Preek zondag 3 november 2019

Preek zondag 3 november 2019
Handelingen 14:19-28

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Paulus is er terug en dat is niet alleen goed nieuws, maar ook een wonder.
Want het had niet veel gescheeld of Paulus had het de vorige keer niet overleefd.
In de stad Lystre, waar hij weer teruggekomen is,
was hij nog niet zo lang geleden gestenigd
en was daarbij zo zwaar getroffen dat iedereen dacht dat hij zou overlijden.
En nu is hij weer terug hier in de stad, waar ze hem bijna hadden gedood!

Als de gemeente bij elkaar komt, kijkt Paulus de mensen voor hem stuk voor stuk aan.
Ze hebben Christus nog niet zo lang geleden leren kennen.
Hun geloof is nog maar pril.
Hij weet dat wat hem overkomen is –  de stenen die naar hem gegooid werden – 
ook deze mensen hier voor hem kunnen overkomen.
Hij vraagt zich af, hoe ze dan op zullen reageren.
Hij weet dat ze hem als een wonder van God zien,
omdat hij hier weer levend en wel voor hen verschijnt,
dat hij het aandurft om hier weer te zijn, waar hij bijna werd gedood.
Hij beseft dat hij hen achter moet laten, omdat hij weer verder moet.
Hoe zal het met hen gaan als hij hen voor langere tijd niet zal zien,
of misschien helemaal niet meer terug zal zien.
Wat zal er van hen als jonge gelovigen terechtkomen,
van deze gemeente die nog maar zo pas is ontstaan.
Hij weet dat hij op de Heere mag vertrouwen, die deze mensen deed geloven,
en Die er voor zorgde dat er hier, waar hij de dood in ogen zag,
een gemeente is ontstaan.
Gelovigen die hun hart openden voor Jezus en zich lieten dopen,
omdat ze bij Christus wilden horen.
Het is nog zo pril, het geloof bij deze mensen, en zo kwetsbaar als groep.
Dan hebben ze nog zoveel extra zorg nodig,
zodat hun geloof kan groeien en steviger wordt
zodat ze niet uit het lood raken als ze tegenslag krijgen.
In zijn hart leeft het gebed voor deze jonge gemeenteleden:
Heere, wilt U de band met U verdiepen, zodat ze niet opgeven als het anders loopt.

Ook als een gemeente langer bestaat
waar de leden van die gemeente al heel lang vertrouwd zijn met de verhalen over God
en daar zelfs mee opgegroeid zijn en niet anders weten,
kan het geloof iets kwetsbaars houden.
Een jongeren die graag serieus wil zijn in het geloof en meer wil leren,
maar op catechisatie andere jongeren aantreft, die daar geen zin in hebben
en niet serieus mee doen en voor een sfeer zorgen dat het niet serieus wordt,
waarbij deze jongere naar huis gaat met de vraag: wat heb ik eigenlijk geleerd?
en het echt mist dat het in de eigen gemeente niet serieus over Jezus kan gaan
met de andere leeftijdgenoten die er zijn.

Iemand die op belijdeniscatechisatie heeft gezeten
en heeft genoten van de avonden die er waren,
daar veel van heeft geleerd van de gesprekken met anderen
En de ervaringen waarover de anderen vertelden
en nu het voorbij is, die gesprekken zo mist
en bij zichzelf merkt dat ze het enthousiasme van met de belijdenis kwijtraakt.
Of een van de volwassenen, die wel veel contacten heeft
maar merkt dat de gesprekken eigenlijk oppervlakkig blijven
en nooit de diepte ingaan, waarbij je tijdens dat gesprek iets merkt
van wat God in het leven van die ander doet,
of tijdens het gesprek het gevoel hebt dat Christus zelf aanschuift
en zich in het gesprek mengt
en je na afloop van het gesprek merkte dat God er was op die plek.

Paulus keert naar de gemeente terug, die nog maar zo pas is gaan geloven
–  zo vertelt Lukas in het verhaal – om de zielen van de gelovigen te versterken.
Ik moest daarbij denken aan wat je nu in Groningen kunt zien:
huizen waar er door de aardbevingen scheuren zijn ontstaan,
huizen die daarom gestut moeten worden.
Met houten balken en andere houten stellages tegen de buitenmuur,
om te voorkomen dat de scheuren steeds groter worden
en het gevaar van instorting dreigt.
Deze huizen worden versterkt.
Stevigheid aan de ziel geven, omdat de ziel scheuren heeft opgelopen,
een aardbeving heeft meegemaakt, doordat iemand overleed
of doordat je iemand dacht te vertrouwen, maar die je vertrouwen beschaamde.
Het kan zijn dat u ook op die manier scheuren hebt opgelopen aan uw ziel
en dat jij verlangt dat er iemand is die bij jouw ziel die stevigheid kan geven,
omdat je merkt dat het zo niet langer kan, als het zo doorgaat, gaat het mis.
Of je ziel mist de basis, omdat wat je vroeger zo intens beleefde,
nu kwijt bent, er een heimwee gekomen is naar de tijd dat je zo dicht bij de Heere leefde
dat het haast vanzelf ging: tijd nemen om te bidden, te leven met de Heere,
Dat je merkte dat Hij om je heen was,
dat je zo gelukkig was, omdat je Christus zo dicht bij je had.
Waar is die tijd nu gebleven?
Omdat je Hem zo mist, voel je dat je uit het lood hangt, en dat je Hem zo mist.
Mocht ik dat nog maar eens beleven
en had ik maar iemand die mij de Heere weer in het leven kon brengen,
die ervaring van toen, of mij bij de Heere kan brengen.

Soms heb je daar anderen voor nodig,
met wie je samenkomt om de Heere te zoeken, samen te zingen,
samen te lezen in de Bijbel en te zoeken naar wat de Heere daarin bedoelt,
met elkaar in gesprek om uit te wisselen hoe je dat kunt toepassen in je leven
of vertellen aan de anderen die er zijn hoe de Heere in jouw leven werkte.
Daarom is het goed om elkaar op te zoeken,
om elkaar te stimuleren in het geloof.

Je kunt merken aan hoe Lukas vertelt over de terugkomst van Paulus

bij de gemeente in Lystre, de plek waar hij zo hard behandeld is,
dat hij zich zorgen maakt, dat de kersverse gemeenteleden het kunnen laten lopen.
Hij spoort ze aan en dringt aan dat ze het geloof niet moeten kwijtraken,
nu ze dat zo pas geleden hebben ontvangen.
Dat kwijtraken heeft iets van een bootje, dat niet goed aan de kade is vastgelegd
en langzaam wegdobbert van de kade het meer op
en verder wegdrijft omdat het bootje niet meer vast zit.
Paulus ziet het al gebeuren, dat er enkele gemeenteleden zijn,
die niet meer naar de kerkdiensten komen
of het contact met de andere gemeenteleden kwijtraken,
omdat ze tijdens de dienst niet meer aangesproken worden
en dan een keer besluiten over te slaan
en dan erachter komen dat ze zonder zich best kunnen redden
en dan merken dat ze Christus best kunnen missen
en het toch niet zo diep zat en toch niet zoveel voor hen betekende.
Dat kwijtraken kan zo heel onopgemerkt gaan.
Je probeert het eerst zo en als je het dan toch niet mist
en je ook niet gemist wordt en er ook niet op aangesproken wordt,
kun je zo langzaam wegdobberen, waarbij Christus stilletjes uit beeld raakt.
Paulus waarschuwt de kersverse gemeenteleden dat het zo kan gaan,
zodat ze alert zijn dat ze Christus niet uit het oog verliezen en hun scheepje wegdrijft.
Dat waarschuwen heeft trouwens niet persé een negatieve betekenis.
Het kan ook een bemoediging zijn, dat je bij Christus kan blijven
en dat je door Hem vastgehouden wordt, hoe er ook aan je getrokken wordt
en je onder je een stroom voelt, die je wilt doen laten wegdrijven bij Hem vandaan.
Je blijft bij Hem, je raakt de Heere niet kwijt, omdat Hij je vasthoudt.

Soms heb je het nodig dat iemand uit je eigen gemeente je zo scherp houdt
en je aanspreekt, jou desnoods opzoekt om er met je erover te hebben:
loop jij niet het risico om weg te drijven? Wat heb je nodig dat jij bij Christus blijft?
Dat kan ook door een heel belangstellend gesprek gebeuren,
door iemand die jou uitnodigt om te vertellen hoe je band met Christus nu is
En wat je in de doordeweekse dagen doet om die band te versterken
en met je in gesprek gaat hoe de zondagse eredienst je kan helpen,
zodat je leven met Christus meer diepgang krijgt en je groeit in Hem.
Of iemand bij wie je kunt vertellen wat er allemaal in je leven gebeurt,
naar je luistert en met je zoekt hoe God toch in jouw leven aanwezig is

Geloven gaat je niet makkelijk af, zegt Paulus tegen de gemeenteleden
die nog  moeten ontdekken wat er allemaal komt kijken bij een leven met Christus,
die erachter zullen komen dat geloven gepaard gaat met vallen en opstaan.
Dat is nodig, zegt Paulus tegen hen, dat het niet vanzelf gaat.
Dat moet wel zo gaan, want het is Gods plan dat het zo gaat.
Het is hetzelfde als wat de Heere Jezus tegen de Emmaüsgangers zei:
Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?
Zo zul je ook moeten lijden, je kunt daar niet aan ontkomen.
Dat je het moeilijk zult krijgen, tegenslag zult ondergaan,
dat je leven als gelovige door allerlei stormen zal gaan,
waarbij je levensschip heen en weer geslingerd wordt
en je het zult uitroepen: Meester, ziet U niet dat we vergaan?
Door een nacht hoe zwart hoe dicht, voert Hij mij naar ’t eeuwig licht.
Er is geen andere manier dan die, zo bereidt Paulus hen voor.
Een mooi perspectief dat ons te wachten staat,
maar de weg ernaar toe door dit leven zal geen pleziertochtje zijn.
Je zult schrammen op je ziel oplopen.
Je zult bij tijden de weg niet meer weten
en soms vertwijfeld afvragen of er nog wel een weg is,
of God je niet in de steek heeft gelaten en je zelf de weg moet uitstippelen.

Dat is niet de boodschap waarmee Paulus hen wil achterlaten.
Hij laat het niet bij deze waarschuwingen.
Hij weet dat de gemeenteleden meer nodig hebben om het vol te houden.
Dat ze elkaar moeten opzoeken en elkaar moeten versterken.
Dat er bepaalde mensen in de gemeente zijn die het voortouw nemen
en degenen die dreigen af te haken opzoeken en hen er weer bij halen.
Mensen in de gemeente die het voorleven dat je God zijn kerk niet in de steek laat
en ook jou niet uit het oog verloren is, al is voor je gevoel nog zo donker om je heen.
God bouw de gemeente door middel van zulke mensen.
Ze zijn een instrument in zijn hand, een middel om jou en anderen te steunen.
Afgelopen week hadden we op kerkenraad erover,
wanneer je geschikt bent om zo een middel voor anderen te zijn.
Een van de broeders kwam met een mooie uitspraak:
‘Degenen die zeggen dat ze het niet kunnen, wil God juist gebruiken.’
Want zei deze broeder erachter aan, ‘dan zullen ze het steeds aan de Heere vragen.’
Voordat je op bezoek gaat, eerst even stil worden en contact zoeken met God,
bidden om wijsheid,om de juiste woorden, om te mogen luisteren,
om gebruikt te worden voor Zijn koninkrijk.
Dat is ook wat hier gebeurt: Want als die personen binnen de gemeente aangewezen zijn,
nemen ze eerst de tijd om te bidden en dan niet even een kort gebed,
maar ze slaan ook de maaltijd over, ze vasten, om die tijd met God bezig te zijn.
Om dat aan de Heere voor te leggen: Heere, wat is goed voor deze gemeente?
Wilt U zelf de gemeente bouwen en versterken?
Want wij zijn maar kwetsbare mensen, met een kwetsbaar geloof,
met zoveel scheuren in onze ziel, die het soms zelfs niet weten of we nog wel volhouden.
Wij moeten zelf vastgehouden worden.
Wij worden ingezet in Gods dienst, maar weten dan eigenlijk niet wat we moeten doen
om dat in gebed bij de Heere te brengen: Heere wilt U ons duidelijk maken
hoe U ons kunt gebruiken en wat we moeten doen?
Christus bouwt Zijn kerk en gebruikt daar mensen voor,
mensen die ook kunnen uitglijden als ze leiding geven in de kerk,
en ook geregeld moeten oppassen dat ook zij niet wegdobberen
en het moeten hebben van Christus die hen vasthoudt.

Er ligt niet echt de nadruk op, maar toch heeft het iets moois:
Degenen die aangewezen worden, komen uit de eigen gemeente.
Wellicht hebben ze van zichzelf gedacht: Ik toch niet? Ik kan het niet,
Ik heb nog zo weinig Bijbelkennis en hoe moet ik nu anderen leiding geven?
Het gaat er ook niet om dat ze boven de mensen staan.
Het zou wel eens de bedoeling geweest kunnen zijn,
Dat ze juist naast de mensen staan uit de eigen gemeente,
ook weten van de aanvechtingen en de twijfel,
ervaring hebben met die onderstroom, die je bootje wilt doen wegdrijven
waarbij je Christus langzaam uit het oog verliest
maar dan ook wel ervaren hebben en dat tegen anderen kunnen zeggen:
We hebben een Heer, die je vasthoudt
En soms best op een krachtige manier in je leven ingrijpt,
maar dat wel doet om je bij Hem te houden.
Voor zulke mensen kijken we wellicht graag naar anderen
en denken niet dat wij zo kunnen zijn en zo gebruikt kunnen worden.
Je wordt geroepen zoals je bent,
je hoeft geen supergelovige te worden, die het beter doet dan anderen.
Het is juist goed als je weet van je eigen kwetsbare geloof,
Weet dat ook jij het nodig hebt om je geloof te laten stutten,
zoals dat met de huizen in Groningen gebeurt om te voorkomen
dat ze bouwvallig worden of instorten.
Juist als je je niet boven de anderen verheven voelt, maar naast hen staat,
Juist als je niet wel even weet hoe je het moet doen,
maar bij de Heere aanklopt en zegt: Ik kan het niet, U moet het doen.
Juist dan kun je een instrument worden, om de kerk te mogen bouwen,
om tot je eigen verwondering te mogen merken dat wat jij zegt,
of door hoe jij daar bent in dat gesprek, door wat je laat zien van jezelf,
al is het je eigen zoektocht, dat het die ander helpt, sterkt, bemoedigt
en weer terug doet gaan aan Christus.
God bouwt Zijn gemeente door mensen, door u, door jou, door mij.

Blijf bij ons, Jezus, onze Heer;
de avond daalt op aarde neer;
het helder licht, uw godlijk woord
moog’ bij ons schijnen ongestoord.

Geef ons in deze zware tijd
volharding en standvastigheid,
opdat wij woord en sacrament
bewaren tot aan ’s werelds end.

Bewaar uw kerk, zij is benard,
Want wij zijn boos en traag en hard;
geef vrucht en zegen op uw oord,
maak dat alom het wordt gehoord.

Blijf Heer ons met uw woord nabij
en maak ons van de vijand vrij,
deel aan uw kerk genade mee,
geduld en eenheid, moed en vrêe.

Het is niet onze zaak, o Heer,
’t gaat om uw eeuwig rijk, uw eer.
Wil allen trouw terzijde staan,
die op uw wegen willen gaan.

Uw woord maakt onze harten sterk,
het is de schutsmuur van uw kerk.
Houd ons daarbij, opdat wij Heer,
buiten uw woord niets zoeken meer.

(Gezang 316 Liedboek voor de Kerken 1973)

Amen

 

Moeten mannen over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?

Moeten mannen over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?
– Pastoraat aan en door mannen; Blog 2

In mijn vorige blog, waar ik een introductie gaf op pastoraat aan mannen, meldde ik dat mannen vaak anders communiceren dan vrouwen. Mannen communiceren over hun innerlijke gevoelens door te vertellen over wat zich buiten hen afspeelt. De vraag die daarbij opkomt is: moeten mannen wel over hun innerlijke gevoelens kunnen praten?

(Een intermezzo, omdat ik even afstap van de lijn van het boek van Kuratle & Morgenthaler) 

Voordat ik iets meer zeg over deze vraag, eerst even een voorbeeld van hoe mannen praten over hun innerlijke gevoelens door te praten over iets dat buiten hen is:

Een keer klaar
Een predikant-in-opleiding komt in het ziekenhuis op bezoek bij een man van 33, die een bedrijfsongeval heeft gehad. Als de predikant-in-opleiding de zaal betreedt, staat de man bij het raam en kijkt naar buiten. Wanneer de predikant-in-opleiding aan de man vraagt hoe het gaat, vertelt hij dat hij nog een keer onder het mes moet, omdat zijn arm niet wil.

Patiënt: ‘Ik weet dat mijn elleboog stijf blijft. Daar heb ik mij al bij neergelegd. maar nu moet het toch een keertje klaar zijn? Misschien kan ik mijn arm helemaal niet meer gebruiken of moet mijn arm eraf. Weet u, dominee, dan vraag je je toch echt af of onze lieve Heer dat wel wil? Ik kan toch niet voor invalide gaan spelen? Met 33 jaar arbeidsongeschikt zijn? Nee, dat wil ik niet?’
Predikant-in-opleiding: ‘Ben je bang dat je niet meer zult kunnen werken?’
Patiënt: ‘Niet meer is teveel gezegd. Maar aan een bureau hangen en rekeningen betalen, dat is niets voor mij.’
Predikant-in-opleiding: ‘Misschien heeft je baas nog wel ergens een plek voor je, waar je kunt doen wat je wel leuk vindt?’
Patiënt: ‘Ach, dan moet ik steeds mijn arm meeslepen. Dan vraag je je toch af, waar ik het aan verdiend heb om met 33 jaar al invalide te zijn? Of kijk naar die Pool’ (hij wijst naar de man verderop in de zaal. ‘Hij is hier gekomen omdat hij hier een paar cent meer kon verdienen dan thuis. En nu heeft hij bij een bedrijfsongeval zijn beide benen verloren. Heeft thuis vrouw en kinderen? Dan vraag je je toch af: waarom zit deze wereld zo in elkaar?

Wel aangevoeld?
Als de predikant-in-opleiding dit gesprek in zijn intervisiegroep inbrengt, komt de vraag op of hij wel aangevoeld heeft wat de man, die hij bezocht, bezig hield. Er is een gesprek over het verlies van zijn arm en van zijn werkplek. Hij verwijst ook naar een man die ook een ernstig bedrijfsongeval heeft gehad. Wat houdt de man bezig?

Het is niet zijn verlies van werkplek, want daar is nog wel een mouw aan te passen. Het gesprek begint ermee, dat hij zich afvraagt of hij nu niet genoeg operaties heeft ondergaan. Hij meldt dat hij onzeker is of hij zijn arm nog wel kan behouden. Nu heeft hij zijn arm nog wel. Verderop in zijn gesprek verwijst hij naar iemand die al wel lichaamsdelen is kwijtgeraakt.

Bang
Dat geeft het vermoeden dat deze man bang is om zijn arm te verliezen. Hij wil heel graag zijn arm behouden en heeft zich erbij neergelegd dat zijn arm niet helemaal meer zal doen wat hij wil. Blijkbaar is hij bang dat hij, als zijn arm moet worden geamputeerd, hij meer verliest dan zijn arm. Wellicht iets aan zijn status als goede werknemer, als man, als sporter. Of vul maar in.

De angst dat zijn lichaam niet meer compleet zal zijn en dat hij daardoor aan status verliest, verwoordt hij door te vertellen over de operatie, over zijn arm die niet wil en zijn zaalgenoot die uit Polen komt en reeds twee benen is kwijtgeraakt.

Noodzakelijk?
Is het nodig dat hij over zijn innerlijke gevoelens weet te praten? Is het voor elke man noodzakelijk om dat te kunnen? Moet je als gesprekspartner niet accepteren dat het typisch iets voor mannen is om dat niet te kunnen?


De rol van innerlijke gevoelens
Om daar een antwoord op te kunnen geven, is het nodig om te kijken naar de rol die innerlijke gevoelens spelen. Innerlijke gevoelens geven vaak feilloos aan hoe iemand zich op een bepaald moment of in een bepaalde situatie voelt.

Zeker in gesprekken en relaties spelen de innerlijke gevoelens een rol. Zij laten voelen of iemand blij is met de opmerking van een gesprekspartner. Of registreren dat iemand door een opmerking, door een gebaar of een gezichtsuitdrukking wordt herinnerd aan iemand anders, die een belangrijke rol in zijn of haar leven speelde.

‘Doe de deur even dicht!’
Als een vrouw in de woonkamer tegen haar man zegt: ‘Doe de deur even dicht!’ kunnen daar verschillende innerlijke gevoelens bij bovenkomen.
Het kan het gevoel zijn van hulpvaardig willen zijn. De opdracht kan ook een gevoel van irritatie opleveren, omdat er sinds hij is thuisgekomen nog niet het idee heeft gehad dat er echt contact is geweest. Ze heeft hem niet echt gezien sinds hij thuisgekomen is en nu heeft ze hem opeens nodig, omdat ze zelf niet naar de deur wil lopen.

De opdracht of de intonatie kan herinneren aan zijn eigen moeder, met wil de man niet echt een goede band had, omdat hij steeds weer klusjes moest doen zonder dat hij voelde dat zijn moeder hem waardeerde. De opdracht kan verkeerd vallen, omdat de man vindt dat het er op lijkt dat zijn vrouw hem probeert op te voeden. Hij doet de deur niet dicht en denkt bij zichzelf: ‘Ik ben geen kind!’

Stemming
Een eenvoudige opdracht kan dus verschillende innerlijke gevoelens oproepen, die signaleren hoe de relatie op dat moment is tussen de man en de vrouw. Die gevoelens geven ook aan hoe de stemming van de man is. Deze gevoelens sturen de reactie van de man aan.

Als hij het gevoel heeft dat hij zich nuttig kan maken, zal hij wellicht vrolijk aan tafel gaan bij de maaltijd. Wanneer hij het gevoel heeft, dat zijn vrouw hem nog niet echt gezien heeft, zal hij met een innerlijke distantie aan tafel gaan en zich afwezig gedragen of kribbig reageren op alles wat zijn vrouw zegt.

Wanneer hij vindt dat zijn vrouw hem als een kind probeert op te voeden, kan hij zich kinderachtig gedragen. Ook als zijn vrouw hem ergens herinnert aan zijn dominante moeder, zal de man niet gelukkig aan tafel zitten en op zijn hoede zijn.

Waarnemen van innerlijke gevoelens
In contacten en relaties is het daarom belangrijk om de innerlijke gevoelens waar te nemen en te luisteren wat zij te zeggen hebben. Want zij geven aan hoe je je op dat moment in die relatie bevindt en wat er allemaal speelt.

Het ingewikkelde is vaak, dat die gevoelens onbewust waargenomen worden. Iemand voelt wel dat er iets aan de hand is, en merkt ook dat hij vanuit die gevoelens reageert. Vaak gebeurt dat echter zo impliciet en tussen de regels, dat de ander nooit opmerkt wat er aan de hand is.
Behalve dat de relatie stroef verloopt. ‘Er is weer wat op zijn werk gebeurt en hij reageert het op mij af’, denkt de vrouw. Ze voelt zich gepikeerd, want ze heeft haar best gedaan op de maaltijd om te laten zien dat ze echt voor haar man wil zorgen. Ze vindt dat hij ondankbaar is.

Niet geleerd
Mannen hebben vaak niet geleerd hun innerlijke gevoelens waar te nemen en daarnaar te luisteren. In hun opvoeding werd daar niet over gesproken. Ze hadden geen vader die dat deed. Als vrienden onderling, praatten ze over heel wat andere zaken. Onbewust kregen ze misschien mee, dat een man die zijn emoties toont een zwakkeling is en ze grendelden de toegang tot hun innerlijk af. Of ze schaamden zich voor hun innerlijke gevoelens, omdat het geen fijne emoties waren: schaamte, boosheid, wrevel. Of het is onmacht om aan te kunnen haken de gesprekken aan tafel, omdat er al van binnen een distantie was.

Congruentie
In de psychologische hulpverlening is congruentie van belang. Congruentie betekent, dat iemand in staat is om waar te nemen wat er in een situatie of na een opmerking van binnen gebeurt. Congruentie betekent ook dat iemand naar aan de ander in het gesprek of in het contact laat merken wat er van binnen gebeurt.

Zonder verwijt
Als een man in de opdracht van zijn vrouw om de deur dicht te doen, het gevoel heeft dat zij hem nog niet echt heeft gezien, kan hij dat verwoorden. Als iemand net naar zijn gevoelens heeft leren luisteren, zal dat als een verwijt gebeuren: ‘Hé, je merkt dus toch dat ik er ben.’ Hoe klinkt het zonder verwijt? ‘Ik merk dat we samen een belangrijke stap is overgeslagen. We hadden even moeten signaleren dat we er weer zijn. Ik ben binnengestapt zonder te signaleren dat ik thuis ben en jij hebt had ook duidelijker kunnen laten weten, dat je zag dat ik er weer was.’ Dan komt er ook ruimte om te vertellen, waarom iemand zo binnenstapt of de ander niet nadrukkelijk reageert op de binnenkomst.

Verwoorden
Is het noodzakelijk dat een man over zijn innerlijke gevoelens kan spreken? Noodzakelijk niet, maar het maakt een relatie wel eenvoudiger als hij in staat is om te verwoorden wat er van binnen speelt.

Daarbij kan het nodig zijn dat de gesprekspartner ook een stap zet naar de man toe, die niet goed in staat is om zijn innerlijk waar te nemen. De vrouw had de binnenkomst van haar man wat nadrukkelijker kunnen signaleren. Door even te stoppen met haar werkzaamheden. Door oog en oor te hebben voor hoe zijn dag was en door te laten merken dat ze het fijn vindt dat hij er weer is. Door hem te helpen om de omschakeling van zijn werk naar thuis te maken, zodat hij thuis ook echt aanwezig kan zijn als aanwezige echtgenoot en vader.

Bouwstenen voor conflict
Het is daarbij van belang om de manier van communiceren van zichzelf en van de ander te begrijpen. De vrouw kan bij binnenkomst van haar man ook allerlei innerlijke gevoelens waarnemen, die bouwstenen opleveren voor een conflict. Omdat zij zich niet gezien voelt. Omdat hij aan haar vader doet denken. Omdat zij voorziet dat de maaltijd weer een bron van ergernis wordt. Omdat zij denkt: ‘Moet ik hem alweer opvoeden?’

Van belang is ook om goed te luisteren en te registreren wat de man zegt en aan te voelen, waarom hij dat zegt. Niet door in te vullen, maar ook door te checken of een bepaalde gedachte klopt. In het gesprek met de man in het ziekenhuis had de predikant-in-opleiding verscheidene mogelijkheden aan te haken bij wat de man letterlijk zei en daarmee de gevoelslaag aan te boren, die de man eigenlijk wil communiceren:
– ‘Nog een operatie…!’
–  ‘Je arm wil nog steeds niet!’
– ‘Je bent er voorlopig nog niet klaar mee!’
– ‘Dat ongeval heeft echt een impact voor je!’
– ‘Zo, dat is niet niets.’
– ‘Na die operatie moet alles goed zijn?’
Wanneer een pastor in staat is om door middel van de juiste woorden de gevoelslaag te bereiken, geeft de pastor erkenning aan de man. Door die erkenning is de man meer in staat om zijn angst waar te nemen. De pastor helpt dan ook de patiënt om te vertellen wat hem hem werkelijk bezig houdt.

Tempo in het gesprek
Wat ik nog niet verwerkt heb, is het tempo in gesprekken. Omdat mannen vaak niet geleerd hebben om naar hun innerlijke gevoelens te luisteren, kost het hen tijd om in een gesprek antwoord te geven op een vraag naar hoe zij iets zien of beleven. Daarbij komt dat ze vaak ook testen of het gesprek veilig genoeg is om wat zij zelf vinden in te brengen. Is het gesprek niet veilig genoeg, dan trekken ze zich uit een gesprek terug. Of kiezen ze ervoor om over hun innerlijke gevoelens te praten door iets dat zich buiten hen afspeelt. Daarom is ook de Rogeriaanse voorwaarde acceptatie van groot belang voor een goed gesprek.

Verwijzingen naar andere blogs:
– Een psychologisch model van gespreksvoering, waarbij nadrukkelijk naar de innerlijke emoties gekeken wordt, is het model van Friedemann Schulz von Thun.

 

 

Pastorale gesprekken met mannen

Pastorale gesprekken met mannen
– blog 1: introductie

Waar blijven de mannen? Het viel David Kuratle en Christoph Morgenthaler dat mannen in pastorale gesprekken vaak ontbreken. Kuratle en Morgenthaler zijn beiden theoloog met een grondige training in psychologische hulpverlening. Kuratle is predikant en Morgenthaler hoogleraar praktische theologie. Beiden hebben ze zich bekwaamd in de systematische benadering: aandacht voor de gesprekspartner in het pastorale gesprek of de therapeutische sessie in het geheel van de relaties die iemand heeft. Juist vanuit hun ervaring in de systematische benadering viel het hen op dat de mannen in pastorale gesprekken ontbreken.

Daarbij ligt het voor de hand om te denken dat mannen zelf geen behoefte hebben aan een pastoraal gesprek. Volgens cijfers van het telefoonpastoraat is slechts 30% van de bellers een man. Morgenthaler en Kuratle schatten dan ook dat zo’n 30% van de pastorale gesprekken binnen de gemeente door een man wordt aangevraagd.

David_Kuratle
David Kuratle

Niet aanwezig hoeft te zijn
Ze signaleren echter dat het ontbreken van de mannen in het pastoraat ook vanuit een andere zijde komt. Het komt nogal eens voor dat vrouwen die om een pastoraal gesprek vragen of zich voorbereiden op een kerkelijke gebeurtenis, zoals de doop, aangeven dat hun echtgenoot niet bij het gesprek hoeft te zijn. Hun echtgenoot is niet zo geïnteresseerd in de kerk, in het geloof, of spreekt er niet zo makkelijk over. Of kan juist de confrontatie zoeken als iemand van de kerk langs komt.
41LnJDxb3fL

In een systematische benadering is het van belang dat er aandacht is voor alle personen een een (gezins)systeem. Als de echtgenoot, die toch een belangrijk persoon in het gezinssysteem afwezig is tijdens een gesprek, kan hij zijn eigen visie niet geven. Er wordt door zijn echtgenote voor hem besloten dat hij niet geïnteresseerd is.

Ogenschijnlijke desinteresse
Het kan ook zijn dat achter de ogenschijnlijke desinteresse iets heel anders schuil gaat: De echtgenoot heeft niet de vaardigheid om aan de gesprekken over de kerk en het geloof mee te doen. De echtgenoot heeft heel andere verwachtingen van de kerk of andere beelden van God, maar voelt niet de ruimte om zijn perspectief in te brengen. De manier waarop het in de kerk gaat, spreekt hem niet aan. Hij mist de aansluiting met de andere mannen in de kerk. De levensvragen waar hij mee bezig is, komen niet aan de orde. De manier, waarop over mannen gesproken wordt, hun idealen, hun angsten en worstelingen doet geen recht aan wat hij beleeft. De desinteresse is een manier om zijn onmacht en onvermogen om over zijn eigen geloof, gevoelens of inzichten te spreken te camoufleren.
morgenthaler
Christoph Morgenthaler

Een andere benadering
Het zou wel eens kunnen zijn dat een andere benadering mannen wel de mogelijkheid geeft om betrokken te zijn op de kerk of een plek te geven in het pastorale gesprek. Ze schreven daarom samen het boek: Pastoraat aan en door mannen. Impulsen voor een pastorale praktijk die gevoelig is voor gender.

Kuratle & Morgenthaler willen zich niet beperken tot pastorale gesprekken met mannen alleen, maar zich richten op allerlei soorten ontmoetingen waarin mannen betrokken zijn. Ze hopen bij te dragen aan een pastorale praktijk in de kerken die sensibel is voor wat mannen bezighoudt.

Vraagstelling
De vraagstelling in het boek is: Welke mogelijkheden zijn er om het pastoraat zo vorm te geven dat mannen ruimte ervaren waarin hun interesses, vragen en verlangens serieus genomen worden en zij in geestelijk opzicht een stap verder kunnen zetten?

Daarbij komen een aantal vragen om de hoek kijken: Is er een verschil op te merken tussen pastorale gesprekken met mannen en pastorale gesprekken met vrouwen? Is er een verschil op te maken in manier waarop het gesprek gevoerd wordt en welke thema’s daarin aan de orde komen? Welke vragen en thema’s houden mannen eigenlijk bezig. Kuratle en Morgenthaler geven aan, dat deze vragen gek genoeg zelden zijn gesteld.

Theologische doordenking ontbreekt
Bovendien ontbreekt er een theologische doordenking van wat het betekent om man te zijn. Dit ondanks de kerkelijke mannenbeweging, die al enkele decennia binnen de kerk actief is. En ondanks de inzichten van de feministische theologie, die ook in het kader van het pastoraal veel inzichten heeft opgeleverd.

Minderheid in de kerk
In de laatste decennia is een kentering in de kerken waar te nemen. Mannen zijn in het kerkelijke leven vaak minder aanwezig dan vrouwen.  Op steeds meer plekken is het zo, dat vrouwen meer kerkelijke taken voor hun rekening nemen dan mannen. We gaan naar een tijd, waarin het merendeel van de predikanten vrouw is. Morgenthaler en Kuratle verbazen zich erover dat er nog geen onderzoek gedaan is, hoe dat voor mannen is om man tot de minderheid binnen de kerk te behoren of als man pastor te zijn in een kerk waarin het merendeel van de actieve personen vrouw is.

A-typisch persoonlijkheidsprofiel
Maar is de kerk in de afgelopen eeuwen niet altijd gedomineerd door mannen? Dat is wel zo, maar het is goed om te beseffen dat het vaak om een bepaald type mannen gaat. Zoals studies sinds de jaren-’90 laten vermoeden, ontmoeten mannen vaak pastores die in hun mannelijkheid afwijken van het gros van de andere mannen. Mannen die in de kerk werken hebben vaak in vergelijking met andere mannen een a-typisch persoonlijkheidsprofiel. Ook met mannelijke dominantie in de kerk kunnen mannen afhaken, omdat ze in de aanwezige mannen of de mannelijke predikanten hun manier van man-zijn niet terug zien.

Traditioneel beeld loslaten
Is pastoraat wel iets voor mannen? Volgens Kuratle en Morgenthaler is het in de ontmoeting met mannen niet verstandig om een traditioneel beeld van pastoraat te hebben. In onderzoeken verwoorden ze zich vaak minder religieus dan vrouwen, terwijl het maar de vraag is of ze minder religieus zijn. In hun zoektocht naar zin gaan ze vaak liever eigen wegen.
In hun boek laten Kuratle en Morgenthaler zien dat mannen vaak meer vragen over geloof en de kerk (zoals de theodicee) hebben dan vrouwen en dat ze zich daardoor meer op een afstand houden van kerk en geloof, omdat ze geen ruimte voelen hun vragen te uiten of te houden.
19f8a7
In pastorale gesprekken met mannen moeten daarom soms nieuwe wegen ingeslagen worden, of duidelijkheid gegeven worden wat pastoraat is. In een aantal gevallen is pastoraat niet vanzelfsprekend en moet er ‘gestoeid’ worden om helder te krijgen wat pastoraat is of zelfs flink ‘gestoeid’ worden om een pastoraal gesprek voor elkaar te krijgen.


Geen kant-en-klare uitspraken
In pastorale gesprekken werkt het vaak niet om theologische uitspraken kant-en-klaar in het gesprek te droppen. Ook in gesprekken met mannen gaat dat niet werken: theologische uitspraken slaan dood of bewerken het tegendeel als ze niet in het proces van het gesprek betrokken zijn of in respect, empathie en authenticiteit tot uitdrukking komt. Alleen als dat gebeurt wordt iets van het wezen van het evangelie zichtbaar.


Innerlijke gevoelens
Voor predikanten zijn pastorale gesprekken met mannen niet altijd eenvoudig, omdat ‘mannen vaak over hun innerlijke gevoelens spreken door over iets in de wereld buiten hen te spreken. Zij ordenen hun innerlijke wereld door de buitenwereld te ordenen.’ De weg van de Seelsorgebewegung is duidelijk: aan mannen moet dmv accepterende en empathische toewending door (gesprekken over) deze buitenwereld heen een weg naar het innerlijk worden geopend. Of mannen hun innerlijke wereld kunnen en willen openen, wordt verder geëxploreerd.

‘Kunstmatige vereenzaming’
Volgens de psychotherapeuten W. Neumann & B. Stüfke hebben mannen in hun socialisatie geleerd om juist over uiterlijke dingen te spreken wanneer ze eigenlijk over hun innerlijk (willen) spreken. Zij hebben geleerd om zich van hun innerlijk te distantiëren. Voor therapie met mannen betekent dat vaak een confrontatie om hen uit hun “kunstmatige vereenzaming” te lokken. In deze confrontatie sluit de therapeut letterlijk aan bij wat de man zegt. De therapeut wordt dan als bedreigend, brutaal of “een moment lang als vijand” beleefd. Doel van deze confronterende benadering is om in direct menselijk contact met de gesprekspartner te komen en de cliënt in staat te stellen meer contact met zichzelf te vinden.

Inzichten uit de psychotherapie met mannen
Volgens Kuratle en Morgenthaler zijn de volgende inzichten vanuit de therapeutische gesprekken met mannen van belang:

(1) Zelfreflectie als basis: Het is van belang dat een therapeut gereflecteerd heeft (en dat in de therapeutische gesprekken ook blijft reflecteren) op hoe zijn of haar eigen biografie als man of als vrouw is gevormd, welke manier van waarnemen hij of zij heeft, hoe hij of zij handelt. Daarmee kunnen zij mannen, die in hun socialisatie en in de maatschappij waarin ze leven tegenstrijdige visies op hun rollen meegekregen hebben, op een open manier ontmoeten. Door zelf gereflecteerd te hebben kunnen zij de mannen, die bij hen in therapie komen, helpen om kritisch met hun eigen beelden over hun mannelijkheid om te gaan en hen aanmoedigen om hun leven zo te leiden, zoals ze zelf zouden willen.

Houding
(2)
Houdingen: Echtheid, acceptatie en empathie zijn voorwaarden om het vertrouwen van mannen te krijgen, om zich aan het tempo van mannen aan te passen en om met hun nieuwe gedragingen die voor hen ongewoon zijn te oefenen.

Mannen waarderen discussie, uitdaging en confrontatie, die hen ertoe brengen om de vanzelfsprekendheden die ze hebben ter discussie te stellen. Dit kan hen helpen om bolwerken van afweer te verlaten en een nieuwe weg te wagen. Een omzichtige omgang met (gevoelens van) schaamte helpt hen om zich te openen. Humor, gevoel voor het absurde en woordkunst helpen om hen weg te lokken bij wat zich bij hen heeft vastgezet aan gewoonten, beelden, gedragingen.

Meervoudig partijdig zijn helpt mannen om zich in hun relaties op een nieuwe manier te zien en hen in beweging te brengen.

Relaties
(3) Vormen van relaties en reflectie op relaties: Een gescherpte opmerkzaamheid voor vormen van overdracht en tegenoverdracht, waar speciaal mannen mee te maken hebben, voor macht en concurrentie, voor nabijheid en erotiek schept voorwaarden om vastgeroeste patronen en beelden over wat een man is of hoort te zijn opnieuw te overdenken. Het is handig als een therapeut in staat is om te spelen met de gebruikelijke therapeutische regels, om mannen zover te krijgen dat zij bereid zijn om zich te veranderen of anders te gedragen.

Sinds de eeuwwisseling komen therapeuten in toenemende mate mannen tegen, die minder door het traditionele beeld van mannen is gevormd. Zij engageren zich meer in hun gezin, hebben makkelijker toegang tot hun emoties en hebben begrip voor een gelijke behandeling. Zij zijn eerder bereid om zich in (relatie)therapie in te zetten. Ondanks deze verandering hebben ze nog wel te maken met tegenstrijdige beelden over wat een man is of hoort te zijn.

Volgende bijdrage: een intermezzo over de vraag of mannen wel over hun emoties moeten kunnen spreken.

N.a.v. David Kuratle & Christoph Morgenthaler, Männerseelsorge. Impulse für eine gendersensible Beratungspraxis (Stuttgart: Verlag W. Kohlhammer, 2015) 7-32.

Tijdens huisbezoek de geloofsopvoeding aan de orde stellen

Tijdens huisbezoek de geloofsopvoeding aan de orde stellen

Wim Hogenbrink is net bevestigd als ouderling als de kerkenraad het besluit neemt om dit seizoen aandacht te besteden aan geloofsopvoeding binnen de gezinnen. Bij het besluit hoort ook dat de ouderlingen op huisbezoek dit thema aan de orde stellen. Tijdens het gesprek op de kerkenraad ging het door Wim heen: ‘Maar hoe dan?’ Omdat hij nog maar net bevestigd is, durfde hij dat niet goed aan de orde te stellen. Eerst er maar eens voor zichzelf over nadenken. Onderweg naar huis piekert hij verder: Hoe gaat de geloofsopvoeding in zijn eigen gezin eigenlijk? Hoe vertelt hij aan zijn eigen kinderen over Christus? En wat pikken ze van hem op? Hij begint zich ineens zorgen te maken over hoe hij het zelf als vader de geloofsopvoeding van zijn kinderen doet. En dan moet hij aan andere ouders gaan vertellen hoe het moet?

Geloofsopvoeding is een breed begrip. Het helpt Wim als geloofsopvoeding concreet gemaakt wordt om op huisbezoek erover te beginnen. Bij geloofsopvoeding kunnen we denken aan:

  • Lezen in de Bijbel of de kinderbijbel, bijvoorbeeld bij de afsluiting van de maaltijd.
  • Ouders die bidden voor hun kinderen, met hun kinderen of hun kinderen leren bidden.
  • Met elkaar doorpraten over wat er zojuist in de Bijbel gelezen is of op zondag over de kerkdienst en de preek.
  • Ouders die iets vertellen over hun eigen leven met Christus om zo hun kinderen te laten zien hoe zij zelf Christus kunnen leren kennen en om te laten zien hoe hun geloof kan groeien.
  • Vaste gebruiken: het bidden voor en na het eten, voor het slapen gaan, bij het opstaan, Bijbel lezen, gebed voor het slapen gaan, het lezen in een dagboekje.
  • Het in het gezin vieren van bijzondere dagen, zoals Kerst, Pasen, Hemelvaart, Pinksteren, verjaardagen en de doopdagen van de gezinsleden.


Wanneer Wim op huisbezoek gaat, is het van belang dat hij beseft dat alle gezinnen waar hij komt in ieder geval een of meerdere vaste gebruiken heeft. Ook als hij komt bij gezinnen die minder actief bij de kerk betrokken zijn. Uit een Zwitsers onderzoek bleek dat 75% van de ouders, ook van niet-kerkelijk betrokken ouders, een avondritueel hadden waarbij een gebedje een vast onderdeel was.


Het kan zijn dat Wim hen wel moet helpen ontdekken dat ook dat een vorm van geloofsopvoeding is die ze aan hun kinderen meegeven. Ik kwam een keer bij een gezin. De vader zei bij toen ik was gaan zitten: ‘Wij zijn niet zo gelovig.’ Ik ging er niet gelijk op in, maar onthield die uitspraak wel om er later op terug te komen. Nadat ik wat verder in het gesprek was gekomen, zei ik: ‘U zegt dat u niet zo gelovig bent. Maar hoe onderhoud u dan uw geloof?’ ‘O, maar wij lezen wel uit de Bijbel en bidden ook.’ ‘Maar u zei: “Wij zijn niet zo gelovig.” Hoe zit het dan?’ ‘Wij gaan niet naar de kerk.’ ‘En op zondag?’ ‘Dan luisteren we naar een kerkdienst op de radio.’ ‘Dan komt het helemaal niet, dat u zegt: “Wij zijn niet zo gelovig.” U doet alles wat een gelovige doet. U gaat alleen niet naar de kerk. Niet dat kerkgang onbelangrijk is, maar als u de rest wel doet dan bent u best veel bezig met het geloof.’


De vragen die ik in dit gesprek stelde, waren nieuwsgierig, vanuit betrokkenheid bedoeld. Wanneer Wim op bezoek gaat, is het belangrijk dat hij ook een betrokken nieuwsgierigheid laat zien. Hij moet het gezin dat hij bezoekt niet gaan beoordelen of ze het wel goed doen en of ze wel genoeg tijd besteden. Het is zinvoller om hen te stimuleren in wat ze reeds doen en (voorzichtig) uit te dagen om ook iets anders op te pakken.


Om geloofsopvoeding in het huisbezoek aan de orde te stellen is de sfeer van het gesprek belangrijk. Dat is des te belangrijker omdat Wim namens de kerk komt en zijn insteek in het gesprek ook bepalend kan zijn voor het oordeel van het gezin over de kerk. Als Wim respectvol en betrokken is, op een positieve manier doorvraagt, kan er de benodigde openheid voor het geloofsgesprek komen. Het kan best zijn dat de ervaring van de vorige huisbezoeken in het gezin een rol spelen. Was het vorige huisbezoek goed, dan kan Wim daarvan profiteren in zijn bezoek. Was het een voor het gezin beroerd bezoek, dan moet Wim alle zeilen bijzetten om openheid te krijgen. Dan helpt oprechte belangstelling en respect om het vertrouwen te winnen.

Als Wim welkom is, mag hij erop vertrouwen dat het gezin waar hij op bezoek is er rekening mee houdt dat hij naar hun omgang met God vraagt. Zelfs bij leden die minder betrokken zijn. Als dat op een open, respectvolle manier gebeurt, vinden kerkleden het nogal eens fijn dat de ouderling erover begint. Vaak vinden ze het moeilijk om er zelf over te beginnen en wachten af tot de ouderling er tijdens huisbezoek over begint. Daar kan Wim gebruik van maken. Hij kan bijvoorbeeld het gesprek over de geloofsopvoeding inleiden met:

  • ‘U weet wellicht waar ik voor gekomen ben. Ik zou het ook willen hebben over uw band met God, maar ik vond het belangrijk om eerst met elkaar kennis te maken. Lukt het wel eens om tijd te nemen voor God?’
  • ‘We hebben als kerkenraad afgesproken om dit jaar op huisbezoek geloofsopvoeding aan de orde te stellen. Dan moet u denken aan Bijbel lezen, bidden, samen praten over de Heere Jezus. Ik ben eigenlijk wel benieuwd: hoe gaat dat hier?’

Belangrijk is dat er een open vraag komt, die uitnodigt om te vertellen, zonder dat de leden van dit gezin zich hoeven af te vragen welk antwoord gewenst is. Het kan voor Wim heel behulpzaam zijn om van tevoren na te denken over de manier waarop hij dit thema in het gesprek introduceert.

Er ontstaat een mooi gesprek als Wim daarop weet voort te borduren. Hij kan bijvoorbeeld vragen naar een mooi voorbeeld dat een van de gezinsleden altijd is bijgebleven. Hij kan vragen waar ze tegenaan lopen en dan met hen nadenken wat zij zelf al doen aan deze belemmeringen. Wanneer hij hoort dat ze best wat pogingen ondernemen om verder te komen, kan hij hen daar erkenning voor geven en eventueel laten zien hoe hij die belemmeringen zelf herkent en hoe hij er zelf in zijn gezin mee omgaat.

Wim geeft een extra waarde aan het huisbezoek als hij verdieping aanbrengt door te vragen naar de band die er met Christus is. Merken de ouders dat hun eigen band met Christus meer gaat leven of wordt versterkt door er zo mee bezig te zijn? Zien de ouders dat de manier waarop zij in hun gezin bezig zijn met Christus ook bij hun kinderen iets doet? Groeit er een eigen band van de kinderen met Christus? Groeit er verlangen om Hem te dienen en Hem beter te leren kennen?

Na een mooi gesprek kan er gedankt worden voor wat de ouders doen voor hun kinderen. In dat gebed bidt Wim om een zegen over het gezin en om de hulp van de Heilige Geest voor alle gezinsleden.

Geschreven voor HGJB Generator

Goed gereedschap is het halve werk

Goed gereedschap is het halve werk

Onlangs kwam er een boek uit dat geschreven is door Kees en Margriet van der Kooi. Prof. dr. C. (Kees) van der Kooi is hoogleraar Dogmatiek aan de VU. Zijn vrouw Margriet is ziekenhuispredikant in Woerden.

Samen schreven zij een boek over het belang van theologie in het pastoraat. Ze gaven het boek de titel mee: Goed gereedschap is het halve werk. Dit boek heb ik in één adem uitgelezen. De vraag is of dat wel verstandig is. Want het is ook een boek om heel aandachtig te lezen en steeds te overdenken. Ik geef uit het boek een aantal gedachten en citaten:

‘Als er een zo heel groot verdriet is, kan het gebeuren dat er geen tranen zijn, omdat we wel weten dat, als het verdriet eenmaal is losgebroken, de tranen niet toereikend zijn. Daarom is het volgens Kees en Margriet van der Kooi niet vreemd als het verdriet een ‘een tijdje in de wacht wordt gezet’.

– Een gezonde zondeleer spoort aan tot een soort realisme dat de wereld vanuit Gods genade inkijkt. De christelijke zondeleer heeft een verfijnd netwerk opgebouwd van onderscheidingen die men in het pastoraat kan gebruiken. Een belangrijke vernieuwing gebeurde door het verwerken van de inzichten van de contextuele benadering van Boszormenyi-Nagy. Patronen van kwaad die door de generaties heen blijven bestaan als ze niet ergens doorbroken worden. We zijn onderdeel van die patronen. Deze patronen die door de generaties heen worden doorgegeven kan met in theologisch opzicht vergelijken met erfzonde /tot in het 4e geslacht. Uitspraak van een psychiater, geciteerd in het boek: ‘Pas als een sterk kind opstaat dat de ban van familiegeweld, ingesteld, verslaving, criminaliteit doorbreekt kan er iets nieuws beginnen’. Die inspanning is vaak te groot en te onmenselijk. Margriet vd Kooi: We leven van het Verhaal dat er zo’n Kind is geweest.

– Goede theologie maakt onderscheid tussen wat we wel en wat we niet kunnen weten en tussen wat we wel en niet moeten willen weten.

– Menselijke ervaringen zoals moederschap en vaderschap kunnen op hun beste momenten een venster worden tot op God.

– Goed gereedschap
is het halve werk is pleidooi om woord ‘zielzorg’ weer in ere te herstellen. Er is een mens in het geding die persoon, eenheid en geheim is.

– Systematische theologie krijgt een verrassende zin en betekenis als we weer leren te denken vanuit verschillende concrete levenspraktijken.

– Goed gereedschap is het halve werk is een pleidooi voor herwaardering van de notie algemene openbaring – of liever: van de universaliteit van God.

– En een pleidooi voor onderscheiding der geesten (waarbij profetie en dromen niet afgewezen worden, maar wel getoetst mogen/moeten worden)

– Goede theologie maakt onderscheid tussen wat we wel en wat we niet kunnen weten en tussen wat we wel en niet moeten willen weten.

– We leven in een imperfecte wereld en de christelijke theologie is daarover realistisch. De mens is niet perfect, het leven is niet perfect.

– Gods voorzienigheid is niet een verklaring voor alles wat er gebeurt maar heeft meer met iets wat in de nood tegemoet komt.

– 
Gesprekken die bij het leven niet gevoerd zijn, kunnen niet altijd aan een ziekbed worden ingehaald.

Pastoraat aan randleden

Pastoraat aan randleden

In een kerkelijke gemeente zijn er verschillende manieren van betrokkenheid. Er zijn actieve leden die naast het bezoeken van de eredienst (veel) taken binnen de gemeente hebben. Er zijn gemeenteleden die wel de zondagse erediensten bezoeken en weinig taken binnen de gemeente. Veel van deze gemeenteleden hebben wel taken buiten de gemeente: in hun gezin, als mantelzorger, bij een sportclub, als collectant, enz. Er is ook een groep gemeenteleden die de zondagse eredienst veel minder of helemaal niet bezoekt.

De gemeenteleden in deze groep worden vaak randleden of randkerkelijken genoemd. Een aantal van deze gemeenteleden aan de rand weten dat zij lid zijn. Zij waarderen als er aandacht van de kerk is, bijvoorbeeld in bezoek of meeleven. Er zijn ook gemeenteleden die deze aandacht niet op prijs stellen. Een belangrijke vraag voor het pastoraat is hoe we omgaan met deze gemeenteleden aan de rand. Wat kunnen we doen om hen toch te bereiken? Wat moeten we als deze gemeenteleden geen bezoek willen?

Randkerkelijk?
Eerst iets over de benaming van deze groep gemeenteleden.  In deze benaming klinkt een bepaalde norm door: als je lid bent van een gemeente hoor je je in te zetten voor de kerk of voor de gemeenschap en hoor je de zondagse erediensten te bezoeken. Voor een kerkelijke gemeente met een hervormde achtergrond zijn deze gemeenteleden net zo volwaardig als gemeenteleden die wel actief zijn.

Dat deze gemeenteleden de kerkdiensten niet bezoeken zegt niet alles. Ze kunnen om bepaalde reden opzien tegen het bezoeken van de kerkdiensten. Op hun eigen manier kunnen ze meeleven met de kerk waartoe ze behoren. Het valt mij vaak op hoezeer de gemeenteleden aan de rand op de hoogte zijn van wat er in de gemeente gebeurt. (Ik zie het kerkblad vaak onder handbereik liggen. )

Als gemeenteleden niet in de kerk komen, wil nog niet zeggen dat ze nergens aan doen.

Als de deur wordt opengedaan, word ik verbaasd aangekeken: ‘Wie bent u dan?’ ‘Dan bent u lang niet in de kerk geweest,’ zeg ik. ‘Ik ben uw dominee.’ ‘Dat dacht ik al.’ Het is de dag waarop deze vrouw een huwelijksjubileum heeft en ik mag binnenkomen. Haar man is er niet. Daarom maken we later een afspraak. In dat gesprek zegt de vrouw later: ‘Wij doen nergens aan.’ In de loop van het gesprek komt ter sprake dat ze bij het eten uit de Bijbel lezen en bidden. ‘U deed toch nergens aan?’ vraag ik. ‘Misschien doet u er wel meer aan dan u zelf beseft.’ We praten er over door hoe ze hun geloof kunnen ‘onderhouden’.

Vragen voor onszelf
Het lijkt allemaal vanzelfsprekend: kerkgang, huisbezoek, betrokkenheid op de gemeente. Contacten met ‘randleden’ dwingen ons om na te denken over de vraag waarom wij zelf dat doen.

  • Wat is voor onszelf de waarde van de kerkdienst? Wat mist iemand in onze ogen als hij of zij niet naar de kerk gaat?
  • Wat hebben wij zelf aan het huisbezoek?
  • Wat is in onze ogen de waarde van het huisbezoek voor de gehele gemeente (inclusief de ‘randleden’).
  • Waarom ben ik zelf betrokken bij de gemeente? Waarom vind ik het van belang dat ook anderen bij de gemeente betrokken zijn?

Contact met ‘randleden’ dwingen ons om na te denken over onze vanzelfsprekendheden.

Visie op het pastoraat
Wanneer we ermee te maken krijgen dat bezoek vanuit de kerk niet op prijs gesteld wordt, kan dat ook weer eens een aanleiding zijn om na te denken over de vragen:

  • Waarom doen we dat huisbezoek eigenlijk?
  • Wat hopen we met het bezoek te bereiken?
  • Wanneer is een bezoek een goed bezoek?
  • Is huisbezoek in deze tijd een goed middel daarvoor? Of moeten we op zoek naar andere manieren om hen te bereiken?
  • Wat zijn onze mogelijkheden als ‘ze’ geen contact willen? Moet je volhouden? Of moet je de weigering accepteren?

Redenen waarom ze zijn afgehaakt
In het pastoraat is opmerkzaamheid van groot belang. In sommige stromingen van het pastoraat gaat het om waarnemen zonder daar direct een waardeoordeel aan te verbinden. Door een niet-veroordelende waarneming kunnen we soms de redenen te weten komen waarom deze gemeenteleden niet betrokken zijn of niet naar de kerk komen:

  • Ze hebben de kerkgang nooit van thuis meegekregen.
  • Ze vinden geen aansluiting bij de mensen die bij deze kerkelijke gemeente horen. (Het valt mij op dat bij een verhuizing de overgang naar een andere kerk vaak niet vanzelfsprekend is en een reden is waarom mensen afhaken: ze kunnen geen ingang vinden.)
  • Ze voelen zich niet thuis vanwege de sfeer, de manier van kerkzijn en kerkdiensten, vanwege de boodschap die gebracht wordt.
  • Ze willen een signaal geven: als ik wegblijf, word ik dan gemist?
  • Ze kunnen opzien tegen de kerkgang (angst voor mensen, wat zullen ze wel niet denken?, schaamte)
  • Ze hebben moeite met de discipline en hebben niemand die hen ‘op sleeptouw neemt’.
  • Er kunnen ingrijpende gebeurtenissen hebben plaatsgevonden in hun leven: armoede, schulden, echtscheiding, teleurstellingen in God, in mensen van de kerk.
  • Ze hebben een conflict met de kerk, met mensen die een belangrijke plek in de kerk hebben of met familieleden die tot de kerk behoren.
  • Een teveel aan vacatures kan afschrikken: als ik naar deze kerk ga, moet ik ook wat gaan doen.

Met een open houding en zonder te beoordelen kan gevraagd worden naar de reden. Daarbij is het van belang wat zij dan zelf doen om hun geloof te onderhouden.

Wat is van belang?
In de jaren dat ik predikant ben heb ik geleerd dat er bepaalde zaken van belang zijn in de contacten met de ‘randleden’:

  • Ze voelen zich vaak geen randleden, maar vaak ‘gewoon’ gemeentelid, maar dan met een eigen invulling.
  • Een groot deel stelt op prijs om op dezelfde manier benaderd te worden als actievere gemeenteleden: rondom belangrijke momenten in het leven, in meeleven, enz.
  • De belangrijke momenten van het leven zijn vaak een goede ingang: een jubileum, een verjaardag, een geboorte, een overlijden van een vriend of een gemeentelid. Op dat soort momenten ben ik als predikant altijd van harte welkom en wordt het zelfs kwalijk genomen als ik niets van me laat horen.
  • Randleden zijn vaak erg betrokken op hun dorp. Hoe meer een kerk onderdeel is van een dorp, hoe eerder ze te benaderen zijn. Bid als kerk met vaste regelmaat voor het welzijn van het dorp.
  • Er kan nogal eens wantrouwen zijn: het is de kerk te doen om mijn geld, om mij als vrijwilliger ergens voor te strikken. Van belang is dat er niet alleen een vraag om geld komt, maar ook omgekeerd aandacht voor deze gemeenteleden, die niet zo in de picture zijn.
  • Ontwikkel als gemeente een antenne voor de mensen, die zelf de signalen niet doorgeven. Laat de mensen om hen heen, die wel actief bij de gemeente betrokken zijn, signalen doorgeven.
  • Zorg als gemeente voor lage instappen, zoals een AlphaCursus, een eenvoudige Bijbelkring, niet al te formele huisbezoeken.
  • Doe wat als gemeente van je verwacht wordt op een goede manier: de kerkdiensten op hoogtijdagen, begrafenisdiensten, begeleiding bij ziekte en rouw,  het huisbezoek, de aandacht en het meeleven.
  • Zoek naar creatievere en ‘laagdrempelige’ manieren van huisbezoek.

Pastoraat via een brief

Pastoraat via een brief

‘De apostelen schreven ook geen brieven (…), maar als het van toepassing is, schrijven ze een brief en denken: waar het om gaat moet persoonlijk tegen de mensen worden gezegd’, verklaarde ooit Christoph Blumhardt. Daarmee gaf hij de reden aan waarom hij brieven schreef. Deze brieven schreef hij met grote toewijding en innerlijke betrokkenheid. Het viel hem daarom niet gemakkelijk om deze brieven te schrijven: ‘Ik weet niet of ik u daarmee goed doe of pijn bezorg. Ik heb intens getwijfeld, wel 2 uur lang, maar in mij groeide steeds meer de overtuiging: dit moet ik je schrijven.’

Al vanaf de tijd van de Bijbel is de brief een middel tot pastorale ondersteuning. Jeremia en Paulus schreven om die reden brieven. Zij werden in de kerkgeschiedenis gevolgd door onder andere Chrysostomus, Basilius de Grote, Luther, Calvijn, vader en zoon Blumhardt, Eduard Thurneysen en zoveel anderen meer.

Eigen geschiedenis
Volgens Gerhard Henning, van 1995 – 2003 hoogleraar Praktische Theologie aan de universiteit van Tübingen en gepromoveerd kerkhistoricius, zou er een hele kerkgeschiedenis geschreven kunnen worden vanuit het perspectief van pastoraat via brieven.

Gesprek niet de enige vorm van pastoraat
Pastoraat door middel van brieven heeft niet alleen een heel eigen geschiedenis, maar ook een heel eigen betekenis ten opzichte van het pastoraat door middel van een persoonlijk gesprek. Pastoraat door middel van een brief is meer dan alleen een noodgreep, waarbij de brief het persoonlijke gesprek vervangt. Briefpastoraat is een geheel eigen vorm binnen het geheel van het pastoraat.

Daarom is het volgens Henning verkeerd om het pastoraat uitsluitend te verbinden aan het persoonlijke gesprek. Er zijn daarnaast nog vele andere vormen van pastoraat: ook de preek, de sacramenten en de eredienst kunnen een vorm van pastoraat zijn.

Mail, social media en kerkblad
Het artikel van Henning stamt uit 1997. E-mail komt dan net op en social media zijn nog helemaal niet in beeld. Met wat eigen creatieve denkkracht kunnen de overwegingen van Henning ook worden toegepast op mailverkeer en (andere vormen van) social media. Nu ik dit schrijf, bedenk ik dat pastoraat via openbare media veel vaker voorkomt dan via brief alleen. Ik bedenk dat ik weinig brieven schrijf: alleen in de dagen voor oudjaar doe ik dat om de familie uit te nodigen voor de herdenking van de overledenen. Toch zijn er veel meer manieren in mijn pastorale praktijk waarin ik wel – onbewust wellicht – bezig ben met pastoraat: in de stukjes die ik in het kerkblad schrijf, via kaarten, in de blogs die ik op mijn website plaats. Ook op die vormen kunnen d overwegingen van Henning wellicht worden toegepast.

Versterken van de zielen
Henning definieert pastoraat vanuit Handelingen 14:22. Paulus en Barnabas keren tijdens hun zendingsreis terug naar de gemeenten die door hen zijn gesticht. Ze gaan er niet alleen heen om het evangelie te verkondigen, maar ook om de zielen (van de gemeenteleden) te versterken. Voor Henning is dat de Bijbelse kern van het pastoraat. Dat werkt hij niet alleen in dit artikel uit, maar ook in andere artikelen komt hij steeds op deze Bijbelse kern terug, waarin hij ook uitlegt wat de Bijbelse betekenis van ‘ziel’ en ‘zielszorg’ inhoudt (‘Wie redet die Bibel von der Seelsorge?’, in: Gerhard Henning, “Sonntags ist Kirche”. Studien zu Kirche, Gottesdienst und Seelsorge, p. 161-186).
Pastoraat door middel van een brief houdt in dat de ene gelovige de andere versterkt en bijstaat in het aanvaarden en ordenen van zijn of haar levensgeschiedenis in vertrouwen op God.

Een gemeentelid schrijft
Er zijn mensen die zich gemakkelijker uitdrukken door iets te schrijven dan door iets te zeggen. Dan zijn we (pastoraat is niet alleen iets voor bevestigde ambtsdragers, maar een taak voor de gehele gemeente!) er voor elkaar.
Er zijn ook mensen die zich helemaal niet zo gemakkelijk uitdrukken door iets op te schrijven en toch kiezen voor een brief. Waarom kiezen ze dan toch voor een brief? Omdat ze een brief terug verwachten. Het is een teken van respect en aanvaarding in de Rogeriaanse betekenis van het woord als we communiceren via een brief. We sluiten aan bij de vorm die het medegemeentelid heeft gekozen, die bewust voor het middel van de brief heeft gekozen.

(Waarom zouden we aan moeten sturen op een gesprek? In een voetnoot is Henning kritisch op de zinsnede: ‘Daar zouden we eens verder over moeten doorpraten (in een persoonlijk gesprek). Waarom zou dat persé moeten? Pastoraat kent immers veel meer vormen dan een persoonlijk gesprek.)

Een pastor schrijft
Het hoeft niet de eerste keuze te zijn van de pastor om zich door middel van een brief van zich te laten horen. Toch kunnen er redenen zijn voor een brief:

  • Eigenlijk was een bezoek gepast, maar er zijn redenen waarom het de pastor niet lukt om langs te komen. De brief komt dan in plaats van het bezoek. Daarmee krijgt de brief een eigen waarde ten opzichte van het beoogde gesprek. Vaak slagen zulke regels erin om meer pastoraat te zijn dan een gehaast bezoek, omdat de woorden met aandacht en toewijding geschreven zijn.
  • Een brief of een geschreven kaart kan als zodanig al worden opgevat als een pastoraal gebaar. Een jaar na het overlijden van een geliefde kan een brief een bezoek vervangen als de pastor niet aan een bezoek toekomt. Daarmee geeft de pastor aan, dat het overlijden niet vergeten is.
  • Een brief kan een gesprek aanvullen, wanneer het een gesprekspartner of de pastor zelf niet lukt om in een gesprek helder onder woorden te brengen wat hij of zij bedoelde.
  • De herderlijke brief, zoals dat vaak in kerkbodes gebeurt: een ‘geestelijke kunst’.


Vertrouwen
De brief is net zo vertrouwelijk als het pastorale gesprek. Iemand schrijft aan een pastor vanuit het vertrouwen dat zijn of haar brief vertrouwelijk wordt gelezen. Een ontvangen brief valt onder het ambtsgeheim. Ook een predikant, die aan een gemeentelid schrijft, mag ervan uitgaan dat de brief vertrouwelijk wordt gelezen en niet wordt doorgegeven aan anderen. Pastoraat door middel van een brief heeft dit vertrouwen nodig.
Pastoraat via een brief gebeurt op basis van vertrouwen dat er reeds is. Wie zich via een brief meldt, ervaart reeds dat vertrouwen. Wie een brief schrijft legt zich vast en geeft zich bloot aan het risico verkeerd begrepen te worden. Een brief geeft ook de mogelijkheid om nog eens te herlezen. Daardoor kan het gemeentelid steeds weer teruggrijpen op de brief.
Een brief is bedoeld om het vertrouwen te versterken. De brief is meestal niet bedoeld ter informatie, maar tot steun: om iemand vanuit het evangelie bij te staan.

Unieke
Pastoraat via een brief kost tijd en schenkt tijd. Dat is het unieke van pastoraat door middel van een brief.
Een brief kost tijd: de woorden worden zorgvuldig gekozen. Dat gebeurt met het oog op degene die de brief zal ontvangen. In zichzelf gaat degene die de brief schrijft de dialoog aan met degene die de brief zal ontvangen. Iemand probeert zich in een ander te verplaatsen. Daarbij komen de vragen boven: Begrijpt degene aan wie ik schrijf mijn woorden? Hoe komen mijn woorden over?
Een brief schenkt ook tijd. Een brief komt vaak in plaats van een bezoek. Bijvoorbeeld: een gemeentelid dat ergens ver weg moet revalideren ontvangt een brief, omdat een bezoek niet altijd mogelijk is. Degene die de brief ontvangt kan de brief op eigen tijd lezen. De brief kan ook steeds opnieuw gelezen worden.
Dat is het unieke van pastoraat via een brief: om meer tijd te nemen en te geven voor pastoraat aan schrijver en ontvanger van de brief.

Een brief komt aan
Voor een gesprek is er niet altijd gelegenheid. Een brief komt altijd aan. Wie geen bezoek wil, kan toch via een brief worden bereikt. De brief betreedt dat als een (pastorale) gast het huis van de ontvanger, verwacht of onverwacht. Van een brief wordt dezelfde hoffelijkheid verwacht als van een daadwerkelijk bezoek, gekenmerkt door een stijl van innige gevoelens van ontferming, vriendelijkheid, nederigheid, zachtmoedigheid, geduld (Kolossenzen 3:12).

Schrift en gebed in een brief
Pastoraat is bedoeld om de zielen te versterken en gebeurt vanuit het vertrouwen van Gods handelen. Het pastoraat is bedoeld om dat vertrouwen te versterken in Gods aanwezigheid en Zijn handelen. Pastoraat – ook via een brief – kan terugvallen op de Schrift. Niet omdat de Schrift voor elke gelegenheid een passende opmerking heeft, maar omdat de Schrift onder woorden brengt dat de mens altijd kan aankloppen bij God en zelfs tot God kan roepen. Wanneer iets vanuit de Schrift verwoord wordt, is dat niet omdat er in het pastoraat toch iets van verkondiging moet plaatsvinden, maar om het vertrouwen op God te versterken. Het Schriftwoord kan een spoor van God verwoorden. Dat spoor kan ook inhouden, dat degene aan wie geschreven wordt geen spoor kan vinden. Dan kunnen we vanuit de Schrift de klacht en het verstommen helpen te verwoorden.

‘Ik geloof helemaal niet dat ik voor u een woord heb dat u troost biedt’, schrijft Basilius aan een moeder van een jong gestorven zoon, ‘ik kan me alleen maar indenken dat u in deze omstandigheden vooral gebed nodig hebt. Daarom bid ik de Heer zelf, dat Hij u met Zijn onuitsprekelijke macht uw hart kan aanraken en en dat Hij uw ziel door goede gedachten licht schenkt, zodat u van binnen uit redenen tot troost ontvangt.’

Zo laat de pastor ruimte om nu verdrietig te zijn, niet aanspreekbaar voor woorden van troost. Hij beschut deze ruimte met zijn gebed en voorbede. Nu hoeft zij niets te doen. Zelfs niet te bidden. Zij mag het gebed aan een ander overlaten. De pastor kan haar hart niet aanraken of licht schenken, zodat haar hart verlicht wordt. De pastor wendt zich in gebed tot Hem, die de macht heeft het hart aan te raken. De pastor gaat tot Hem, die kan spreken: ‘Er zij licht.’

N.a.v.: Gerhard Henning, ‘Briefseelsorge,’ in: Idem, “Sonntags ist Kirche.” Studien zu Kirche, Gottesdienst und Seelsorge (Stuttgart: Calwer Verlag, 2008), p. 205-220. Eerder verschenen in 1997 in het tijdschrift Theologische Beiträge.