Preek zondag 17 mei 2015

Preek zondag 17 mei 2015
Preek in de themadienst. Thema: “Wachten op God”.
Schriftlezing: Psalm 27 & Handelingen 1:13-14.
Tekst: Psalm 27:14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Laura is bezig met haar examens.
Ze vindt het een spannende tijd,
want ook al heeft ze er goed voor geleerd,
zal ze de examens goed maken?
Vooral tegen dinsdag ziet ze op, als ze wiskunde moet doen.
Wiskunde gaat haar niet goed af.
Als ze bezig is met de sommen, heeft ze altijd de uitleg van de docent nodig.
Als hij uitlegt, snapt ze het weer even,
maar als ze het weer alleen moet doen,
is ze alles weer kwijt en weet ze niet meer hoe ze het moet aanpakken.
Zal ze daar dinsdag ook last van hebben?
En als alle examens voorbij zijn, dan is het wachten op de uitslag.
Ook dat zal een spannende tijd zijn,
zeker als de dag komt waarop ze te horen krijgt of ze geslaagd is of niet.
In het afgelopen jaar is ze gaan op andere scholen gaan kijken
om te ontdekken wat ze wil gaan doen als ze klaar is met deze school.
Welke richting moet ze kiezen?
Ze weet het nog niet zo goed: moet ze voor economie gaan of juist voor zorg?
Ze moest een keuze maken om zich alvast,
want ze moest zich inschrijven voor de volgende school.
Hoewel ze daar ook best tegenop ziet, een nieuwe school zonder haar vriendinnen
is ze daar nu niet mee bezig: eerst de examens van deze week
en daarna ziet ze wel verder.
De volgende ochtend ontbijt Laura met haar moeder
en haar moeder weet dat ze die middag Engels heeft
en morgen wiskunde.
Na het eten zal Laura naar boven verdwijnen om de laatste keren
Engels en wiskunde te oefenen.
Als afsluiting van de ochtendmaaltijd leest haar moeder voor uit de Bijbel.
Het gaat eerst langs haar heen,
maar dan die laatste regel – opeens hoort ze die woorden,
alsof ze voor haar zijn bedoeld:
Wacht op de HEERE,
wees sterk, Hij zal uw hart sterk maken
ja, wacht op de HEERE.

Deze woorden blijven hangen
en ze denkt over deze woorden na
en vraagt zich bij zichzelf af: Wat heeft die psalm mij te zeggen?
Is dat de stem van God die dat tegen haar zegt
om haar rustig te maken en alle spanning van haar weg te nemen?
Als ze aan haar bureau zit, denkt ze er over na,
hoe ze dat kan doen als ze die middag bij Engels of de volgende dag bij wiskunde
achter een tafeltje zit met de opgaven voor zich
en dan tijdens de examens wachten op de HEERE
en ook nu al bij de laatste voorbereidingen die ze heeft.
Ja, ik wacht op de HEERE.
Ze voelt dat ze veel zekerder wordt.
Oké, ze blijft de spanning houden
en ze gaat gauw aan de slag om nog even te oefenen voor over een paar uur.
Maar ze weet dat ze er niet alleen voor staat
en dat de Heere met haar meegaat,
ook in het schoolgebouw bij haar zal zijn, in het lokaal waar zij de examens maakt.
Hij zal uw hart sterk maken – als ze deze rust vanmiddag ook maar heeft en morgen.
Ze zegt het tegen zichzelf: Ja, wacht op de HEERE.
Ze weet nu wat die tekst voor haar betekent:
Houd er rekening mee, dat God er ook is, juist dan op dat spannende moment.

Laura, ze houdt er rekening mee, dat God er dan is,
dat Hij dan bij haar komt in het examenlokaal.
En ze ervaart dat nu al, als ze erover nadenkt, dat God heel dicht bij haar is.
Dat is wachten op God:
dat je weet, dat God er zal zijn als je Hem nodig hebt.
Dat zorgt voor een verschil tussen het wachten op God
en heel veel andere soorten van wachten die er voor ons zijn.
Vaak geeft wachten een onzekerheid: je weet niet wat er komt,
of je weet niet of het zal gebeuren,
maar bij wachten op God, houdt het in dat we zeker van Hem mogen zijn,
dat Hij er dan zal zijn
en dat die zekerheid er niet voor later is,
maar dat je, als je wacht op God, als je zeker weet dat Hij zal komen,
dan is Hij er ook nu.

Vaak zorgt wachten voor heel veel onzekerheid.
Ik zie dat als ik in het ziekenhuis ben
en de familie op de gang wacht tot het spreekuur is,
of wacht op een arts die hen de uitslag komt brengen.
Ze kunnen niets anders dan wachten
en terwijl ze wachten, staren ze voor zich uit, zijn ze bezig met hun telefoon,
of proberen ze met de mensen om zich heen een gesprek te beginnen.
Wachten geeft veel onzekerheid:
je hebt het niet in de hand wat er gaat gebeuren.
De uitslag kan positief zijn, maar ook negatief.
Zal je leven er over enkele weken er heel anders uit zien?
Of kun je deze spannende periode achter je laten?
Iemand vertelde over de kanker die in zijn leven gekomen was
en wat dat voor hem betekende.
Hij gaf aan, dat het voornaamste was, dat je steeds moest wachten.
Wachten in het ziekenhuis, tot je aan de beurt bent,
vooral wachten na het onderzoek, tot de uitslag wordt meegedeeld.
Tijdens dat wachten probeer je steeds een voorstelling te maken van wat er komt.
De ene keer het ergste scenario, waarbij het door je heen schiet dat je afscheid moet nemen,
De andere keer juist een optimistischer scenario,
terwijl je je vastklampt aan alle lichtpuntjes die de dokter heeft gegeven.
Maar hoe het echt zal uitpakken, dat kun je pas over enige tijd zien
en tot die tijd maar wachten.
Dat wachten is slopend, maakt onzeker, neemt je helemaal in beslag.

Naar mijn idee is dat wat er vaak gebeurt
als we wachten op God, dat het niet gaat om de zekerheid
dat Hij er zal zijn en dat Hij er nu is, maar meer de onzekerheid.
Die onzekerheid is er niet alleen in tijden van ziekzijn,
maar naar mijn idee is die onzekerheid soms verweven met de manier waarop wij over het geloof praten en hoe wij het geloof beleven.
Mag ik mijzelf een kind van God noemen?
Die onzekerheid heeft Jan ook.
Hij is met het geloof opgegroeid.
Thuis werd er aan tafel uit de Bijbel gelezen en elke zondag ging hij mee naar de kerk.
Dat het geloof echt kon zijn, dat zag hij aan zijn moeder.
Zij leefde er echt uit.
Soms vertelde ze tegen degenen die op bezoek kwamen wat er met haar was gebeurd.
Hoe ze was stilgezet
Hoe ze voelde dat ze niet meer zonder de Heere verder kon, niet zonder Hem verder mocht.
Maar zoiets heeft Jan nog nooit ervaren.
Hij wacht.
Hij wacht op God, tot er ook iets in zijn leven gebeurt,
zoals dat met zijn moeder gebeurde, zodat ook hij kan zeggen: ik ben een kind van God.
De Heere werd mij te sterk.
Vanmorgen had hij Psalm 27 gelezen, de psalm had hem geraakt.
Vooral het 8e vers:
Mijn hart zegt tegen U wat U zelf zegt:
Zoek Mijn aangezicht – Ik zoek Uw aangezicht.
Zo is dat met Jan ook. Hij zou het wel willen
en hij zoekt er naar,
wanneer was het moment dat hij God zal vinden.
Hij wacht op de Heere, tot de Heere in zijn leven komt.
Vaak zit hij in de kerk en wacht en leest hij in de Bijbel en zoekt.
Wacht op dat moment, dat God komt.
Jan denkt vaak aan zijn moeder, vooral aan haar sterfbed,
hoe ze in alle rust kon sterven,
omdat ze uitzag naar haar Heere,
dan ga ik op tot Gods altaren, tot God, de bron van vreugd.
Zover was hij nog niet.
Hij kon God nog niet ontmoeten; hij voelde zijn tekortkomingen, zijn kleinheid, zijn zonde.
Kwam de Heere maar.
Ik krijg wel eens het idee dat we van de bekering, van het moment dat God in ons leven komt
iets mysterieus maken, iets ongrijpbaars, waarbij we maar moeten wachten
op wat God doet
en dat het onzeker maakt, omdat je niet weet, waar je op wacht
en niet weet hoe je dat herkent, dat je mag zeggen: nu is God van mij en nu ben ik van Hem.
Hij heeft mij gevonden en ik heb Hem gevonden.
Wacht op de Heere
– maar Jan, dat is niet om je onzeker te maken, om je eindeloos te laten wachten,
maar zodat je gaat uitzien naar Hem, dat je verlangt naar Hem
en de zekerheid hebt, dat God er is, in je leven
en dat Christus ook voor jou gestorven is,
daar moet je niet onzeker over zijn, dat moet je niet gelaten afwachten.
Dat zoeken is niet bedoeld als een dwalen, waarbij je maar moeilijk vindt,
maar dat is bedoeld om je bij het juiste adres te brengen: bij de Heere.
En God zegt het tegen je:
Zoek Mijn aangezicht – Hij zegt niet: Zoek,
maar Hij zegt: Zoek Mijn aangezicht.
Zoek Mij waar Ik ben – in de Bijbel, in Christus.
Jan, wat heb je nog meer nodig dan het Woord van God dat tegen je zegt: geloof Mij.
Wat heb je nog meer nodig dan de Heere Jezus, met Zijn armen wijd,
die tegen je zegt: Jan, ook voor jouw zonden ben Ik gestorven.
Je bent zo dichtbij – wat heb je nog meer nodig?
Dat wachten op iets – iets mysterieus, dat is heel menselijk,
maar dat heeft met geloof niets te maken.
En dat zoeken, dat is heel begrijpelijk – God zegt het zelf!
en hoe herken je dat God met je bezig is?
Maar als het onzekerheid geeft, heeft dat met geloof niets te maken.
God is mijn licht en mijn heil – daarmee begint de psalm.
Van God moeten we en mogen we zeker zijn,
want God heeft het beloofd.
Al moeten we net zo lang als Abraham wachten tot Hij zijn belofte vervult.
God vervult de belofte, die Hij bij de doop gegeven heeft.
Dat Zijn Heilige Geest in ons zal werken en dat Hij ons het geloof zal schenken.
Jan, zie je niet, dat God het je wil geven?

God vervult Zijn beloften – wees sterk, want God doet wat Hij belooft.
Maar dat is juist voor Maria zo moeilijk te geloven.
Ze wil wel sterk zijn en ze wil dicht bij God leven
en ze wil haar Heiland niet kwijt.
Maar dan denkt ze aan haar kinderen.
Haar kinderen die de doop ontvangen hebben,
haar kinderen aan wie God het heeft beloofd dat Hij aan hen de Heilige Geest zal geven.
Ze ziet er helemaal niets van.
Wat ze ziet, is dat haar kinderen er helemaal niets meer van moeten weten.
De kleinkinderen die geboren werden, zijn niet gedoopt.
Dat deed zo’n pijn. Ze was blij met de geboorte van haar kleinkinderen.
Maar er was ook die schaduw.
Elke keer als de kleinkinderen er zijn,
heeft ze het gevoel dat er iets tussen hen in staat,
dat ze niet helemaal bij elkaar horen, omdat ze de doop niet hebben ontvangen.
Ze kan dit gevoel met niemand delen,
want dan zullen haar kinderen boos worden.
Ze zou zo van haar kleinkinderen willen genieten, maar dat lukt niet zonder die pijn.
Ze begrijpt het niet, waarom haar kinderen niets meer met het geloof hebben.
Wat heeft ze verkeerd gedaan?
Vroeger vond ze die Psalm 27 zo’n mooie psalm:
Als ik toch niet de de goedheid van de Heere had gezien in het land van de levenden.
Ze herinnert zich een preek van vroeger,
waarbij de predikant had uitgelegd, dat vers 13 daar ophield.
Zonder de Heere te leven, daar zijn geen woorden voor.
Ik was vergaan – dat is maar zacht uitgedrukt.
Nu echter, nu haar kinderen die goedheid niet zien, beklemt het haar.
Zullen haar kinderen verloren gaan?
Wat komt er van haar kleinkinderen terecht?
Wat kan ze nog van de HEERE verwachten?
Kon zij maar in de toekomst kijken en zien dat er een verandering in hun leven kwam
en dat zij de weg naar God terugvonden.
Dat ze Hem gingen zoeken.
Soms denkt ze: gebeurde er maar wat in hun leven; werden ze maar stil gezet.
Pas had ze die psalm nog eens gelezen
en toen was opeens dat laatste vers blijven haken.
Ze kende dat vers wel, maar ze ging er over nadenken:
Wat mocht ze nog van de Heere verwachten?
Wat wilde Hij haar daarmee zeggen?
Dat de Heere haar kinderen en kleinkinderen toch niet had losgelaten?
Dat ze haar zorgen in Zijn hand moest leggen?
Het hielp haar – ze merkte de laatste keer dat ze dit keer meer ontspannen was
dan anders en dat ze meer kon genieten van hun aanwezigheid.
Ze had nog haar zorgen, maar ze voelde dat de zorgen van haar werden afgenomen
en dat God zelf tegen haar zei: Wacht op Mij, wees sterk en Ik zal je hart sterk maken,
ja, wacht op Mij.

Wacht op de HEERE, zegt de Psalm.
op de Heere, Zijn naam betekent: Ik zal er zijn.
Die naam die aangeeft, dat God vanuit de hemel Zijn volk trouw blijft,
ondanks hun ongeloof,
de naam die aangeeft, dat God Zijn verbond houdt, ook al breken mensen dat verbond.
Die God die in de hemel troont, maar ook dichtbij
en bereikbaar is voor onze gebeden. He’s only a prayer away.
Wacht op de HEERE, dat geeft ons gebed een adres: de God van hemel en aarde,
die deze wereld bestuurt en in mensenlevens ingrijpt.
Die ons alles geeft wat we nodig hebben, in het leven.
Die ons alles geeft wat we nodig hebben om te geloven,
die ons alles geeft wat we nodig hebben om bij Christus te komen,
om bij Christus te blijven en Hem niet kwijt te raken
door onze zorgen, door onze spanningen, door onze onwil.

Zo hebben de discipelen ook gewacht
in die kamer bij de tempel, terwijl de Heere Jezus was heengegaan.
Ze kwamen bij elkaar, om elkaar te bemoedigen en om met elkaar te bidden.
In gebed wachtten ze op God
Ze wisten niet wat er zou gebeuren, en toch:
ze waren zeker dat ze niet voor niets wachtten.
En daarom was hun wachten een uitzien – vol verwachting.
Vol verwachting blijf ik uitzien.
Zo wachten wij op God – niet uit onzekerheid, maar uit geloof,
ons geloof dat door God sterk gemaakt is:
Wees sterk en Ik zal uw hart sterk maken.
Met die kracht – de Heilige Geest – wachten wij op God
die Zijn beloften waarmaakt.
amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s