Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 27 begint en eindigt met dezelfde woorden, met de naam van God:
De Heere is mijn licht en mijn heil, zo begint de Psalm
en de Psalm eindigt: ja, wacht op de Heere.
De Heere – het begin en het einde,
zoals Christus dat zei: Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde.
De psalm wordt omsloten door de naam van God,
net zoals ons leven omsloten wordt door de naam van God.
Aan het begin van ons leven, toen we geboren werden,
ja, zelfs toen we door de Heere gedacht zijn en Hij ons het leven schonk was Hij daar
De Heere is mijn licht en mijn heil.
en ook als het einde van ons leven komt, zal Hij daar zijn: ja, wacht op de Heere.
Aan het begin en aan het einde de naam van God. Heere is Zijn naam.
Die naam betekent: Ik zal zijn, Die Ik zijn zal, Ik zal er zijn, Ik sta klaar.
De naam die aangeeft: op Mij kun je aan, want Ik ben betrouwbaar.
Met Mij kun je leven, want Ik ben je God. Ik sloot een verbond met je
in de doop Mijn naam aan jouw leven verbonden werd,
zoals Mijn naam aan Israël verbonden was.
Mijn naam die zegt: Ik geef niet prijs wat Mijn hand begon.
Ook jou laat Ik niet vallen, al komt de hele wereld op je af
en wordt je omringd door tegenstanders die jij niet de baas kunt.

De Heere is mijn licht.
God is mijn licht – Zijn liefde en genade omstraalt mij,
zoals daar in de velden van Efratha het licht over de herders viel, het hemelse licht van God
en zij hoorden van het goede nieuws dat er voor hen een redder geboren was, de Christus
die in een kribbe lag, in doeken gewikkeld.
Als God er niet is, dan is het duister in mijn leven
en ben ik overgeleverd aan alle duistere machten die mijn leven kunnen verwoesten,
heb ik geen leven meer, omdat het leven van God komt.
Zoals de schepping n4iet zonder zon kan leven, kan de mens niet leven
zonder het licht van God.
Hoe diep die duisternis kan zijn horen we van mensen die niet meer de kracht hebben
om verder te leven, voor wie alles donker is, voor hun eigen gevoel zonder hoop,
in donkerheid gevangen.
God is niet alleen mijn licht, maar ook mijn behoud, die mijn leven redt.

Licht is nodig om de weg te wijzen:
zoals vliegtuigen niet zonder de lichten kunnen die de landingsbaan aangeven
of een schip in het donker een vuurtoren het licht nodig heeft
om niet op de rotsen te varen, vast te lopen en averij op te lopen,
zo hebben wij het licht van God nodig om ons de weg door het leven te lopen,
om mij thuis te brengen bij Hem.
Leid, vriend’lijk Licht, mij als een trouwe wacht, leid Gij mij voort!
‘k Ben ver van huis en donker is de nacht, leid Gij mij voort!
Schoon ook de toekomst mij verborgen zij, licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij.

Als het licht weg is, is er een onheilspellende dreiging.
In deze psalm komt de dreiging van mensen, mensen die maar al te bekend zijn,
Waar je niet tegen opgewassen bent,
omdat hun scherpe woorden je steeds weer van binnen raken,
omdat hun blikken je laten weten dat je er toch niet bij hoort, wat je ook probeert,
Die wanneer je ze nodig hebt, je kunnen laten vallen
of wanneer je even niet oplet je plek overnemen.
Kwaadwillenden: ze hebben kwaad in de zin.
Kwaaddoeners: het kwaad dat ze aanrichten, blijft niet in hun hoofd,
maar je krijgt ermee te maken omdat hun slechtheid blijkt in wat ze doen.
Ze hebben het op je gemunt.
Tegenstanders, vijanden, die niets van je heel willen laten: ze willen je verslinden.
En steun is er niet, zo alleen, zegt David: mijn vader en moeder hebben mij verlaten.
Verrassend is dan de steun van God,
want gaat het eerder niet zo dat als de hele wereld tegen je is,
je ook gaat geloven dat God tegen je optrekt en je aanvalt?
Het zijn geen mooie woorden alleen over God als jouw licht, jouw behoud, jouw redding,
nee, ze zijn waar, zoals Zijn naam waar is: Ik zal er zijn, Ik zal er voor jou zijn,
Ik zal je uitredden bij het aanbreken van de morgen.
Omsingeld door vijanden en toch gaat er een deur open:
de deur van Gods heiligdom.
Nergens meer veilig, omdat overal gevaar dreigt en niemand meer te vertrouwen is
en God die je dan bij Hem verbergt, doet schuilen, bij wie je kunt onderduiken,
veilig tegen elk gevaar dat je zou kunnen bedreigen.

Dat heb je altijd al gewild. Het enige dat echt telt, een verlangen dat niet stopte:
Wonen bij God, bij Hem zijn, voor altijd.
Om Hem te mogen zien in al Zijn heerlijkheid,
niet alleen indrukwekkend en groots, maar ook in Zijn tederheid, Zijn schoonheid,
zoals de Heere is voor wie Hem liefhebben, voor wie bij Hem horen.
Zo kun je de Heere ontmoeten. Zo kun je bij Hem blijven.
Je raakt niet uitgekeken op Hem, niet op Zijn liefde, niet op wat Hij doet, niet op Wie Hij is.

Als je dan zo veilig bent bij God, als je dan elke dag bij Hem verkeren, je verdere leven lang
waarom dan dat hartstochtelijke appèl aan God,
een beroep op God om Zijn aangezicht niet te verbergen, om je niet te laten vallen?
Misschien is dat wel een van de grote vragen die een gelovige kan hebben:
Waarom kan er toch die angst je overvallen, terwijl je weet dat de Heere er is,
waarom moet je Hem zoeken, wanhopig zelfs, terwijl je bij Hem mag zijn.
Waarom kun je het gevoel hebben dat je alles kwijt raakt,
terwijl je weet dat je alles hebt, omdat je de Heere hebt.
Waarom net als Petrus, die naar de golven kijkt die om hem heen opspringen
en de wind die hem om de oren suist en als hij dan even Jezus niet meer ziet
naar beneden zakt, de diepte in en alleen maar gered kan worden als Jezus hem grijpt.
Zo ik niet had geloofd – dat geloven is niet iets dat wij zo maar even doen,
niet iets dat ons komt aanwaaien,
maar steeds weer aangevochten wordt, op de proef gesteld wordt
door alles wat ons overkomt.
Elke dreiging weer, elke verandering die het leven op de kop kan zetten,
kan als een rukwind voelen, die het geloof haast omver blaast
En je houdt je hart vast als je geloof het niet meer houdt,
je houdt je hart vast als God er deze keer niet blijkt te zijn,
Zo ik niet had geloofd – in de Psalm wordt het niet afgemaakt.
Daar moet je niet over nadenken, dat is te erg, dat kun je niet aan,
dan blijft er nog minder van je over dan wanneer die vijanden je verslinden.
Ik was vergaan – zo ik niet had geloofd.
Maar is de Heere niet de Alpha en de Omega, de God met wie alles begint
en ook met Wie alles eindigt
en die alles wat er in dit leven tussendoor gebeurt in Zijn hand houdt,
hoe diep ik ook moet gaan.
Als ik dat geloof niet had
en hoezeer de winden rukken aan het geloof,
Hoezeer de donkere wolken boven mijn leven kunnen komen, vol dreiging van noodweer,
als ik niet dat geloof had, niet mijn geloof, maar de Geest die dat vertrouwen wekt.
Wacht op de Heere, houdt moed, geloof dat Hij zal komen, op Zijn tijd.
Je moet dat steeds weer opnieuw tegen jezelf zeggen, jezelf aanspreken:
Wacht op de Heere, verlies niet alle moed, wees sterk,
want Hij is er, Hij zal er zijn. Hij zal je hart sterk maken
en zorgen dat je, wanneer je het zelf dreigt kwijt te raken, je weer geven.
Wacht op de Heere, wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken, wacht op de Heere.
Hij die jouw licht is, jouw behoud, Hij is dat niet voor even maar voor altijd,
vanaf het begin van je leven totdat je einde nadert.
En hoe donker het kan worden – en het kan donker worden.
God is mijn licht, mijn behoud. Wacht op de Heere. Amen

Overdenking in de zangdienst van 15 juli 2018. Thema: Zo ik niet had geloofd

Zangdienst 15 juli 2018  – Zo ik niet had geloofd

Voor degenen die een zangdienst hebben te leiden (bijvoorbeeld op een camping , evt in het buitenland) hierbij de teksten die ik uitsprak tijdens de zangdienst van zondag 15 juli 2018. Thema: Zo ik niet had geloofd. (Meditatie komt in een apart blog)

Zangdienst 15 juli 2018  – Zo ik niet had geloofd

Zingen: Op Toonhoogte (versie 2005) nr 301 Samen in de naam van Jezus

Stil gebed. Votum en groet

Als ik het geloof niet had, zegt iemand tijdens een gesprek,
dan zou ik niet weten hoe ik het zou moeten volhouden.
Ik hoor dat vaker zeggen, als ik met iemand spreek die te maken heeft met tegenslag,
als iemand bijvoorbeeld te maken heeft met een sterven van iemand die heel dierbaar is.
Het leven is ingrijpend veranderd; niets is meer hetzelfde.
Wel dezelfde God, Die juist dan er is.
Wat dit leven ook brengt: vreugde of droefheid – Hij is nabij.
Als Hij erbij is, dan kunnen we gaan, kunnen we verder.
Leer mij die weg te gaan, samen met U: draag mij, leid mij, houd mij in evenwicht
dat ik voor Uw aangezicht, wandel in het volle licht,
ook als er tegenslag komt, als ik vrees voor wat er komen gaat: leer mij Uw weg.

Zingen: Op Toonhoogte 202 Leer mij Uw weg, o Heer

Zo ik niet had geloofd.
Zouden we ooit zonder geloof kunnen?
Zou er ooit een moment kunnen zijn, dat we het zonder de Heere zouden redden?
We hebben Hem elke dag nodig, elk moment van ons leven, elk uur, elk ogenblik.
We hebben Hem nodig als we het goed hebben en ons gezegend weten.
Als er tegenslag is en het leven anders gaat, ook dan kunnen we niet zonder Hem.
Dan geeft Hij ons kracht, dan draagt Hij ons, wil Hij ons op Zijn weg verder leiden.
Ik heb U steeds nodig, elk uur, elk ogenblik.
Daarom komen we bij U en vragen wij, bidden wij om Uw zegen:
O zegen mij, mijn Heiland, ik kom tot U.

Zingen: Johannes de Heer 80 Elk uur, elk ogenblik

Zo ik niet had geloofd – als ik niet steeds gemerkt had dat de Heere er was,
dat Hij kracht van boven geeft.
hoe de Heere mijn leven leidt, hoe Hij mij kracht geeft steeds weer opnieuw.
Ik wil Hem belijden en vertellen over al het bijzondere dat Hij heeft gedaan:
hoe God die deze wereld schiep ook mijn God wil zijn en mij draagt dag aan dag,
hoe Zijn Zoon voor mij naar de aarde kwam en voor mij naar het kruis ging
om mijn schuld en zonde te dragen, zodat er voor mij vergeving is,
hoe Zijn Geest woont in mijn hart.
Zelfs als de storm opsteekt en om mij heen raast,
dan zal deze God mij behoeden. Hij houdt voor mijn heil de wacht.
Na de belijdenis zingen we: Gezang 178:7 Ruwe stormen mogen woeden.

Geloofsbelijdenis – daarna: zingen: Gezang 178:7 (NH Bundel 1938)

Als er een storm over je leven raast, kan dat het gevoel geven dat je er alleen voor staat,
dat er niemand is die je hebt: geen mens die je helpt en God die er niet is.

Maar als ik het spoor goed bekeek, zag ik langs heel de baan,
daar waar het juist het moeilijkst was, maar één paar stappen staan.
Ik zei toen “Heer waarom dan toch? Juist toen ik U nodig had,
juist toen ik zelf geen uitkomst zag, op het zwaarste deel van mijn pad…”

Dan is de verleiding groot om alleen verder te gaan. Als God er dan toch niet is.
Doe dat niet, want die weg is te zwaar
en te zwaar om te dragen is de eenzaamheid en het verdriet.
Laat Eén uw Helper wezen.
Er is een God, een God die hoort.
Heel wat heeft Hij al aangehoord. Er is al heel wat bij Hem geklaagd,
heel wat tranen die vloeiden in het gebed,
vaak zelfs waren er geen tranen meer, omdat het verdriet te groot was.
Hij heeft al zovelen gedragen en bijgestaan. Daar kan u, kan jij ook nog wel bij.
Ga niet alleen, ga tot uw Middelaar.

Zingen: Johannes de Heer 53: 1, 2, 5

Wie steunt op Zijn ontfermen is nooit alleen.
Dat moeten we vaak leren: steunen op Zijn vertrouwen
En geloven dat als we Zijn weg gaan, Hij mee gaat,
dat als er tegenslag is, waaraan ik niet kan ontkomen, de Heere mij omringt,
dat als ik er aan onderdoor gaat, Hij mij redding geeft en leven schenkt.
Als ik niet had geloofd.
Maar dat geloof is niet altijd even sterk, gaat vaak onderuit
en we durven het niet aan, omdat we dat vertrouwen missen dat Hij zal meegaan,
de twijfel die in ons boven komt en ons aanvliegt.
Als we dat geloof hebben, kunnen we zingen – met heel ons hart Zijn eer vermelden,
Maar midden in de storm, als we Hem niet kunnen vinden, is het een gebed,
meer zelfs nog: een roep naar omhoog, vanuit ons hart naar de hemel
Verlaat niet wat Uw hand begon, o levensbron, wil bijstand zenden.

Zingen: Psalm 138: 1, 4 Oude Berijming (en daarna gebed)

Als ik het geloof niet had.
In de Heidelberger Catechismus is geloven een weten wat er in de Bijbel staat over God,
maar evengoed ook een vast en zeker vertrouwen,
een vertrouwen dat de Heilige Geest in mijn, uw, jouw hart werkt.
Zo ik niet had geloofd, als ik niet over God wist wat er in de Bijbel staat
en als ik niet dat vertrouwen had in God, waar was ik dan?
Waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik stel mijn vertrouwen op de Heer mijn God, want in Zijn land ligt heel mijn levenslot.

Zingen: Op Toonhoogte 444 ‘k Stel mijn vertrouwen
(Daarna Schriftlezing: Psalm 27 – collecte – Psalm 42: 3, 5 – overdenking – Psalm 27: 1, 7)

Mijn licht, mijn heil is God – dat spreekt van een intieme relatie,
een Heiland die mij dierbaar is, omdat Hij mijn Verlosser is en ik van Hem mag zijn,
schoongewassen, gereinigd in Zijn bloed
Dat geeft mij pas rust, een vrede.
Wanneer ik niet zou geloven, zou ik deze vrede, deze rust niet kennen.
Dan zou ik er naar moeten zoeken, zonder het te vinden.
Nu heb ik het gevonden – in Hem, mijn dierbare Heiland, mijn Verlosser.
Nu heb ik Hem gevonden en ik wel Hem daarvoor eren: Lof en ere zij het Lam.

Zingen: Johannes de Heer 43 Dierb’re Heiland, mijn Verlosser.

Leven en sterven aan zijn zijde – dat is niet teveel gezegd.
In dat vertrouwen, dat ik van Hem ben, gekocht, betaald met Zijn bloed en gereinigd,
In dat vertrouwen kan ik door het leven gaan, zolang ik hier op aarde ben.
Ik kan mij in Zijn handen overgeven, van Hem die heel het heelal regeert.
Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden,
waarlangs uw voet kan gaan.

Zingen: Gezang 180:1 Beveel gerust uw wegen

Gebed

Zingen: Gezang 300A:1, 2, 4

Zegen



Vragen bij Psalm 27

Vragen bij Psalm 27

1) Welke beelden worden er in Psalm 27 gebruikt? Waarom? Zou jij die beelden ook in je gebed gebruiken?

2) Wanneer gebruik jij de Heere als schuilplaats? Hoe doe je dat dan?

3) In deze psalm is er sprake van een conflict: kwaaddoeners die op iemand afstormen. Mag je deze psalm toepassen op de conflicten die je zelf hebt binnen de familie, in de straat, op het werk, enz?

4) Herken je die onbevreesdheid omdat God met je is? Of reageer jij anders?

5) In de psalm is er een afwisseling van vertrouwen op God en zoeken naar God. Of misschien wel van een spanning tussen God willen zoeken en door God niet kunnen vinden (of zelfs afgewezen worden). Wat herken je van deze afwisseling of spanning in je eigen leven?

6) Waar zou het gevoel vandaan komen dat God Zijn aangezicht zou verbergen en de bidder wel eens zou kunnen afwijzen?

7) De psalm eindigt met de verwachting op God. Wat mag jij van God verwachten? En wat betekent dat voor jouw houding ten opzichte van God of jouw plek in deze wereld?

Preek zondag 17 mei 2015

Preek zondag 17 mei 2015
Preek in de themadienst. Thema: “Wachten op God”.
Schriftlezing: Psalm 27 & Handelingen 1:13-14.
Tekst: Psalm 27:14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Laura is bezig met haar examens.
Ze vindt het een spannende tijd,
want ook al heeft ze er goed voor geleerd,
zal ze de examens goed maken?
Vooral tegen dinsdag ziet ze op, als ze wiskunde moet doen.
Wiskunde gaat haar niet goed af.
Als ze bezig is met de sommen, heeft ze altijd de uitleg van de docent nodig.
Als hij uitlegt, snapt ze het weer even,
maar als ze het weer alleen moet doen,
is ze alles weer kwijt en weet ze niet meer hoe ze het moet aanpakken.
Zal ze daar dinsdag ook last van hebben?
En als alle examens voorbij zijn, dan is het wachten op de uitslag.
Ook dat zal een spannende tijd zijn,
zeker als de dag komt waarop ze te horen krijgt of ze geslaagd is of niet.
In het afgelopen jaar is ze gaan op andere scholen gaan kijken
om te ontdekken wat ze wil gaan doen als ze klaar is met deze school.
Welke richting moet ze kiezen?
Ze weet het nog niet zo goed: moet ze voor economie gaan of juist voor zorg?
Ze moest een keuze maken om zich alvast,
want ze moest zich inschrijven voor de volgende school.
Hoewel ze daar ook best tegenop ziet, een nieuwe school zonder haar vriendinnen
is ze daar nu niet mee bezig: eerst de examens van deze week
en daarna ziet ze wel verder.
De volgende ochtend ontbijt Laura met haar moeder
en haar moeder weet dat ze die middag Engels heeft
en morgen wiskunde.
Na het eten zal Laura naar boven verdwijnen om de laatste keren
Engels en wiskunde te oefenen.
Als afsluiting van de ochtendmaaltijd leest haar moeder voor uit de Bijbel.
Het gaat eerst langs haar heen,
maar dan die laatste regel – opeens hoort ze die woorden,
alsof ze voor haar zijn bedoeld:
Wacht op de HEERE,
wees sterk, Hij zal uw hart sterk maken
ja, wacht op de HEERE.

Deze woorden blijven hangen
en ze denkt over deze woorden na
en vraagt zich bij zichzelf af: Wat heeft die psalm mij te zeggen?
Is dat de stem van God die dat tegen haar zegt
om haar rustig te maken en alle spanning van haar weg te nemen?
Als ze aan haar bureau zit, denkt ze er over na,
hoe ze dat kan doen als ze die middag bij Engels of de volgende dag bij wiskunde
achter een tafeltje zit met de opgaven voor zich
en dan tijdens de examens wachten op de HEERE
en ook nu al bij de laatste voorbereidingen die ze heeft.
Ja, ik wacht op de HEERE.
Ze voelt dat ze veel zekerder wordt.
Oké, ze blijft de spanning houden
en ze gaat gauw aan de slag om nog even te oefenen voor over een paar uur.
Maar ze weet dat ze er niet alleen voor staat
en dat de Heere met haar meegaat,
ook in het schoolgebouw bij haar zal zijn, in het lokaal waar zij de examens maakt.
Hij zal uw hart sterk maken – als ze deze rust vanmiddag ook maar heeft en morgen.
Ze zegt het tegen zichzelf: Ja, wacht op de HEERE.
Ze weet nu wat die tekst voor haar betekent:
Houd er rekening mee, dat God er ook is, juist dan op dat spannende moment.

Laura, ze houdt er rekening mee, dat God er dan is,
dat Hij dan bij haar komt in het examenlokaal.
En ze ervaart dat nu al, als ze erover nadenkt, dat God heel dicht bij haar is.
Dat is wachten op God:
dat je weet, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
Dat zorgt voor een verschil tussen het wachten op God
en heel veel andere soorten van wachten die er voor ons zijn.
Vaak geeft wachten een onzekerheid: je weet niet wat er komt,
of je weet niet of het zal gebeuren,
maar bij wachten op God, houdt het in dat we zeker van Hem mogen zijn,
dat Hij er dan zal zijn
en dat die zekerheid er niet voor later is,
maar dat je, als je wacht op God, als je zeker weet dat Hij zal komen,
dan is Hij er ook nu.

Vaak zorgt wachten voor heel veel onzekerheid.
Ik zie dat als ik in het ziekenhuis ben
en de familie op de gang wacht tot het spreekuur is,
of wacht op een arts die hen de uitslag komt brengen.
Ze kunnen niets anders dan wachten
en terwijl ze wachten, staren ze voor zich uit, zijn ze bezig met hun telefoon,
of proberen ze met de mensen om zich heen een gesprek te beginnen.
Wachten geeft veel onzekerheid:
je hebt het niet in de hand wat er gaat gebeuren.
De uitslag kan positief zijn, maar ook negatief.
Zal je leven er over enkele weken er heel anders uit zien?
Of kun je deze spannende periode achter je laten?
Iemand vertelde over de kanker die in zijn leven gekomen was
en wat dat voor hem betekende.
Hij gaf aan, dat het voornaamste was, dat je steeds moest wachten.
Wachten in het ziekenhuis, tot je aan de beurt bent,
vooral wachten na het onderzoek, tot de uitslag wordt meegedeeld.
Tijdens dat wachten probeer je steeds een voorstelling te maken van wat er komt.
De ene keer het ergste scenario, waarbij het door je heen schiet dat je afscheid moet nemen,
De andere keer juist een optimistischer scenario,
terwijl je je vastklampt aan alle lichtpuntjes die de dokter heeft gegeven.
Maar hoe het echt zal uitpakken, dat kun je pas over enige tijd zien
en tot die tijd maar wachten.
Dat wachten is slopend, maakt onzeker, neemt je helemaal in beslag.

Naar mijn idee is dat wat er vaak gebeurt
als we wachten op God, dat het niet gaat om de zekerheid
dat Hij er zal zijn en dat Hij er nu is, maar meer de onzekerheid.
Die onzekerheid is er niet alleen in tijden van ziekzijn,
maar naar mijn idee is die onzekerheid soms verweven met de manier waarop wij over het geloof praten en hoe wij het geloof beleven.
Mag ik mijzelf een kind van God noemen?
Die onzekerheid heeft Jan ook.
Hij is met het geloof opgegroeid.
Thuis werd er aan tafel uit de Bijbel gelezen en elke zondag ging hij mee naar de kerk.
Dat het geloof echt kon zijn, dat zag hij aan zijn moeder.
Zij leefde er echt uit.
Soms vertelde ze tegen degenen die op bezoek kwamen wat er met haar was gebeurd.
Hoe ze was stilgezet
Hoe ze voelde dat ze niet meer zonder de Heere verder kon, niet zonder Hem verder mocht.
Maar zoiets heeft Jan nog nooit ervaren.
Hij wacht.
Hij wacht op God, tot er ook iets in zijn leven gebeurt,
zoals dat met zijn moeder gebeurde, zodat ook hij kan zeggen: ik ben een kind van God.
De Heere werd mij te sterk.
Vanmorgen had hij Psalm 27 gelezen, de psalm had hem geraakt.
Vooral het 8e vers:
Mijn hart zegt tegen U wat U zelf zegt:
Zoek Mijn aangezicht – Ik zoek Uw aangezicht.
Zo is dat met Jan ook. Hij zou het wel willen
en hij zoekt er naar,
wanneer was het moment dat hij God zal vinden.
Hij wacht op de Heere, tot de Heere in zijn leven komt.
Vaak zit hij in de kerk en wacht en leest hij in de Bijbel en zoekt.
Wacht op dat moment, dat God komt.
Jan denkt vaak aan zijn moeder, vooral aan haar sterfbed,
hoe ze in alle rust kon sterven,
omdat ze uitzag naar haar Heere,
dan ga ik op tot Gods altaren, tot God, de bron van vreugd.
Zover was hij nog niet.
Hij kon God nog niet ontmoeten; hij voelde zijn tekortkomingen, zijn kleinheid, zijn zonde.
Kwam de Heere maar.
Ik krijg wel eens het idee dat we van de bekering, van het moment dat God in ons leven komt
iets mysterieus maken, iets ongrijpbaars, waarbij we maar moeten wachten
op wat God doet
en dat het onzeker maakt, omdat je niet weet, waar je op wacht
en niet weet hoe je dat herkent, dat je mag zeggen: nu is God van mij en nu ben ik van Hem.
Hij heeft mij gevonden en ik heb Hem gevonden.
Wacht op de Heere
– maar Jan, dat is niet om je onzeker te maken, om je eindeloos te laten wachten,
maar zodat je gaat uitzien naar Hem, dat je verlangt naar Hem
en de zekerheid hebt, dat God er is, in je leven
en dat Christus ook voor jou gestorven is,
daar moet je niet onzeker over zijn, dat moet je niet gelaten afwachten.
Dat zoeken is niet bedoeld als een dwalen, waarbij je maar moeilijk vindt,
maar dat is bedoeld om je bij het juiste adres te brengen: bij de Heere.
En God zegt het tegen je:
Zoek Mijn aangezicht – Hij zegt niet: Zoek,
maar Hij zegt: Zoek Mijn aangezicht.
Zoek Mij waar Ik ben – in de Bijbel, in Christus.
Jan, wat heb je nog meer nodig dan het Woord van God dat tegen je zegt: geloof Mij.
Wat heb je nog meer nodig dan de Heere Jezus, met Zijn armen wijd,
die tegen je zegt: Jan, ook voor jouw zonden ben Ik gestorven.
Je bent zo dichtbij – wat heb je nog meer nodig?
Dat wachten op iets – iets mysterieus, dat is heel menselijk,
maar dat heeft met geloof niets te maken.
En dat zoeken, dat is heel begrijpelijk – God zegt het zelf!
en hoe herken je dat God met je bezig is?
Maar als het onzekerheid geeft, heeft dat met geloof niets te maken.
God is mijn licht en mijn heil – daarmee begint de psalm.
Van God moeten we en mogen we zeker zijn,
want God heeft het beloofd.
Al moeten we net zo lang als Abraham wachten tot Hij zijn belofte vervult.
God vervult de belofte, die Hij bij de doop gegeven heeft.
Dat Zijn Heilige Geest in ons zal werken en dat Hij ons het geloof zal schenken.
Jan, zie je niet, dat God het je wil geven?

God vervult Zijn beloften – wees sterk, want God doet wat Hij belooft.
Maar dat is juist voor Maria zo moeilijk te geloven.
Ze wil wel sterk zijn en ze wil dicht bij God leven
en ze wil haar Heiland niet kwijt.
Maar dan denkt ze aan haar kinderen.
Haar kinderen die de doop ontvangen hebben,
haar kinderen aan wie God het heeft beloofd dat Hij aan hen de Heilige Geest zal geven.
Ze ziet er helemaal niets van.
Wat ze ziet, is dat haar kinderen er helemaal niets meer van moeten weten.
De kleinkinderen die geboren werden, zijn niet gedoopt.
Dat deed zo’n pijn. Ze was blij met de geboorte van haar kleinkinderen.
Maar er was ook die schaduw.
Elke keer als de kleinkinderen er zijn,
heeft ze het gevoel dat er iets tussen hen in staat,
dat ze niet helemaal bij elkaar horen, omdat ze de doop niet hebben ontvangen.
Ze kan dit gevoel met niemand delen,
want dan zullen haar kinderen boos worden.
Ze zou zo van haar kleinkinderen willen genieten, maar dat lukt niet zonder die pijn.
Ze begrijpt het niet, waarom haar kinderen niets meer met het geloof hebben.
Wat heeft ze verkeerd gedaan?
Vroeger vond ze die Psalm 27 zo’n mooie psalm:
Als ik toch niet de de goedheid van de Heere had gezien in het land van de levenden.
Ze herinnert zich een preek van vroeger,
waarbij de predikant had uitgelegd, dat vers 13 daar ophield.
Zonder de Heere te leven, daar zijn geen woorden voor.
Ik was vergaan – dat is maar zacht uitgedrukt.
Nu echter, nu haar kinderen die goedheid niet zien, beklemt het haar.
Zullen haar kinderen verloren gaan?
Wat komt er van haar kleinkinderen terecht?
Wat kan ze nog van de HEERE verwachten?
Kon zij maar in de toekomst kijken en zien dat er een verandering in hun leven kwam
en dat zij de weg naar God terugvonden.
Dat ze Hem gingen zoeken.
Soms denkt ze: gebeurde er maar wat in hun leven; werden ze maar stil gezet.
Pas had ze die psalm nog eens gelezen
en toen was opeens dat laatste vers blijven haken.
Ze kende dat vers wel, maar ze ging er over nadenken:
Wat mocht ze nog van de Heere verwachten?
Wat wilde Hij haar daarmee zeggen?
Dat de Heere haar kinderen en kleinkinderen toch niet had losgelaten?
Dat ze haar zorgen in Zijn hand moest leggen?
Het hielp haar – ze merkte de laatste keer dat ze dit keer meer ontspannen was
dan anders en dat ze meer kon genieten van hun aanwezigheid.
Ze had nog haar zorgen, maar ze voelde dat de zorgen van haar werden afgenomen
en dat God zelf tegen haar zei: Wacht op Mij, wees sterk en Ik zal je hart sterk maken,
ja, wacht op Mij.

Wacht op de HEERE, zegt de Psalm.
op de Heere, Zijn naam betekent: Ik zal er zijn.
Die naam die aangeeft, dat God vanuit de hemel Zijn volk trouw blijft,
ondanks hun ongeloof,
de naam die aangeeft, dat God Zijn verbond houdt, ook al breken mensen dat verbond.
Die God die in de hemel troont, maar ook dichtbij
en bereikbaar is voor onze gebeden. He’s only a prayer away.
Wacht op de HEERE, dat geeft ons gebed een adres: de God van hemel en aarde,
die deze wereld bestuurt en in mensenlevens ingrijpt.
Die ons alles geeft wat we nodig hebben, in het leven.
Die ons alles geeft wat we nodig hebben om te geloven,
die ons alles geeft wat we nodig hebben om bij Christus te komen,
om bij Christus te blijven en Hem niet kwijt te raken
door onze zorgen, door onze spanningen, door onze onwil.

Zo hebben de discipelen ook gewacht
in die kamer bij de tempel, terwijl de Heere Jezus was heengegaan.
Ze kwamen bij elkaar, om elkaar te bemoedigen en om met elkaar te bidden.
In gebed wachtten ze op God
Ze wisten niet wat er zou gebeuren, en toch:
ze waren zeker dat ze niet voor niets wachtten.
En daarom was hun wachten een uitzien – vol verwachting.
Vol verwachting blijf ik uitzien.
Zo wachten wij op God – niet uit onzekerheid, maar uit geloof,
ons geloof dat door God sterk gemaakt is:
Wees sterk en Ik zal uw hart sterk maken.
Met die kracht – de Heilige Geest – wachten wij op God
die Zijn beloften waarmaakt.
amen

Wacht op de Here – preek over Psalm 27:14

Wacht op de Here (Psalm 27:14)
Preek  van 17 juli 2011

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1) Wachten
Wat wachten is, weten we allemaal wel. Als ik aan u of aan jou zou vragen: ‘Geef eens een voorbeeld van wachten’, zal iedereen een voorbeeld kunnen geven. De een vertel een leuke gebeurtenis, iets fijns om naar uit te kijken. Bijvoorbeeld uitzien naar de geboorte van een baby. De ander vertelt iets waar hij of zij met spanning naar uitkijkt. Bijvoorbeeld het wachten op de uitslag van een onderzoek in het ziekenhuis. Wat wachten betekent, weten we allemaal wel.
Maar weet u ook wat wachten op de Here betekent? Weet u wat het is om op de Here te wachten? Voor u? Voor jou? Als je aan tafel deze psalm leest en een van de kinderen vraagt het: ‘Wat betekent dat?’, weet u dat dan uit te leggen?
Hoe komen we achter de betekenis van het wachten op de Here, zodat we in ons dagelijks leven ook wachten op Hem? Dat het wachten ons helpt in het geloof, in het leven met de Here?
Ik ben er naar op zoek gegaan. Maar zo eenvoudig is het nog niet. Soms hoop je dat anderen je verder kunnen helpen of er een uitleg van kunnen geven. Ik heb daarvoor een aantal commentaren op Psalm 27 gelezen. Die hielpen eigenlijk niet veel verder. Meer dan een algemene aanwijzing dat we moeten vertrouwen op de Here gaven ze niet. Dat betekent dat we zelf op zoek moeten gaan naar de betekenis.

(2) Vertrouwen
Voor deze preek heb ik in het woordenboek gekeken wat ‘wachten’ betekent. Het woordenboek zegt over wachten: ergens blijven of zich ophouden totdat iets of iemand komt. Wachten op de Here betekent dus: ons ergens ophouden totdat God komt. Wachten op de Here heeft dus te maken met:
* ons ergens bevinden, ons ergens ophouden.
* met de komst van God.
Als we eens naar David in Psalm 27 kijken, waar hij zich bevindt. Wat speelt er zich af in het leven van David?
David begint heel positief: hij spreekt zijn vertrouwen in de Here uit: De HERE is mijn licht en mijn heil. Voor wie zou ik vrezen. Hij begint met de Here. Doordat de Here in zijn leven aanwezig is, hoeft het niet meer donker te zijn. Doordat hij, David, de Here kent, weet hij dat er voor hem altijd hulp zal zijn. Daar zet David mee in.
Dan begint hij te vertellen. Wat David vertelt, geeft kleur en diepgang aan het vertrouwen dat hij heeft in de Here. Omdat de Here verschil maakte in het leven van David, heeft David geleerd dat hij de Here kan vertrouwen. De Here is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen?  Voor David is dat geen theorie, geen aangeleerde wijsheid. Het is niet zo, dat hij op deze manier over God moet denken, omdat het hem is geleerd op catechisatie of wat hij hoort te zeggen. Het is voor David een levenservaring. Wat is er gebeurd in zijn leven?

(3) Levenservaring van David
In één zin maakt David duidelijk wat er gebeurd is: Toen boosdoeners op mij afkwamen, om mijn vlees te eten. Zo’n zin geeft in één keer aan wat er aan de hand is. De dreiging, die er uitspreekt: boosdoeners die op je afkomen om je te verslinden. ‘Ze moeten mij hebben. ‘
Gaat het om echte tegenstanders? Mensen in Davids omgeving, misschien zelfs vertrouwelingen, die maar wat graag op zijn positie zouden willen zitten. Die aan zijn stoelpoten zagen? Die hem weg willen hebben? Uit het veld willen ruimen? Voor wie zou ik vrezen, zegt David.
Het kan ook zijn, dat David alle ogen op zich gericht voelt. Zijn we als mensen niet gevoelig voor wat anderen over ons denken en over ons zeggen? Het kan door je heen flitsen: hij of zij mag mij niet. Ik kan het niet uitleggen, waarom ik het voel. Wat is er toch met die ander? Elke keer als ik iets zeg of doe, wordt het verkeerd uitgelegd. Alleen maar omdat ik het zeg of doe. Toen boosdoeners op mij afkwamen, om mijn vlees te eten.
 Zo ook bij David? Zonder dat hij het kan aanwijzen waar het in zit, voelt hij dat er iets tussen hem en de anderen is. Afgunst? Mogen ze hem niet? Heeft hij iets in het verleden gedaan of gezegd, waar ze nu nog steeds boos over zijn?
Wat bepaalde mensen doen, kan je soms helemaal koud laten. Je denkt: ach, ik weet wie het zegt. Maar soms kan iemand je juist in je ziel raken, van je stuk brengen, onzeker maken, een gevoel van machteloosheid geven, van weerloosheid. Wachten: blijven waar je je bevindt, totdat de Here komt.
Als David over zijn ervaringen vertelt, doet hij dat in het kader van dat vertrouwen op de Here. Hij begint en eindigt met de Here. Ook in zijn leven is de Here de Alpha en de Omega, het begin en het einde. Hoe hulpeloos David zich ook voelt, hoe oneerlijk behandeld, het heeft niet de overhand in zijn leven. Er is iemand die hem erboven uit tilt, die hem in al zijn kwetsbaarheid en machteloosheid bescherming biedt. Nochtans blijf ik vertrouwen.
Als anderen je aankijken, als je voelt dat er over je gesproken wordt, mag je weten: de Here bergt mij in zijn hut. Beschutting is te vinden bij de levende God. Ze krijgen mij er niet onder. Niet omdat ik ze aankan, maar omdat de Here met mij is.

(4) Aanvechting
Met mij is? Is Hij er? Als iedereen tegen je is? Als zelfs je vader en moeder je weg niet meer kunnen meemaken en met je breken? Als mensen je stuk voor stuk laten vallen, waarom zou de Here je dan wel helpen?
De Here is mijn licht en mijn heel. Dat is geen theorie. Voor David was deze belijdenis geen vanzelfsprekendheid. Hij heeft er dringend om gebeden: verlaat mij niet, Here. Verberg uw aangezicht niet voor mij. Je ergens ophouden, totdat de Here komt. Is dat niet de vraag van veel gelovigen: komt Hij nog wel, zoals Hij beloofd heeft?
Het is de verwondering die David uitspreekt: de Here is gekomen. Dat die grote en heilige God zich bekommert om mijn leven.
Wat komt Hij dan doen? Hij komt om te beschermen, om onze eer te herstellen. En we wachten op Hem, omdat Hij beloofd heeft te komen.
Wachten op de Here. Het kan door je hoofd heengaan. Ik moet vertrouwen, want als ik niet vertrouw dan komt Hij niet. Vertrouw! Dat is net zo’n opdracht als een dokter geeft aan een ernstig zieke: ga vooral leuke dingen doen. Maar wat voor leuke dingen zijn er nog te doen als je nog maar kort te leven hebt? Wat valt er te vertrouwen als alle moed je in de schoenen zinkt?
Lijken we vaak niet op David uit Psalm 42: heen en weer geslingerd tussen vrees en hoop, vrees en hoop. Waarom moet het nu zo lopen? Vertrouw op de Here! Waarom kan het niet als vroeger zijn? Laat dat vertrouwen dat je vroeger had, terugkomen! Heen en weer geslingerd tussen hoop en vrees.
Wacht op de Here – het is een opdracht, die wij krijgen. We worden aangesproken, opgedragen om dit te doen.
Wacht op de Here – het woord dat hier gebruikt wordt, heeft in het Nieuwe Testament de betekenis van: staande blijven in de aanvechting. Staande blijven, dat kunnen we niet in eigen kracht. Daarvoor hebben we de Heilige Geest nodig. Hij maakt onze geest tot een vaste geest, Hij schenkt ons het vertrouwen. Ik weet aan Wien ik mij vertrouwe, als wisselen ook dag en nacht: de Here, de God van Israël. We kennen Hem. Hij is betrouwbaar. Bij Hem is mijn leven veilig. Zijn komst in mijn leven, geeft mij moed. Dat Hij in mijn leven wil komen, maakt mij verwonderd. Mijn leven, hoe kwetsbaar ook en overhoop gehaald, is een reden tot lofprijzing: Hij komt. Hij wil naar mij omzien. Bij Hem is mijn leven veilig.
Amen