Preek zondag 23 april 2017

Preek zondag 23 april 2017
Bevestiging jeugdouderling.
Jeremia 16:14-18
Johannes 21:1-19 (tekst vers 15)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In heel de Bijbel zien we dat de Heere van mensen gebruik maakt voor Zijn dienst.
Er zijn profeten geweest, die Zijn boodschap verteld hebben.
Koningen, die namens God over Zijn volk regeerden.
Priesters, die in de tempel dienst deden om te offeren en te bidden voor het volk.
In het Nieuwe Testament komen daar de discipelen erbij en later diakenen en apostelen,
mensen die op pad gingen om het evangelie te verkondigen en gemeenten te stichten,
en als zo’n gemeente er dan was, een taak hadden om de gemeente intern op te bouwen.
Ook vandaag de dag maakt de Heere gebruik van mensen om Hem te dienen,
met bijvoorbeeld taken binnen de kerk: predikanten, ouderlingen en diakenen.
Dat zijn dan degenen die een ambt vervullen, maar zij niet de enigen.
Kijk alleen maar naar wat de koster doet, de organist, de leiding van de kindernevendienst.
Vandaag, bij de bevestiging, zien we dat weer opnieuw:
God maakt gebruik van mensen om Hem te dienen.
Wat een jeugdouderling mag doen, heeft wel iets weg van wat Christus tegen Petrus zegt:
Weid mijn lammeren!
Christus legt de zorg voor degenen die bij Hem horen bij mensen neer,
om in Zijn naam voor hen te zorgen, hen te weiden, hen te hoeden.
Dat is een eervolle taak dat je als mens iets mag doen in naam van je Heer.
Het is ook een spannende taak, want het is een hele verantwoordelijkheid:
Je doet het niet voor jezelf, maar voor je Heer
en wie zijn wij als mensen, dat wij dat kunnen doen?
Dat leeft hier in Oldebroek heel sterk:
Er zijn er die de eerste keer als ze benoemd of gekozen worden tot ambtsdrager
toch bedanken, omdat ze het idee van zichzelf hebben dat ze daarvoor niet geschikt zijn.
Die als ze de opdracht van Christus zouden krijgen: Hoed mijn schapen
daar nachten van wakker zouden liggen, van de verantwoordelijkheid
En zelfs als het zou gaan om het weiden van de lammeren, de kleintjes binnen de gemeente
dat nog niet durven aan te gaan,
misschien ook wel uit angst dat ze te weinig geloof hebben,
de moed niet hebben, omdat ze klein van zichzelf denken
en blij zouden zijn, dat zij niet als Petrus zijn gevraagd
en die blij zijn dat de vacature van jeugdouderling nu vervuld is,
zodat zij niet gevraagd hoeven te worden om iets te doen, om verantwoordelijkheid te nemen.
Weid mijn lammeren, hoed en weid mijn schapen
– daarin geeft Christus een verantwoordelijkheid aan mensen,
God maakt van mensen gebruik om Zijn koninkrijk te bouwen,
om Zijn gemeente te weiden en te beschermen.
Weid mijn lammeren, hoed en weid mijn schapen
Weiden en hoeden – dat doet een herder
en de herder, dat is allereerst de Heere Jezus.
Hij gebruikt ons als mensen, als gelovigen om iets van Hem te laten zien,
dat in wat we in de gemeente doen iets zichtbaar wordt van Christus zelf.
Dat mensen in de gemeente merken dat er een Herder is,
dat Christus de Herder is, omdat er mensen in de gemeente zijn met verantwoordelijkheid,
die ook als een herder zijn,
die de medechristenen, de andere broeders en zusters weiden en hoeden.
Voor een jeugdouderling, de taken binnen het jeugdwerk:
de kinderclubs, zondagsschool en kindernevendienst.

Hier wordt één leerling verantwoordelijk gemaakt voor het weiden en het hoeden lijkt wel,
maar dat is, denk ik, niet de gedachte.
Het gaat er niet om, dat de verantwoordelijkheid van één wordt neergelegd,
maar het is meer een aanwijzing van hoe wij binnen de gemeente met elkaar omgaan.
Voor elkaar een herder zijn, elkaar weiden,
meenemen naar de grazige weiden van Gods Woord,
meenemen naar de stille wateren, waar onze dorst naar God gelest kan worden,
waarin water de vinden is, bij Johannes beeld voor de Heilige Geest.
Weiden en hoeden, dat is andere gemeenteleden brengen bij Christus,
verantwoordelijk zijn voor elkaar.
Want klonk niet op een van de eerste bladzijden van de Bijbel die vraag:
Ben ik mijn broeders hoeder?
Ja, binnen de gemeente zijn we elkaars hoeder,
zijn we de hoeder van onze broeders en zusters,
en dat is niet alleen voorbehouden aan ambtsdragers,
al moeten ze wel zo hun taak invullen, dat ze niet voor zichzelf in de kerkenraad zitten,
maar om de gemeenteleden te weiden en te hoeden,
ook de lammeren van de gemeente, de kinderen en de jongeren.
Want zij zijn net zo goed onderdeel van de gemeente.
In de kerk tel je niet pas mee als je volwassen bent,
maar ook als je kind bent en jongere.
Vandaar dat er heel wat voor jullie gebeurt.
Dat doen we, zodat jullie Christus leren kennen als jullie herder
en dat je in de clubleiding of de leiding van de zondagsschool, van de jeugdouderlingen
iets zichtbaar ziet worden van Christus.
Dat je bij jezelf denkt: ik hoor verhalen over de Heere Jezus,
maar hoe ik kan geloven en wie de Heere Jezus voor mij is,
dat zie ik ook aan die jeugdouderling, aan die zondagsschoolleiders,
aan de andere mensen in de kerk.

Christus geeft die opdracht niet zomaar, je zou kunnen zeggen:
Er zit een voorwaarde aan vast om deze taak op je te kunnen nemen.
Een minimale eis, en dat is niet of je vergaderingen kunt leiden
en goed met kinderen en tieners kunt omgaan, of dat je goed in organiseren bent,
de vraag is of je van de Heere Jezus houdt.
Daar begint de Heere Jezus mee, voordat Hij deze taak aan Petrus toebedeeld:
Petrus, houd je van Mij?
Zou Jezus daar wel naar moeten vragen? Bij Petrus en bij ons?
Want had PEtrus nog niet zo heel lang geleden aangegeven
dat hij van Jezus niets moest weten, dat hij niet bij Jezus hoorde en zelfs Jezus niet kende.
Dat is een vraag, die je wel aan een kind zou kunnen stellen,
die daar heel spontaan: “Ja, natuurlijk!” op kan zeggen,
maar als je tiener bent, kun je daar soms al wat voorzichtiger op reageren,
en als volwassene kun je nog wat terughoudender zijn,
omdat je van jezelf niet altijd waar kunt maken, dat die liefde er altijd is
en dat je ook wel eens als Petrus bent, die de ene keer getuigt
en de andere keer wegloopt, omdat hij het niet ziet zitten bij Jezus te zijn in dat paleis.

Jezus vraagt aan Petrus niet naar zijn liefde voor Jezus als zodanig.
De Heere Jezus vraagt of de liefde die Petrus heeft sterker is dan die van de anderen.
Daarin klinkt iets door van concurrentie, jezelf met anderen vergelijken,
van jezelf vinden dat jouw liefde het sterkst is
en dat wat jij voor Christus doet meer is en gepassioneerder is
dan van andere mensen in de kerk.
Als ik het niet doe, dan staat er niemand op.
Zo heb ik het niet geproefd, eerder een bereidheid dat je iets wilt doen binnen de gemeente,
omdat je je verantwoordelijk voelt en je steentje wil bijdragen
en ik hoop, omdat je ook de mooie kant ziet van het weiden van de lammeren,
dat je dat graag, van harte voor Christus wilt doen.
Dat vergelijken kom ik wel eens tegen in de gemeente.
Dan zeggen de mensen: er is maar een handjevol mensen, die zich echt inzetten.
Het zijn steeds dezelfden.
Als je niet oppast, denk je van jezelf: Wat ik doe, is meer.
Mijn inzet overtreft die van anderen.
als dat je drijfveer is, om te laten zien wat jouw inzet is,
om te laten zien, dat jij niet beroerd bent om iets te doen, terwijl anderen het erbij laten zitten, voor je gevoel, dan heb je maar een beperkte basis en red je het niet
Want is dan de liefde voor Christus de basis, de zorg voor de gemeente
of uiteindelijk dat jij gezien wordt en jouw inzet echt op waarde wordt geschat?
Petrus, is jouw liefde groter dan die van de mede-leerlingen?
En liefde is hier ook praktisch: doe je meer, loop je harder?
Dat idee om te gaan vissen, wilde je daarmee iets laten zien naar de anderen toe?
Toen je overboord sprong, was dat echt om de Heer te ontmoeten
of zat daarin iets ook van: Kijk mij eens vol enthousiasme en spontaniteit zijn?
En toen ik vroeg om iets te halen, stond jij toen maar niet al te graag op
om de indruk te wekken dat die grote visvangst vooral aan jou te danken is?

Gemeente, ik heb zitten puzzelen, waarom de Heere Jezus vraagt naar het meer
van Petrus’ liefde, waarom Hij PEtrus dwingt om zich te vergelijken met de anderen.
Dat heeft met het paleis te maken, waar Petrus Jezus verloochende,
maar het zou ook wel eens te maken kunnen hebben, met het initiatief dat Petrus nam,
de avond ervoor: om te gaan vissen.
Ik was eerst van de gedachte, dat vissen betekent: je gewone werk weer oppakken,
maar in de afgelopen week kwam ik een verwijzing tegen naar het Oude Testament
waarin het beeld van vissen gebruikt wordt:
vissen die door een net uit zee, uit het meer worden gevist.
Dat is in Jeremia het beeld van de Joden die over heel de wereld zijn verspreid
en door God weer thuisgebracht worden.
Zoals een net veel vissen opvist, zo wordt door God elke Jood, waar hij of zij zich ook bevindt
opgehaald en thuisgebracht.
Zou Petrus van mening zijn, dat dat werk nu moet beginnen:
Niet terug naar huis, maar aan de slag, om overal vandaan de verstrooiden thuis te brengen?
Had Jezus dat niet gezegd: Als Ik aan het kruis verhoogd zal zijn,
zal Ik iedereen naar mij toe trekken, ook de Joden die in de diaspora zijn?
Zou Petrus de gedachte hebben gehad: nu moeten we daar maar mee beginnen?
We moeten wat gaan doen voor Jezus? Dat is onze taak?

Ze zijn bij elkaar aan de Zee van Tiberias.
Dat is niet zomaar, Johannes verbindt met eerder, ook aan de Zee van Tiberias,
toen er een grote menigte was, zonder eten.
Er was alleen een jongetje met 5 broden en 2 vissen
en Jezus maakte daar zoveel van, dat de hele menigte gevoed kon worden.
Op de plek hadden ze het kunnen weten: Jezus voorziet zelf in een ruime overvloed.
Maar als zij gaan vissen, de hele nacht door, vangen zij niets.
Wat zij voor Christus doen, dat levert niets op.
Dat is soms ook herkenbaar, en dat is soms ook heel pijnlijk,
dat je lang werkt, maar dat je aan het einde helemaal niets hebt: lege netten.
Dan staat er op die morgen een man aan de oever die vraagt om een kleinigheid.
Heb je niet een geslaagde clubavond, niet een goede vergadering,
een goed uitgevoerd actiepunt dat goed in de gemeente landde?
Kun je niet vertellen over één jongere die door jouw inzet is gaan geloven?
‘Wij hebben niets.’ Ze moeten het antwoord schuldig blijven.
Hadden ze misschien grootse verwachtingen gehad over wat ze Christus konden aanbieden?
Heere, in Uw afwezigheid hebben we deze oogst binnengehaald.
Kijk eens wat we U kunnen aanbieden?
Nee, niets – een teleurstellend antwoord, om machteloos van te worden.
De hele nacht gewerkt en niets gevangen.
Als je succes hebt, dan vergeet je soms ook wel hoe zwaar het was om te doen.
Maar als het niets oplevert, kun je daar erg ontmoedigd door worden.
Dan komt de teleurstelling des te harder aan.
‘Nee, ook al hebben wij de hele nacht hard gewerkt, wij kunnen U niets bieden.’
En dan zegt Jezus: werp het net aan de andere kant:
Zouden ze het niet geprobeerd hebben, die hele nacht door
als het niet lukte om het dan voor een andere boeg te gooien?
Zoals je ook als jeugdouderling of clubleiding van alles onderneemt,
als jij je doel niet bereikt en de opbrengst niet is wat je ervan verwachtte.
De andere kant: dat is vlakbij, dat is waar ze het allang hadden geprobeerd,
maar waar niets was te vinden, waar ze niets hadden gevangen.
De andere kant – dat is niet waar ze niet hadden gekeken,
maar dat is waar Jezus voorziet, binnen de gemeente, in de activiteiten die je onderneemt,
in je eigen geloofsleven – Jezus die voorziet en in grote mate schenkt.
Jezus verschijnt, waar de discipelen niets hebben, om hen te schenken,
niet een beetje, maar een overvloed, waarbij niemand tekort komt.
Jezus vraagt om iets erbij, toespijs, je hebt het niet, maar je ontvangt op Jezus’ bevel
een enorme zegen die je niet had verwacht en waar je niet meer op rekende.
En dan zitten ze aan een kolenvuur, net zo’n vuur er eerst was
in het paleis waar Petrus zich aan warmde, maar waar hij niet bij Jezus bleef.
Ze zijn al aan het eten en de vissen die binnengebracht zijn, zijn niet eens nodig.
Alles is al binnen, er is genoeg.
Is hun werk dan voor niets? zou je denken.
Maar nee, Jezus zegt: haal waar van wat jullie gevangen hebben.
Wat Hij daarmee bedoelt: eigenlijk hoeven jullie helemaal niets in te brengen,
want Ik breng alles al in.
Jullie werk is er alleen maar bij, als je het met mijn werk vergelijkt.
Maar dat mag er juist ook wel zijn.
Dat heeft zijn waarde, dat wordt gehonoreerd.
Hoe klein je bijdrage ook is en hoe schamel je oogst – Christus doet daar niet lacherig over.
Het mag meedoen, een bijdrage zijn aan die maaltijd.
Eigenlijk niet nodig, want alles is er al, maar het wordt niet weggeschoven.
Ons werk is er slechts voor erbij, eigenlijk is alles er al
en toch mogen we inbrengen, mogen we onze daden aanbieden:
Heer, dit hebben wij voor U gedaan.

En dan zitten ze aan de maaltijd, voor de tweede keer bij de Zee van Tiberias,
dat Christus hen eten geeft terwijl ze zelf niet hadden.
Ze durven niets te vragen, want ze zien hoe in hun eigen tekort Jezus geeft in Zijn volheid.
Ze worden gevoed, daar aan die maaltijd,
hongerig als ze zijn van een hele nacht hard ploeteren zonder resultaat,
hongerig als ze zijn van het binnenhalen van die zware last.
Ze worden verzadigd.
Dat is niet zomaar.
Dat zegt ook iets over het gemeentewerk.
Als Christus ons opdraagt, geeft Hij daarvoor al genoeg om te eten,
genoeg om het aan te kunnen, mogen we teren op wat Hij reeds aanreikte.
En die maaltijd is het beeld van het samenzijn, het samenleven met Christus,
dat we zijn waar Hij is.
Alleen vandaar uit kunnen we ook iets binnen de gemeente doen,
kunnen we medewerker van Christus zijn, als Hij ons eerst voedt en versterkt,
als Hij ons eerst weidt en hoedt.
Weiden en hoeden – dat is eigenlijk niet meer dan delen van de volheid van Christus,
uitdelen van wat je aan de maaltijd krijgt.
Waarbij het niet gaat of de een meer doet dan de ander,
maar of we het van die maaltijd vandaan halen,
Of wij zelf onze voeding bij Christus vandaan halen.
Petrus, heb jij Mij lief? Dat is de vraag of wij daar ook aan die maaltijd zitten,
Waar de opgestane Heer Zijn voedsel geeft om Zijn kerk te versterken.
Weid mijn lammeren en hoed Mijn schapen – dat is niet zomaar een losse opdracht,
Dat is een opdracht uit het gevoed zijn door Christus zelf,
een doorgeven van wat jijzelf van Hem ontvangen hebt.
Dat gaat niet in concurrentie, niet in vergelijken met elkaar,
maar dat gaat om de vraag of je wat je moet uitdelen wel van de goede plek vandaan hebt,
van die maaltijd, waar Christus is, waar je samen met Hem mag zijn
en je eigen geloof gevoed en gesterkt wordt.
Zelfs iemand die gezegd heeft Jezus niet te kennen en niet bij Hem te horen,
zelfs iemand die denkt te weten wat Hij voor Jezus moet doen,
mag aanzitten en zich eerst laten voeden en versterken en dan uitdelen.
Wat Jezus Petrus en ons wil leren is dat wat wij doen,
niets is als we het niet eerst van Hem krijgen.
Heeft dat ook niet met het kruis op Golgotha te maken,
dat daar, in de uitroep van Jezus “Het is volbracht!” dat daar onze liefde ontspringt
liefde die wij niet uit onszelf hebben, maar die bij Hem vandaan komt,
die door Hem in ons ontspringt
en naar anderen toegaat, om ook anderen te winnen voor Christus.
God maakt van mensen gebruik, mensen als Petrus, als deze jeugdouderling, als u en ik.
Hij geeft liefde – om vervolgens ons te bevragen op die liefde,
om vervolgens als wij kunnen belijden, misschien stamelend, dat wij van Hem houden,
die liefde mogen uitdragen aan anderen.
Aan kinderen en jongeren, aan mensen binnen en buiten de gemeente.
Zodat als Jezus aan hen die vraag stelt, zij mogen antwoorden:
U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd.
Amen

Preek zondagmiddag 26 maart 2017

Preek zondagmiddag 26 maart 2017
Ezechiël 34: 1-12 / Johannes 18:15-40

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dat moment waarop Jezus zijn Meester verloochent,
vind ik een van de meest ontroerende en aangrijpende gebeurtenissen uit de Bijbel.
Ontroerend, omdat Petrus zijn Meester niet kan loslaten.
Aangrijpend, omdat als het erop aan komt zijn Meester in de steek laat.
Ik kan dit verhaal niet lezen, zonder het op mijzelf te betrekken.
Ik moet er voor mijzelf wel over nadenken.
Daar is de Bijbel ook voor bedoeld, dat je als gelovige over jezelf nadenkt,
dat er vanuit de Bijbel de vraag naar jezelf toekomt: en ik dan?
Hoe staat het met mij? Wat zou ik hebben gedaan?

Wat ik gedaan zou hebben, dat weet ik niet.
Hoe wij op iets zouden reageren, dat kunnen wij niet weten.
Soms kun je van jezelf versteld staan, dat je iets durft of dat je rustig bent,
terwijl je ervan tevoren tegenop gezien hebt.
Soms kun je helemaal van slag zijn, zonder dat je erop bedacht bent.
We kunnen soms heel anders reageren dan we verwacht hadden.
Ik weet niet of ik het Petrus na had durven doen: achter Jezus aangaan,
ook nadat Hij werd meegenomen door de soldaten en dienaren van de hogepriester.
Want Petrus waagt zich toch wel in het hol van de leeuw.
Hij zoekt het gevaar wel op, terwijl hij net een aanslag heeft gepleegd
op Malchus, de dienaar van de hogepriester, van wie hij het oor afsloeg.
Terwijl de dreiging van een naderende dood al in de lucht hangt,
een grote groep soldaten, dienaren van een hogepriester,
leiders van het volk die al uitgesproken hebben, dat Jezus moest sterven,
één man om een heel volk te redden.
Ondanks alle dreiging gaat Petrus mee met die andere leerling,
die hem toegang biedt tot het huis van de hogepriester.
Ik weet niet of ik dat gedaan zou hebben,
maar ik vind het wel ontroerend wat PEtrus hier doet:
Hij toont zijn verbondenheid met Jezus.
Wat jullie ook met Jezus willen doen, ik hoor bij Hem,
jullie hebben ook met mij rekening te houden.
Zo had hij dat ook eerder tegen Jezus gezegd: Ik wil voor U door het vuur gaan.
Ik zal alles geven. Ik ben bereid om zelfs voor U te sterven.
Nee, bang was Petrus niet uitgevallen en loyaal is Petrus gebleven
ook nadat Jezus werd meegenomen door die legermacht.
Als geloven betekent bij Jezus horen en met Hem verbonden zijn,
dan laat Petrus zien dat Hij bij Jezus hoort.
Hij zoekt het samenzijn met Jezus weer op.
Maar juist dat breekt hem op, het wordt hem fataal.

Ik denk niet dat deze tragische gebeurtenis uit het leven in de Bijbel is opgenomen
om met de vinger te wijzen naar Petrus
om dan te doen alsof wij, als wij Petrus geweest zouden zijn,
niet in de fout zouden gaan om Jezus te verloochenen.
Ik denk dat veel gelovigen beseffen, dat wat Petrus overkomen is, hen ook kan overkomen.
Tijdens de opleiding kregen wij als studenten bij het vak pastoraat de vraag:
Op welke persoon uit de Bijbel lijk jij het meest?
Er waren er heel wat die zich op Petrus vonden lijken:
Aan de ene kant enthousiasme om over Christus te vertellen,
maar tegelijkertijd ook weten, dat je op een verkeerd moment kun opgeven,
als je wel gevraagd wordt om Jezus te belijden
Dat je dan kunt zeggen: Ik hoor niet bij Hem.
Als het verhaal in de Bijbel is opgenomen om iets te leren,
is dat de Bijbel geen gelovigen kent, die boven een ander uitstijgen,
die op een perfecte manier Jezus volgen.
Dat is aan de ene kant een geruststelling:
zelfs Petrus zat er op een afschuwelijke manier naast.
Nou, als zelfs Petrus mis kan zitten, dan is er voor mij ook hoop,
ik die ook zo vaak faal.
Toch is het ook een waarschuwing: dat wat Petrus overkwam,
kan ook mij overkomen, dat ik te weinig geloof heb om het met Jezus vol te houden.
Ook al begin ik vol goede moed en zet ik de eerste stap nog richting Jezus.

Ik denk dat dit verhaal van Petrus in de Bijbel is opgenomen, vooral is
om iets van de Heere Jezus te laten zien.
Dat er in wat er met Petrus gebeurt iets zichtbaar wordt van Christus.
Als Christus wordt ondervraagd door Pilatus en de vraag krijgt of hij een koning is,
geeft Jezus een antwoord: Als ik koning was, hadden mijn dienaren wel voor mij gevochten
Had Petrus dat niet gedaan, toen hij zijn zwaard trok en het oor afsloeg?
Had hij daarmee niet waargemaakt wat hij eerder aangaf
namelijk dat hij bereid was om zijn leven te geven voor Jezus.
Petrus wilde vooral een dienaar van Jezus zijn.
Dat is op zich een mooie invulling van geloof
en wij zouden blij zijn als iemand in de kerk zou aangeven
dat hij Christus wil dienen met alle inzet die hij heeft, voor Jezus wil gaan,
bereid om zich helemaal op te offeren en tot het uiterste in te zetten.
Hij is bereid om te dienen.
Petrus wil alleen niet gediend worden.
Petrus protesteerde toen Jezus hem de voeten wilde wassen:
Ik zou U moeten dienen, U moet mij helemaal niet dienen.
Zou Petrus niet naar het huis van de hogepriester zijn gegaan om Jezus ook daar te dienen.
Er is een uitleg – ik weet niet hoe geloofwaardig die is,
die aangeeft, dat Petrus daar in het huis van de hogepriester gewacht heeft op een teken
van zijn Meester om in actie te komen.
Er wordt geen reden gegeven.
De reden die ik kan bedenken, is dat Petrus naar binnen moest gaan
en dat zijn geloof in Jezus stuk moest breken,
omdat dit de enige manier was om te accepteren
dat Jezus kwam om hém, Petrus, te dienen.
Het is een harde manier geweest, Petrus wordt zijn geloof in Jezus ontnomen,
de Jezus zoals hijzelf Jezus voorgesteld had.
Er moet eerst wat gebeuren, voor Petrus zover komt,
Dat hij kan aanvaarden dat Jezus gekomen is om ook hem te dienen – en niet andersom.
eerst moet er bij Petrus een verkeerd beeld van Jezus uit de weg worden geruimd,
Een beeld waarin hij, Petrus, gelooft, maar niet helemaal klopt.
Petrus heeft het beeld van een koning voor wie gestreden moet worden,
en Petrus ziet zichzelf als verantwoordelijk: hij moet strijden voor Gods zaak.
De verloochening door Petrus werpt niet alleen licht op de zwakte van Petrus,
maar werpt ook licht op wie Christus is en op wat Hij kwam doen op aarde.
Om dat te kunnen zien, moet eerst zijn eigen geloof, zijn eigen band worden afgebroken.
Het geloof van Petrus is nog teveel een geloof van hemzelf,
en zijn beeld van Jezus bestaat eruit dat hij iets moet bijdragen, zich moet inzetten.

Zo’n koning ben Ik niet, zegt Jezus tegen Pilatus.
Ik ben geen koning die mensen aanzet voor mij te strijden.
De mensen die Mij gegeven zijn, zijn geen kanonnenvlees,
die opgeofferd worden voor een hoger ideaal.
Zou Petrus dat gewild hebben: zijn leven inzetten voor een hoger ideaal,
het koninkrijk van Jezus,
waarvoor hij desnoods martelaar wil worden en geëerd met een standbeeld
Als dat koninkrijk eenmaal er is, als martelaar voor de goede zaak geëerd?
Als Jezus koning is, dan niet volgens menselijke maatstaven
als iemand die bezig is met zijn eigen macht,
om die macht te handhaven en uit te bouwen,
om gebruik te maken van mensen die aan je ondergeschikt zijn
of zelfs misbruik, om hen te gebruiken om je eigen naam te vestigen,
je eigen roem en glorie uit te bouwen.
Nee, zegt Jezus, een echte koning is een herder
Een echte herder offert zijn schapen niet op,
maar is bereid om zelf voor zijn schapen te sterven.
Niet Petrus moet voor Jezus sterven, maar Jezus moet voor Petrus sterven.
Was PEtrus nu al die bijzondere handeling van diezelfde avond nog vergeten,
waarbij Jezus opstond, om zijn mantel af te doen
en daarna knielde bij hem en de andere discipelen.
Petrus, jij dient Mij niet, maar Ik dien jou.

PEtrus kan het niet zien.
Petrus volgt zijn eigen Jezus en moet die Jezus opgeven
en ontdekt dat pas als hij de haan hoort kraaien
nadat hij drie keer heeft aangegeven dat hij niet bij deze Jezus hoort.
Petrus moet zijn eigen Jezus opgeven, dat is zijn strijd,
Waardoor hij niet kan zien wie Jezus wel is.
Terwijl Petrus daar struikelt en zich van Jezus verwijdert, wordt Jezus ondervraagd.
Dat gaat samen op. Twee gebeurtenissen op hetzelfde moment.
Petrus die bevraagd wordt en zegt dat hij niet bij Jezus hoort
en Jezus die ook bevraagd wordt.
Jezus wordt bevraagd door de leiders van het volk,
die zich zorgen maken over de invloed van Jezus op het volk.
Jezus wordt aan de tand gevoeld over wat hij vertelde, maar dat niet alleen.
Hij moet ook over zijn discipelen vertellen.
Hij had kunnen vertellen: willen jullie weten wie mijn leerlingen zijn?
Daar beneden is er een, die bezig is om zich van mij te verwijderen,
die mij aan het verloochenen is.
Maar Jezus zegt iets anders, zijn woorden zijn ruim, royaal.
Jullie maken je zorgen over wat Ik verteld heb en over wie Mijn leerlingen zijn?
Iedereen kan Mijn leerling zijn.
Ik heb in het openbaar gesproken, Ik heb het Woord gezaaid
En jullie zullen nog versteld staan hoeveel Ik gezaaid heb,
bij hoevelen die zaden zullen ontkiemen en gaan uitgroeien tot geloof in Mij.
Wat Jezus zegt, lijkt gelijk onderuit gehaald te worden door Petrus.
Daar staat Jezus als een meester zonder enige leerling,
een koning zonder enige onderdaan,
Die grote aantallen die in Hem zullen geloven, die van Hem zijn,
dat is wat we in deze tijd zouden zeggen: nepnieuws. Daar is niets van waar.
Integendeel, degene die Hem nog gevolgd was, zegt dat hij niet bij Jezus hoort.
hij zal er om uitgelachen worden, dat Hij zichzelf als koning heeft uitgegeven.
Is dat, is dat Mijn koning, is dat der vaad’ren wens?

Alleen het geloof ziet in Hem de koning.
Niet een koning, zoals het geloof van Petrus een koning in Hem zag.
Niet het ongeloof van Pilatus, die de bewering dat Jezus koning was, wel komisch vond,
interessant, maar te weinig reden om hem te laten doden.
Jezus zegt nooit voluit dat Hij koning van Israël,
wel dat Hij herder is, de goede herder, maar herder is in de Bijbel een ander beeld voor koning
Koning van heel de wereld, Koning van het universum,
die in Zijn eigen koninkrijk gekomen is, omdat er een andere macht in dat koninkrijk heerst:
de zonde, de duivel – donker is het geworden in Zijn koninkrijk van licht,
een duister waar Zijn onderdanen voor gekozen hebben.
Jezus betreedt de wereld, die Zijn koninkrijk is, maar geregeerd wordt door een andere vorst.
Tegen Nicodemus zei Jezus, dat hij niet gekomen was om de wereld te oordelen.
Daar had Hij wel alle reden toe, maar dan zou het duister voorgoed heersen
en zou de zonde de macht op deze wereld houden.
Hier wordt de koning van heel het heelal, die over alles oordeelt,
zelf aan een oordeel onderworpen, van de hogepriester, van de Romeinse stadhouder.
Jezus kiest om dat oordeel te ondergaan:
om van de waarheid te getuigen, zegt Jezus tegen Pilatus.
De waarheid is de donkerheid op deze wereld, de zelfgekozen nacht.
Als Ik word geoordeeld, zegt Jezus, dan wordt het duidelijk hoe het met de wereld voorstaat.
Een wereld die deze koning niet wil,
maar Gods oordeel is sterker dan de wil van de mensen.
De waarheid is niet alleen de menselijke waarheid van de zelfgekozen duisternis,
maar ook Gods waarheid, dat de zonde wordt veroordeeld,
maar ook wordt weggedragen en verbroken
en dat voor al degenen die aan Jezus zijn gegeven redding mogelijk is en nieuw leven.
Ook voor Petrus, die nu de band met Jezus loslaat,
maar later door Jezus weer wordt opgezocht en geroepen wordt,
opnieuw, als hij opnieuw aan een kolenvuur zit om zich te warmen.
Dan begrijpt Petrus het eindelijk: niet ik moest dienen, maar Hij.
Amen


Overdenking Paasviering ouderenmiddag 2016

Overdenking Paasviering ouderenmiddag 2016
Jesaja 53:1-8
Lukas 22: 47-63

Als Lukas vertelt over de weg die de Heere Jezus gaat naar het kruis op Golgotha
heeft Hij aandacht voor één discipel in het bijzonder: Petrus.
In zijn hele evangelie laat Lukas deze discipel steeds naar voren komen
alsof hij tegen ons als lezers van zijn evangelie zegt:
Let goed op Simon Petrus,
want als je deze leerling van Jezus in de gaten houdt
dan begrijp je beter welke weg Jezus ging
en wat het betekent om leerling te zijn van Christus.
Zou Lukas zo de aandacht vestigen op Petrus,
zodat wij in zijn voetsporen kunnen gaan?
Ons herkennen in het enthousiasme om bij Christus te zijn en met Hem mee te gaan,
maar ons herkennen in een moment dat we de Heere Jezus niet meer begrijpen
en daarom onze Heere niet meer kunnen volgen?

De weg naar Golgotha begint voor Petrus met een waarschuwing van Christus:
Beste Petrus, er komt voor jou en je medediscipelen een moeilijke weg aan,
want satan heeft het oog op jullie laten vallen.
Hij wil jullie ziften als de tarwe.
Jullie zullen een heftige tijd meemaken,
waarbij de echtheid van je geloof zal worden getest.
De satan zal willen weten of jullie wel echt bij Mij horen
en hij gaat ervan uit dat hij het voor elkaar krijgt
dat jullie Mij allemaal in de steek zullen laten.
Hij gaat ervan uit dat Ik, op de weg die Ik zal gaan,
helemaal niets aan jullie zal hebben.
Hij verwacht dat door zijn toedoen, door zijn aanvallen op jullie geloof in Mij,
jullie allemaal kaf zullen blijken te zijn,
dat door zijn stormwind weggeblazen zal worden.

De satan staat aan de vooravond van zijn grote nederlaag
en toch probeert hij nog zoveel mogelijk schade aan te richten
Door twijfel bij de leerlingen van Jezus te zaaien,
Waardoor Jezus Zijn weg alleen moet gaan,
zonder daarbij gesteund te worden door Zijn leerlingen.
Zijn leerlingen zullen Zijn weg eerder zwaarder maken,
doordat ze Hem in de steek zullen laten
en van Hem zullen zeggen dat ze Hem niet kennen.

Maar, zegt Jezus tegen Petrus, dat is niet het enige dat er gebeurt.
Je hebt ook Mijn gebed nog.
Mijn gebed zal je vergezellen, zodat je in de komende nacht
het geloof in Mij zal behouden.
Terwijl Christus de zware weg in zal gaan,
waarop Hij de beker helemaal zal moeten leegdrinken,
is Hij nog bezig met Petrus,
om hem en zijn geloof te behouden,
zodat de satan geen succes heeft in zijn aanval op Petrus’ geloof
en zijn betrokkenheid op Christus.

Petrus wil deze waarschuwing niet horen.
Als de satan mij en mijn geloof in U wil testen, mij best.
Heert, zit maar niet over mij in.
U kunt op mij bouwen.
Ik ben bereid om met u mee te gaan
de gevangenis in en als het moet de dood in.
Heer, ik geloof in U.
Ik zou niet weten hoe mijn geloof in u zou kunnen breken
en hoe de satan mij zover krijgt
dat hij mij van U losweekt.
Wat een geloof in Jezus, wat een moed.
Ik zou willen dat ik zo vurig in Christus zou kunnen geloven
als Petrus deed,
bereid zelfs om zijn leven te riskeren, op te offeren
om Jezus te dienen.

Nee, Petrus, zegt Jezus, deze nacht nog,
in de duisternis die over ons komt,
nog voordat het nieuwe licht is aangekondigd
zal jouw geloof breken
en zul je tot 3 keer toe zeggen
dat je niet bij Mij hoort.
Wat een waarschuwing voor Petrus!
Wat zou u ervan vinden
als u op deze manier wordt gewaarschuwd?
Nu ben je nog in vuur en vlam, vol geloof, vol overgave
bereid om mee te gaan,
maar op korte termijn zal je zo’n klap krijgen
door de satan
dat je geloof breekt,
zal hij je zover krijgen dat je geen vertrouwen in Mij meer hebt.
Nee, Petrus, in deze nacht nog maakt je geloof, je vertrouwen in Mij
plaats voor ongeloof en zul je afscheid nemen.
Nog voordat de haan zal kraaien.

Petrus kan het zich niet voorstellen.
Vol geloof gaat hij Jezus achterna, Gethsemané in.
Vastberaden om te laten zien dat hij echt bij Jezus hoort.
In Gethsemané worden alle leerlingen, en ook Petrus,
nog twee maal gewaarschuwd:
wat vannacht zal gebeuren, dat zullen jullie niet begrijpen.
Het zal een grote verzoeking voor jullie zijn
om Mij in de steek te laten, om Mij te verraden.
Ga in gebed of God je voor die verzoeking bewaart
en of Hij je zoveel kracht geeft,
niet om voor Mij te strijden, maar om je geloof in Mij sterk te laten zijn.

Ook deze waarschuwing heeft Petrus niet gehoord.
Hij blijft vastberaden, vastberaden om te laten zien wat hij waard is,
bereid om te strijden voor Jezus
en zijn leven te riskeren.
Is het Petrus die het oor van de dienaar afslaat?
Lukas meldt geen naam.
Lukas vertelt alleen maar dat er een leerling is
die in de groep soldaten die op Jezus afkomt
een lafhartige streek van de hogepriester is
die Jezus nu, in het donker, gevangen durft te nemen.
Deze leerling valt daarom een knecht van de hogepriester aan
en brengt een verwonding aan.
Kon de knecht de slag van deze leerling nauwelijks ontwijken?

Daar is al de eerste reactie van Jezus die voor onbegrip zorgt.
Geen signaal voor de aanval.
Blijkbaar is nu nog niet de tijd gekomen voor de Meester
om tot actie over te gaan.
De tijd is nog niet rijp.
Jezus gaat nog verder.
Hij geneest het oor van degene die Hem gevangen komt nemen.
Geen wraak voor Zijn gevangenneming,
geen verzet tegen de lafhartige overval,
geen krachtdadige verdediging,
maar aan een aanraking van het oor,
waarbij Zijn kracht overvloeit in de knecht van de hogepriester
eerder een gebaar van een zegen,
waarbij Jezus zijn vijand zegent dan verwondt.

Petrus kan er niet over uit.
Wat moet er gebeuren?
Hij besluit achter de groep aan te gaan.
Het is een volgen op een afstand,
alsof Lukas wil zeggen:
Kijk, Petrus wordt al halfslachtiger.
Aan de ene kant wil hij Jezus volgen.
Dat heeft Jezus toch van hem gevraagd toen hij discipel werd
dat hij, Petrus, Jezus zal volgen.
Ook al moest hij het kruis op zich nemen, elke dag weer opnieuw.
En toch, er komt al een bepaalde afstand.
Voelt Petrus dat er een kant van Jezus komt
die hij niet verwacht heeft,
die hij niet zal begrijpen?
Die hij niet kan volgen?
Bang is hij in ieder geval niet.
Hij begeeft zich onder degenen die Jezus gevangen genomen hebben
en wil de afstand tot Jezus zo klein mogelijk maken.
Zal zijn Heer hem nog nodig hebben?
Als zijn Heer een teken geeft, moet hij er zijn, klaar staan.
Heer, hier ben ik, om Uw wil te doen.
De ijver voor Uw huis heeft mij verteerd.
Zal Petrus hebben gedacht aan de droom die koning Nebukadnezar had?
Over een steen die naar beneden rolde en alle koninkrijken verwoesten zal?
Is dit het moment?
En zal hij daarbij, hij, Petrus, een rol van betekenis spelen?
Zal Jezus die steen zijn? Of hijzelf?
Petrus zorgt ervoor dat hij Jezus in de gaten kan houden,
gaat het middenplein op
en gaat net als de anderen ook bij het vuur staan.
Terwijl hij daar staat wordt hij aangestaard door een dienstmeisje,
een slavinnetje dat op de hoogte blijkt te zijn:
‘Die man hoorde er ook bij!’
Zou dat meisje geschrokken zijn
dat een van de aanhangers van Jezus zich zo onder hen gevoegd heeft,
zo dicht bij Jezus?
Wat moet Petrus daar nu mee?
Moet hij aangeven dat hij Jezus kent?
Of loopt dan heel het plan van zijn Heer in de soep?
Kan hij niet beter zeggen dat hij Jezus niet kent,
om te wachten op het moment van Jezus?
Dit was nog niet het moment, had Jezus gezegd,
dat is het uur van de duisternis.
Hij lijkt vergeten te zijn wat Jezus nog meer gezegd had,
namelijk de waarschuwing dat zijn geloof in Jezus zal breken deze nacht.
‘Ik ken die man niet.’

Zou daar geen kern van waarheid in zitten?
Dat Petrus ook Jezus niet echt kent

en dat hij zijn eigen beeld van Jezus heeft gevolgd
in plaats van steeds te luisteren naar wat Jezus werkelijk zei?
We lazen ook met elkaar uit Jesaja 53.
Wie heeft onze prediking geloofd en aan wie is de hand van de Heere geopenbaard?
Wij als mensen geloven niet zomaar de boodschap van de Heere.
In Jesaja 53 is er iemand die door de Heere is gestuurd
maar die niet wordt geloofd.
Ze draaien het hoofd om.
Deze man kennen wij niet,
want dit is geen held.
Dit is iemand die lijdt, iemand zonder charisma, zonder kracht.
Dat kan niet de door God gezondene zijn.
Dit is een mislukkeling.
Zo staat Petrus ook in de tweestrijd:
Moet hij trouw blijven aan Jezus?
Maar is dat wel de Jezus die hij kent,
Jezus die zich nu zo weerloos als een lam ter slachting laat leiden?
Dit is inderdaad het moment van de macht van de duisternis
Van de satan die Petrus zift
en Petrus gaat mee: ik ken deze man niet.

Petrus is nog niet van de vragen af.
Iemand anders vangt op wat hij ontkent
en geeft aan: je hoort wel bij hem!
Petrus, jij kunt nog wel aangeven dat je niet bij Jezus hoort,
maar de mensen om je heen,
ze hebben door dat jij wel bij Jezus hoort.
Nee hoor, klinkt de stem van Petrus vastberaden.
Als er een satan in het spel is.
dan is hij er op uit om Petrus te ontmaskeren,
zodat hij gevangen genomen kan worden
en Jezus geen enkele steun meer heeft.
Na een uur komt er iemand, die het zeker weet:
Jij hoort bij Hem. Jij was ook in de gezelschap van Jezus.
Ontken dat maar niet. Jij hoort er bij!
‘Ik weet niet waar je het over hebt!’

Op dat moment kraait er een haan.
Petrus schenkt daar geen aandacht aan.
Hij is op Jezus gericht.
Wanneer komt dat teken dat Jezus zal geven,
zodat hij, Petrus, tot actie kan overgaan?
Er komt een teken, een ander teken dan Petrus had verwacht,
een teken dat diep door zijn ziel heen snijdt:
Jezus draait zich om en kijkt hem, Petrus, indringend aan.
Als Jezus zich omdraait, dan is er wat aan de hand.
Dan houdt Hij zich stil op de weg die Hij gaat,
Dan onderbreekt Hij alles waar Hij mee bezig is.
Hij draait Zich om – om Petrus lang en indringend aan te kijken.
Jezus kijkt hem lang en indringend aan.
Terwijl Hij bespot en geslagen wordt,
is Zijn blik op Petrus gericht.
Een sprekende blik.
Wat leest Petrus in de ogen die hem aankijken?
Petrus, wat heb je gedaan?
Besef je wel waar je mee bezig was?
Petrus, weet je de waarschuwing die Ik je gaf?
Opeens hoort Petrus de haan.
Het dringt tot hem door.
Doordat hij nu de haan hoort kraaien,
denkt hij terug aan de woorden van Christus:
Je geloof zal breken.
Nu weet hij wat er gebeurd is.
Hij dacht dat hij trouw was aan Jezus en aan Zijn missie.
Maar de afstand tot Jezus heeft gewonnen.
Hij heeft afscheid van Jezus genomen, zonder dat hij, Petrus, daar erg in had.
Ik stond niet klaar om Jezus te helpen,
maar ik hield me juist afzijdig.
Ik wilde niet zien welke weg Jezus in ging.
Opeens dringt het tot hem door,
de satan heeft zijn slag geslagen.
Zijn hoop en vertrouwen in Jezus, waar is dat allemaal gebleven.
Zijn geloof valt op dat moment in scherven uit elkaar.
Nu is hij alles kwijt:
Zijn hoop en ook zijn Heer.
Want heeft hij niet gezegd dat hij Jezus niet kende
en dat hij niet in verband gebracht wilde worden met Jezus?

Had Jezus niet gezegd:
De Zoon des mensen moet lijden en sterven.
Petrus had dat blijkbaar gezien als een soort code,
als een onthulling van hoe het in Jeruzalem er aan toe zal gaan.
als een verborgen aanwijzing voor een soort opstand.
Dat was het niet.
Het was een onthulling, wel van de weg,
maar een andere weg dan Petrus dacht.
Als een lam werd hij ter slachting geleid.
Niet als een onverzettelijke held, die met zijn vijanden de strijd zou aanbinden,
maar iemand die zich overgeeft,
die Zijn vijanden zegent en geneest.
De messias die bereid is te lijden.
De mensenzoon die bespot wordt.
De Zoon van God die afgewezen wordt, zelfs door Zijn eigen leerlingen.
Petrus’ geloof moest breken
om de echte Jezus te zien,
die kwam – als dat lam, om geslacht te worden
Stemmeloos voor het aangezicht van Zijn scheerders.
Zo moest dat.
Alleen zo kon Gods plan worden uitgevoerd.
Petrus kon niet volgen op deze weg.
Jezus moest die alleen gaan,
een eenzame weg,
maar wel een weg van behoud,
voor Petrus, voor ons.
Satan beproeft het geloof
en breekt het geloof van Petrus
en het lijkt voorbij.
Het geloof van Petrus moest breken,
om Jezus te kunnen zien zoals Hij is:
Hij die als een misdadiger werd gevangen genomen
nam onze straf op zich
en Zijn lijden brengt ons, ook Petrus, verzoening.
Daar vieren we een Goede Vrijdag
omdat de dood van onze Heer
voor ons goed nieuws is, evangelie.
Door te sterven kon Hij ons het leven geven.
Jezus leeft – en ik met Hem.
Amen

Bij de Heere Jezus kom je nooit tekort!

Bij de Heere Jezus kom je nooit tekort!
Preek zondag 31 augustus Afsluiting Vakantie Bijbel Week
Mattheüs 15:29-39

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste kinderen,

Nu de preek wordt de snoep rondgedeeld
of mag je een van de snoepjes opeten die je meegenomen hebt.
Als je erbij was, bij het Bijbelverhaal over de Heere Jezus, had je aan een snoepje niet genoeg gehad.
Dan had je moeder je een bolletje of een snee brood toegestopt.
Want de kerkdienst duurt een uur en een kwartier of misschien 1,5 uur,
maar toen bij de Heere Jezus waren de mensen 3 dagen achter elkaar bij hem.
De Vakantie Bijbelweek was op 3 ochtenden en daarna ging je weer naar huis
en voor de tieners een hele nacht.
De mensen die bij de Heere Jezus waren, zaten al 3 dagen bij elkaar
om te luisteren naar wat de Heere Jezus te vertellen heeft
om te zien wat Hij welke bijzondere dingen Hij deed.

Waarom zijn ze naar Hem toe gekomen?
Wat zouden ze van Hem verwachten?
En waarvoor zou jijzelf naar de Heere Jezus gaan?
Wat verwacht jij van de Heere Jezus?
Geloof is niet alleen iets van grote mensen,
nee, de Heere Jezus laat duidelijk merken dat juist kinderen beter dan volwassenen begrijpen
wat geloven is.
Ik hoop dat je ook van de Heere Jezus houdt
en dat ook jij net als Petrus bij Hem wil horen
en Hem wil volgen.
We zongen het: Ik wil Jezus volgen, heel mijn leven.
Ik hoop dat het waar is, voor jullie en voor ons allemaal in de kerk
en voor degenen die meeluisteren,
dat we met elkaar als gemeente volgeling zijn.
Daarom wordt de Vakantie Bijbel Week ook gehouden
en is er ook elke zondag een kerkdienst en ben je er in de week mee bezig.
Zodat ook jullie bij de Heere Jezus willen horen.

3 dagen waren ze al bij de Heere Jezus om naar hem te luisteren,
om Hem bezig te zien, om door Hem geholpen te worden.
Voor deze mensen is Jezus gekomen.
JE zou kunnen zeggen: Hij is speciaal voor hen teruggekomen.
Mattheüs laat het decor zien waar Jezus komt:
op de berg en bij het Meer van Galilea.
Mattheüs doet dat om te laten zien wie Jezus is.
Jezus komt bij de berg en bij het meer.
De berg – dat doet denken aan Mozes, aa de keer dat het volk Israël in de woestijn was
en de Tien Geboden van de Heere kreeg.
Daar bij de berg kwam God zelf en zei:
‘Jullie zijn Mijn volk. In ben voor altijd bij jullie en jullie God.’
En met de Tien Geboden kregen ze richtlijnen, hoe je moest leven als je bij God hoort,
als je van God bent – daarom hebben wij er ook vanmorgen naar geluisterd.
Als je de Tien Geboden hoort, weet je: ik ben van God
en dan moet ik aan daarnaar leven.

Jezus komt bij de berg en daarmee laat Hij het volk weten: jullie zijn ook Mijn volk
en ik zal jullie vertellen hoe je moet leven.
En zoals God op de berg was en met jullie als volk meeging,
zo ben ik ook in jullie midden: Immanuël.

Op de berg en bij het meer.
Er staat ‘zee’.
Volgens is dat ook niet voor niets.
Dat schoot mij te binnen, afgelopen maandag, in de rouwdienst,
waarin het ging over Jezus die over het water wandelt.
De zee – dat is niet de zee waar je naar toe gaat als je een dagje uitgaat, naar het strand.
Zoals je misschien in de vakantie hebt gedaan.
Nee, het is een zee, omdat het opeens kan veranderen.
Een glad meertje waar je overheen vaart bij mooi weer, waar je op kan vissen.
Er kan opeens een storm komen en alles is anders.
Niet meer het rustige varen over een mooi meertje met prachtige bergen op de achtergrond,
maar een wilde zee, met hoge golven en een krachtige wind,
die het schip op en neer slaat.

Opeens kan je leven veranderen.
We hebben dat in de afgelopen zomer volop gezien.
Je zwaait familieleden uit op het vliegveld en een tijd later hor je het bericht
Dat er met dat vliegtuig iets ergs is gebeurd, wat niemand voor mogelijk houdt.
Opeens dat bericht dat je kind ongeneeslijk ziek is
en de wereld ziet er anders uit: alsof je levensschip in een hevige storm terecht gekomen is,
met wilde golven en een krachtige wind die tegen je levensschip aanblaast.
Mattheüs vertelt verhalen over Jezus over de zee gaat
en ook in een storm terechtkomt en de storm wordt door Jezus gestild.
Jezus die over de golven van deze zee heen loopt.
Psalm 93: boven de wateren die tekeer gaan is God.
Het meer en de berg, ze worden genoemd om te laten zien wie Jezus is.
Meer dan Mozes en als de Zoon van God.

Dan komen de mensen naar de Heere Jezus toe.
Ze komen niet alleen.
Vaak hebben ze iemand meegenomen, uit de familie, of een vriend.
Iemand die verlamd is, of doof, of blind.
Het wordt kort genoemd, maar van iedereen die komt valt vast wel een verhaal te vertellen.
Verlamden die nooit kunnen lopen en altijd door anderen gedragen moeten worden.
Of misschien wel helemaal verlamd zijn en ook de handen niet kunnen bewegen
en helemaal niet kunnen lopen.
Ze komen naar Jezus.
Wie is Jezus? En waarom komen ze bij Hem?
Als het goed is, hebben jullie in de afgelopen week ook over de vertel-vis gehoord
Petrus vertelt de mensen over de Heere Jezus, zodat zij in Hem gaan geloven.

Hier laat Mattheüs zien wie de Heere Jezus is, door over Hem te vertellen.
Mattheüs, die over Jezus vertelt, zegt het niet hardop,
maar wil in de verhalen die hij vertelt laten zien dat Jezus de koning is.
Niet een koning als Herodes, die iemand doodt wanneer hij er niet mee eens is.
Niet een koning die alleen maar in zijn paleis zit en alleen maar feest kan vieren.
Nee, Jezus is de koning van Israël die Zijn onderdanen opzoekt,
juist wanneer zij het moeilijk hebben.
Wanneer zij piekeren en tobben, wanneer zij worstelen.
Wanneer zij het moeilijk hebben met hun verlamd-zijn,
wanneer zij de beperkingen merken van hun kreupel-zijn.
Wanneer zij er niet bij horen, omdat zij niets kunnen horen
en ook het goede nieuws niet kunnen horen.
Jezus zoekt ze op om ze te helpen – om hen op een bijzondere manier te helpen:
door hen te genezen. Zodat ze weer kunnen lopen, kunnen kijken, kunnen horen, kunnen spreken.
Hij laat ze bij zich komen.
Houd ze niet tegen.
Bij een paleis zouden bedelaars op afstand gehouden worden,
zouden verlamden niet zomaar uitgenodigd worden
of misschien zelfs worden weggestopt, zodat de koning de ellende niet zou hoeven te zien
en geen zin meer zou hebben in feestvieren.
Nee, Jezus zoekt hen op en laat zien wat een koning hoort te zijn:
een herder, die zich bekommert om Zijn schapen,
die hart heeft voor Zijn schapen, om hen geeft.
Zijn daden, wat Hij doet, laat zien dat hij niet alleen koning over Israël is,
maar ook de Zoon van God.
Hij komt om te laten zien wie God is.

Op de Vakantie Bijbel Week hebben jullie een tekst geleerd,
een tekst uit Jesaja.
(Want ik ben de HEER, je God,ik neem je bij je rechterhand en zeg je:Wees niet bang, ik zal je helpen).
Jesaja 53: onze ziekten heeft Hij gedragen, zie Mattheüs 8:3.
[Uitdeel-vis: niet uitdelen, maar ook anderen meenemen. Nu nog: voorbede]

Want als de mensen al 3 dagen bij Hem zijn,
merkt de Heere Jezus dat de mensen honger beginnen te krijgen.
Zo kan Hij ze niet terugsturen.
Mattheüs, die over de Heere Jezus vertelt, zegt:
Hij is met innerlijke ontferming bewogen.
Wat Hij ziet bij de mensen, dat raakt Hem diep van binnen.
Dat zal ook gegolden hebben voor de mensen die aankwamen met hun gehandicapte familieleden.
Maar het geldt voor iedereen die er is: ziek of gezond.
Mattheüs vertelt dat niet zomaar.
Hij bedoelt: daaraan kun je zien wie Jezus is, want Jezus is daarmee gelijk aan Zijn Vader,
die Hem gezonden heeft.

Met innerlijke ontferming bewogen. Dat vertelt de Bijbel ook over de hemelse Vader,
over God.
God zit nooit onverschillig in de hemel.
Hij kijkt hoe het op aarde gaat
en als Hij ziet dat mensen het moeilijk hebben wordt Hij diep geraakt.
Als Zijn volk bij Hem weggaat, wordt Hij diep geraakt.
Als Hij het nodig vindt, komt de Heere uit de hemel en daalt Hij op aarde neer.
Als je Jezus ziet, dan zie je dat God zelf uit de hemel is neergedaald.
Om Zijn volk te helpen, te redden.
Ook hier op de berg aan het meer van Galilea zie je wie Jezus is:
Gods Zoon door God gezonden.
Want Jezus ziet onze nood.
Hij ziet dat de mensen geen eten meer hebben en dat ze niet meer terug kunnen
omdat ze daar geen kracht meer voor hebben.
Dan zorgt Hij dat er eten komt.

Mattheüs vertelt over de gebeurtenis.
Het is niet de bekende versie: niet de versie van 5 broden en 2 vissen
die een jongetje bij zich heeft.
Nu zijn het de discipelen die nog 7 broden over heeft en enkele visjes bij zich hebben.
Van die 7 broden zorgt de Heere Jezus dat er een hele menigte kan eten:
4.000 mannen en dan zijn de vrouwen en kinderen nog niet eens meegerekend.
Je zou verwachten dat als Mattheüs dit verhaal vertelt
onder de indruk is van wat de Heere Jezus allemaal doet, hoe Hij dat voor elkaar krijgt.
Maar nee, de nadruk ligt niet op het wonder.
De nadruk ligt hier op het verzadigd-zijn: genoeg krijgen.
Ik denk dat het hier wel herkenbaar is in Oldebroek:
wanneer je een feest geeft, wil je dat je gasten genoeg te eten.
Op recepties wordt er geregeld wat later op de avond een warm buffet klaargezet
en op de verjaardag kan een frituurpan aangaan.
In de familie van Rianne wordt er gesproken over het Veenendaal-gevoel.
Veenendaal, daar woonde haar oma.
En als je daar kwam kreeg je gebak bij de koffie,
maar je had de koffie en gebak nog niet op, of er was al een volgende ronde van eten:
worst en kaas, bijvoorbeeld en bowl.
Er moest genoeg te eten zijn, want je wilt een goede gastheer zijn.
Daar gaat het de Heere Jezus ook om:
Hij wil laten zien, dat Hij de gastheer is, die Zijn volk te eten geeft.
Als een echte koning die voor Zijn volk zorgt.
God zelf die voor Zijn volk in de woestijn, in de afgelegen plaats eten geeft,
zoals God het volk Israël in de woestijn ook manna gaf.
Bij God kom je niets tekort.
Hij geeft van alles genoeg.

Wij danken U van harte
voor nooddruft en voor overvloed
waar menig mens eet brood der smarte
hebt Gij ons mild en wel gevoed.

In de afgelopen week hebben jullie gehoord over Petrus.
In de onderbouw is ook de uitdeel-vis aan de orde geweest.
Petrus mag uitdelen van het brood, dat de Heere Jezus geeft.
Door uit te delen mag Hij laten zien, dat de Heere Jezus een goede gastheer is.

Waarom eigenlijk?
Waarom wil de Heere Jezus laten zien dat Hij een goede gastheer is?
Waarom mag en moet Petrus daarvan uitdelen?
Om te laten zien, dat de Heere Jezus nu voor ons zorgt,
maar niet alleen nu.
Het wijst ook vooruit naar de dag waarop de Heere Jezus terugkomt.
Dan zal er een feestmaaltijd zijn.
Vol overvloed, tafel vol feest.
Wie nu bij de Heere Jezus hoort, mag dan aan die maaltijd mee-eten
en verzadigd worden.
Elk stukje brood dat Petrus uitdeelt, is een uitnodiging:
geloof in de Heere Jezus en dan mag je ook naar dat feest
waar je nooit tekort zult komen, waar de Heere de beste gastheer is die je maar kunt bedenken.
Iedereen wordt uitgenodigd en daarom krijgt iedereen het brood.
Voor nu genoeg te eten.
Dat was vast niet moeilijk om op dat moment onder de indruk van Jezus te raken.
Maar om te geloven, dat Hij er ook voor zorgt dat je aan dat hemelse feest mag deelnemen,
dat is moeilijker.
Daarvoor moet je niet alleen geloven in de Heere Jezus die bijzondere dingen doet,
maar ook geloven in de Heere Jezus die voor ons stierf aan het kruis.

Jezus geeft brood.
Dat brood kunnen wij niet uitdelen, zoals Petrus dat deed.
Wij mogen wel de uitnodiging uitdelen, die in dat brood naar voren kwam:
ook jij mag komen naar dat feest: geloof in Hem!

Daarom heeft men in deze gebeurtenis ook een heenwijzing gezien naar het avondmaal.
Over twee weken wordt dat gehouden.
Daar wordt ook brood gegeten: een klein stukje,
maar ook dat stukje brood is een uitnodiging en ook een opdracht om in de Heere Jezus te geloven
die in de hemel een gastheer voor ons wil zijn.
Een uitnodiging, een opdracht: geloof in Mij.
Wie aan de tafel zit, mag dat brood en deze uitnodiging doorgeven.
Bij de Heere Jezus kom je nooit tekort.
Amen

Preek zondagmorgen 30 maart 2014

Preek zondagmorgen 30 maart 2014
Mattheüs 26:57-75

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We hebben allemaal wel onze momenten,
dat we net als de discipelen de Heere Jezus in de steek laten
en bij Hem wegvluchten.
Je hebt in het weekend een mooie avond gehad met de leiding van OTW of TOV,
omdat iemand van de leiding vertelde wat het geloof voor hem of haar betekent
je bent er de dag erop nog helemaal vol van.
En dan kom je maandag op school
en dan vragen ze: ‘En hoe was jouw weekend? Nog iets spannends gedaan?’
Dan denk je aan het gesprek terug, maar denk je: dat ga ik echt niet vertellen
en je zegt maar: nee, hoor, niets bijzonders gedaan.
Maar je voelt tegelijkertijd in jezelf dat het niet helemaal eerlijk was,
want het was wel een bijzonder weekend.
Zo hebben we allemaal onze momenten waarop we denken:
Ik hoor er even niet bij, bij de Heere Jezus.
Waarop wij – net als de discipelen bij Hem weglopen.

Maar het zit niet lekker en het gaat aan je knagen:
ik was toch vol van Christus?
Ik hoor toch bij Hem?
Bij Petrus zit het ook niet lekker.
Er is iets in hem dat zegt: je moet niet weglopen!
Ben jij nou een discipel? Ben jij nou een volgeling van Jezus?
Je moet daar bij Jezus zijn! Daar is je plek!
Petrus gaat achter de groep aan, die Jezus gevangen genomen heeft.
Hij zal Jezus volgen tot het einde toe.
Hij had het enkele uren geleden nog tegen Zijn meester gezegd:
‘Meester, iedereen zal zich voor u schamen en aan u ergeren.
Maar ik niet. Ik blijf altijd achter U staan.
Ik blijf u altijd volgen, waar U ook heengaat.’

Toen Petrus wegrende uit Gethsemané, net als de andere discipelen op de vlucht, bedacht hij zich.
Ik moet Jezus ook nu nog navolgen. Ik moet weten hoe het afloopt.
Net of Petrus bedenkt: Ik liet Jezus in de steek.
Ik moet mij omkeren, om nu wel achter de Heere Jezus aan te gaan
om mijn fout goed te maken, de fout dat ik bij de Heere Jezus wegrende.

Zo kan het ook bij jou door je heenflitsen:
Dat had ik niet moeten doen, dat weglopen bij Jezus.
Of het is de stem van je vader of moeder die zegt: Je vergeet de Heere Jezus toch niet?
Of het enthousiasme van iemand die vol is van God waardoor je denkt:
ja, dat mis ik. Ik moet weer naar Hem terug – Jezus volgen!
Al is het eerst wellicht op een afstand, want ik ben Hem zelf kwijtgeraakt.
Kan ik dan zomaar bij de Heere Jezus aankomen en zeggen:
Hallo, hier ben ik? U heeft me even gemist, maar nu ben ik er weer volop?

Ook Petrus volgt de Heere Jezus op een afstand.
Van een afstandje kun je alles goed zien, maar je hoeft je niet bloot te geven.
Je kunt te weten komen hoe het afloopt, maar zelf ben je veilig.
Ik vind het dapper dat Petrus zijn meester daar volgt tot in het huis van de hogepriester,
maar ik vraag me af of daar ook niet iets halfslachtigs in zit:
Ik volg Jezus wel, zelfs nu nog nu het spannend om Hem wordt,
maar graag wel op een afstand. Ik moet eerst weten hoe het afloopt.
Herkenbaar is dat toch?
Je wilt wel mee?
Kom maar op! Durf het aan!
Om naar de Here Jezus op zoek te gaan
Kom ga mee op die tocht om te ontdekken wie je zocht.
Ja, ik wil best mee, zeg je, maar ik wil eerst weten waar het op uitloopt,
wat mij te wachten staat.

Zou Petrus hebben gezien en gehoord wat er met de Heere Jezus gebeurt?
Zou Petrus horen welke indrukwekkende woorden de Heere Jezus zegt
tegen degenen die Hem ondervragen?
Maar Ik zeg u: Van nu aan zult u de Zoon des mensen zien zitten aan de rechterhand van de kracht van God en zien komen op de wolken van de hemel.
Petrus, hoor je wel wat de Heere Jezus zegt?
Dat Hij in de hemel zal zijn. Naast de troon van God, naast God zelf – de machtigste plaats die er is heeft Hij.
En Petrus, hoor je wat de Heere Jezus zegt? Dat Hij terugkomt in macht en majesteit?
Je wilde toch weten hoe het zou aflopen?

Maar we kunnen vaak zo druk zijn met onszelf.
Om wel Jezus te volgen, maar dan op een afstand.
Eerst moet ik er van overtuigd zijn dat het goed afloopt, pas dan volg ik Jezus helemaal.
Eerst moet ik het ervaren, dat de Heere Jezus die bijzondere plaats naast God heeft,
een bevestiging van God zelf.
Dan kan ik me helemaal geven en helemaal achter Hem aan gaan.
Want wie geeft mij de garantie dat het goed afloopt?
Dat het waar is, dat Christus nu aan de troon van God zit en dat Hij terugkomt?

Petrus is in ieder geval er wel druk mee.
Wel zorgen dat hij bij de Heere Jezus is, zodat hij later kan zeggen
dat hij er alles aan gedaan heeft en dat hij zijn Meester tot het uiterste is gevolgd,
maar wel zorgen dat er een veilige afstand is.

Terwijl aan de Heere Jezus de vraag gesteld wordt: wie bent U eigenlijk? Wat verbeeldt u uzelf?
krijgt Petrus een andere vraag:
Petrus hoor jij er ook niet bij Hem?

Een gewetensvraag! Petrus, je kunt je wel zo druk maken om die afstand,
maar zeg het nou maar eerlijk: Je bent er toch ook eentje van Jezus?
‘Eh nee, echt niet! Waar heb je het over? Jezus en ik? Nee, echt niet! Ik moet er niet aan denken’

Het is hier niet veilig, merkt Petrus, want terwijl wil weggaan, hoort hij het anderen zeggen
en hij heeft het gevoel dat alle ogen op hem gericht zijn.
Die man daar, je kunt zien dat het er ook eentje van Jezus is. Dat hij bij Hem hoorde.
Petrus is de ander voor: ‘Echt niet. Ik ken Hem niet. Dat zweer ik!’
Stel je voor, dat iedereen naar Hem kijkt en denkt: ja nu je het zegt – het is er ook eentje van Jezus.
Ik moet weg van hier!

Ik ken Hem niet. Groter kun je de afstand toch niet maken, Petrus?
Ken je Hem niet? Die gezegd heeft: vanaf nu zul je Mij zien zitten aan de rechterhand van God
en je zult zien dat Ik terugkom in heerlijkheid.
Ken je Hem niet Petrus?
Nee, ik ken Hem niet.
Gemeente, wat gebeurt er, als je zegt over Jezus: Ik ken Hem niet?
Maar zo makkelijk kom je er niet vanaf.
al zou je je er van los willen maken, vraag maar aan degenen die van de kerk zijn afgegaan
dat ze er niet meer los van komen.
Je draagt het mee:

Petrus komt er ook niet los van.
Ze horen Petrus praten en ze weten het zeker! Je kunt het horen aan zijn manier van praten,
dat verraadt hem. Zeker weten! En ze lopen op hem af:
Draai er nou maar niet om heen. Je bent echt wel een van zijn volgelingen.
Je verraadt je zelf.

Dan komt het diepste punt in het leven van Petrus
waarop hij zegt: Ik ken Hem echt niet.
Als ik lieg, dan mag er van alles met mij gebeuren.
Ik heb met Hem niets te maken.
Groter kan de afstand tot Jezus niet worden,
maar hij heeft het zelf niet door.
Pas als hij de haan hoort kraaien – dringt het tot hem door.
Schiet het door hem heen – als een flits: Petrus, wat doe je nu?
Petrus! Petrus!
De haan kraaide en herinnerde Petrus aan wat hij verkeerd had gedaan.
De haan riep Petrus’ geweten wakker.
Als de haan niet had gekraaid, dan had hij nog niet geweten wat hij had gedaan.
De haan kraait – dat wil zeggen: de nacht is voorbij,
maar niet voor Petrus, want voor hem begint de nacht pas goed.
Hij wilde weten hoe het zou aflopen, met Jezus, met hemzelf.
Maar hij doordat hij daar zo druk mee was, heeft hij vergeten wat voor nacht het was.
Wat voor nacht was het?
De belangrijkste nacht voor het volk Israël.
De paasnacht: bevrijding uit Egypte.
De vraag schiet door hem heen: Is er voor mij nog redding
nu ik Jezus heb losgelaten?
De vraag doet pijn in zijn hart, omdat hij het antwoord weet op de vraag:
Alleen Jezus kan dat nog zeggen, of Petrus erbij hoort.
Alleen als Jezus het tegen hem zegt: Petrus, heb jij mij lief?
Zou dat ooit gaan gebeuren?
Zou hij de stem van Jezus ooit nog eens horen?

Weet jij het antwoord op de vraag van Petrus?
Mag je, als je de Heere Jezus eens hebt losgelaten, nog bij Hem horen?
Als je Hem verloochent, zul je er dan door Hem worden buiten gezet?
Zal Jezus dan zeggen: ‘Ik ken jou ook niet? Ga weg van Mij?’

Het antwoord komt van de Heere Jezus zelf.
Mattheüs vertelt hoe Jezus gekomen is om ons te redden van onze zonden.
Omdat Jezus stierf, werd ook de fout van Petrus vergeven.
En ook jouw fout.
Niet als goedkoop trucje, maar als redding.

De haan kraaide en herinnerde Petrus aan wat hij verkeerd had gedaan.
De haan riep Petrus’ geweten wakker.
Als een haan kraait, kondigt hij de nieuwe dag aan.
Goede Vrijdag
Opstanding: De Heer is waarlijk opgestaan.
Amen

Zie ook: https://mjschuurman.wordpress.com/2010/03/20/verloochening-van-petrus/

Preek zondagmorgen 21 april 2013

Preek zondag 21 april 2013 ochtenddienst
Johannes 21:1-19
Tekst: vers 15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wat zou u antwoorden als de vraag van de Heere Jezus aan Petrus ook aan u wordt gesteld: “Heb je Mij lief?” Het is nogal een persoonlijke vraag. Zou u daar antwoord op kunnen geven voor uzelf?

Ik wilde eerst anders beginnen. Mijn eerste begin was: Soms ben je blij dat een vraag aan iemand anders gesteld wordt. We zijn blij dat deze vraag aan Petrus gesteld wordt – en niet aan ons.
Maar toen dacht ik: “Stel dat er toch mensen hier in de kerk zijn, die zeggen: ‘Ja, als het aan mij gevraagd zou worden, zou ik zeggen: Ja, ik houd veel van U. Zielsveel.’

Ik dacht aan de kinderen die er in de kerk zouden zijn. Ik dacht eraan wat jullie antwoord zou zijn, als de Heere Jezus aan jullie zou vragen: ‘Houd je van Mij?’ Ik zag zo voor me, dat jullie gezicht zou stralen en dat je zou zeggen: ‘Of ik van de Heere Jezus houd? Nou en of!’

Want ik kom dat in de gemeente gelukkig veel tegen: oprechte liefde voor de Heere Jezus. Die elke dag uit de liefde voor de Heere Jezus willen leven en ook hier vanmorgen gekomen zijn om die liefde weer te versterken.
Mijn Jezus, ik houd van u – is niet voor niets een geliefd lied, zoals wel meer liederen die over de liefde voor de Heere Jezus gaan. Sommigen zijn gisteren naar de Nederland Zingt-dag gegaan waar ook over die liefde gezongen zal zijn. Die liederen zullen vermoedelijk uit volle borst gezongen zijn.

Wat zou u antwoorden op de vraag van de Heere Jezus: Hebt u Mij lief? Het kan best zijn, dat u er over nadenkt en bij uzelf denkt: ‘Ja, ik houd wel van de Heere Jezus, maar of het genoeg is? Of mijn liefde oprecht is? Ik durf dat niet te zeggen.’
Dat antwoord kom ik namelijk ook wel tegen. Gemeenteleden die aarzelen. Die zich herkennen in het antwoord dat Petrus aan de Heere geeft: ‘Of ik van U houd, Heere Jezus? Dat weet u beter dan ik. Ik zou dat van mijzelf niet zeggen.’ Het kan een van de redenen zijn voor het uitstellen van het doen van belijdenis, omdat u er voor uzelf nog niet uit bent, of uw liefde wel oprecht is. Elke keer als u in het kerkblad leest, dat er een mogelijkheid is om belijdenis te gaan doen, denkt u erover serieus over na, maar u stelt het toch weer uit. Elke keer als de ouderling op huisbezoek erover begint, zegt u: “Ik weet niet of ik er aan toe ben.’
De ouderling die u voor uw gevoel u over de streep wil trekken – want geloof me: er is voor een ouderling een bijzondere ervaring om op huisbezoek te mogen horen: wij hebben besloten om belijdenis te gaan doen. Als iemand uit de wijk na lang wikken en wegen, of na een tijd van worstelen toch kan antwoorden: “Ja, Heere Jezus, ik heb U lief met heel mijn hart.”

Overigens, de eerste keer vraagt de Heere Jezus niet zomaar naar de liefde van Petrus voor Hem. Hij vraagt Petrus om zich te vergelijken met de andere discipelen. Petrus, is jouw liefde voor Mij groter dan die van de andere discipelen? Petrus, is jouw liefde het grootst van allemaal?
Ik kom nogal eens tegen dat gemeenteleden hun geloof vergelijken met die van een ander. En dan komen zij er zelf uit die vergelijking niet zo goed af. Ik heb niet zo’n groot geloof als de ouderlingen voor in de kerk.
Een ander zegt weer: ik heb niet zo’n groot geloof als mijn zuster, want die veranderde heel haar leven toen zij tot bekering kwam. Alles ging de deur uit. Zo ver ben ik nog niet. Ik zit nog teveel vast aan het aardse. Er moet nog heel wat gebeuren in mijn leven voor ik zover ben…
Wie op zo’n manier zijn eigen geloof vergelijkt, blijft steken. die zegt: het is onmogelijk, dat ik veel verder kom.
De Heere Jezus vraagt echter niet aan Petrus en ook niet aan u: hoe staat uw geloof ervoor als u uzelf vergelijkt met iemand anders?
Als de Heere Jezus deze vraag aan Petrus stelt: Is jouw liefde groter dan die van de anderen? is deze vraag bedoeld om Petrus naar Zich toe te krijgen, dichter bij Hem te krijgen. Dat doet de Heere door naar Zijn liefde te vragen.

Eigenlijk is het maar een rare vraag van de Heere Jezus aan Petrus. En wellicht hebben de andere discipelen ook hun wenkbrauwen gefronst toen de Heere Jezus deze vraag aan Petrus stelde: welke kant wilde de Heere Jezus met Petrus naar toe? Want als je ziet wat Petrus allemaal doet: hoe hij die morgen in de weer is geweest, dan is het toch duidelijk dat Petrus de Heere Jezus liefheeft en alles voor Hem overheeft. Petrus was overboord gesprongen om zo snel mogelijk bij de Heere Jezus te zijn. Dat was toch een teken van Petrus’ liefde voor Christus? En later, toen zij met z’n allen om het kampvuur zaten en de Heere Jezus vroeg om de vissen te brengen die zij gevangen hadden, was het Petrus toch die aan de slag ging met de vissen?
Goed, Petrus heeft eerder bij een kolenvuur gezeten en daar bij dat kolenvuur in het hof van de hogepriester heeft hij de Heere Jezus verloochend. Maar valt hen allemaal niet iets te verwijten? Hadden ze niet allemaal de Heere Jezus in de steek gelaten?
Misschien hadden ze wel gedacht: ik ben blij dat de Heere Jezus deze vraag aan Petrus stelt en niet aan mij. Want wat had ik moeten antwoorden? Het antwoord zou niet veel anders zijn dan dat van Petrus: Heere, u weet dat.

De vraag van de Heere Jezus is een vraag naar de motieven van Petrus, waarom hij dit deed: waarom hij overboord sprong, waarom hij het werk van de discipelen overnam door het vis te sorteren. Petrus, deed je dat om te laten zien, dat je toch weer om Mij geeft? Petrus, wil je laten zien dat je voor Mij toch barrières weet te overwinnen? In de voorbereiding kwam ik discussie tegen of Petrus wel kon zwemmen.
We lazen met elkaar dat Petrus, zodra hij weet dat het de Heere is, zich geen moment bedenkt,
zijn mantel pakt en overboord springt. In de uitleg van Johannes 21 is er een discussie over de vraag of Petrus wel kon zwemmen. In deze discussie wordt ook verwezen naar Mattheüs 14, waarin verteld werd dat Petrus op het water wandelde: Toen ging Petrus Jezus tegemoet.

Petrus is uit op een ontmoeting met de Heere Jezus, want hij slaat zijn mantel om. De kinderen hier in de kerk weten wel dat zwemmen met kleren moeilijker is dan zwemmen in een zwembroek. Je zwemt makkelijker als je niets aanhebt. Met kleren aan zwemmen is zwaar. Dat doe je niet in de eerste lessen van de zwemles, maar pas op het eind als je bijna af moet zwemmen voor diploma.
Omdat Petrus de Heere Jezus wil ontmoeten, trekt Petrus zijn mantel aan. Petrus doet dat niet zomaar. Er wordt ook een verklaring voor gegeven: want hij was naakt.
Bij zijn werk op het schip was dat geen probleem, maar als hij de Heere Jezus gaat ontmoeten, wanneer hij de Heere Jezus tegemoet snelt, valt het hem op eens op: ik ben naakt. Als Johannes zulke details geeft, moeten we altijd opletten.
Want het is een herinnering aan de allereerste keer dat de mens besefte naakt te zijn: in het paradijs, nadat Adam en Eva hadden gegeten van de boom. Jezus die verschijnt en zichzelf onthult – Petrus die het te horen krijgt dat het Jezus is en zijn naaktheid verhult. Petrus, die beseft: zo kan ik niet voor de Heere verschijnen. En toch ook getrokken. Want er zit nog meer in dat omdoen van het bovenkleed.
Het verwijst ook terug naar de voetwassing, waarbij de Heere Jezus ook iets omdeed. Johannes gebruikt in zijn evangelie een woord dat alleen nog bij die gebeurtenis terugkomt.
In deze daad van Petrus – het omdoen van zijn mantel en het overboord springen – ligt veel besloten. Het is een ambivalente daad, hinken op twee gedachten: moet ik mij verbergen voor de Heere – of moet ik overboord springen om Hem te dienen zoals Hij mij gediend heeft? En wellicht is dat ambivalente, dat hinken op twee gedachten wel kenmerkend voor het geloofsleven: aan de ene kant worden wij getrokken, de bereidheid en het verlangen om de Heere te dienen en aan de andere kant: de neiging om ons te verstoppen, te camoufleren.
O, Heer verberg U niet voor mij, wanneer ik mij verberg voor U.
Gij weet het, ik ben bang voor U, ontwijk u en verlang naar U –
o ga niet aan mijn hart voorbij.

Petrus, heb jij Mij lief – dat is een andere vraag dan de vraag die Adam kreeg toen hij zich verstopte voor de Heere. Adam kreeg de vraag: Adam waar ben je? Adam werd tevoorschijn geroepen. Ook Petrus wordt naar voren geroepen. Petrus, de liefde voor Mij – is die liefde er werkelijk? Of is het een soort compensatiegedrag? Afkopen? Deed Petrus het om zijn liefde te bewijzen? Om te laten zien, hoeveel hij van Jezus houdt? Om Jezus te pleasen?

En kijk eens naar het antwoord van Petrus: Heere, u weet het… U weet hoe ik het bedoelde, toen ik overboord sprong, toen ik die vissen haalde. U prikt erdoor heen. Heere, U voelt haarfijn aan hoe ik het bedoel… Nu ga ik ervoor, maar wellicht komt er een moment waarop ik U weer teleurstel, U weer verloochen. In het antwoord van Petrus zit een dubbelheid: ja – zegt hij. Maar tegelijkertijd zwakt hij het wel af. Ja, maar liefde is misschien wel een te groot woord.

Petrus zwakt zijn antwoord af. Waar de Heere Jezus hem op zijn liefde bevraagt, vraagt of zijn liefde alles overstijgt, geeft Petrus aan: liefde is misschien een te groot woord. Want liefde moet ook in praktijk gebracht worden. Het is gemakkelijk om te zeggen dat ik van U houd, maar het moet ook wel uit mijn daden blijken.
Zoals dat gemeentelid dat zegt: ik kan wel zeggen dat ik van de Heere Jezus houd, dat ik belijdenis wil doen, maar ik zit nog te vast aan het aardse. Het moet wel blijken of mijn geloof echt is. Petrus zwakt het dan maar af: Kan ik nog zeggen dat ik U liefheb? Heb ik nog wel het recht om tegen U te zeggen dat ik van U houd? U kent Mij! Laten we het erop houden dat ik een vriend van u ben. Of ik U liefheb? Ja, ik wil u als een vriend bijstaan en helpen.

Dan geeft de Heere Jezus een verrassend antwoord. Voor Petrus is het een afzwakken van zijn liefde.
Een aarzeling: je weet maar nooit of ik nog eens faal, of ik nog eens uitglijd. Maar de Heere Jezus geeft aan deze Petrus, die het niet volmondig kan toegeven, een taak. Petrus als je voor mij een vriend bent, als je een slag om de arm houdt omdat je van jezelf niet zeker bent, dan heb ik een taak voor jou. Want als je Mijn vriend ben, dan weet je Wie ik ben, dan weet je waarom Ik in deze wereld gekomen ben.
Voor ons is dat een vreemde gewaarwording, dat iemand als Petrus zo’n belangrijke taak krijgt: het weiden van de lammeren. De zorg voor de kleintjes, de zwakken, de beginnelingen in het geloof.
Wanneer wij iemand in het bedrijfsleven voor een functie gevraagd wordt, moet hij of zij er in geloven, in zichzelf, of geloven dat hij of zij het kan leren. In het koninkrijk van God werkt het anders: degene die van zichzelf weet – liefde is een te groot woord, want wie weet zullen wij falen op een moment waarop wij er moeten staan.
Jezus had hoge verwachtingen van Petrus gehad. Hij noemde hem een rots, een man op wie Hij kon bouwen. Uitgerekend deze steunpilaar viel om, liet Jezus vallen.
Maar uitgerekend deze Petrus op wie niet gebouwd kon worden, mag opnieuw een steunpilaar worden.
De man die viel mag voorkomen dat anderen vallen, de man die niet hield, mag anderen steunen.
Petrus degene die Jezus verloochende krijgt een belangrijke taak. Bemoediging voor ambtsdragers!
Hoe zingt het koningslied – mocht je de weg verliezen – Christus!

En dat niet omdat de liefde van Petrus toch zo groot bleek te zijn. Nee, omdat Jezus liefhad. Omdat de Heere Jezus werkelijk een vriend was, waar Petrus faalde, ging de Heere Jezus door. Waar Petrus omviel, bleef de Heere Jezus overeind.
Zijn liefde voor ons geeft aan ons de mogelijkheid om Hem lief te hebben.

Wat zou ons antwoord zijn op de vraag van de Heere Jezus? Heb jij Mij lief? Als u aarzelt, als u niet weet of uw liefde oprecht is, kunt u zeggen: ik weet niet of ik u liefheb. Ik weet niet of ik mij Uw vriend mag noemen. Ik weet wel, dat U van mij houd.

Petrus krijgt nog een kans om te laten zien dat hij van de Heere Jezus houdt. Voor Zijn sterven kondigde de Heere Jezus aan, dat Petrus Hem zou verloochenen. Nu gaat de Heere Jezus bijna weg – nu kondigt de Heere Jezus aan dat Petrus zou stand houden. Voor Petrus komt er ook een kruis. Net als Jezus zal Petrus de kruisbalk dragen, zal Petrus wel standhouden en zijn dood zal velen bemoedigen en sterken. In zijn sterven zal hij de Heere Jezus verheerlijken. Petrus, jij die faalde mag een voorbeeldfiguur zijn. Vanaf nu mag je het aan beginnelingen laten zien wat het betekent om bij Mij te horen, mag je hen onderwijzen en hen begeleiden – zelfs tot in je dood.

De Heere Jezus durfde het aan met Petrus, die Hem verloochende en zelfs na de opstanding iets dubbels in zijn houding naar Jezus had. Hij durft het ook aan met u en met jou.Misschien aarzelt u nog wel. Houd ik oprecht van de Heere Jezus? Ben ik Zijn vriend? Heere, u weet alles. Dan zal Hij zeggen: kijk maar naar Mijn handen, de littekens, Ik deed dit voor jou / u.

Heb jij Mij lief?
Amen

Preek over Mattheüs 26:74-75

Preek over Mattheüs 26:74-75

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

74 Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de mens niet. 75 En terstond kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had: Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter.

(1)   Petrus’ verloochening
Een tragische gebeurtenis: Petrus die hier zijn Meester verloochent. Ook als het verhaal niet bekend is, kan bij het eerste aanhoren de spanning en de tragiek duidelijk zijn. Tragiek – niet alleen omdat we voelen de ernst van wat Petrus doet: dat hij zijn Meester verloochent, terwijl de Here Jezus bezig is met een proces en verhoord wordt. De evangelist brengt deze beide gebeurtenissen bewust in een spanning met elkaar. Zo valt nog meer op, dat Jezus de weg naar Golgotha ook echt alleen moet gaan. Zo valt ook op, dat Petrus die weg niet kán gaan. Jezus die terechtstaat, onschuldig, ook voor Zijn discipelen en hier één discipel die zich afwendt. Petrus verwijdert zich steeds meer van Jezus. Letterlijk en figuurlijk. Niet alleen doordat Petrus Jezus steeds meer en meer verloochent, distantieert hij zich van Zijn meester.  Ook in zijn gang. De gebeurtenis begint ermee hoe Petrus het paleis van de hogepriester binnenkomt, maar eindigt ermee, dat Petrus buiten is. Weg van Jezus. Aan zichzelf overgeleverd.

Het begon zo hoopvol. Petrus die Jezus navolgt. Een echte discipel die bereid is om Zijn meester te volgen. Zelfs tot in de dood. Had Jezus het niet tegen hem gezegd over het volgen, dat volgen van Jezus betekent een kruis dragen? Dat discipelzijn betekent: je leven verliezen aan Christus. Het kan zijn dat Petrus deze woorden nog in zijn achterhoofd heeft.Dat die woorden hem bewegen om Jezus te volgen – ook op dit punt. Je moet er wel lef voor hebben, wat Petrus doet. Want Petrus heeft tussen de leerlingen van Jezus gestaan op het moment dat Jezus werd opgepakt.  Hij had het dus kunnen zijn – Mattheüs vertelt niet wie het heeft gedaan – hij had het dus kunnen zijn die het oor van die dienaar had afgeslagen. Reken maar, dat die andere dienaren van de hogepriester nog wel een appeltje te schillen hadden met degene die hun collega zo had toegetakeld. Als ze hem te pakken kregen… Maar Petrus maakt zich niet druk om, lijkt het zo.
Hij gaat het paleis binnen en zet zich neer tussen de andere dienaren. Hij wil iets te weten komen. Hij wil erbij zijn. Het einde, dat wil hij zien. Dat kan twee betekenissen hebben: dat hij het doel van deze gebeurtenissen zien. Dat hij doorkrijgt, wat de betekenis is dat Jezus is opgepakt, de zin van dit alles. Waarom moest dat gebeuren.
Maar ik denk dat de evangelist ook al vooruit wijst naar wat er gaat gebeuren, zo dadelijk als hij er mee geconfronteerd wordt dat hij er ook bij hoorde. Om te zien wat het einde is – Jezus had ook gesproken over het einde: wie volhardt tot het einde, die zal zalig worden. Het is alsof Petrus alle waarschuwingssignalen negeert (keer terug) en maar doorgaat, totdat  hij niet meer verder kan en alleen terug moet.

(2)   Herkenning
Nu wij zo als gemeente van Christus bij elkaar zijn, voor het aangezicht van de Here, komen wij in aanraking met iemand die zich van de Zoon van God afwendt, Christus de rug toekeert. De evangelist Mattheüs vertelt ons dit verhaal niet alleen om aan te geven hoe Petrus de mist in ging. Om een zwarte bladzijde uit het levensverhaal van Petrus te vertelen, in de trant van: elke volgeling van Jezus heeft wel een zwarte bladzijde. Soms kan het je als gelovige – gek  genoeg – ook wel eens bemoedigen, dat andere gelovigen uitgleden.
Want dan weet je dat er ook voor jezelf mogelijkheid is om weer terug te komen bij God. Dat is een les die wij er natuurlijk wel uit mogen halen.  Dat er een situatie kan ontstaan, waarin wij de Here Jezus verloochenen. Of verloochend hebben. Dat we dat misschien ook wel in ons leven hebben gemerkt, dat we Hem, onze Here en Heiland een keer verloochend hebben. Ik kan niet bepalen wat uw verhouding tot de Here Jezus is. Of u met Hem bent geweest of nog bent of dat u van uzelf moet zeggen: als het aan mij ligt… Als u uw eigen leven legt naast dat kruis van de Here Jezus…
Daar gaat het uiteindelijk om. Niet om Petrus. Niet hoe hij afhaakt en voor ons een les is, maar om dat kruis, dat hier door deze gebeurtenissen al heenschemert. De weg van het lijden, waar de Here Jezus voor kiest. Tegen de achtergrond van deze beide gebeurtenissen, wordt dat kruis nog wonderbaarlijker: dat de Here Jezus voor ons wilde sterven. Dat Hij die weg ging voor ons…
Net als Petrus kunt u vol goede moed begonnen zijn in de navolging. Ik ga Jezus volgen. Ik kies ervoor. Niets kan mij nog tegenhouden. Ik laat mij door niets afhouden. Bij Petrus ging het zo: Er komt een dienstmeisje naar hem toe: ‘Ú was er ook bij.’ Op dit moment is het geen eer om gerekend te worden tot die Jezus van Nazareth. Dat had Petrus toch kunnen weten dat de dat tegen hem zouden zeggen? Petrus krijgt niet meer de gelegenheid om te zien hoe het afloopt, wat de zin van deze gebeurtenissen is. Hij is alleen nog maar met zichzelf bezig. Om zijn eigen hachje te redden. Terwijl zijn Heer en heiland de weg naar de dood neemt en zo het leven aan Petrus kan geven, kiest Petrus voor zijn eigen leven. “Je weet niet wat je zegt. Ik weet niet waar je het over hebt.” Of hij zich er bewust van is of niet – Petrus zet hier een eerste stap bij Jezus vandaan. Een eenvoudig dienstmeisje dat naar hem toestapt, terwijl hij tussen de dienaren zit. ‘U hoort er toch ook bij.’ ‘Meid, ik weet niet waar je het over hebt.’ Petrus zegt het tegen de dienaren om hem heen. Je moet vooral niet denken dat ik er bij hoor. Bij die Jezus. Ík ben geen oproerkraaier. Ik ben alleen een onschuldige observeerder. Ik doe geen vlieg kwaad.’

Ik moest denken aan die keer tijdens de opleiding – ik zal het nooit vergeten – het was geen indrukwekkende gebeurtenis en toch ben ik het nooit vergeten, dat we als theologiestudenten bij elkaar zaten en dat de docent aan ons vroeg: welke bijbelse persoon lijkt het meeste op jou? Sommigen zeiden: David of Abraham. Mensen die vol geloof waren of zich geroepen wisten. Maar er waren ook een aantal die zich met Petrus identificeerden. Aan de ene kant dat vurige verlangen om voor de Here Jezus te gaan. Om er vol voor te gaan. Ik hoor bij Hem! En soms ook op momenten dat je je zo duidelijk losmaakt van de Here Jezus. Dat als mensen om je heen, collega’s of vrienden, tegen je zeggen: ‘Je hoort er toch ook bij. Je bent een van hen?’ dat je net als Petrus de neiging krijgt om te mompelen: ‘Nou ja…’

Is dat dan zo erg? Nu pas, nu ik de ontmoeting met deze verloochening zie ik pas de ernst hiervan, in de confrontatie. Want vanuit de andere evangeliën weten we hoe het afgelopen is. Dat het met Petrus goed is afgelopen. Dat er een moment is gekomen dat hij geroepen is als apostel er weer bij gehaald. En zo kan de dood van Jezus voor ons ook werken: Jezus is gestorven voor mijn zonden. Ik ben hem er dankbaar voor, maar dat het wel wat gewoon wordt, een vanzelfsprekendheid.
Maar wat als het verhaal van Petrus nu stopt? Als dit het einde is van Petrus? Het loopt hier af. Petrus zegt: ‘Ik ken deze mens niet.’ De Zoon des mensen die komt op de wolken van de hemel. Jezus van Nazareth: wat heb ik met u te doen?
Maar nog loopt hij het risico dat hij erbij gerekend wordt.  Dat zijn leven erbij inschiet. Alsof het nog niet genoeg is, dat hij de band met Jezus heeft doorgesneden. Hij gaat nog verder: ‘Ik ken die Jezus niet, maar als ik hem ken dan moge God mij doen…’ Hij haalt er God bij om Zijn Zoon te ontkennen.
Terwijl Jezus zich bekend maakt als de Zoon des mensen, als degene die komt met Zijn oordeel, heeft Petrus die veroordeling niet meer nodig. Hij heeft zichzelf veroordeeld.
God hoeft niet meer tegen hem te zeggen: ‘Ga weg van mij, ik heb je nooit gekend.’ Petrus is God voor. Petrus zegt dat zelf: ‘Ik heb hem nooit gekend.’ Hier houdt het voor Petrus op. Hij heeft Jezus helemaal buiten spel gezet.
Totdat de haan kraait: de haan die de nieuwe dag aankondigt. De nieuwe dag, de dag waarop de zonde overwonnen is, de schuld gedragen. De haan: bode van de nieuwe dag – hoop.
Voor Petrus is het een teken dat hij er niet meer bij hoort. Hij heeft zichzelf uit het boek des levens geschrapt. Nu hij de band met Jezus heeft doorgeknipt, kan hij ook niet meer naar Christus toe. Het gesprek met Jezus is gestopt. De band verbroken. Hij staat er alleen. Bitter bedroefd. Het enige wat hij nog kan doen: nog verder bij Jezus weg. Is er nog een weg terug? Mattheüs zwijgt erover. Als we alleen het evangelie van Mattheüs zouden hebben, zouden we niet weten hoe het afgelopen zou zijn.
Daarom moeten we ook niet te snel dat goede einde opzoeken. Waar huilt Petrus om? Tranen van berouw? Hij is overgeleverd. Aan die Jezus. Is dat nog een schuld die weg te doen is? Wat helpen nu nog de mooie woorden, die Jezus gesproken heeft. Over vergeving. Zijn die nog wel van toepassing op hem? Het leven van Petrus is een open einde. Waar moet hij het zoeken? Wie heeft voor hem nog woorden van leven? Van eeuwig leven? Wie kan voor hem nog de poort van het hemelrijk opendoen? De poort die hij zo hard heeft dichtgegooid? Welk recht heeft hij nog?
Er is nu geen reddende hand, die hem eruit kan trekken, omdat hij zichzelf verwijderd heeft. Petrus onttrekt zich aan Jezus en ook aan zijn vergeving. Een schuld die niet meer goed te maken is. Petrus kan het einde niet meer zien, omdat hij er zelf een einde aan heeft gemaakt.

Want tegen U, want tegen U alleen
Heb ik gezondigd, red mij van het kwade
In diep berouw belijd ik U mijn daden
Hoor naar de donkre stem van mijn geween.
Ik heb gedaan wat kwaad was in uw oog
Ja, ik erken, ik ben uw gunst niet waardig
Gij zetelt in gerechtigheid om hoog
Uw woord is waar, uw vonnis is rechtvaardig.Maar Petrus is zelfs dat verleerd. Zelfs die deur heeft hij dichtgegooid. Het is niet God die – zoals bij het offer van Kaïn – zijn gebed afwijst. Maar Petrus die niet meer naar God kan gaan.

Hier zou ik amen moeten zeggen. Dit is niet meer te repareren. Niet meer goed te maken. Dat is de werkelijkheid. Welke hoop heeft Petrus nog? Petrus heeft geen adres meer voor zijn schuld.
En wij als wij ons in Petrus herkennen. Als wij een schuld hebben naar God die niet meer goed te maken is. Bergen val op ons. Heuvelen bedek ons. Laat ons zo niet voor Gods aangezicht komen, want wij kunnen niet bestaan! Dit is het einde.
De film van Petrus, die tegelijkertijd met de film van Jezus’ terechtstelling getoond wordt, gaat op zwart. Het einde.

Er gaat er Eén verder. En daarom vertelt Mattheüs dit verhaal voor ons. Zodat wij die deur naar God niet dichtgooien. Het gebed niet verleren. Zal ons dat helpen?
Waar Petrus afhaakt, gaat Jezus verder. De Here Jezus gaat de weg die Petrus had moeten gaan. Na de ondergang van Petrus gaat Jezus onder. Nadat Petrus zich van de Zoon van God had afgewend, wordt de Zoon van God door God verlaten. Waar een gat valt in het leven van Petrus, een diep zwart gat, waar geen weg terug is, staat dat ene kruis. U weet toch waar u moet zijn? Jezus, die aan het kruis stierf – ook voor ons! Laat u met God verzoenen!Het enige wat wij kunnen doen, is hopen bidden smeken dat Jezus die weg ook voor ons is gegaan.
Maar neen, daar is vergeving – we kunnen dat zo gemakkelijk zingen. Maar is het ook waar? Ook voor ons? Als wij het niet meer in orde kunnen maken? Here, wij staan hier met lege handen. Als bedelaars. Wij kunnen U zo niet onder ogen komen. Wees mij, arme zondaar genadig. Wij zijn aangewezen op Uw genade. Wij hebben er geen recht op. Maar als U ons niet genadig bent, Heer… Laat ons niet verloren gaan.
Amends. M.J. Schuurman