Preek biddag 2019 avonddienst

Preek biddag 2019 avonddienst
Lukas 18:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We lezen twee verhalen van de Heere Jezus, waarin Hij aangeeft
dat bidden voor ons niet makkelijk is.
Het eerste verhaal dat onze Heere vertelt heeft een speciale groep mensen op het oog,
namelijk de mensen die gestopt zijn met bidden
en in het tweede verhaal komt een man voor, wel bidt,
maar dat met zo’n grote aarzeling doet, dat je proeft: komt mijn gebed wel in de hemel aan?
Bidden is niet makkelijk, dat is wat Jezus bij Zijn volgelingen tegenkomt.
Wat de overeenkomst is in de beide verhalen, is de stilte die volgt op het gebed.
Je spreekt je gebed uit naar God toe, je brengt bij Hem wat er in je hart leeft,

maar van de andere kant komt er geen reactie.
Je gaat ervan uit dat je gebed bij God in de hemel aankomt,
want je gelooft dat God je hoort als je bidt.
En er kunnen ook momenten zijn, dat je ervaart dat je gebed bij de Heere aankomt,
Dat je tijdens het bidden merkt dat je bij Hem bent, dat Hij heel dichtbij is.
Dan heb je geen stilte of dan is de stilte om je heen de manier waarop God tot je komt.
Of je ontdekt enige tijd later dat de Heere je gebed verhoord heeft.
Dat zijn tijden, waarin je verbaast opkijkt als iemand zegt dat bidden niet makkelijk is.
Jouw ervaring is op dat moment heel anders.
Onze Heere kent ons echter goed genoeg om te weten
dat zulke momenten waarop je in je gebed heel dicht bij Hem bent vaak maar tijdelijk zijn.
Wat Hij meer tegenkomt, is dat Zijn volgelingen worstelen met gebed.

Dat moet voor Hem zelf een vreemde ervaring zijn geweest,
dat het bidden voor Zijn volgelingen niet zo eenvoudig is geweest.
De evangelist Lukas, die ons deze twee verhalen van onze Heer aan ons vertelt,
laat steeds zien hoe de Heere Jezus zich afzondert om te bidden,
om het contact met Zijn Vader in de hemel te zoeken,
om Zijn leven in de hand van Zijn Vader te leggen.
Hij komt aan bij Zijn Vader: Niet Mijn wil, maar Uw wil geschiede.
Dan treft Hij bij Zijn leerlingen moeite met bidden aan en meer dan moeite:
want Hij merkt dat Zijn leerlingen vaak het bidden opgeven,
niet meer doen, omdat ze er geen verwachting meer van hebben.
Ze hebben het een aantal keer geprobeerd, maar het hielp niets.
In de stilte die volgde op hun gebed volgde niet de stem van God,
maar een irritante stem, die je het zwijgen zou willen opleggen,
omdat die stem het geloof en vertrouwen ondermijnde: Waar blijft God?
Het is de vraag van Psalm 42: Waar is dan je God?
En als je die vraag steeds hoort tijdens je gebed of in de stilte na je gebed
dan kan het op een gegeven moment je eigen vraag worden: Waar is mijn God dan?
Als die vraag sterker en sterker wordt, dan ga je je afvragen wat de zin van bidden nog is
en je gaat het nalaten. Je laat het erbij.
Bidden is noodzakelijk, zegt Jezus met dat eerste verhaal:
Noodzakelijk voor onszelf en ook voor God.
Niet dat God afhankelijk is van ons gebed en Hij niets meer doet als wij stoppen met bidden.
Op de een of andere manier is ons gebed een onderdeel van Gods plan met deze wereld.
Als wij stoppen met bidden, valt er een cruciale schakel van ons gebed weg.
Daarmee hoeft het werk van God niet stil te vallen.
Hij kan andere wegen vinden om Zijn werk hier in deze wereld ten uitvoer te brengen.
Ons gebed kan niet gemist worden en daarom kan de Heere Jezus het er niet bij laten
als wij het bidden opgeven.
Daarom vertelt Hij een verhaal, om ons zover te krijgen dat we het bidden weer oppakken
en dat als we het bidden weer hebben opgepakt vol blijven houden met bidden
en niet meer denken dat de stilte die op ons bidden volgt Zijn afwezigheid is,
maar dat de stilte die volgt op ons bidden de tijd aangeeft waarin God werkzaam is.

Het is een verhaal over een onverschillige rechter, die zich nergens van aantrekt.
Van God niet en van de mensen om zich heen niet.
Een onverschillige man, een koud hart.
Juist die onverschilligheid en zijn koude hart brengen hem veel.
Want als hij een beslissing neemt, dan weet hij dat er niemand komt,
die verhaal komt halen, want ze weten allemaal dat het geen zin heeft
om met hem in gesprek te gaan, om een klacht bij hem in te dienen.
Hij komt nooit op zijn standpunt terug.
Op een keer krijgt hij een zaak onder zijn hoede van een weduwvrouw.
Haar man is gestorven en ze is kwetsbaar in financieel en maatschappelijk opzicht.
Ze heeft niemand die in haar levensonderhoud voorziet en niemand die voor haar opkomt.
Ze staat er helemaal alleen voor.
Wellicht heeft de zaak ook met het geld of het land van haar man te maken
en is dat van haar afgenomen.
Misschien hebben ze haar zoon weggehaald en staat ze nu helemaal alleen op de wereld.
In ieder geval is ze oneerlijk behandeld en is ze gedupeerd.
Ze kaart het bij deze rechter aan, maar de rechter heeft geen zin om haar gelijk te geven.
Hij denkt er mooi vanaf te zijn.
Hij heeft immers een reputatie opgebouwd een hardvochtig en onbuigzaam man te zijn.
Iemand die nooit toegeeft, nooit een knieval maakt, nooit zijn fouten erkent.
Maar dan kent hij deze vrouw nog niet.
Bij elke rechtszaak is ze aanwezig.
En bij elke rechtszaak gilt ze boven alle andere aanwezigen uit,
zodat hij ‘s nachts over haar gaat dromen en elke keer als hij een rechtszaak heeft
en het publiek nadrukkelijk aanwezig is en instemming of afkeur laat horen
hoort hij boven al het andere geschreeuw nog haar stem.
Voordat hij aan een rechtszaak begint, staat ze hem op te wachten.
Ze volgt hem als hij klaar is met zijn rechtszaak.
Hoe meer hij wil negeren, hoe luidruchtiger en aanweziger zij is.
Hoe meer hij haar uit de weg wil gaan, hoe meer ze zich aan hem opdringt.
Hoe meer hij haar van zich af wil duwen, hoe agressiever ze wordt.
Hij merkt dat hij, die voor niemand, zelfs voor God niet bang is, bang wordt voor haar.
Hij is bang geworden voor haar emotie, haar boosheid, die zich steeds agressiever toont,
boosheid die voortkomt uit de grove schending van haar recht.
De vrouw vliegt hem nog een keer aan en zal hem helemaal in elkaar slaan.
En hij merkt dat hij zijn reputatie begint kwijt te raken,
zijn reputatie als hardvochtige man, die zich nergens druk om maakt,
omdat de omstanders zien dat hij niet opgewassen is tegen deze vrouw.
Er komen barsten in zijn reputatie en hij merkt dat de mensen hem minder serieus nemen
En niet meer zo bang zijn als eerst voor hem
en dat de manier hoe hij met deze vrouw omgaat zich tegen hem gaat keren.
Hij kan haar beter gelijk geven en of ze gelijk heeft dat maakt niet uit.
Alleen dan is hij van haar af.

Als zo’n man al overstag gaat, die zijn hele bestaan baseerde op onverschilligheid,
niet luisteren naar de werkelijke nood.
Als zo’n man al gaat luisteren en gaat helpen,
dan moet de hemelse Vader dat toch helemaal doen?
Want onze hemelse Vader is totaal anders – radicaal anders, helemaal het tegenovergesteld:
Onze hemelse Vader is niet hardvochtig en onverschillig.
Hij stopt Zijn oren niet voor ons roepen en loopt niet weg als we voor Hem verschijnen.
Hij slaat de deur niet met een klap dicht als we aankloppen.
Dit is Gods karakter, zo is God ten diepste, dat Hij geen bidder laat staan.

Maar waarom dan ophouden met bidden?
Omdat we niet zien dat God iets voor ons doet.
Omdat we niet merken dat God ons hoort en verhoort.
Je bidt voor de christenen in Noord-Korea en je blijft alleen maar verhalen horen
hoe moeilijk het is om christen te zijn
en al jaren staat dit land op nummer 1 van de ranglijst van christenvervolging.
Je bidt voor Noord-Korea, maar het blijft stil na je gebed
En na een tijd begin je die stem te horen: Waar is je God?
Je bidt al jaren voor vrede in Jemen, de burgeroorlog begon al 4 jaar geleden
en al enkele jaren geleden was de situatie voor de mensen daar echt schrijnend
En de oorlog gaat maar door, zonder aandacht voor de mensen daar.
De beelden van uitgehongerde kinderen en volwassenen blijven maar komen.
Je bidt dat er vrede mag komen, de wapens zullen zwijgen, de mensen worden geholpen
en je bidt en je bidt en het blijft stil, op die stem na die je hoort: Waarom?
Waarom doet God er niets aan?
Is dat zo? Doet God er niets aan?
We geloven toch dat Hij eens terugkomt om te oordelen de levenden en de doden?
Als Jezus ons opdraagt om niet te stoppen met bidden,
bedoelt Hij hier allereerst het bidden dat Gods koninkrijk komt,
de Zoon des mensen die komen zal om met spoed recht te verschaffen,
Zegt Jezus na het eerste verhaal.
Doet God niets? Vandaag kwam ik een bericht tegen over Jemen:
Daarin stond dat christenen in Jemen het niet makkelijk hebben
en dat er toch, desondanks, in die moeilijke jaren moslims hun geloof vaarwel zeggen
omdat ze Jezus hebben leren kennen.
De schatting is 5.000-10.000.
Ze kunnen niet bij elkaar komen als gemeente, maar hebben via social media contact.
Doet God niets? Waar is dan je God?
En dat er nog steeds christenen zijn in Noord-Korea en dat ze het volhouden in de kampen:
Doet God niets? Waar God is?
Alleen daarom al is ons gebed nodig, om hen niet in de steek te laten.
Wij voor wie het bidden niet makkelijk is, omdat we de stilte van God ervaren
als een beklemming, als afwezigheid, als God die deze wereld heeft losgelaten.
Als dat zo zou zijn, dan horen we als christenen niet het bidden op te geven, zegt Jezus,
maar dan moeten we met elkaar naar God gaan, om te roepen, net als die weduwe
roepen en roepen en roepen, God steeds voor de voeten lopen, op het oneerbiedige af.
Het is niet oneerbiedig – het is God aan Zijn woord houden: U hebt het beloofd.

Er is nog een reden, waarom bidden niet eenvoudig is.
Dat is het tweede verhaal.
Dat gaat over een andere stem die je tijdens of na je gebed kunt horen
En als je die stem vaak hoort, kun je ook je gebed opgeven, stoppen met bidden.
Het is een stem, waardoor je op afstand blijft staan,
omdat de stem tegen je zegt: Dit mag je niet doen. Je mag hier niet komen.
Je kunt de stem niet onderscheiden: Is het de duivel, die je tegenhoudt om te komen
of is het God zelf, die je wil laten weten wat er mis is in je leven.
Is het bidden wat die tollenaar doet?
Eerder een soort mompelen, als iemand die zijn excuus moet aanbieden
omdat hij iets verkeerd heeft gedaan maar de ander niet recht in het gezicht durft te kijken.
Hij kijkt bij God weg.
Hij is hier wel, maar blijft zover mogelijk op een afstand staan.
Wel een soort verlangen om te komen, maar tegelijkertijd een drempel.
Toen hij nog thuis was en nog niet zo dicht bij God, dacht hij dat hij wel kon gaan,
als de verloren zoon, die wist dat het bij de vader beter was dan in dat verre land.
Hij trekt de stoute schoenen aan, maar hoe dichter hij bij God komt,
Hoe meer schroom, hoe meer besef dat hij er zoveel aan verkeerd heeft gedaan.
Wat hij wilde bidden, lukt niet meer, alleen maar een verzuchting:
Als ik straks voor Uw troon kom te staan, heilige God, dan kan ik daar niet staan.
Ik kan niet voor U verschijnen, omdat U mij wel moet veroordelen, voor eeuwig verloren.
Ik kan alleen maar bidden: Heer, doe het niet.
Laat er genade voor mij zijn.
Hij zal de volgende keer, als hij weer het verlangen in zich voelt om naar God te gaan,
tegen zichzelf zeggen: ga maar niet, daar hoor je niet.
Hij zal thuisblijven en zich schamen dat hij toen wel ging.
Hoe kon ik dat in mijn hoofd halen?
Bijzonder dat juist de tollenaar als hij in de tempel komt, tot een ander inzicht komt,
een appèl doet op Gods barmhartigheid: Heer, hier ben ik.
Ik weet zelf eigenlijk niet wat ik hier doe. Ik ben hier zomaar verzeild geraakt.
Ik leg mijn leven in Uw hand, wat U beslist is goed.
Maar, Heer, stuur mij niet weg, ondanks mijn zonden.
Opvallend trouwens in deze gelijkenis: de man die wel kan bidden,
omdat hij weet wat bidden is – althans dat denkt hij – hij blijft dezelfde, onveranderd.
De man die niet bidden kan, wordt veranderd.
Beiden komen ze in de eredienst: de een blijft dezelfde, komt onaangedaan thuis
de ander komt, haast tot zijn eigen verrassing, verdwaald in de tempel,
zoals je dat wel kunt hebben: je zit opeens in de kerk, opeens lees je in de Bijbel, bid je.
Voor beiden komt de stilte na hun gebed.
De man die weet hoe het geloof werkt, die zich daaraan overgeeft
hoort in de stilte een schouderklopje van God: Goed gedaan, mijn zoon.
De man die komt met zijn schuld, durft niet te horen wat het antwoord van God is.
Hij zou er niet raar van opkijken als God tegen hem uitvaart en zegt: Ga weg jij, zondaar!
Ze hebben geen van beiden gelijk.
Bidden is niet jezelf etaleren voor God, niet jezelf verheffen boven een ander.
Bidden is ook niet de schuld die op je leven ligt nog eens bevestigd horen door God.

Nee, bidden is niet makkelijk. Je zit gauw mis en je geeft gauw op.
Maar het is Jezus zelf, die onze moeite met bidden aankaart,
zodat we er ook vanaf komen en vandaag en morgen en heel ons leven kunnen bidden.
Amen

Preek zondagavond 29 mei 2016

Preek zondagavond 29 mei 2016
Psalm 51

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Ik kan het niet meer goedmaken!’
Dat is wat er door David heengaat, als de profeet Nathan gekomen is.
‘Ik kan niet meer herstellen
wat ik kapotgemaakt heb.’
David weet het: Ik kan de schuld niet op een ander schuiven.
Ik ben hier verantwoordelijk voor.
Dat had hij niet direct door.
Dat besef kwam pas, nadat Nathan bij hem gekomen was
om hem aan te spreken wat hij, David, met Batseba, had gedaan.
Tot die tijd had hij zijn geweten kunnen sussen:
Ach, het is niet zo erg wat ik doe. Het moet kunnen.
Het is wel een daad met gevolgen,
maar dan voor anderen:
voor Uria, die het met de dood moest bekopen,
voor Batseba, die haar man verloren heeft en nu opgenomen wordt
in het paleis als een van de vrouwen van David.
David is er alleen maar op vooruitgegaan met Batseba als vrouw.

Totdat Nathan komt.
Er is een verband tussen wat David heeft gedaan en de komst van Nathan.
Nathan komt tot David, zoals David tot Batseba gekomen is.
Nathan die komt om te laten zien wat hij, David, gedaan heeft
en welke gevolgen zijn daad heeft.
Nathan – zijn naam betekent geschenk
Is Nathan voor David een geschenk.
Ik weet niet of David dat zo voelde toen Nathan hem de ogen opende
voor wat hij gedaan heeft, voor de gevolgen van zijn daden.
Dat wat hij gedaan heeft ook te maken heeft
met hemzelf en met zijn band met God.
Nathan brengt David voor Gods aangezicht.
Heeft David dat als geschenk beschouwd?

Misschien niet direct, maar later wel.
Het is een vriend die laat zien waar ik fout zit.
Nathan, die door God gestuurd wordt, om David de ogen te openen
voor wat Hij gedaan heeft, inzicht te geven.

David krijgt ook het inzicht in wat hij heeft gedaan.
Maar dan.
Als je werkelijk door hebt wat je hebt gedaan…
In de Psalmen kijken we de gelovige in het hart.
Hier kijken we bij David in een hart, dat beseft
Ik heb een ernstige fout gemaakt
en die fout kan ik niet meer herstellen.
Niet zomaar een fout, maar een ernstig vergrijp
naar Batseba en ook naar God toe.
Wat moet je doen, als je weet dat je niet verder kunt
omdat je het hebt verknald?
Als God op je weg gekomen is
en tegen je zegt: Het zit goed mis in jouw leven.
Met wat je gedaan hebt, kun je niet verder.
Aan de psalm te zien is het niet alleen iets dat David overkomen is,
maar wordt dat herkend door vele gelovigen.
Want deze psalm is opgenomen in het boek van de gebeden en de liederen van Israël,
een privégebed dat een gebed wordt voor veel anderen,
een gebed dat de woorden geeft,
om toch voor God te kunnen komen
terwijl dat eigenlijk niet kan.

Wat David doet, is zijn koninklijke mantel afdoen, zijn kroon van zijn hoofd,
hij stapt de troon af en trekt oude, gescheurde kleren aan
en op blote voeten, als een zwerver,
die van zichzelf geen enkele waardigheid meer heeft,
geen status waarop hij zich kan beroepen –
zo komt hij voor God.
Wees mij genadig, o God.
Hier komt iemand, die niet voor God mag verschijnen,
geen enkel recht meer heeft, hij heeft het zelf vergooid
en door God is aangeklaagd om wat hij heeft gedaan
en toch de stap naar God waagt.
Waagt – gewaagd is het, wat David hier doet.
Heel zijn lot hangt af van God,
die al heeft laten weten dat Hij de afkeurt wat David heeft gedaan.
Mooie woorden helpen niet.
Alles hangt af van hoe God zal beslissen.
Mijn toekomst ligt in uw handen, ik heb niets meer,

ondanks mijn koninklijke titel, mijn macht,
dat is niets meer, als U, Heere, niet Uw genade aan mij betoont.
Genade is hier: mijn lot ligt helemaal in Uw handen
en wat U besluit, het is goed.

Maar David waagt hier iets geweldigs.
Hij zegt niet: Wat U doet is goed.
Hij legt zich niet neer bij elke beslissing,
David klampt zich aan God vast voor die ene beslissing
die hij juist niet van God mag verwachten.
Door zijn zonde heeft hij al de orde van God overhoop gegooid
en nu komt hij weer opnieuw om de orde van God overhoop te gooien,
de orde die bepaalt dat een zondaar zijn straf niet kan ontlopen,
omdat een daad zoveel ingrijpende gevolgen heeft voor God en medemens.
Het is een aan brutaliteit grenzende noodsprong,
die David alleen maar durft te doen, omdat hij God kent.
Gods karakter, Gods wezen, God zoals Hij ten diepste is.
Een beroep op Gods hart: Heere, laat mijn ellende, zoals ik nu ben,
U diep in het hart raken.
Zie mij zoals ik nu ben.
Als ik zo blijf dan ik niet verder met mijn leven.
Als mijn ellende, als mijn zonde U raakt tot diep in Uw hart,
doe er dan iets aan.
Wat U alleen kunt.

David vraagt niet alleen om de zonden te vergeven.
Dat zou al te goedkoop zijn.
Hij vraagt om meer:
David vraagt of God de daden teniet wil doen,
zoals een beeldhakker, die de verkeerde woorden heeft uitgehakt
alles weg hakt, zodat er niets meer te vinden is.
Wis mijn daden uit.
Ik heb het geprobeerd om ze uit te wissen.
Ik kon ze naar mijn medemens wellicht verdoezelen, maar naar U toe niet.
Voor U is niets verborgen
en U bent de enige die er nu nog wat aan kan doen.

Maar David vraagt om meer.
Want het uitscheuren van de zwarte bladzijde is nog niet genoeg.
Dan zou mijn kwade daad alleen maar een incident zijn,
iets dat eenmalig gebeurd is.
Nee, wat ik verkeerd gedaan heb,
dat heeft zich in mijn karakter genesteld
en dat is nu naar buiten gekomen, maar dat heeft er altijd gezeten
en dat kan er zo weer naar buiten komen.
Het kwade in mij, dat moet moet niet oppervlakkig van mij verwijderd worden,
maar door een diepingrijpende reiniging,
die mij tot in mijn kern, in mijn hart, in mijn karakter, in mijn wezen, reinigt en nieuw maakt.
Een uiterlijke handeling, die mij van buiten reinigt,
dat is niet voldoende.

Er moet iets met mij gebeuren,
dat meer is dan alleen maar het rechtzetten en het ongedaan maken van mijn fouten.
God moet wat met mij doen, in mij,
in mijn hart en in mijn gedachten,
zodat ik een nieuw mens doe, gereinigd en bevrijd van het kwade
dat zich in mij huist en met mij is vergroeid.
In plaats van oordeel, van straf, die verdiend is,
een nieuw mens te worden, die God met het hart zoekt, oprecht
en God kent, niet alleen wanneer ik er mee geconfronteerd wordt,
maar altijd en elke dag.
Het gebed om de Heilige Geest, die van binnen in mij werkt
en mij helpt in de strijd tegen de zonde
en mij beschermt, zodat de zonde geen ingang meer in mij heeft.
David vraagt hier om opnieuw geschapen te worden,
om opnieuw geboren te mogen worden,
een nieuw mens, bevrijd en gereinigd.
God confronteert ons met onze zonde
uit een daad van barmhartigheid,
niet om ons te vernietigen, maar om ons te vernieuwen,
helemaal nieuw.
Deze confrontatie is er ook bij de doop:
de doop laat ons zien, dat we van binnen niet rein zijn
en dat wij onszelf niet schoon kunnen wassen;
alleen God.

Naast al het besef van schuld, groeit het geloof en  de hoop
dat God het ook zal doen en zal luisteren naar dit gebed.
Want David bidt of alle zonden weggewassen mag worden
en of hij witter dan sneeuw mag worden.
De innerlijke reiniging straalt naar buiten toe uit.
Niet meer de boetekleren die David draagt om God op andere gedachten te brengen,
maar kleren zoals de priesters dragen,
hagelwit zoals de engelen zijn.
Wanneer u dat doet, ben ik voor U bruikbaar,
een getuigenis, zal ik over U vertellen.

Doe mij niet weg van voor Uw aangezicht.
Het gebed blijft steeds terugkeren.
Omdat David ook voelt, dat Hij zo niet verder kan.
Niet zonder God.
Om God niet kwijt te raken, klampt hij zich vast aan God.
Als God niet met hem verder wil,
dan doet hij er alles aan om vanaf nu niet verder meer te gaan zonder God.

Wat zal God doen?
De laatste tijd houd ik mij bezig met een theorie over preken die aangeeft:
Je moet vooral oog hebben voor wat God doet.
Voor wat er gesproken wordt over God in de tekst,
of hoe God spreekt in de tekst of door de tekst.
Maar krijgen we daar iets van te zien?
Deze psalm is een lang pleidooi voor Gods aangezicht.
Hartstochtelijk, een beroep op God, een schreeuw: red mij,
want ik zink weg, door mijn eigen fout
en doordat ik voel dat U mij ook kunt loslaten
en ik zonder U verder moet, weg van voor Uw aangezicht,
niet meer dat intieme contact.
Wat zou God doen?
Moeten we het hebben van de opname in het psalmboek,
dit gebed van de enkeling,
waarin velen zich herkend hebben en daarom als een antwoord van God ervaren is?

Hoe weten we nu dat God genadig is
en de smeekbede van David gehoor geeft
en de zonde van David inderdaad wegwast.
En hoe weten we dat God op ons gebed om vergeving onze zonden wegkrast
en ongedaan maakt, zodat ze niet meer zichtbaar zijn,
dat ze niet meer een last zijn die ons hart bezwaard
en dat de gevolgen weggenomen zijn?
Hoe weet David dat God barmhartig is?
Hoe kunnen wij weten dat God barmhartig is?

Omdat God zichzelf zo bekend maakt.
Als het volk voor de Sinaï staat, op weg vanuit Egypte naar Kanaän,
en Mozes op de berg is, maakt het volk een eigen god:
een gouden kalf, dat ze tot hun eigen god maken:
Dit is de god die ons heeft bevrijd.
Daarna weigert de Heere met het volk verder te gaan.
Dat kan Hij ook niet.
Zijn heiligheid zou het volk onderweg verteren.
Dan komt de smeekbede van Mozes, die de Heere God
op andere gedachten brengt en de Heere luistert.
Hij gaat opnieuw mee.
De Heere verschijnt dan opnieuw aan Mozes
en maakt dan bekend wie Hij is:
HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig,
geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw

Die goedertierenheid blijft bewijzen aan duizenden,
Die ongerechtigheid, overtreding en zonde vergeeft
David klampt zich aan deze barmhartigheid vast
en doet een beroep op deze genade van God.
Zo is God.

Maar er volgt nog iets als God zichzelf openbaart aan Mozes:
de schuldige gaat niet vrijuit; hij ontloopt zijn straf niet.
Ik zoek hem op; ik bezoek hem.
Dat is ook wat David heeft ervaren.
Niet alleen toen Nathan kwam,
maar ook door wat erna gebeurde:
een geestelijke crisis die meer is dan iets dat van binnen werd gevoeld.
Zelfs tot in het lichaam:
Mijn beenderen heeft u verbrijzeld.
Een korte zin, waarin David aangeeft,
dat wat hem overkomt, wat hem treft
niet zomaar is, maar dat het van God komt.
Maar dat betekent dat in het oordeel dat hem treft
zijn leven ook nog in Gods hand is
en God hem niet heeft losgelaten,
maar heeft opgezocht
en de straf die hij draagt en die van God komt
niet een teken is dat God hem heeft weggedaan
– God kan dat wel doen –
maar dat God hem toch nog vasthoudt,
zelfs op het allerdiepste moment van zijn bestaan,
toen hij God losgelaten heeft, liet God hem niet los.
Als God hem niet heeft losgelaten, zelfs niet in het oordeel,
is dat Gods genade en de hoop op een nieuwe toekomst,
door God zelf gegeven,
waarin de zonden zijn weggewassen, uitgebannen, vergeven
en hij, David een nieuw mens mag worden.

In deze psalm komt de naam van Christus niet voor.
In die zin brengt Christus niets nieuws,
want ook het Oude Testament laat zien dat God genadig kan zijn.
Wat het bijzondere aan Christus is,
is dat Hij in Zijn komst, door te komen, Gods genade komt laten zien.
Hij belichaamt Gods genade, is Gods genade.
Christus is God zelf – in de Zoon – die de plaats van David overneemt,
de schuld op zich neemt

Hij werd gebonden, opdat Hij ons zou ontbinden.
Daarna heeft Hij onnoemelijk veel smaad gedragen,
opdat wij bij God nooit meer te schande zouden worden.
Hij is onschuldig ter dood veroordeeld,
opdat wij in Gods gericht zouden worden vrijgesproken.
Hij heeft zelfs Zijn gezegend lichaam aan het kruis laten nagelen,
opdat Hij het handschrift van onze zonden daaraan zou hechten.
Zo heeft Hij onze vloek op Zich geladen, opdat Hij ons met Zijn zegen zou vervullen.

Daarom is het mogelijk
– door God, door het werk van Christus –
om God aan te klampen voor Zijn genade.
Wees mij genadig, God.
Amen


Herwaardering van de schuldbelijdenis

Herwaardering van de schuldbelijdenis

Verdwijnen van de schuldbelijdenis (biecht)
Volgens Gestrich heeft het verdwijnen van de biecht met bepaalde ontwikkelingen te maken. Het Piëtisme (een Duitse stroming in de kerk in de 17e eeuw) wilde af van de verplichting. Een waarachtig geloof heeft geen verplichtingen nodig en weet van uit zichzelf wanneer een schuldbelijdenis nodig is.
Daarnaast zijn mensen vandaag de dag niet meer gewend om de schuld van iets voor zichzelf te accepteren. Ze zullen eerder anderen of bepaalde instituties de schuld geven.
In de Middeleeuwen was biechten gewoon. De reden voor de biecht was de angst voor straf in het leven na de dood. Vandaag de dag gelooft men niet meer in een straf in het hiernamaals (bijvoorbeeld de hel). De angst hiervoor is dus verdwenen en daarmee ook de noodzaak tot beiechten.

In 1993 voerde de Duitse dogmaticus een pleidooi voor ‘een vernieuwing van de evangelische cultuur van omgaan met schuld’. Omdat naar mijn idee dit pleidooi niets aan actualiteit heeft verloren, hierbij een samenvatting. Ik las dit artikel overigens ter voorbereiding op een preek over de verloochening van Petrus.

De achtergrond van de schuldbelijdenis
De schuldbelijdenis is niet zomaar ontstaan. In Mattheüs 16 wordt aan de kerk de sleutels van het hemelrijk gegeven. De kerk mag de zonden vergeven.
Volgens Dietrich Bonhoeffer, die voorstander was van de schuldbelijdenis, is de schuldbelijdenis verbonden aan wat de kerk in wezen is. Een gemeenschap op basis van de verzoening in Christus. Wanneer de Gekruisigde ons aanspreekt, zal de behoefte er zijn om de eigen schuld te belijden.
De schuldbelijdenis wordt niet gepraktiseerd om verlost te raken van de schuld. Eerder is het omgekeerd: omdat we horen over de vergeving in Christus, kunnen we komen tot een schuldbelijdenis.
Schuldbelijdenis is er niet om een genadig God te vinden, maar omdat we God ontdekken als de genadige God kunnen we onze schuld belijden. Vergeving is geen resultaat van de schuldbelijdenis, maar een veronderstelling.
De schuldbelijdenis gebeurt dan ook niet uit angst voor God of uit angst voor straf. Nee, de schuldbelijdenis vindt plaats vanuit de ontdekken dat God barmhartig en genadig is (Psalm 103). De schuldbelijdenis is niet bedoeld om ons verder te laten wegzinken in onze schuld, maar om gewezen te worden op het kruis van Christus.

De schuldbelijdenis in de kerkdienst
Predikanten denken over de schuldbelijdenis vaak na in het kader van de eredienst. Volgens Gestrich gaat het daarbij om 3 vragen:
(1) Op welke plaats in de eredienst komt de schuldbelijdenis? De plaats ligt nog niet vast. Zelfs een schuldbelijdenis na de preek is mogelijk.
(2) In welke vorm vindt de schuldbelijdenis plaats? Een schuldbelijdenis dient zo geformuleerd te worden, dat gemeenteleden deze kunnen meemaken. Dat betekent dat de schuldbelijdenis niet te concreet moet worden. Bij een concrete schuldbelijdenis is het goed dat deze wordt voorbereid of aangekondigd, zodat gemeenteleden hierdoor niet overvallen worden.
(3) Is de schuldbelijdenis een noodzakelijke voorwaarde voor deelname aan het avondmaal? De schuldbelijdenis is niet noodzakelijk gekoppeld aan de avondmaalsviering. Avondmaal kan ook gevierd worden vanuit de belofte van vergeving. Pastoraal gezien is het verstandig om niet onvoorbereid deel te nemen. Het gaat immers om de gemeenschap met Christus. Dat heeft gevolgen voor de onderlinge verhoudingen.
Bij het avondmaal gaat het om het geloof, dat instemt met de betekenis van het offer van Christus voor mij.
In de eredienst wordt ook gepredikt. In de reformatorische traditie is de preek verbonden aan schuldbelijdenis en de belofte van vergeving. De preek is echter wel te onderscheiden van schuldbelijdenis of biecht. Bij een persoonlijke schuldbelijdenis is het beter die in een persoonlijk gesprek te doen. Dat hoeft niet alleen bij een predikant. In de reformatorische traditie kunnen ook gewone gemeenteleden een schuldbelijdenis aanhoren en de belofte van vergeving uitspreken.

Pedagogisch belang van de biecht
De schuldbelijdenis opent het leven van de gelovige weer tot God. Vanuit het vertrouwen dat God vergeeft. Schuld belijden betekent niet dat iemand vertelt hoe de situatie ervoor staat. Schuld belijden betekent dat iemand daartoe in staat is, omdat hij de genadige God heeft leren kennen. De schuldbelijdenis herinnert mij eraan dat ik gedoopt ben. Schuldbelijdenis is de wederopstanding van de (gevallen) christen. De gelovige kan weer leven vanuit de Geest van Christus. Een schuld kan alleen op christelijke wijze beleden worden als de bedoeling is dat de zondaar weer opstaat tot een nieuw leven. Wanneer het opgericht worden door het evangelie ontbreekt, is het geen christelijke vorm.
Wat brengt mij ertoe om schuld te belijden? De wet? Volgens Gestrich is niet de wet als eerste, maar het evangelie overtuigt mij van mijn zonde. De wet laat mij bovendien aan mijzelf overgeleverd, terwijl het evangelie reeds mij in aanraking heeft gebracht met Christus en Zijn verzoening.

ds. M.J. Schuurman

Zie ook: https://mjschuurman.wordpress.com/2010/02/11/de-biecht-schuld-belijden-voor-gods-aangezicht-kans-om-opnieuw-te-beginnen/

N.a.v.: Christoph Gestrich, ‘Ist die Beichte erneuerungsfähig?’ (1993), in: Idem, Peccatum – Studien zur Sündenlehre (Mohr Siebeck, 2003) 151-162.

De gedachten van Dietrich Bonhoeffer  over de biecht zijn opgenomen in zijn Gemeinsames Leben. DBW 5 (1989).

Zie voor een ander pleidooi voor de biecht: http://www.velkd.de/1006.php

Schuld belijden voor Gods aangezicht: de kans om opnieuw te beginnen

De biecht: schuld voor Gods aangezicht & kans om opnieuw te beginnen

In een schuldbelijdenis wordt iemand geconfronteerd met zonde of schuld ten opzichte van een medemens of ten opzichte van God.

Al vanaf het ontstaan van het christendom was er een manier om de zonden te belijden.
De schuldbelijdenis is gebaseerd op de doop. De doop gebeurt immers in het kader van de vergeving van zonden? Het gesprek met Petrus (Johannes 21:15vv), dat Jezus na de opstanding voert, is in feite ook een gesprek waarin schuld beleden wordt, een biecht: Jezus vraagt naar Petrus’ liefde.

In de Vroege Kerk en in de Middeleeuwen is men van mening, dat ernstige zonden die men beging nadat men was gedoopt, slechts door middel van een publieke boetedoening in de kerk kon worden vergeven.
Na deze boetedoening kon men absolutie (kwijtgeschelding) verkrijgen.

Bij de reformatoren wordt de functie van de absolutie in zekere zin overgenomen door de verkondiging. In de verkondiging vindt het losmaken van de zonde en de vergeving plaats.
De schuldbelijdenis krijgt verder ook een plaats in de dagelijkse gebeden: elke dag wordt er vergeving van zonden gevraagd. De bekering is dagelijks. Berouw en boetedoening zijn geen menselijke prestaties, maar goddelijke genadegaven.
De schuldbelijdenis veronderstelt dat de mens zondaar is en blijft. Zonde is geen verkeerd moreel gedrag, maar een diepe breuk waardoor de relatie met God, de medemens en zichzelf ernstig is beschadigd.
Ook de christen heeft het nodig om steeds weer te horen wat Gods wil is (Luther: prediking van de wet). Zonder de wil van God te kennen, kan men niet tot berouw en inkeer komen.
De consequentie van de prediking van de wet en de schuldbelijdenis is dat de mens verantwoordelijk is voor wat hij doet of heeft gedaan.

De schuldbelijdenis  kan een belangrijk middel zijn in het pastoraat. Bijvoorbeeld door middel van een biecht. In dit ritueel is het mogelijk om de zonden daadwerkelijk te belijden en dus verantwoordelijkheid te nemen. Tegelijkertijd kan men verlost worden van de macht van de zonde. De schuldbelijdenis markeert dus ook een nieuw begin.
De schuldbelijdenis kan dus een bijdrage leveren aan genezing en bevrijding. De kracht van de biecht is, dat de schuldbelijdenis, het ontvangen van de vergeving en het nieuwe begin plaatsvindt voor Gods aangezicht.
Een mens neemt de verantwoordelijkheid voor wat hij heeft gedaan. Hij zegt ik. Hij laat zien dat hij beseft wat hij anderen of God heeft (aan)gedaan. De biecht is dus bij uitstek een relationeel gebeuren.
Er wordt een onderscheid gemaakt tussen werkelijke schuld en schuldgevoel. Niet iedereen die zich schuldig voelt, is ook schuldig. In een pastoraal gesprek kan een predikant erbij stil staan, hoe het komt dat iemand zich onterecht schuldig voelt. Bijvoorbeeld door te hoge normen, die iemand zichzelf heeft opgelegd. Of door bepaalde normen en waarden die men van huis uit heeft meegekregen. Verwachtingen van anderen, waaraan men niet kon voldoen.
Het omgekeerde is trouwens ook waar: niet iedereen die werkelijk schuldig is, voelt zich ook schuldig.
Het inzicht dat men over zichzelf verkrijgt, over de relaties waarin men zich bevindt worden met de Here in verband gebracht. God is de levende God. Hij is barmhartig maar ook rechtvaardig, liefdevol maar ook heilig. Beide zijden van God mogen niet in een biechtgesprek verwaarloosd worden. In een biechtgesprek wordt iemand ernaartoe geleid zijn schuld voor God te belijden (boete), zich voor God te verootmoedigen en tegelijkertijd te geloven in de genade van God.

Het ritueel van de biecht
Hoe kan een schuldbelijdenis of biecht plaatsvinden?
(1) Voorbereiding: het beproeven van iemands geweten. Bijvoorbeeld door een gesprek waarin de schuld en de verantwoordelijkheid worden besproken. Ook kunnen er eventueel teksten vanuit de Schrift worden gelezen, die als spiegel worden voorgehouden, zoals de Tien Geboden of een van de boetepsalmen.
(2) Het belijden van de schuld: in deze stap gaat het om het eigenlijke belijden van de schuld. De schuldbelijdenis kan op verschillende manieren plaatsvinden. Het is goed om ruimte te houden voor persoonlijke bewoordingen en voor een bewust gebed om vergeving.
(3) Het vrijspreken: op de biecht volgens een absolutio, het vrijspreken. Het vrijspreken kan alleen plaats vinden als men gelooft in de vergevingsbereidheid van God.
het vrijspreken kan gebeuren met een bijbeltekst en een gebaar (kruisteken of handoplegging).
Dit vrijspreken moet een actueel spreken zijn. Niet een spreken over herinneringen.
In de absolutio wordt degene, die de biecht aflegt, bewust aangesproken. De vergeving van zonden komt niet op uit degene die de schuld belijdt, maar van een daadwerkelijk tegenover.
Het vrijspreken kan natuurlijk nooit zonder gezag. Het gezag rust in het handelen van God. Dat gezag van God dient nadrukkelijk te worden benoemd. Degene die zijn schuld beleden heeft, wordt weer onder de macht van God geplaatst.

ds. M.J. Schuurman

N.B. In dit artikel wordt niet besproken hoe men met eventuele slachtoffers dient om te gaan.

N.a.v. Corinna Dahlgrün, ‘Die Beichte als christliche Kultur der Auseinadersetzung mit sich selbst coram Deo’, in: Wilfried Engemann (Hg.), Handbuch der Seelsorge. Grundlagen und Profile (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2007) p. 493-507.
Dahlgrün heeft ook een enkel artikel geschreven over biecht in het kader van hertrouwen van mensen die gescheiden zijn: “Die Chance des Neubeginns. Überlegungen zu Möglichkeiten bei der Trauung Geschiedener”, Wort und Dienst 28 (2005) 265-277

Tips:
* Bonhoeffer, Dietrich, Gemeinsames Leben. DBW 5 (1989) – Bonhoeffer pleit voor een herwaardering van de onderlinge biecht en schuldbelijdenis.
* Dahlgrün, Corinna, ‘Sorry, du, dumm gelaufen. Beobachtungen zur Kultur des Beichtrituals’, PTh 91 (2002) 308-312.
* Gestrich, Christoph, ‘Ist die Beichte erneueringsfähig?’, in: Idem, Peccatum –  Studien zur Sündenlehre (Tübingen: Mohr Siebeck. 2003) p. 151-162. Voor een samenvatting: zie https://mjschuurman.wordpress.com/2010/03/20/herwaardering-van-de-schuldbelijdenis/
* Hertzsch, Klaus-Peter, Wie mein Leben wieder hell werden kan. Eine Einladung zur Beichte in der evangelisch-lutherischen Kirche (Hannover, 2002) – als pdf te downloaden: http://www.velkd.de/downloads/beichte.pdf
Uhsadel, Walter, Evangelische Beichte in Vergangenheit und Gegenwart. HGA 12 (1961).
* Zimmerling, Peter, Studienbuch Beichte. UTB 3230 (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2009).