Preek zondag 29 maart 2020

Preek zondag 29 maart 2020
Schriftlezing: Lukas 22:47-63

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Heel veel van wat we gewoon waren om te doen, kunnen we nu niet meer doen.
Geen school meer voor de kinderen en jongeren, maar thuis het huiswerk maken.
Elkaar niet meer ontmoeten, maar elkaar via de computer of de telefoon spreken.
Niet meer zomaar er even op uit gaan maar gaan wanneer je zo weinig mogelijk tegenkomt.
We zijn er al een paar weken mee bezig en je went er wellicht aan
en toch, hoe langer het ongewoon is, des te meer ga je wat vanzelfsprekend was missen.

Bepaalde zaken gaan ook weer door.
Vannacht is de klok een uur vooruit gegaan. We zijn aan de zomertijd begonnen.
En ook de tijd binnen de kerk gaat verder alsof er buiten in de wereld niets gebeurt.
Over twee weken is het Pasen. We zijn nu nog in de Lijdenstijd.
In deze tijd overdenken we als kerk de weg die Christus ging naar het kruis.
Het kan zijn dat u daar juist, door alle zorgen die er zijn,
alle verhalen over mensen die door het coronavirus ziek geworden zijn,
er nog meer bewust van bent van het lijden en sterven van onze Heere en Heiland.
Je kunt door het lijden dat je om je heen ziet des te meer gaan beseffen
hoeveel Christus voor ons heeft geleden.
Zoals ik iemand die ziek was heb horen zeggen: Nu ik ziek ben en deze pijn heb,
besef ik pas hoeveel Christus heeft moeten lijden.

Er is ook een heel andere reactie mogelijk:
Dat je hoofd er helemaal niet naar staat, met alle berichten over degenen die ziek zijn.
Of door al het geregel nu de kinderen thuis zijn, de zorg over je werk.

Zo gaan we verder de lijdenstijd in: over Judas die Jezus verraadt met een kus,
Jezus die meegenomen wordt en Petrus die Jezus op een afstand volgt.
Nu moeten wij nog meegenomen worden in deze geschiedenis.
Op welke manier gaat dit gebeuren in de hof van Getsemané
en het huis van de hogepriester ons toch aan en heeft het ons iets te zeggen?

Ik begin daarvoor bij de laatste woorden uit vers 53:
Maar dit is uw uur en de macht van de duisternis.
Dat is er wat er volgens Jezus gebeurt als Judas op Hem af komt
om Hem met dat gebaar dat bedoeld is om respect uit te drukken te verraden.
Dat is er speelt nu die groep gekomen is om Jezus te arresteren:
Uw uur en de macht van de duisternis.
Dat kan ook aan de hand zijn als Petrus zijn Meester volgt:
hun uur en de macht van de duisternis.

Judas daar aan het hoofd van die menigte,
Judas die voorop loopt om zijn Meester te begroeten
– dat is meer dan verraad, waar we ook niet te licht over mogen denken.
Er is in en door Judas heen een kracht aan het werk, die sterker is dan Judas
en die de strijd aangaat met God: de macht van de duisternis.
Hoe laag het verraad van Judas ook is, de leerling die al die tijd meeliep
en veel heeft gezien en gehoord heeft van zijn Meester,
hier is een kracht aan het werk die de macht van Judas te boven gaat: duisternis.
Dat is niet zomaar een uitdrukking, maar dat betekent dat God een stap terug lijkt te doen
en de boze, de macht van de duisternis de kans grijpt om een slag te slaan.
Uw uur en de macht van de duisternis – dat lijkt erop dat God zich terugtrekt in de hemel
en de aarde aan zijn lot over laat en ook Zijn handen aftrekt van Zijn Zoon.
En wat gebeurt er met Jezus, wat gebeurt er met Judas en Petrus
als God zich terug lijkt te trekken in de hemel en hen overgeeft in die macht?
En wat zou er met ons gebeuren als God zich nu zou terugtrekken
en ons achter zou laten in die macht van de duisternis?
Het kan zijn dat die gedachte in de afgelopen dagen door u heen gegaan is:
Is God er nog wel? Of heeft Hij zich teruggetrokken in de hemel en ons alleen gelaten?
Zo’n gedachte kan door je heen gaan als je heel wat meemaakt of om je heen ziet.
Je kunt zo’n gedachte van je af willen zetten.
De ene keer lukt dat wel, de andere keer lukt dat niet.

Deze macht, waar Jezus over spreekt, die het voor het zeggen lijkt te hebben,
als dat zo zou zijn, dan gebeurt er wat met ons en met ons geloof.
Dan komt onze band met Christus onder druk te staan en dan is de vraag:
Kan ons geloof dat aan? Is onze band sterk genoeg om zo’n crisis te overleven?

Kijk wat er met Judas gebeurt:
Als hij met die soldaten bij Jezus komt,
wordt hij er op verschillende manieren dat hij bij Jezus hoorde.
Zo wordt Judas ook nog genoemd: een van de twaalf.
Zou het niet door Judas heen gegaan zijn, toen hij daar met die groep in de tuin kwam:
Alles wat hij met Jezus meegemaakt heeft?
Wonderen heeft Judas gezien: blinden die gingen zien, kreupelen die konden lopen,
melaatsen die weer terug naar huis konden gaan, doven die weer gingen horen.
Doden die opgewekt werden, armen die het evangelie mochten horen.
Mocht Judas niet geweten hebben, wie Jezus was,
dan heeft hij het kunnen zien met zijn eigen ogen. Hij was erbij.
Wat heeft hij allemaal niet geleerd van zijn Meester?
Gelijkenissen die Jezus vertelde over het Koninkrijk van God,
waaruit naar voren kwam dat die Jezus die hij volgde, die zijn Meester was
dat Koninkrijk in eigen persoon zou brengen.
Zou dat niet door hem heen gegaan zijn?
Zou hij niet het appèl gevoeld hebben toen hij op Jezus afliep?
Of was zijn hart al te duister en te zeer in de greep van deze macht?

Wat ging er door hem heen toen hij op zijn Meester afliep om hem te begroeten
met een gebaar van gelijkwaardigheid: ik ben als u.
Zou hij dan niet het gevoeld hebben dat hij alsnog de kans had om terug te keren?
En toen Jezus zijn naam zei: Judas.
Zou hij daarin niet de stem gehoord hebben van de herder die zijn verloren schaap zocht?
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.
Zelfs als Judas het verraad van zijn meester camoufleert door zich als vriend voor te doen,
krijgt hij nog de kans om tot inkeer te komen.
Het is een verwijt – er zal teleurstelling in door geklonken hebben,
maar meer ook nog dat Judas niet weet waar hij mee bezig is:
Ja, wel dat hij bewust hiervoor gekozen heeft om Jezus te verraden aan de leiders
maar niet dat hij op deze manier de Zoon des mensen, de hemelse Rechter
overgeeft in de macht van de duisternis.
Judas, bij wie hoor jij? Judas, van wie ben jij er een? Kom je nog terug naar Mij?
Of blijf je vast zitten in de macht van de duisternis en sla je Mijn roepstem in de wind?
Er komt geen antwoord van Judas. Judas zwijgt, stopt de oren dicht voor de stem van Jezus
Hij wil niet meer terug naar Jezus.
Hij heeft eenmaal de oversteek gemaakt naar die andere groep.

Dat geldt niet alleen voor Judas, maar voor alle discipelen.
Ze zijn nu nog wel om Jezus heen, vertelt Lukas in vers 49,
Maar dit is het uur en de macht van de duisternis dat de leerlingen Jezus kwijtraken
en hun verbondenheid met Jezus opgeven.
Want al zijn ze met Jezus, nu nog om Hem heen, ze begrijpen de situatie verkeerd.
Ze zijn focust op de strijd met het zwaard. Ze willen Jezus verdedigen,
maar zien over het hoofd dat er om hen gevochten wordt, nu in het uur van de duisternis
en dat niet zij hun inzet voor Jezus moeten bewijzen, dat zij om Jezus blijven staan
en voor hem de strijd aangaan,
maar dat het er op aankomt dat Jezus voor hen strijdt en dat Jezus hen niet loslaat.
Dat is het cruciale als ons geloof onder enorme druk komt te staan,
een tijd waarin God een stap terug lijkt te doen en zich in de hemel terugtrekt
en de deur achter zich dicht lijkt te doen.

Lijkt een stap terug te doen, lijkt zich op te sluiten in de hemel.
Ja, het nu grijpt de boze de kans om Jezus een slag te slaan
en hij denkt dat hij God en Jezus een stap voor is
en dat hij de leerlingen weet te ziften als de tarwe.
Hij heeft ze al bijna in zijn net gevangen.
Judas heeft hij al, Judas geeft geen gehoor meer aan de stem van Jezus
die hem terugroept, Judas is al verloren.
Zo lijkt hier in dit uur de macht van de duisternis alomtegenwoordig te worden
en te winnen van Jezus en de discipelen van Jezus af te brengen.
En toch gaat Jezus’ macht verder en is Hij sterker dan de macht van de duisternis.
Al lijkt het er in eerste instantie niet op, lijkt het erop dat alle discipelen in die macht komen.
Het lijkt erop dat Jezus Petrus, de discipel die een rots zou moeten zijn voor de kerk,
ook kwijt zal raken en dat ook Petrus’ geloof niet sterk genoeg was.

Als Jezus wordt meegenomen naar het huis van de hogepriester,
volgt Petrus op een afstand. Daarin zit al de ambivalentie van Jezus.
Volgen is bij Lukas dat je juist dicht bij Jezus bent en Zijn weg gaat,
Terwijl afstand juist aangeeft dat je nog niet bij Jezus hoort.
Hoort Petrus nog wel bij Jezus, of hoort hij al niet meer bij Jezus?
Misschien weet hij dat zelf ook al niet meer.
Wil hij het leven met Jezus niet zomaar opgeven
en zoals hij beloofd heeft tot het uiterste gaan om voor Jezus te strijden.
Al zullen anderen U in de steek laten, ik niet.
Over de anderen maak ik mij geen illusies.
Als ik hen zo ken, dan zal hun geloof die ultieme proef niet kunnen doorstaan,
maar op mij kunt U bouwen. Ik zal voor u door het vuur gaan.
Wat Jezus daar op als antwoord had gezegd had Petrus niet willen horen.
We weten niet of hij vastberaden achter Jezus aangaat, of al aarzelend.
Ook weten we niet met welk doel Petrus achter Jezus aan gaat.
Ook dat kan de macht van de duisternis zijn, dat Petrus denkt
dat hij als volgeling van Jezus deze weg wel aankan,
maar niet ziet dat hij zich steeds meer van Jezus verwijdert,
omdat Jezus een weg gaat die hij niet kan gaan.

Daar zit hij bij het vuur, tussen degenen die bij de hogepriester in dienst zijn.
Dat lijkt heel dapper van Petrus, maar ook hij maakt de overstap net als Judas.
Hij is nu een van hen, hij zit midden tussen hen in,
zoals hij nog geen enkele uren geleden bij Jezus aan tafel lag
die bijzondere gemeenschap om Jezus heen bij het avondmaal.
Nu zit hij tussen dezelfde mensen die Judas heeft meegenomen naar Jezus toe.
Bij wie hoor jij, Petrus? Bij Jezus? Of geef jij je ook gewonnen aan die macht?
Daar in die duisternis valt het licht van het vuur over hem als persoon.
Wat wordt er over hem aan het licht gebracht? Wat wordt er onthuld?
Loyaliteit en trouw aan Jezus of … dezelfde keuze als Judas?
Al heeft Petrus Jezus op een afstand gevolgd, hij heeft niet genoeg afstand gehouden,
want hij wordt erkend als een van hen.
Al is er die aarzeling bij Petrus of hij nog wel bij Jezus hoort,
dat dienstmeisje zegt het zomaar tegen hem, terwijl hij bij het vuur zit:
Jij was bij Hem. Zonder dat ze het doorheeft herinnert ze Petrus aan die maaltijd,
Pascha, waar hij nog geen enkele uren geleden de bevrijding van Israël heeft gevierd.
Hij was bij Jezus. Toen nog wel.
Een buitenstaander die erop wijst: je was bij Jezus.
Jou had ik hier niet verwacht.
Het kan heel onschuldig bedoeld zijn van dat meisje.
En ach, zo’n uitspraak van zo’n jong meisje hoef je niet helemaal serieus te nemen.
Net als Judas hoort Petrus niet dat er een appèl gedaan wordt: Jij hoort bij Jezus.
Denk er aan wat voor tijd dit is, wat je Meester zo net nog heeft gezegd:
Hun uur, het uur van degenen tussen wie je je nu begeven hebt,
Je bent er nu een van hen aan het worden door je tussen hen te begeven.
Dit is niet zomaar een tijd, maar nu komt de macht van de duisternis.
Ben jij daar op voorbereid, Petrus?
Maar Petrus zegt: Je bedoelt die Jezus daar, die verhoord wordt?
Ik heb geen informatie over Hem. Ik zou niet weten wie Hij is.
Ik heb Hem niet meegemaakt en ook van horen zeggen weet ik niets van Hem.

Bij Jezus zijn, wil nog niet zeggen, dat je ook bij Jezus hoort.
De tweede die Petrus ziet, geeft dat wel aan: Jij bent er een van Hem.
Je bent niet zomaar een meeloper, of een toevallige voorbijganger.
Jij hebt je leven aan Jezus gegeven en je leven met Hem gedeeld.
Wat voor tijd hebben jullie niet samen afgelegd en wat hebben jullie niet samen gezien?
Die herinneringen komen nu niet uit. Petrus moet ze weg stoppen.
Het enige dat Petrus kan zeggen: Je hebt je vergist. Dat ben ik niet.
Nu is zijn ontkenning krachtiger: Ik heb niets met Jezus. Ik ben niet een van Hem.
Petrus ontkent dat er een relatie zou zijn, dat ze bij elkaar horen.
Dat is dus als je in de macht van de duisternis komt.
Als Petrus nog heen en weer geslingerd wordt, dan wordt het nu duidelijker.
Steeds meer en meer valt de keuze tegen Jezus uit.

Een uur de tijd heeft Petrus. Tijd om na te denken waar hij mee bezig is.
Het wordt al weer bijna ochtend, de duisternis houdt nog even aan,
maar zal weldra voorbij zijn.
In het Oude Testament komt de redding van God vaak bij het aanbreken van de morgen.
Na het donker het licht, Gods reddend licht. God die zelf komt.
Maar Petrus ziet dat niet. Hij hoort alleen maar iemand iets zeggen.
Dat hij op Jezus lijkt. Dat hij wel wat van Jezus weg heeft.
Dat hij aan Jezus doet denken. Geen wonder ook, je was bij Hem.
Een groot compliment zou je denken, waar je dankbaar voor zou moeten zijn.
Maar Petrus kan het niet aanhoren.
Hoe stelliger de band met Jezus wordt benadrukt, des te harder ontkent hij
dat Hij bij Jezus hoort: ik niet. Dat ben ik niet. Je vergist je. Je hebt het over de verkeerde.
En dan de haan. De haan kraait. Een nieuwe dag gaat beginnen, Gods hulp is op komst.
Het einde van de macht van de duisternis.
Maar Petrus hoort wat anders. Een stem die hij genegeerd heeft. Woorden die hij wegduwde
die nu bovenkomen, nu hij de haan hoort kraaien.

Nee, het is niet het gekraai van de haan, die hem aan die woorden doen denken.
Het is de blik van Jezus.
De blik van Jezus waar Lukas steeds zo over vertelt, hoe Jezus mensen ziet.
Ook nu valt de blik van Jezus op Petrus.
Wat zou Petrus in die ogen van Jezus gelezen hebben?
Verwijt? Teleurstelling? Boosheid? Afkeer?
Bij Petrus gebeurt er wel wat.
Hij hoort de haan kraaien en hij hoort de woorden van Jezus weer.
En beseft opeens wat hij heeft gedaan.

Het uur van hen, de macht van de duisternis. Jezus lijkt te verliezen,
want ook Petrus kan het niet aan om bij Jezus te horen.
Maar nee, waar Judas niet wilde horen en zijn oren toestopte,
wordt Petrus geraakt door de blik van Jezus.
Die blik brengt aan het licht het verkeerde van Petrus, zijn zonde.
Maar bij Petrus is het – anders dan bij Judas – heilzaam.
Jezus had nog iets gezegd: Petrus Ik heb voor je gebeden.
Dat gebed wordt waar, want door de blik van Jezus gaan de ogen van Petrus open.
Hij ziet wat hij heeft gedaan.

Dat is zijn redding – al moet hij wel diep buigen. Bitter berouw.
Hier houdt Jezus Petrus vast door Zijn blik. Hij laat PEtrus niet los.
Hij laat niet los wat Zijn hand begon.
Het is hun uur, zei Jezus, de macht van de duisternis.
Dat is maar één kant.
Want in heel de weg van Jezus naar Golgotha blijft het steeds Gods weg.
Al begrijpen wij die weg niet, boven de macht van de duisternis gaat Gods macht
en ook in het uur van die macht breekt Gods uur aan.
Een enkele blik reeds verbreekt die macht die over Petrus was gekomen.
Een oogopslag – en Petrus is gered.
Al heeft hij nog een lange weg te gaan om terug te komen.
In geen tijd is de macht van de duisternis sterker dan God.
Hoe donker ook de tijd is, in elke tijd kan het uur van God aanbreken.
Gods rechterhand is hoog verheven.
Het is de Psalm die aan de Paschamaaltijd werd gezongen over de redding door God.
Die redding gaat voor Petrus gelden, al moet hij die diepe weg van berouw gaan.
Ik zal niet sterven, al zift de vijand mij als de tarwe.
Ik zal leven.
Zo kunnen wij ook leven, door die ene blik van Jezus.
Die kan komen door een lied, een uitspraak, een tekst uit de bijbel, een preek.
Gods rechterhand houd door haar kracht – die kracht die in de blik van Jezus was
was die kracht van Gods rechterhand. Gods rechterhand houdt door haar kracht
Gods volk in stand.
Amen

 

Preek over Mattheüs 26:74-75

Preek over Mattheüs 26:74-75

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

74 Toen begon hij zich te vervloeken en te zweren: Ik ken de mens niet. 75 En terstond kraaide een haan. En Petrus herinnerde zich het woord, dat Jezus gesproken had: Eer de haan kraait, zult gij Mij driemaal verloochenen. En hij ging naar buiten en weende bitter.

(1)   Petrus’ verloochening
Een tragische gebeurtenis: Petrus die hier zijn Meester verloochent. Ook als het verhaal niet bekend is, kan bij het eerste aanhoren de spanning en de tragiek duidelijk zijn. Tragiek – niet alleen omdat we voelen de ernst van wat Petrus doet: dat hij zijn Meester verloochent, terwijl de Here Jezus bezig is met een proces en verhoord wordt. De evangelist brengt deze beide gebeurtenissen bewust in een spanning met elkaar. Zo valt nog meer op, dat Jezus de weg naar Golgotha ook echt alleen moet gaan. Zo valt ook op, dat Petrus die weg niet kán gaan. Jezus die terechtstaat, onschuldig, ook voor Zijn discipelen en hier één discipel die zich afwendt. Petrus verwijdert zich steeds meer van Jezus. Letterlijk en figuurlijk. Niet alleen doordat Petrus Jezus steeds meer en meer verloochent, distantieert hij zich van Zijn meester.  Ook in zijn gang. De gebeurtenis begint ermee hoe Petrus het paleis van de hogepriester binnenkomt, maar eindigt ermee, dat Petrus buiten is. Weg van Jezus. Aan zichzelf overgeleverd.

Het begon zo hoopvol. Petrus die Jezus navolgt. Een echte discipel die bereid is om Zijn meester te volgen. Zelfs tot in de dood. Had Jezus het niet tegen hem gezegd over het volgen, dat volgen van Jezus betekent een kruis dragen? Dat discipelzijn betekent: je leven verliezen aan Christus. Het kan zijn dat Petrus deze woorden nog in zijn achterhoofd heeft.Dat die woorden hem bewegen om Jezus te volgen – ook op dit punt. Je moet er wel lef voor hebben, wat Petrus doet. Want Petrus heeft tussen de leerlingen van Jezus gestaan op het moment dat Jezus werd opgepakt.  Hij had het dus kunnen zijn – Mattheüs vertelt niet wie het heeft gedaan – hij had het dus kunnen zijn die het oor van die dienaar had afgeslagen. Reken maar, dat die andere dienaren van de hogepriester nog wel een appeltje te schillen hadden met degene die hun collega zo had toegetakeld. Als ze hem te pakken kregen… Maar Petrus maakt zich niet druk om, lijkt het zo.
Hij gaat het paleis binnen en zet zich neer tussen de andere dienaren. Hij wil iets te weten komen. Hij wil erbij zijn. Het einde, dat wil hij zien. Dat kan twee betekenissen hebben: dat hij het doel van deze gebeurtenissen zien. Dat hij doorkrijgt, wat de betekenis is dat Jezus is opgepakt, de zin van dit alles. Waarom moest dat gebeuren.
Maar ik denk dat de evangelist ook al vooruit wijst naar wat er gaat gebeuren, zo dadelijk als hij er mee geconfronteerd wordt dat hij er ook bij hoorde. Om te zien wat het einde is – Jezus had ook gesproken over het einde: wie volhardt tot het einde, die zal zalig worden. Het is alsof Petrus alle waarschuwingssignalen negeert (keer terug) en maar doorgaat, totdat  hij niet meer verder kan en alleen terug moet.

(2)   Herkenning
Nu wij zo als gemeente van Christus bij elkaar zijn, voor het aangezicht van de Here, komen wij in aanraking met iemand die zich van de Zoon van God afwendt, Christus de rug toekeert. De evangelist Mattheüs vertelt ons dit verhaal niet alleen om aan te geven hoe Petrus de mist in ging. Om een zwarte bladzijde uit het levensverhaal van Petrus te vertelen, in de trant van: elke volgeling van Jezus heeft wel een zwarte bladzijde. Soms kan het je als gelovige – gek  genoeg – ook wel eens bemoedigen, dat andere gelovigen uitgleden.
Want dan weet je dat er ook voor jezelf mogelijkheid is om weer terug te komen bij God. Dat is een les die wij er natuurlijk wel uit mogen halen.  Dat er een situatie kan ontstaan, waarin wij de Here Jezus verloochenen. Of verloochend hebben. Dat we dat misschien ook wel in ons leven hebben gemerkt, dat we Hem, onze Here en Heiland een keer verloochend hebben. Ik kan niet bepalen wat uw verhouding tot de Here Jezus is. Of u met Hem bent geweest of nog bent of dat u van uzelf moet zeggen: als het aan mij ligt… Als u uw eigen leven legt naast dat kruis van de Here Jezus…
Daar gaat het uiteindelijk om. Niet om Petrus. Niet hoe hij afhaakt en voor ons een les is, maar om dat kruis, dat hier door deze gebeurtenissen al heenschemert. De weg van het lijden, waar de Here Jezus voor kiest. Tegen de achtergrond van deze beide gebeurtenissen, wordt dat kruis nog wonderbaarlijker: dat de Here Jezus voor ons wilde sterven. Dat Hij die weg ging voor ons…
Net als Petrus kunt u vol goede moed begonnen zijn in de navolging. Ik ga Jezus volgen. Ik kies ervoor. Niets kan mij nog tegenhouden. Ik laat mij door niets afhouden. Bij Petrus ging het zo: Er komt een dienstmeisje naar hem toe: ‘Ú was er ook bij.’ Op dit moment is het geen eer om gerekend te worden tot die Jezus van Nazareth. Dat had Petrus toch kunnen weten dat de dat tegen hem zouden zeggen? Petrus krijgt niet meer de gelegenheid om te zien hoe het afloopt, wat de zin van deze gebeurtenissen is. Hij is alleen nog maar met zichzelf bezig. Om zijn eigen hachje te redden. Terwijl zijn Heer en heiland de weg naar de dood neemt en zo het leven aan Petrus kan geven, kiest Petrus voor zijn eigen leven. “Je weet niet wat je zegt. Ik weet niet waar je het over hebt.” Of hij zich er bewust van is of niet – Petrus zet hier een eerste stap bij Jezus vandaan. Een eenvoudig dienstmeisje dat naar hem toestapt, terwijl hij tussen de dienaren zit. ‘U hoort er toch ook bij.’ ‘Meid, ik weet niet waar je het over hebt.’ Petrus zegt het tegen de dienaren om hem heen. Je moet vooral niet denken dat ik er bij hoor. Bij die Jezus. Ík ben geen oproerkraaier. Ik ben alleen een onschuldige observeerder. Ik doe geen vlieg kwaad.’

Ik moest denken aan die keer tijdens de opleiding – ik zal het nooit vergeten – het was geen indrukwekkende gebeurtenis en toch ben ik het nooit vergeten, dat we als theologiestudenten bij elkaar zaten en dat de docent aan ons vroeg: welke bijbelse persoon lijkt het meeste op jou? Sommigen zeiden: David of Abraham. Mensen die vol geloof waren of zich geroepen wisten. Maar er waren ook een aantal die zich met Petrus identificeerden. Aan de ene kant dat vurige verlangen om voor de Here Jezus te gaan. Om er vol voor te gaan. Ik hoor bij Hem! En soms ook op momenten dat je je zo duidelijk losmaakt van de Here Jezus. Dat als mensen om je heen, collega’s of vrienden, tegen je zeggen: ‘Je hoort er toch ook bij. Je bent een van hen?’ dat je net als Petrus de neiging krijgt om te mompelen: ‘Nou ja…’

Is dat dan zo erg? Nu pas, nu ik de ontmoeting met deze verloochening zie ik pas de ernst hiervan, in de confrontatie. Want vanuit de andere evangeliën weten we hoe het afgelopen is. Dat het met Petrus goed is afgelopen. Dat er een moment is gekomen dat hij geroepen is als apostel er weer bij gehaald. En zo kan de dood van Jezus voor ons ook werken: Jezus is gestorven voor mijn zonden. Ik ben hem er dankbaar voor, maar dat het wel wat gewoon wordt, een vanzelfsprekendheid.
Maar wat als het verhaal van Petrus nu stopt? Als dit het einde is van Petrus? Het loopt hier af. Petrus zegt: ‘Ik ken deze mens niet.’ De Zoon des mensen die komt op de wolken van de hemel. Jezus van Nazareth: wat heb ik met u te doen?
Maar nog loopt hij het risico dat hij erbij gerekend wordt.  Dat zijn leven erbij inschiet. Alsof het nog niet genoeg is, dat hij de band met Jezus heeft doorgesneden. Hij gaat nog verder: ‘Ik ken die Jezus niet, maar als ik hem ken dan moge God mij doen…’ Hij haalt er God bij om Zijn Zoon te ontkennen.
Terwijl Jezus zich bekend maakt als de Zoon des mensen, als degene die komt met Zijn oordeel, heeft Petrus die veroordeling niet meer nodig. Hij heeft zichzelf veroordeeld.
God hoeft niet meer tegen hem te zeggen: ‘Ga weg van mij, ik heb je nooit gekend.’ Petrus is God voor. Petrus zegt dat zelf: ‘Ik heb hem nooit gekend.’ Hier houdt het voor Petrus op. Hij heeft Jezus helemaal buiten spel gezet.
Totdat de haan kraait: de haan die de nieuwe dag aankondigt. De nieuwe dag, de dag waarop de zonde overwonnen is, de schuld gedragen. De haan: bode van de nieuwe dag – hoop.
Voor Petrus is het een teken dat hij er niet meer bij hoort. Hij heeft zichzelf uit het boek des levens geschrapt. Nu hij de band met Jezus heeft doorgeknipt, kan hij ook niet meer naar Christus toe. Het gesprek met Jezus is gestopt. De band verbroken. Hij staat er alleen. Bitter bedroefd. Het enige wat hij nog kan doen: nog verder bij Jezus weg. Is er nog een weg terug? Mattheüs zwijgt erover. Als we alleen het evangelie van Mattheüs zouden hebben, zouden we niet weten hoe het afgelopen zou zijn.
Daarom moeten we ook niet te snel dat goede einde opzoeken. Waar huilt Petrus om? Tranen van berouw? Hij is overgeleverd. Aan die Jezus. Is dat nog een schuld die weg te doen is? Wat helpen nu nog de mooie woorden, die Jezus gesproken heeft. Over vergeving. Zijn die nog wel van toepassing op hem? Het leven van Petrus is een open einde. Waar moet hij het zoeken? Wie heeft voor hem nog woorden van leven? Van eeuwig leven? Wie kan voor hem nog de poort van het hemelrijk opendoen? De poort die hij zo hard heeft dichtgegooid? Welk recht heeft hij nog?
Er is nu geen reddende hand, die hem eruit kan trekken, omdat hij zichzelf verwijderd heeft. Petrus onttrekt zich aan Jezus en ook aan zijn vergeving. Een schuld die niet meer goed te maken is. Petrus kan het einde niet meer zien, omdat hij er zelf een einde aan heeft gemaakt.

Want tegen U, want tegen U alleen
Heb ik gezondigd, red mij van het kwade
In diep berouw belijd ik U mijn daden
Hoor naar de donkre stem van mijn geween.
Ik heb gedaan wat kwaad was in uw oog
Ja, ik erken, ik ben uw gunst niet waardig
Gij zetelt in gerechtigheid om hoog
Uw woord is waar, uw vonnis is rechtvaardig.Maar Petrus is zelfs dat verleerd. Zelfs die deur heeft hij dichtgegooid. Het is niet God die – zoals bij het offer van Kaïn – zijn gebed afwijst. Maar Petrus die niet meer naar God kan gaan.

Hier zou ik amen moeten zeggen. Dit is niet meer te repareren. Niet meer goed te maken. Dat is de werkelijkheid. Welke hoop heeft Petrus nog? Petrus heeft geen adres meer voor zijn schuld.
En wij als wij ons in Petrus herkennen. Als wij een schuld hebben naar God die niet meer goed te maken is. Bergen val op ons. Heuvelen bedek ons. Laat ons zo niet voor Gods aangezicht komen, want wij kunnen niet bestaan! Dit is het einde.
De film van Petrus, die tegelijkertijd met de film van Jezus’ terechtstelling getoond wordt, gaat op zwart. Het einde.

Er gaat er Eén verder. En daarom vertelt Mattheüs dit verhaal voor ons. Zodat wij die deur naar God niet dichtgooien. Het gebed niet verleren. Zal ons dat helpen?
Waar Petrus afhaakt, gaat Jezus verder. De Here Jezus gaat de weg die Petrus had moeten gaan. Na de ondergang van Petrus gaat Jezus onder. Nadat Petrus zich van de Zoon van God had afgewend, wordt de Zoon van God door God verlaten. Waar een gat valt in het leven van Petrus, een diep zwart gat, waar geen weg terug is, staat dat ene kruis. U weet toch waar u moet zijn? Jezus, die aan het kruis stierf – ook voor ons! Laat u met God verzoenen!Het enige wat wij kunnen doen, is hopen bidden smeken dat Jezus die weg ook voor ons is gegaan.
Maar neen, daar is vergeving – we kunnen dat zo gemakkelijk zingen. Maar is het ook waar? Ook voor ons? Als wij het niet meer in orde kunnen maken? Here, wij staan hier met lege handen. Als bedelaars. Wij kunnen U zo niet onder ogen komen. Wees mij, arme zondaar genadig. Wij zijn aangewezen op Uw genade. Wij hebben er geen recht op. Maar als U ons niet genadig bent, Heer… Laat ons niet verloren gaan.
Amends. M.J. Schuurman

Verloochening van Petrus

Verloochening van Petrus (Mattheüs 26: 58, 69-75)

De verloochening van Petrus is bewust verbonden met het verhoor van Jezus voor het sanhedrin. Terwijl de evangelist vertelt hoe Jezus ondervraagd gaat worden, vertelt hij ook dat Petrus meegekomen is. De gelijktijdigheid van de beide gebeurtenissen (ondervraging van Jezus en verloochening door Petrus) is volgens de evangelist dus van belang.

In vers 58 wordt verteld hoe Petrus Jezus navolgt. Een woord dat discipelschap aangeeft. Probeert Petrus een echte discipel te zijn? Een discipel, die bereid is zijn leven te verliezen (vgl. Mattheüs 16:24-35)? Voelt hij nog steeds de roeping? Of klopt, wat Joachim Gnilka zegt: dit is geen echte navolging?

Met Jezus
Petrus gaat het paleis van de hogepriester binnen. Een waagstuk. In eerste instantie is Petrus dus bereid om het gevaar op te zoeken. Eén van degenen die met Jezus was had immers het oor van een dienaar van de hogepriester afgeslagen? Was het Petrus? Mattheüs vertelt niet wie het heeft gedaan.
De evangelist voert de spanning op: Petrus gaat tussen (meta) de knechten zitten. Slechts een moment geleden bevond hij zich tussen de volgelingen van Jezus. Was hij iemand die met (meta) Jezus was. Straks zal hij daarmee geconfronteerd worden: was jij ook niet iemand die met (meta) Jezus was? Die zich tussen zijn volgelingen bevond?

Het einde
Waarom gaat Petrus eigenlijk het paleis binnen? Om het einde (to telos) te zien.
Betekent dat, zoals de Naardense Bijbel vertaald: om te zien hoe het afloopt? ‘Telos’ heeft meerdere betekenissen: einde, maar ook doel. De vertaling van de Naardense Bijbel ziet over het hoofd, dat de evangelist teruggrijpt op een eerdere uitspraak van Jezus: wie volhardt tot het einde (telos, Mattheüs 10:22).
In de manier van vertellen wordt al vooruitgegrepen op de verloochening. Nogmaals: in eerste instantie wil Petrus Jezus navolgen en volharden tot het einde.

De Zoon des mensen
Dan gaat de blik weer naar Jezus toe. Hij wordt verhoord. De confrontatie tussen Jezus en de hogepriester zet de verloochening van Petrus nog meer op scherp. Jezus maakt zich bekend als de Zoon des mensen, die aan Gods rechterhand is gezeten en die komt met Zijn oordeel. Jezus had gezegd: wie de Zoon des mensen verloochent, diegene zal door de Zoon des mensen in het oordeel worden verloochend. Tegen degene die verloochent zal de Zoon des mensen zeggen: ‘Ik ken u niet. Ga weg van Mij!’
In de ogen van het sanhedrin wordt Jezus ontmaskerd als valse profeet. Zij hebben geen beschuldiging meer nodig. Ben Witherington ziet hier de scherpe ironie van in: Jezus wordt gezien als valse profeet, maar Zijn profetie over Petrus komt uit (zie vers 75).

Pilgrim’s regress
In het oordeel zal de Zoon des mensen degenen die Hem verloochenen van Zich verwijderen. Petrus doet dat hier uit zichzelf al. ‘Onze evangelist portretteert Petrus, terwijl hij bezig is met de pilgrim’s regress. Deze verwijdering is zowel fysiek als moreel,’ aldus Witherington. Petrus is namelijk het paleis uitgegaan, de tuin in. Steeds verder zal hij van Jezus verwijderd raken. Door zijn uitspraken, maar ook doordat hij echt bij Jezus weggaat.
In de tuin wordt Petrus aangesproken door een dienstmeisje. Dat meisje komt naar hem toe en zegt: ‘Ook ú was met (meta) hem, met die Jezus uit Galilea.’ Dit meisje ziet in Jezus geen messias, maar een politieke onruststoker. Iemand uit Galilea, die zich afkeert van de politiek in Jeruzalem, een oproerkraaier.
Waarom wordt Petrus herkend? Wordt hij gezien als degene die het oor van de dienaar van de hogepriester heeft afgehakt. Dan is hij in het hol van de leeuw. Tussen de vrienden en collega’s van die knecht.

Verloochening
Petrus distantieert zich. Nog niet vol overtuiging. Als Galileeër kan hij de uitspraak van dit meisje ook verkeerd hebben verstaan: ‘Ik weet niet wat je zegt.’ Om zich te redden, ontkent hij het niet alleen naar het meisje, maar tegenover (emprosthen) iedereen. Zonder zich er wellicht bewust van te zijn, refereert Petrus aan de verkondiging van Jezus. Jezus verzette zich tegen mensen die bepaald gedrag lieten zien om door anderen gezien te worden. Die mensen deden zulk gedrag niet tegenover God, maar tegenover (emprosthen) de mensen. Jezus heeft ook gesproken over het belijden van Zijn naam tegenover (emprosthen) de mensen (10:32).
Petrus afwijzing van Jezus is niet overtuigend. Het is eerder omgekeerd. Hij trekt de aandacht. Terwijl hij naar buiten gaat (dus verder van Jezus vandaan), komt er weer iemand op hem af en zegt tegen de aanwezigen: ‘Deze was met die Nazoreeër.’ De man gebruikt de messiaanse titel, waarmee sommigen Jezus aanduidden.
Zowel in de beschuldigingen als in de ontkenning van Petrus is er een climax. In de beschuldigingen wordt steeds meer de messianiteit van Jezus tot uitdrukking gebracht. Ondertussen distantieert Petrus zich steeds meer van Jezus.
Hij zegt het met een eed: ‘Ik ken die mens niet.’ Jezus wordt in het Evangelie van Mattheüs nergens anders als die mens aangesproken. Hij is niet zomaar een mens, maar de Zoon des mensen. Tegelijkertijd is het een zeer krachtige ontkenning. Ook de hemelse Vader kan zich op deze manier van mensen distantiëren: ‘Ik ken die mens niet!’ (25:12) Witherington zegt hierover: ‘Terwijl Petrus dus druk is met het ontkennen en aangeeft dat hij Jezus zelfs niet kènt, bevestigt Jezus zijn eigen identiteit. Het is iets verschrikkelijks voor Petrus om op deze manier te zweren bij God, terwijl hij aangeeft dat hij Gods Zoon niet kent.’
Petrus komt er niet vanaf. Deze keer is het zijn uitspraak, die hem verraadt. Als Petrus er niet van afkomt, plaatst hij zichzelf onder een vloek. Wat de inhoud van die vloek is wordt niet gezegd maar laat zich wel raden: ‘God moge mij doen … indien ik deze Jezus ken.’
Daarop kraait de haan. Petrus gaat nog verder weg. Hij heeft zelf de band met Jezus doorgesneden. Bitter bedroefd gaat hij naar buiten. Er is geen weg meer terug. Hoe moet dat in het oordeel? Hij zal tot de bokken worden gerekend en door de engelen worden verwijderd.

Open einde
Hier eindigt voor Petrus zijn verhaal. Zonder de Zoon des mensen. Toen Petrus door de golven zakte, riep hij tot Jezus en werd gered. Nu is er geen redden meer aan. Hij kan niet meer roepen tot Jezus. Hij is bitter bedroefd. Hij heeft geen adres meer, waar hij met zijn schuld heen kan. Hij is aan zichzelf overgelaten.
Is er nog een terugweg mogelijk? Het evangelie van Mattheüs vertelt het niet. In het Evangelie van Mattheüs heeft het verhaal van Petrus een open einde. Zijn verloochening staat onder de spanning, onder de ernst van het oordeel. Kan hij het oordeel nog ontlopen?

Dat Petrus weer is opgenomen, vertellen andere evangeliën. Hooguit kan de positieve uitspraak van Jezus over Petrus (Mt. 16) een indicatie zijn dat Petrus weer opgenomen is. Vanuit Mattheüs weten we daar niets over.
Petrus gaat niet zover als Judas, die er zelf een einde aan maakt.
Petrus is aangewezen op de gunst van de Zoon des mensen. Zal de Zoon des mensen nu Petrus ook verloochenen?

Plaatsvervanging
De enige aanknoping die we naar mijn idee hebben is dat het verhaal van Jezus wel verder gaat. Waar Petrus’ verhaal ten einde loopt, neemt Jezus het over. In plaats van Petrus sterft Jezus. Zo brengt Jezus de profetie tot vervulling: om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt was op Hem (…) de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op Hem doen aanlopen. (Jesaja 53: 5, 6)
Het Evangelie van Mattheüs vertelt dus de plaatsvervanging. De verzoening wordt niet geponeerd, maar geïllustreerd.
Het is dus waar, wat er over Jezus werd gezegd bij Zijn geboorte: dat Hij zijn volk zal redden van hun zonde (1:21). Waar de discipel ontkent met Jezus te zijn geweest en zegt niet tussen Jezus’ aanhangers te hebben verkeerd, brengt Jezus God weer temidden van Zijn volk.

Ds. M.J. Schuurman