Boeiende introductie in de gereformeerde theologie

Boeiende introductie in de gereformeerde theologie
N.a.v. Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie (2011)

FILAGO_db2_2471_M_00

In de afgelopen jaren is de gereformeerde theologie volop in de belangstelling komen te staan. Aan de toenemende belangstelling zullen het Calvijnjaar (2009) en het jubileum van de Heidelberger Catechismus hebben bijgedragen. In de afgelopen tijd is een aantal boeiende boeken verschenen, waardoor de gereformeerde theologie weer op de kaart staat.

Een voorbeeld hiervan is het mooie boek van Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie. Eine Einführung – in 2011 uitgegeven bij Neukirchener Verlagsgesellschaft. Freudenberg promoveerde in 1997 op de vraag hoe de jonge Barth omging met de reformatoren Calvijn en Zwingli en is sindsdien betrokken bij de heruitgave van de werken van Zwingli, Calvijn en Barth. Vanuit die kennis schreef hij een boeiende introductie in de gereformeerde theologie.

In het eerste hoofdstuk wijst Freudenberg erop dat de vraag: “Wat is gereformeerd?” vooral opkomt in crisistijd, als gereformeerden niet meer weten waar ze voor staan. Gereformeerd is de afkorting van een langere zin: de kerk die gereformeerd wordt door naar Gods Woord te luisteren. Hierbij zou men kunnen aantekenen, dat juist ook in tijden van een jubileum de gereformeerde theologie onder de aandacht wordt gebracht. (Maar dat zou juist kunnen duiden op een crisis: we noemen ons wel gereformeerd, maar weten eigenlijk niet meer waar we voor staan.)

Het boek is opgebouwd uit 3 delen: begin – thema’s – ontwikkelingen. In het eerste deel schetst hij op een sympathieke wijze de persoon en de theologie van Zwingli, Bullinger en Calvijn en laat hij iets van de context zien van de tijd waarin een aantal bekende belijdenisgeschriften zijn ontstaan.
In het tweede deel gaat hij een aantal thema’s langs, die kenmerkend zijn voor de gereformeerde theologie. In die hoofdstukken steeds op dezelfde manier het thema langs: (a) themazetting, (b) weergave van dit thema bij Calvijn en bij belijdenisgeschriften, zoals de Heidelberger of de Geneefse Catechismus, (c) latere ontwikkelingen in de tijd van de gereformeerde orthodoxie, (d) de herinterpretatie van het thema door Barth.

Thema’s die aan de orde komen:
– de betekenis van de Schrift als het spreken van God
– het geloof op een publieke wijze belijden (belang van belijdenisgeschriften)
– het belang van de catechismi voor het kennen en vertrouwen van God en voor een levenswandel in dankbaarheid aan God.
– Schepping, voorzienigheid en bewaring van Gods kinderen in een tijd van aanvechting
– het belang van het verbond
– Jezus Christus als koning, profeet en priester en de betekenis van voor het leven als christen.
– Uitverkiezing
– Leven uit dankbaarheid: de Heilige Geest, de heiliging en het naleven van de geboden
– Vrijheid
– de kerk als plaats waar Gods goedheid wordt ervaren, de eredienst en de traditie van het zingen van de psalmen
– doop en avondmaal als teken en zegel
– de betekenis van het beeldverbod
– als christen leven in een wereld die nog niet is verlost: thema van kerk en staat
– elkaar als mensen ontmoeten: sociale en economische ethiek

In het derde deel schetst Freudenberg de latere ontwikkelingen aan de hand van Melanchton, Karl Barth, Alfred de Quervain en Barmen.

Een mooie introductie, waarbij elk hoofdstuk uit 20-30 pagina’s bestaat. Een prima omvang om elke dag een hoofdstuk te lezen of bij de preekvoorbereiding even kort de gereformeerde inzet bij bij een thema mee te nemen. Ook al zijn we enkele jaren verder – nog steeds een aanrader.

N.a.v. Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie. Eine Einführung (Neukirchen-Vluyn, 2011).

Leestip: Matthias Freudenberg

Leestip: Matthias Freudenberg

In 2011 publiceerde Matthias Freudenberg een mooie en goed begrijpelijke introductie in de gereformeerde theologie. Het boek begint met biografische schetsen van Hyldrich Zwingli, Heinrich Bullinger, Johannes Calvijn en de Hugenoten. In deze schetsen komt ook kort hun theologie en hun betekenis voor vandaag naar voren. Alleen al in de korte biografische schetsen wordt duidelijk dat de gereformeerde theologie ook vandaag de dag nog veel te zeggen heeft. Deze hoofdstukken nodigen uit om de reformatoren zelf te lezen vanwege pastorale inzichten. Niet alleen hun geschriften en geloofsbelijdenissen, maar ook hun brieven.
Na deze schets worden 13 thema’s, die kenmerkend zijn voor de gereformeerde theologe belicht: zoals uitverkiezing, het christelijk leven, de kerk, de sacramenten, de eredienst, de verhouding tussen kerk en staat, de verhouding tussen arm en rijk.
In het laatste deel komt de verdere ontwikkeling van de gereformeerde theologie aan de orde. In dit deel komen Melanchton, Schleiermacher, Karl Barth, Alfred de Quervain, de Barmer Thesen en de Leuenberger Konkordie langs.
 
Matthias Freudenberg promoveerde op Karl Barth en de gereformeerde theologie. Tot 2012 was hij hoogleraar Systematische theologie – met als zwaartepunt de gereformeerde theologie. Omdat zijn contract niet verlengd kon worden, werd hij in 2012 studentenpredikant in Saarbrücken. Freudenberg is betrokken bij de heruitgave van gereformeerde belijdenisgeschriften, van geschriften van Karl Barth, Hyldrich Zwingli en Johannes Calvijn. Vanwege het jubileum van de Heidelberger Catechismus was hij ook betrokken bij de uitgave van enkele geschriften over deze catechismus.
Boeken over theologie zullen tegenwoordig niet veel kans maken om in het Nederlands vertaald te worden. Deze introductie van Matthias Freudenberg zal wellicht ook geen kans maken. Maar dat zou wel een gemiste kans zijn. Freudenberg publiceerde een mooie, goed toegankelijke introductie in de gereformeerde theologie.
(Wanneer ik er aan toe kom, zal ik een aantal blogs aan dit boek wijden)

Matthias Freudenberg, Reformierte Theologie. Eine Einführung. Neukirchener Theologie. (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2011) http://www.neukirchener-verlage.de/index.php?action=artikel&subaction=zeige&var=602.523&sucheID=180529
www.nvg-medien.de

Wat is reformatorisch?

Wat is reformatorisch?
De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (3)

Het gereformeerd protestantisme heeft zich ontwikkeld als een stroming naast andere stromingen als de Lutheranen, Rooms-Katholieken en Anglicanen. Een gereformeerde kerk is een christelijke kerk; dat wil zeggen: kerk onder haar Hoofd Jezus Christus. Christus is verhoogd in de hemel, maar  tevens bij Zijn kerk op aarde aanwezig. Gereformeerde kerken zijn daarom van oorsprong oecumenisch ingesteld: Een van de belangrijkste belijdenisgeschriften is voor een groot deel door een Lutheraan opgesteld (de Heidelberger Catechismus). In de oecumene zijn de gereformeerden voor anderen lang niet altijd te begrijpen. Er is geen gemeenschappelijke geloofsbelijdenis, zoals bij de Lutheranen en de Rooms-Katholieke Kerk wel het geval is. Elk gebied kan zijn eigen geloofsbelijdenis en eigen vorm van kerkbestuur hebben. Wanneer er een nieuwe geloofsbelijdenis opgesteld wordt, zoekt men niet de eigen kerk te verdedigen, maar zoekt men met andersoortige kerken naar de waarheid van het Evangelie. Het gaat om het belijden van Christus als Hoofd van de kerk en Heer.
Van oorsprong was het helemaal niet de bedoeling om een aparte stroming of een apart kerkgenootschap te vormen. Gereformeerden kunnen deel uitmaken van andere kerken, zoals dat in bepaalde delen van Duitsland is gebeurd of fuseren met een Lutherse kerk (zoals dat met de PKN) gebeurde en Lutherse geloofsbelijdenissen onderschrijven (zoals Calvijn al deed) . Volgens professor Michael Beintker moeten de gereformeerden ook niet zien als intern-protestants alternatief beschouwd worden voor bijvoorbeeld Lutheranen, maar zijn gereformeerden gewoonweg consequentere Lutheranen.
Wat houdt reformatorisch of gereformeerd in? De aanduiding betekent vernieuwd en is onderdeel van een langere zin: gereformeerd betekent vernieuwd volgens en door het Woord van God. Het Woord van God is de norm van de vernieuwing, maar ook de veroorzaker van de vernieuwing. Door het Woord van God wordt de kerk geschapen en door datzelfde Woord wordt de kerk steeds weer vernieuwd. De gereformeerde traditie en vormgeving van de kerk kan daarom niet vastliggen. Dat geldt voor de geloofsbelijdenis, de manier waarop de kerk bestuurd wordt, de invulling van de eredienst. Telkens weer opnieuw moet de kerk door en overeenkomstig het Woord van God worden vernieuwd. De gereformeerde traditie gaat ervan uit dat God door Zijn Woord spreekt. De Schrift is niet alleen een historisch document, maar het Woord waarmee de Here ook in het heden spreekt en waarmee Hij in Zijn gemeente en in het leven van gelovigen werkt. De gelovige heeft ontzag voor dat spreken van de Heere en laat zich daardoor in gehoorzaamheid leiden.
Dat Woord bevat ook geen kern, waaraan de rest wordt afgemeten. Binnen de eredienst en het persoonlijk geloofsleven dient de gehele Schrift aan de orde te komen. Het is een gereformeerde gewoonte in de verkondiging  een lectio continua van bepaalde Bijbelboeken en minder zich vast te laten leggen door bepaalde leesroosters.
De reformatorische traditie is bij uitstek geschikt als theologie voor jongeren. Deze traditie is namelijk niet gericht op handhaving van zichzelf, maar zoekt in elke tijd in naar de eer van God. De invulling van de eredienst, de geloofsbelijdenis, de richtlijnen voor het dagelijks leven kunnen niet door de traditie worden bepaald, maar dienen steeds weer in het eerbiedig luisteren naar het spreken van God in Zijn Woord gezocht te worden. De reformatorische traditie biedt de jongere een geestelijk thuis bij Christus en in de Schrift, maar leert tegelijkertijd de jongere zich kritisch te verhouden tot de eigen traditie en tot de wereld waarin hij of zij leeft.
Een bijkomend voordeel is dat de gereformeerde traditie kennis in huis heeft om in een tijd van secularisatie en kritiek op het christelijk geloof toch de Heere te dienen. Gereformeerden werden lange tijd vervolgd en gediscrimineerd en zijn van oorsprong gewend om in de marginaliteit en met openlijke spot Christus te dienen. Ook al verloren ze geregeld hun positie of hun leven, ze waren bereid om God en de maatschappij te dienen op vooraanstaande posities. Deze traditie helpt jongeren om op belangrijke posten hun werk getrouw te doen zonder verbitterd te raken over de aanvallen op het christelijk geloof.
In de komende artikelen wil ik bepaalde zaken, die kenmerkend zijn voor de gereformeerde traditie uitwerken als een theologie die in deze tijd bij uitstek geschikt is voor jongeren.

ds. M.J. Schuurman

 Geschreven voor HWConfessioneel

Overige delen:
Deel1:https://mjschuurman.wordpress.com/2012/07/04/de-reformatorische-theologie-als-een-theologie-voor-jongeren-1/
Deel2: (Uitleg over theologie voor jongeren) https://mjschuurman.wordpress.com/2012/07/24/de-reformatorische-traditie-als-theologie-voor-jongeren-2/
Deel 4: https://mjschuurman.wordpress.com/2012/09/13/soli-deo-gloria-de-kern-van-de-gereformeerde-traditie/
Deel 5: https://mjschuurman.wordpress.com/2012/09/26/wie-god-is/

Welke aanknopingspunten biedt de gereformeerde theologie in deze tijd?

Welke aanknopingspunten biedt de gereformeerde theologie in deze tijd?

In welke tijd leven we? Hoe moeten we ons tot die tijd verhouden? Herman Oevermans, docent filosofie aan de CHE was gevraagd om te vertellen wat de veranderde tijd betekent voor de identiteit van de Gereformeerde Bond. 

Oevermans zet gelijk in met een kritische vraag: ‘Waarom zouden de hervormd-gereformeerden hun identiteit moeten bewaren?’ Het begrip identiteit is volgens niet eens zo oud: afkomstig van de psycholoog Erikson. ‘Misschien is de Geest bezig om vormen af te breken.’
De eenheid van het leven is verdwenen. Voorheen deed je als gelovige alles binnen de zuil. Oevermans wijst erop, dat er een verlangen is om die eenheid terug te willen. Een voorbeeld hiervan vindt hij het boek van Bart-Jan Spruyt over ds. J.T. Doornenbal. Hij vraagt zich af of dat verlangen naar die eenheid ermee te maken heeft, dat voor het gevoel van de aanwezige predikanten dit de enige context waarin te preken valt over zonde en genade.

In welke tijd leven we? Hoe moeten we ons tot die tijd verhouden? Herman Oevermans, docent filosofie aan de CHE was gevraagd om op de conferentie, die de Gereformeerde Bond en de IZB hadden belegd over Geestelijk leiderschap in tijden van crisis te vertellen wat de veranderde tijd betekent voor de identiteit van de Gereformeerde Bond.

Welke factoren maken de Gereformeerde Bond onrustig?
Volgens Oevermans maken we nu het ineenstorten mee van de utopie van het neokapitalisme. Oevermans verwijst naar de boeken van Hans Achterhuis (De utopie van de vrije markt) en van Ton Lemaire (De val van Prometheus). Op basis van deze auteurs wijst hij op de spirituele crisis, die ten grondslag ligt aan de economische crisis. Christenen moeten volgens hem aan de bak. Dat geldt ook voor de milieucrisis. De seculariserende machten die in deze crises aanwezig zijn, zijn reële machten die invloed hebben (Ad Verbrugge spreekt over sferische machten).
Progressie is niet altijd positief. Oevermans verwijst naar de meditatie van Walter Benjamin over een schilderij van Paul Klee. Dit schilderij, getiteld Angelus novum, was voor Benjamin de verbeelding van de engel van de geschiedenis. De engel kijkt achteruit, maar wordt door de wind van de vooruitgang weggeblazen uit het paradijs. De engel is ziet er geschonden uit.

Netwerksamenleving
De tijden zijn veranderd. Aan de verdwijning van de eenheid van het leven liggen 3 factoren ten grondslag: (1) democratisering, (2) het verdwijnen van de standenmaatschappij, (3) de verdwijning van de burgerlijke waarden.
De levensstijl van de huidige dertigers past bij de netwerksamenleving. In de hectiek van deze samenleving zijn zij op zoek naar kwaliteit. De zondagse eredienst moet voor hen kwaliteit hebben. 60% van de CHE-studenten gaan, voordat zij zich aansluiten bij een gemeente, eerst op zoek naar een kerk die bij hen past. Volgens Oevermans moeten we dit zoeken naar een eigen gemeente niet veroordelen.
De veranderde levensstijl heeft gevolgen. Ongemerkt kan men de kerk uitglijden. Niet omdat men het plotseling niet meer geloofd. Het geloof is langzaamaan van hen afgegleden. Oevermans wijs op een interview dat hij voor Wapenveld hield met de historicus Peter van Rooden, die theologie studeerde om predikant te worden.

Welke intuïties uit de gereformeerde traditie kunnen helpen?
Prof. dr. A.van de Beek hield op de CHE een lezing over het verschil tussen evangelischen en reformatorischen. Dat verschil moest niet overdreven worden. Het werkelijke verschil tussen hen zit in de antropologie. Bij de reformatorischen gaat het (in tegenstelling tot de evangelischen niet om de activiteit van de mens), maar om de receptiviteit. De mens is een ontvangend wezen. Het gaat om ontvankelijk, om aanspraak. Zoals Van de Beek in zijn boek Jezus Kurios zegt, dat hij gelooft omdat hij aangesproken is.
Deze receptiviteit kan in het beeld gevangen worden van het leven als een reis. Deze reformatorische gedachte kan de hedendaagse mens aanspreken. Het leven is geen project dat ik zelf moet verwerkelijken, zoals de postmoderniteit zegt, maar een reis. Of, zoals reformatorischen ook zeggen: een voortdurend afsterven en opstaan.
(Overigens, Oevermans gaf dat niet aan, maar volgens de socioloog Peter L. Berger is het levensproject niet iets waar de hedendaagse mens voor kiest. De postmoderne mens wordt gedwongen om het project van zijn eigen leven te voltooien.)
Hij wijst op 3 publicaties waarin het beeld van de reis voorkomt:
* Kluun, Komt een vrouw bij de dokter, waarin de hoofdpersoon na onstuimig leven in Australië tot zichzelf komt.
* Susanne van der Schot, De minnaar, de monnik en de rebel. In dit boek doet Van der Schot verslag van haar zoektocht naar discipelschap. Zij leest het Markusevangelie. Voordat zij dit boek schreef, had Van der Schot (die zonder geloof is opgevoed) enige tijd in het klooster gezeten.
* Gerard Visser, een filosoof die van huis uit katholiek was. Deze filosoof is bezig met onder andere levensfilosofie. In een essay over de ziel, dat hij schrijft aan de hand van een bespreking van het gedicht Awater van Martinus Nijhoff geeft Visser aan, dat er in het leven niets kado is.

M.J. Schuurman

NB: Deze lezing is mijn eigen samenvatting. Het is de bedoeling dat de lezingen van de GB-conferentie worden gepubliceerd.

Vraagstelling mbt prof. dr. Klaas Schilder

Vraagstelling
Klaas Schilder opereerde als theoloog in de context van de moderniteit. In dit onderzoek wil ik nagaan op welke manier Schilder geworteld is in de moderniteit. Onderzocht wordt op welke manier Schilder is beïnvloed door de moderniteit. Ook wordt onderzocht op welke manier hij zich kritisch verhield met de moderniteit.
Dit onderzoek van Klaas Schilder als theoloog in de moderniteit wordt geconcentreerd op zijn gesprek met de “moderne mens”. Schilder is in zijn werk voortdurend in gesprek met deze moderne mens. Welke rol speelt deze moderne mens in het werk van Schilder? Wat zijn volgens hem zijn kenmerken? Wie is die moderne mens? Welke bronnen gebruikt hij om de moderne mens in het vizier te krijgen? Heeft Schilder zich herkend in die moderne mens? Was die moderne mens ook te vinden binnen de Gereformeerde Kerken van zijn tijd.
Schilder gaat het gesprek aan met deze moderne mens. Hoe voert hij dat gesprek? Op welke manier tracht hij die moderne mens te bereiken? Welke theologische thema’s spelen een rol in dat gesprek? Welke theologische thema’s worden niet in dat gesprek ingebracht? In hoeverre is zijn theologiseren bepaald door de moderniteit?
In het gesprek wordt de moderne mens ook gecorrigeerd. Wat wordt er bij de moderne mens gecorrigeerd? En op basis waarvan doet Schilder dat?
Schilder was als theoloog werkzaam binnen de Gereformeerde Kerken. Op welke manier heeft zijn gesprek met de moderniteit zijn positie binnen deze kerken bepaald? Hoe reageerde men binnen deze kerken op het theologiseren van Schilder? Op welke manier verhoudt hij zich tot de gereformeerde traditie?

Matthijs Schuurman

Belang van prof. dr. Klaas Schilder

Onderzoek
Sinds enkele maanden ben ik bezig met een onderzoek naar de theologie van prof. dr. Klaas Schilder (1890-1952). Dit onderzoek heb ik deze werktitel gegeven: Modern theoloog in een ‘veelszins andere tijd’. Het theologisch antwoord van Klaas Schilder op de crisis van zijn tijd.
In mijn onderzoek wil ik laten zien, dat Schilder een theoloog was, die volop in de moderniteit stond en die tegelijkertijd een gereformeerd antwoord wilde geven op die moderniteit.
Schilder is mijns inziens een theoloog, die vandaag de dag ten onrechte is vergeten. De moderniteit waarin Schilder leefde, was niet een heel andere tijd dan de onze. Omdat hij haast vergeten is, is ook vergeten dat zijn theologisch antwoord velen heeft geboeid. Hij heeft velen weten te behouden voor de Gereformeerde Kerke in Nederland en voor de gereformeerde traditie. De tijd waarin Schilder leefde, was een zeer onrustige tijd. Er stond veel op het spel in kerk en maatschappij.

Het belang van Schilder
Schilder is vergeten, omdat door de Vrijmaking buiten de Gereformeerde Kerken in Nederland terechtkwam. Het afzetten van Schilder heeft een groot trauma veroorzaakt. Zo gaat Berkouwer in zijn Dogmatische Studiën nauwelijks in op de theologie van Schilder. Terwijl er op veel terreinen een discussie mogelijk is: algemene openbaring, voorzienigheid, uitverkiezing.
Dat Schilder vergeten is, is te zien aan de uitgave van het werk van de grote hervormde theologen Noordmans, Miskotte en Van Ruler. Zeker in de annotatie van het Verzameld Werk van Van Ruler had Schilder vaker gezien de thematieken genoemd kunnen en moeten worden. Op deze manier ontstaat bovendien een onterecht beeld van de beide kerken in die tijd: alsof hervormde en gereformeerde theologen niet van elkaars werk op de hoogte waren. Wie zowel gereformeerde als hervormde theologen leest, weet wel beter.

Klaas Schilder en zijn theologie zijn vandaag de dag belangrijk:
Hij liet zien dat het mogelijk is om vanuit de gereformeerde traditie het mogelijk is om een originele theologie te bieden, die zowel insiders van deze traditie als buitenstaanders geboeid heeft.
De aantrekkingskracht zat in een aantal dingen: (a) de existentiële betrokkenheid, die tot uiting kwam in een bepaalde felheid, (b) zijn grote kennis van literatuur en filosofie (in een tijd waarin de Gereformeerden zich behoorlijk aan het emanciperen waren), (c) de robuustheid van zijn theologie, die tot uiting kwam in thema’s als hel, dubbele predestinatie, voorzienigheid.
Feitelijk gezien behoort Schilder tot de geschiedenis van de Protestantse Kerk in Nederland. Pas in 1944, acht jaar voor zijn dood, werd hij geschorst. De Protestantse Kerk in Nederland is een jonge kerk, die verschillende tradities in zich draagt. Naar mijn idee laat de Protestantse Kerk in Nederland teveel de theologische erfenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland liggen.
Nu Noordmans, Miskotte en Van Ruler weer bestudeerd worden, dient er tegelijkertijd ook weer aandacht te komen voor theologen als Schilder en Berkouwer: juist vanuit het belang van een stevig theologisch fundament onder de Protestantse Kerk in Nederland. De nieuwe kerk moet ook recht doen aan de tradities waaruit zij is gevormd en niet teveel één bepaalde traditie, zoals de hervormde, laten overheersen.

Levensloop Klaas Schilder
Klaas Schilder wordt in 1890 geboren in Kampen in een eenvoudig gezin. Hij wordt hervormd gedoopt. Als hij 6 jaar is, overlijdt zijn vader en zijn moeder wordt lid van de Gereformeerde Kerk in Kampen. Schilder mag doorleren aan het Gereformeerd Gymnasium en studeert van 1909 tot 1914 in aan de Theologische School. De Gereformeerde Kerken van die tijd kenden twee stromingen: A – de traditie van de Afscheiding, B – de traditie van de Doleantie. Schilder was afkomstig uit de traditie van de Afscheiding.
Hij wordt vanaf predikant in Ambt-Vollenhove A, Vlaardingen A, Gorinchem, Delft, Oegstgeest, Rotterdam-Delfshaven. Vanaf zijn tijd in Vlaardingen schrijft hij in kerkbodes. Door deze artikelen begint hij bekendheid te krijgen. Wanneer in 1920 De Reformatie wordt opgericht wordt hij medewerker en later redacteur. Na een aantal conflicten is hij in 1935 de hoofdredacteur. In Delft besluit hij dat hij wil gaan promoveren. Zijn oorspronkelijke plan is om te promoveren op een nieuwtestamentisch thema. Dit plan ondervindt moeilijkheden: (a) de kleine gemeente Oegstgeest blijkt geen tijd te bieden voor promotieonderzoek, (b) er is aan de VU een nieuw promotiereglement: Schilder moet eerst zijn doctoraal halen.
Het is in die tijd al bekend dat A.G. Honig als hoogleraar Dogmatiek te Kampen in 1934 met emeritaat gaat. Als Schilder voor die post in aanmerking wil komen, moet hij gepromoveerd zijn. In de gemeente Rotterdam-Delfshaven krijgt hij op voorspraak van zijn collega’s bijna anderhalf jaar studieverlof. Omdat hij net in conflict is met V. Hepp (hoogleraar Dogmatiek aan de VU) en Kampen nog geen promotierecht heeft, gaat hij naar het buitenland. Hij komt in Erlangen terecht. Zijn begeleider Herrigel raadt hem aan, na de geschriften van Schilder te hebben gelezen, om te promoveren op de paradox (1933). Naar eigen zeggen promoveert Schilder cum laude, maar daar is op de bul niets van te merken. Zijn promotor wil Schilder in Duitsland hoogleraar laten worden, maar Schilder gaat terug naar Nederland. Hij wordt inderdaad de opvolger van Honig in 1934.
In 1935 wordt hij hoofdredacteur van De Reformatie. Hij begint met een stevige aanval op prof. dr. H.H. Kuyper, zoon van Abraham Kuyper en de meest invloedrijke figuur van de Gereformeerde Kerken uit die tijd. Door zijn voortdurende polemieken maakt hij zich binnen de Gereformeerde Kerken steeds meer onmogelijk. Hij wordt in 1944 geschorst, mede vanwege de vele felle polemieken die Schilder voerde.
In 1940 wordt Schilder nationaal bekend als hij na de Duitse inval oproept om tot (innerlijk) verzet over te gaan en de situatie niet te accepteren. Daarmee kiest Schilder een andere houding dan veel andere toonaangevende personen uit de Gereformeerde Kerken (o.a. Colijn, H.H. Kuyper). Deze oproep is een belangrijke inspiratiebron voor het verzet.

De moderniteit – een onrustige tijd
Meestal wordt de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) gezien als een breuk tussen de 19e en de 20e eeuw. Dat is alleen terecht wanneer meegenomen wordt, dat veel ontwikkelingen zich al voor 1914 te zien waren.
Zo heeft de ondergangsstemming van na 1918 wortels in het fin de siècle (1880-1900). In deze tijd heerste een karakteristiek levensgevoel: de beschaving loopt op zijn eind. De cultuur raakt uitgeput. Men verwees hierbij naar de decadentie en de immoraliteit.
Bepaalde negentiende-eeuwse filosofen met kritiek op de gebruikelijke filosofie werden populair (Kierkegaard, Nietzsche, Vaihinger).
Voor de kerk was het geen gunstige tijd. De culturele elite (kunstenaars en schrijvers) hadden gebroken met de kerk en gingen op zoek naar andere inspiratiebronnen: esoterie, boeddhisme, spinozisme.
Na WO I was de overheersende tendens niet alleen pessimistisch. Er was ook een bepaald optimisme: de Amerikaanse president die overal op de wereld de democratie wilde brengen, een verdrag tussen Duitsland en Frankrijk (1925), de Duitse lutherse bisschop die in deze eeuw een nieuwe taak ziet voor de kerk (Das Jahrhundert der Kirche).

De ontwikkelingen in kunst en literatuur.
In het fin de siècle begint de kunstenaar autonoom te worden (de beweging van de Tachtigers). De kunst heeft geen didactisch doel meer. Dat hielden deze kunstenaars niet lang vol. De geïndividualiseerde kunst hield het niet. De meeste schrijvers gingen uiteindelijk op zoek naar een religieuze of ideologische inspiratiebron. Van Eeden en Van Deyssel werden uiteindelijk katholiek (evenals de schilder Jan Toorop), Gorter werd socialist. Het traditionele christendom en de calvinistische traditie hadden voor de culturele elite afgedaan. Men haalde liever de inspiratie uit het oosten om de vermoeide westerse cultuur van het fin de siècle nieuwe levensmoed te geven, zoals het boeddhisme (Augusta de Wit, Orpheus in de dessa, 1903, J.A. dèr Mouw). Het gevolg dat de westerse rationaliteit in literatuur en filosofie onder verdenking kwam te staan.
Daarnaast is er een tegenstrijdige ontwikkeling, namelijk een fascinatie voor de ontwikkeling van de westerse wetenschap en het doorzetten van het kolonialisme. Binnen de literatuur leidt dat tot veel ambivalentie ten opzichte van de eigen cultuur.
Het zijn niet meer de filosoof en de dominee die de waarheid bepalen, maar de wetenschapper en de dichter die de waarheid het beste kunnen kennen. De wetenschapper door zijn wetenschappelijk instrumentarium, de dichter door zijn sensitiviteit voor de dingen.
Deze ambivalentie tussen optimisme en pessimisme, afkeer en fascinatie met betrekking tot de eigen cultuur, zal ertoe hebben geleid dat velen het de gebruikelijke logica afwezen en zich op de paradox stortten.

Een nieuwe kijk op de literatuur na 1918
In 2006 publiceerde Ewout Kieft een studie over de polemiek tussen Menno ter Braak en Anton van Duinkerken.[1] Voor mij betekende dat in ieder geval een andere kijk op de periode tussen 1918 en 1940. Ik had altijd gedacht dat het een vanzelfsprekendheid was, dat de kerk en het christendom afgeschreven was in die tijd. Alsof deze periode wel uit moest lopen op het (door Nietzsche geïnspireerde) nihilisme van Menno ter Braak.
Het blijk echter anders te liggen. Veel schrijvers zijn geboeid geraakt door het katholicisme. Een belangrijk dichter als Hendrik Marsman lijkt zich steeds meer te interesseren voor de katholieke kerk. Een schrijver als Anton van Duinkerken was in die tijd belangrijker dan men veelal aanneemt. En het nihilisme van Ter Braak is geen vanzelfsprekende overwinning. Uiteindelijk had hij met zijn nihilisme geen antwoord op het nazisme. Wanneer hij een antwoord zou willen hebben, zou hij moeten putten uit een bron als het katholicisme.
Cultureel gezien lijkt in die periode het christendom wel degelijk een antwoord te zijn op de moderniteit. Schrijvers en kunstenaars worden katholiek. Een beweging die in heel Europa is te zien.
Voor de bestudering van Schilder betekent dat, dat zijn theologische ontwerp niet achterhaald is. Het loont mijns inziens de moeite om te onderzoeken op welke manier Schilder een antwoord geeft op de moderniteit. Vanuit het huidige gezichtspunt, waarin de gereformeerde traditie binnen de kerken als binnen de maatschappij vaak als achterhaald gezien wordt, lijkt het alsof hij met zijn antwoord voorbijschiet aan de culturele vragen. Wanneer men de theologie van Schilder in de context van zijn tijd bekijkt, zou het wel eens kunnen zijn dat zijn theologisch antwoord ook werkelijk een antwoord zou kunnen zijn op de vragen van de moderniteit.

De moderniteit binnen de Gereformeerde Kerken na 1918
Zowel het pessimisme als het optimisme waren in de Gereformeerde Kerken aanwezig. Hepp, als hoogleraar dogmatiek de opvolger van Bavinck was geboeid door Kuypers visie op Het Calvinisme. Hij wilde een internationale calvinistische beweging. Vanuit een optimistische houding wilde hij ook de ‘gaten’ in de belijdenis opvullen.
Andere leiders wilden de Kuyperiaanse ontwikkeling bestendigen (H.H. Kuyper en A.G. Honig). Deze leiders waren beminnelijk en gericht op de harmonie binnen de kerken.
Jongere predikanten waren geraakt door de heftige ontwikkelingen in de cultuur. Zij vonden dat de gereformeerde belijdenis aangepast moest worden om aansluiting te vinden bij de cultuur, die steeds geseculeerder werd. Zij hadden de blik naar buiten. Deze predikanten waren over het algemeen leerling van Bavinck, die zelf zeer bezig was met de vragen van de moderniteit.[2] Deze predikanten namen geen genoegen met een vastomlijnde, intern georiënteerde kerk. Veel van deze predikanten kwamen in de problemen: J.B. Netelenbos werd in 1920 geschorst, omdat hij in een hervormde dienst was voorgegaan. J.G. Geelkerken veroordeelde de schorsing in een preek, die hij publiceerde. Deze kritische preek is een belangrijke reden geweest waarom Geelkerken werd afgezet. In 1926 was er een aanleiding gevonden om Geelkerken af te zetten: zijn uitspraken over de historiciteit van Genesis 3. Dor de afzetting van Geelkerken raakte de Gereformeerde Kerken een deel van haar elite kwijt (schrijvers, niet-theologische academici gingen over tot de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband). Veel van deze jonge predikanten waren geboeid door de theologie van Karl Barth, die in Nederland begon op te komen.
Om deze jongeren voor de Gereformeerde Kerken te behouden, werd De Reformatie, een weekblad dat de gereformeerde theologie wilde ontwikkelen tot een antwoord voor de moderniteit. Van dat blad werd Schilder later de hoofdredacteur (1935).
Ook aan de rechterflank was het onrustig: predikanten gingen over naar de Gereformeerde Gemeente of naar de Christelijke Gereformeerde Kerken (G. Wisse in 1922).

De vragen van de moderniteit
In het openingsartikel geeft dr. B. Wielenga (samengevat) de volgende analyse:
Er is een achterstand van de belijdenis in de Gereformeerde Kerken ten opzichte van de moderniteit. Het is dus noodzakelijk om het dogma verder te doordenken op het gebied van:
* De leer van de inspiratie en van het Schriftgezag.
* De kentheoretische kwestie van het geloof en de grond van het geloof.
* Intern-kerkelijke thema’s zoals liturgische hervormingen, catechese, prediking, pluriformiteit van de kerk.
* Maatschappelijke thema’s: cultuurvraagstuk, vrouwenbeweging, sociale vraagstuk, vraagstuk van de jeugd, kerk in de grote steden (arbeiders?).
* Reactie van de kerk op de maatschappelijke thema’s, zoals reorganisatie van de kerk in de grote steden, evangelisatie, studentenwerk.
* Er werd in toenemende mate een verschil ervaren tussen de moderniteit (‘de moderne mensch’) en het gereformeerde geloof.

Vanuit de secundaire literatuur is de analyse van Wielenga aan te vullen met:
* Emancipatie van de gereformeerden.
* Charismatische leidersfiguren Kuyper en Bavinck zijn overleden.
* Vraagstuk van de oorlog.

Schilder als theoloog van de moderniteit
Zowel de culturele als de kerkelijke ontwikkelingen zijn belangrijk om Schilder te begrijpen. In zijn werk verwerkt hij de literatuur van zijn tijd. Waarschijnlijk heeft hij ook het idee gehad om literator te worden. Hij was als medewerker aan enkele christelijke literaire tijdschriften verbonden. Hij publiceerde uiteindelijk slechts enkele essays.
In zijn schrijfstijl valt hij ook in de moderniteit te plaatsen. Zijn stijl heeft niet het afgewogene van Bavinck of H.H. Kuyper. Eerder het felle, doorleefde en vitalistische van een Hendrik Marsman. Het is een ontwikkeling die al vanaf de Tachtigers te zien is: zonder emoties en stemmingen geen literatuur. Het wordt ook gebruik om veel accenten te plaatsen. Schilder doet dat ook veelvuldig – zeker in zijn vroege werk. Bepaalde Tachtigers hebben in de neiging om een bepaalde impressionistische stijl te ontwikkelen. In de literatuur wordt dat woordkunst (écriture artiste) genoemd: veel nevenschikkingen, een lange reeks van bijvoeglijke naamwoorden, neologismen, een overdaad aan originele beeldspraak. De nadruk ligt niet op de begrijpelijkheid, maar op de hartstocht.
Hoewel Schilder een theologische voorkeur heeft voor helderheid, heeft zijn schrijfstijl wel veel van dat écriture artiste. Zijn stijl is in zijn vroege periode niet altijd begrijpelijk, maar bruist wel van hartstocht.
Ook in zijn verdediging van de calvinistische traditie is Schilder een modern theoloog. Hij verdedigt met hartstocht de besluiten van Assen (1926) en de belijdenisgeschriften. Zijn verdediging is anders dan die van H.H. Kuyper en V. Hepp. De laatste twee verdedigen de calvinistische traditie om de verworvenheden veilig te stellen en uit te bouwen. Schilder verdedigt de calvinistische traditie, omdat hij deze heeft ontdekt als levenswaarheid. Het gaat bij Schilder om een existentiële band.

Het theologisch antwoord van Schilder op de moderniteit
Wie het vroege werk van Schilder bekijkt, ziet dat hij een aantal van de door Wielenga aangedragen thema’s  verwerkt.
Hij is veel in de weer met het thema van de openbaring en het thema van het Schriftgezag. In 1920 publiceert hij een brochure waarin hij in gaat op de vermeende tegenstrijdigheden in de Bijbel. Het is voor hem een wezenlijk thema, dat de Schrift (zoals deze aan ons bekend is) duidelijk over God spreekt. Hij heeft het over de klaarblijkelijkheid van de openbaring. In zijn strijd om de openbaring komt hij op voor zowel de transcendentie als de immanentie van God.
In zijn strijd om de immanentie verzet hij zich tegen de paradox en tegen de theologie van Karl Barth. De paradox wil zeggen dat logisch gezien A en niet-A tegelijkertijd waar zijn. Dat irrationalisme en de liefde voor de paradox ziet Schilder terug in de (vroege periode van de) dialectische theologie (Karl Barth, Peter Brunner, Th. L. Haitjema) en bij Rudolf Otto en later bij Paul Volz, Das Dämonische in Jahweh (1929). Schilders probleem met de paradox is dat de paradox in de openbaring uiteindelijk teruggevoerd wordt op God zelf. Dit herleiden op God is voor hem in strijd met de klaarblijkelijkheid van de openbaring en de eenheid (eenvoud, eenvuldigheid) van God zelf. Zowel de dialectische theologie als Haitjema grijpen op Calvijn en Kierkegaard terug om de paradox te funderen. Volgens Schilder wordt daarmee aan Calvijn en Kierkegaard geen recht gedaan. Tussen de regels door proef ik, dat Schilder de aanhangers van de paradox uiteindelijk intellectueel lui zijn: (a) voortdurend wijst hij erop dat de voorbeelden van de paradox geen paradox zijn, (b) dat men enig doordenken de zaak wel kloppend te krijgen is.
Een ander kritiekpunt op de theologie van Barth is, dat Barth geen oog heeft voor de heilsgeschiedenis. De openbaring van God is in de theologie te actualistisch, te veel gericht op het heden. Ook dat is voor hem in strijd met de manier waarop God zichzelf openbaart.
Schilder heeft wel waardering voor de manier waarop Barth opkomt voor de transcendentie van God, maar vindt de manier waarop Barth dat doet niet afdoende.
Schilder komt ook op voor de transcendentie van God. Dat doet hij in gesprek met de cultuur (literatuur en kunst). In de literatuur en de kunst wordt het lijden van Christus symbool vooral het lijden van de wereld. Of men vindt – in navolging van het boeddhisme – dat Christus verheven is boven het lijden. Hij ziet dat terug in de schilderijen van Toorop, die Christus op een boeddhistisch-serene manier afschildert. Zijn monumentale werk Christus in het lijden (1930) is te zien als een antwoord op deze ‘Boeddhistische Christus’.[3] Schilder verzet zich tegen dit syncretisme, dat onrecht doet aan de manier waarop God zich openbaart.
Dit gebrek aan transcendentie ziet Schilder ook terug in de Religionsgeschichtliche Schule, die op dat moment zeer invloedrijk is in de bijbelwetenschap. Bepaalde aanhangers van deze stroming voeren de leer van Christus zelfs terug op Boeddha en de oosterse filosofie. Schilder is zeer geboeid door deze school, maar verzet zich er hevig tegen vanwege het syncretisme. Dat vermengen van godsdiensten is volgens hem ook een intellectuele luiheid. Hij wijst oosterse filosofen, die zelf aangeven dat de westerse traditie en de oosterse filosofie niet te combineren zijn. De ene wijst het christendom daarom af, de ander wordt christen.
De opkomst van het immanente denken en de voorkeur voor het boeddhisme doen Schilder zich ook extra sterk verzetten tegen de theologie van Karl Barth. Volgens hem heeft Karl Barth geen antwoord op het syncretisme en de interesse voor het boeddhisme: de paradox kan de waarheidsvraag niet beantwoorden. Schilder gaat zo ver, dat hij geen wezenlijk verschil ziet tussen het opheffen Gods transcendentie en het opheffen van Gods immanentie.

Logisch redeneren
Schilder heeft veel kritiek gekregen op zijn scholastieke manier van denken. Men heeft hem rationalisme verweten. Dat verwijt gaat voorbij aan de intentie van Schilder. Hij verzet zich zelf ook tegen het rationalisme. Zijn visie is dat de openbaring voorgegeven is. Voor ons als mensen is hebben wij genoeg kennis om God te kennen en Zijn handelen te zien.
Hij vergelijkt de theoloog als een boekhouder, die de balans opmaakt. Zoals een boekhouder alle feiten heeft om een balans op te maken, zo kent de theoloog ook alle feiten over God. De theoloog hoeft die feiten alleen maar met elkaar in evenwicht te brengen.
De rationaliteit van Schilder is niet los te zien van zijn visie op de openbaring. Wie Schilder rationalisme verwijt, moet zelf met een variant komen dat niet ten koste gaat van de openbaring of van het logische denken. Schilders visie op de rationaliteit is gegrond op Gods eenvoud.

Schilder in het breder kader van de theologiegeschiedenis
Ook al bestond de Gereformeerde Kerk naast de Hervormde kerk, men was wel van elkaar op de hoogte. Schilder trok ook veel aandacht van hervormde theologen, zoals van Miskotte, Haitjema, Noordmans en Van Ruler. In 1935 mocht Noordmans college geven aan de VU. Daar gaf hij stevige kritiek op Schilders visie van de algemene openbaring. Schilder nodigde Noordmans uit om zijn kritiek uiteen te zetten in zijn blad De Reformatie. Dat was een novum in die tijd.
De thema’s die Schilder bezighouden zijn ook de thema’s die (wellicht op een andere manier) ook Miskotte, Noordmans en Van Ruler bezig houden: Godskennis, openbaring, de paradox, christelijke logica, secularisatie van de cultuur.
Het thema van de logica had ook consequenties voor de VU. Zowel Bavinck als de filosofen Dooyeweerd en Vollenhoven hebben zich bezig gehouden met rationaliteit en christelijke logica.

Onderzoek
In mijn onderzoek ga ik de relatie na tussen Schilder en de moderniteit. Het is een ‘veelszins andere tijd’: de antwoorden van Kuyper voldoen voor Schilder en veel van zijn tijdgenoten niet meer. De tijden zijn gewoonweg veranderd.
Voor mijn onderzoek betekent dat ik de moderniteit in kaart wil brengen door (a) wat Schilder over zijn tijd zegt, (b) wat tijdgenoten melden over de moderniteit, (c) wat de secundaire literatuur over de moderniteit zegt.
Omdat naar mijn mening Schilder theoloog in en van de moderniteit is, wil ik onderzoeken op welke manier de moderniteit in zijn werk doorklinkt. Ik heb al iets over zijn existentiële schrijfstijl gezegd. Het werk van Schilder is sterk beïnvloed door de historisch-kritische methode: (a) als tegenreactie door zijn verzet tegen de godsdiensthistorische school en zijn pleidooi voor de betrouwbaarheid van de Schrift, (b) als onbewuste en onbewuste verwerking van gegevens van de historisch-kritische methode.[4]
Het is mijn veronderstelling dat de hele theologie van Schilder een antwoord is op de moderniteit. Ik wil daarom gaan onderzoeken, welke thema’s Schilder aan de orde stelt, waarom en of er een ontwikkeling is aan te wijzen. Schilder heeft al zijn boeken bij heruitgave uitgebreid. Van bepaalde boeken kan hij later zeggen dat het op hem overkomt als een jeugdwerk. Hij zal het nu niet meer zo zeggen.[5]
Thema’s die Schilder bezig houden zijn: openbaring, Schrift, heilsgeschiedenis, dubbele predestinatie, voorzienigheid, christologie, hel en hemel. Hij heeft zich ook bezig gehouden met de positie van de gereformeerde in het dagelijks leven: de mens als medearbeider van God, de cultuuropdracht, de christelijke organisatie. Bekend is zijn invloed op het synodebesluit (1936) om het lidmaatschap van de NSB én van de pacifistische CDU te verbieden.
Schilder bleef binnen het spoor van de gereformeerde traditie. Hij doet dat op een originele manier. Zijn theologie wijkt af van kritische gereformeerden als Netelenbos en Geelkerken aan de ene kant en meer traditioneel ingestelde theologen als H.H. Kuyper, A.G. Honig en K. Dijk. Ik wil Schilder gaan vergelijken met een van deze theologen.
Na dit onderzoek hoop ik te hebben aangetoond, dat (a) Schilder een antwoord gaf op de moderniteit en de crisis van de moderniteit, (b) dat zijn antwoord vandaag de dag nog relevant is en ons kan helpen een gereformeerd antwoord te geven op de vragen van onze moderniteit. Ik hoop te laten zien, dat juist klassiek-gereformeerde thema’s als uitverkiezing, voorzienigheid, e.d. juist in een multiculturele samenleving overtuigingskracht kunnen hebben.

Matthijs Schuurman

Primaire literatuur
Er is slechts een klein deel van de artikelen van Schilder uitgegeven in een verzameld werk (alleen de periode 1917-1919 en 1941-1945). Deze geschriften zijn te raadplegen via: www.dbnl.nl zoeken op auteur.
Belangrijke geschriften van Schilder zijn:
Wat is de hel (1e druk: 1919)
Kerktaal en kerkelijk leven (1923)
Licht in den rook (1e druk: 1923)
De openbaring van Johannes en het sociale leven (1e druk: 1924)
Bij dichters en schriftgeleerden (1927)
Tusschen ja en neen (1929)
Christus in zijn lijden (1e druk: 1930)
Zur Begriffsgeschichte des “Paradoxon”: mit besonderer Berücksichtigung Calvins und des nach-kierkegaardschen “Paradoxon”. (1933) – dissertatie
Wat is de hemel (1e druk: 1935)
Heidelbergsche Catechismus 4 dln. (1947vv).


[1] Ewout Kieft, Het plagiaat. De polemiek tussen Menno ter Braak en Anton van Duinkerken (Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2006).

[2] Bavinck had zijn dogmatische bibliotheek verkocht en richtte zich na 1911 steeds meer op vragen van de moderniteit. Hij ging in gesprek met moderne theologen en met de psychologie. H.H. Kuyper vertrouwde deze ontwikkeling bij Bavinck niet en ontnam hem het vak symboliek.

[3] In zijn boek Bij dichters en schriftgeleerden gaat Schilder na zijn kritiek op het gebruik van de paradox in de dialectische theologie in op de boeddhistische Christus.

[4] Om een voorbeeld te geven: de manier waarop Schilder over de profeet schrijft en ook Christus als profeet ziet optreden kan niet alleen teruggevoerd worden op zijn kennis van Calvijn, maar is net zo goed beïnvloed door de manier waarop Wellhausen de mozaïsche wetgeving dateert ná de profeten. Door deze these kwam er meer oog voor de eigenheid van de profeet.

Om twee citaten als illustratie (die ook veel onthullen van Schilders drive) te geven uit Licht in de rook (3e druk): ‘De profeet neemt het woord. In dagen van crisis komt het antwoord op kwellende vragen meermalen niet van hiërarchische zijnde, niet van de kant der officiële voorlichters (…), maar van een profeet, wiens legitimatiebrief gelegen is in zijn conformiteit met het constante-Woord-der-profetie. (…) gelukkig de eeuw, die in zulke tijden desnoods één zo’n prediker hoort uitdragen de grondgedachte van het Woord, dat van God is uitgegaan, om die te appliceren op de actuele, concrete situatie.’ (p. 20) ‘Valse profeten vleien met koude ziel; echte profeten kunnen geselen hem, in wiens schuld hun liefde zelf het grootste aandeel neemt.’ (p. 21)

[5] Bijvoorbeeld in het voorwoord van de 3e druk van Licht in de rook.