Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Al enige tijd staat het missionaire werk op de agenda van de kerk. Daarbij is het het winnen van jongeren voor het evangelie weer een specifieke taak, omdat jongeren vaak zich in eigen leefwerelden bevinden én de afstand tot de kerk vaak groot is. Dat vraagt dan ook weer om een specifieke doordenking en een specifieke aanpak.

Florian Karcher en Germo Zimmermann, die beiden als docent betrokken zijn bij de CJVM-Hochschule (een particulier Duits missionair opleidingsinstituut dat ook door de staat is erkend), hebben een handboek Missionair jongerenwerk geredigeerd. In het eerste hoofdstuk geven zij een aftrap door de doelen, uitgangspunten en dimensies van het missionair jongerenwerk te schetsen.

c5c0f1c6-7c50-464a-9574-82dfeb5e661c
I. DOELEN

In het beleidsstuk van de EKD waarmee beoogd werd de missionaire uitdaging kerkbreed op te pakken wordt gesteld dat het aanspreken van mensen om hen tot geloof te wekken behoort tot alle terreinen van de kerk. Het missionair jongerenwerk wil dat aanspreken met als bedoeling met geloof in aanraking te brengen of tot geloof bewegen oppakken met het oog op jongeren. Missionair jongerenwerk heeft verschillende doelen:

1.1 Verwerkelijking van de zendingsopdracht van de kerk
Missionair jongerenwerk is afgeleid van het zendingsbevel (Mattheüs 28:16-20). Een missie houdt in dat je gezonden wordt door iemand. In het geval van missionair jongerenwerk door Christus (de missio Dei). Bij een missie wordt je ook naar iemand toe gestuurd. In het geval van missionair jongerenwerk: naar jongeren toe. Missionair houdt in dat er aandacht voor geloof is en dat jongeren uitgenodigd worden om te geloven. Het evangelie hoeft niet achterwege te blijven.

1.2 Sociaal-pedagogische verantwoordelijkheid
Missionair jongerenwerk vindt plaats in een maatschappij die het van groot belang vindt dat jongeren zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige volwassenen, die hun eigen keuzes kunnen maken en voor hun eigen leven verantwoordelijk zijn. Missionair jongerenwerk heeft tot taak de jongeren in dit proces van subjectwording te steunen en uit te dagen. In het missionair jongerenwerk gaat het niet alleen om aandacht voor het evangelie, maar ook om een bijdrage te leveren aan de persoonlijke vorming en ontwikkeling van jongeren.

1.3. Christelijke opdracht tot vorming en toerusting
In theologisch opzicht vormt vorming en toerusting van jongeren geen bijzaak. Ook voor het missionair jongerenwerk is vorming en toerusting geen bijzaak, maar is vorming en toerusting onlosmakelijk met missionair jongerenwerk verbonden. Die vorming en toerusting gebeurt op veel manieren: door te ervaren, door relaties, door kennisoverdracht, enz. Veelal gebeurt het op een informele manier.

kinder

II. UITGANGSPUNTEN
Jongerenwerk wordt gekenmerkt door een uitnodigende openheid en toegankelijkheid, door vrijwillige deelname, door participatie van jongeren. Missionair jongerenwerk vormt daar geen uitzondering op. In het missionair jongerenwerk zijn in ieder geval de volgende uitgangspunten van belang:

2.1 Respectvolle houding
Missionair jongerenwerk gebeurt in een pluralistische en multireligieuze samenleving. Dat vraagt om:
– een respectvolle benadering van elke jongere, ook van de jongeren die andersgelovig zijn.
– het tegengaan van manipulatie. Jongeren mogen nooit gemanipuleerd worden om gelovig te worden.
– het helpen van de jongeren om ook kritisch op het christelijk geloof te kunnen reflecteren.
– jongeren te zien als subject (dat wil zeggen dat zij over hun eigen leven hun eigen beslissing kunnen nemen en dat zij bepaalde verantwoordelijkheden kunnen dragen).
– een begeleiding naar een eigen, zelfstandig geloof.
– de keuze bij jongeren te laten over wat zij voor zichzelf plausibel en relevant voor hun eigen leven vinden.

2.2. Aandacht voor de verschillende sociale milieus
Missionair jongerenwerk heeft als doel om jongeren te bereiken in hun eigen leefwerelden. Daarbij dient er rekening mee gehouden worden, dat recent onderzoek naar de sociale milieus ervan uitgaat dat er verschillende sociale milieus zijn waartoe jongeren behoren. Er is niet één jongerencultuur. Deze sociale milieus worden inzichtelijk gemaakt aan de hand van demografische kenmerken.
Deze inzichten in de verschillende sociale milieus waartoe jongeren behoren zijn niet alleen belangrijk om hen te bereiken in hun sociale milieu. Het is ook van belang om voor de jongeren inzichtelijk te maken wat het evangelie concreet voor het dagelijkse leven in dat sociale milieu inhoudt.

zie voor meer informatie: hier

2.3. Mogelijk maken van democratische participatie
In het jongerenwerk – en dus ook in het missionaire jongerenwerk – is van belang dat jongeren zelf mee kunnen werken en mee kunnen denken en bepalen.

2.4 Resource-geörienteerd en YouthEmpowerment
Wanneer we ervan uit kunnen gaan dat elk mens van God gaven en talenten heeft ontvangen, gaat het er in het missionair jongerenwerk erom de bekende gaven en talenten in te zetten (resource-geörienteerd). Daarnaast gaat het erom op het spoor te komen wat een jongere in potentie in zich heeft en dat verder te helpen te ontwikkelen (YouthEmpowerment).

2.5 Relatiegericht
In het missionair jongerenwerk zijn draagkrachtige relaties van belang, waarbij leiders authentiek en betrouwbaar zijn. Vaak zijn degenen die zich inzetten in het missionair jongerenwerk gedreven. Ze hebben een persoonlijke motivatie om het geloof door te geven. Ook al doen zij dat vaak als vrijwilligers, het vraagt wel om een professionele inzet. Zeker met jongeren uit precaire sociale milieus is een professionele houding van belang.
Uit onderzoek is gebleven dat persoonlijke relaties, de ervaring onderdeel te zijn van een gemeenschap, betrokkenheid op sociale milieus en het inzichtelijk maken van wat het evangelie voor iemand persoonlijk kan betekenen een belangrijke bijdrage leveren als iemand tot geloof komt.

III DIMENSIES
Alle dimensies van de kerk kunnen hun bijdrage leveren aan het missionaire werk. Deze dimensies moeten niet behandeld worden als verschillende sectoren binnen de kerk, die niets met elkaar te maken hebben.

3.1 Martyria:
in het missionair jongerenwerk wordt het evangelie van Jezus doorgegeven
Een belangrijke manier om het evangelie door te geven is door erover te spreken. Bijvoorbeeld door een preek in een missionaire dienst, in een overdenking tijdens een jongerenvakantie, in een toespraak tijdens een georganiseerde avond. Er zijn echter veel meer manieren om het evangelie door te geven.
Het doorgeven van het evangelie door middel van een preek, een overdenking of een toespraak gebeurt vaak door leken. Het gevaar is een eenzijdige inhoud of een manipulatieve insteek. Het pluspunt is dat degenen die hier spreken vaak dicht bij de leefwereld van de jongeren staan, die niet bekend zijn met de kerk en het geloof. Het zou jammer zijn als daar geen gebruik van gemaakt wordt. Een (eenvoudige) toerusting door middel van een cursus zou kunnen bijdragen aan de kwaliteit. (zie bijvoorbeeld de Juleica bij 3.5)
In didactisch opzicht is de preek of de toespraak wel eenzijdig. Er zijn veel andere manieren om het evangelie ook door te geven, bijvoorbeeld te leren door te ervaren (in een viering bijvoorbeeld), door gesprekken, door ervaring van gemeenschap.

3.2 Koinonia
missionair jongerenwerk schept ruimte voor relatie en gemeenschap
Door mee te doen ervaren de jongeren een gemeenschap, waarin ze opgenomen zijn en er helemaal bij horen. Volgens de ontwikkelingspsychologie is het voor jongeren van groot belang om tot een gemeenschap te behoren. Ook al moet ieder individu zelf de keuze maken om al dan niet in te gaan op de uitnodiging vanuit het evangelie, geloof gebeurt altijd in een gemeenschap. Het evangelie kan ook doorgegeven worden doordat jongeren weten dat ze geaccepteerd zijn, dat ze er helemaal bijhoren. Het gaat hier om de ervaring van welkom te zijn en helemaal geaccepteerd te worden zoals ze zijn. Het gaat om contact en aandacht zonder dat het benauwend wordt. Het gaat om betrouwbare relaties waarbij jongeren een voorbeeld hebben van hoe geloof werkt en bij wie ze terechtkunnen voor vragen over zichzelf, over het geloof en deze wereld.

Juki

3.3 Leiturgia
Missionair jongerenwerk biedt ruimte voor geestelijke ervaringen
Jongeren leren het evangelie nooit echt kennen en het christelijk geloof nooit echt begrijpen als het bij alleen maar kennis over het evangelie en over God blijft. Het is van belang om jongeren te helpen bij het ervaren van God. De christelijke traditie kent volop vormen waarin dat mogelijk is: een kerkdienst, een viering. Dat vraagt om aandacht voor rituelen, symbolen, hoogtijdagen, enz. Een viering kan groots, maar ook klein en intiem. Dat kan in een kerkzaal, in een sportkantine, aan een tafel waar samen gegeten wordt, enz. In de godsdienstpedagogiek is er de laatste jaren veel aandacht voor het in aanraking brengen met het geloof door jongeren te laten ervaren. Jongerenkerken en praiseavonden steken volop in op de dimensie van de leiturgia.

M3351M-T013

3.4 Diakonia
Missionaire jongerenwerk stelt zich belangeloos in deze wereld op
Diakonia is de naastenliefde die Jezus vraagt in praktijk gebracht. Voorheen werden een diakonale insteek en een missionaire insteek als concurrenten gezien. Tegenwoordig wordt gezien dat ze elkaar kunnen aanvullen in het bereiken van mensen en in het zich opstellen ten dienste van deze wereld om daarmee iets van Christus te laten zien. In het missionair jongerenwerk kan de diakonale insteek genomen worden door jongeren uit precaire sociale milieus huiswerkcursussen of cursussen voor sociale vaardigheden aan te bieden. Er kan de insteek genomen worden om jongeren uit de precaire milieus te helpen om een baan te vinden. Er kunnen projecten ontwikkeld om kinderen en jongeren uit deze milieus meer zelfvertrouwen en eigenwaarde te geven.

3.5 Paideia
Missionair jongerenwerk stimuleert informele vormingsprocessen
De dimensie van vorming ontbreekt niet in de andere dimensies. ‘Spiritualiteit heeft altijd vorming nodig om zich te kunnen ontvouwen.’ (G. Fermor) Vorming kan er zijn voor de jongeren die niets of weinig over het geloof of de kerk weten, bijvoorbeeld door een missionaire cursus als YouthAlpha. Vorming kan er ook zijn voor de degenen die in het missionair jongerenwerk actief zijn. In Duitsland is het mogelijk dat degenen die in het jongerenwerk actief zijn via scholing of cursussen een certificaat behalen: de Jugendleiter-Card (Juleica, zie voor meer informatie: hier). Ook in het missionair jongerenwerk zijn zulke cursussen te volgen om een Juleica te ontvangen. Daarmee zijn ze gekwalificeerd voor hun taak en kunnen ze zich steeds verder ontwikkelen.

home_2015

3.6. Instrumentarium om te analyseren
Deze vijf dimensies zijn bedoeld om te kijken wat een bepaalde vorm van missionair jongerenwerk goed heeft opgepakt. Daarnaast kan gekeken worden welke dimensies over het hoofd worden gezien.

978-3-7615-6286-4

IV AANDACHTSPUNTEN
Het handboek Missionair jongerenwerk is bedoeld als stimulans om het missionaire jongerenwerk verder te ontwikkelen. Karcher en Zimmermann zien de volgende uitdagingen:
– Meer aandacht voor de dimensie van de diakonia in de concrete vormen van missionair jongerenwerk.
– Het vinden van effectief aanbod en effectieve werkvormen. Daarvoor is het nodig dat missionair jongerenwerk leert van de recente ontwikkelingen en onderzoeken binnen de godsdienstpedagogiek en en de sociaal-pedagogische vakken.
– Betrekken van de ervaring die (partner)organisaties elders op de wereld hebben opgedaan.

Missionair jongerenwerk is geen concept dat werkt als er maar de juiste methode gevonden wordt. Missionair jongerenwerk vraagt om passie en enthousiasme voor zowel het evangelie als voor jongeren.

csm_Florian_Portrait_web_01_aea8ce03f7  csm_Germo_Zimmermann_09-2015_09cbb1be4a
Florian Karcher          Germo Zimmermann

N.a.v. Florian Karcher / Germo Zimmermann, ‘Was ist missionarische Jugendarbeit? Ziele, Leitlinien und Dimensionen’, in: Idem (Hg), Handbuch missionarische Jugendarbeit. Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit, Bd. 1 (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2016) 17-49.

Advertenties

Liturgie van het gewone bestaan

Liturgie van het gewone bestaan

Wat je kunt leren van alledaagse rituelen als opstaan, bed opmaken, tanden poetsen, thee drinken en slapen kunt leren voor onderhouden van je geloof 

In gesprekken met twintigers en dertigers merk ik dat zij het lastig vinden om het geloof een plek te geven in hun dagelijks leven. Ze hebben heel wat ballen in de lucht te houden: werk, een eigen huishouden, soms een gezin, vrienden, kerkelijke activiteiten. Er is heel wat dat hun aandacht en inzet opeist. Temidden van die al die bezigheden komt hun eigen geloof in de verdrukking.

download

Tish Harrison Warren, een Anglicaanse priester, echtgenote en moeder, liep hier ook tegenaan. Ze is afkomstig uit de evangelicale stroming van de Anglicaanse kerk. De evangelicale stroming legt de nadruk op een direct beleven van het geloof en is kritisch op vaste vormen voor het geloof, omdat die vormen een directe beleving kunnen belemmeren.
In de afgelopen jaren ontdekte Warren dat er in het gewone dagelijkse leven veel aanknopingspunten zitten voor liturgische vormen. Zij schrijft over die ontdekkingen in
Liturgie van het gewone bestaan. Geheiligde praktijken in het leven van alledag.   Haar boek is op social media, waarop ze zelf ook actief is o.a. als @Tish_H_Warren, al heel wat positief besproken.

Opstaan
Het begint met wakker worden. Je kunt nog even snoozen en dan je bed uit rollen, je telefoon pakken om social media te checken. Daarmee zet je de toon voor die dag: wat je dag bepaalt zijn de activiteiten die je gepland hebt, wat zich aandient, de aandacht die het nieuws en social media opeisen.

Kruisje slaan
Ze ontdekte dat Lutheranen de dag beginnen met het slaan van een kruisje. Dat slaan van een kruisje bij het opstaan herinnert aan de doop. Je begint de dag als gedoopte. Je herinnert jezelf eraan, dat Gods trouw, genade en vergeving er al is voor je iets hebt ondernomen deze dag. Je herinnert jezelf eraan dat je deze dag begint vanuit Gods belofte die Hij in de doop heeft meegegeven. Daarmee begin je de dag met een ontvankelijkheid voor Gods zorg.

Bed opmaken

Warren beschrijft hoe zij haar bed uitrolde zonder haar bed op te maken. De telefoon met appjes, mail en Facebook vroeg immers haar aandacht. Op Facebook vroeg zij aan vriendinnen wanneer zij dat deden: bed opmaken. Daardoor ging zij haar bed wel opmaken. Het was een kleine handeling, maar Warren merkte dat zij daardoor de dag anders begon.  Door deze kleine handeling kwam er meer orde in de kleine chaos van haar bestaan. Ze was zich daardoor meer bewust dat zij de dag van God ontving.

Tanden poetsen

Aan het tanden poetsen koppelt zij de zorg die de christelijke traditie voor het aardse lichaam heeft. Omdat Gods Zoon mens werd en een lichaam aannam, heeft de kerk de waarde van het lichaam altijd verdedigd tegenover stromingen die het lichaam onbelangrijk en minderwaardig vonden. Het belang van het lichaam voor het geloof ontdekte zij toen zij in haar studententijd in contact kwam met een familie die een dochter met een beperking had. Tot die tijd was haar leven vooral het zorgen dat er in haar hoofd de goede ideeën zijn en had zij geen echte aandacht voor haar lichaam.

Non-verbaal gebed
Haar ontdekking is dat de zorg voor het lichaam gebaseerd is op de opstanding van Christus. Het poetsen van haar tanden is voor haar daarom een non-verbaal gebed, een liturgische handeling die in het teken staat van de opstanding op de Jongste Dag. Tanden poetsen is een kleine voorsmaak van de eeuwige heerlijkheid.

Sleutels kwijtraken

Warren is niet de ideale vrouw. Dat beschrijft ze in de hoofdstukken over het kwijtraken van haar sleutels en de ruzie met haar echtgenoot. Als ze haar sleutels verliest, kan ze heel melodramatisch worden en het gevoel hebben dat ze in wanhoop gestort wordt.
Ze beschrijft dat ze erop voorbereid is om in grootse, dramatische gebeurtenissen, zoals een schipbreuk, in staat is om de vraag toe te laten waarom God lijden toelaat. Bij de kleine alledaagse tegenslagen lijdt haar geloof al snel schipbreuk. Op zulke beproevingen is ze niet voorbereid. De opdracht van Paulus om alles zonder morren en zonder meningsverschillen te doen (Filippenzen 2:14) is juist voor het alledaagse bestaan ingewikkeld.

Conflictjes
Ook het liefhebben van de vijanden is in huiselijke context van de conflictjes met de echtgenoot en het aandacht vragen van de kinderen niet eenvoudig. Haar principes zijn niet in staat om haar te helpen in die alledaagse ruzietjes: ‘Ik ben een pacifist, die gilt tegen mijn echtgenoot.’

Voedsel

Nadenken over het alledaagse bestaan helpt soms ook weer verder in het geloof. Ze ontdekt een overeenkomst tussen de evangelicale traditie en haar gedrag als consument. In beide gevallen gaat het om iets direct willen hebben. Dat er aan het voedsel bereiden een heel proces van zorg en aandacht voor het voedsel aan vooraf gegaan is, was zij niet bewust. Ze gaat meer zorg en aandacht aan het eten besteden door ook heel bewust mee bezig te zijn waar het eten vandaan komt.

Thee drinken

Warren deelt veel mooie inzichten die ontleend zijn aan het alledaagse leven. Wachten in het verkeer doet haar nadenken over Gods geduld. Mail checken geeft het inzicht dat ook moderne technische beroepen en dienstverlening een manier zijn om God te eren en te heiligen. Thee drinken zorgt voor een mijmering over klein alledaags geluk dat je zomaar toevalt als je tijd neemt voor ontspanning.

Slapen

Slapen is van groot belang voor het geloof om te ontdekken dat het leven niet alleen uit werken bestaat, maar dat God op zijn eigen manier zorgt. Warren werkt tegenwoordig veel met studenten. Ze raadt hen aan om eerder te stoppen met werken en meer aandacht en zorg voor hun lichaam te hebben, door bijvoorbeeld meer te slapen: ‘Dat is in geestelijk opzicht meestal het meest zinvolle en belangrijkste advies dat ik kan geven.’

Nachtrust
In onze overwerkte en op prestaties gerichte cultuur is slapen een vorm van discipelschap, die laat zien dat je ook anders kunt leven. God wil niet alleen dat we heilig leven en een biddend leven, maar ook dat we steeds weer uitrusten. Een eerste stap naar een heilig leven met gebed is een goede nachtrust.

Geschreven voor het Friesch Dagblad

N.a.v. Tish Harrison Warren, Liturgy of the ordinary. Sacred practices in everyday life (Downers Grove: InterVarsity Press, 2016).

 

De liturgie van het gewone, alledaagse bestaan

De liturgie van het gewone, alledaagse bestaan
download
De voorkant van het boek was al genoeg: twee belegde boterhammen. En dan het onderwerp: vormen en manieren vinden om in het alledaagse bestaan bezig te zijn met God. Een mooi boekje van Tish Harrison Warren (Anglicaans priester en als moeder van een gezin maar te zeer bekend met het alledaagse bestaan): Liturgy of the ordinary. Sacred places in everyday life. Met dit boekje ben ik bezig vanwege een recensie voor het Friesch Dagblad.

Het dagelijkse leven kent ook een liturgie (net als een kerkdienst). Dat ontdekte Tish Harrison Warren toen ze in de Veertigdagentijd de dag begon met bed opmaken. Voorheen begon ze met haar mobiel eerst Facebook en Twitter te checken. Al scrollend ontbeet ze, waarbij ze chagrijnig op de vragen van haar kinderen reageerde. Over dat bed opmaken had ze wel eens iets gevraagd op Facebook en had toen veel reactie gekregen. Beginnen met opmaken is de dag beginnen met orde in de chaos scheppen. Toen ze zich meer ging verdiepen in die alledaagse liturgie ontdekte ze dat Lutheranen de dag beginnen met een kruisje slaan als teken dat ze de dag beginnen als gedoopte.

Nog twee citaten:
‘Tijdens zijn promotieonderzoek leerde mijn man Jonathan een voormalig Jezuïet kennen die nu een getrouwde hoogleraar is, een man die heiligheid uitstraalde, een provocateur en geliefd bij zijn studenten. Op een keer kwam een student naar hem toe met een klacht over Augustinus’ Confessiones die hij had moeten lezen: ‘Het is zo saai.’ ‘Je bent zelf saai,’ antwoordde deze professor.
Wat Jonathans professor bedoelde was dat als wij de rijkdom van het evangelie en van de kerk saai vinden, wijzelf in feite uitgehold zijn. We hebben ons vermogen verloren om ons te verwonderen over wat echt de moeite waard is. We moeten (opnieuw) gevormd worden als mensen die in staat zijn het goede, het ware en het schone te waarderen.’

‘Onze verslaving aan stimulansen, input en entertainment maken ons leeg. Ze zorgen ervoor dat wij niet meer in staat zijn om het bijzondere van het gewone, alledaagse leven in Christus te omarmen.
Zoals Kathleen Norris schrijft: ‘Net als de liturgie ontleent het schoonmaken betekenis aan de herhaling, van het gegeven dat het nooit af is, maar alleen even aan de kant gezet wordt tot de volgende dag. Zowel de liturgie als wat we eufemistisch “huishoudelijk werk” noemen hebben een intense relatie met zijn in het nu, een vorm van geloof in het heden waardoor de hoop gevoed wordt en het leven mogelijk wordt van dag tot dag.’
Dagelijks leven, de vaat, de kinderen die elke dag dezelfde vragen stellen en de zelfde verhalen steeds weer willen horen, en weer opnieuw, de windstilte van de avond – deze onderdelen zijn gevuld met herhaling. En veel van het christelijke leven houdt in dat we steeds hetzelfde werk doen en dezelfde gewoonten in de eredienst. We moeten ons steeds weer opnieuw met dezelfde geestelijke worstelingen bezighouden. Opnieuw en weer opnieuw hebben we berouw en geloven we.
Aan de muur van een nieuwe christelijke monastieke communiteit zag ik een uitspraak: ‘Iedereen wil revolutie. Niemand wil de vaat doen.’ Ik was een christen die verlangde naar revolutie en blijf zo’n christen: alles nieuw en heel maken en dat groots en meeslepend. Wat is langzaam aan het ontdekken ben is dat er geen revolutie plaatsvindt als de vaat niet gedaan wordt. De vorm van het spirituele leven en disciplines waardoor het christelijke leven onderhouden wordt zijn niet luidruchtig, hebben een herhalend karakter en zijn heel gewoon en heel alledaags. Ik zou het saaie graag willen overslaan en dat alledaagse willen inruilen voor een spannend christelijk leven waarbij ik de grenzen opzoek. Maar het dagelijkse van het christelijk geloof – het bed opmaken, de vaat doen, bidden voor mijn vijanden, het lezen in de Bijbel, het stille, het kleine – zo schiet Gods verandering wortel en groeit deze verandering in mij.’

Veranderziekte?

Veranderziekte?

Het Reformatorisch Dagblad heeft de laatste tijd aandacht besteed aan de veranderingen in de eredienst. De toon van die bijdragen was niet altijd even positief. Ronduit stuitend was de laatste column van mijn collega J. Belder, waarin hij spreekt over veranderziekte als een agressief virus en liturgische playboys die hun kans grijpen.

Er zijn verschillende manieren om beleid te maken met betrekking tot de eredienst. Een manier is om uit te gaan van een theologische norm: gemeenteleden horen twee keer per zondag naar de kerk te gaan, in de eredienst worden uitsluitend psalmen gezongen. Uitgaan van een bepaalde norm voor de eredienst is een mooi en respectvol ideaal. Ik zie in de praktijk echter dat niet alle gemeenteleden die norm meemaken. Gemeenteleden onder de 30 jaar hoor ik geregeld zuchten over de moeilijkheidsgraad van de psalmen. Niet alleen de woorden van de oude berijming (1773) worden als moeilijk ervaren, ook de melodieën vinden ze vaak te moeilijk.

Op huisbezoek stel ik vaak de vraag: ‘Stel dat ik voor de Loco (de lokale radio hier) een psalm of een lied aan zou mogen vragen, wat zou het dan moeten worden?’ Meestal wordt er een lied uit de Bundel van Johannes de Heer opgegeven, soms een bekend gezang en af en toe een opwekkingslied. Geregeld hoor ik verhalen over hoe er vroeger op zaterdagavond bij het harmonium gezongen werd uit deze Bundel. Ik vraag dan altijd of dat niet als een tegenstelling werd ervaren: doordeweeks uit de Bundel en ‘s zondags uit de Psalmen. Het antwoord is meestal: dat was nu eenmaal zo. Ik ben mij steeds meer tegen deze tegenstelling gaan verzetten, omdat hierdoor de kloof tussen de zondag en de andere dagen van de week wordt versterkt.

Bij doopdiensten vraag ik aan ouders of zij tijdens de doopdienst een psalm of een lied willen laten zingen die veel voor hen betekent. Daar heb ik verschillende redenen voor: Deze gemeenteleden worden uitgedaagd de in de gemeente gebruikte liedbundels door te gaan. Daarnaast wordt een dienst als veel persoonlijker beleefd, wat de betrokkenheid op de gemeente en op de dienst vergroot. Zowel actieve gemeenteleden als gemeenteleden die zich wat meer aan de rand bevinden, voelen zich meer serieus genomen als lid van de gemeente. Bovendien merk ik dat gemeenteleden vaak niet goed in staat zijn om aan te geven waarom zij laten dopen. Door een persoonlijke insteek gaat de doop zowel voor hun kind als voor henzelf meer leven.

Als predikant en als gemeente is het altijd van belang rekening te houden in wat voor omgeving een gemeente zich bevindt. De omgeving van Oldebroek scoort zwak op taalbeheersing en (begrijpend) lezen. Omdat de Herziene Statenvertaling en de hertaalde formulieren al als moeilijk ervaren worden, moedig ik het gebruik van de Bijbel in Gewone Taal aan en geef ik een vereenvoudigde versie van het doopformulier door. Of een gemeente de gewenste norm met betrekking tot de eredienst kan behalen, hangt ook van de scholen af. Het maakt nogal uit of kinderen goed zangonderwijs krijgen of dat de te leren liederen via YouTube worden aangeleerd. Als een gemeente toch een bepaalde norm wil aanhouden, dient men daarvoor binnen eigen gemeente aan te leren. Het is merkwaardig dat zangonderwijs nooit een plek heeft gekregen binnen de catechese.

De veelgemaakte fout in de bezinning op de eredienst is dat de discussie vooral inhoudelijk wordt gevoerd, terwijl andere factoren bepalender zijn.
Nadat de bundel Jeugd in Aktie werd vervangen door Op Toonhoogte, zei een gemeentelid tegen mij: ‘Eindelijk kan er iets veranderd worden.’ Ik krijg nogal eens te horen, dat het uit de weg gaan van de bezinning als verstikkend wordt ervaren. Alles moet bij het oude blijven. Ook als er geen goede argumenten zijn. Een gemeentelid, die geen kerkelijke opvoeding had gehad, zei tegen mij: ‘Als u de kerkdienst met een psalm begint, begin ik al op achterstand en maak ik de dienst niet meer goed mee.’ Net als een preek moet de orde van dienst de gemeenteleden ophalen waar ze zijn. Om ze uiteindelijk voor Gods aangezicht te brengen. Want dat is de bedoeling van elke kerkdienst, ongeacht de gehanteerde orde van dienst.

Daarom is de cruciale vraag met betrekking tot de eredienst niet of er wel of geen veranderingen mogelijk zijn, maar of een orde van dienst de gemeente voor Gods aangezicht brengt. Veranderingen in de eredienst kunnen een bijdrage leveren aan het besef dat in de eredienst de gemeente voor Gods aangezicht komt.

Liturgische veranderingen – blog 2

Liturgische veranderingen – blog 2

Laat ik nog even terugkomen op de laatste alinea van blog 1 over liturgische veranderingen. Daar geef ik aan dat ik het dagelijks leven naar de kerk wil halen (in plaats van het reformeren van het dagelijks leven.) Ik zal dat nog wat meer uitwerken. Dat helpt wellicht om ontwikkelingen meer te begrijpen.

Context
In mijn opleiding was er veel aandacht geweest voor de contextualiteit van een gemeente: op welke manier bepaalt de context de gemeente in de samenstelling, in de vragen die er zijn, in waar men mee bezig is. In de jaren dat ik predikant ben heb ik ook veel gelezen over de preekvoorbereiding. Zeker in Amerikaanse literatuur is er aandacht voor wat men noemt ‘de exegese van de gemeente’. Laat ik daar enkele voorbeelden van geven uit de eigen gemeente:

Lezen
* Bij de eerste catechisatieles aan de tieners die gekomen zijn of ze lezen. De oogst is minimaal. Er is af en toe een tiener die naar de bibliotheek gaat om boeken te lenen en te lezen. Meestal komen de tieners niet verder dan de Donald Duck en soms de Voetbal International.
* Tijdens huisbezoek valt het me op eens. Ik zeg dat ook tegen de mensen bij wie ik op bezoek ben: ‘Er valt me iets op.’ ‘Wat dan?’ ‘Ik mis een boekenkast.’ ‘We lezen alleen de krant en de Bijbel.’ Geregeld hoor ik dat de vrouw des huizes voorleest uit de Bijbel, omdat de man de tekst van de Bijbel te moeilijk vindt om voor te lezen.
(De kranten die gelezen worden zijn de huis-aan-huis-bladen, De Stentor en soms de Veluwse Kerkbode. Heel af en toe is er iemand die geabonneerd is op het ND of RD.)

Zingen
* Vaak hoor ik verhalen over hoe het vroeger ging. ‘Vroeger zongen we op zaterdagavond rondom het harmonium liederen uit de Bundel.’ De Bundel, dat is de bundel van Johannes de Heer. Bij zulke opmerkingen word ik altijd nieuwsgierig: ‘En dan op zondag psalmen met hele noten – hoe paste dat bij elkaar?’ Dat waren andere werelden. Wat je thuis in huis deed, deed je niet in de kerk. De liederen uit de Bundel raken nog steeds een diepe snaar. Ik kan dat merken als we in de kerk of bij een rouwdienst deze liederen zingen. Alleen enkele bekende coupletten uit bekende psalmen raken zo diep.
* Bij doopdiensten laat ik ouders psalmen, gezangen en liederen aandragen, die zij graag willen laten zingen in de dienst waarin hun kind wordt gedoopt. Meestal zijn het liederen uit Op Toonhoogte (afkomstig uit Opwekking). Af en toe dragen ouders ook een psalm aan. Meestal worden de psalmen echter door mij aangedragen. Na een dienst met veel liederen uit Op Toonhoogte is de reactie vaak: ‘Deze liederen begrijpen we tenminste. De psalmen zingen we wel, maar begrijpen we niet.’
* Aan het begin van een traject van belijdeniscatechisatie vraag ik om een psalm, een gezang of een lied mee te nemen. We beluisteren dan enkele van de aangedragen psalmen of liederen. Wat mij opvalt, is dat de belijdeniscatechisanten echt op zoek moeten gaan naar liederen. De bundel Op Toonhoogte wordt doorgebladerd. Er wordt op internet gezocht. Ooit was er iemand die ‘God heb ik lief’ wilde meenemen. Hij wist alleen niet in welke bundel dat lied stond. Via internet kwam hij erachter dat het een psalm was.
* Wat mij opvalt, is dat het zingen er helemaal uit raakt. Zeker bij jongens in de bovenbouw van de basisschool en bij tieners. Het is niet meer vanzelfsprekend dat de kinderen op school een psalm aanleren. Als er liederen geleerd worden, gebeurt dat ook wel eens met behulp van YouTube.

Het gaat mij bij het bovengenoemde er niet om of het goed of fout is. Het gaat mij erom, dat dit de context van de gemeente is. Als predikant heb ik rekening te houden met die context.

Dagelijks leven naar de kerk
Wat bedoelde ik met het dagelijks leven naar de kerk halen? Er zijn verschillende manieren om hier mee om te gaan. Het is goed denkbaar dat er in de kerk een norm is met betrekking tot wat er in de eredienst geschikt is. Dat kan inhouden dat er alleen maar psalmen gezongen worden. Dat kan inhouden dat de liederen die in de kerkdienst gezongen worden een bepaald niveau moeten hebben wat kerkmuziek en inhoud betreft.
Wat ik steeds meer ontdek, is dat die norm niet door iedereen begrepen en gehaald wordt. Het dilemma is dan: houd je als kerk vast aan het niveau of sluit je aan bij het niveau in de gemeente (met het risico de standaard te verlagen). Zelf kies ik er steeds meer voor om meer aan te sluiten bij de gemeente.

Verschil zondag – rest van de week
Ik heb daarvoor een extra argument, die misschien niet direct met de eredienst te maken heeft. Wat ik hier nogal eens tegenkom is het verschil tussen de zondag en de andere dagen van de week. Op zondag mag er minder, maar doordeweeks lijkt haast alles te mogen en te kunnen. Dat is natuurlijk overdreven. Maar het contrast tussen zondag en de andere dagen is erg groot.
Dat geldt ook voor de geloofsbeleving: Op zondag de psalmen (en tegenwoordig ook gezangen en andere liederen). Doordeweeks geen psalmen. Als er geluisterd wordt is dat via een cd of via YouTube naar Opwekking of Sela. Of op zondagavond en vrijdagmorgen naar de geestelijke liederen op de Loco.

Een stapje hoger
Enige tijd geleden volgde ik een cursus mentoraat. Daarin ging het ook over de ‘lerende gemeente’. Toen kregen wij als deelnemers het advies mee: probeer de gemeente die je dient één niveau hoger te krijgen en niet een hele stap hoger. Over dat advies denk ik geregeld na. Ook over wat het zou kunnen betekenen voor de gemeente die ik dien. Hoe kan ik de gemeenteleden een stapje hoger krijgen met betrekking tot liturgische bewustwording? De eerste stap die ik genomen heb, is om meer te gaan zingen. Om het zingen weer wat gewoner te maken. Op catechisatie beginnen we daarom met het zingen van de psalm en het opwekkingslied, dat door de HGJB is uitgezocht bij de les.

Geloofspraktijken aanleren
Nu ik er wat meer mee bezig ben, denk ik: zou ik tijdens de gewone catechisatie en tijdens de belijdeniscatechisatie niet wat uitleg moeten geven over zingen en het zingen wat meer kunnen oefenen. Alleen… ik heb daar geen enkele ervaring mee. Het komt in ieder geval in de lessen niet afzonderlijk aan de orde. Het is blijkbaar net als met bidden: men gaat ervan uit, dat het wel overgedragen wordt. Ik denk dat we in de tijd aanbeland zijn, dat gemeenten het hardop lezen uit de Bijbel, het leren zingen en waarderen van kerkliederen, het stil worden voor God en het bidden weer moeten aanleren. Meer dan een idee, dat nu bij me bovenkomt, is het nog niet. Maar daar begint het wellicht mee.

Liturgische veranderingen? – blog 1

Liturgische veranderingen? – blog 1

In het Reformatorisch Dagblad verschenen in de afgelopen tijd enkele artikelen over veranderingen in de eredienst. De teneur van die artikelen was dat aan die veranderingen nauwelijks een theologische bezinning ten grondslag ligt.

Als predikant van een gemeente waarin in de afgelopen jaren liturgische veranderingen zijn doorgevoerd, zou ik willen aangeven dat dit geen terechte constatering. De bezinning is vaak op een impliciete manier gebeurt, waarbij niet niet zozeer inhoudelijke argumenten een rol gespeeld hebben. Deze niet-inhoudelijke argumenten zijn niet minder theologisch.

Andere kerken
De gemeenteleden in Oldebroek komen geregeld in andere kerken, doordat ze vanwege kinderen, familie of vrienden diensten met doop, belijdenis, rouw en trouw bezoeken. Daarmee komen ze in aanraking met andere liturgische gebruiken. Daardoor komt de bezinning al op gang. De ene keer roept zo’n dienst in een andere gemeente gevoel van vervreemding op. De andere keer de vraag: als het hier kan, waarom kan het dan niet in onze eigen gemeente. Naast het bezoeken van andere kerken komen ze via Nederland Zingt, interkerkelijke bijeenkomsten, cd’s en youtube in aanraking met andersoortige liederen dan die in de kerk gezongen worden.

Ruimte
Die andere gebruiken of liederen houden nog niet in dat ook de inhoud van de verkondiging anders is. De bezinning op de liturgie kan niet meer om de vraag heen, waarom er in de ene gemeente meer ruimte is in de liturgie dan in de andere gemeente. Omgekeerd kan een liturgische bezinning, waarbij al duidelijk is dat alleen maar psalmen in de eredienst gepast zijn, geen liturgische bezinning heten, omdat het antwoord al bekend is en in de bezinning alleen maar de onderbouwing hoeft te worden gedeeld.

Willekeur
Wat mij opvalt, is dat de onderbouwing om in de eredienst alleen maar psalmen te gebruiken, niet vrij van willekeur is. Het argument is vaak dat met Psalmen Gods Woord gezongen wordt. Waarom worden er dan niet meer Bijbelliederen gezongen? Waarom worden bepaalde Bijbelvertalingen tegengehouden die mogelijk arminianisme doorgeven, maar wordt vastgehouden aan een Psalmberijming die door de Verlichting is gestempeld. Waarom kan er wel uit de Heidelberger Catechismus worden gepreekt, maar is er voor belijdende gezangen geen plaats in de eredienst?

Kloof
De reden voor mij om mee te gaan in veranderingen is niet de wens tot verandering als zodanig. Als predikant constateer ik in de gereformeerde gezindte een grote kloof tussen het leven in het geloof en het dagelijks leven. Ik kan me niet voorstellen dat er gemeenten zijn in de gereformeerde gezindte waarin deze kloof niet geldt. Men kan pogen deze kloof te overbruggen door het dagelijks leven te reformeren. Dat is een respectabele poging, maar daarbij vallen wel gemeenteleden buiten de boot die de reformatie van het dagelijks leven niet meemaken.

Dagelijks leven naar de kerk halen
Mijn poging is daarom om het dagelijks leven meer naar de kerk te halen. Dat doe ik door mijn taalgebruik aan te passen en door geregeld gezangen of liederen te laten zingen, die bij gemeenteleden geliefd zijn. Ik vraag ook geregeld aan mensen wat hun lievelingslied is. Bij de oudere generatie is dat vaak een lied uit de Bundel van Johannes de Heer en soms een bekende psalm. Bij de jongere generatie is dat een Opwekkingslied of een lied van bijvoorbeeld Sela. Zelden dragen zij een psalm aan. Wie wil vasthouden aan de psalmen kan zich niet beperken tot theologische argumenten, maar dient ook om beleid om de melodie en de inhoud uit te leggen, om levensverhalen bij de psalmen te vertellen.

Gaat liturgische verandering niet gepaard met vervlakken? Niet persé, maar dat leg ik uit in een volgend blog… (Wordt vervolgd.)

Preek zondagavond 12 juni 2016

Preek zondagavond 12 juni 2016
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Psalm 23:6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Margriet van der Kooi heeft een boek geschreven
waarin zij haar ervaringen beschrijft met de gesprekken die zij heeft als predikant
– gesprekken over God en ons.
Dat boek heeft de de titel gegeven: Pelgrims en zwervers.
Deze titel wil ik gebruiken om het laatste vers van Psalm 23 uit te leggen:
Ik zal in het huis van de HEERE verblijven in lengte van dagen.
Bij pelgrims en zwervers gaat het om mensen die hetzelfde kunnen meemaken,
dezelfde levensweg kunnen doormaken en toch heel verschillend zijn
vanwege het doel, de richting die zij hebben in het leven.
Met pelgrims bedoelt ze mensen die weten dat hun leven in Gods hand is.
Onderweg in het leven zien ze dat God er is – soms in hele kleine dingen.
Ook al ervaren ze niet altijd Gods aanwezigheid,
ze weten dat Hij er is en hen brengt op de plaats waar ze moeten zijn.
Pelgrims zijn mensen die weten dat ze geleid worden
en dat ze op een bestemming aankomen.
Om met het slot van Psalm 23 te spreken:
zij weten dat ze aankomen in het huis van de Heere,
ze weten dat ze daar voor langere tijd kunnen blijven.
Bij de Heere hebben ze onderdak gevonden.

Maar niet iedereen ziet Gods leiding of wil weten van Gods leiding.
Dat zijn de zwervers.
Een zwerver is iemand die door het leven gaat zonder doel.
Iemand die maar loopt, sjokt, sjouwt, dag in dag uit.
Mensen die geen bestemming hebben, geen doel en zomaar door het leven gaan.
Ze erwachten geen hulp, geen leiding van God.
Ze willen dat niet zien of ze kunnen dat niet zien.
Ze weten niet dat de Heere hun herder wil zijn.
Dat kan heel diep gaan: kan het gevoel geven dat je verdwaald bent.
Het kan aan je vreten en diep in je ziel gaan nestelen.

Pelgrims en zwervers: ze maken dezelfde dingen mee,
Pelgrims – degenen die weten van Gods leiding en dat ze door God aankomen,
hebben geen andere levensweg dan de zwervers,
maar ze hebben wel weet van de Heere, die hun herder is
die ervoor zorgt dat ze niet teveel in hun eentje gaan, maar mensen om zich heeb hebben
die hen helpen op hun levensweg.
Als ze struikelen een hand vinden die hen weer op de been helpt.
Die als ze niet meer weten waar ze heen moeten een stem horen,
soms van een ander mens, soms van de herder zelf,
waardoor ze weten dat er een herder is die hun leven bewaakt en richting geeft.
Die je bij Hem doet thuiskomen en je leven doel en richting geeft.
Ik keer terug in het huis van de Heere
en ik vind daar een vaste plek, en thuis.
Ik mag aankomen, thuiskomen.
Avondmaal is ook even thuiskomen, ervaren dat je zo’n plek hebt bij de Heere,
een vaste plek, de grazige weiden, de stille wateren,
waar je gesterkt wordt, verkwikt, even op adem.
Ik heb het al eens eerder gezegd: avondmaal is niet even langskomen, maar aankomen,
Aankomen bij de Heere – tot in lengte van dagen. Alle dagen van mijn leven.

Dat maakt nogal uit of je in het leven een zwerver bent,
Die wel doorgaat, maar eigenlijk niet weet waar je uit moet komen,
omdat je niet weet van je doel, omdat je niemand hebt die je de weg wijst.
Of dat je een doel hebt: een leven waarin God je de weg wijst
en waarop je door Gods leiding mag aankomen.
Met het avondmaal vieren we dat we weer een doel hebben gekregen van God
– teruggekregen -: een weg naar God.
Staan we erbij stil dat we niet meer hoeven te zwerven, zonder zin in ons leven,
omdat Jezus kwam,
de goede herder die kwam om het verlorene te zoeken en te redden.
Ik weet niet hoe dat u vergaat, maar ik heb avondmaal ook weer nodig
om mij er weer aan te herinneren dat Hij mijn doel is,
omdat ik dat doel zo snel weer uit het oog verlies
en soms het gevoel heb dat ik alleen maar zwerf hier op deze aarde.
Het gedenken van Christus’ sterven bij het avondmaal
is ook erbij stil staan en dat meenemen de komende tijd in

dat Christus ons van zwervers pelgrims maakt, mensen met en bestemming:
leven met Hem.

Ik keer terug in het huis des Heeren.
Ik mag daar blijven, in Zijn huis, tot in lengte van dagen. Alle dagen van mijn leven.
Dat huis van de HEERE, dat is allereerst de tempel.
Maar de tempel dat is meer dan een gebouw alleen.
De tempel stond op een bijzondere plek: waar de hemel de aarde raakt,
waar God die in de hemel woont ook plek heeft op deze wereld,
waar je naar toe kunt gaan.
De tempel was een plek waar je de Heere kon opzoeken, waar je terecht kan.
De tempel als gebouw had ook een boodschap voor het volk:
Israël, jullie God wil onder jullie wonen, in jullie midden.
Dat is ook wat het avondmaal ons laat zien:
uw God, jouw God wil in jullie midden wonen.
Hij is niet een God die alleen maar in de hemel is, maar ook op aarde wil zijn,
onder ons – Hij heeft onder ons gewoond, Christus de levende tempel.
Ik wil jullie zijn, bij jullie zijn, in jullie midden – daarom ben je Mijn gast.
Tempel: welkom in Mijn gemeenschap.

De tempel is ook een plek waar je bescherming kunt zoeken bij God.
Schapen zijn vluchtdieren, zo leerde ik vorige week.
Ook wij als mensen hebben reden genoeg om te vluchten.
Dat de tafel gereed gemaakt wordt voor mij,
dat gebeurt voor de ogen van mijn tegenstanders, degenen die mij benauwen,
die mij opjagen met hun kritiek, verwonden met hun scherpe woorden,
die niet gunnen dat ik de rust bij de Heere vindt,
maar mij steeds bestoken.
Ik ben tegen hen niet opgewassen, kwetsbaar.
Juist als je met iemand anders over hoop ligt, kun je het gevoel hebben een zwerver te zijn,
onrust die je parten speelt, rust die niet te vinden is.
Ik hoor dat van ouders, van wie het huwelijk van een van de kinderen is stukgelopen,
de spanning en de onrust die dat met zich meebrengt.
Ik hoor over die spanning en die rusteloosheid, dat opgejaagd worden,
van iemand die niet opgewassen is tegen de scherpe woorden van anderen.
Dan kunnen de woorden over de grazige weiden, die stille wateren iets onwerkelijks hebben,
dat onbereikbaar is, iets van heel lang terug toen er nog niets was.
De tempel is een plek om asiel te vinden: bescherming bij God.
Achter de muren van de tempel, onder Gods vleugels een toevlucht.
Er is een plek waar ik veilig ben: ik ben veilig in Jezus’ armen.
Avondmaal is dat weer in herinnering roepen
dat we veilig zijn in Jezus’ armen
en dat geen enkele macht ons kan losrukken uit Zijn hand.
Asiel vinden – dat heeft ook de betekenis van de bescherming vinden
bij het kruis van Golgotha,
door dat kruis op Golgotha een open hemel,
waardoor God weer bereikbaar is
en we bij God in deze wereld een plek hebben waar we kunnen zijn.
Dat is ook wat we vanmorgen hebben gevierd:
dat de hemel is open gegaan en we bij God een thuis mogen hebben,
omdat Christus hier op aarde kwam om ons op te zoeken,
ons leven te delen:
een herder die gelijk wordt aan Zijn schapen
het niet alleen maar voor Zijn schapen opneemt, maar ook hun leven aanneemt,
Draagt en geneest van de zonde
en ons laat aankomen bij God.
Onze weg is al uitgestippeld: gebaande wegen, spoor van de gerechtigheid.
Een weg die al voorgevormd is, die er al is,
waarover wij kunnen lopen.
We hoeven niet te dwalen, als in een doolhof.
We hoeven niet zelf onze weg te banen, want die weg die is er.
Door het leven heen, zelfs door moeilijke perioden heen,
zelfs door de dood heen – een aankomen bij God.
Ik keer terug, zal verblijven in het huis van de Heere.
Dat spoor van de gerechtigheid, de gebaande wegen: torah, Bijbel, Gods wil
Leiding in ons leven.
Waarmee God ons terugbrengt bij Hem.
In Zijn gemeenschap.
Ook dat laat het avondmaal zien: dat ons leven bedoeld is
om aan te komen bij de Heere en voor altijd met Hem te leven.
Thuis bij de Heere, aankomen.


Dat aankomen bij de Heere en voor altijd bij Hem zijn is geen privéaangelegenheid.
Dat ik zal blijven in het huis van de Heere,
houd niet in dat ik daar alleen voor mijzelf ben,
afgezonderd van de wereld en dat ik niets meer met de wereld te maken heb.
Vanmorgen vertelde ik dat ik onlangs een conferentie had met collega-predikanten.
Die conferentie ging erover wat de kerk kan doen in een tijd
waarin het christelijk geloof op heel veel plekken in ons land onder druk staat
of zelfs dreigt te verdwijnen.
Waar wij dankbaar voor zijn: Gods leiding, Gods komst naar deze aarde,
een leven dicht bij Hem, in Zijn gemeenschap
wordt door heel veel niet nodig gevonden, ook niet gemist.
Hoe kunnen we dan in een tijd, waarin God eigenlijk niet eens zo wordt gemist,
toch het evangelie doorgeven?
In ieder geval doorgaan met de kerk, met avondmaal vieren,
geloven dat de kerk gebruikt wordt door God.
een open houding voor wat er om ons heen gebeurt.
Een dubbele houding:
midden in deze wereld staan, van je familie, van Oldebroek, van Nederland,
en tegelijkertijd dicht bij de Heere leven
en deze twee met al onze inzet doen.
Niet alleen kerk zijn voor ons alleen, maar ook voor de mensen om ons heen:
onze buren, onze familie, vrienden.
Door als wij bij de HEERE teruggebracht zijn in Zijn huis
en daar alle dagen van ons blijven
dat we dan niet onze ogen sluiten voor de mensen om ons heen,
maar hen meenemen in ons gebed,
Steeds weer opnieuw voor hen bidden.
En als zij niet kunnen geloven, of geen behoefte hebben om te geloven,
toch doorgaan.
In mijn begintijd had ik een mentor, die mij het verhaal vertelde
dat hij eens in een ziekenhuis bij iemand stond
die in ver was, niet meer bereikbaar voor de mensen om haar heen.
De dienstdoende zuster raadde af om te bidden: ‘Dat hoort ze toch niet meer.’
Toen wees hij met zijn vinger naar boven: ‘Maar Hij wel!’
Om zo in deze wereld te staan – vandaag weer in dat geloof gesterkt – Hij hoort wel!
Als anderen niet mee willen doen, dat wij dan in hun plaats voor hen bidden,
in hun plaats God groot maken, de verzoening die Hij bracht gedenken en vieren.
Ik zeg wel eens tegen ouders van wie de kinderen niet meer naar de kerk gaan
en er niets meer aan doen:
Wellicht kunnen ze alleen zo leven, omdat ze weten dat er voor hen gebeden wordt.
Bidden voor anderen is een van de belangrijkste taken die de kerk heeft,
in een tijd waarin het geloof op prijs gesteld wordt,
maar ook in een tijd waarin minder mensen van het geloof willen weten.
Je hoeft het niet tegen anderen te vertellen.
Dat God het weet is genoeg.
Maar dan moeten we ook open staan voor de kansen die God geeft.
We sluiten onze ogen om daarna scherper te zien
wat God doet en wat wij voor anderen kunnen doen.
We vouwen onze handen en geven daarmee aan
dat wij het niet doen, maar God,
maar dat Hij ons wel mag gebruiken
om anderen om ons heen bij Hem te brengen, mee te nemen op onze weg naar HEm toe.
Ik ben altijd weer verrast door de wegen die God gaat
om mensen weer terug te brengen bij HEm.

Wellicht dat we dan de moed vinden om daar toch over te beginnen.
Als we bevraagd worden,
Of als we de tijd nemen om te horen wat een ander dwars zit.
Dan stralen wij uit, dat er een herder is.
Mijn docent pastoraat had de definitie van pastoraat:
Vertellen dat er een herder is.
Dus ook aan mensen die zwerven, die geen idee hebben
Dat ook hun leven een doel en een richting kan hebben,
dat het ook voor hen kan zijn dat ze voor altijd uitkomen in het huis van de Heere
en daar voor altijd mogen blijven.
Alleen al door te luisteren kun je laten merken dat er een herder is,
Christus – je wordt gebruikt: een herder namens God.
Ik heb vaak de indruk in gesprekken
dat mensen niet zozeer tegen mij praten, maar met de Heere in gesprek zijn.
Daarom vinden mensen het belangrijk om van de kerk bezoek te hebben:
om te weten dat er ook voor hen een herder is,
die de moeite neemt om hen op te zoeken.
Iemand die de moeite neemt om voor hen te bidden en hen bij de goede herder te brengen.
Niet altijd heb je de gelegenheid om te vertellen over de goede herder.
Soms is het er zijn al genoeg.
Zo kunnen we voor anderen tot een herder worden.
Niet door woorden, maar door onze houding
en in onze houding iets uitstralen van hoe graag de Goede Herder
wil dat wij Hem vinden.ds. Hans Borst – hij ging tot voor kort wel voor in Oldebroek – heeft een boek geschreven over pastoraat, waarin hij vertelt over de depressiviteit van zijn vader.
Die depressiviteit kon niet meer genezen worden
en toch kwam de dokter elke week even langs.
Die vader vond dat heel bijzonder:
Ook al is er met mij niets meer te beginnen,
ik ben toch de moeite waard om bezocht te worden.
Zo kunnen we voor anderen tot een herder worden.
Niet door woorden, maar door onze houding
en in onze houding iets uitstralen van hoe graag de Goede Herder
wil dat wij Hem vinden.
Om voor altijd – niet alleen wij, maar ook de anderen om ons heen,
voor altijd bij Hem te zijn.
Eerst hier op aarde, maar later in de hemel als we helemaal bij Hem mogen zijn.
Amen