Film in de gemeente

Film in de gemeente
(Op verzoek geschreven voor Theologia Reformata – themanummer In ’t Beeldenrijk)

1 Introductie
‘Waarom maken we tijdens de jongerendienst geen gebruik van een filmpje. Zonder filmpje is een jongerendienst geen echte dienst voor jongeren.’ Een reactie tijdens catechisatie. Deze catechisante gaat verder: ‘Tijdens de kerstviering hadden we een mooi filmpje. Iedereen die dat filmpje ziet, is onder de indruk. Wacht, ik zal onze docent even app-en of ik dat filmpje mag hebben.’ Een andere catechisant reageert: ‘Welk filmpje bedoel je?’ ‘Als ik dat filmpje gekregen heb, zal ik het je laten zien.’ Ze krijgt een appje terug met een link naar het filmpje en laat het filmpje zien. De andere catechisant: ‘Ik kan me dat filmpje helemaal niet meer herinneren.’

Het tonen van een film(fragment) kan zo’n impact hebben, dat iemand nog tijden later kan herinneren wat er getoond werd en welke indruk het gegeven heeft. Ook geeft een film een gezamenlijke belevenis. Tegelijkertijd laat gesprekje zien dat kijkers een film verschillend bekijken en waarderen. Vanwege die gezamenlijke belevenis en vanwege die impact kan film een medium zijn om in de praktijk van de gemeente te gebruiken. Met de inzet van het medium wordt aangesloten bij de leefwereld van jongere maar ook volwassen gemeenteleden. Daardoor wordt er een verbinding gemaakt tussen de verschillende leefwerelden van gemeenteleden. Daarnaast bevatten films veel religieuze thema’s. Bij het gebruik van film kan worden getoond hoe godsdienstige thema’s in onze cultuur aan de orde komen.
Het gebruik van films vraagt wel om fijngevoeligheid, omdat door de impact een grens van wat gepast is eerder in beeld komt. Er zullen gemeenteleden zijn die al ongepast vinden om (bepaalde) films te gebruiken in het gemeentewerk. Ook kan een film een gebrek aan kwaliteit hebben, waardoor het tonen een negatief effect kan hebben. Het tonen van een film vraagt om een goede reflectie vooraf en om goede werkvormen voor tijdens of na het kijken.

2. Ontsluiten van Bijbelgedeelte of theologische thema’s
Film kan in  in de praktijk van de gemeente worden ingezet om een bepaald thema  of om een gedeelte uit de Bijbel te introduceren of te ontsluiten. Er kan op verschillende manieren een verbinding zijn tussen een gedeelte uit de Bijbel en een film: In een film kan een bijbelverhaal als historisch verhaal wordt naverteld. In een film kan een waarin een Bijbelverhaal geactualiseerd wordt, hetzij serieus, hetzij ironisch. Er kan ook een expliciete of impliciete verwijzing naar de de Bijbel in de film verwerkt zijn.
Films waarin verwijzing naar de Bijbel verwerkt is, waarom een Bijbelverhaal wordt naverteld of wordt geactualiseerd laten zien dat de verhalen uit de Bijbel nog steeds attractief zijn. Nogal eens zijn verfilmingen van de Bijbel van matige kwaliteit. Een matige kwaliteit hoeft echter niet altijd een belemmering te zijn om een film in te zetten. Bij een afsluiting van een catecheseseizoen liet ik de jongste groepen Road to Emmaus zien, een film waarin de twee Emmaüsgangers al discussiërend naar Emmaüs teruggaan. Aan de opbouw van een verhaal of het tot leven brengen is niet gedacht. Tot mijn verbazing waren de catechisanten onder de indruk van de film en begrepen ze daardoor het verhaal van de Emmaüsgangers beter omdat ze discussie voor hen was uitgebeeld. Dat opende mijn ogen ervoor dat jongeren niet altijd in staat zijn om gelaagde films goed te verwerken. 

Ondertussen is het heel gebruikelijk geworden om theologische thema’s aan de hand van een film aan de orde te stellen. Van den Brink en Van der Kooi geven in hun Christelijke Dogmatiek bij het hoofdstuk over de zonde en het kwaad als opdracht ‘om erin te komen’: ‘bekijk de film Le gamin au vélo (The Kid with the Bike, 2011). Hoe verschijnen hier zonde en kwaad? Wordt er een uitweg geboden?’ Een film kan dus worden gebruikt om een theologisch thema te ontsluiten. Het kan ook omgekeerd: dat het kijken van een film een aanzet geeft om over een theologisch thema na te denken. Toen ik in een kerstvakantie met een van kinderen meekeek met Frozen viel mij op hoeveel fragmenten uit deze film aan theologische thema’s doen denken. Een van de motieven in deze film is een hart dat bevroren is geraakt. In de eerste scène, de proloog, wordt op dat thema al gepreludeerd doordat hier mannen in beeld komen, die ijsblokken zagen en zingen over de kracht en het gevaar van ijs. Tijdens het kijken moest ik de uiteeenzetting van Jezus over het hart van de mens, dat volgens Hem  een bron zonde en kwaad is (Markus 7:6-23). Zo brengt een kinderfilm de kijker op reflectie over dogmatische loci als de antropologie en de zondeleer. In de bespreking kunnen ook de andere fragmenten in de film waarin het motief van het bevroren hart in het verhaal wordt uitgewerkt en kan dat in gesprek gebracht worden met de Bijbel en de dogmatiek.

3. Catechisatie
Inzet van film in de catechese vraagt volgens de godsdienstpedagoog Reinhold Zwick wel om een goede didactische onderbouwing en reflectie ( Reinhold Zwick, ‘Bibel im Film’, in M. Zimmermann & R. Zimmermann (Hg.) Handbuch Bibeldidaktik, 565-571.).
Jongeren in deze tijd van social media, internet en veel tv-kanalen overvoerd met beelden Daardoor het film als didactisch middel zijn aantrekkingskracht verloren heeft. Omdat de film een samenspel van een verhaal met extreem veel visuele en auditieve indrukken, kan een film niet getoond worden als pure illustratie en ook niet zonder goede duiding of verwerkingsopdrachten. Voor film in het onderwijs geldt volgens Zwick het adagium: het weinige is beter. Het is beter om slechts één film als uitgangspunt te nemen en aan de hand van die ene film steeds verschillende thema’s aan de orde te stellen.
Begeleiding door middel van kijkopdrachten vooraf of verwerkingen achteraf zijn onontbeerlijk (zie). Op deze manier kan op catechisatie een bijdrage worden geleverd aan mediacompetentie.

4. Kringwerk
In een gemeente kan er een filmkring zijn, waarbij men met elkaar een film bekijkt en daarover doorpraat. Bij zo’n filmkring wordt dan meestal een keuze gemaakt voor een bepaalde film en is de bespreking afhankelijk van wat de kijkers aan ervaringen verwoorden. Er kan ook gekozen worden om bepaalde pastorale thema’s aan de orde te stellen en daarbij een filmfragment uit te kiezen. Film kan ook gebruikt worden om diaconale of missionaire bewustwording te stimuleren.
Dat er rekening gehouden moet worden met kritische reacties waarbij de film geheel wordt afgewezen, laat de blog Al die seks in de kerk van Robert-Jan van Amstel zien. In dat blog reflecteert hij op de film Le tout nouveau testament, die niet goed werd ontvangen. Na afloop kwamen er kritische reacties: “Zonde dat het einde van de film moet klinken met een vloek.” “Moet dat nou, zo’n film met al die seks, in de kerk?” “Ik snap niet dat dit wordt vertoond in een huis van God.” “Ik wilde eigenlijk weglopen tijdens de pauze, want ik geneerde me voor wat ik zag.” Van Amstel geeft aan dat hij geen films laat zien om te provoceren. Om de reacties te kunnen duiden, sluit hij aan bij de drie lagen van normativiteit die Rinke van Hell onderscheidt ten aanzien van het kijken van films: het eerste niveau is de ethische normativiteit: past deze film bij de normen en waarden van de kijker? Het tweede niveau is het niveau van dogmatische normativiteit: past deze film bij hoe ik de wereld waarneem en duid? Het derde niveau is de esthetische normativiteit: laat deze film mij ruimte? Dit onderscheid gaf Van Amstel de verklaring waarom de film verkeerd viel: omdat een deel van de kijkers al op het eerste niveau van de ethische normativiteit moeite hadden met de film. De les die hij trok uit de reacties was om de film kort in te leiden en ruimte te bieden voor een goede nabespreking (zie:cometentiemodel mediawijsheid van de Raad voor Cultuur).

5. Preekvoorbereiding
Bij de preek kan een film zowel tijdens de voorbereiding van de preek worden gebruikt als tijdens de eredienst. Sinds de opkomst van de New Homiletic is het heel gebruikelijk om de film als voorbeeld voor de preek te zien. Een preek kan net zo worden opgebouwd als een film, waarbij een preek net als een film uit verschillende moves bestaat. Een preek wordt krachtiger en levendiger wanneer de inhoud van de preek wordt verbeeldend wordt weergegeven alsof de gemeente naar een film kijkt (Paul Scott Wilson, The Four Pages of the Sermon, p. 85-89.). Zonder deze verbeelding wordt de preek een tekst die naar de gemeente wordt gecommuniceerd, terwijl het beter is om in de preek een werkelijkheid op te roepen, te ensceneren waarin de hoorder kan instappen. De prediker kan van een goede film leren hoe een werkelijkheid wordt opgeroepen, hoe een verhaal wordt verteld en hoe een beeld wordt uitgewerkt, hoe spanning in een preek kan worden opgeroepen. De preek kan worden gecreëerd rondom een beeld of een scène, waarbij het mogelijk is om dat beeld of die scène steeds weer terug te laten keren in de preek (Peter Jonker, Preaching in Pictures). Dit beeld of deze scène helpt door de enscenering van de boodschap het doel van de preek te bewerkstelligen.

Een preek kan ook van een film leren om na te denken over het effect dat de preek heeft. Ooit las ik in de Filmkrant een interview met de acteur Mad Mikkelsen. Daarin vertelde hij over het effect dat een film kan hebben en de reden waarom hij graag  complexe persoonlijkheden speelt: ‘Taxi Driver had de grootste impact, dat was de eerste echte film die ik zag. Ik kwam de bioscoop uit en ik voelde me totaal verward over dat personage. Toen begreep ik waar de echte kracht van films ligt: niet dat ze je vertellen hoe je je moet voelen, maar dat ze je een vraag voorleggen die je zelf moet beantwoorden. Daarom houd ik ook meer van antihelden want die zijn meer dualistisch, meer complex. Het is saai om de goeierik te zijn.’ We kunnen deze uitspraken van Mikkelsen toepassen op de preek: Een goede preek schrijft niet voor hoe de hoorder dient te reageren, maar neemt de hoorder mee en laat het effect over aan de hoorder. Een goede preek brengt de Bijbelse personen in hun ambivalenties ten tonele. Wanneer die ambivalenties niet worden getoond, worden Bijbelse personen platte personages en saaie goedzakken, die nauwelijks van vlees en bloed zijn. Een goede preek legt de hoorder een existentiële vraag voor, waar de hoorder zelf op moet antwoorden. 

6. Eredienst
Tegenwoordig is het in veel kerken technisch mogelijk om een film te tonen tijdens de eredienst. Het gebruik van beelden als medium om een boodschap te communiceren of in contact te komen met God is niet nieuw in de kerkgeschiedenis: van iconen, fresco’s, beelden en schilderijen is in de loop van de eeuwen steeds weer gebruik gemaakt. Vandaag de dag dienen we alleen wel rekening te houden met een overvloed aan beelden in het dagelijkse leven. Dat vraagt om een zorgvuldige liturgische doordenking over het nut van film in de eredienst. Allereerst is het nodig om te overwegen of een fragment wel getoond moet worden: Net zoals bij het aanhalen van een citaat van een bekend theoloog in de preek het beter is om dat wat geciteerd wordt in eigen woorden weer te geven, kan het zinvol zijn om een filmfragment niet weer te geven of te verwijzen naar het desbetreffende fragment, maar het in eigen woorden te verbeelden. Is het tonen van een film een zinvolle bijdrage? Geeft het filmfragment nog ruimte aan de woorden van de preek of overstemt het de woorden van de preek? Is het filmfragment slechts bedoeld als illustratie of opstapje? Of daagt het de verbeelding van de kerkganger uit? Is er in de keuze rekening gehouden met de niveaus van normativiteit van Van Hell? De meest geëigende plek in de dienst om een filmfragment te tonen is voorafgaande aan de preek of tijdens de preek, waarbij de prediker na het getoonde fragment ingaat op wat er gezien is. De voorganger kan vooraf een introductie geven, waarin de gemeenteleden een kijkopdracht krijgen. Er kan ook voor gekozen worden zonder introductie te kijken. Daarbij moet men wel rekening mee houden dat de kijkervaring heel divers is en een aantal gemeenteleden het prettig vindt om te weten waar op gelet moet worden.

7. Pastoraat
Aan het gebruik van film in het pastoraat had ik niet gedacht als ik daar niet over had gelezen bij Margriet van der Kooi (Kleine meisje van de hoop, p. 139-141). Van der Kooi vertelt hoe zij aan een echtpaar met huwelijksproblemen de tip geeft om samen te kijken Hope Springs. De film toont een echtpaar dat terechtgekomen is in een sleur en alle intimiteit in het huwelijk gaandeweg is kwijtgeraakt. De man lijkt zich erbij neergelegd te hebben, maar de vrouw begint steeds meer te missen. Aan het begin van de film plaatst de vrouw haar man voor het blok om mee te doen met een therapie. Bij het bekijken van de film had ik zelf wel wat aarzelingen om de film aan pastoranten voor te stellen als kijktip, omdat de beide echtelieden worden aangespoord om hun seksuele fantasie te laten gaan. Daardoor gaat naar mijn idee een verkeerde suggestie uit van de film. Ook al vind ik deze film zelf geen goede suggestie om aan te raden, de tip om een film aan te raden is wel een goede. Het kijken naar een film kan een aanleiding zijn om over het eigen leven na te denken. Wanneer echtpaar elkaars taal niet spreekt, kan het samen bekijken van een film en daarover doorpraten een manier zijn om elkaars taal en beleving beter te leren kennen. Ook hier kan een goede introductie en goede verwerkingsopdrachten zinvol zijn.
Pastorale thema’s kunnen ook via film aan de orde worden gesteld in het kringwerk. Daarbij kan gedacht worden aan thema’s als rouw, eenzaamheid, schuld, het vinden van de eigen identiteit. Een voordeel van deze werkwijze is gemeenteleden zich gemakkelijker toegang hebben tot het thema: Ze zien hoe het thema wordt verbeeld. Wanneer ze uitgenodigd worden door de ogen van een bepaald personage uit de film kijken, hebben ze de mogelijkheid om het thema zelf van verschillende kanten te bekijken. Wanneer ze van tevoren niet bekend waren met een bepaalde thematiek, kunnen ze op deze manier daarmee kennismaken. Wanneer ze er wel mee bekend zijn, hebben ze een bepaalde veiligheid om over de het thema te spreken. Ze kunnen hun ervaring naar voren brengen via een personage zonder dat zij zichzelf hoeven bloot te geven. Wanneer zij wel graag iets van zichzelf delen, kan film hen aanknopingspunten bieden om te verwoorden wat hen bezighoudt.

8. Leiding geven aan de gemeente
Tijdens de klinische pastorale vorming, die ik volgde, kregen we de opdracht bij het blok leiderschap om een filmfragment van 5-15 minuten mee te nemen die voor ons iets laat zien over leiderschap. Een van de deelnemers liet het fragment zien uit de film Les hommes des Dieux, waarbij de abt van het klooster de rebellen de toegang tot het klooster ontzegt, omdat de rebellen wapens dragen. Na het kijken van het filmfragment ging het gesprek over de angst die er kan zijn en de moed die nodig is om leiding te geven in precaire situaties. Zelf liet ik de eerste 15 minuten van For Lions and Lambs zien, waarbij leiderschap op verschillende manieren aan de orde komt: een aanstormend politiek talent, mogelijk zelfs presidentskandidaat, die een topjournalist uitnodigt en haar een uur geeft voor een interview. Omdat ze daar niet op gerekend heeft, moet ze improviseren en voelt ze dat ze gebruikt wordt om een nieuwe strategie in Afghanistan te promoten. Het gaat over een professor, die een deal sluit met een luie student om hem te prikkelen bewuster met zijn studie en met zijn leven om te gaan. Het gaat over enkele soldaten die ingezet worden in de nieuwe strategie van de VS in Afghanistan. (Van deze soldaten blijkt later in de film dat zij briljante studenten van de professor waren, afkomstig uit lage sociale klassen, en door in dienst te gaan de lessen trokken uit de colleges van deze professor. Tijdens deze nieuwe actie sneuvelen zij, omdat de nieuwe strategie te riskant blijkt te zijn.) Ook al staan de werelden van de Algerijnse opstand, het Amerikaanse leger en van een Amerikaanse ver af van de kerkelijke gemeente, de vraag wat deze fragmenten ons leren over leiderschap in de kerkelijke gemeente brengt een zinvol en diepgaand gesprek op gang over welk leiderschap er nodig is in de gemeente.

9. Spiritualiteit
Dat een film heel goed in staat is om over spiritualiteit te gaan laten Silence en Les hommes des Dieux zien. Een film ook problematische kanten van geloven aan de orde stellen, zoals machtsmisbruik. Of komen gelovigen of geloofsthema’s op een karikaturale wijze aan de orde. Aan de andere kant zijn films met een bewust christelijke boodschap vaak veel te expliciet in het verbeelden van het geloof, waardoor de personages plat blijven en aan de kijker te weinig ruimte geboden wordt om er niet in mee te komen en daardoor averechts werken.

Hoe een film kan bijdragen aan de geloofsontwikkeling beschrijft Willem Jan Otten (Waarom komt u ons hinderen?, p. 8) als hij het begin van zijn kerstening koppelt aan het zien van de film Bad Lieutenant. Deze film is niet eens een goede film. Wanneer de hoofdpersoon, een corrupte agent weet dat hij alles zal verliezen, komt hij in de kerk waar een non eerder op het altaar is verkracht. Daar komt hij oog in oog met een kitscherig Jezusbeeld. Ondanks deze kitsch is deze film wel een van de aanzetten geweest van een proces die later uitmondt in zijn doop. Hij beschrijft hoe hij door deze scene zich ‘op zijn plaats gesteld’ wist. In het boek beschrijft hij hoe ook andere films hem gevoelig gemaakt hebben voor geloof.

10. Diaconaat
Dissolve betekent in de filmtechniek de overlapping van twee filmische beelden. Het ene beeld schuift in een tweede beeld. Twee beelden schuiven in de oordeelstoespraak van Jezus [Mattheüs 25:35] in elkaar en uiteindelijk is het ene beeld niet meer van het andere te onderscheiden. Het ene beeld: de verkrachte vrouw uit Sudan, die bij ons een herberg en een schuilplaats zoekt; het andere beeld: het gezicht van Christus. De beelden zijn niet meer van elkaar te scheiden.’ (Fulbert Steffensky, Orte des Glaubens, p. 25.) Het samen bekijken en bespreken van een film kan de ogen openen voor diaconale thema’s. Bij thema’s als de zeven werken der barmhartigheid, de strijd voor gelijke rechten, de strijd voor vrede en gerechtigheid, kan een film de complexiteit en de ambivalentie te laten zien van zowel de armoede of de nood als de hulpverlening. De kijker een inkijkje krijgt in deze wereld en tot nadenken genodigd wordt over de eigen wereld en het eigen handelen.

11. Werkvormen
Gebruik van film kan niet zonder werkvorm. Welke werkvorm zinvol is, hangt van de intentie waarmee een film wordt getoond. Als het gaat om een bespreking van de totale film, zoals bij een filmkring, kan volstaan worden met een korte introductie en een bespreking van de indrukken die de film bij de kijker achtergelaten heeft. Wanneer een film bij een bepaald thema is uitgekozen, kan vooraf aan het tonen van de film een kijkopdracht gegeven worden. De kijker kan gevraagd worden zich met een van de personages te identificeren. Deze opdracht kan nog verder gespecificeerd worden: gevraagd kan worden om na te gaan met wie men zich identificeert of juist iemand te kiezen met wie men niet zo snel zou identificeren. De opdracht kan gegeven worden hoe het in het getoonde fragment het thema aan de orde komt. Daarbij kan gelet worden op de technische kanten: cameraperspectief, personages, kleur, symboliek, muziek, verhaallijn, enz. Aan de hand van deze aspecten kan met elkaar besproken worden wat deze film wil communiceren. De kijker kan gevraagd worden om een het getoonde fragment te linken aan de Bijbel of de geloofsleer. Daarvoor hoeft niet expliciet iets uit de Bijbel of de geloofsleer aan de orde komen of via een impliciete verwijzing te gebeuren. Ook als de film geen expliciete of impliciete verwijzing heeft kan over de verbinding tussen de film en de Bijbel of geloofsleer worden nagedacht. Degene die de film toont kan op een karakteristiek punt in het verhaal de film stoppen en de kijkers vragen om na te denken over het vervolg. Dat kan via een groepsgesprek of door middel van een individuele creatieve schrijfopdracht. Andere creatieve verwerkingen zijn een gesprek aangaan met een van de personages of een monoloog bedenken die door een van de personages gezegd of gedacht kan worden. Een verwerking kan zijn om een recensie te schrijven of een recensie van een ander te bespreken. De kijkers kunnen na de bespreking van de film worden uitgedaagd om uit te werken, wat hoe hun film eruit zou zien als zij gevraagd worden voor een film over hetzelfde thema: welk verhaal, welke personages, welke symboliek, welke perspectieven, welke boodschap, wat voor muziek? 

12. Besluit
In dit artikel heb ik laten zien hoe film als medium kan worden ingezet binnen de kerkelijke gemeente. Verdere doordenking vraagt naar mijn idee de verschillende manieren waarop een film wordt bekeken en gewaardeerd. Het is naar mijn idee zinvol om na te gaan of een verschillende kijkervaring ook te maken kan hebben met een verschil in sociaal milieu. In de missionaire doordenking wordt tegenwoordig gekeken welk effect het behoren tot een bepaald sociaal milieu heeft op de binding met de kerk en aandacht voor godsdienstige thema’s. Onderzoeken hebben laten zien dat bij de verschillende milieus verschillende opvattingen bestaan over wat het ware leven is, over wat het leven zin geeft, over wie God is, over wat de waarde van de kerk, de eredienst, de doop, enz is. Gevoeligheid voor de sociale milieus kan helpen om films en thema’s te kiezen die op de doelgroep zijn afgestemd.

Gepubliceerd in Theologia Reformata jaargang 60, nr. 4. December 2017.  (met voetnoten en literatuurverwijzing)

“De vier pagina’s van de preek – blog 9: Het filmen in woorden

“De vier pagina’s van de preek – blog 9: Het filmen in woorden

Om een boodschap over te brengen, is het van belang om de luisteraar mee te nemen in het verhaal. Dat meenemen van de luisteraar in het verhaal gaat beter als de predikant geen uitleg geeft, maar in woorden verfilmd.
5789filming

Deze richtlijnen gelden voor alle 4 pagina’s. Daarbij hoeft niet de hele preek als een film getoond te worden. Het verfilmen in woorden legt wel de lat hoog wat betreft communicatie aan de luisteraars.

Paul Scott Wilson geeft een aantal richtlijnen voor het verfilmen:

  • Ga er niet vanuit dat de luisteraars het Bijbelgedeelte kennen. (Ook al is het vooraf aan de preek gelezen of gaat het om een bekend gedeelte.)
  • Voordat een predikant commentaar of uitleg geeft, moet het Bijbelgedeelte eerst tot leven komen en daarom getoond worden als een film in woorden. (Nog beter is het om het commentaar of de uitleg al vertellenderwijs te verwerken.)
  • Show, don’t tell.
  • Doe alsof het Bijbelgedeelte zich in het heden afspeelt. Gebruik daarom de tegenwoordige tijd en niet de verleden tijd.
  • Het gaat erom dat de luisteraars ervaren wat er gebeurt. Daarom is een hele pagina in de preek nodig.
  • Gebruik woorden die visueel en zintuiglijk zijn. Voordat je de pagina uitwerkt, moet je de desbetreffende pagina eerst voor jezelf verbeelden en visualiseren.
  • Werk kenmerkende details uit. Gebruik daarvoor de exegese en reconstrueer die details aan de hand van informatie over het Midden-Oosten:
  • – over de geografie
    – de flora en fauna
    – over de mensen
    – over de economie
    – over de architectuur
    – over het klimaat
    – enz.
    Deze informatie vind je in Bijbelse encyclopedieën (of soms in commentaren).
  • Doe net zoals filmmakers zouden doen bij het opnemen van een scène:
  • Blijf in de film in woorden op dezelfde plaats totdat de scène voldoende is gefilmd.
  • Maak de scène concreet, waarbij je als een regisseur optreedt. Zeg niet: ‘Ergens in het Midden-Oosten’, maar plaats de scène bij een wadi, berghelling, een rivier, een dorp, een marktplaats. Doe net zoals filmmakers zouden doen bij het opnemen van een scène.
  • Focus op de hoofdpersoon die iets doet.
  • Begin midden in de actie of handeling. Neem geen lange aanloop. Vertel wat eraan vooraf gaat in flashbacks.
  • Blijf zo dicht mogelijk bij de tekst. Voeg geen extra personen onnodig toe.

obdWFTF39YA8vwSBmEjeyj.jpgGebruik de camera: (1) Scènes verfilmen

  • Houd de focus op één groep mensen of één gebeurtenis voor meerdere minuten om de gemeente de gelegenheid te geven in het verhaal mee te komen.
  • Snelle wisseling van scènes is bij filmen in woorden niet geschikt. Dan raak je luisteraars kwijt. Elke keer als de scène of de personages wisselen, moeten de luisteraars die wisseling in hun verbeelding, in hun hoofd kunnen meemaken.
  • Maak aan het begin van een pagina en van een nieuwe scène de locatie waar het zich afspeelt helder.
  • Laat kenmerkende details van de locatie zien, een detail dat tot de verbeelding spreekt en evocatief werkt.
  • Neem de tijd om de scène en de attributen te verfilmen. Een luisteraar kan geen boot voor zich zien als de boot niet in een haven aangemeerd ligt of dobbert op de golven.
  • Laat geen belangrijke details weg. Dat schept verwarring.
  • Beperk beschrijvingen tot het minimum. Vertel ze niet, maar laat ze al filmend zien.

Uneasy_iPhone.jpgGebruik de camera: (2) Mensen en handelingen

  • De setting moet duidelijk zijn, maar tegelijkertijd achtergrond blijven.
  • Focus op wat mensen doen.
  • Beschrijving en gesprek kunnen belangrijk zijn, maar houdt dit kort en weef het in de gefilmde handelingen in.
  • Als een personage in de Bijbel iets zegt, laat die persoon die woorden ook in de preek zeggen.
  • Vermijd bijvoeglijke naamwoorden en bijwoorden. Velen gaan er ten onrechte van uit, dat zij een teken zijn van creativiteit.
    Zeg daarom niet: ‘een mooie weg’, maar laat concreet zien hoe de weg eruit zien.
    Zeg daarom niet: ‘ze rende vlug’. maar beschrijf hoe ze liep of rende.
  • Focus de camera op details, zoals gebaren, manier van lopen, kleding en voorwerpen, vooral op de details die iets onthullen van het karakter van de hoofdpersoon. Deze kleine details laten het echte leven zien.

shutterstock_618915005-825x465Neem de beperkingen van de camera serieus

  • Blijf zoveel mogelijk weg uit de hoofden van de hoofdpersonen. Innerlijke monologen en uitgebreide dialogen zijn zelden effectief.
  • Laat daarom een personage een korte zin zeggen. Bij voorkeur een zin die uit de Bijbeltekst afkomstig is.
  • Laat de camera je gids zijn in wat je wel of niet kunt laten zien.
  • Ga niet psychologiseren als je een karakter verbeeldt.
  • Voeg geen motieven aan een hoofdpersoon toe als de Bijbeltekst die niet vermeldt.

“De vier pagina’s van de preek” – blog 8: Trouble in de Bijbel (pagina 1)

“De vier pagina’s van de preek” – blog 8: Trouble in de Bijbel (pagina 1)

Het kenmerk van het preekmodel van Paul Scott Wilson is dat hij de preek onderverdeelt in 4 aspecten van de kernboodschap. Deze 4 aspecten krijgen een even groot aandeel in de preek. Het gaat om:
(1) Trouble in de Bijbel
(2) Trouble in het hier en nu
(3) Grace in de Bijbel
(4) Grace in het hier en nu

In mijn blogs heb ik trouble steeds onvertaald gelaten, omdat deze term bij Wilson erg breed wordt ingevuld.

Wilson begint bewust met de trouble. Hij beroept zich daarvoor op Frederick Buechner, die stelde: Het evangelie is slecht nieuws voordat het goed nieuws is. Maar wat Wilson doet met trouble is in feite niets anders dan het aloude, klassieke onderscheid tussen wet en evangelie.

Daarbij gaat het bij dit onderscheid als het gaat om de wet niet om de Tien Geboden. Het gaat bij de wet om het menselijk leven dat ligt onder het oordeel van God, omdat de mens zich niet kan houden aan Gods geboden. In iets algemenere termen: in de wet (die bij dit onderscheid hoort) kijken we in een spiegel, waarin we zien dat wijzelf en de wereld niet beantwoorden aan Gods oorspronkelijke bedoeling. Als we in de spiegel kijken, zien we het lijden en de tragiek van de menselijke situaties, die men kan beschrijven met zonde en gebrokenheid. Wie eerlijk in deze spiegel kijkt, beseft dat er hulp nodig is, die alleen God als Redder kan bieden. De wet drijft uit naar Christus.

Bij Wilson gaat wat trouble betreft om meer dan zonde en gebrokenheid. Het gaat ook om het menselijk verlangen naar God of het leven naar Gods wil, dat de mens niet in eigen kracht kan volbrengen. De ambivalenties die optreden in gelovigen als het gaat om het dienen van God. Bijvoorbeeld de strijd tussen nederigheid en menselijke trots, tussen Gods wil en de eigen keuze. Het kan gaan om een gebrek aan vertrouwen. Om een geloof dat aangevochten wordt.

Op pagina 1 gaat het erom dat de zonde en de gebrokenheid, het menselijk falen en verlangen zoals dat in het Bijbelgedeelte aan de orde komt uit de doeken worden gedaan.

Maar wat als het Bijbelgedeelte geen trouble kent? Dan moet de Bijbeltekst als een negatief worden gelezen:

Handelen van God Omkering
Jezus drijft de demonen uit Demonen willen Christus uitdrijven
Jezus zal zijn werk voltooien Mensen kunnen de taak die hen is opgedragen niet voltooien
Jezus is als een moederkloek Wij kiezen er niet voor om ons te laten verzorgen
Jeruzalem zal heten: Jezus Gezegend Zonder Christus zijn we veroordeeld
God geeft ons vertrouwen Wij moeten God vertrouwen
God werkt door ons Wij moeten anderen helpen
God geeft kracht om te handelen Doe wat God opdraagt

Volgens Wilson moet dat op een creatieve, verbeeldende wijze gaan. Hij spreekt daarom van het verfilmen (in woorden) van de trouble in de Bijbel. Daar zal de volgende blog over gaan.

‘De vier pagina’s van de preek’- blog 7: Ingaan op een vraag die bij de luisteraars leeft

‘De vier pagina’s van de preek’- blog 7: Ingaan op een vraag die bij de luisteraars leeft

Een wezenlijk onderdeel van de preekmethode van Paul Scott Wilson is dat de predikant in de preek ingaat op een vraag die bij de luisteraars leeft. Daarbij gaat het niet om de mening van de predikant over de gemeente, maar een vraag die bij de luisteraars leeft. Van belang is dat de kernboodschap (theme sentence) een antwoord geeft op die vraag. Een preek die geen antwoord geeft op een van de vragen die bij de luisteraars leeft hoeft niet gehouden te worden.

Op verschillende manieren kan er een vraag opkomen bij de luisteraars:

  • De luisteraar kan zich afvragen welk verschil deze boodschap in zijn of leven maakt.
  • De luisteraar kan zich met betrekking tot een bepaalde boodschap aangevochten voelen.
  • De luisteraar kan een bepaald tekort ervaren.

Hank Langknecht (een collega van Paul Wilson) is van mening dat het ook om een verlangen kan gaan dat bij de luisteraars leeft.

De kernboodschap geeft een antwoord op de vraag of het verlangen. Dat wil niet zeggen dat er een pasklaar of simpel antwoord gegeven kan worden. In de preek is het van belang om de ambivalentie, de aanvechting en de worsteling volop ruimte te geven. Dat kan op pagina 2 (of eventueel 1 vanuit het Bijbelgedeelte) of in de inleiding. Op pagina 4 wordt aangegeven wat het handelen van God betekent voor de vraag of het verlangen.

De vraag of het verlangen kan ook op pagina 4 aan de orde komen. Wanneer dat gebeurt, is de vraag of het verlangen ingekaderd in het handelen van God.

Hoe ontdek je een verlangen of een vraag bij een kernboodschap?
Mocht er vanuit de pastorale ervaring niet helder zijn welke vraag of welk verlangen er kan leven, kan men op de volgende manieren een vraag vinden:

(1) Bedenken op welke vraag of welk verlangen de kernboodschap een antwoord is

Kernboodschap Bijbehorende vraag
God betaalt de prijs Hoe kan ik opnieuw beginnen?
God schiep alle dingen Wat heeft God met alles te maken?
God koos Jeremia Waarom zou ik gaan?
God weet het al Wie kan begrijpen?
God kan elk moment komen Hoe kunnen we volhouden?
Jezus voorziet in al hun noden Wat moet ik doen als ik geen werk kan vinden?
God voedt de kerk Wat zal er met de kerk gebeuren?
Christus openbaart zijn identiteit aan Paulus Hoe weet ik of de kennis over God betrouwbaar is?
De engel toont Johannes de hemelse stad Waarom is dit niet het einde?

 

(2) Het onderdeel van de dogmatiek de vraag laten bepalen

 

Onderdeel van de dogmatiek Bijbehorende vraag
Openbaring Hoe kunnen we God vinden?
Uitverkiezing Wat wil God van ons?
Schepping Wat doen we hier?
Zonde Waarom kun je niet gewoon jezelf zijn?
Incarnatie Waar is God?
Opstanding Wie heeft de touwtjes in handen?
De Heilige Geest Wat is het nieuwe?
Eschatologie Wat zal er met ons gaan gebeuren?

 

‘De vier pagina’s van de preek’ – 6: Het vinden van de kernboodschap

‘De vier pagina’s van de preek’ – 6: Het vinden van de kernboodschap

Het is verstandig om een preek te beperken tot één kernboodschap. Paul Scott Wilson noemt die kernboodschap van de preek:
theme sentence. Ik heb daar al eens eerder over geblogd.

In de preekvoorbereiding wordt de kernboodschap gevonden door te vragen: Wat doet God in of achter de tekst?
Om te ontdekken wat God doet, is het nodig om de tekst theologisch te lezen: gericht op het handelen van God dus.
Voor Paul Scott Wilson heeft de kernboodschap immers te maken met de verkondiging van het evangelie (gospel). En die verkondiging is voor Wilson: de menselijke nood, het verlangen, de zonde (trouble) in combinatie met het handelen van God (grace).

Onderdelen van de kernboodschap

  • Een van de personen van de Triniteit als onderwerp
  • een actief werkwoord
  • een handeling of actie, waarmee God redt of kracht geeft
  • een complete gedachte
  • een eenvoudige, korte zin (niet samengesteld)

Wat je moet vermijden:

  • Vermijd zwakke werkwoorden
  • Vermijd werkwoorden als ‘zegt’ of ‘vertelt’.
  • Vermijd vragen (maak van de vraag een stelling)
  • Vermijd het stellen van voorwaarden voor het goede nieuws
  • Vermijd samengestelde en ingewikkelde zinnen
  • Vermijd een kernboodschap, die niet zoveel zeggen.
    Zoals:
    – God schept het licht. Maak ervan: Christus verlicht ons leven
    – De vader is verkwistend in zijn liefde. Maak ervan: God is buitensporig in zijn liefde voor ons.


Een kernboodschap vinden:
(1)  vanuit waar de tekst over gaat
Een manier om de kernboodschap te vinden is om van waar de tekst over gaat (concern of the text) stelling te maken, die over Gods handelen in het heden gaat:

  • God wil dat Israël zich verandert => God geeft Israël (of: ons) een nieuwe identiteit
  • Jezus roept Israël op tot bekering => Jezus brengt ons tot berouw
  • De Heilige Geest overtuigt Paulus => De Heilige Geest werkt in Paulus (of: in ons).
  • God nodigt Jeremia uit om te handelen => God stelt Jeremia in staat om te handelen
  • Als Israël zich zal …, dan zal God … => Christus maakt in ons de voorwaarden voor Gods liefde compleet
  • God kan in je leven handelen => God handelt (of: heeft gehandeld) in je leven
  • Laat God in je leven handelen => God is niet tegen te houden

(2) Vanuit de nood / het verlangen / de zonde
De kernboodschap is een antwoord op de nood, het verlangen of de zonde. Daarom wordt de kernboodschap uitgewerkt in pagina 3 en 4 als antwoord op pagina 1 en 2.

  • Hoe kan ik opnieuw beginnen? => God betaalt de prijs
  • Wat heeft God met dit alles te maken => God heeft alles geschapen
  • Waarom zou ik gaan? => God koos Jeremia (of ons in Christus)
  • Wie kan dit begrijpen? => God weet alle dingen
  • Hoe kunnen we volhouden => God kan elk moment komen
  • Wat moet ik doen als ik geen werk kan vinden => Christus voorziet in alle noden
  • Wat zal er met onze kerk gebeuren? => Christus onderhoudt de kerk

(3) Vanuit de dogmatiek
De dogmatiek kan helpen om de kernboodschap te vinden:

  • Door te helpen bij de reflectie om welk handelen van God het gaat
  • Door te helpen om de ambivalenties, spanningen en aanvechtingen te vinden
  • Door te helpen bij het vinden van het antwoord op de nood, het verlangen, de zonde

‘De vier pagina’s van de preek’- blog 5: Dogmatiek in de preekvoorbereiding

‘De vier pagina’s van de preek’- blog 5: Dogmatiek in de preekvoorbereiding

Het voordeel van het model van “De vier pagina’s” van de preek” is dat de dogmatiek daarin een rol kan spelen bij de preekvoorbereiding.

De dogmatiek kan helpen bij:

  1. het vinden van de boodschap (theme sentence).
  2. het beperken tot één onderdeel van de dogmatiek.
  3. het ontdekken van trouble (pagina 2 en evt 1) en grace (pagina 4 en evt 3) bij deze boodschap.
  4. het ontdekken van de vraag of het verlangen dat in de gemeente leeft bij deze boodschap.
  5. de uitwerking (of zoals Paul Wilson het noemt: verfilmen) van pagina 2 en 4:
    – wat is er aan de orde of wat staat er op het spel bij de boodschap, trouble, grace en vraag of verlangen?
    – welke aarzelingen, ambivalenties, tegenwerpingen kunnen of moeten aan de orde komen? Welke aarzelingen, ambivalenties, tegenwerpingen kunnen of moeten juist achterwege blijven?
    – wat is het verschil in uitwerking voor doorgewinterde kerkgangers en voor incidentele bezoekers van kerkdiensten?
  6. de reflectie op de vraag of de boodschap van de preek wel een antwoord geeft op het verlangen en de vraag in de gemeente.
  7. de reflectie op welke thema’s er veel aan de orde komen en welke thema’s blijven liggen.
  8. de reflectie op hoe de boodschap betrokken kan worden op het werk van Christus (incarnatie, kruis, opstanding, koningschap in de hemel).
  9. de reflectie op wat gemeenteleden van dat gedeelte van de dogmatiek zouden moeten weten en wat tot vakkennis behoort.

 

In een vorig blog schreef ik: Het zou de moeite waard zijn om een geloofsleer of dogmatiek uit te werken die allereerst gericht is op de preekvoorbereiding en niet op de interne dogmatische discussies.
Collega’s die affiniteit hebben met dogmatiek zullen daar tegen in het geweer komen: die tegenstelling bestaat niet. Toch is mijn ervaring dat die tegenstelling er wel degelijk. In de jaren dat ik preek heb ik geregeld de dogmatiek erbij gehaald, maar zelden werkte de dogmatiek op de bovenstaande manier. In mijn ervaring zijn dogmatische handboeken bijna altijd gericht op:
– discussies in de kerkgeschiedenis
– discussie met filosofie of min of meer seculiere wereld waarin we leven
– intern-dogmatische discussies.

Ik grijp mis als ik wil in de preek wil nadenken over bij thema’s als karaktervorming, verleiding, aanwezigheid van God in het dagelijks leven, praktisch en inzichtelijk maken van waarom Christus onze redder is, incarnatie, koningsheerschappij van Christus. Natuurlijk zijn de oudtestamentische verhalen vrij lastig aan de dogmatiek te relateren, maar gek genoeg zijn ook de verhalen uit de evangeliën niet zo gemakkelijk met de dogmatiek te verbinden is mijn ervaring.
(Misschien mis ik een leeswijzer om de publicaties op het terrein van de dogmatiek, die ik heb, op een zinvolle manier te gebruiken.)

Wil de dogmatiek relevant zijn voor de preekvoorbereiding, dan kan het zinvol zijn om te kijken hoe godsdienstpedagogen de dogmatiek relevant maken voor het godsdienstonderwijs. Een voorbeeld van wat ik bedoel is het boek van Kees en Margriet van der Kooi over het gesprek tussen dogmatiek en pastoraat: Goed gereedschap is het halve werk.

Ps voor wie denkt, dat ik niet genoeg dogmatiek in huis heb- in mijn kast staan de dogmatieken van Allen / Swain, Althaus, Barth, Van de Beek, Beker/Hasselaar, Berkhof, Berkouwer, Van den Brink & Van der Kooi, Brunner, Ebeling, Elert, Van Genderen & Velema, Kraus, Kreck, Mildenberger, Van Niftrik, Noordmans, Joest, Pannenberg, Sonderegger, Weber.

‘De vier pagina’s van de preek’ – 2: Eenheid in de preek

‘De vier pagina’s van de preek’ – 2: Eenheid in de preek

Voor Paul Scott Wilson is het van belang dat de preek een eenheid is. De vier pagina’s van de preek zijn in feite vier variaties op één thema. Dan wel weer steeds op een andere manier uitgewerkt.


De preek hoort een eenheid te zijn. Daarom:

  • één bijbelgedeelte – one text
  • één boodschap – one theme sentence
  • één onderdeel van de christelijke geloofsleer – one doctrine
  • één vraag uit de gemeente – one need
  • één (voor)beeld of slogan – one image
  • één taak om uit te voeren – one mission

Als ezelsbruggetje: The Tiny Dog Now Is Mine.

images (1)

Eén bijbelgedeelte
Een leesrooster kan verschillende lezingen opgeven voor de desbetreffende zondag. Of bij een bepaald onderwerp kan een predikant verschillende Schriftlezingen hebben. De preek kan echter maar over één Bijbelgedeelte gaan. In de preekvoorbereiding heeft een predikant ook geen tijd om meer dan één Bijbelgedeelte te onderzoeken.

Eén boodschap
Een preek kan maar boodschap bevatten. De boodschap wordt geformuleerd als een korte, krachtige zin. In deze zin is God het onderwerp. Hij handelt. Het werkwoord is een sterk werkwoord. Bijvoorbeeld:

  • God geeft een betere wereld
  • God geeft Israël een nieuwe identiteit
  • God handelt reeds in ons leven
  • God kan niet worden tegengehouden
  • De Geest werkt ten behoeve van Paulus
  • Christus is voor iedereen gestorven en opgestaan

Een boodschap kan worden ontdekt door de vraag: Wat doet God in deze tekst? Of, als dat niet duidelijk is: Wat doet God achter deze tekst?

Een boodschap (theme sentence) bevat steeds:

  • Een van de drie Personen van de Triniteit als onderwerp
  • Een actief werkwoord
  • Een reddende of versterkende handeling
  • Een complete gedachte, waarin Gods handelen in het heden ook helder in wordt uitgedrukt
  • Een korte, enkelvoudige zin: onderwerp – actief werkwoord – handeling – eventueel ten behoeve van: … (geen complexe samengestelde zin)

photo-4
Daarom:

  • Geen zwakke, statische of passieve werkwoorden
  • Geen werkwoorden als ‘zegt’ of ‘vertelt’.
  • Geen vragen (Werk vragen om tot een statement met God als handelende persoon)
  • Geen boodschap onder voorbehoud
  • Geen complexe of samengestelde zinnen

Manieren waarop een theme sentence gevonden wordt:

  • Het Bijbelgedeelte herschrijven in actieve zinnen, zoals ik deed met Mattheüs 5:1-16.
  • Op basis van exegese. Bij zijn model heeft Paul Scott Wilson 35 vragen opgesteld die behulpzaam zijn bij het vinden van de theme sentence.
  • Antwoord op de vraag: Wat doet God in of achter deze tekst?
  • Omkering van de trouble.
  • Antwoord op een vraag die in de gemeente leeft (need).

De boodschap (theme sentence) is ook de titel van pagina 3 en/of 4. Het verschilt tussen beide pagina’s is dat de titel op pagina 4 de toevoeging ‘nu’ of ‘ten behoeve van ons’ heeft.

Deze korte, eenvoudige zin wordt door de preek heen, maar vooral op pagina 3 en 4 verschillende keren genoemd en uitgewerkt (zoals verbeeld of met woorden gefilmd).

Eén onderdeel uit de christelijke geloofsleer
In de dogmatiek, het nadenken over de christelijke geloofsleer, wordt  nagedacht over Gods handelen in heden, verleden en toekomst. Elke boodschap, geformuleerd als theme sentence, heeft betrekking op één van de onderdelen van de dogmatiek. Voor de preek is de dogmatiek van belang, omdat de geloofsleer nagaat of de beweringen die ik doe over God terecht en houdbaar zijn.

Dit onderdeel van de geloofsleer kan de predikant helpen in de geloofsleer om de theme sentence in al zijn kracht en gevarieerdheid, maar ook in zijn ambivalentie (aanvechting, twijfel, complexiteit, contra-argumenten) te gebruiken in de preek.

Gerhard Ebeling: ‘Theologie is noodzakelijk met als doel de prediking zo moeilijk te maken als voor de prediker nodig is.’

Voor Paul Scott Wilson is het echter de bedoeling dat de keuze voor één onderdeel uit de christelijke geloofsleer helpt om de gedachten in de preek eenvoudiger, helderder en dieper te laten worden.


Het zou de moeite waard zijn om een geloofsleer of dogmatiek uit te werken die allereerst gericht is op de preekvoorbereiding en niet op de interne dogmatische discussies.

sermon-preparation

Eén vraag uit de gemeente
Elke preek hoort één vraag op te pakken, die in de gemeente zou kunnen leven. Daarbij kan gedacht worden:

  • aan een pastorale vraag
  • een gemis dat gevoeld wordt
  • een verlangen dat leeft binnen de gemeente
  • een aanvechting met betrekking tot Gods handelen
  • een worsteling om iets in praktijk te brengen

Van belang is dat de boodschap van de preek (theme sentence) een antwoord formuleert op deze vraag die in de gemeente zou kunnen leven. Dat antwoord hoeft niet afgerond te zijn. Dat antwoord kan fragmentarisch en voorlopig zijn, met eschatologisch voorbehoud. Maar dan wel op zo’n manier dat duidelijk wordt hoe God handelt.

De vraag die leeft wordt uitgewerkt op pagina 2. Het antwoord in al zijn gevarieerdheid wordt uitgewerkt op pagina 4.

Eén (voor)beeld
Bij het (voor)beeld (image) gaat het om een beeld in woorden of een evocatieve zin. In de meest ideale vorm kan dit beeld aan de boodschap (theme sentence) worden gelinkt en is dit beeld afkomstig uit het Bijbelgedeelte. Elke preek hoort een (voor)beeld te hebben om te voorkomen dat een preek abstracte ideeën uitwerkt. Een (voor)beeld maakt de trouble en de grace met woorden inzichtelijk en invoelbaar voor de gemeenteleden. Een (voor)beeld is een visueel hulpmiddel om Gods daden in het heden te blijven onthouden.

Waar komt een (voor)beeld vandaan?

  1. Uit de Bijbeltekst
  2. Uit onze eigen (leef)wereld
  3. Een retorische zinsnede of een refrein van woorden

Peter Jonker schreef op basis van het model van “De vier pagina’s van de preek” een boek over de (voor)beelden in de preek.
preaching-in-pictures

Eén missie
De preek laat zien wat Gods handelen verandert in ons leven en onze werkelijkheid. Missie gaat over hoe wij Christus kunnen ontmoeten in onze eigen werkelijkheid en over hoe God ons in staat stelt om te leven tot Zijn wil en eer.
Van belang is wel dat de missie uiteindelijk wordt geformuleerd als handelen van God. De mens kan wel in de preek aan de orde komen als medewerker van God, als ‘junior verbondspartner’, waarbij God degene is die uiteindelijk handelt. Wanneer de last bij mensen komt te liggen en niet bij God, dan hoort een missie thuis op pagina 2. Op pagina 4 wordt uiteengezet hoe Gods handelen ons in staat stelt tot deze missie.

  • Missie op pagina 2: Appèl vanuit Gods woord, vanuit Zijn geboden; menselijk falen; niet kunnen of willen voldoen aan dit appèl; verlangen om dit te doen, maar de eigen onmacht ervaren.
  • Missie op pagina 4: Gods reddend of versterkend handelen. Aandacht voor Christus die voltooit of de Geest die ons in staat stelt.

Checklist preekvoorbereiding

Checklist preekvoorbereiding

Waar gaat dit Bijbelgedeelte over?

  • Personen:
  • Thema’s:
  • Achtergrond:
  • Opbouw / structuur:
  • Context:

Wat wil dit Bijbelgedeelte mij zeggen?

Is dat ook de boodschap voor de gemeente? Waarom wel / niet?
(Zo niet: Wat is dan de boodschap voor de gemeente?)

Wat is de praktische uitwerking van deze boodschap?

Hoe zal de gemeente op deze boodschap reageren?

Aan welk verlangen in de gemeente raakt deze boodschap?

Op welke manier corrigeert deze boodschap de gemeente?

Wat heeft de gemeente nodig om deze boodschap te kunnen ontvangen?

Wat mag de gemeente van de Heere (Vader – Zoon – Geest) verwachten?

Met welke bijbels-theologische thematiek hebben we bij deze boodschap te maken? Wat betekent dat voor deze preek?

Met welke dogmatische / systematisch-theologische thematiek hebben we bij deze boodschap te maken? Wat betekent dat voor deze preek?

Met welke praktisch-theologische thematiek hebben we bij deze boodschap te maken? Wat betekent dat voor deze preek?

Hoe kan deze boodschap worden uitgewerkt in de preek: thematisch of verhalend?

Wanneer en waarover de dialoog met de gemeente?

Op welke gemeenteleden richt ik mij in het bijzonder (+consequentie voor de preek):
kinderen / jongeren / volwassenen / ouderen
(nog) niet gelovigen  / beginnend gelovigen / gelovigen die al een tijdje deze weg gaan
mensen die zorg en verdriet hebben / mensen die het goed hebben
overig:

Welke concrete opdracht(en) krijgt de gemeente mee?

Hoe kan de preek het beste worden opgebouwd?

Wat is de beginzin?

Wat is de slotzin?



 

Onbevangen over God spreken in een complexe werkelijkheid

 

Onbevangen over God spreken in een complexe werkelijkheid

De inhoud van de preek raakt mensen niet in wat hen vandaag de dag bezig houdt. Dat is de stelling van Reiner Knieling in zijn boek Was predigen wir? Daarom is het hoog nodig tijd dat er in de homelitiek na decennia van aandacht voor de vorm en de receptie van de preek ook aandacht komt voor de inhoud van de preek. Om daarbij na te gaan welke boodschap wel landt en de mensen iets laat zien van wat het evangelie voor hen betekent. Knieling wil predikanten stimuleren om bij deze thema’s ongecompliceerd (einfach) over God te spreken. Dat ongecompliceerde heeft volgens mij twee elementen in zich: (1) eenvoudig, to the point en  (2) vrijmoedig, onbevangen, zonder schroom

Waarom raakt de inhoud van de preek niet? Omdat hedendaagse preken hebben wel een boodschap die ontleend is aan het evangelie, maar niet is afgestemd op de hedendaagse hoorder. Of omdat de preken hebben wel een boodschap die is afgestemd op de hedendaagse hoorder maar missen de link met het evangelie, waardoor de boodschap een algemene waarheid wordt waarmee het christelijk geloof aan relevantie verliest.

Contextualisatie
Knieling wil laten zien dat er ook een andere weg mogelijk is: namelijk nagaan wat de mensen vandaag de dag bezig houdt en daarbij aanknopingspunten vinden in de christelijke traditie. Tussen de regels door proef je af en toe de verbazing van Knieling waarom deze weg, waarbij er gezocht wordt naar aanknopingspunten, nog zo weinig wordt gegaan. Immers in de missiologie is de contextualisatie van het christelijk geloof niet meer weg te denken. Daarnaast wordt er al enkele decennia binnen de dogmatiek gezocht naar aanknopingspunten. Deze zoektocht heeft creatieve theologische ontwerpen opgeleverd. In de kerkelijke praktijk, waarbij er voor elke zondag preken gemaakt moeten worden, hebben de discussie over de contextualisatie en die creatieve ontwerpen nauwelijks doorwerking gehad.

Geen koppeling
De prediker hanteert wel de christelijke begrippen, maar de inhoud van de begrippen is verloren gegaan. Welke luisteraar weet bijvoorbeeld nog wat zonde inhoudt? Terwijl predikers vaak veronderstellen dat hun kerkgangers nog wel weten wat zonde inhoudt.  In hun denken en handelen laten kerkgangers zich niet meer leiden door de christelijke traditie, omdat voor hen die koppeling tussen inhoud van het christelijk geloof en hun dagelijks leven niet meer bestaat. De hoorders maken bijvoorbeeld geen koppeling meer tussen zonde en de tragiek die er in hun eigen leven kan zijn. En hebben kerkgangers vandaag de dag wel behoefte aan preken, die over redding en verlossing van de zonde gaan? Of houden andere thema’s hen bezig, die in de preek niet aan de orde komen? Als dat zo is, groeien geloof en dagelijks leven nog verder uit elkaar, omdat in de preek de verbinding tussen christelijk geloof en dagelijks leven niet wordt gelegd.

Complexe tijd
Om die koppeling te maken tussen geloof en dagelijks leven dient de prediker te weten in welke tijd we leven. Het is goed om bij het voorbereiden van de preek te realiseren dat we in een complexe tijd leven en dat veel gemeenteleden die complexiteit dagelijks ervaren. Er zijn namelijk veel tegengestelde tendensen in onze maatschappij:

* Aan de ene kant kunnen we zeggen dat de mogelijkheden om te kiezen zijn toegenomen. Als het gaat om kiezen van opleiding, beroep, partner, vormgeven van het eigen leven zijn de mogelijkheden aanzienlijk toegenomen. Aan de andere kant zijn er nog steeds mensen in onze maatschappij die deze keuze niet hebben. Door armoede, gezinssamenstelling, ontslag zijn de keuzes voor hen beperkt. Zij hebben de energie of de financiële mogelijkheden niet om deze keuzes te kunnen maken. Zij hebben hun handen vol aan het overleven.

* Aan de ene kant kunnen we zeggen dat er veel meer vrijheid is gekomen door de mogelijkheid om te kiezen. Aan de andere kant kunnen we steeds weer merken dat het gezin van herkomst, de sociale klasse, de regio waaruit we komen mede bepalend zijn voor ons denken en handelen. Onze herkomst kan de vrijheid om te kiezen beperken, bijvoorbeeld door een loyaliteit naar ons gezin van herkomst.


* We kunnen allerlei idealen hebben, die we willen verwezenlijken. Maar die idealen kunnen stranden door een echtscheiding, een ontslag, een burnout.


* Voor het ene gemeentelid kan er sprake zijn van een opklimmen op de sociale ladder; voor het andere een stap terug (of is de dreiging van die stap terug reëel aanwezig).


Zeggingskracht verloren
Naast de toenemende complexiteit van de maatschappij zijn ook verschillende tradities, die voor houvast, identiteit, emancipatie en sturing zorgen verdwenen. Postmodern uitgedrukt: de grote verhalen hebben hun zeggingskracht verloren. De enkeling in deze maatschappij kan daarom niet zomaar terugvallen op een groep of op een levensbeschouwelijk kader. Geldt dat voor het christelijk geloof ook? In ieder geval zijn veel begrippen niet meer bekend en zijn ook veel christenen niet meer hun traditie in te zetten voor betekenisgeving.

Preken in deze tijd lijkt er daardoor niet makkelijker op geworden: Veel gemeenteleden maken uit zichzelf niet meer de koppeling tussen hun dagelijks leven en het christelijk geloof. De begrippen zijn voor veel gemeenteleden niet meer bekend. En dan zijn die begrippen voor buitenstaanders helemaal onbegrijpelijk. Gemeenteleden zitten vaak niet te wachten op een diepgravend theologische of exegetische uiteenzetting, maar hebben behoefte aan een boodschap die nauw aansluit bij wat hen hun dagelijks leven bezig houdt.


Oog voor de diversiteit
Toch is het niet de bedoeling van Knieling om hedendaagse predikers te ontmoedigen. Integendeel, hij wil predikers enthousiast maken voor en wil laten zien welke kansen een prediker vandaag de dag heeft. Deze tijd vraagt om onbevangen over God te spreken, waarbij de inhoud niet te ingewikkeld is, maar juist nauw aansluit bij het dagelijks leven. Het spreken over God gebeurt wel in een complexe werkelijkheid met vaak tegengestelde ontwikkelingen. Ook de ervaringen die mensen met God hebben zijn verre van eenvoudig.

Knieling wil die complexe werkelijkheid niet reduceren, maar geeft aan dat deze tijd juist vraagt om die complexe werkelijkheid aan de orde te stellen als verschillende stemmen die reageren op de inhoud. Die complexe werkelijkheid en het leven met God dat vaak verre van eenvoudig is kan de prediker doen verlammen, waardoor hij of zij geen boodschap durft te brengen of komt met een boodschap die clichématig is. Een boodschap kan wel gevonden worden als de prediker oog krijgt voor diversiteit: de diversiteit van de Schrift, de diversiteit aan ervaringen met God binnen de gemeente, de diversiteit aan visies op een thema uit de christelijke geloofsleer.

Onbevangen
Het klinkt paradoxaal: als er  in de preek ruimte komt voor de diversiteit van geloofservaringen en de complexiteit van onze samenleving komt er ruimte voor een onbevangen spreken over God. De prediker hoeft zich namelijk niet groter te maken dan hij of zij is: de prediker hoeft geen supergelovige te zijn die het beter doet dan het gemiddelde gemeentelid, maar mag ook gewoon mens zijn en juist de eigen kwetsbaarheid en worstelingen inbrengen, het zoeken, samen met het geraaktzijn door het thema of het Bijbelgedeelte, de vreugde. De prediker is dan een stem binnen het geheel van de gemeente. Geen onbelangrijke stem, want geroepen om Gods Woord binnen de gemeente te verkondigen. De prediker is iemand die tijd en rust gevonden heeft om zich te verdiepen in Gods Woord, naar Gods spreken te luisteren, dat spreken op zich in te laten werken. Een getuige, die binnen de gemeente iets mag delen van de ervaringen, de worstelingen, de vragen, antwoorden die soms gevonden worden, vragen die uitgehouden moeten worden, omdat daar geen eenvoudig antwoord op te vinden is.
Maar de prediker is niet de enige binnen de gemeente die ervaringen met of kennis over God heeft. Voor Knieling is het gesprek binnen de gemeente over de inhoud van de verkondiging van grote betekenis. Dat gesprek scherpt de voorganger en helpt de gemeenteleden de boodschap nog meer eigen te maken.

Inhoud
Knieling wil aandacht voor de inhoud van de verkondiging. Welke thema’s zijn relevant in deze tijd? Welke thema’s komen dicht bij de mensen vandaag de dag en kunnen gemeenteleden helpen om een verbinding te maken tussen hun geloof en hun dagelijks leven? De thema’s die hij aandraagt, komen op uit zijn analyse van de maatschappij met die tegengestelde ontwikkelingen:

  • Falen
  • Heil en gezondheid
  • Het lijden en sterven van Jezus
  • Het perspectief van mannen
  • Armoede, rijkdom en sociale gerechtigheid

Binnen de christelijke geloofsleer kan er gezocht worden naar aanknopingspunten, waarbij er een brug geslagen wordt tussen de inhoud van het christelijk geloof en de ervaringen in het alledaagse leven.

Verpakken
De inhoud van het christelijk geloof kan niet rechtstreeks worden doorgegeven, maar dient te worden ‘verpakt’. Om te kunnen verpakken is een nauwkeurige observatie van de huidige maatschappij en de hedendaagse ervaring van belang, waarbij er oog is voor de positieve, negatieve en ambivalente ervaringen op dit terrein. Net zo belangrijk is een goede kennis van dat onderdeel van de christelijke geloofsleer: de diversiteit aan interpretaties, de positieve, negatieve en ambivalente ervaringen binnen de gemeente op dit vlak. Bij het ‘verpakken’ van de christelijke inhoud wordt de dialoog gevoerd tussen de hedendaagse ervaringen en de inhoud van het christelijk geloof, zodat voor de prediker helder wordt wat de kansen en de belemmeringen zijn om de verbinding te leggen.

Falen
Binnen de gemeente en in de hedendaagse maatschappij zijn er veel mensen die ervaring hebben met falen, met dromen die niet uitkomen, verwachtingen die stuklopen. Aanleiding voor Knieling om het thema falen te doordenken was een gesprek op een verjaardag, waarbij iemand deelde van de frustrerende ervaringen rondom een echtscheiding. Deze persoon gaf aan: ‘Ik wens dit mijn ergste vijand nog niet toe.’ Knieling vroeg zich af, wat er zou gebeuren als deze man de komende zondag in de kerk aanwezig zou zijn. Zou er een plek zijn in de dienst waar die ervaring aan de orde komen? Zou hij een verbinding leggen met zijn geloof? Of zou zijn geloof helemaal los staan van deze ervaring?
Er zijn verschillende ervaringen rondom falen: een ontslag, een echtscheiding, een studie die afgebroken moet worden, vriendschappen die niet onderhouden kunnen worden. Deze ervaringen komen in de gemeente voor naast ervaringen van een geslaagd leven. Soms kan dat in een mensenleven samen op gaan: een geslaagde carrière maar een vastgelopen huwelijk, een leuke vriendin maar een studie die niet afgemaakt kan worden.
Wanneer je ergens in faalt, is dat niet iets om mee te koop te lopen. Integendeel: falen roept een gevoel van schaamte op, van mislukken. Falen kan te maken hebben met eigen schuld en ook met overmacht en noodlot.

Tragiek
Knieling brengt het falen in gesprek met de zondeleer. In de afgelopen decennia is er bij de doordenking van de zondeleer meer aandacht gekomen voor het tragische van de zonde. De nadruk ligt niet meer op het schuldig zijn tegenover God, maar op het verstriktzijn in verkeerde structuren. In dat verstriktzijn in die verkeerde structuren kan er sprake zijn van eigen schuld, maar ook van noodlot en overmacht. Christenen zijn geen supermensen, die dit verstriktzijn ontlopen of die hiervoor bespaard worden. Ook zij hebben te maken met de tragiek van het bestaan en met falen: soms door eigen toedoen, soms door wat hen overkomt waarbij het niet duidelijk is wat aan de eigen verantwoordelijkheid is toe te schrijven.

Tragiek in verkondiging en liturgiek
De kerk doet er goed aan, volgens Knieling, om niet alleen de zonde als schuld (naar God of naar de medemens) aan de orde te stellen, maar ook de tragische kant. Dat kan in de verkondiging, maar ook eerder in de liturgie als de schuldbelijdenis wordt uitgesproken. Schuld hoeft niet weggeredeneerd te worden. Waar echt sprake is van schuld kan over de genade en vergeving gesproken worden. Waar sprake is van noodlot, tragiek die een mens overkomt, kan gesproken worden over het bevrijdend handelen van God die in Zijn liefde naar mensen op zoek is. De prediker doet er goed aan iets van de eigen ervaringen te laten zien, waardoor hij of zij zich solidair toont met de gemeente. Een belangrijke vraag bij de voorbereiding is: welke ruimte opent de preek die gehouden gaat worden? Is er ruimte om er in mee te komen? Is de prediker sensibel genoeg voor de ingewikkeldheid van de materie? Welke ruimte is er voor de gemeenteleden die op dat moment niet een ervaring van falen of schuld hebben, maar dankbaar en gelukkig zijn?

Heil en gezondheid
Wanneer mensen gevraagd worden naar het belangrijkste in hun leven scoort gezondheid vaak hoog. Binnen de gemeente en de maatschappij zijn er veel verschillende ervaringen: ziekte, behandeling, kuren en operatie en de spanning, de zorg en de verwachtingen die bijgesteld moeten worden. Daarnaast ervaringen van beter worden, afgesloten behandelingen, zorgeloos en vitaal op hoge leeftijd. In de maatschappij is er een sterk verlangen naar gezondheid en naar een wereld zonder pijn en verdeeldheid.
Hoe kan het christelijk denken over gezondheid, genezing, gelovig omgaan met ziekte, met Gods leiding in het leven worden verpakt, zodat gemeenteleden en buitenstaanders verder geholpen worden? Knieling pleit ook hier voor een sensibiliteit voor de verschillende ervaringen, die elkaar soms tegenspreken en tegelijkertijd voor een onbevangen spreken over God. Onbevangen spreken over God die deze wereld geschapen heeft. Bij de schepping heeft Hij heilzame krachten aan de schepping gegeven. Tegelijkertijd houdt de christelijke traditie eraan vast, dat God ook nu nog actief ingrijpt. Maar ook spreken over het uitblijven van dat ingrijpen, de vragen en de worstelingen die dat met zich meebrengt, het uithouden van de onmacht en de hoop op een leven in heerlijkheid.

Het lijden en sterven van Jezus
Een belangrijke vraag binnen de homiletiek is: wat zeggen we over Jezus? Binnen de kerk zijn verschillende visies gekomen op de betekenis van het lijden en sterven van Jezus. Hoe kan in de prediking omgegaan worden met die verschillende visies? Allereerst door te zien dat ook er in de Bijbel verschillende betekenissen aan het lijden en sterven van Jezus worden verbonden. Binnen de dogmatiek zijn die verschillende visies in de afgelopen decennia ook uitgewerkt. Bijvoorbeeld door het leven, het lijden en sterven te doordenken vanuit de opstanding. Of de kruisdood van Jezus te zien als het delen in onze machteloosheid. Knieling verzet zich tegen een theologie die in de kruisdood van Jezus genoegdoening voor God ziet. God hoeft niet verzoend te worden, maar wij mensen en God geeft die verzoening. De kruisdood van Jezus toont Gods liefde voor mensen. In de liturgie kunnen die verschillende interpretaties naar voren komen (bijvoorbeeld in kerkliederen). Een kans om de christelijke geloofsinhoud te verpakken is de identificatie met de figuren in de Bijbel die Jezus vergezellen op zijn weg naar het kruis. Of de weg van Jezus naar het kruis vertellen als de geschiedenis van Gods liefde tot mensen.

De perspectieven van mannen
Knieling is ook betrokken bij het onderzoek naar de perspectieven van mannen op de kerk, de theologie, op God en op de Bijbelse verhalen. Deze perspectieven komen veel minder in de theologie aan de orde dan de perspectieven van vrouwen. Hoewel de kerk en de prediking lange tijd door mannen gedomineerd is, heeft niet elke man zich thuis gevoeld in die door mannen gedomineerde wereld. Slechts de ervaringen en de visies van een beperkte groep van mannen is in de kerk aan de orde geweest. Daarom heeft een deel van de mannen een moeizame relatie met de kerk, omdat hun thema’s en vragen niet aan de orde zijn geweest.
Wat zijn dan de thema’s die deze mannen bezig houden? Uit studies onder mannen blijkt dat:
– dat zij het leven vaak zien als een strijd die moet worden aangegaan.
– de relaties die zij hebben voor hen van grote betekenis zijn, waarbij erkenning door die anderen van grote waarde is.
– behoefte aan avontuur
– behoefte aan inhoudelijke thema’s waarvan ze kunnen leren.
– behoefte aan een wereld waarin zij zich terug kunnen trekken om daar zichzelf te zijn (naast de werelden waarin ze verkeren: werk, kerk, gezin, enz).
– positieve aandacht voor de prestaties die zijn geleverd.

Kloof
Net als bij vrouwen kan bij mannen gelden dat er een kloof is tussen de officiële theologie van de kerk en de onofficiële geloofsbeleving van mannen. In de kerk rust er een taboe op trots en prestaties, want ‘ook onze beste werken zijn met zonde bevlekt’. Knieling neemt die onofficiële geloofsbeleving ook waar bij mannelijke predikanten, die dan bijvoorbeeld in een bijzin laten doorschemeren dat zij heel trots zijn op een behaald resultaat. Knieling ziet meer in een verpakking van het christelijk geloof, waarin die onofficiële geloofsbeleving niet verdrongen wordt, maar respectvol, sensibel en met oog voor de ambivalenties én de positieve ervaringen wordt gethematiseerd.


Behaalde resultaten
Aandacht voor de thema’s die veel mannen bezig houden leidt tot een herwaardering van de schepping en het verder doordenken van de scheppingstheologie, waarbij aandacht is voor de ervaringen van mensen. Die aandacht voor de schepping is niet vreemd aan de reformatorische theologie, maar kan ondergesneeuwd raken door exclusieve aandacht voor de christologie. Verder kan het zinvol zijn om op een positievere manier te spreken over de behaalde resultaten en de geleverde strijd, waarbij in de prediking een koppeling gemaakt wordt naar God. Op die manier leren mannen, die zich anders niet herkend voelen in de prediking, de verbinding te leggen tussen hun dagelijkse ervaringen en de God die hen roept.


Persoon van de prediker
Knieling pleit dus voor de verbinding tussen de dagelijkse ervaringen van gemeenteleden en de inhoud van het christelijk geloof, waarbij op een onbevangen manier over God gesproken wordt, maar wel sensibel voor de complexiteit van de wereld waarin wij leven. Het leggen van die verbinding, het kennen van de complexe werkelijkheid en het onbevangen spreken over God vraagt ook wat van de prediker. Namelijk dat hij of zij ook iets van zichzelf laat zien. De prediker hoeft zich niet helemaal bloot te geven, maar kan wel iets delen van de eigen ervaringen in deze werkelijkheid en de eigen ervaringen met God. Als een getuige die de andere gemeenteleden verder helpt. Dat vraagt om tijd en rust voor God. Dat vraagt een oefenen in het horen van Gods stem en het vertrouwen op God.

Dat vraagt om een oefenen in het spreken over God op een duidelijke en onbevangen manier: oefening in getuige zijn. Dat vraagt om een oefenen spiritualiteit, waarin de werkelijkheid van Gods werken en de dagelijkse werkelijkheid van de prediker met elkaar verbonden worden, waarbij er ruimte is voor de positieve en de negatieve ervaringen, voor de rust en de strijd, voor de zegen en de onmacht.
Dat vraagt om passie. Voor de verkondiging, maar ook voor bepaalde onderdelen van het dagelijks leven. Zoals Rudolf Bohren zijn Predigtlehre inzet met de dingen die hij hartstochtelijk doet: aquarellen schilderen, skiën, houthakken en preken. De passies van Knieling zijn: wielrennen, het observeren van mensen, discussiëren en preken. Preken vraagt om passie. Om passie voor God en voor de prediking. Maar ook om passie voor wat we in het alledaagse leven doen.

N.a.v. Reiner Knieling, Was predigen wir? Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009)


 

Contextualisatie

Contextualisatie
Reiner Knieling – Was predigen wir? (2011) – 4

Over enkele weken houdt IZB Areopagus Studiedag IZB Areopagus over de verandering in de prediking in de afgelopen decennia.  Ter voorbereiding van de conferentie wordt gevraagd literatuur te lezen. Onder andere: Reiner Knieling – Was predigen wir? In een aantal blogs wil ik iets van de inhoud weergeven. Tot slot geef ik aan wat Knieling relevant maakt voor die conferentie. Vandaag deel 4: contextualisatie

De inhoud van de preek raakt mensen niet in wat hen vandaag de dag bezig houdt. Dat is de stelling van Knieling. Binnen de praktische theologie is in de laatste decennia veel aandacht besteed aan de vormgeving, aan hoe de kerk zou moeten handelen, aan waarnemen van de situatie. Daardoor is de aandacht voor de inhoud van de boodschap ondergesneeuwd.

Buiten de maatschappij
De vormen van het christelijk geloof staan al buiten de maatschappij, maar met de thema’s en de uitwerking van die thema’s is dat nog veel sterker het geval, aldus Knieling. We leven in een cultuuromslag van een premoderne en laatmoderne tijd naar een postmoderne tijd. Veel gelovigen merken die omslag in hun eigen leven of in hun eigen omgeving. Niet alleen de verbinding tussen evangelie en context gebeurt nauwelijks in preken, maar in de verkondiging wordt ook nauwelijks recht gedaan aan het evangelie of aan de context.
Preken worden vaak gekenmerkt door clichés, vanzelfsprekendheden en banaliteit. God is niet meer een God die handelt, die zich laat zien, die rekenschap vraagt en gepassioneerd naar mensen op zoek is. God is geen tegenover meer en daardoor niet meer interessant en aantrekkelijk.

Knieling citeert Peter L. Berger: de kerk ‘vernietigt zichzelf, omdat mensen ontdekken dat ze moreel kunnen zijn en kunnen handelen zonder Jezus, dat ze authentiek en geestelijk gezond kunnen zijn zonder godsdienst en dat ze politiek betrokken kunnen zijn zonder kerk’.

Inhoud!
Volgens Knieling is het daarom urgent om de alledaagse ervaring van concrete mensen en de theologische doordenking op elkaar te betrekken. Ook in de homiletiek wordt nauwelijks nagedacht over welke inhouden er vandaag de dag in de verkondiging gethematiseerd en uitgewerkt zouden moeten worden.
(Met als uitzondering: Andrea Bieler & Hans-Martin Gutmann, Rechtfertigung der “Überflüssigen” en Heye Heyen, Heil verkündigen. Daarnaast is er binnen de Emerging Church- beweging enige aandacht voor de ‘contextualisatie’ van de inhoud van de christelijke boodschap)
Na decennia van aandacht voor de vorm van de preek en voor de luisteraar is het nu dringend nodig aandacht te besteden aan de inhoud van de preek (in vaktermen: materiële homiletiek).

Contextualisatie
Knieling was in de jaren-’80 op Sumatra, waar hij ontdekte dat de vorm van de kerkdienst en de kerkliederen sterk leken op wat er in de Duitse kerken gebruikelijk was. Toen hij daar was, kwamen net de meer Indonesich vormgegeven liederen op. De bekende uitspraak van Jezus, dat Hij het brood des levens is, werd niet aangepast aan een cultuur waar rijst het alledaagse voedsel was (omdat anders de link met het avondmaal verdween).
Het gaat Knieling om de bewustwording, dat er nagedacht moet worden over hoe inhoud en woorden vertaald moeten worden in een bepaalde cultuur. Het is niet van tevoren duidelijk hoe het evangelie in een bepaalde cultuur het beste wordt uitgedrukt. Die zoektocht daarnaar is niet zonder spanningen. Hij citeert Lesslie Newbigin: ‘Bij de poging ‘relevant’ te zijn, kan men in syncretisme vervallen en bij de poging om syncretisme te vermijden kan men betekenisloos worden.’

Ook binnen de Europese cultuur
Newbigin paste dit niet alleen op culturen waarin het evangelie nog maar recent gekomen was, maar paste dit ook toe op de Europese cultuur die al eeuwen door het evangelie is gestempeld. Ook in dat door het christendom gestempelde Europa is het van belang te zoeken naar hoe het evangelie vertolkt kan worden en verworteld kan raken. Misschien is deze opdracht nog wel makkelijker in een cultuur die vreemd is voor het evangelie, omdat het evangelie daar niet eerder heeft geklonken, dan in de Europese cultuur die reeds gestempeld is door het evangelie: Wat in de vormgeving en de verwoording van het evangelie cultuurgebonden en kenmerkend voor de premoderne of laatmoderne tijd en wat is blijvend omdat dat kenmerkend is voor het evangelie? Onze overtuigingen vallen niet samen met het evangelie. Hoe kunnen we onderscheid maken tussen wat van de cultuur en wat van het evangelie is?

Reiner Knieling, Was predigen wir? Eine Homiletik (Neukirchen-Vluyn, 2009) 53-59