Preek zondag 29 september 2019

Preek zondag 29 september 2019
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 1 Korinthe 1:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Onlangs was ik weer te gast in een gemeente, waar ik al lang kom als gastvoorganger.
Het is een gemeente, die ik aardig heb leren kennen.
Ik wist dat die gemeente ook de nodige zorgen hebben gehad.
De gemeente was lange tijd vacant en was behoorlijk gedoe binnen de gemeente geweest.
Ik was benieuwd hoe ik de gemeente zou aantreffen.
De vorige keer dat ik er was, begin dit jaar, viel het me op dat het zo leeg was in de kerk.
In tussentijd was er wat veranderd in de gemeente: er was een nieuwe predikant gekomen.
Ik was benieuwd wat voor predikant er gekomen was en wat zijn komst betekent.
In de consistorie vertelde een van de ouderlingen,
dat er heel wat gebeurd was voordat deze predikant kwam.
Ze wilden de nieuwe predikant niet opzadelen met de problemen van de afgelopen tijd
en als gemeente wilden ze na alle spanningen en conflicten een nieuwe start maken.
Ze besloten een speciale kerkdienst te beleggen,
waarbij alle gemeenteleden uitgenodigd werden.
Het zou een dienst van verootmoediging en schuldbelijden worden,
waarbij iedereen de pijn die is aangedaan, maar ook de fouten die hij of zij zelf maakte
bij Christus konden brengen.
Om het zichtbaar te maken, dat de fouten en de pijn bij Christus gebracht konden worden,
hadden ze een groot houten kruis laten maken, van wel 2 meter.
Dat kruis stond voor in de kerk.
De kerkenraad wist van tevoren niet hoeveel gemeenteleden er zouden zijn in die dienst.
Toen ze de kerk in kwamen, bleek de kerk vol te zitten.
Tijdens de dienst kwamen de gemeenteleden een voor een naar voren
en gingen naar het kruis toe.
Bij het kruis legde iedereen een briefje neer met daarop de eigen fouten die gemaakt waren.
Die werden aan de voet van het kruis gelegd.
Aan het einde van de dienst werden de briefjes verzameld en vernietigd.
Het was voor de gemeente een indrukwekkende dienst geweest:
om met elkaar als gemeente de eigen fouten, die naar elkaar gemaakt zijn
En de zonden die men naar God toe gedaan had, bij het kruis te kunnen brengen.
Zichtbaar stond daar voor in de kerk het kruis, dat heenwees naar het kruis van Christus,
Waar Hij hing om de zonden van de mensen weg te dragen en het goed te maken met God.
Nadat deze dienst er geweest was en de zonden en fouten bij de Heere waren gebracht
Was er ook ruimte om met elkaar een nieuwe predikant te beroepen.
Toen ik met de kerkenraad de kerk binnenkwam, zag ik naast de preekstoel dat kruis staan.
Een groot kruis, een eenvoudig kruis van hout.
De kerkenraad had er voor gekozen om het kruis te laten staan
Als herinnering hoe het mis gegaan was in de gemeente,
maar vooral ook als herinnering hoe de gemeente een nieuwe start mocht maken,
een nieuwe start van de Heere ontving.
Ik kan u zeggen, dat het indrukwekkend was om onder aan de kansel te staan
naast dat houten kruis en op de kansel dat houten kruis naast me te hebben,
dat sprak van het nieuwe begin met Christus.
Duidelijk ervoer ik hoe het kruis van Christus een kracht heeft
en hoe bijzonder de genade van God is, dat Hij Zijn Zoon gaf
en dat wij onze fouten en zonden bij Hem mogen brengen,
om van onze zonden en fouten los te raken, vergeving te ontvangen,
een nieuwe start te krijgen.
De zonden, die ons aanklagen, de pijn die we een ander aandoen, mogen we brengen
aan de voet van het kruis, waar Hij hing in onze plaats.
Vanmorgen komen we ook bij dat kruis, om daar onze zonden te brengen
en vergeving te ontvangen, een nieuwe start te krijgen van de Heere.
We hebben geen zichtbaar kruis voor in de kerk staan.
Wel staat voor in de kerk de tafel met het brood en de wijn:
het brood dat straks gebroken wordt laat zien hoe Christus zich liet brengen.
De wijn, die uitgegoten wordt en doorgegeven wordt,
laat zien hoe Christus met het offer dat Hij bracht ons reinigt van onze zonden.
We mogen daar onze fouten, onze zonden brengen, aan de voet van het kruis.
Hij neemt ze aan en draagt ze weg, zodat ze ons vergeven zijn.
Krachtig is het kruis, want daar nam Christus al onze zonden op zich,
zodat wij van al onze zonden bevrijd kunnen worden en gereinigd kunnen worden.
Dat kruis, dat zo lang geleden werd opgericht, spreekt nog steeds:
van genade, van bewogenheid van de Heere, van de grote liefde die onze God heeft,
zo groot dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gaf.
Laat het kruis die kracht niet verliezen, waarschuwt Paulus in de brief aan Korinthe.
Raak de inhoud van het kruis niet kwijt, dat spreekt van verzoening, van vergeving,
van Gods liefde die niet te beschrijven is.
Want daar leren we God kennen, kijken we Hem in het hart.
Daar kunnen we van onze zonden bevrijd worden en opnieuw beginnen.
Het staat er voor ons, zodat wij komen en neerknielen en alles neerleggen bij Hem.
U bent geroepen, hoorden we vorige week, geroepen tot de gemeenschap met Hem.
Hij liet van Zich horen, kwam in uw en jouw leven, zodat je niet achter kon blijven,
maar voelde dat je wel moest komen, omdat Hij je riep.
Nu roept Hij u, jou om naar voren te komen, naar de tafel,
om uit Zijn eigen hand het brood te ontvangen, uit Zijn hand de beker aangereikt te krijgen.
In dat gebaar, waarmee Hij dat brood en de wijn ons aanreikt, zegt Hij:
Dit heb ik voor jou, voor u gedaan.
Het is genoeg!
Neemt, eet en drinkt tot Mijn gedachtenis,
geloof hoe Ik ook voor u, voor jou mijn leven gaf,
Jouw zonden meenam op Golgotha en uw fouten droeg aan het kruis.

Genade, zo oneindig groot. Dat ik, die ’t niet verdien

het leven vond, want ik was dood en blind, maar nu kan ‘k zien.


Want Jezus droeg mijn zondelast en tranen aan het kruis.

Hij houdt mij door genade vast en brengt mij veilig thuis. Amen

 



Preek zondag 30 juni 2019 morgendienst

Preek zondag 30 juni 2019 morgendienst
Viering Heilig Avondmaal. Schriftlezing: 1 Johannes 1:1- 2:2
Tekst: En het bloed van Jezus Christus reinigt ons van onze zonde (1 Johannes 1:7b)

Deze brief van Johannes begint met de grootheid van God:
Hij was er al voor wij geboren werden, ja voordat de wereld er was, was Hij er al.
Hij schiep deze wereld.
Vol verwondering schrijft Johannes dat de Heere niet op een afstand bleef,
zelfs niet toen wij als mensen kozen voor de zonde.
Hij kondigde Zijn komst aan en kwam in Zijn Zoon Jezus Christus op aarde
om ons mensen op te zoeken en terug te brengen.
Hij kon daarover uit eigen ervaring spreken, omdat hij erbij was,
Jezus met eigen ogen mocht zien, met Hem mee optrok.
Tegelijkertijd wil Johannes ons laten weten, dat het ook onze ervaring kan zijn,
dat Jezus er is, in ons midden, dat we Hem horen en ervaren,
dat we weten dat Hij hier is en dat we Hem ook ontmoeten.
Doordat Jezus op aarde kwam, weten we dat God mensen opzoekt,
omdat Hij hen bij Zich wil hebben, in Zijn gemeenschap,
dat ze bij Hem horen, van Hem zijn.
Johannes spreekt over de mogelijkheid om bij God te horen.
Het is zelfs de wens van de Heere, dat we van Hem zijn.
Alles in de Bijbel – ook al in het Oude Testament – spreekt van onze God
Als een God die Zijn volk Israël op zoekt en met Christus alle mensen zoekt
om hun God te zijn.
Alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft,
opdat een ieder die in Hem gelooft, het eeuwig leven heeft.
Daar is het de Heere om te doen, dat we geloven in Hem
en dat we het eeuwige leven ontvangen, waar we voor altijd bij Hem mogen zijn.
Ook in dat eeuwige leven gaat het om Hem, onze Heere,
gaat het erom dat we nooit meer van Hem gescheiden zijn.
Daarom vieren we avondmaal: Omdat God ons in Zijn gemeenschap wil hebben.
Het avondmaal vieren we: we vieren dat we verbonden zijn met onze Heere.

Maar kunnen we dat wel vieren?
U bent in de afgelopen week bezig geweest met het avondmaal,
want dat is toch niet iets dat je zomaar even doet.
Je bereidt je daar innerlijk toch op voor: of je kunt aangaan of niet.
Dat werd ook gevraagd: om erbij stil te staan, dat er heel wat aan onze kant mis zit.
U bent nagegaan hoe dat bij u is en tot de conclusie gekomen:
Er is bij mij nog teveel dat niet in orde is.
Ik kan zoals ik nu ben niet aan het avondmaal gaan.
Ik kan niet vieren dat ik verbonden ben met de Heere,
Want van mijn kant is er zoveel dat mij aanklaagt:
Mijn geloof – ja, kan ik wel spreken van geloof?
Ik breng er zo weinig van terecht.
En mijn manier van leven, wat laat ik daarvan zien dat ik bij de Heere hoor?
Zo goed doe ik het als christen niet. Ik kan me eigenlijk niet eens christen noemen
en een plek aan die tafel kan ik helemaal niet innemen.
Hoe kan ik aankomen bij de Heere, die zo groot en heilig is?

En het bloed van Jezus Christus reinigt ons van onze zonde, zegt Johannes.
Daarmee wil hij zeggen, dat we dat vanuit onszelf ook niet kunnen.
Niemand van ons kan zeggen: mijn plek daar aan die tafel heb ik aan mijzelf te danken.
Het is allemaal genade, omdat Christus stierf
en omdat Hij gestorven is, gestorven voor u, voor jou, mij, daarom kunnen wij komen.
Daar wijst het brood dat gebroken ook naar: naar hoe Hij aan het kruis stierf
en daar stierf met een reden: om ons vrij te kopen.
Daar wijst de wijn naar: het bloed van Christus dat ons reinigt.
Daar naar voren te komen en brood en wijn te ontvangen,
geven we aan, dat we dat offer van Christus nodig hebben,
dat we niet zonder zijn lijden en sterven aan het kruis kunnen,
omdat Zijn dood ons vrijmaakt van de zonde en ook reinigt.
Met Zijn dood aan het kruis – daarom vieren we het avondmaal –
geven we aan, dat God met ons opnieuw wil beginnen, schoon schip maakt.

De zonde die zo diep in ons kan zitten, wordt helemaal weggenomen.
Als je weet dat je geloof niet volmaakt is en je steeds weer tekortschiet,
Als je weet dat je er niet genoeg naar leeft,
dan kan dat heel makkelijk klinken: je gaat naar het avondmaal,
je krijgt vergeving en je mag weer opnieuw beginnen,
Terwijl je eigenlijk al weet, dat je over drie maanden weer diezelfde worsteling hebt
Van een geloof dat onvolmaakt blijft en God geen recht doet, want Hij heeft recht op meer.
Hij heeft er recht op, dat we Hem helemaal dienen, op de eerste plaats stellen
en ons niet pas met Hem bezig gaan houden als wij er tijd voor hebben, aan toe zijn.
Dat we er ook naar leven, niet alleen maar voor de vorm, maar ook met ons hart.
Is het niet te gemakkelijk om zo over vergeving en reiniging te spreken?
Dat is zeker niet Johannes’ bedoeling om maar makkelijk over de zonde te denken
en daar zomaar over heen te stappen.
Nee, er was heel wat voor nodig: Christus moest sterven.
Er is ook in ons heel wat nodig: Reiniging van zonden.
De zonde is ernstig – en Johannes wil die ernst volop onderstrepen.
Maar nog ernstiger is aan de genade voorbij gaan.
Nog ernstiger is  aan de mogelijkheid, die Christus biedt door Zijn sterven,
om gereinigd te worden voorbij te gaan.
Want dan blijf je nog in de zonde, dan is nog de breuk met God niet geheeld.
Wat had de Heere nog meer moeten doen om u vrij te kopen?
Is het offer dat Christus niet genoeg?
Zegt de Heere zelf niet, hier bij monde van Johannes, dat Zijn sterven genoeg is,
ook voor u: gedenkt, gelooft, dat dit kostbaar bloed vergoten is
tot volkomen verzoening van al onze zonden.
Wij maken het niet met God, maar Hij: Hij is het die verzoening brengt voor onze zonden.
Met het avondmaal vieren we dat Hij, onze Heer, die het God maakt met God,
ons verzoent, hier in ons midden is, gastheer aan de tafel, ons nodigt om te komen:
Hier is brood en wijn, dat herinnert hoe Ik ook voor jou gestorven ben.
Neem, eet, gedenkt en gelooft dat Mijn lichaam verbroken is, ook voor jou.
Kom, hier bij Mijn tafel, om dat te gedenken, te vieren, dat het ook voor jou is.
Amen

Preek zondagmorgen 2 december 2018

Preek zondagmorgen 2 december 2018
Viering Heilig Avondmaal.
Hebreeën 10:19-39
Tekst: Laten wij tot Hem naderen … nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten (vers 22)

 

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De viering van het Heilig Avondmaal bepaalt ons er weer bij,
wat de Heere Jezus voor ons heeft gedaan.
In de brief aan de Hebreeën wordt dat als volgt verwoord:
Nu ons hart gereinigd is van een verkeerd geweten.
Doordat Christus stierf aan het kruis, daar op Golgotha Zijn leven gaf,
kunnen wij innerlijk worden gereinigd, van binnen schoongemaakt worden, in ons hart.
In ons hart is alles opgeslagen wat we hebben gedaan, of juist hebben nagelaten.
In ons hart is opgeslagen wat onze gedachten zijn geweest,
welke keuzes we hebben gemaakt en wat daaraan vooraf gegaan is.
In ons hart zijn ook onze verkeerde keuzes opgeslagen:
keuzes waarbij we niet aan de Heere hebben gedacht,
of waarbij we een keuze gemaakt hebben die tegen de Heere inging.
En daar in ons hart, waar ze opgeslagen liggen, kunnen ze als een zware lust drukken.
Wij kunnen ze niet ongedaan maken, onze verkeerde daden, keuzes, gedachten.
Wij krijgen ze niet weg in ons hart
En in onze relatie met de Heere belemmeren ze ons om naar Hem toe te gaan.
Ze vormen een drempel, ze zorgen ervoor dat je aarzelt om naar de Heere te gaan,
want je merkt in jezelf dat je zo niet voor de Heere kunt verschijnen,
met wat je hebt gedacht, met wat je hebt gedaan.
Zo kun je niet voor de heilige God verschijnen.
Daar is de Heere te heilig voor
om met je zonden die je gedaan en gedacht hebt voor Hem te komen.
Al zijn ze in het verborgen gedaan en heeft niemand er weet van,
ze klagen je aan als je voor de Heere wilt komen.
Alleen als je daarvan bevrijd wordt, als ze van je weggenomen worden,
als je van binnen wordt gereinigd van je zonden, kun je komen.
Alleen dan kun je leven met de Heere, in Zijn nabijheid komen.
Die zonden kunnen weggenomen worden, omdat Christus stierf aan het kruis.
Omdat Hij Zijn leven gaf, omdat Hij daar op Golgotha uw schuld, jouw schuld weg droeg,
wordt wat je verkeerd hebt gedaan, verkeerd hebt gedacht van je afgenomen.
Je wordt van binnen gereinigd, schoongemaakt.
Vanmorgen vieren we met het avondmaal dat onze zonden van ons afgenomen zijn,
Dat ze geen last meer zijn, geen belemmering meer zijn om te komen tot de Heere.
Als je in de afgelopen week je hebt voorbereid op het avondmaal
dan heb je vast ook nagedacht over wat er leeft in je hart.
Je kunt in jezelf de aanklacht hebben gehoord: je hebt van alles verkeerd gedaan.
Het kan ook zijn dat je daarbij dacht aan iets wat je hebt gedaan in de afgelopen tijd,
of dat je je weer bewust was van wat er in de afgelopen tijd in je gedachten omging.
In de afgelopen week heb je gerealiseerd dat het echt niet kon, wat je hebt gedaan.
Dat de gedachten die je had echt niet paste bij een leven met Christus.
Hoe langer je erover nadacht, hoe meer last je ervan kreeg.
Het kan in de afgelopen dagen door je heen gegaan zijn: Maak mij rein voor U.
Omdat je merkt dat het je relatie met Christus belast.
Je hebt nagedacht over het Heilig Avondmaal
en je weet wel: dat avondmaal laat zien dat Christus Zijn leven ook gaf voor mijn zonden,
maar je hebt gemerkt dat je zo makkelijk de fout in gaat.
Wordt het dan niet heel goedkoop als je zo naar het avondmaal gaat
om vergeving te vragen?
Het is een worsteling: je hebt Zijn vergeving nodig, maar toch, de last die op je drukt.
Maak mij rein voor U, was mijn leven schoon, vergeef mijn zonden.
Ik wil het niet goedkoop maken
en toch wil ik wijzen op de belofte die het avondmaal in zich heeft,
doordat het avondmaal herinnert aan het sterven van Jezus voor ons en onze zonden:
in de voorbereiding op het avondmaal wordt ook gevraagd
om de belofte van de Heere te geloven, de belofte die betrouwbaar is,
waar we op aan kunnen, waar we op kunnen rekenen, dat deze belofte waar is:
dat onze zonden ons vergeven zijn vanwege het kruis daar op Golgotha.
Deze belofte is er van Gods kant.
Van onze kant wordt er door de Heere gevraagd om die belofte te geloven,
dat het waar is, dat we gereinigd kunnen worden,
dat we er niet tevergeefs om vragen, maar dat die vergeving ons geschonken wordt,
omdat Christus gestorven is,
dat jij, dat u van binnen gereinigd, schoongemaakt kunt worden.
Ik hoop dat u in de afgelopen week om die reden uitgekeken hebt naar het avondmaal,
dat je in jezelf een verlangen voelde, om hier aan de tafel te zitten
bij de Heere Jezus, onze Heer, onze Redder,
en dat je het brood aanneemt, dat wijst naar het offer op Golgotha
dat ook voor jou gebracht is,
dat je van de beker drinkt, het wijn dat erop wijst, dat ook jouw zonden afgewassen worden.
Dat je niet alleen je zonde onder ogen zag, de ernst van wat er mis ging,
Van de verkeerde keuzes, de verkeerde gedachten en daden,
maar dat je ook de vreugde al ervoer, dat er een nieuw begin mogelijk is.
Niet omdat wij een nieuwe kans verdienen,
maar omdat we een God hebben die ons reinigt, die onze schuld van ons overnam,
die onze zonden van ons afwast,
waardoor we kunnen komen, waardoor we hier aan de tafel kunnen zitten
en brood en wijn kunnen eten,
niet alleen maar uit schaamte, niet alleen maar met een besef van schuld, dat ook,
maar dat er daarbij ook een dankbaarheid, een intense vreugde is,
ik ben hier bij mijn Heer, zoveel had Hij voor mij over, dat Hij Zelf ging
en straks als mijn tijd gekomen is om voor Hem te staan,
dan zal de zonde mij aanklagen,
dan zal de duivel zeggen dat ik geen recht heb om de hemel binnen te gaan.
Maar dan zal Hij opstaan en zeggen: Ik heb de schuld betaald,
door mijn bloed kunnen ze binnen gaan.
Hier aan de tafel vieren we dat de deur openging, dat we een toegang hebben tot God.
Amen

Preek zondagmorgen 11 februari 2018

Preek zondagmorgen 11 februari 2018
Tekst: Mattheüs 26:28
Viering Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Elke keer is het weer bijzonder om het avondmaal te vieren, vind u niet?
Bijzonder omdat je daar mag zitten – aan de tafel van Christus
en dat met ons geloof waar nog heel wat aan schort.
Bijzonder om als zondaar bij Christus aan tafel te mogen komen.
Dat kan, omdat we mogen weten, mogen geloven dat het weer goed is,
goed tussen ons en God.
Dat is elke keer weer iets om ons erover te verwonderen, om dankbaar te zijn.
Dat wij, dat u, dat jij, dat ik mag komen bij Christus aan tafel
om daar brood en wijn te krijgen.
Daar aan tafel te zitten, brood en wijn te ontvangen – dat maakt voor ons zichtbaar
dat het weer goed is tussen ons en God.
Avondmaal maakt zichtbaar dat Christus met zondaren wil samenwonen.
Dat Christus met u, met jou wil samenwonen.
Bent u daar nog mee bezig geweest in de afgelopen week:
het bijzondere dat Christus met u wil samenzijn?
Heb jij daar nog aan gedacht hoe bijzonder het is, dat jij ook bij Christus mag horen?
Want we verdienen dat niet.
En toch is daar vanmorgen de uitnodiging weer:
Kom naar Mij toe, kom bij Mij aan tafel.
Kom kijken naar het brood dat gebroken wordt, de wijn die wordt ingeschonken,
kom het proeven, kom erbij aan tafel zitten en neem dat brood en die wijn tot je!
En ook als je daar in de afgelopen week niet echt mee bezig geweest bent.
Als je daar niet aan toe kwam, als je de rust niet kon vinden
en je er nu vanmorgen over nadenkt omdat de tafel hier voor in de kerk staat,
laat het tot je doordringen dat het Christus’ diepste wens is,
dat jij van Hem bent, dat u bij Hem hoort en tot Hem komt, ook vanmorgen,
dat u opstaat en naar voren loopt en hier aan de tafel komt zitten,
naar Christus toe gaat, van Hem brood en wijn aanneemt, eet – om Hem te gedenken.

Het bijzondere van het avondmaal is dat het zichtbaar wordt,
dat onze band met God is hersteld, dat het goed gemaakt is.
Zoals Christus het noemde bij de eerste keer dat het avondmaal werd gevierd:
een nieuw verbond – een relatie die is hersteld, een relatie die eerst verbroken was,
aan onze kant verbroken en van Gods kant weer goed gemaakt.
De tafel hier voor in de kerk, het brood en de wijn – ze laten ons zien
dat God het alles er aan gedaan heeft
om wat door ons verbroken was, weer te herstellen.

Is het wel mogelijk voor ons om bij God te mogen komen,
om aan de tafel van Christus te komen?
Dat vraagt tot een geloof, een sterk geloof, dat vraagt toch dat je er naar leeft?
Dat kan uw vraag wel zijn: u hebt vorige keer nog weer gehoord
Dat het avondmaal alleen voor de gelovigen in ingesteld.
Mijn zwak geloof klaagt mij aan: je kunt wel naar voren gaan,
maar wat breng je ervan terecht?
Je kunt daar wel aan die tafel zitten, maar als er eens in je hart gekeken werd
wat daar allemaal leeft verborgen voor anderen.

Bij de eerste avondmaalstafel, discipelen die straks allemaal Hem in de steek zullen laten,
zegt Christus: een nieuw verbond – tot vergeving van zonden.
We kunnen ons dat niet voorstellen, dat God vergeeft.
Als iemand naar ons toe een fout gemaakt heeft, ons diep geraakt heeft,
zullen we dat niet snel vergeten
en is er vaak een lange weg nodig tot herstel, een lange weg om het weer goed te krijgen.
En dan zegt Christus: er is vergeving te krijgen voor je zonden,
voor de fouten die je maakte, de verkeerde keuzes, de pijn die je God aandeed.
Ik maak je vrij van je zonden, helemaal schoon, helemaal rein,
zodat je bij Mij kunt komen, ook vanmorgen, zegt Christus:
Niets staat je meer in de weg. Niets klaagt je meer aan.
Ja, dat merk je wel, dat ervaar je wel, maar Ik zeg je dat het goed is.
Ik heb ervoor gezorgd dat het weer goed is, dat je mag komen.
Als u naar voren komt en gaat zitten bij de tafel,
als u brood neemt van de schaal en dat eet, als u de breker krijgt en daaruit drinkt,
dan mag u dat bedenken: Mijn zonden zijn vergeven.
Dat mijn geloof niet zo sterk is als het zou moeten zijn.
Dat ik soms vergeet om mijn geloof te onderhouden, er tijd voor te nemen,
erover na te denken, met anderen erover te praten.
Maar nu zie ik het, nu weet ik het weer, nu geloof ik:
Het is volbracht – ook voor Mij.
Dan kom ik naar God – ik aarzel want ik weet wat er aan mijn kant aan mankeert.
Het zou veel beter kunnen, het zou veel beter moeten,
maar ik weet – het is volbracht, daar op dat kruis van Golgotha,
Christus die het avondmaal instelde, toen in die zaal met zijn discipelen
en die nu aanwezig is, hier vanmorgen bij de tafel.
Hij roept mij om te komen. Ik kan niet anders, ik moet wel gehoorzamen en komen!

Vergeving van zonden – ik zou dat willen, maar hoe krijg ik dat?
Ja via Christus, via Zijn offer aan het kruis,
maar hoe krijg ik daar deel aan? Hoe wordt dat iets van mij, van mij persoonlijk?
Door het aan te nemen, te ontvangen, te geloven
dat Christus ook tegen u, tegen jou persoonlijk zegt: Ik ben voor jou gestorven.
Ik ging ook voor jou aan het kruis. Vergeving van zonden voor velen.
Dat is ruim, dat is royaal, daar pas jij ook wel bij.
Christus wil met zondaren samenwonen, met zondaren aan één tafel, Zijn tafel.
Dat is Christus’ diepste wens. Daarom kwam Hij.
Daarom gaf Hij Zijn leven, aan het kruis. Zodat u ook zou komen. Kom! Amen

Preek zondagavond 29 mei 2016

Preek zondagavond 29 mei 2016
Psalm 51

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Ik kan het niet meer goedmaken!’
Dat is wat er door David heengaat, als de profeet Nathan gekomen is.
‘Ik kan niet meer herstellen
wat ik kapotgemaakt heb.’
David weet het: Ik kan de schuld niet op een ander schuiven.
Ik ben hier verantwoordelijk voor.
Dat had hij niet direct door.
Dat besef kwam pas, nadat Nathan bij hem gekomen was
om hem aan te spreken wat hij, David, met Batseba, had gedaan.
Tot die tijd had hij zijn geweten kunnen sussen:
Ach, het is niet zo erg wat ik doe. Het moet kunnen.
Het is wel een daad met gevolgen,
maar dan voor anderen:
voor Uria, die het met de dood moest bekopen,
voor Batseba, die haar man verloren heeft en nu opgenomen wordt
in het paleis als een van de vrouwen van David.
David is er alleen maar op vooruitgegaan met Batseba als vrouw.

Totdat Nathan komt.
Er is een verband tussen wat David heeft gedaan en de komst van Nathan.
Nathan komt tot David, zoals David tot Batseba gekomen is.
Nathan die komt om te laten zien wat hij, David, gedaan heeft
en welke gevolgen zijn daad heeft.
Nathan – zijn naam betekent geschenk
Is Nathan voor David een geschenk.
Ik weet niet of David dat zo voelde toen Nathan hem de ogen opende
voor wat hij gedaan heeft, voor de gevolgen van zijn daden.
Dat wat hij gedaan heeft ook te maken heeft
met hemzelf en met zijn band met God.
Nathan brengt David voor Gods aangezicht.
Heeft David dat als geschenk beschouwd?

Misschien niet direct, maar later wel.
Het is een vriend die laat zien waar ik fout zit.
Nathan, die door God gestuurd wordt, om David de ogen te openen
voor wat Hij gedaan heeft, inzicht te geven.

David krijgt ook het inzicht in wat hij heeft gedaan.
Maar dan.
Als je werkelijk door hebt wat je hebt gedaan…
In de Psalmen kijken we de gelovige in het hart.
Hier kijken we bij David in een hart, dat beseft
Ik heb een ernstige fout gemaakt
en die fout kan ik niet meer herstellen.
Niet zomaar een fout, maar een ernstig vergrijp
naar Batseba en ook naar God toe.
Wat moet je doen, als je weet dat je niet verder kunt
omdat je het hebt verknald?
Als God op je weg gekomen is
en tegen je zegt: Het zit goed mis in jouw leven.
Met wat je gedaan hebt, kun je niet verder.
Aan de psalm te zien is het niet alleen iets dat David overkomen is,
maar wordt dat herkend door vele gelovigen.
Want deze psalm is opgenomen in het boek van de gebeden en de liederen van Israël,
een privégebed dat een gebed wordt voor veel anderen,
een gebed dat de woorden geeft,
om toch voor God te kunnen komen
terwijl dat eigenlijk niet kan.

Wat David doet, is zijn koninklijke mantel afdoen, zijn kroon van zijn hoofd,
hij stapt de troon af en trekt oude, gescheurde kleren aan
en op blote voeten, als een zwerver,
die van zichzelf geen enkele waardigheid meer heeft,
geen status waarop hij zich kan beroepen –
zo komt hij voor God.
Wees mij genadig, o God.
Hier komt iemand, die niet voor God mag verschijnen,
geen enkel recht meer heeft, hij heeft het zelf vergooid
en door God is aangeklaagd om wat hij heeft gedaan
en toch de stap naar God waagt.
Waagt – gewaagd is het, wat David hier doet.
Heel zijn lot hangt af van God,
die al heeft laten weten dat Hij de afkeurt wat David heeft gedaan.
Mooie woorden helpen niet.
Alles hangt af van hoe God zal beslissen.
Mijn toekomst ligt in uw handen, ik heb niets meer,

ondanks mijn koninklijke titel, mijn macht,
dat is niets meer, als U, Heere, niet Uw genade aan mij betoont.
Genade is hier: mijn lot ligt helemaal in Uw handen
en wat U besluit, het is goed.

Maar David waagt hier iets geweldigs.
Hij zegt niet: Wat U doet is goed.
Hij legt zich niet neer bij elke beslissing,
David klampt zich aan God vast voor die ene beslissing
die hij juist niet van God mag verwachten.
Door zijn zonde heeft hij al de orde van God overhoop gegooid
en nu komt hij weer opnieuw om de orde van God overhoop te gooien,
de orde die bepaalt dat een zondaar zijn straf niet kan ontlopen,
omdat een daad zoveel ingrijpende gevolgen heeft voor God en medemens.
Het is een aan brutaliteit grenzende noodsprong,
die David alleen maar durft te doen, omdat hij God kent.
Gods karakter, Gods wezen, God zoals Hij ten diepste is.
Een beroep op Gods hart: Heere, laat mijn ellende, zoals ik nu ben,
U diep in het hart raken.
Zie mij zoals ik nu ben.
Als ik zo blijf dan ik niet verder met mijn leven.
Als mijn ellende, als mijn zonde U raakt tot diep in Uw hart,
doe er dan iets aan.
Wat U alleen kunt.

David vraagt niet alleen om de zonden te vergeven.
Dat zou al te goedkoop zijn.
Hij vraagt om meer:
David vraagt of God de daden teniet wil doen,
zoals een beeldhakker, die de verkeerde woorden heeft uitgehakt
alles weg hakt, zodat er niets meer te vinden is.
Wis mijn daden uit.
Ik heb het geprobeerd om ze uit te wissen.
Ik kon ze naar mijn medemens wellicht verdoezelen, maar naar U toe niet.
Voor U is niets verborgen
en U bent de enige die er nu nog wat aan kan doen.

Maar David vraagt om meer.
Want het uitscheuren van de zwarte bladzijde is nog niet genoeg.
Dan zou mijn kwade daad alleen maar een incident zijn,
iets dat eenmalig gebeurd is.
Nee, wat ik verkeerd gedaan heb,
dat heeft zich in mijn karakter genesteld
en dat is nu naar buiten gekomen, maar dat heeft er altijd gezeten
en dat kan er zo weer naar buiten komen.
Het kwade in mij, dat moet moet niet oppervlakkig van mij verwijderd worden,
maar door een diepingrijpende reiniging,
die mij tot in mijn kern, in mijn hart, in mijn karakter, in mijn wezen, reinigt en nieuw maakt.
Een uiterlijke handeling, die mij van buiten reinigt,
dat is niet voldoende.

Er moet iets met mij gebeuren,
dat meer is dan alleen maar het rechtzetten en het ongedaan maken van mijn fouten.
God moet wat met mij doen, in mij,
in mijn hart en in mijn gedachten,
zodat ik een nieuw mens doe, gereinigd en bevrijd van het kwade
dat zich in mij huist en met mij is vergroeid.
In plaats van oordeel, van straf, die verdiend is,
een nieuw mens te worden, die God met het hart zoekt, oprecht
en God kent, niet alleen wanneer ik er mee geconfronteerd wordt,
maar altijd en elke dag.
Het gebed om de Heilige Geest, die van binnen in mij werkt
en mij helpt in de strijd tegen de zonde
en mij beschermt, zodat de zonde geen ingang meer in mij heeft.
David vraagt hier om opnieuw geschapen te worden,
om opnieuw geboren te mogen worden,
een nieuw mens, bevrijd en gereinigd.
God confronteert ons met onze zonde
uit een daad van barmhartigheid,
niet om ons te vernietigen, maar om ons te vernieuwen,
helemaal nieuw.
Deze confrontatie is er ook bij de doop:
de doop laat ons zien, dat we van binnen niet rein zijn
en dat wij onszelf niet schoon kunnen wassen;
alleen God.

Naast al het besef van schuld, groeit het geloof en  de hoop
dat God het ook zal doen en zal luisteren naar dit gebed.
Want David bidt of alle zonden weggewassen mag worden
en of hij witter dan sneeuw mag worden.
De innerlijke reiniging straalt naar buiten toe uit.
Niet meer de boetekleren die David draagt om God op andere gedachten te brengen,
maar kleren zoals de priesters dragen,
hagelwit zoals de engelen zijn.
Wanneer u dat doet, ben ik voor U bruikbaar,
een getuigenis, zal ik over U vertellen.

Doe mij niet weg van voor Uw aangezicht.
Het gebed blijft steeds terugkeren.
Omdat David ook voelt, dat Hij zo niet verder kan.
Niet zonder God.
Om God niet kwijt te raken, klampt hij zich vast aan God.
Als God niet met hem verder wil,
dan doet hij er alles aan om vanaf nu niet verder meer te gaan zonder God.

Wat zal God doen?
De laatste tijd houd ik mij bezig met een theorie over preken die aangeeft:
Je moet vooral oog hebben voor wat God doet.
Voor wat er gesproken wordt over God in de tekst,
of hoe God spreekt in de tekst of door de tekst.
Maar krijgen we daar iets van te zien?
Deze psalm is een lang pleidooi voor Gods aangezicht.
Hartstochtelijk, een beroep op God, een schreeuw: red mij,
want ik zink weg, door mijn eigen fout
en doordat ik voel dat U mij ook kunt loslaten
en ik zonder U verder moet, weg van voor Uw aangezicht,
niet meer dat intieme contact.
Wat zou God doen?
Moeten we het hebben van de opname in het psalmboek,
dit gebed van de enkeling,
waarin velen zich herkend hebben en daarom als een antwoord van God ervaren is?

Hoe weten we nu dat God genadig is
en de smeekbede van David gehoor geeft
en de zonde van David inderdaad wegwast.
En hoe weten we dat God op ons gebed om vergeving onze zonden wegkrast
en ongedaan maakt, zodat ze niet meer zichtbaar zijn,
dat ze niet meer een last zijn die ons hart bezwaard
en dat de gevolgen weggenomen zijn?
Hoe weet David dat God barmhartig is?
Hoe kunnen wij weten dat God barmhartig is?

Omdat God zichzelf zo bekend maakt.
Als het volk voor de Sinaï staat, op weg vanuit Egypte naar Kanaän,
en Mozes op de berg is, maakt het volk een eigen god:
een gouden kalf, dat ze tot hun eigen god maken:
Dit is de god die ons heeft bevrijd.
Daarna weigert de Heere met het volk verder te gaan.
Dat kan Hij ook niet.
Zijn heiligheid zou het volk onderweg verteren.
Dan komt de smeekbede van Mozes, die de Heere God
op andere gedachten brengt en de Heere luistert.
Hij gaat opnieuw mee.
De Heere verschijnt dan opnieuw aan Mozes
en maakt dan bekend wie Hij is:
HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig,
geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw

Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden,
Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft
David klampt zich aan deze barmhartigheid vast
en doet een beroep op deze genade van God.
Zo is God.

Maar er volgt nog iets als God zichzelf openbaart aan Mozes:
de schuldige gaat niet vrijuit; hij ontloopt zijn straf niet.
Ik zoek hem op; ik bezoek hem.
Dat is ook wat David heeft ervaren.
Niet alleen toen Nathan kwam,
maar ook door wat erna gebeurde:
een geestelijke crisis die meer is dan iets dat van binnen werd gevoeld.
Zelfs tot in het lichaam:
Mijn beenderen heeft u verbrijzeld.
Een korte zin, waarin David aangeeft,
dat wat hem overkomt, wat hem treft
niet zomaar is, maar dat het van God komt.
Maar dat betekent dat in het oordeel dat hem treft
zijn leven ook nog in Gods hand is
en God hem niet heeft losgelaten,
maar heeft opgezocht
en de straf die hij draagt en die van God komt
niet een teken is dat God hem heeft weggedaan
– God kan dat wel doen –
maar dat God hem toch nog vasthoudt,
zelfs op het allerdiepste moment van zijn bestaan,
toen hij God losgelaten heeft, liet God hem niet los.
Als God hem niet heeft losgelaten, zelfs niet in het oordeel,
is dat Gods genade en de hoop op een nieuwe toekomst,
door God zelf gegeven,
waarin de zonden zijn weggewassen, uitgebannen, vergeven
en hij, David een nieuw mens mag worden.

In deze psalm komt de naam van Christus niet voor.
In die zin brengt Christus niets nieuws,
want ook het Oude Testament laat zien dat God genadig kan zijn.
Wat het bijzondere aan Christus is,
is dat Hij in Zijn komst, door te komen, Gods genade komt laten zien.
Hij belichaamt Gods genade, is Gods genade.
Christus is God zelf – in de Zoon – die de plaats van David overneemt,
de schuld op zich neemt

Hij werd gebonden, opdat Hij ons zou ontbinden.
Daarna heeft Hij onnoemelijk veel smaad gedragen,
opdat wij bij God nooit meer te schande zouden worden.
Hij is onschuldig ter dood veroordeeld,
opdat wij in Gods gericht zouden worden vrijgesproken.
Hij heeft zelfs Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen,
opdat Hij het handschrift van onze zonden daaraan zou hechten.
Zo heeft Hij onze vloek op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegen zou vervullen.

Daarom is het mogelijk
– door God, door het werk van Christus –
om God aan te klampen voor Zijn genade.
Wees mij genadig, God.
Amen


Vergeven

Vergeven

Als we met elkaar nadenken over de betekenis en de mogelijkheid van vergeving doen we dat omdat de Heere Jezus ons opdraagt om elkaar te vergeven.

Op verschillende plaatsen in Zijn onderwijs komen wij de opdracht ook tegen om elkaar te vergeven. In de gelijkenis van de onbarmhartige knecht bijvoorbeeld. De Heere Jezus vertelt deze gelijkenis als antwoord op een vraag van Petrus: ‘Heere hoeveel keer zal mijn broeder tegen mij zondigen en ik hem vergeven? Tot zevenmaal toe?’ (Mattheüs 18:21) Dan zegt de Heere Jezus: ‘Ik zeg u: niet to zevenmaal, maar tot zeventig maal zevenmaal.’
Een ander voorbeeld uit het onderwijs van de Heere Jezus is het gebed dat Hij ons heeft geleerd. In het Onze Vader bidden wij: Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren. Elke keer als wij het Onze Vader bidden, geven wij aan de Heere aan
dat ook wij vergeven, die ons iets schuldig zijn.
Die gelijkenis en die bede uit het Onze Vader kunnen bij ons 3 reacties oproepen:
(1) Vergeven is voor een theoretische mogelijkheid. We weten dat we zouden moeten vergeven, maar we weten niet wie ons iets aangedaan heeft. We zijn ons ook niet bewust dat wij een ander iets hebben aangedaan.
(2) We weten dat een ander ons iets heeft aangedaan.  Wij worden opgeroepen om deze ander te vergeven.
(3) De rollen kunnen ook omgedraaid zijn. Niet een ander heeft ons iets aangedaan, maar wij hebben iemand anders iets aangedaan. Wij zijn afhankelijk van de vergeving die een ander aan ons wil schenken.

In onze maatschappij
Vergeving komt niet alleen in de Bijbel voor.  Ook in de wereld om ons heen kan over vergeving nagedacht worden. Vergeving is bijvoorbeeld een heel belangrijk begrip in de hulpverlening. Wanneer in de hulpverlening nagedacht wordt over vergeving
heeft dat tot doel om een relatie tussen twee personen, die beschadigd is geraakt of zelfs verbroken, te herstellen.
Wordt in beide gevallen hetzelfde bedoeld? Als er in de Bijbel gesproken wordt over vergeving, is dan hetzelfde als de hulpverlener zegt dat het beter is als u vergeeft?
Dat hoeft niet direct zo te zijn. Het verwarrende is dat beide soorten vergeving ook door elkaar heen gebruikt kunnen worden, maar dat er ook over en weer geleerd kan worden.
Naast het spreken van de hulpverlening over vergeving kunnen gebeurtenissen in onze maatschappij ons nadenken over vergeving inkleuren en beïnvloeden.
Ik geef twee voorbeelden:
(1) Enkele weken geleden kwam naar buiten dat Michele Martin de mogelijkheid kreeg om uit de gevangenis te komen, op voorwaarde dat zij opgenomen werd in een klooster. Michele Martin is de vrouw van Marc Dutroux, de man die verscheidene Belgische meisjes in zijn kelder gevangen hield, misbruikte en soms ook liet sterven. Martin was veroordeeld wegens medeplichtigheid. Een vrouwenklooster was bereid om haar voor de rest van haar leven op te nemen in haar gemeenschap. Een voorstel van vergevingsgezindheid dat veel verzet in de Belgische maatschappij opriep. Was het voorstel van dit Belgische vrouwenklooster een grootmoedige daad, die in lijn ligt met de opdracht van de Heere Jezus om te vergeven?
(2) Het omgekeerde kan ook. Ook wanneer iemand niet in staat is om te vergeven kan dat verontwaardiging oproepen. ‘Heeft zij dit nog steeds niet vergeven? Draagt zij dit hem nog steeds na?’

Nadenken over vergeving kan dus verwarrend zijn. Als wij met elkaar nadenken over vergeving gaat om de vraag: Wat bedoelde de Heere Jezus toen Hij de opdracht gaf dat wij elkaar moeten vergeven?

Schuld en zonde
Als we ons richten op wat de Heere Jezus bedoelde met vergeving, zullen wij het woord vergeving moeten aanvullen. De Heere Jezus sprak over: vergeving van schuld of vergeving van zonde.
Aan het begin van de lezing haalde ik de gelijkenis van de onbarmhartige knecht aan en de bede van het Onze Vader. In het Onze Vader bidden wij: ‘Vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren.’ Petrus komt naar de Heere Jezus toe met de vraag: als mijn broeder tegen mij zondigt, hoe vaak moet ik hem dan vergeven?
Dat is van groot belang in bij ons nadenken over vergeving. De woorden schuld en zonde geven namelijk aan, dat vergeving niet alleen iets is tussen mensen onderling. Vergeving raakt ook onze verhouding met God. Wanneer wij vergeven, is daarmee ook de relatie met God in het geding. Dat komt alles wat er tussen mensen gebeurt ook de verhouding met God raakt. Heel ons leven speelt af voor Gods aangezicht. En God is niet alleen mijn God, maar ook de Schepper van de ander. Ieder mens is beeld van God. Niet alleen ik ben dat, maar ook u
en ook degene met wie het niet goed klikt is een beeld van God. Wanneer ik bijvoorbeeld mijn zus schade berokken door een naar bericht over haar de wereld in te helpen, beschadig ik niet alleen haar als persoon, maar ook haar als beeld van God. Ik zondig niet alleen tegen mijn zus, maar ook tegen (haar) God.

Gods bevoegdheid
Wij zijn door het Nieuwe Testament en door de boodschap van de Heere Jezus eraan gewend geraakt, dat wij kunnen vergeven. Toch is de mogelijkheid dat wij als mensen kunnen vergeven een unieke mogelijkheid die door de Heere Jezus aan ons wordt geschonken.
Denk maar aan die gebeurtenis met de verlamde man, die door zijn vrienden door het dak wordt gelaten. (Marcus 2) De man komt voor de voeten van de Heere Jezus terecht en dan zegt de Heere Jezus als eerste tegen hem: ‘Uw zonden zijn u vergeven.’
Deze uitspraak van de Heere Jezus roept verontwaardiging bij enkele van de aanwezige Schriftgeleerden. Zij zijn van mening dat de Heere Jezus dat helemaal niet kan zeggen. Ze vinden het godslastering dat de Heere Jezus durft te spreken over vergeving van zonden. Daar heeft Hij helemaal niet de bevoegdheid voor. Alleen God kan de zonde vergeven.
Wanneer de Heere Jezus ons voorhoudt dat wij onze broeder of zuster moeten vergeven, geeft Hij aan ons een taak die normaal gesproken alleen voorbehouden is aan God Zelf. Alleen God Zelf heeft de volmacht om de schuld die Hem is aangedaan te vergeven.
Dat geldt niet alleen voor de zonden die wij Hem aandoen, maar ook de zonden die wij een ander aandoen. Een van de vragen die mij van tevoren is gegeven, was: moeten we altijd vergeven? Het eerste antwoord op deze vraag: Eigenlijk komt het ons niet toe om te vergeven. Dat is een zaak die God aangaat.

Koninkrijk van God
Toch spreekt de Heere Jezus over de mogelijkheid om elkaar te geven. Het is zelfs een opdracht om elkaar te vergeven. Waarom geeft de Heere Jezus aan Zijn discipelen – en aan Zijn kerk – de opdracht om te vergeven? De opdracht om te vergeven heeft te maken met Zijn boodschap over het Koninkrijk der hemelen. We hebben met elkaar een gedeelte gelezen uit Mattheüs 18.
Het gedeelte gaat over wat we moeten doen als een broeder zondigt. Aan het begin van het hoofdstuk spreekt de Heere Jezus over het Koninkrijk der hemelen. De Heere Jezus is naar de aarde gekomen om het Koninkrijk der hemelen te brengen. Om dat Koninkrijk dichterbij te brengen is Hij gestorven. Door te sterven aan het kruis biedt de Heere Jezus aan zondaren de mogelijkheid om dat Koninkrijk der hemelen binnen te gaan. Als de Heere Jezus Zijn discipelen opdraagt om te vergeven heeft dat te maken met het Koninkrijk der hemelen. De Heere Jezus geeft de volmacht om zonden te vergeven, zodat die zonden en schuld naar elkaar toe geen belemmering meer is om het Koninkrijk der hemelen binnen te gaan.
Wij worden opgedragen om elkaar te vergeven – met als doel dat er ook voor de ander die tegen ons gezondigd heeft redding van verlorenheid mogelijk is. Voordat de Heere Jezus spreekt over de kerkelijke tucht komt de gelijkenis van het verloren schaap aan bod.
In het Mattheüsevangelie eindigt deze gelijkenis met de woorden van de Heere Jezus: Zo is het ook niet de wil van uw Vader, Die in de hemel is, dat een van deze kleinen verloren gaat. De opdracht om te vergeven is dus de opdracht om alles wat in onze macht ligt te doen om de ander, die tegen ons gezondigd heeft, te redden van de eeuwige verlorenheid.
Iemand die tegen ons gezondigd heeft, die ons gekwetst of beschadigd heeft of zelfs misbruikt, heeft iets met ons gemeenschappelijk: wij hebben geen recht om dat Koninkrijk binnen te gaan. De toegang wordt ons geschonken door de genade van de Heere Jezus. Het bijzondere van die genade is, dat wij daardoor ook veranderd worden. Net als de hemelse Vader willen wij niet dat de ander verloren gaat.

God doet recht
Vergeven is echter niet hetzelfde als vergeten. Vergeven is niet hetzelfde als met de mantel der liefde bedekken.  In het gedeelte over de kerkelijke tucht staat: ga naar hem toe en wijs hem terecht tussen u en hem alleen. Het woord dat hier gebruikt wordt met terechtwijzen (de ‘oude’ StatenVertaling heeft ‘bestraffen’) heeft de betekenis van ‘iemand overtuigen van zijn of haar schuld’.
De Heere Jezus zegt hier: ga naar iemand toe en zeg hem dat hij door de zonde die hij jou heeft aangedaan niet voor God kan komen.  Degene die gezondigd heeft, moet tot inkeer komen. Iemand die op deze manier naar zijn broeder of zuster toe stapt, is als een gezant van God om de ander op te roepen tot bekering. Zoals de profeet Nathan koning David bestrafte omdat hij zich vergrepen had aan Uria en aan Bathseba.
Een rode draad in het evangelie van Mattheüs is het laatste oordeel. Aan het einde van de tijden zal de Heere Jezus terugkomen als rechter. Iedereen zal rekenschap afleggen voor de Heere voor alles wat hij of zij in het leven heeft gedaan. En dan zal de Heere rechtspreken.
In datzelfde evangelie zegt de Heere Jezus ook, dat God in het verborgene ziet. God kent de harten, de intenties die voor ons verborgen zijn. De Vader in de hemel ziet de zonden in het verborgene.
Als ik mijn zus kwaad berokken zonder dat zij er erg in heeft, ziet God dat. Alle wonden, alle beschadigingen die zijn aangericht zullen dan aan het licht komen. Ons levensboek gaat open.
Wat een ander ons heeft aangedaan, komt aan het licht. Wat wij een ander hebben aangedaan, komt ook aan het licht.
Dat is een spannend gegeven. Veel misbruik, veel beschadigingen en zonden gebeuren immers in het verborgene, zonder dat iemand er weet van heeft. Maar God ziet het wel. Al grijpt Hij nu niet in, in het laatste oordeel komt Hij er wel op terug. God is een God die recht doet aan eenieder – zowel aan de slachtoffer als aan de dader.

Altijd vergeven?
Moeten wij altijd vergeven? Wanneer wij zouden zeggen dat iemand onder alle omstandigheden zou moeten vergeven, halen wij het evangelie onderuit. Vergeving is geen vanzelfsprekendheid, maar een genadig geschenk – de kracht van de Heilige Geest die aan een slachtoffer gegeven wordt.
Zoals wij niet automatisch vergeving krijgen van God wanneer wij er om vragen, zo krijgt een dader niet automatisch vergeving van een slachtoffer.
Wanneer wij zeggen dat wij onder alle omstandigheden moeten vergeven veranderen wij de genade die de Heere geeft aan een slachtoffer om te kunnen vergeven in een menselijke prestatie (waarmee wij onze zaligheid zouden verdienen of waarmee wij onze zaligheid in de weg zouden staan).[1]  
Dat is gevaarlijk, want daarmee zeggen we tegen een slachtoffer: als jij niet kunt vergeven, sta je in schuld bij God. Als we zeggen: “Je moet onder alle omstandigheden vergeven”, praten we een slachtoffer een schuld en een schuldgevoel aan.[2] Iemand is al beschadigd en krijgt ook nog eens de last erbij van het-niet-kunnen-vergeven. Het kan zijn dat iemand zo beschadigd is, dat hij of zij niet kan vergeven. Wie misbruikt is of thuis nooit liefde ontvangen heeft, heeft daar levenslang de last ervan te dragen. Wanneer ik kijk naar het optreden van de Heere Jezus, denk ik dat Hij er begrip voor heeft als iemand niet kan vergeven.
De opdracht om te vergeven raakt wel onze trots en zelfbehoud. Wanneer wij ons te goed voelen om de ander te vergeven, ons meer voelen dan degene die tegen ons gezondigd heeft, zondigen wij zelf. In dat geval vraagt de Heere Jezus van ons om onszelf te verloochenen. Het klassieke avondmaalsformulier kan ons hier verder helpen. In het avondmaalsformulier wordt gezegd
dat wij door de Heilige Geest een nieuw leven ontvangen. Wanneer wij wat beschreven wordt in het avondmaalsformulier toepassen op vergeven, gaat het erom dat wij de intentie hebben,
het voornemen om een ander te vergeven. Als christelijke gemeente moeten we er begrip voor hebben dat iemand wel de intentie heeft om te vergeven, maar door de beschadigingen niet in staat is om te vergeven.

Wraakpsalmen
Vergeving heeft te maken met wat anderen ons aandoen of wij anderen aandoen. Vaak wordt over vergeving nagedacht. Wat is echter niet de enige lijn, die in de Bijbel naar voren komt als het gaat om slachtoffers en daders.
Er is nog een andere lijn – en dat is in het kader van vergeving wellicht een verrassend inzicht – namelijk: de wraak van God.

O God, breek hun tanden in hun mond,
breek de hoektanden van de jonge leeuwen stuk, Heere
. (Psalm 58:7)

Soms kan het gebeuren dat iemand in je leven huishoudt, zoals een leeuw zijn prooi verscheurt. Is dat niet zo als iemand je misbruikt, dat hij je dan als een leeuw verscheurt?
Is dat niet zo als iemand je stalkt of voortdurend allerlei laster over je rondstrooit waartegen je weerloos bent?
Heeft de Heere Jezus met Zijn opdracht om te vergeven de wraakpsalmen niet buiten spel gezet? Nee. Met een wraakpsalm grijpen wij niet zelf naar de wraak. Wij zijn niet als Lamech die zichzelf wreekt – zelfs zevenvoudig. Maar wij leggen de wraak in Gods hand. Als wij onszelf zouden moeten wreken, zouden wij wellicht meer kapotmaken dan een ander bij ons kapot gemaakt heeft. Door de vragen of God ons wil wreken, leggen wij onze zaak in handen van de rechtvaardige God,  die rechtspreekt over ons en de ander.
De profeet Zacharia moet namens de Heere zeggen: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden. Deze tekst komt terug in Romeinen 12: Leef, zo mogelijk, voor zover het van u afhangt, in vrede met alle mensen. Wreek uzelf niet, geliefden, maar laat ruimte voor de toorn, want er staat geschreven: Mij komt de wraak toe. Ik zal het vergelden, zegt de Heere.
Manfred Josuttis vertelt bij deze tekst een verhaal dat hij hoorde van iemand van een telefonische hulpdienst. Deze vrijwilligster had een kerkelijke opvoeding gehad, maar had er mee gebroken. Op een avond kreeg zij een telefoontje van een vrouw, die op het punt stond haar man en zijn minnares te vermoorden. De vrijwilligster van de telefonische hulpdienst wist eerst niets te zeggen, maar zei (tot haar eigen verbazing) de tekst uit Zacharia tegen deze vrouw: ‘Mij komt de wraak toe. Ik zal het vergelden, spreekt de Heere.’ Aan de andere kant klonk een zucht van verlichting. De vrouw die zei dankbaar: ‘Dit is wat ik nodig heb. Bedankt!’

Niet willen inzien
Nu maakt het heel erg uit welk perspectief wij kiezen. Bij vergeving gaat vaak de aandacht uit naar het slachtoffer die moet of zou moeten vergeven. Wij zijn lang niet altijd slachtoffer. Soms kunnen wij ook dader zijn. Of slachtoffer én dader. Patronen van misbruik en verwaarlozing kunnen soms ook weer aan kinderen doorgegeven worden. Of dader kan zelf slachtoffer geweest zijn.
Het kan ook zijn dat een dader zich in een slachtofferrol plaatst. Een dader van seksueel misbruik kan bijvoorbeeld zeggen: ‘Dat meisje heeft mij in de verleiding gebracht.’ Een dader kan zo de schuld van zich afschuiven door niet verantwoordelijk te willen zijn voor zijn daad. Een dader kan zelfs misbruik maken van vrome taal of kerkpolitieke discussies om zijn eigen gelijk te bewijzen of een slachtoffer in zijn of haar greep te houden. De Heere Jezus zegt dat iemand terechtgewezen of bestraft moet worden. Met andere woorden: iemand blijft verantwoordelijk voor de daden die hij of zij doet.
Het schrijnende bij seksueel misbruik is dat een dader vaak niet wil inzien wat er verkeerd is aan zijn vergrijp. Zolang een dader niet inzien welke daad hij verricht heeft, welke psychische en lichamelijke schade hij heeft aangericht, welke levenslange ballast hij een ander heeft opgelegd, lijkt mij dat er van vergeving geen sprake kan zijn.
Het enige wat een slachtoffer kan doen is zijn of haar zaak in handen van God leggen, die rechtvaardig zal oordelen.

En als wij vergeving nodig hebben?
Niet iedereen zal te maken hebben met zulke schrijnende situaties van misbruik. Voor de meesten zal vergeving te maken hebben met de contacten met familie, buren, collega’s. We moeten ons dan voor waken te gemakkelijk in de slachtofferrol te kruipen. Hoe gemakkelijk is het niet om een ander te beschadigen?
Daarom is de vraag niet alleen: kunnen wij een ander vergeven? Maar ook: wat betekent het om te leven van de vergeving die een ander ons schenkt? Wat als wij vergeving moeten ontvangen voor wat wij een ander hebben aangedaan? Zondigen tegen een ander is niet iets dat ons overkomt, maar een daad waar wij verantwoordelijk voor zijn en gehouden zullen worden. (Kenmerk van de zondaar, dat hij dat wellicht niet waar wil hebben…)
In het Dienstboek (1998) staan enkele gebeden van toenadering en schuldbelijdenis, die voor de eredienst bedoeld zijn:

Zie ons aan zoals wij zijn: vol van onszelf
met de last van het verleden op onze schouders
Vergeef ons Heer….

Voor U belijden wij, almachtige God,
voor heel uw kerk en voor elkaar
belijden wij dat wij gezondigd hebben
in gedachte, woord en daad,
(naar een ander toe)
in het kwade dat wij gedaan hebben
in het goede dat wij hebben nagelaten
(naar een ander toe)
Vergeef ons Heer…

Wie kan onze schuld afnemen die wij naar elkaar hebben? Als we naar elkaar toe tekortgeschoten zijn of tegen elkaar gezondigd hebben? Laten wij ons aanspreken op wat wij een ander hebben aangedaan? Wat als wij afhankelijk zijn van de vergeving van onze dochter, onze buurvrouw, onze vriendin, onze collega, onze vijand? Ik laat het maar als vraag staan…

[Tot slot: Het einde van de lezing laat zien, dat de onderlinge vergeving niet kan zonder het zoeken van Gods wil in gebed. Vergeven gaat ook samen met het gebed om de Heilige Geest: wilt U mij leren om Christus na te volgen. Wilt U in mij komen om mij op deze weg te helpen. En gebed om Gods ontferming: Heere, ontferm U over iedereen die slachtoffer is en beschadigd is en breng daders tot inkeer.]

Lezing voor de regionale vrouwenverenigingen Noord-Oost-Veluwe

 


[1] In theologisch taalgebruik: het evangelie om elkaar te vergeven wordt veranderd in een wet om elkaar te vergeven. Het veranderen van evangelie in wet verandert het karakter van het evangelie (namelijk als genadig geschenk) in een moralistische boodschap. Deze moralistische boodschap staat juist haaks op wat het evangelie inhoudt. De opdracht om te vergeven gaat samen met het geschenk van de Heilige Geest (die de Geest van Christus is) om te kunnen vergeven. Wanneer het evangelie in een wet veranderd wordt, vergeet men dat de Heilige Geest geschonken wordt.

[2] Deze opmerking riep discussie op. Zegt de Heere Jezus niet dat wij 70 x 7 moeten vergeven? Ik wil van deze opdracht ook niets afdoen. Deze opdracht blijft gelden bij familieconflicten, kerkscheuringen, burenruzies. Wat ik wilde aangeven, is: sommige mensen kunnen door het misbruik dat hen is aangedaan niet meer vergeven. Hun wil is daarvoor te sterk beschadigd.

Preek over Mattheüs 26:74-75

Preek over Mattheüs 26:74-75

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

74 Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de mens niet. 75 En terstond kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had: Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter.

(1)   Petrus’ verloochening
Een tragische gebeurtenis: Petrus die hier zijn Meester verloochent. Ook als het verhaal niet bekend is, kan bij het eerste aanhoren de spanning en de tragiek duidelijk zijn. Tragiek – niet alleen omdat we voelen de ernst van wat Petrus doet: dat hij zijn Meester verloochent, terwijl de Here Jezus bezig is met een proces en verhoord wordt. De evangelist brengt deze beide gebeurtenissen bewust in een spanning met elkaar. Zo valt nog meer op, dat Jezus de weg naar Golgotha ook echt alleen moet gaan. Zo valt ook op, dat Petrus die weg niet kán gaan. Jezus die terechtstaat, onschuldig, ook voor Zijn discipelen en hier één discipel die zich afwendt. Petrus verwijdert zich steeds meer van Jezus. Letterlijk en figuurlijk. Niet alleen doordat Petrus Jezus steeds meer en meer verloochent, distantieert hij zich van Zijn meester.  Ook in zijn gang. De gebeurtenis begint ermee hoe Petrus het paleis van de hogepriester binnenkomt, maar eindigt ermee, dat Petrus buiten is. Weg van Jezus. Aan zichzelf overgeleverd.

Het begon zo hoopvol. Petrus die Jezus navolgt. Een echte discipel die bereid is om Zijn meester te volgen. Zelfs tot in de dood. Had Jezus het niet tegen hem gezegd over het volgen, dat volgen van Jezus betekent een kruis dragen? Dat discipelzijn betekent: je leven verliezen aan Christus. Het kan zijn dat Petrus deze woorden nog in zijn achterhoofd heeft.Dat die woorden hem bewegen om Jezus te volgen – ook op dit punt. Je moet er wel lef voor hebben, wat Petrus doet. Want Petrus heeft tussen de leerlingen van Jezus gestaan op het moment dat Jezus werd opgepakt.  Hij had het dus kunnen zijn – Mattheüs vertelt niet wie het heeft gedaan – hij had het dus kunnen zijn die het oor van die dienaar had afgeslagen. Reken maar, dat die andere dienaren van de hogepriester nog wel een appeltje te schillen hadden met degene die hun collega zo had toegetakeld. Als ze hem te pakken kregen… Maar Petrus maakt zich niet druk om, lijkt het zo.
Hij gaat het paleis binnen en zet zich neer tussen de andere dienaren. Hij wil iets te weten komen. Hij wil erbij zijn. Het einde, dat wil hij zien. Dat kan twee betekenissen hebben: dat hij het doel van deze gebeurtenissen zien. Dat hij doorkrijgt, wat de betekenis is dat Jezus is opgepakt, de zin van dit alles. Waarom moest dat gebeuren.
Maar ik denk dat de evangelist ook al vooruit wijst naar wat er gaat gebeuren, zo dadelijk als hij er mee geconfronteerd wordt dat hij er ook bij hoorde. Om te zien wat het einde is – Jezus had ook gesproken over het einde: wie volhardt tot het einde, die zal zalig worden. Het is alsof Petrus alle waarschuwingssignalen negeert (keer terug) en maar doorgaat, totdat  hij niet meer verder kan en alleen terug moet.

(2)   Herkenning
Nu wij zo als gemeente van Christus bij elkaar zijn, voor het aangezicht van de Here, komen wij in aanraking met iemand die zich van de Zoon van God afwendt, Christus de rug toekeert. De evangelist Mattheüs vertelt ons dit verhaal niet alleen om aan te geven hoe Petrus de mist in ging. Om een zwarte bladzijde uit het levensverhaal van Petrus te vertelen, in de trant van: elke volgeling van Jezus heeft wel een zwarte bladzijde. Soms kan het je als gelovige – gek  genoeg – ook wel eens bemoedigen, dat andere gelovigen uitgleden.
Want dan weet je dat er ook voor jezelf mogelijkheid is om weer terug te komen bij God. Dat is een les die wij er natuurlijk wel uit mogen halen.  Dat er een situatie kan ontstaan, waarin wij de Here Jezus verloochenen. Of verloochend hebben. Dat we dat misschien ook wel in ons leven hebben gemerkt, dat we Hem, onze Here en Heiland een keer verloochend hebben. Ik kan niet bepalen wat uw verhouding tot de Here Jezus is. Of u met Hem bent geweest of nog bent of dat u van uzelf moet zeggen: als het aan mij ligt… Als u uw eigen leven legt naast dat kruis van de Here Jezus…
Daar gaat het uiteindelijk om. Niet om Petrus. Niet hoe hij afhaakt en voor ons een les is, maar om dat kruis, dat hier door deze gebeurtenissen al heenschemert. De weg van het lijden, waar de Here Jezus voor kiest. Tegen de achtergrond van deze beide gebeurtenissen, wordt dat kruis nog wonderbaarlijker: dat de Here Jezus voor ons wilde sterven. Dat Hij die weg ging voor ons…
Net als Petrus kunt u vol goede moed begonnen zijn in de navolging. Ik ga Jezus volgen. Ik kies ervoor. Niets kan mij nog tegenhouden. Ik laat mij door niets afhouden. Bij Petrus ging het zo: Er komt een dienstmeisje naar hem toe: ‘Ú was er ook bij.’ Op dit moment is het geen eer om gerekend te worden tot die Jezus van Nazareth. Dat had Petrus toch kunnen weten dat de dat tegen hem zouden zeggen? Petrus krijgt niet meer de gelegenheid om te zien hoe het afloopt, wat de zin van deze gebeurtenissen is. Hij is alleen nog maar met zichzelf bezig. Om zijn eigen hachje te redden. Terwijl zijn Heer en heiland de weg naar de dood neemt en zo het leven aan Petrus kan geven, kiest Petrus voor zijn eigen leven. “Je weet niet wat je zegt. Ik weet niet waar je het over hebt.” Of hij zich er bewust van is of niet – Petrus zet hier een eerste stap bij Jezus vandaan. Een eenvoudig dienstmeisje dat naar hem toestapt, terwijl hij tussen de dienaren zit. ‘U hoort er toch ook bij.’ ‘Meid, ik weet niet waar je het over hebt.’ Petrus zegt het tegen de dienaren om hem heen. Je moet vooral niet denken dat ik er bij hoor. Bij die Jezus. Ík ben geen oproerkraaier. Ik ben alleen een onschuldige observeerder. Ik doe geen vlieg kwaad.’

Ik moest denken aan die keer tijdens de opleiding – ik zal het nooit vergeten – het was geen indrukwekkende gebeurtenis en toch ben ik het nooit vergeten, dat we als theologiestudenten bij elkaar zaten en dat de docent aan ons vroeg: welke bijbelse persoon lijkt het meeste op jou? Sommigen zeiden: David of Abraham. Mensen die vol geloof waren of zich geroepen wisten. Maar er waren ook een aantal die zich met Petrus identificeerden. Aan de ene kant dat vurige verlangen om voor de Here Jezus te gaan. Om er vol voor te gaan. Ik hoor bij Hem! En soms ook op momenten dat je je zo duidelijk losmaakt van de Here Jezus. Dat als mensen om je heen, collega’s of vrienden, tegen je zeggen: ‘Je hoort er toch ook bij. Je bent een van hen?’ dat je net als Petrus de neiging krijgt om te mompelen: ‘Nou ja…’

Is dat dan zo erg? Nu pas, nu ik de ontmoeting met deze verloochening zie ik pas de ernst hiervan, in de confrontatie. Want vanuit de andere evangeliën weten we hoe het afgelopen is. Dat het met Petrus goed is afgelopen. Dat er een moment is gekomen dat hij geroepen is als apostel er weer bij gehaald. En zo kan de dood van Jezus voor ons ook werken: Jezus is gestorven voor mijn zonden. Ik ben hem er dankbaar voor, maar dat het wel wat gewoon wordt, een vanzelfsprekendheid.
Maar wat als het verhaal van Petrus nu stopt? Als dit het einde is van Petrus? Het loopt hier af. Petrus zegt: ‘Ik ken deze mens niet.’ De Zoon des mensen die komt op de wolken van de hemel. Jezus van Nazareth: wat heb ik met u te doen?
Maar nog loopt hij het risico dat hij erbij gerekend wordt.  Dat zijn leven erbij inschiet. Alsof het nog niet genoeg is, dat hij de band met Jezus heeft doorgesneden. Hij gaat nog verder: ‘Ik ken die Jezus niet, maar als ik hem ken dan moge God mij doen…’ Hij haalt er God bij om Zijn Zoon te ontkennen.
Terwijl Jezus zich bekend maakt als de Zoon des mensen, als degene die komt met Zijn oordeel, heeft Petrus die veroordeling niet meer nodig. Hij heeft zichzelf veroordeeld.
God hoeft niet meer tegen hem te zeggen: ‘Ga weg van mij, ik heb je nooit gekend.’ Petrus is God voor. Petrus zegt dat zelf: ‘Ik heb hem nooit gekend.’ Hier houdt het voor Petrus op. Hij heeft Jezus helemaal buiten spel gezet.
Totdat de haan kraait: de haan die de nieuwe dag aankondigt. De nieuwe dag, de dag waarop de zonde overwonnen is, de schuld gedragen. De haan: bode van de nieuwe dag – hoop.
Voor Petrus is het een teken dat hij er niet meer bij hoort. Hij heeft zichzelf uit het boek des levens geschrapt. Nu hij de band met Jezus heeft doorgeknipt, kan hij ook niet meer naar Christus toe. Het gesprek met Jezus is gestopt. De band verbroken. Hij staat er alleen. Bitter bedroefd. Het enige wat hij nog kan doen: nog verder bij Jezus weg. Is er nog een weg terug? Mattheüs zwijgt erover. Als we alleen het evangelie van Mattheüs zouden hebben, zouden we niet weten hoe het afgelopen zou zijn.
Daarom moeten we ook niet te snel dat goede einde opzoeken. Waar huilt Petrus om? Tranen van berouw? Hij is overgeleverd. Aan die Jezus. Is dat nog een schuld die weg te doen is? Wat helpen nu nog de mooie woorden, die Jezus gesproken heeft. Over vergeving. Zijn die nog wel van toepassing op hem? Het leven van Petrus is een open einde. Waar moet hij het zoeken? Wie heeft voor hem nog woorden van leven? Van eeuwig leven? Wie kan voor hem nog de poort van het hemelrijk opendoen? De poort die hij zo hard heeft dichtgegooid? Welk recht heeft hij nog?
Er is nu geen reddende hand, die hem eruit kan trekken, omdat hij zichzelf verwijderd heeft. Petrus onttrekt zich aan Jezus en ook aan zijn vergeving. Een schuld die niet meer goed te maken is. Petrus kan het einde niet meer zien, omdat hij er zelf een einde aan heeft gemaakt.

Want tegen U, want tegen U alleen
Heb ik gezondigd, red mij van het kwade
In diep berouw belijd ik U mijn daden
Hoor naar de donkre stem van mijn geween.
Ik heb gedaan wat kwaad was in uw oog
Ja, ik erken, ik ben uw gunst niet waardig
Gij zetelt in gerechtigheid om hoog
Uw woord is waar, uw vonnis is rechtvaardig.Maar Petrus is zelfs dat verleerd. Zelfs die deur heeft hij dichtgegooid. Het is niet God die – zoals bij het offer van Kaïn – zijn gebed afwijst. Maar Petrus die niet meer naar God kan gaan.

Hier zou ik amen moeten zeggen. Dit is niet meer te repareren. Niet meer goed te maken. Dat is de werkelijkheid. Welke hoop heeft Petrus nog? Petrus heeft geen adres meer voor zijn schuld.
En wij als wij ons in Petrus herkennen. Als wij een schuld hebben naar God die niet meer goed te maken is. Bergen val op ons. Heuvelen bedek ons. Laat ons zo niet voor Gods aangezicht komen, want wij kunnen niet bestaan! Dit is het einde.
De film van Petrus, die tegelijkertijd met de film van Jezus’ terechtstelling getoond wordt, gaat op zwart. Het einde.

Er gaat er Eén verder. En daarom vertelt Mattheüs dit verhaal voor ons. Zodat wij die deur naar God niet dichtgooien. Het gebed niet verleren. Zal ons dat helpen?
Waar Petrus afhaakt, gaat Jezus verder. De Here Jezus gaat de weg die Petrus had moeten gaan. Na de ondergang van Petrus gaat Jezus onder. Nadat Petrus zich van de Zoon van God had afgewend, wordt de Zoon van God door God verlaten. Waar een gat valt in het leven van Petrus, een diep zwart gat, waar geen weg terug is, staat dat ene kruis. U weet toch waar u moet zijn? Jezus, die aan het kruis stierf – ook voor ons! Laat u met God verzoenen!Het enige wat wij kunnen doen, is hopen bidden smeken dat Jezus die weg ook voor ons is gegaan.
Maar neen, daar is vergeving – we kunnen dat zo gemakkelijk zingen. Maar is het ook waar? Ook voor ons? Als wij het niet meer in orde kunnen maken? Here, wij staan hier met lege handen. Als bedelaars. Wij kunnen U zo niet onder ogen komen. Wees mij, arme zondaar genadig. Wij zijn aangewezen op Uw genade. Wij hebben er geen recht op. Maar als U ons niet genadig bent, Heer… Laat ons niet verloren gaan.
Amends. M.J. Schuurman