dat Hij ons nieuwe mensen wil maken. Gelovigen die trachten om Zijn wil te doen. Gelovigen die zich door de Heilige Geest willen laten leiden.
Dat nieuwe leven is geen tegenprestatie, maar een houding van dankbaarheid. We hebben zoveel ontvangen. Onderdeel van die dankbaarheid is ook een gulheid naar anderen toe. Daarom staat er bij het Avondmaal een offerschaal.

Maaltijd
Het Avondmaal is een maaltijd. Een sobere maaltijd. In de Bijbel zijn er twee maaltijden, die van belang zijn om het Avondmaal te begrijpen:
* De Pascha– of Pesach­-maaltijd. Deze maaltijd gedenkt, hoe God Zijn volk heeft bevrijd uit de slavernij. Bij het Avondmaal gedenken we de bevrijding uit de zonde en van de macht van de duivel.
* In het Oude Testament wordt gesproken over nog een maaltijd: de maaltijd op de berg Sion. Op de laatste dag van de wereld, zal de Here komen in Jeruzalem en zal er een feestmaal worden gegeven. In het Nieuwe Testament wordt hier op teruggegrepen: de bruiloft van het Lam – dat na de Wederkomst wordt gevierd. Avondmaal is alvast een voorproefje van die bruiloft.
Het bijbelse woord voor Avondmaal is ook eucharistie. Dit woord geeft – net als de maaltijd – aan, dat de gemeenschap met Christus gepaard gaat met vreugde en blijdschap.

Gemeenschap met Christus

Gemeenschap met elkaar
Gelovigen zijn niet alleen. Ze behoren tot een gemeenschap. Deze gemeenschap is bevrijd uit de macht van de duivel. Ze zijn door de Here geroepen en bij elkaar gebracht. Avondmaal wordt daarom in de gemeente gevierd. Avondmaal is geen privéfeestje.
Ook voor ons gedrag heeft dat betekenis. Raak je op het verkeerde pad of raak je het zicht op Christus kwijt, dan schaadt je de gemeente. Daarom moet je altijd eerst het uitpraten met degene met wie je in onmin leeft.

Hoe werkt het Avondmaal?
Bij het Avondmaal wordt brood en wijn uitgedeeld. Die brood en wijn geven geen vergeving. Dat brood en wijn verandert niet in Christus’ lichaam. Brood en wijn zijn een onderstreping van Gods belofte. Zo zeker als je de brood en wijn proeft, zo zeker mag je zijn van de gemeenschap met Christus.
Als je de brood en wijn proeft, moet je je hart richten op Christus. Brood en wijn sterken je lichaam. Christus geeft zichzelf in je hart. (Je moet ‘hart’ dan wel opvatten zoals de bijbel ‘hart’ bedoelt: Christus doortrekt heel je bestaan.) De Heilige Geest zorgt ervoor, dat Christus in je hart komt wonen.
Christus is wel aanwezig tijdens de maaltijd! Hij is de gastheer en het geschenk. Om Christus  te ontvangen, moeten we geloven in Zijn belofte: Hij wil gemeenschap met ons. Hij schenkt Zichzelf aan ons. Dat is ons aandeel: Avondmaal vieren vraagt om geloof en belijden. De belijdenis dat we Hem mogen ontmoeten.

Ds. M.J. Schuurman