Preek zondag 23 april 2017

Preek zondag 23 april 2017
Bevestiging jeugdouderling.
Jeremia 16:14-18
Johannes 21:1-19 (tekst vers 15)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In heel de Bijbel zien we dat de Heere van mensen gebruik maakt voor Zijn dienst.
Er zijn profeten geweest, die Zijn boodschap verteld hebben.
Koningen, die namens God over Zijn volk regeerden.
Priesters, die in de tempel dienst deden om te offeren en te bidden voor het volk.
In het Nieuwe Testament komen daar de discipelen erbij en later diakenen en apostelen,
mensen die op pad gingen om het evangelie te verkondigen en gemeenten te stichten,
en als zo’n gemeente er dan was, een taak hadden om de gemeente intern op te bouwen.
Ook vandaag de dag maakt de Heere gebruik van mensen om Hem te dienen,
met bijvoorbeeld taken binnen de kerk: predikanten, ouderlingen en diakenen.
Dat zijn dan degenen die een ambt vervullen, maar zij niet de enigen.
Kijk alleen maar naar wat de koster doet, de organist, de leiding van de kindernevendienst.
Vandaag, bij de bevestiging, zien we dat weer opnieuw:
God maakt gebruik van mensen om Hem te dienen.
Wat een jeugdouderling mag doen, heeft wel iets weg van wat Christus tegen Petrus zegt:
Weid mijn lammeren!
Christus legt de zorg voor degenen die bij Hem horen bij mensen neer,
om in Zijn naam voor hen te zorgen, hen te weiden, hen te hoeden.
Dat is een eervolle taak dat je als mens iets mag doen in naam van je Heer.
Het is ook een spannende taak, want het is een hele verantwoordelijkheid:
Je doet het niet voor jezelf, maar voor je Heer
en wie zijn wij als mensen, dat wij dat kunnen doen?
Dat leeft hier in Oldebroek heel sterk:
Er zijn er die de eerste keer als ze benoemd of gekozen worden tot ambtsdrager
toch bedanken, omdat ze het idee van zichzelf hebben dat ze daarvoor niet geschikt zijn.
Die als ze de opdracht van Christus zouden krijgen: Hoed mijn schapen
daar nachten van wakker zouden liggen, van de verantwoordelijkheid
En zelfs als het zou gaan om het weiden van de lammeren, de kleintjes binnen de gemeente
dat nog niet durven aan te gaan,
misschien ook wel uit angst dat ze te weinig geloof hebben,
de moed niet hebben, omdat ze klein van zichzelf denken
en blij zouden zijn, dat zij niet als Petrus zijn gevraagd
en die blij zijn dat de vacature van jeugdouderling nu vervuld is,
zodat zij niet gevraagd hoeven te worden om iets te doen, om verantwoordelijkheid te nemen.
Weid mijn lammeren, hoed en weid mijn schapen
– daarin geeft Christus een verantwoordelijkheid aan mensen,
God maakt van mensen gebruik om Zijn koninkrijk te bouwen,
om Zijn gemeente te weiden en te beschermen.
Weid mijn lammeren, hoed en weid mijn schapen
Weiden en hoeden – dat doet een herder
en de herder, dat is allereerst de Heere Jezus.
Hij gebruikt ons als mensen, als gelovigen om iets van Hem te laten zien,
dat in wat we in de gemeente doen iets zichtbaar wordt van Christus zelf.
Dat mensen in de gemeente merken dat er een Herder is,
dat Christus de Herder is, omdat er mensen in de gemeente zijn met verantwoordelijkheid,
die ook als een herder zijn,
die de medechristenen, de andere broeders en zusters weiden en hoeden.
Voor een jeugdouderling, de taken binnen het jeugdwerk:
de kinderclubs, zondagsschool en kindernevendienst.

Hier wordt één leerling verantwoordelijk gemaakt voor het weiden en het hoeden lijkt wel,
maar dat is, denk ik, niet de gedachte.
Het gaat er niet om, dat de verantwoordelijkheid van één wordt neergelegd,
maar het is meer een aanwijzing van hoe wij binnen de gemeente met elkaar omgaan.
Voor elkaar een herder zijn, elkaar weiden,
meenemen naar de grazige weiden van Gods Woord,
meenemen naar de stille wateren, waar onze dorst naar God gelest kan worden,
waarin water de vinden is, bij Johannes beeld voor de Heilige Geest.
Weiden en hoeden, dat is andere gemeenteleden brengen bij Christus,
verantwoordelijk zijn voor elkaar.
Want klonk niet op een van de eerste bladzijden van de Bijbel die vraag:
Ben ik mijn broeders hoeder?
Ja, binnen de gemeente zijn we elkaars hoeder,
zijn we de hoeder van onze broeders en zusters,
en dat is niet alleen voorbehouden aan ambtsdragers,
al moeten ze wel zo hun taak invullen, dat ze niet voor zichzelf in de kerkenraad zitten,
maar om de gemeenteleden te weiden en te hoeden,
ook de lammeren van de gemeente, de kinderen en de jongeren.
Want zij zijn net zo goed onderdeel van de gemeente.
In de kerk tel je niet pas mee als je volwassen bent,
maar ook als je kind bent en jongere.
Vandaar dat er heel wat voor jullie gebeurt.
Dat doen we, zodat jullie Christus leren kennen als jullie herder
en dat je in de clubleiding of de leiding van de zondagsschool, van de jeugdouderlingen
iets zichtbaar ziet worden van Christus.
Dat je bij jezelf denkt: ik hoor verhalen over de Heere Jezus,
maar hoe ik kan geloven en wie de Heere Jezus voor mij is,
dat zie ik ook aan die jeugdouderling, aan die zondagsschoolleiders,
aan de andere mensen in de kerk.

Christus geeft die opdracht niet zomaar, je zou kunnen zeggen:
Er zit een voorwaarde aan vast om deze taak op je te kunnen nemen.
Een minimale eis, en dat is niet of je vergaderingen kunt leiden
en goed met kinderen en tieners kunt omgaan, of dat je goed in organiseren bent,
de vraag is of je van de Heere Jezus houdt.
Daar begint de Heere Jezus mee, voordat Hij deze taak aan Petrus toebedeeld:
Petrus, houd je van Mij?
Zou Jezus daar wel naar moeten vragen? Bij Petrus en bij ons?
Want had PEtrus nog niet zo heel lang geleden aangegeven
dat hij van Jezus niets moest weten, dat hij niet bij Jezus hoorde en zelfs Jezus niet kende.
Dat is een vraag, die je wel aan een kind zou kunnen stellen,
die daar heel spontaan: “Ja, natuurlijk!” op kan zeggen,
maar als je tiener bent, kun je daar soms al wat voorzichtiger op reageren,
en als volwassene kun je nog wat terughoudender zijn,
omdat je van jezelf niet altijd waar kunt maken, dat die liefde er altijd is
en dat je ook wel eens als Petrus bent, die de ene keer getuigt
en de andere keer wegloopt, omdat hij het niet ziet zitten bij Jezus te zijn in dat paleis.

Jezus vraagt aan Petrus niet naar zijn liefde voor Jezus als zodanig.
De Heere Jezus vraagt of de liefde die Petrus heeft sterker is dan die van de anderen.
Daarin klinkt iets door van concurrentie, jezelf met anderen vergelijken,
van jezelf vinden dat jouw liefde het sterkst is
en dat wat jij voor Christus doet meer is en gepassioneerder is
dan van andere mensen in de kerk.
Als ik het niet doe, dan staat er niemand op.
Zo heb ik het niet geproefd, eerder een bereidheid dat je iets wilt doen binnen de gemeente,
omdat je je verantwoordelijk voelt en je steentje wil bijdragen
en ik hoop, omdat je ook de mooie kant ziet van het weiden van de lammeren,
dat je dat graag, van harte voor Christus wilt doen.
Dat vergelijken kom ik wel eens tegen in de gemeente.
Dan zeggen de mensen: er is maar een handjevol mensen, die zich echt inzetten.
Het zijn steeds dezelfden.
Als je niet oppast, denk je van jezelf: Wat ik doe, is meer.
Mijn inzet overtreft die van anderen.
als dat je drijfveer is, om te laten zien wat jouw inzet is,
om te laten zien, dat jij niet beroerd bent om iets te doen, terwijl anderen het erbij laten zitten, voor je gevoel, dan heb je maar een beperkte basis en red je het niet
Want is dan de liefde voor Christus de basis, de zorg voor de gemeente
of uiteindelijk dat jij gezien wordt en jouw inzet echt op waarde wordt geschat?
Petrus, is jouw liefde groter dan die van de mede-leerlingen?
En liefde is hier ook praktisch: doe je meer, loop je harder?
Dat idee om te gaan vissen, wilde je daarmee iets laten zien naar de anderen toe?
Toen je overboord sprong, was dat echt om de Heer te ontmoeten
of zat daarin iets ook van: Kijk mij eens vol enthousiasme en spontaniteit zijn?
En toen ik vroeg om iets te halen, stond jij toen maar niet al te graag op
om de indruk te wekken dat die grote visvangst vooral aan jou te danken is?

Gemeente, ik heb zitten puzzelen, waarom de Heere Jezus vraagt naar het meer
van Petrus’ liefde, waarom Hij PEtrus dwingt om zich te vergelijken met de anderen.
Dat heeft met het paleis te maken, waar Petrus Jezus verloochende,
maar het zou ook wel eens te maken kunnen hebben, met het initiatief dat Petrus nam,
de avond ervoor: om te gaan vissen.
Ik was eerst van de gedachte, dat vissen betekent: je gewone werk weer oppakken,
maar in de afgelopen week kwam ik een verwijzing tegen naar het Oude Testament
waarin het beeld van vissen gebruikt wordt:
vissen die door een net uit zee, uit het meer worden gevist.
Dat is in Jeremia het beeld van de Joden die over heel de wereld zijn verspreid
en door God weer thuisgebracht worden.
Zoals een net veel vissen opvist, zo wordt door God elke Jood, waar hij of zij zich ook bevindt
opgehaald en thuisgebracht.
Zou Petrus van mening zijn, dat dat werk nu moet beginnen:
Niet terug naar huis, maar aan de slag, om overal vandaan de verstrooiden thuis te brengen?
Had Jezus dat niet gezegd: Als Ik aan het kruis verhoogd zal zijn,
zal Ik iedereen naar mij toe trekken, ook de Joden die in de diaspora zijn?
Zou Petrus de gedachte hebben gehad: nu moeten we daar maar mee beginnen?
We moeten wat gaan doen voor Jezus? Dat is onze taak?

Ze zijn bij elkaar aan de Zee van Tiberias.
Dat is niet zomaar, Johannes verbindt met eerder, ook aan de Zee van Tiberias,
toen er een grote menigte was, zonder eten.
Er was alleen een jongetje met 5 broden en 2 vissen
en Jezus maakte daar zoveel van, dat de hele menigte gevoed kon worden.
Op de plek hadden ze het kunnen weten: Jezus voorziet zelf in een ruime overvloed.
Maar als zij gaan vissen, de hele nacht door, vangen zij niets.
Wat zij voor Christus doen, dat levert niets op.
Dat is soms ook herkenbaar, en dat is soms ook heel pijnlijk,
dat je lang werkt, maar dat je aan het einde helemaal niets hebt: lege netten.
Dan staat er op die morgen een man aan de oever die vraagt om een kleinigheid.
Heb je niet een geslaagde clubavond, niet een goede vergadering,
een goed uitgevoerd actiepunt dat goed in de gemeente landde?
Kun je niet vertellen over één jongere die door jouw inzet is gaan geloven?
‘Wij hebben niets.’ Ze moeten het antwoord schuldig blijven.
Hadden ze misschien grootse verwachtingen gehad over wat ze Christus konden aanbieden?
Heere, in Uw afwezigheid hebben we deze oogst binnengehaald.
Kijk eens wat we U kunnen aanbieden?
Nee, niets – een teleurstellend antwoord, om machteloos van te worden.
De hele nacht gewerkt en niets gevangen.
Als je succes hebt, dan vergeet je soms ook wel hoe zwaar het was om te doen.
Maar als het niets oplevert, kun je daar erg ontmoedigd door worden.
Dan komt de teleurstelling des te harder aan.
‘Nee, ook al hebben wij de hele nacht hard gewerkt, wij kunnen U niets bieden.’
En dan zegt Jezus: werp het net aan de andere kant:
Zouden ze het niet geprobeerd hebben, die hele nacht door
als het niet lukte om het dan voor een andere boeg te gooien?
Zoals je ook als jeugdouderling of clubleiding van alles onderneemt,
als jij je doel niet bereikt en de opbrengst niet is wat je ervan verwachtte.
De andere kant: dat is vlakbij, dat is waar ze het allang hadden geprobeerd,
maar waar niets was te vinden, waar ze niets hadden gevangen.
De andere kant – dat is niet waar ze niet hadden gekeken,
maar dat is waar Jezus voorziet, binnen de gemeente, in de activiteiten die je onderneemt,
in je eigen geloofsleven – Jezus die voorziet en in grote mate schenkt.
Jezus verschijnt, waar de discipelen niets hebben, om hen te schenken,
niet een beetje, maar een overvloed, waarbij niemand tekort komt.
Jezus vraagt om iets erbij, toespijs, je hebt het niet, maar je ontvangt op Jezus’ bevel
een enorme zegen die je niet had verwacht en waar je niet meer op rekende.
En dan zitten ze aan een kolenvuur, net zo’n vuur er eerst was
in het paleis waar Petrus zich aan warmde, maar waar hij niet bij Jezus bleef.
Ze zijn al aan het eten en de vissen die binnengebracht zijn, zijn niet eens nodig.
Alles is al binnen, er is genoeg.
Is hun werk dan voor niets? zou je denken.
Maar nee, Jezus zegt: haal waar van wat jullie gevangen hebben.
Wat Hij daarmee bedoelt: eigenlijk hoeven jullie helemaal niets in te brengen,
want Ik breng alles al in.
Jullie werk is er alleen maar bij, als je het met mijn werk vergelijkt.
Maar dat mag er juist ook wel zijn.
Dat heeft zijn waarde, dat wordt gehonoreerd.
Hoe klein je bijdrage ook is en hoe schamel je oogst – Christus doet daar niet lacherig over.
Het mag meedoen, een bijdrage zijn aan die maaltijd.
Eigenlijk niet nodig, want alles is er al, maar het wordt niet weggeschoven.
Ons werk is er slechts voor erbij, eigenlijk is alles er al
en toch mogen we inbrengen, mogen we onze daden aanbieden:
Heer, dit hebben wij voor U gedaan.

En dan zitten ze aan de maaltijd, voor de tweede keer bij de Zee van Tiberias,
dat Christus hen eten geeft terwijl ze zelf niet hadden.
Ze durven niets te vragen, want ze zien hoe in hun eigen tekort Jezus geeft in Zijn volheid.
Ze worden gevoed, daar aan die maaltijd,
hongerig als ze zijn van een hele nacht hard ploeteren zonder resultaat,
hongerig als ze zijn van het binnenhalen van die zware last.
Ze worden verzadigd.
Dat is niet zomaar.
Dat zegt ook iets over het gemeentewerk.
Als Christus ons opdraagt, geeft Hij daarvoor al genoeg om te eten,
genoeg om het aan te kunnen, mogen we teren op wat Hij reeds aanreikte.
En die maaltijd is het beeld van het samenzijn, het samenleven met Christus,
dat we zijn waar Hij is.
Alleen vandaar uit kunnen we ook iets binnen de gemeente doen,
kunnen we medewerker van Christus zijn, als Hij ons eerst voedt en versterkt,
als Hij ons eerst weidt en hoedt.
Weiden en hoeden – dat is eigenlijk niet meer dan delen van de volheid van Christus,
uitdelen van wat je aan de maaltijd krijgt.
Waarbij het niet gaat of de een meer doet dan de ander,
maar of we het van die maaltijd vandaan halen,
Of wij zelf onze voeding bij Christus vandaan halen.
Petrus, heb jij Mij lief? Dat is de vraag of wij daar ook aan die maaltijd zitten,
Waar de opgestane Heer Zijn voedsel geeft om Zijn kerk te versterken.
Weid mijn lammeren en hoed Mijn schapen – dat is niet zomaar een losse opdracht,
Dat is een opdracht uit het gevoed zijn door Christus zelf,
een doorgeven van wat jijzelf van Hem ontvangen hebt.
Dat gaat niet in concurrentie, niet in vergelijken met elkaar,
maar dat gaat om de vraag of je wat je moet uitdelen wel van de goede plek vandaan hebt,
van die maaltijd, waar Christus is, waar je samen met Hem mag zijn
en je eigen geloof gevoed en gesterkt wordt.
Zelfs iemand die gezegd heeft Jezus niet te kennen en niet bij Hem te horen,
zelfs iemand die denkt te weten wat Hij voor Jezus moet doen,
mag aanzitten en zich eerst laten voeden en versterken en dan uitdelen.
Wat Jezus Petrus en ons wil leren is dat wat wij doen,
niets is als we het niet eerst van Hem krijgen.
Heeft dat ook niet met het kruis op Golgotha te maken,
dat daar, in de uitroep van Jezus “Het is volbracht!” dat daar onze liefde ontspringt
liefde die wij niet uit onszelf hebben, maar die bij Hem vandaan komt,
die door Hem in ons ontspringt
en naar anderen toegaat, om ook anderen te winnen voor Christus.
God maakt van mensen gebruik, mensen als Petrus, als deze jeugdouderling, als u en ik.
Hij geeft liefde – om vervolgens ons te bevragen op die liefde,
om vervolgens als wij kunnen belijden, misschien stamelend, dat wij van Hem houden,
die liefde mogen uitdragen aan anderen.
Aan kinderen en jongeren, aan mensen binnen en buiten de gemeente.
Zodat als Jezus aan hen die vraag stelt, zij mogen antwoorden:
U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd.
Amen

Preek zondagmorgen 12 april 2015

Preek zondagmorgen 12 april 2015
Johannes 21:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(Onder aan de kansel is een visuitrusting te zien: hengel, schepnet, laarzen, regenjas)

angeln

Het is wel te zien wat er gaat gebeuren: Ik ga vissen.
Zoals Petrus dat ook zei tegen zijn medediscipelen,
nadat de Heere Jezus ook verschenen was aan Thomas: Ik ga vissen.

Ik ga vissen – dat kan betekenen: ik ga wil er even helemaal uit zijn.
Met een stoeltje langs het water, urenlang alleen maar turen naar de dobber
en ondertussen hopen dat ik beet heb.
Er even helemaal uit zijn – daar kun je soms helemaal aan toe zijn.
Na een drukke periode bijvoorbeeld:
als clubleider tijdens het winterwerk, of als ambtsdrager na een periode van veel bezoekwerk.
Er even helemaal uit, helemaal tot jezelf komen.
Even geen gezeur om je heen en geen gedoe.
Je hoofd helemaal leegmaken en ontspannen.
Soms heb je dat echt even nodig, om alles weer op een rijtje te zetten.
Want als je druk bent, ga je maar door en ga je maar door.
Als je er een dag tussenuit gaat en niets anders doet dan een hengel uitwerpen
kun je nadenken over hoe je het op dit moment doet,
of je jouw leven wel goed hebt ingevuld, of dat je soms bepaalde taken moet laten schieten.
Ik heb stage gelopen bij een predikant, die zette bij elke nieuwe agenda die hij kocht
een kruis door de woensdagmiddagen: dan ging hij vissen.
Even geen gemeente, geen preekvoorbereiding, even tijd voor hem alleen.

Ik kan me goed voorstellen dat zoiets ook voor Petrus gold.
Er is zoveel gebeurd in de afgelopen tijd: Jezus die stierf aan het kruis,
het diepe verdriet en de heftige teleurstelling die daarmee gepaard ging
en daarna de opstanding, de vreugde.
Om zoveel emoties te verwerken moet je je soms terugtrekken,
alles even op een rij zetten door iets op te pakken, iets te doen.
Wat kun je dan beter doen dat je oude beroep, je oude stiel oppakken, weer aan de slag?
Tijdens het nachtelijk donker, als je op het water bent
en alleen het geluid van het water hebt dat tegen de boot aanklotst, de wind
en verder niets dan de stilte.

Ik ga vissen – wat Petrus zegt, kan ook een andere betekenis hebben.
Petrus pakt z’n oude beroep weer op.
Dus niet alleen er even tussen uit, om tot jezelf te komen,
maar een terugkeer naar het vroegere leven, naar de tijd voor Jezus in zijn leven kwam.
Niet om afscheid te nemen van Jezus, de opgestane Heer.
Zeker niet, maar nu Jezus uit de dood is opgestaan en weer verschenen is,
is het weer goed om het dagelijks leven op te pakken.
Het kan niet altijd feest zijn.
Deze eerste zondag na Pasen wordt ook wel Beloken Pasen genoemd:
Beloken – betekent het sluiten van de luiken; de feestperiode is afgesloten.
Na vangt het dagelijks leven weer aan.
Ik ga vissen – zoals de vissers van Elburg vroeger (voordat de Afsluitdijk er was)
op de Zuiderzee gingen vissen,
of de Urkers erop uit trekken om op de Noordzee te gaan vissen,
een hard bestaan soms, door weer en wind.
Ik ga vissen – dat betekent dan: mooi dat Jezus is opgestaan, belangrijk, onmisbaar!
Maar nu gaat het dagelijks leven weer verder.
Er moet ook wat gedaan worden, en niet alleen voor de Heer,
maar ook voor mijzelf, voor mijn gezin, brood op de plank.
Zo is het voor ons allemaal, denk ik: mooi dat het Pasen is geweest,
maar nu gaat het leven weer verder.
Wel vanuit het geloof dat Jezus is opgestaan, maar we pakken ons dagelijks leven weer op.
Het feest is afgesloten, de luiken gaan dicht, weer het gewone leven.
Petrus gaat niet alleen; uiteindelijk gaan z’n met z’n 7en.
Met z’n allen aan de slag.

Als je dan maar resultaat hebt.
Als je resultaat op je werk hebt, geeft dat voldoening.
Ook al heb je hard moeten werken.
Het harde werken wordt verzacht door het uiteindelijke resultaat,
want je hebt het niet voor niets gedaan.
Je inspanning is niet voor niets geweest.
Maar als je na hard werken niets hebt behaald, geen enkel resultaat,
is het harde werken des te teleurstellender
en wordt de moeheid nog sterker gevoeld.
In die nacht vingen ze niets – geen enkel resultaat op je werk.
Dan zie je niet meer dat je het morgen wordt en de zon opkomt
en God een nieuwe dag doet aanbreken.
Dan kun je alleen nog maar denken: ‘Het is niets geworden.’

Als de opkomende zon die teleurstellende nacht begint te verdrijven
staat er op de oever een man.
Hij staat daar als Zijn leerlingen uit die harde werkelijkheid komen van de nacht zonder resultaat.
Ze herkennen Hem niet.
Komt dat omdat ze zo afgepijgerd zijn, zo vermoeid en vol teleurstelling?
Komt dat omdat Jezus zo’n heel anders lichaam heeft als de opgestane?
Ook Zijn stem herkennen ze niet als die stem over het water naar hen toekomt.
Is het de vermoeidheid of de teleurstelling dat zij Hem ook niet horen,
wanneer Jezus hen liefdevol aanspreekt: ‘ Mijn lieve kind.’
Want zo roept Jezus hen toe over het water: ‘ Mijn lieve kinderen,je hebt zeker niets voor me?’
In de vraag van de man aan de oever was het antwoord al besloten:
‘ Mijn lieve kind, jongen, je hebt zeker niets voor me.’
Daar klinkt iets in door van: man, we kunnen je vraag op dit moment niet hebben.
Zie je dan, man op de oever, dat we zelfs geen spierinkje hebben gevangen?
Dat onze netten na die hele nacht net zo leeg zijn als toen wij het water opgingen?
Je vraag kunnen we nu niet hebben.
Dat is voor ons herkenbaar toch, dat als Jezus aan ons verschijnt, de opgestane Heer,
dat wij Hem niet herkennen.
Dat we daarom ook niet horen, dat Hij ons roept,
terwijl Hij daar aan de oever staat, naar ons roept over het water
dat ons niets gegeven heeft.
Zouden wij de opgestane Heer maar herkennen als Hij aan ons verschijnt.
Hebt u dat ook niet, als u dit gedeelte leest en op u laat inwerken:
verscheen Hij maar ook eens aan mij?
Ik vind het een mooi gedeelte, het raakt mij deze ontmoeting van Jezus
na die nacht die voor de discipelen verstreken is na zoveel zinloos werk
en het roept ook het verlangen in mij op: verscheen Hij maar aan mij.
Want ik heb ook die momenten dat je hard werkt,
maar het resultaat is niets
en als er dan iemand vraagt naar het resultaat van mijn werk
is dan het antwoord net zo kort als dat van de leerlingen op die man aan de oever:
‘ Nee.’ Zitten we niet in hetzelfde schuitje?
En daarom heb ik die visspullen meegenomen: de hengel, de laarzen, het net, de regenjas.
Zodat als u, jij weer nadenkt over die vraag: hoe kan ik de opgestane Jezus ontmoeten?
Dat je je dit verhaal herinnert.
Dat je misschien aan die hengel en die laarzen terugdenkt, als hulpmiddel,
maar vooral aan dit gedeelte in de Bijbel:
er was een keer, dat de discipelen zeiden: ‘ Ik ga vissen.
Er even tussenuit, want het is mij te veel.
Of gewoon het alledaagse leven weer oppakken
en toen, toen verscheen Jezus aan hen.’

Daar gaat het juist in dit verhaal, in deze ontmoeting om.
Dat Jezus, de levende, verschijnt, ook aan ons.
Terwijl we het niet doorhebben, dat Hij het is.
Hoe goed we de vermoeidheid en de teleurstelling ook kunnen aanvoelen
van de leerlingen met hun vergeefse arbeid,
dit verhaal gaat over de verschijning van Jezus.
Voortdurend worden we er aan herinnerd
dat het hier gaat om de verschijning van Jezus: de derde verschijning.
Aan het begin al, voordat Petrus zegt: ‘ Ik ga vissen’
en de leerlingen met z’n 7en direct in de boot stappen.
Een verschijning van Jezus, de 3e en laatste, een finale.
En die vraag van Jezus herinnert aan die keer, bij ditzelfde meer,
toen de leerlingen ook niets hadden.
Toen niets hadden om die grote menigte te voeden (Johannes 6)
en ze het moesten hebben van een jongetje die maar iets bij zich had,
een kleinigheid, waar de menigte niet mee gevoed kon worden,
net zoals de leerlingen de man aan de oever ook niet konden voeden met een leeg net.
Ook die gebeurtenis, toen Jezus die menigte van brood voorzag
door dat kleine beetje dat die jongen bij zich had, was bedoeld om te laten zien
wie Jezus is: Ik ben het brood des levens.

Nu staat aan de oever van het meer, terwijl de zon opkomt om de nacht te verdrijven
aan het oever het Brood des levens en vraagt hen:
‘ Mijn lieve kind, je hebt zeker niets voor mij? Ook niet een kleinigheidje?
Ook niet iets voor erbij?’
Hier aan de oever staat de Schepper van hemel en aarde
die zelf het licht van de wereld is om het donker van de leerlingen te verdrijven,
het donker van de vermoeidheid en de teleurstelling, van het gebrek aan resultaat.
Dit licht valt al reeds over hun boot, het licht van Jezus de opgestane Heer
en ze zien het nog niet, omdat hun ogen nog niet open gegaan zijn.
Aan de oever staat het brood des levens, dat aan hen wil geven.
Ze hoeven en kunnen Hem niets aanbieden, ze hebben niets,
maar ze hebben nog niet door
dat het er niet om gaat, dat zij iets aan die man aan de oever kunnen aanbieden,

maar dat Hij voor hen het brood des levens is,
alles wat zij nodig hebben.
Terwijl de stem over het water hen roept,
hebben ze het nog niet door dat het de stem van de goede herder is
die Zijn schapen kent,
maar Zijn schapen herkennen nu nog niet Zijn stem,
want ze weten nog niet dat Hij het is.
Het licht dat opkomt over hun schip, over hun leegte, hun niets,
de stem die hen tot zich roept,
ze hebben het nog niet door dat het Jezus is.
Ook dat is herkenbaar – en ook hier zitten we in hetzelfde schuitje als de discipelen.
Het licht van Jezus, de opgestane Heer, gaat over ons leven op.
En we hebben het nog niet door, onze ogen zijn er nog niet voor open.
Hij verschijnt terwijl wij uit de nacht van ons harde werken zonder resultaat komen,
en Zijn licht doorbreekt al onze nacht,
maar ook wij zien niet dat het onze Heer is, die daar staat
en het tegen ons zegt, haast op een plagerige toon,
zoals een meester een leerling ziet aanmodderen
en ook ziet dat de leerling vlakbij de oplossing is:
‘ Ach, jongen, het lukt zeker niet. Laat mij je helpen.’
Zo staat onze Heer en zegt het tegen ons: ‘ Mijn lieve kind, je hebt zeker niets?
Ook geen klein visje, geen spierinkje voor mij?’

Is dat niet hard van onze Heer, dat Hij ons wijst op onze leegheid,
is dat niet een soort gemeen, dat Hij juist wijst op ons gebrek
zodat we moeten toegeven dat wij niets hebben?
Nee, want dit verhaal, deze ontmoeting, zit vol verwijzingen naar eerder in het evangelie
en de vraag die de Heere Jezus stelt als Hij verschijnt
gaat terug naar Zijn gesprek dat Hij hield om Zijn leerlingen voor te bereiden
op de tijd dat Hij er niet meer in hun midden zal zijn.
Zonder Mij kunt u niets doen – dat is het negatieve en ook de waarschuwing.
Petrus en alle andere leerlingen: je kunt wel gaan vissen, er zelf op uittrekken,
maar je vangt zonder Mijn hulp helemaal niets.
Zonder Mij, de opgestane Heer, is je leven net zo leeg als jullie net.
Maar die waarschuwing staat in een gedeelte vol belofte,
de belofte namelijk, dat wie in Jezus blijft, vrucht zal dragen.
Ik ben de Wijnstok, u de ranken; wie in Mij blijft, en Ik in hem, die draagt veel vrucht, want zonder Mij kunt u niets doen.
Wie in Jezus is, wie zoals een rank in Jezus is, die draagt vrucht.
Zonder onze Heer beginnen wij niets.
Maar als we met Hem verbonden zijn, dan hebben wij het leven
en groeit er uit ons de vrucht, zijn onze netten vol.

En het bemoedigende van deze ontmoeting is dat als wij niets hebben
dat voor ons een teleurstellende ervaring is,
een hard gelag waar we zomaar nog niet klaar mee zijn,
die voor ons soms een kras op onze ziel kan geven, een waarom in ons oproept.
Maar voor Jezus is dat het moment om Zich te laten zien,
om te verschijnen, om te laten zien wie Hij is.
Het brood des levens, die ons voedt en van wie wij leven.
Wij geven Hem niet. Hij heeft onze vangst niet nodig,
maar we mogen bij Hem aan de maaltijd zijn.
Hij geeft ons alles – aan de maaltijd geeft Hij zichzelf, het brood des levens.
Juist als wij gaan vissen, als wij er de behoefte hebben
er tussen uit te gaan, of ons gewone leven weer willen oppakken.
Dan is Hij er. Onverwacht en onvermoed, maar Hij staat er.
En zegt: jij hebt niets voor mij, maar Ik heb alles voor jou,
ontvang van Mij en je hebt alles wat je nodig hebt.
Amen

(Het idee van deze predikant deed ik op bij mijn voorganger uit Ilpendam, bij een cursus Preken met Pasen.)

Preek zondagmorgen 21 april 2013

Preek zondag 21 april 2013 ochtenddienst
Johannes 21:1-19
Tekst: vers 15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat zou u antwoorden als de vraag van de Heere Jezus aan Petrus ook aan u wordt gesteld: “Heb je Mij lief?” Het is nogal een persoonlijke vraag. Zou u daar antwoord op kunnen geven voor uzelf?

Ik wilde eerst anders beginnen. Mijn eerste begin was: Soms ben je blij dat een vraag aan iemand anders gesteld wordt. We zijn blij dat deze vraag aan Petrus gesteld wordt – en niet aan ons.
Maar toen dacht ik: “Stel dat er toch mensen hier in de kerk zijn, die zeggen: ‘Ja, als het aan mij gevraagd zou worden, zou ik zeggen: Ja, ik houd veel van U. Zielsveel.’

Ik dacht aan de kinderen die er in de kerk zouden zijn. Ik dacht eraan wat jullie antwoord zou zijn, als de Heere Jezus aan jullie zou vragen: ‘Houd je van Mij?’ Ik zag zo voor me, dat jullie gezicht zou stralen en dat je zou zeggen: ‘Of ik van de Heere Jezus houd? Nou en of!’

Want ik kom dat in de gemeente gelukkig veel tegen: oprechte liefde voor de Heere Jezus. Die elke dag uit de liefde voor de Heere Jezus willen leven en ook hier vanmorgen gekomen zijn om die liefde weer te versterken.
Mijn Jezus, ik houd van u – is niet voor niets een geliefd lied, zoals wel meer liederen die over de liefde voor de Heere Jezus gaan. Sommigen zijn gisteren naar de Nederland Zingt-dag gegaan waar ook over die liefde gezongen zal zijn. Die liederen zullen vermoedelijk uit volle borst gezongen zijn.

Wat zou u antwoorden op de vraag van de Heere Jezus: Hebt u Mij lief? Het kan best zijn, dat u er over nadenkt en bij uzelf denkt: ‘Ja, ik houd wel van de Heere Jezus, maar of het genoeg is? Of mijn liefde oprecht is? Ik durf dat niet te zeggen.’
Dat antwoord kom ik namelijk ook wel tegen. Gemeenteleden die aarzelen. Die zich herkennen in het antwoord dat Petrus aan de Heere geeft: ‘Of ik van U houd, Heere Jezus? Dat weet u beter dan ik. Ik zou dat van mijzelf niet zeggen.’ Het kan een van de redenen zijn voor het uitstellen van het doen van belijdenis, omdat u er voor uzelf nog niet uit bent, of uw liefde wel oprecht is. Elke keer als u in het kerkblad leest, dat er een mogelijkheid is om belijdenis te gaan doen, denkt u erover serieus over na, maar u stelt het toch weer uit. Elke keer als de ouderling op huisbezoek erover begint, zegt u: “Ik weet niet of ik er aan toe ben.’
De ouderling die u voor uw gevoel u over de streep wil trekken – want geloof me: er is voor een ouderling een bijzondere ervaring om op huisbezoek te mogen horen: wij hebben besloten om belijdenis te gaan doen. Als iemand uit de wijk na lang wikken en wegen, of na een tijd van worstelen toch kan antwoorden: “Ja, Heere Jezus, ik heb U lief met heel mijn hart.”

Overigens, de eerste keer vraagt de Heere Jezus niet zomaar naar de liefde van Petrus voor Hem. Hij vraagt Petrus om zich te vergelijken met de andere discipelen. Petrus, is jouw liefde voor Mij groter dan die van de andere discipelen? Petrus, is jouw liefde het grootst van allemaal?
Ik kom nogal eens tegen dat gemeenteleden hun geloof vergelijken met die van een ander. En dan komen zij er zelf uit die vergelijking niet zo goed af. Ik heb niet zo’n groot geloof als de ouderlingen voor in de kerk.
Een ander zegt weer: ik heb niet zo’n groot geloof als mijn zuster, want die veranderde heel haar leven toen zij tot bekering kwam. Alles ging de deur uit. Zo ver ben ik nog niet. Ik zit nog teveel vast aan het aardse. Er moet nog heel wat gebeuren in mijn leven voor ik zover ben…
Wie op zo’n manier zijn eigen geloof vergelijkt, blijft steken. die zegt: het is onmogelijk, dat ik veel verder kom.
De Heere Jezus vraagt echter niet aan Petrus en ook niet aan u: hoe staat uw geloof ervoor als u uzelf vergelijkt met iemand anders?
Als de Heere Jezus deze vraag aan Petrus stelt: Is jouw liefde groter dan die van de anderen? is deze vraag bedoeld om Petrus naar Zich toe te krijgen, dichter bij Hem te krijgen. Dat doet de Heere door naar Zijn liefde te vragen.

Eigenlijk is het maar een rare vraag van de Heere Jezus aan Petrus. En wellicht hebben de andere discipelen ook hun wenkbrauwen gefronst toen de Heere Jezus deze vraag aan Petrus stelde: welke kant wilde de Heere Jezus met Petrus naar toe? Want als je ziet wat Petrus allemaal doet: hoe hij die morgen in de weer is geweest, dan is het toch duidelijk dat Petrus de Heere Jezus liefheeft en alles voor Hem overheeft. Petrus was overboord gesprongen om zo snel mogelijk bij de Heere Jezus te zijn. Dat was toch een teken van Petrus’ liefde voor Christus? En later, toen zij met z’n allen om het kampvuur zaten en de Heere Jezus vroeg om de vissen te brengen die zij gevangen hadden, was het Petrus toch die aan de slag ging met de vissen?
Goed, Petrus heeft eerder bij een kolenvuur gezeten en daar bij dat kolenvuur in het hof van de hogepriester heeft hij de Heere Jezus verloochend. Maar valt hen allemaal niet iets te verwijten? Hadden ze niet allemaal de Heere Jezus in de steek gelaten?
Misschien hadden ze wel gedacht: ik ben blij dat de Heere Jezus deze vraag aan Petrus stelt en niet aan mij. Want wat had ik moeten antwoorden? Het antwoord zou niet veel anders zijn dan dat van Petrus: Heere, u weet dat.

De vraag van de Heere Jezus is een vraag naar de motieven van Petrus, waarom hij dit deed: waarom hij overboord sprong, waarom hij het werk van de discipelen overnam door het vis te sorteren. Petrus, deed je dat om te laten zien, dat je toch weer om Mij geeft? Petrus, wil je laten zien dat je voor Mij toch barrières weet te overwinnen? In de voorbereiding kwam ik discussie tegen of Petrus wel kon zwemmen.
We lazen met elkaar dat Petrus, zodra hij weet dat het de Heere is, zich geen moment bedenkt,
zijn mantel pakt en overboord springt. In de uitleg van Johannes 21 is er een discussie over de vraag of Petrus wel kon zwemmen. In deze discussie wordt ook verwezen naar Mattheüs 14, waarin verteld werd dat Petrus op het water wandelde: Toen ging Petrus Jezus tegemoet.

Petrus is uit op een ontmoeting met de Heere Jezus, want hij slaat zijn mantel om. De kinderen hier in de kerk weten wel dat zwemmen met kleren moeilijker is dan zwemmen in een zwembroek. Je zwemt makkelijker als je niets aanhebt. Met kleren aan zwemmen is zwaar. Dat doe je niet in de eerste lessen van de zwemles, maar pas op het eind als je bijna af moet zwemmen voor diploma.
Omdat Petrus de Heere Jezus wil ontmoeten, trekt Petrus zijn mantel aan. Petrus doet dat niet zomaar. Er wordt ook een verklaring voor gegeven: want hij was naakt.
Bij zijn werk op het schip was dat geen probleem, maar als hij de Heere Jezus gaat ontmoeten, wanneer hij de Heere Jezus tegemoet snelt, valt het hem op eens op: ik ben naakt. Als Johannes zulke details geeft, moeten we altijd opletten.
Want het is een herinnering aan de allereerste keer dat de mens besefte naakt te zijn: in het paradijs, nadat Adam en Eva hadden gegeten van de boom. Jezus die verschijnt en zichzelf onthult – Petrus die het te horen krijgt dat het Jezus is en zijn naaktheid verhult. Petrus, die beseft: zo kan ik niet voor de Heere verschijnen. En toch ook getrokken. Want er zit nog meer in dat omdoen van het bovenkleed.
Het verwijst ook terug naar de voetwassing, waarbij de Heere Jezus ook iets omdeed. Johannes gebruikt in zijn evangelie een woord dat alleen nog bij die gebeurtenis terugkomt.
In deze daad van Petrus – het omdoen van zijn mantel en het overboord springen – ligt veel besloten. Het is een ambivalente daad, hinken op twee gedachten: moet ik mij verbergen voor de Heere – of moet ik overboord springen om Hem te dienen zoals Hij mij gediend heeft? En wellicht is dat ambivalente, dat hinken op twee gedachten wel kenmerkend voor het geloofsleven: aan de ene kant worden wij getrokken, de bereidheid en het verlangen om de Heere te dienen en aan de andere kant: de neiging om ons te verstoppen, te camoufleren.
O, Heer verberg U niet voor mij, wanneer ik mij verberg voor U.
Gij weet het, ik ben bang voor U, ontwijk u en verlang naar U –
o ga niet aan mijn hart voorbij.

Petrus, heb jij Mij lief – dat is een andere vraag dan de vraag die Adam kreeg toen hij zich verstopte voor de Heere. Adam kreeg de vraag: Adam waar ben je? Adam werd tevoorschijn geroepen. Ook Petrus wordt naar voren geroepen. Petrus, de liefde voor Mij – is die liefde er werkelijk? Of is het een soort compensatiegedrag? Afkopen? Deed Petrus het om zijn liefde te bewijzen? Om te laten zien, hoeveel hij van Jezus houdt? Om Jezus te pleasen?

En kijk eens naar het antwoord van Petrus: Heere, u weet het… U weet hoe ik het bedoelde, toen ik overboord sprong, toen ik die vissen haalde. U prikt erdoor heen. Heere, U voelt haarfijn aan hoe ik het bedoel… Nu ga ik ervoor, maar wellicht komt er een moment waarop ik U weer teleurstel, U weer verloochen. In het antwoord van Petrus zit een dubbelheid: ja – zegt hij. Maar tegelijkertijd zwakt hij het wel af. Ja, maar liefde is misschien wel een te groot woord.

Petrus zwakt zijn antwoord af. Waar de Heere Jezus hem op zijn liefde bevraagt, vraagt of zijn liefde alles overstijgt, geeft Petrus aan: liefde is misschien een te groot woord. Want liefde moet ook in praktijk gebracht worden. Het is gemakkelijk om te zeggen dat ik van U houd, maar het moet ook wel uit mijn daden blijken.
Zoals dat gemeentelid dat zegt: ik kan wel zeggen dat ik van de Heere Jezus houd, dat ik belijdenis wil doen, maar ik zit nog te vast aan het aardse. Het moet wel blijken of mijn geloof echt is. Petrus zwakt het dan maar af: Kan ik nog zeggen dat ik U liefheb? Heb ik nog wel het recht om tegen U te zeggen dat ik van U houd? U kent Mij! Laten we het erop houden dat ik een vriend van u ben. Of ik U liefheb? Ja, ik wil u als een vriend bijstaan en helpen.

Dan geeft de Heere Jezus een verrassend antwoord. Voor Petrus is het een afzwakken van zijn liefde.
Een aarzeling: je weet maar nooit of ik nog eens faal, of ik nog eens uitglijd. Maar de Heere Jezus geeft aan deze Petrus, die het niet volmondig kan toegeven, een taak. Petrus als je voor mij een vriend bent, als je een slag om de arm houdt omdat je van jezelf niet zeker bent, dan heb ik een taak voor jou. Want als je Mijn vriend ben, dan weet je Wie ik ben, dan weet je waarom Ik in deze wereld gekomen ben.
Voor ons is dat een vreemde gewaarwording, dat iemand als Petrus zo’n belangrijke taak krijgt: het weiden van de lammeren. De zorg voor de kleintjes, de zwakken, de beginnelingen in het geloof.
Wanneer wij iemand in het bedrijfsleven voor een functie gevraagd wordt, moet hij of zij er in geloven, in zichzelf, of geloven dat hij of zij het kan leren. In het koninkrijk van God werkt het anders: degene die van zichzelf weet – liefde is een te groot woord, want wie weet zullen wij falen op een moment waarop wij er moeten staan.
Jezus had hoge verwachtingen van Petrus gehad. Hij noemde hem een rots, een man op wie Hij kon bouwen. Uitgerekend deze steunpilaar viel om, liet Jezus vallen.
Maar uitgerekend deze Petrus op wie niet gebouwd kon worden, mag opnieuw een steunpilaar worden.
De man die viel mag voorkomen dat anderen vallen, de man die niet hield, mag anderen steunen.
Petrus degene die Jezus verloochende krijgt een belangrijke taak. Bemoediging voor ambtsdragers!
Hoe zingt het koningslied – mocht je de weg verliezen – Christus!

En dat niet omdat de liefde van Petrus toch zo groot bleek te zijn. Nee, omdat Jezus liefhad. Omdat de Heere Jezus werkelijk een vriend was, waar Petrus faalde, ging de Heere Jezus door. Waar Petrus omviel, bleef de Heere Jezus overeind.
Zijn liefde voor ons geeft aan ons de mogelijkheid om Hem lief te hebben.

Wat zou ons antwoord zijn op de vraag van de Heere Jezus? Heb jij Mij lief? Als u aarzelt, als u niet weet of uw liefde oprecht is, kunt u zeggen: ik weet niet of ik u liefheb. Ik weet niet of ik mij Uw vriend mag noemen. Ik weet wel, dat U van mij houd.

Petrus krijgt nog een kans om te laten zien dat hij van de Heere Jezus houdt. Voor Zijn sterven kondigde de Heere Jezus aan, dat Petrus Hem zou verloochenen. Nu gaat de Heere Jezus bijna weg – nu kondigt de Heere Jezus aan dat Petrus zou stand houden. Voor Petrus komt er ook een kruis. Net als Jezus zal Petrus de kruisbalk dragen, zal Petrus wel standhouden en zijn dood zal velen bemoedigen en sterken. In zijn sterven zal hij de Heere Jezus verheerlijken. Petrus, jij die faalde mag een voorbeeldfiguur zijn. Vanaf nu mag je het aan beginnelingen laten zien wat het betekent om bij Mij te horen, mag je hen onderwijzen en hen begeleiden – zelfs tot in je dood.

De Heere Jezus durfde het aan met Petrus, die Hem verloochende en zelfs na de opstanding iets dubbels in zijn houding naar Jezus had. Hij durft het ook aan met u en met jou.Misschien aarzelt u nog wel. Houd ik oprecht van de Heere Jezus? Ben ik Zijn vriend? Heere, u weet alles. Dan zal Hij zeggen: kijk maar naar Mijn handen, de littekens, Ik deed dit voor jou / u.

Heb jij Mij lief?
Amen