Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Al enige tijd staat het missionaire werk op de agenda van de kerk. Daarbij is het het winnen van jongeren voor het evangelie weer een specifieke taak, omdat jongeren vaak zich in eigen leefwerelden bevinden én de afstand tot de kerk vaak groot is. Dat vraagt dan ook weer om een specifieke doordenking en een specifieke aanpak.

Florian Karcher en Germo Zimmermann, die beiden als docent betrokken zijn bij de CJVM-Hochschule (een particulier Duits missionair opleidingsinstituut dat ook door de staat is erkend), hebben een handboek Missionair jongerenwerk geredigeerd. In het eerste hoofdstuk geven zij een aftrap door de doelen, uitgangspunten en dimensies van het missionair jongerenwerk te schetsen.

c5c0f1c6-7c50-464a-9574-82dfeb5e661c
I. DOELEN

In het beleidsstuk van de EKD waarmee beoogd werd de missionaire uitdaging kerkbreed op te pakken wordt gesteld dat het aanspreken van mensen om hen tot geloof te wekken behoort tot alle terreinen van de kerk. Het missionair jongerenwerk wil dat aanspreken met als bedoeling met geloof in aanraking te brengen of tot geloof bewegen oppakken met het oog op jongeren. Missionair jongerenwerk heeft verschillende doelen:

1.1 Verwerkelijking van de zendingsopdracht van de kerk
Missionair jongerenwerk is afgeleid van het zendingsbevel (Mattheüs 28:16-20). Een missie houdt in dat je gezonden wordt door iemand. In het geval van missionair jongerenwerk door Christus (de missio Dei). Bij een missie wordt je ook naar iemand toe gestuurd. In het geval van missionair jongerenwerk: naar jongeren toe. Missionair houdt in dat er aandacht voor geloof is en dat jongeren uitgenodigd worden om te geloven. Het evangelie hoeft niet achterwege te blijven.

1.2 Sociaal-pedagogische verantwoordelijkheid
Missionair jongerenwerk vindt plaats in een maatschappij die het van groot belang vindt dat jongeren zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige volwassenen, die hun eigen keuzes kunnen maken en voor hun eigen leven verantwoordelijk zijn. Missionair jongerenwerk heeft tot taak de jongeren in dit proces van subjectwording te steunen en uit te dagen. In het missionair jongerenwerk gaat het niet alleen om aandacht voor het evangelie, maar ook om een bijdrage te leveren aan de persoonlijke vorming en ontwikkeling van jongeren.

1.3. Christelijke opdracht tot vorming en toerusting
In theologisch opzicht vormt vorming en toerusting van jongeren geen bijzaak. Ook voor het missionair jongerenwerk is vorming en toerusting geen bijzaak, maar is vorming en toerusting onlosmakelijk met missionair jongerenwerk verbonden. Die vorming en toerusting gebeurt op veel manieren: door te ervaren, door relaties, door kennisoverdracht, enz. Veelal gebeurt het op een informele manier.

kinder

II. UITGANGSPUNTEN
Jongerenwerk wordt gekenmerkt door een uitnodigende openheid en toegankelijkheid, door vrijwillige deelname, door participatie van jongeren. Missionair jongerenwerk vormt daar geen uitzondering op. In het missionair jongerenwerk zijn in ieder geval de volgende uitgangspunten van belang:

2.1 Respectvolle houding
Missionair jongerenwerk gebeurt in een pluralistische en multireligieuze samenleving. Dat vraagt om:
– een respectvolle benadering van elke jongere, ook van de jongeren die andersgelovig zijn.
– het tegengaan van manipulatie. Jongeren mogen nooit gemanipuleerd worden om gelovig te worden.
– het helpen van de jongeren om ook kritisch op het christelijk geloof te kunnen reflecteren.
– jongeren te zien als subject (dat wil zeggen dat zij over hun eigen leven hun eigen beslissing kunnen nemen en dat zij bepaalde verantwoordelijkheden kunnen dragen).
– een begeleiding naar een eigen, zelfstandig geloof.
– de keuze bij jongeren te laten over wat zij voor zichzelf plausibel en relevant voor hun eigen leven vinden.

2.2. Aandacht voor de verschillende sociale milieus
Missionair jongerenwerk heeft als doel om jongeren te bereiken in hun eigen leefwerelden. Daarbij dient er rekening mee gehouden worden, dat recent onderzoek naar de sociale milieus ervan uitgaat dat er verschillende sociale milieus zijn waartoe jongeren behoren. Er is niet één jongerencultuur. Deze sociale milieus worden inzichtelijk gemaakt aan de hand van demografische kenmerken.
Deze inzichten in de verschillende sociale milieus waartoe jongeren behoren zijn niet alleen belangrijk om hen te bereiken in hun sociale milieu. Het is ook van belang om voor de jongeren inzichtelijk te maken wat het evangelie concreet voor het dagelijkse leven in dat sociale milieu inhoudt.

zie voor meer informatie: hier

2.3. Mogelijk maken van democratische participatie
In het jongerenwerk – en dus ook in het missionaire jongerenwerk – is van belang dat jongeren zelf mee kunnen werken en mee kunnen denken en bepalen.

2.4 Resource-geörienteerd en YouthEmpowerment
Wanneer we ervan uit kunnen gaan dat elk mens van God gaven en talenten heeft ontvangen, gaat het er in het missionair jongerenwerk erom de bekende gaven en talenten in te zetten (resource-geörienteerd). Daarnaast gaat het erom op het spoor te komen wat een jongere in potentie in zich heeft en dat verder te helpen te ontwikkelen (YouthEmpowerment).

2.5 Relatiegericht
In het missionair jongerenwerk zijn draagkrachtige relaties van belang, waarbij leiders authentiek en betrouwbaar zijn. Vaak zijn degenen die zich inzetten in het missionair jongerenwerk gedreven. Ze hebben een persoonlijke motivatie om het geloof door te geven. Ook al doen zij dat vaak als vrijwilligers, het vraagt wel om een professionele inzet. Zeker met jongeren uit precaire sociale milieus is een professionele houding van belang.
Uit onderzoek is gebleven dat persoonlijke relaties, de ervaring onderdeel te zijn van een gemeenschap, betrokkenheid op sociale milieus en het inzichtelijk maken van wat het evangelie voor iemand persoonlijk kan betekenen een belangrijke bijdrage leveren als iemand tot geloof komt.

III DIMENSIES
Alle dimensies van de kerk kunnen hun bijdrage leveren aan het missionaire werk. Deze dimensies moeten niet behandeld worden als verschillende sectoren binnen de kerk, die niets met elkaar te maken hebben.

3.1 Martyria:
in het missionair jongerenwerk wordt het evangelie van Jezus doorgegeven
Een belangrijke manier om het evangelie door te geven is door erover te spreken. Bijvoorbeeld door een preek in een missionaire dienst, in een overdenking tijdens een jongerenvakantie, in een toespraak tijdens een georganiseerde avond. Er zijn echter veel meer manieren om het evangelie door te geven.
Het doorgeven van het evangelie door middel van een preek, een overdenking of een toespraak gebeurt vaak door leken. Het gevaar is een eenzijdige inhoud of een manipulatieve insteek. Het pluspunt is dat degenen die hier spreken vaak dicht bij de leefwereld van de jongeren staan, die niet bekend zijn met de kerk en het geloof. Het zou jammer zijn als daar geen gebruik van gemaakt wordt. Een (eenvoudige) toerusting door middel van een cursus zou kunnen bijdragen aan de kwaliteit. (zie bijvoorbeeld de Juleica bij 3.5)
In didactisch opzicht is de preek of de toespraak wel eenzijdig. Er zijn veel andere manieren om het evangelie ook door te geven, bijvoorbeeld te leren door te ervaren (in een viering bijvoorbeeld), door gesprekken, door ervaring van gemeenschap.

3.2 Koinonia
missionair jongerenwerk schept ruimte voor relatie en gemeenschap
Door mee te doen ervaren de jongeren een gemeenschap, waarin ze opgenomen zijn en er helemaal bij horen. Volgens de ontwikkelingspsychologie is het voor jongeren van groot belang om tot een gemeenschap te behoren. Ook al moet ieder individu zelf de keuze maken om al dan niet in te gaan op de uitnodiging vanuit het evangelie, geloof gebeurt altijd in een gemeenschap. Het evangelie kan ook doorgegeven worden doordat jongeren weten dat ze geaccepteerd zijn, dat ze er helemaal bijhoren. Het gaat hier om de ervaring van welkom te zijn en helemaal geaccepteerd te worden zoals ze zijn. Het gaat om contact en aandacht zonder dat het benauwend wordt. Het gaat om betrouwbare relaties waarbij jongeren een voorbeeld hebben van hoe geloof werkt en bij wie ze terechtkunnen voor vragen over zichzelf, over het geloof en deze wereld.

Juki

3.3 Leiturgia
Missionair jongerenwerk biedt ruimte voor geestelijke ervaringen
Jongeren leren het evangelie nooit echt kennen en het christelijk geloof nooit echt begrijpen als het bij alleen maar kennis over het evangelie en over God blijft. Het is van belang om jongeren te helpen bij het ervaren van God. De christelijke traditie kent volop vormen waarin dat mogelijk is: een kerkdienst, een viering. Dat vraagt om aandacht voor rituelen, symbolen, hoogtijdagen, enz. Een viering kan groots, maar ook klein en intiem. Dat kan in een kerkzaal, in een sportkantine, aan een tafel waar samen gegeten wordt, enz. In de godsdienstpedagogiek is er de laatste jaren veel aandacht voor het in aanraking brengen met het geloof door jongeren te laten ervaren. Jongerenkerken en praiseavonden steken volop in op de dimensie van de leiturgia.

M3351M-T013

3.4 Diakonia
Missionaire jongerenwerk stelt zich belangeloos in deze wereld op
Diakonia is de naastenliefde die Jezus vraagt in praktijk gebracht. Voorheen werden een diakonale insteek en een missionaire insteek als concurrenten gezien. Tegenwoordig wordt gezien dat ze elkaar kunnen aanvullen in het bereiken van mensen en in het zich opstellen ten dienste van deze wereld om daarmee iets van Christus te laten zien. In het missionair jongerenwerk kan de diakonale insteek genomen worden door jongeren uit precaire sociale milieus huiswerkcursussen of cursussen voor sociale vaardigheden aan te bieden. Er kan de insteek genomen worden om jongeren uit de precaire milieus te helpen om een baan te vinden. Er kunnen projecten ontwikkeld om kinderen en jongeren uit deze milieus meer zelfvertrouwen en eigenwaarde te geven.

3.5 Paideia
Missionair jongerenwerk stimuleert informele vormingsprocessen
De dimensie van vorming ontbreekt niet in de andere dimensies. ‘Spiritualiteit heeft altijd vorming nodig om zich te kunnen ontvouwen.’ (G. Fermor) Vorming kan er zijn voor de jongeren die niets of weinig over het geloof of de kerk weten, bijvoorbeeld door een missionaire cursus als YouthAlpha. Vorming kan er ook zijn voor de degenen die in het missionair jongerenwerk actief zijn. In Duitsland is het mogelijk dat degenen die in het jongerenwerk actief zijn via scholing of cursussen een certificaat behalen: de Jugendleiter-Card (Juleica, zie voor meer informatie: hier). Ook in het missionair jongerenwerk zijn zulke cursussen te volgen om een Juleica te ontvangen. Daarmee zijn ze gekwalificeerd voor hun taak en kunnen ze zich steeds verder ontwikkelen.

home_2015

3.6. Instrumentarium om te analyseren
Deze vijf dimensies zijn bedoeld om te kijken wat een bepaalde vorm van missionair jongerenwerk goed heeft opgepakt. Daarnaast kan gekeken worden welke dimensies over het hoofd worden gezien.

978-3-7615-6286-4

IV AANDACHTSPUNTEN
Het handboek Missionair jongerenwerk is bedoeld als stimulans om het missionaire jongerenwerk verder te ontwikkelen. Karcher en Zimmermann zien de volgende uitdagingen:
– Meer aandacht voor de dimensie van de diakonia in de concrete vormen van missionair jongerenwerk.
– Het vinden van effectief aanbod en effectieve werkvormen. Daarvoor is het nodig dat missionair jongerenwerk leert van de recente ontwikkelingen en onderzoeken binnen de godsdienstpedagogiek en en de sociaal-pedagogische vakken.
– Betrekken van de ervaring die (partner)organisaties elders op de wereld hebben opgedaan.

Missionair jongerenwerk is geen concept dat werkt als er maar de juiste methode gevonden wordt. Missionair jongerenwerk vraagt om passie en enthousiasme voor zowel het evangelie als voor jongeren.

csm_Florian_Portrait_web_01_aea8ce03f7  csm_Germo_Zimmermann_09-2015_09cbb1be4a
Florian Karcher          Germo Zimmermann

N.a.v. Florian Karcher / Germo Zimmermann, ‘Was ist missionarische Jugendarbeit? Ziele, Leitlinien und Dimensionen’, in: Idem (Hg), Handbuch missionarische Jugendarbeit. Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit, Bd. 1 (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2016) 17-49.

Advertenties

Preek Tweede Pinksterdag 2017

Preek Tweede Pinksterdag 2017
Schriftlezing: Kolossenzen 1:1-11
Tekst: vers 8-9

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Er komt een schip uit Kolosse in de haven aan!’
Bij dat bericht kijkt Paulus vol verwachting op.
Zou Epafras op dat schip aanwezig zijn?
Dat zou mooi zijn, want dan kan hij eindelijk weer eens horen,
hoe het in de gemeente van Kolosse gaat.
Paulus gaat naar de haven toe, om te kijken wie er allemaal op het schip zijn meegekomen.
En inderdaad, fijn!, daar ziet hij Epafras ook op het schip.
Hij is naar hem toegekomen om voor overleg
en Paulus bij te praten over hoe het met de gelovigen in Kolosse gaat.
Als Epafras van het schip komt, volgt er een hartelijke begroeting
en Epafras wordt door Paulus meegenomen naar zijn huis,
Waar hij ervoor zorgt dat Epafras van eten en drinken wordt voorzien.
Ondertussen brandt Paulus van nieuwsgierigheid:
hoe gaat het met Epafras zelf, hoe gaat het in de gemeente waarin hij werkzaam is.
Epafras vertelt hoe de reis verlopen is, hoe het met hemzelf gaat
en over de gemeente kan hij veel goede dingen vertellen.
Ik stel het me zo voor, dat Epafras vertelt over hoe de gemeente bij elkaar komt.
‘Paulus, je weet dat we in Kolosse maar met een kleine groep zijn,
maar je moest eens weten hoe moedig ze zijn, zonder dat ze dat zelf zo zouden zeggen.
Ken je Patricius nog? Weet je nog dat zijn familie niets meer van hem moest weten?
Dat is nog steeds zo, maar hij heeft in de gemeente een nieuw thuis gevonden.
De gemeente is voor hem als een nieuw gezin geworden.
Het is mooi om te zien hoe ze met z’n allen klaar staan om hem op te vangen.
Had je al gehoord Felix overleden is?
Zijn vrouw en kinderen worden door de gemeenteleden opgevangen.
Het is best een offer dat de gemeenteleden moeten brengen, maar ze doen het met alle liefde.
En weet je wat ook zo mooi is, Paulus?
Elke keer als we met elkaar avondmaal vieren, nemen alle gemeenteleden iets extra’s mee.
Als ze een mantel over hebben of een paar schoenen, nemen ze het mee.
En dat wordt dan nog steeds uitgedeeld aan de mensen in de stad die niets hebben.
Ook de mensen die het niet zo breed hebben, dragen hun steentje bij.
Ze nemen wat eten mee om dat ook door te geven.
Je zou hun gezichten eens moeten zien, als ze dat meebrengen.
Daarmee laten ze hun dankbaarheid zien, voor wat Christus aan het kruis heeft gedaan.
Er zijn sinds je weg bent, best wat mensen bij gekomen.
Sommigen hebben van ons gehoord, doordat we uitdelen aan de armen
en anderen worden door gemeenteleden meegenomen.
Ze worden met open armen ontvangen in de gemeente.
Een aantal van hen heeft ook al bezoek vanuit de gemeente ontvangen
om hen meer te over Christus.
Paulus, en weet je wat Filemon gedaan heeft, toen hij van jou die brief kreeg
de brief die jij hem schreef over zijn slaaf die weggelopen was en bij jou was aangekomen?
De eerstvolgende keer dat we als gemeente bij elkaar kwamen
stond hij tijdens de dienst op, om aan te geven dat hij iets wilde vertellen.
Hij zei: “Ik heb een brief gekregen van Paulus en die brief gaat over een slaaf van mij.
Jullie weten daar vast iets van, dat mijn slaaf Onesimus is weggelopen.
Ik heb een brief van Paulus gekregen waarin hij vertelt
Dat Onesimus bij hem is aangekomen
en dat Onesimus, op wie ik zo gemopperd heb omdat hij weggelopen was,
voor Paulus van grote betekenis is. Ik ben nu blij dat ik dat weet
en ik dank God er in Christus voor dat het zo heeft moeten lopen.’

Ik stel me zo voor, dat terwijl Epafras aan het vertellen is over de gemeente in Kolosse,
Dat zijn ogen steeds meer gaan glinsteren en dat hij blij en dankbaar is
voor het verslag dat Epafras over de gemeente van Kolosse vertelt.
Die ogen glinsteren, omdat de gemeenteleden de boodschap goed begrepen hebben,
die Paulus hen had verteld,
Dat geloven niet alleen maar iets van het hoofd is, maar ook van de handen,
dat het niet alleen voor de zondag is, maar ook voor de doordeweekse dagen.
Dat geloven ook betekent dat je naar elkaar omziet
en in je daden iets van de liefde van Christus laat zien.
De ogen van Paulus glinsteren helemaal, omdat hij weet,
dat wat er in de gemeente gebeurt, het werk van de Heilige Geest is.
‘Weet je, Epafras,’ zegt Paulus, ‘we moeten onze Heere daarvoor danken.
Want ik hoor, dat de Heilige Geest in hen de liefde wekt.
Wat je vertelt, dat is liefde door de Geest.
Daar moeten we de Heere voor danken.
En weet je, Epafras, ik zal elke dag danken voor de gemeente in Kolosse
en dan steeds danken dat de Heilige Geest in de gemeente werkt
en de gemeente gebruikt om Christus uit te stralen.’
En Paulus doet dat ook elke dag.
Er gaat geen dag voorbij, of Paulus dankt de Heere
voor het werk van de Heilige Geest in de gemeente van Kolosse.
Als hij voor de gemeente dankt, dan ziet hij de mensen weer voor zich:}
Patricius, de weduwe van Felix en haar kinderen, Filemon.
Hij ziet het voor zich hoe de gemeente avondmaal viert
en na afloop de goederen uitdeelt onder de armen
en hoe er daardoor een vreugde in de gemeente is.
Paulus moet wel danken en elke dag opnieuw doet hij dat.
De week gaat voorbij, de maand gaat voorbij:
er gaat geen dag voorbij zonder dankgebed voor de gemeente in Kolosse,
geen enkele keer vergeet hij te danken voor wat de Heilige Geest daar doet.
Na een tijd zegt Paulus tegen Epafras:
‘Ik wil dat de gemeente dat weet, dat ik elke dag voor hen dank.
Ik wil dat er enkele mensen naar hen toe gaan.
Jij blijft hier, maar ik zal Tychicus sturen, die ons hier zo trouw helpt.
Dan kan hij vertellen dat ik elke dag voor hen dank.
Weet je wat ik ook zal doen? Ik zal Onesimus meesturen,
dan kunnen ze met eigen ogen zien, hoe hij is gegroeid in zijn geloof.
Hij is er één van hen. Wat zullen ze opkijken, als ze zien wat hij nu betekent.
Ze zullen zijn komst als een bemoediging ervaren.
Ik wil hen nog meer laten weten.
Ik wil hen ook laten weten, dat ik voor hen een speciaal gebed heb:
dat zij helemaal vol worden van Gods wil,
en dat ze alle wijsheid van de Heilige Geest ontvangen,
die ze nodig hebben om als gelovige daar in die grote stad Kolosse te leven
en dat ze van de Geest wijsheid ontvangen om kerk te zijn daar in Kolosse.
Ze moeten weten dat ik daar elke dag bij God om vraag
en elke dag weer opnieuw aan de Heere vraag, of Hij die wijsheid wil geven
en of Hij hen steeds duidelijk wil maken,
wat ze daar moeten doen in Kolosse, wat Gods wil voor hen is,
Dat ze die wil te weten mogen komen.’
Zo gaan Tychicus en Onesimus op pad.
Wat een vreugde zal dat geven in de gemeente van Kolosse.
Wat zullen ze zich bemoedigd en gesterkt voelen.
Denkt u niet?

Weet u, wat ik zo mooi vind aan dit gedeelte?
Die verbondenheid.
Paulus, die elke dag voor de gemeente dankt en bidt.
Paulus die geen enkele dag overslaat.
Het is een vast ritueel geworden, een vast onderdeel van zijn dag.
Paulus, die zoveel te doen heeft.
Kolosse is niet de enige gemeente die zijn aandacht vraagt.
En toch, hij neemt de tijd om aan deze gemeente te denken,
om deze gemeente bij God te brengen
om te bidden om de Heilige Geest voor deze gemeente,
om te bidden of deze gemeente Gods wil mag leren kennen
en dat ze die wil ook in praktijk gaan brengen.
Paulus schreef ooit dat de gemeente een lichaam was: Christus was het hoofd

en iedere gelovige was een deel van dat lichaam, dat niet gemist kon worden.
Nu begrijp ik, dat dit bij Paulus niet alleen maar een mooi beeld is,
maar dat hij door middel van dat beeld wil uitleggen, hoe hijzelf de gemeente ervaart
en hoe hijzelf omgaat met de gemeente.
Hij voelt zich verbonden met de gemeente, in welke plaats die ook is.
Hij is net zo verbonden met de gemeente van Laodicea als met de gemeente van Kolosse,
Terwijl in die tijd Laodicea de stad Kolosse aan het voorbijstreven was.
Hij is net zo verbonden met de gemeente van Filippi, die hem steeds ondersteunt,
Als met de gemeente van Korinthe, met wie hij steeds overhoop ligt
en die vinden dat hij te weinig charisma heeft.
Met de gemeente van Rome is hij verbonden, ook al is hij er nog nooit geweest.
Voor Paulus is dat niet een sentiment, een gevoel alleen,
Dat is voor hem een principieel punt: want het is het werk van de Geest,
die gemeenteleden met elkaar verbindt, omdat ze aan Christus verbonden zijn.
Wie van Christus is, leert dat het leven niet om jezelf draait,
niet om je eigen belangen of prioriteiten, niet om alles uit jezelf te halen,
maar dat je leven om Christus draait en daarmee ook om andere mensen.
Dat laat de samenvatting van de wet ook zien:
God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf.
Dat is wat God vraagt
en Paulus vraagt steeds in zijn gebed of God het duidelijk wil maken
wat het in Kolosse betekent om God lief te hebben boven alles
en wat het betekent om je naaste lief te hebben als jezelf.
Dat kan in Kolosse iets anders betekenen dan in Efeze.
Dat heeft in Korinthe andere consequenties dan in Rome.
Maar wat in alle plaatsen hetzelfde is, dat het de Geest is,
Die ervoor zorgt dat het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste
in praktijk wordt gebracht, heel praktisch wordt gemaakt
in de zorg voor mensen die het moeilijk hebben,
in het uitdelen aan mensen die niets hebben,
in dankgebed en voorbede voor gemeenteleden.D
De Geest verandert daarvoor het hart, zodat er liefde komt
en we vanuit de liefde die God heeft voor ons in het leven staan
en dat die liefde door ons heen naar anderen toegaat,
zodat de mensen die deze liefde niet kennen, via ons Gods liefde leren kennen.
Wij zijn Gods visitekaartje – Paulus gebruikt het beeld van de leesbare brief:
De mensen die helemaal onbekend zijn met God
kunnen aan ons gedrag, onze houding zien wie God is,
wat Christus op aarde kwam doen en dat Christus ook voor hen gekomen is.
Verbondenheid en zorg voor elkaar – dat is de gemeente.
Onderling, binnen de gemeente, maar ook naar andere christenen over de wereld.
Ook al kennen wij die niet persoonlijk.
Christenen die in gebieden leven, waar we misschien nog niet eens van hebben gehoord.
De Geest verbindt ons hier in Oldebroek en ‘t Loo met gelovigen
die in Kirgizië leven en Bangladesh, op de Filippijnen en in Noord-Siberië.
Of wij hun taal spreken, of wij hun gewoonten begrijpen, of wij hun omstandigheden kennen,
dat maakt niet uit,we zijn met elkaar verbonden
en dat is niet alleen iets dat we zeggen, maar ook in praktijk hebben te brengen.
Door een zendingskrant te lezen, door de gebedskalender van Open Doors te gebruiken,
door voor bepaalde zendelingen te bidden en de nieuwsbrieven te lezen.
Door zendingswerk ook financieel te steunen.
dat je met de ogen van een zendeling naar je eigen plaats gaat kijken.
Wat kan ik heel praktisch doen, om het evangelie hier uit te dragen,
om hier iets van Christus te laten zien, niet alleen in woorden, maar ook door mijn houding
en mijn manier van leven, door hoe ik ben,
dat het evangelie mijn hart en mijn leven verandert, dat andere mensen merken
dat er in mij een andere Geest is: de Heilige Geest.

Paul Phillipi, een hoogleraar theologie die lesgaf over diaconaat deed een klein experiment.
Hij vroeg de mensen, wat de belijdenis over de kerk zei.
Hij was een Luthers theoloog en vroeg naar de Augsburgse Confessie.
Aan mensen die hun eigen traditie redelijk kenden vroeg hij:
‘Wat vertelt de Augsburgse Confessie over de kerk.‘
Ze kregen weinig bedenktijd, want dan zeiden ze wat ze zich levendig kunnen herinneren.
Het antwoord kwam: ‘De kerk is daar waar het evangelie zuiver geleerd wordt
en de sacramenten op de juiste wijze worden bediend.’
Dat was bijna goed: er waren enkele woorden overgeslagen:
De kerk is de gemeenschap der heiligen waar het evangelie zuiver geleerd wordt
en de sacramenten op de juiste wijze worden bediend.’
Met het antwoord dat uit het geheugen gegeven werd, draaide de kerk alleen om de eredienst
in de geloofsbelijdenis is de kerk meer dan dat.
De eredienst is wel het hart, de zondagse en ook de eredienst in huis,
maar de kerk is ook een gemeenschap.
We zijn geen losse individuen, maar aan elkaar verbonden, aan elkaar gegeven door Christus.

In de Heidelberger Catechismus is de kerk ook die gemeenschap.
Wat gelooft gij aangaande de heilige katholieke kerk?
Antwoord: Dat de Zoon van God van het begin tot aan de wereld zich uit de gehele mensheid
een gemeente, die tot het eeuwige leven is uitverkoren, door Zijn Geest en Woord in de eenheid van het ware geloof vergadert, beschermt en instandhoudt; en dat ik daarvan een levend lid ben.

Paulus gaf het voorbeeld, het voorbeeld dat hijzelf van de Heilige Geest leerde.
En de gemeente van Kolosse nam dat voorbeeld over,
niet alleen omdat Paulus dat voorbeeld gaf, maar omdat de Geest hen dat leerde,
in hun hart de liefde wekte.
Paulus ziet het werk van de Geest in dankbaarheid in de gemeente van Kolosse.
We mogen vandaag ook danken voor wat de Geest allemaal in onze gemeente doet,
hoe Hij hier liefde wekt en verbondenheid met elkaar.
Wij zijn hier niet de ideale gemeente.
Dat zal pas in de hemel zijn.
Hier op aarde zijn we onvolmaakt en niet altijd gericht op Gods wil.
Daarom dat gebed van Paulus: om Gods wil heel concreet in Kolosse kenbaar te maken.
En Paulus kan er gelijk ook voor danken.
Als we bidden om hier Gods wil te mogen verstaan,
Hoe wij hier God kunnen dienen, mogen wij onze ogen niet sluiten
voor wat de Geest reeds doet, en daar net als Paulus elke dag weer opnieuw voor danken.
Dankbaarheid voor wat de Geest doet
en gebed, zodat de Geest steeds weer opnieuw duidelijk maakt wat God vraagt
gaat samen op, horen bij elkaar.
zodat u wandelt op een wijze de Heere waardig, Hem in alles behaagt, in elk goed werk  vrucht draagt en groeit in de kennis van God terwijl u met alle kracht bekrachtigd wordt, overeenkomstig de sterkte van Zijn heerlijkheid, om met blijdschap in alles te volharden en geduld te oefenen. (vers 10-11) Amen

Preek zondag 23 april 2017

Preek zondag 23 april 2017
Bevestiging jeugdouderling.
Jeremia 16:14-18
Johannes 21:1-19 (tekst vers 15)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In heel de Bijbel zien we dat de Heere van mensen gebruik maakt voor Zijn dienst.
Er zijn profeten geweest, die Zijn boodschap verteld hebben.
Koningen, die namens God over Zijn volk regeerden.
Priesters, die in de tempel dienst deden om te offeren en te bidden voor het volk.
In het Nieuwe Testament komen daar de discipelen erbij en later diakenen en apostelen,
mensen die op pad gingen om het evangelie te verkondigen en gemeenten te stichten,
en als zo’n gemeente er dan was, een taak hadden om de gemeente intern op te bouwen.
Ook vandaag de dag maakt de Heere gebruik van mensen om Hem te dienen,
met bijvoorbeeld taken binnen de kerk: predikanten, ouderlingen en diakenen.
Dat zijn dan degenen die een ambt vervullen, maar zij niet de enigen.
Kijk alleen maar naar wat de koster doet, de organist, de leiding van de kindernevendienst.
Vandaag, bij de bevestiging, zien we dat weer opnieuw:
God maakt gebruik van mensen om Hem te dienen.
Wat een jeugdouderling mag doen, heeft wel iets weg van wat Christus tegen Petrus zegt:
Weid mijn lammeren!
Christus legt de zorg voor degenen die bij Hem horen bij mensen neer,
om in Zijn naam voor hen te zorgen, hen te weiden, hen te hoeden.
Dat is een eervolle taak dat je als mens iets mag doen in naam van je Heer.
Het is ook een spannende taak, want het is een hele verantwoordelijkheid:
Je doet het niet voor jezelf, maar voor je Heer
en wie zijn wij als mensen, dat wij dat kunnen doen?
Dat leeft hier in Oldebroek heel sterk:
Er zijn er die de eerste keer als ze benoemd of gekozen worden tot ambtsdrager
toch bedanken, omdat ze het idee van zichzelf hebben dat ze daarvoor niet geschikt zijn.
Die als ze de opdracht van Christus zouden krijgen: Hoed mijn schapen
daar nachten van wakker zouden liggen, van de verantwoordelijkheid
En zelfs als het zou gaan om het weiden van de lammeren, de kleintjes binnen de gemeente
dat nog niet durven aan te gaan,
misschien ook wel uit angst dat ze te weinig geloof hebben,
de moed niet hebben, omdat ze klein van zichzelf denken
en blij zouden zijn, dat zij niet als Petrus zijn gevraagd
en die blij zijn dat de vacature van jeugdouderling nu vervuld is,
zodat zij niet gevraagd hoeven te worden om iets te doen, om verantwoordelijkheid te nemen.
Weid mijn lammeren, hoed en weid mijn schapen
– daarin geeft Christus een verantwoordelijkheid aan mensen,
God maakt van mensen gebruik om Zijn koninkrijk te bouwen,
om Zijn gemeente te weiden en te beschermen.
Weid mijn lammeren, hoed en weid mijn schapen
Weiden en hoeden – dat doet een herder
en de herder, dat is allereerst de Heere Jezus.
Hij gebruikt ons als mensen, als gelovigen om iets van Hem te laten zien,
dat in wat we in de gemeente doen iets zichtbaar wordt van Christus zelf.
Dat mensen in de gemeente merken dat er een Herder is,
dat Christus de Herder is, omdat er mensen in de gemeente zijn met verantwoordelijkheid,
die ook als een herder zijn,
die de medechristenen, de andere broeders en zusters weiden en hoeden.
Voor een jeugdouderling, de taken binnen het jeugdwerk:
de kinderclubs, zondagsschool en kindernevendienst.

Hier wordt één leerling verantwoordelijk gemaakt voor het weiden en het hoeden lijkt wel,
maar dat is, denk ik, niet de gedachte.
Het gaat er niet om, dat de verantwoordelijkheid van één wordt neergelegd,
maar het is meer een aanwijzing van hoe wij binnen de gemeente met elkaar omgaan.
Voor elkaar een herder zijn, elkaar weiden,
meenemen naar de grazige weiden van Gods Woord,
meenemen naar de stille wateren, waar onze dorst naar God gelest kan worden,
waarin water de vinden is, bij Johannes beeld voor de Heilige Geest.
Weiden en hoeden, dat is andere gemeenteleden brengen bij Christus,
verantwoordelijk zijn voor elkaar.
Want klonk niet op een van de eerste bladzijden van de Bijbel die vraag:
Ben ik mijn broeders hoeder?
Ja, binnen de gemeente zijn we elkaars hoeder,
zijn we de hoeder van onze broeders en zusters,
en dat is niet alleen voorbehouden aan ambtsdragers,
al moeten ze wel zo hun taak invullen, dat ze niet voor zichzelf in de kerkenraad zitten,
maar om de gemeenteleden te weiden en te hoeden,
ook de lammeren van de gemeente, de kinderen en de jongeren.
Want zij zijn net zo goed onderdeel van de gemeente.
In de kerk tel je niet pas mee als je volwassen bent,
maar ook als je kind bent en jongere.
Vandaar dat er heel wat voor jullie gebeurt.
Dat doen we, zodat jullie Christus leren kennen als jullie herder
en dat je in de clubleiding of de leiding van de zondagsschool, van de jeugdouderlingen
iets zichtbaar ziet worden van Christus.
Dat je bij jezelf denkt: ik hoor verhalen over de Heere Jezus,
maar hoe ik kan geloven en wie de Heere Jezus voor mij is,
dat zie ik ook aan die jeugdouderling, aan die zondagsschoolleiders,
aan de andere mensen in de kerk.

Christus geeft die opdracht niet zomaar, je zou kunnen zeggen:
Er zit een voorwaarde aan vast om deze taak op je te kunnen nemen.
Een minimale eis, en dat is niet of je vergaderingen kunt leiden
en goed met kinderen en tieners kunt omgaan, of dat je goed in organiseren bent,
de vraag is of je van de Heere Jezus houdt.
Daar begint de Heere Jezus mee, voordat Hij deze taak aan Petrus toebedeeld:
Petrus, houd je van Mij?
Zou Jezus daar wel naar moeten vragen? Bij Petrus en bij ons?
Want had PEtrus nog niet zo heel lang geleden aangegeven
dat hij van Jezus niets moest weten, dat hij niet bij Jezus hoorde en zelfs Jezus niet kende.
Dat is een vraag, die je wel aan een kind zou kunnen stellen,
die daar heel spontaan: “Ja, natuurlijk!” op kan zeggen,
maar als je tiener bent, kun je daar soms al wat voorzichtiger op reageren,
en als volwassene kun je nog wat terughoudender zijn,
omdat je van jezelf niet altijd waar kunt maken, dat die liefde er altijd is
en dat je ook wel eens als Petrus bent, die de ene keer getuigt
en de andere keer wegloopt, omdat hij het niet ziet zitten bij Jezus te zijn in dat paleis.

Jezus vraagt aan Petrus niet naar zijn liefde voor Jezus als zodanig.
De Heere Jezus vraagt of de liefde die Petrus heeft sterker is dan die van de anderen.
Daarin klinkt iets door van concurrentie, jezelf met anderen vergelijken,
van jezelf vinden dat jouw liefde het sterkst is
en dat wat jij voor Christus doet meer is en gepassioneerder is
dan van andere mensen in de kerk.
Als ik het niet doe, dan staat er niemand op.
Zo heb ik het niet geproefd, eerder een bereidheid dat je iets wilt doen binnen de gemeente,
omdat je je verantwoordelijk voelt en je steentje wil bijdragen
en ik hoop, omdat je ook de mooie kant ziet van het weiden van de lammeren,
dat je dat graag, van harte voor Christus wilt doen.
Dat vergelijken kom ik wel eens tegen in de gemeente.
Dan zeggen de mensen: er is maar een handjevol mensen, die zich echt inzetten.
Het zijn steeds dezelfden.
Als je niet oppast, denk je van jezelf: Wat ik doe, is meer.
Mijn inzet overtreft die van anderen.
als dat je drijfveer is, om te laten zien wat jouw inzet is,
om te laten zien, dat jij niet beroerd bent om iets te doen, terwijl anderen het erbij laten zitten, voor je gevoel, dan heb je maar een beperkte basis en red je het niet
Want is dan de liefde voor Christus de basis, de zorg voor de gemeente
of uiteindelijk dat jij gezien wordt en jouw inzet echt op waarde wordt geschat?
Petrus, is jouw liefde groter dan die van de mede-leerlingen?
En liefde is hier ook praktisch: doe je meer, loop je harder?
Dat idee om te gaan vissen, wilde je daarmee iets laten zien naar de anderen toe?
Toen je overboord sprong, was dat echt om de Heer te ontmoeten
of zat daarin iets ook van: Kijk mij eens vol enthousiasme en spontaniteit zijn?
En toen ik vroeg om iets te halen, stond jij toen maar niet al te graag op
om de indruk te wekken dat die grote visvangst vooral aan jou te danken is?

Gemeente, ik heb zitten puzzelen, waarom de Heere Jezus vraagt naar het meer
van Petrus’ liefde, waarom Hij PEtrus dwingt om zich te vergelijken met de anderen.
Dat heeft met het paleis te maken, waar Petrus Jezus verloochende,
maar het zou ook wel eens te maken kunnen hebben, met het initiatief dat Petrus nam,
de avond ervoor: om te gaan vissen.
Ik was eerst van de gedachte, dat vissen betekent: je gewone werk weer oppakken,
maar in de afgelopen week kwam ik een verwijzing tegen naar het Oude Testament
waarin het beeld van vissen gebruikt wordt:
vissen die door een net uit zee, uit het meer worden gevist.
Dat is in Jeremia het beeld van de Joden die over heel de wereld zijn verspreid
en door God weer thuisgebracht worden.
Zoals een net veel vissen opvist, zo wordt door God elke Jood, waar hij of zij zich ook bevindt
opgehaald en thuisgebracht.
Zou Petrus van mening zijn, dat dat werk nu moet beginnen:
Niet terug naar huis, maar aan de slag, om overal vandaan de verstrooiden thuis te brengen?
Had Jezus dat niet gezegd: Als Ik aan het kruis verhoogd zal zijn,
zal Ik iedereen naar mij toe trekken, ook de Joden die in de diaspora zijn?
Zou Petrus de gedachte hebben gehad: nu moeten we daar maar mee beginnen?
We moeten wat gaan doen voor Jezus? Dat is onze taak?

Ze zijn bij elkaar aan de Zee van Tiberias.
Dat is niet zomaar, Johannes verbindt met eerder, ook aan de Zee van Tiberias,
toen er een grote menigte was, zonder eten.
Er was alleen een jongetje met 5 broden en 2 vissen
en Jezus maakte daar zoveel van, dat de hele menigte gevoed kon worden.
Op de plek hadden ze het kunnen weten: Jezus voorziet zelf in een ruime overvloed.
Maar als zij gaan vissen, de hele nacht door, vangen zij niets.
Wat zij voor Christus doen, dat levert niets op.
Dat is soms ook herkenbaar, en dat is soms ook heel pijnlijk,
dat je lang werkt, maar dat je aan het einde helemaal niets hebt: lege netten.
Dan staat er op die morgen een man aan de oever die vraagt om een kleinigheid.
Heb je niet een geslaagde clubavond, niet een goede vergadering,
een goed uitgevoerd actiepunt dat goed in de gemeente landde?
Kun je niet vertellen over één jongere die door jouw inzet is gaan geloven?
‘Wij hebben niets.’ Ze moeten het antwoord schuldig blijven.
Hadden ze misschien grootse verwachtingen gehad over wat ze Christus konden aanbieden?
Heere, in Uw afwezigheid hebben we deze oogst binnengehaald.
Kijk eens wat we U kunnen aanbieden?
Nee, niets – een teleurstellend antwoord, om machteloos van te worden.
De hele nacht gewerkt en niets gevangen.
Als je succes hebt, dan vergeet je soms ook wel hoe zwaar het was om te doen.
Maar als het niets oplevert, kun je daar erg ontmoedigd door worden.
Dan komt de teleurstelling des te harder aan.
‘Nee, ook al hebben wij de hele nacht hard gewerkt, wij kunnen U niets bieden.’
En dan zegt Jezus: werp het net aan de andere kant:
Zouden ze het niet geprobeerd hebben, die hele nacht door
als het niet lukte om het dan voor een andere boeg te gooien?
Zoals je ook als jeugdouderling of clubleiding van alles onderneemt,
als jij je doel niet bereikt en de opbrengst niet is wat je ervan verwachtte.
De andere kant: dat is vlakbij, dat is waar ze het allang hadden geprobeerd,
maar waar niets was te vinden, waar ze niets hadden gevangen.
De andere kant – dat is niet waar ze niet hadden gekeken,
maar dat is waar Jezus voorziet, binnen de gemeente, in de activiteiten die je onderneemt,
in je eigen geloofsleven – Jezus die voorziet en in grote mate schenkt.
Jezus verschijnt, waar de discipelen niets hebben, om hen te schenken,
niet een beetje, maar een overvloed, waarbij niemand tekort komt.
Jezus vraagt om iets erbij, toespijs, je hebt het niet, maar je ontvangt op Jezus’ bevel
een enorme zegen die je niet had verwacht en waar je niet meer op rekende.
En dan zitten ze aan een kolenvuur, net zo’n vuur er eerst was
in het paleis waar Petrus zich aan warmde, maar waar hij niet bij Jezus bleef.
Ze zijn al aan het eten en de vissen die binnengebracht zijn, zijn niet eens nodig.
Alles is al binnen, er is genoeg.
Is hun werk dan voor niets? zou je denken.
Maar nee, Jezus zegt: haal waar van wat jullie gevangen hebben.
Wat Hij daarmee bedoelt: eigenlijk hoeven jullie helemaal niets in te brengen,
want Ik breng alles al in.
Jullie werk is er alleen maar bij, als je het met mijn werk vergelijkt.
Maar dat mag er juist ook wel zijn.
Dat heeft zijn waarde, dat wordt gehonoreerd.
Hoe klein je bijdrage ook is en hoe schamel je oogst – Christus doet daar niet lacherig over.
Het mag meedoen, een bijdrage zijn aan die maaltijd.
Eigenlijk niet nodig, want alles is er al, maar het wordt niet weggeschoven.
Ons werk is er slechts voor erbij, eigenlijk is alles er al
en toch mogen we inbrengen, mogen we onze daden aanbieden:
Heer, dit hebben wij voor U gedaan.

En dan zitten ze aan de maaltijd, voor de tweede keer bij de Zee van Tiberias,
dat Christus hen eten geeft terwijl ze zelf niet hadden.
Ze durven niets te vragen, want ze zien hoe in hun eigen tekort Jezus geeft in Zijn volheid.
Ze worden gevoed, daar aan die maaltijd,
hongerig als ze zijn van een hele nacht hard ploeteren zonder resultaat,
hongerig als ze zijn van het binnenhalen van die zware last.
Ze worden verzadigd.
Dat is niet zomaar.
Dat zegt ook iets over het gemeentewerk.
Als Christus ons opdraagt, geeft Hij daarvoor al genoeg om te eten,
genoeg om het aan te kunnen, mogen we teren op wat Hij reeds aanreikte.
En die maaltijd is het beeld van het samenzijn, het samenleven met Christus,
dat we zijn waar Hij is.
Alleen vandaar uit kunnen we ook iets binnen de gemeente doen,
kunnen we medewerker van Christus zijn, als Hij ons eerst voedt en versterkt,
als Hij ons eerst weidt en hoedt.
Weiden en hoeden – dat is eigenlijk niet meer dan delen van de volheid van Christus,
uitdelen van wat je aan de maaltijd krijgt.
Waarbij het niet gaat of de een meer doet dan de ander,
maar of we het van die maaltijd vandaan halen,
Of wij zelf onze voeding bij Christus vandaan halen.
Petrus, heb jij Mij lief? Dat is de vraag of wij daar ook aan die maaltijd zitten,
Waar de opgestane Heer Zijn voedsel geeft om Zijn kerk te versterken.
Weid mijn lammeren en hoed Mijn schapen – dat is niet zomaar een losse opdracht,
Dat is een opdracht uit het gevoed zijn door Christus zelf,
een doorgeven van wat jijzelf van Hem ontvangen hebt.
Dat gaat niet in concurrentie, niet in vergelijken met elkaar,
maar dat gaat om de vraag of je wat je moet uitdelen wel van de goede plek vandaan hebt,
van die maaltijd, waar Christus is, waar je samen met Hem mag zijn
en je eigen geloof gevoed en gesterkt wordt.
Zelfs iemand die gezegd heeft Jezus niet te kennen en niet bij Hem te horen,
zelfs iemand die denkt te weten wat Hij voor Jezus moet doen,
mag aanzitten en zich eerst laten voeden en versterken en dan uitdelen.
Wat Jezus Petrus en ons wil leren is dat wat wij doen,
niets is als we het niet eerst van Hem krijgen.
Heeft dat ook niet met het kruis op Golgotha te maken,
dat daar, in de uitroep van Jezus “Het is volbracht!” dat daar onze liefde ontspringt
liefde die wij niet uit onszelf hebben, maar die bij Hem vandaan komt,
die door Hem in ons ontspringt
en naar anderen toegaat, om ook anderen te winnen voor Christus.
God maakt van mensen gebruik, mensen als Petrus, als deze jeugdouderling, als u en ik.
Hij geeft liefde – om vervolgens ons te bevragen op die liefde,
om vervolgens als wij kunnen belijden, misschien stamelend, dat wij van Hem houden,
die liefde mogen uitdragen aan anderen.
Aan kinderen en jongeren, aan mensen binnen en buiten de gemeente.
Zodat als Jezus aan hen die vraag stelt, zij mogen antwoorden:
U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd.
Amen

Preek 7 december 2014 – middagdienst

Preek 7 december 2014 – middagdienst
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Bemoedig elkaar daarom, en bouw de één de ander op, zoals u trouwens al doet (1 Thessalonicenzen 5:11)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Avondmaal ervaar ik altijd als een intens moment.
Ik weet niet of u dat ook heeft,
maar voor mij is dat moment waarop ik een stukje brood van de schaal neem
en weer zit op mijn stoel en dat brood eet,
een heel intens moment.
Onder het kauwen van het brood voel ik mij dan zo intens verbonden met God.
Niet zozeer in woorden.
Het is meer de stilte die Elia ook ervoer toen hij op de Horeb was
om iets van God te vernemen, dat de Heere in de stilte tot Elia kwam.
Zo ervaar ik dat in de stilte van dat moment
tijdens het eten van het brood
dat God komt en dat laat weten:
dit is Mijn genade voor jou,
alles wat tussen ons in staat heb ik weggenomen.
In de woorden van de tekst van vanmorgen:
Ik heb je niet bestemd tot toorn
maar tot het verkrijgen van de zaligheid door onze Heere Jezus Christus
Proef Mijn goedheid, drink van Mijn genade.
Alles om mij heen valt op dat moment dan weg,
een intens moment met de Heere alleen.

Tegelijkertijd merk ik de aanwezigheid van anderen om mij heen wel op.
Een bijzonder moment om gemeenteleden te zien opstaan en naar voren te zien lopen.
Tijdens de viering zie ik de gezichten en merk dat de anderen om mij heen
ook een intens moment hebben.
Dat gaat samen op: een moment met God alleen,
maar tegelijkertijd ook een moment van samen.
Wanneer ik alleen zou zijn, zou het moment niet zo intens zijn.
Juist dat samen beleven, samen vieren,
met elkaar het brood delen, de beker van de wijn doorgeven,
Gods goedheid proeven, van de genade drinken, dat gebeurt samen.

Ik hoop dat u daar vanmorgen ook iets van beleefd hebt.
Van dat intense moment met de Heere,
waarbij u ook weer die bevestiging kreeg van de Heere:
Ik ben ook voor jouw zonden gestorven aan het kruis. Twijfel daar niet langer aan!
Uw geloof werd weer versterkt vanmorgen.
Of u werd even stil gezet: je was even alleen met de Heere en dat was een tijd geleden.
Ik hoop van harte dat u dat gezamenlijke ook ervaren hebt.
Dat u zich niet alleen voelde, maar dat het er ook toe deed dat de anderen er waren
daar aan de tafel en dat het de ervaring ook versterkte.
Er zijn mensen die zeggen: ‘Ik geloof, maar daar heb ik de kerk niet voor nodig.’
Dat zou ik nooit kunnen zeggen.
Ik heb juist de kerk nodig om te kunnen geloven,
vooral de mensen die in die kerk zijn,
aan wie ik zie dat de Heere werkt, die om mij heen zijn
en die ervoor zorgen dat ik niet alleen sta.
Het is voor mij de kerk geweest, die veel voor mij, voor mijn groei in geloof heeft betekend.
En vooral de kerkmensen aan wie ik veel gehad heb:
een al wat oudere ouderling die elk jaar op huisbezoek kwam
en die van huisbezoek iets bijzonders wist te maken, iets om naar uit te kijken, een feest haast.
Onze wijkpredikant die catechisatie moest geven,
maar te druk was om zich voor te bereiden en dan maar vertelde over zijn eigen geloof,
zijn eigen ervaringen, waardoor hij ons als catechisanten hielp in onze weg met de Heere
door te vertellen hoe de Heere met hem ging.
Bemoedig elkaar – schrijft Paulus.
En bij die woorden kan ik er veel opnoemen die voor mij een bemoediging zijn geweest,
misschien zonder dat zij het wisten en zonder dat zij er naar streefden.
en toch waren ze het.

Bemoedig elkaar
– dat gebeurt voor mij niet alleen in woorden die tegen elkaar gezegd worden.
Ik ervaar dat ook in de andere gemeenteleden die aan het avondmaal deelnamen
en alleen al door naar voren te komen een bemoediging waren vanmorgen,
omdat zij ook verlangden naar de Heere Jezus.
Bouw elkaar op, zoals u trouwens al doet, schrijft Paulus aan de gemeenteleden in Thessalonica.
Zo geldt dat hopelijk hier, in Oldebroek,
dat we door elkaar opgebouwd worden
doordat we zien van elkaar hoe de Heere werkt in ons leven,
waardoor we voor elkaar tot zegen en bemoediging mogen zijn.

Bemoedig elkaar.
Van tevoren had ik bij deze preek opgeschreven wat de boodschap van deze preek moest zijn.
Ik had de boodschap in 1 regel opgeschreven:
We dienen elkaar te bemoedigen en op te bouwen met het oog op de zaligheid.
Deze regel droeg ik enkele dagen mee
omdat op me in te laten werken.
Ik had de aantekening erbij gemaakt: de preek zal moeten aansporen
en ik had bedacht om de preek te beginnen
met een voorbeeld van een bemoediging die ik zelf had ervaren.
Maar toen ik er in deze week nog eens naar keek,
viel het me op dat het een opdracht was om uit te voeren: we dienen elkaar te bemoedigen.
En ik bedacht opeens: waarin zit het evangelie in deze boodschap?
Welk evangelie breng ik in de preek van nabetrachting?
Daarmee bedoel ik: Wat vertel ik over God, over wat Hij doet?
Want dat is evangelie: wat God doet bij ons vandaag de dag,
hier in onze gemeente.
Toen ging ik nog eens nadenken over de boodschap van de preek:
We dienen elkaar aan te bemoedigen en op te bouwen met het oog op de zaligheid.
Zou ik die boodschap ook kunnen veranderen
door daaraan toe te voegen wat God hiermee te maken heeft?
Daardoor veranderde ik de boodschap van de preek op basis van de preek:
We zijn door de Heere aan elkaar gegeven
om elkaar te bemoedigen en op te bouwen met het oog op die zaligheid
.
We zijn aan elkaar gegeven …
We hebben elkaar niet uitgezocht als gemeenteleden.
We hebben elkaar vanmorgen aan de tafel ook niet uitgezocht als buren.
We zijn aan elkaar gegeven.
We zijn er niet zomaar, alleen voor onszelf, om iets te ontvangen alleen aan het avondmaal,
maar ook om iets te brengen: allereerst onszelf te geven aan de Heere.
We zijn aan elkaar gegeven, om ook iets voor elkaar te mogen betekenen.
Tot steun en bemoediging voor elkaar!

Zo werkt het ook. Tenminste voor mij wel.
Als ik terugkijk op hoe mijn weg in het geloof is gegaan,
mijn weg als tiener, als jongere en later als predikant,
dan had ik hier niet gestaan, als predikant om over de Heere te vertellen.
Dan weet ik niet of ik nog wel naar de kerk was gegaan.
In die jaren dat ik sterk aan het twijfelen raakte,
dacht ik aan onze wijkouderling en aan al die anderen
die ik had ontmoet en aan wie ik het kon merken
dat zij een levende ervaring met de Heere hadden
en ik besefte dat ik niet kon uitleggen aan diegenen waarom ik zou afhaken.
En nu ik de boodschap van de preek heb veranderd,
nu ik ontdekte dat we door de Heere aan elkaar gegeven zijn,
kan ik niet anders dan met dankbaarheid zeggen:
die mensen zijn op mijn weg geplaatst, om mij voor te houden:
laat je geloof niet los, raak de Heere niet kwijt!
Ga toch verder, ondanks al je twijfels, al die momenten dat je God niet ervaart
en je eerder ervaart dat de hemel gesloten is
en ik bij mijzelf ging nadenken of er wel een God was.
In die jaren heb ik het vooral bij anderen gezien en minder zelf ervaren
en ze zijn door de Heere aan mij gegeven.
Bemoedig elkaar en bouw elkaar op, zoals u al doet.
Zonder dat zij het weten hebben zij mij erdoor heen gesleept.
Zo werkt de Heere.
Door ons mensen om ons heen te geven,
die voor ons een steun zijn in het geloof.

We hebben elkaar nodig.
Er zullen vast mensen zijn die de weg in geloof alleen kunnen gaan,
maar dat zijn uitzonderingen, mensen die sterk staan in het geloof
en juist zij zouden zich dan in een gemeente moeten begeven
om degenen die zwakker zijn te steunen, uit de wind te houden.

Want ik weet niet hoe dat bij u gaat, maar zo’n sterk geloof heb ik zelf lang niet altijd.
Het kost mij vaak al moeite om in de week van voorbereiding
toe te leven naar deze dag,
om in mijn agenda en in mijn hoofd en hart daar tijd voor vrij te maken.
En op zo’n avondmaalszondag ben ik er vol van,
maar hoe snel ben ik dit weer kwijt
en ben ik overgeleverd aan mijn eigen piekeringen en tobberijen
en verlies ik de bevestiging die ik vanmorgen gekregen heb,
ben ik het kwijt dat ik leef van Christus’ genade
en verlies ik het uit het oog dat mijn leven gericht moet zijn op die grote dag
dat de Heere Jezus terugkomt.
Ben ik weer op het hier en nu gericht, dat kleine stukje van mijn leven,
terwijl het mooiste nog komt: het voor altijd bij de Heere mogen zijn,
de zaligheid waar God ons voor heeft bestemd.
Elkaar bemoedigen wil dan zeggen, dat je elkaar voorhoudt:
pas op dat je niet in slaap valt, wordt wakker, kijk vooruit naar die dag!
We zijn aan elkaar gegeven om elkaar scherp te houden.
Je wilt er zelf niet altijd aan dat je geloof in slaap sukkelt
en je wilt er niet altijd aan dat een ander te stil zet en confronteert, wakker schudt,
want je denkt dat het nog wel goed gaat.
Soms ziet een ander het beter dan jezelf dat het niet goed gaat.
Dan kun je eerst boos zijn, maar daarna dankbaar dat de Heere
deze mensen op je pad heeft geplaatst om je weer bij Hem te brengen.

Dat gebeurt niet zomaar, dat de Heere deze mensen om je heen geeft,
die je soms afremmen, soms aansporen.
Je neemt elkaar mee.
Hier in dit gedeelte is dat met een bewust doel: die grote dag dat de Heere Jezus terugkomt,
het moment dat de Heere Jezus terugkomt.
Je hebt elkaar nodig, omdat je dat doel wanneer je in je eentje bent zo makkelijk uit het oog verliest.
Want morgen is er de gewone dag weer met zijn beslommeringen
die je soms opslokken.
Je bent de hele dag bezig en aan het einde van dag merk je dat je druk bent geweest,
maar waarmee? Wat is er werkelijk uit je handen gekomen?
Er wordt veel van ons gevraagd: een baan, een gezin met drukte,
een huishouden (en als je alleen bent, moet je alles in het huis ook vaak alleen doen),
je doet ook nog wat voor de kerk en je staat als het moet ook voor anderen klaar.
Zo druk dat je amper tijd hebt voor jezelf en amper tijd voor God.
Bemoedig elkaar – je hebt elkaar om tijd te vinden voor jezelf
en bovenal voor God.
Zodat het leven niet is zoals een molentje van een hamster, dat maar doordraait,
maar dat er ook momenten zijn om stil te staan bij wat er echt toe doet,
in je eigen leven en ook in je leven met de Heere.
Bemoedig elkaar – dat is ook aan elkaar laten zien hoe jij op jouw manier
in jouw leven tijd vindt en tijd neemt voor God,
zodat anderen daardoor een idee krijgen hoe zij dat ook kunnen doen.
Niet om daarmee te laten zien dat je je leven op orde hebt,
maar om elkaar echt verder te helpen uit oprechte betrokkenheid op elkaar.
Dat kan een vraag zijn aan elkaar: Hoe doe jij dat nou, tijd vinden voor jezelf
om in een week van voorbereiding ook je aandacht te hebben voor het avondmaal
en om over jezelf en je eigen relatie met de Heere na te denken
om dat wat niet goed zit weer op orde te krijgen, om om te keren als dat nodig is.
Hoe doe jij dat nou in deze tijd van alle kerstvieringen
dat het werkelijk tot je doordringt dat de Heere Jezus ook voor jou gekomen is
dat op de kribbe jouw naam staat: voor jou – want een Kind is ons geboren – ook voor jou.
Zo bouw je elkaar op
help je elkaar verder
en neem je elkaar mee.

Aan elkaar gegeven
Om er voor elkaar te zijn
elkaar te bemoedigen en op te bouwen
zodat je met elkaar toeleeft naar die grote dag
samen onderweg bent naar de Heere.
Amen

Omgaan met krimp in een kerkelijke gemeente

Omgaan met krimp in een kerkelijke gemeente

Veel kerkelijke gemeenten hebben te maken met krimp. Hoe kun je daar op een goede manier mee omgaan?

Analyse
Voordat we iets ondernemen, is het goed om te kijken wat er feitelijk aan de hand is. Soms kunnen we de indruk hebben dat er iets aan de hand is. Wanneer we analyseren wat er aan de hand is, kan er een heel ander beeld naar voren komen.

Uit verslagen van de visitaties en uit ervaringen van gemeenteadviseurs blijkt, dat (kerkelijke) gemeenten de zaak vaak somberder inzien dan deze in werkelijkheid is. Gemeenten vertellen vooral de zorgen en kunnen pas na lang aandringen de mooie ervaringen vertellen.
Klopt het sombere perspectief of worden de mooie ervaringen over het hoofd gezien?
→ Wat is er aan de hand als de sombere beeldvorming het wint van de positieve beeldvorming?

Voordat er actie ondernomen wordt, is daarom een analyse nodig.

Een voorbeeld van een analyse:
1) Welke gezinnen / personen mis je?
2) Wat is de oorzaak van hun afwezigheid: 
(a) Verhuizing naar een andere plaats,
(b) overgang naar een andere gemeente ,
(c) minder betrokkenheid op onze gemeente,
(d) Geen interesse meer in (deze) kerk of geloof
(e) overlijden
3) Heb je degenen die wegbleven gesproken over de reden van vertrek of minder betrokkenheid?
Wat gaven zij als reden?

Met deze vragen kunnen we achterhalen: (1) in welke mate heeft de gemeente te maken heeft met krimp, (2) wat daar de oorzaken van kunnen zijn.
Bovendien slaan we een extra slag: door bij de ‘wegblijvers’ zelf te informeren, geef je aan dat zij in de kerk worden gemist.
Wegblijven gaat in fasen. In het begin komt men minder vaak. De preek of de gemeente spreekt niet aan. Wanneer de wegblijver daar niet op aangesproken wordt, zal hij of zij denken: ‘Ze missen me toch niet. Het maakt de rest toch niet uit dat ik er ben.’ De stap naar ‘Ik kan net zo goed helemaal wegblijven’ is dan snel gezet.
Wordt bij een ‘wegblijver’ geïnformeerd wat de reden is om minder vaak te komen, kan hij of zij denken: ‘Ik kwam de laatste tijd niet meer. Maar de gemeente is wel benieuwd waarom ik niet meer kom.’

Resultaten
Uit de analyse kunnen verschillende resultaten komen. Er kunnen verschillende redenen zijn om weg te blijven:
– privé kan iemand een roerige tijd doormaken.
–  de preek / predikant spreekt niet aan.
– er is geen klik met de gemeente.
– geloofscrisis
Vaak is een moment om over te stappen naar een andere gemeente als de (oudere) kinderen geen plaats in een gemeente hebben.

Waarom is betrokkenheid belangrijk?
Om een ‘wegblijver’ te overtuigen is het ook van belang om voor jezelf te weten waarom betrokkenheid van een kerk belangrijk is en waar die betrokkenheid uit blijkt. Wat mist iemand die niet (meer) betrokken is bij de kerk?
Kun je voor jezelf aangeven wat je in de kerk komt doen? Wat is je eigen verbondenheid met deze gemeente? Als je zelf kritisch bent op de gemeenteleden of de predikant zul je een ‘wegblijver’ ook niet gemakkelijk overtuigen.

4) Welke argumenten heb je zelf om hen weer betrokken te krijgen bij onze gemeente(n)? Wat is de kracht van onze gemeente?

Belang voor de gemeente als geheel
De gemeente heeft een verantwoordelijkheid en een roeping naar gemeenteleden toe. Ook naar hen die niet (meer) komen. De gemeenteleden zijn immers aan hun herderlijke zorg toevertrouwd. Wat kan de gemeente als geheel doen om ‘wegblijvers’ weer betrokken te krijgen?

5) Welke houding van predikant, kerkenraad en gemeente is nodig om diegenen, die afgehaakt zijn, weer terug te winnen?→ Hoe spreek je ‘wegblijvers’ aan?
Welke houding is nodig om ‘wegblijvers’ terug te winnen?
Op welke manier wil je toegerust worden?

Niet alle problemen zijn oplosbaar
6 ) Tegen verhuizing kunnen wij weinig doen. Stel dat verhuizing de grootste oorzaak van leegloop is: op welke manier stellen wij ons in op de krimp van onze gemeente(n)? Hoe voorkomen wij dat we in een negatieve spiraal belanden?
Wanneer is een kerkdienst of een activiteit geslaagd? Is een activiteit geslaagd als er 4 mensen op afkomen? Wanneer kunnen wij er met tevredenheid en stichting op terugkijken?

In de tijd van de Sovjetunie was de kerkgang niet vanzelfsprekend. Aan een priester werd gevraagd hoe hij het volhield om alleen in de kerkdienst aanwezig te zijn. Hij keek de vraagsteller verbaasd aan: ‘Alleen? Je bent toch niet alleen als je in aanwezigheid van God en de heilige engelen bent?’

Ds. M.J. Schuurman

Vragenlijst bij het Vliegermodel van Sake Stoppels

Vragenlijst bij het Vliegermodel van Sake Stoppels
ds. M.J. Schuurman

In zijn boek “Voor de verandering” presenteert Sake Stoppels een model om veranderingen in de gemeente te begeleiden. Dat model noemt hij het “vliegermodel”. Een handig hulpmiddel om in de gaten te houden hoe een proces verloopt. Ook handig waar men zich in het proces verbindt. Hieronder enkele vragen, die gebruikt zouden kunnen worden om te starten met dit vliegermodel.

Probleem / uitdaging
Omschrijf het probleem:
Welke uitdaging zit er in dit probleem?
Welke zorg / pijn is verbonden met dit probleem?

Analyse
1) Welke factoren binnen onze gemeente veroorzaken / versterken het probleem?
2) Welke andere factoren buiten onze gemeenten veroorzaken / versterken het probleem?
3) Speelt de ontkerkelijking een rol bij ons probleem? Zo ja: hoe?
4) Op welke manier heeft het probleem te maken met de plaats of regio waar wij wonen?
5) Op welke factoren hebben wij wel invloed?
6)Welke hulp van buitenaf zouden wij eventueel nodig hebben?
7) Op welke factoren hebben wij geen invloed?

Visie
1) Waarom is het belangrijk dat dit probleem opgelost wordt?
2) Welke bijbelse opdracht(en) spelen een rol?
3) Welke bijbelse beloft(en) spelen een rol?
4) Wat hebben we er voor over?
5) Wat is mijn eigen rol in dit geheel?
6) Wat is de rol van de kerkenraad in dit geheel?
7) Wat kunnen gemeenteleden bijdragen aan oplossingen?
8) Wat als er geen oplossingen zijn?
9) Welke aarzelingen kunnen er zijn bij mijzelf / de kerkenraad / de gemeente?

Over de discussie rond “Eten, bidden, beminnen”

Is er nog genade voor de GKv (en andere traditionele kerken)?
Over de discussie rond “Eten, bidden, beminnen” & gemeenteopbouw

Met stijgende verbazing volg ik de discussie over “eten, bidden, beminnen”. Dit is een discussie die vooral binnen GKv-kring in blogs wordt gevoerd. De bloggers zijn vaak GKv-ers die op de een of andere manier vast lijken te lopen binnen deze kerk. Dat verklaart de ondertoon van frustratie die sterk aanwezig is. Van eten is sprake en bidden zal ook wel gedaan worden. Van beminnen lijkt echter weinig sprake te zijn. Tenminste als het om trouwe kerkgangers gaat. Is er nog genade voor de GKv (en andere traditionele kerken)?

Hoe begrijpelijk de kritiek ook mag zijn, de opmerkingen over de trouwe kerkgangers is zorgelijk en gaat over de grens van het betamelijke. Ik vind niet dat je over een christelijke eredienst kunt zeggen dat het poppenkast is. Daaruit blijkt te weinig besef uit wat de eredienst is (of behoort te zijn). Uit zo’n opmerking blijkt te weinig de intentie om medegelovigen vanuit de liefde van Christus te benaderen. Er blijkt ook te weinig begrip voor wat ‘gewone’ kerkgangers beweegt. Hebben die echt andere verlangens en behoeften dan degenen met wie men graag wel gaat ‘eten, bidden, beminnen’.
In een soortgelijke discussies was de apostel Paulus heel fel. Zijn voornaamste bezwaar is niet dat men de eenheid binnen de gemeente op het spel zet. Eenheid was geen reden voor Paulus om zijn mond te houden (zie Galaten 2). Volgens Paulus was het probleem: jezelf een recht toe bedelen om te oordelen over het geloof van een ander. Daarmee gaat de gelovige op de stoel van God zitten. Wat is dat anders dan zondaar zijn? Wie oordeelt over een ander moet oppassen niet zelf onder het oordeel van God te vallen.
Er komt nog iets bij: wie zo’n liefdeloos en genadeloos oordeel over de ander velt, gaat er aan voorbij dat de Geest ook in de ander werkt. De Geest werkt niet alleen in mij. Begin dit jaar heb ik gepreekt over de zonde van de Heilige Geest. Ik heb ontdekt dat de zonde tegen de Heilige Geest inhoudt, dat je ontkent dat God in en door de ander werkt. Met andere woorden: wie de ander uitmaakt voor farizeeër moet oppassen dat hij dat niet zelf ook is. Is het ook niet een vorm van ongeloof, namelijk denken dat God niet in de ander kan werken?
Het gaat mij er niet om iemand te beschuldigen of in een kwaad daglicht te stellen. Waar het mij om gaat is een ondertoon van frustratie uit de discussie te halen. En niet de discussie uit te laten lopen op wie breekt de GKv (of een andere traditionele kerk) af? En ook om te voorkomen dat iedereen zichzelf als norm neemt. Kerkzijn in de 21e eeuw is meer dan een blauwdruk voor jezelf schrijven.
In mijn werk in een traditionele gemeente kom ik er achter dat ook de Geest hier werkt. Of het meer is dan in gemeentestichtingen kan ik niet bepalen. In ieder geval niet minder. Wanneer gezegd wordt dat gereformeerden geen contact hebben met niet-christenen klopt dat gewoon niet. Ook in de GKv zitten leden die van buitenkerkelijke origine zijn of een tijd niet meer actief gelovig zijn geweest. Vanuit mijn ervaring hier durf ik dat wel te stellen. Ik kom namelijk genoeg mensen tegen die niet zouden passen in een project van eten, bidden, beminnen.
We moeten ophouden met het tegen elkaar uitspelen van kerkvormen. Ook de traditionele kerkvorm heeft in de 21e eeuw recht van bestaan. Ik denk dat we als protestanten wat trotser mogen zijn op wat we hebben: psalmen en gezangen, de preek, de predikant en niet te vergeten het huisbezoek. De kerk (en niet alleen die van de toekomst) is niet gebaat bij teveel vergaderen. Huisbezoek is de pijler van gemeentezijn en dus niet van de ander verwachten met jouw activiteiten mee te doen. Dat werkt een tijdje. Totdat iedereen overspannen thuis zit en de leider van een gemeente weer gefrustreerd is over degenen die zijn afgehaakt. Wie uitgaat van “eten, bidden, beminnen” zal ook echt van de gemeenteleden moeten houden. Anders is “eten, bidden, beminnen” een liefdeloos oordeel.
Met alle kritiek op traditionele kerkstructuren (ik ben ook geen liefhebber van classicale en andere kerkelijke vergaderingen), heeft zo’n traditionele structuur ook enkele prés. Een van mijn ontdekkingen in de gemeente die ik dien, is dat er meer mensen van niet-kerkelijke komaf zijn dan ik had vermoed. Sindsdien ga ik uit van de hypothese: een traditionele gemeente is missionairder dan een andersoortige gemeente. Bovendien zorgt de traditionele structuur ervoor dat er kerken zijn en blijven op plaatsen waar men niet aan denkt om gemeentestichting te beginnen. Een structuur kan de kerk ook beschermen tegen zelfbenoemde profeten. In die zin vind ik de kop van het ND boven het interview met David Heek echt alle perken te buiten gaan. In welke tijd leven wij als een krant (ook al is het een Vrijgemaakte) benoemt tot profeet? Welke bevoegdheid heeft een (ook al is het een Vrijgemaakte) krant. Ik denk dat er teveel zelfbenoemde profeten rondlopen in kerkelijk Nederland. Ik zou daarom ook niet willen pleiten voor een profetische taak van de kerk. Ook geen dienstbaarheid aan de samenleving, maar een priesterlijke kerk: een kerk die voor en met mensen bidt, die de offers en gebeden, de lofprijzing van het gewone volk serieus neemt als manier om God te dienen. Die ruimhartig is met het uitdelen van de genade.
Daarom kan ik er niet tegen dat er zo denigrerend wordt gedaan over de zondagse eredienst. Alsof het niet een geloofsbelijdenis en toewijding aan God is van de bezoekers, alsof het geen goddelijk gebod is, alsof het peanuts is. Gemeenteopbouw begint niet bij menselijke activiteit. Wie “eten, bidden, beminnen” serieus wil nemen, moet bij gebed beginnen. En dan niet bidden om kracht om het werk vol te houden. En ook niet bidden over de zegen over de plannen die wij hebben opgesteld. Maar bidden vanuit Psalm 127: als God zijn huis niet bouwt, tevergeefs werken wij. Wie de Vulgaat erbij pakt, zal zien dat zonder God om lucht en leegte gaat (vanitas), om gefrustreerd bezig zijn (frustra). Gemeenteopbouw is geen menselijke activiteit. Wanneer we er toch een menselijk product van maken, zoals bij “eten, bidden, beminnen” een grote valkuil ligt, gaat men het werk van God doen. Luther sprak in dit geval over de zondaar als een in zichzelf gekromde mens. De mens die voor God denkt te moeten werken, omdat hij niet wil zien dat God op andere manieren werkt. Juist de zondagse eredienst is een adequaat middel om ons ervoor te beschermen een Macher te worden.

Matthijs Schuurman

Ps. Sinds enige tijd ben ik bezig met Klaas Schilder, de founding father van de GKv. Hoewel hij nauwelijks meer gelezen wordt, werkt zijn gedachte over het medewerker zijn van God wel degelijk door. Ook in de gemeenteopbouw-discussie. Ik vraag mij echter af of de gedachte van het medewerker zijn van God geen overschatting is van de vernieuwde mens. Ook de vernieuwde mens blijft zondaar van nature geneigd is om God en zijn (kerkelijke) naaste te haten.