Les 18: Belijdenisgeschriften

Les 18: Belijdenisgeschriften

Mirthe heeft geregeld met een collega gesprekken over het geloof. Deze collega is niet met het geloof opgegroeid en heeft veel vragen. Op veel vragen weet Mirthe zelf het antwoord niet. Wat gelooft ze eigenlijk zelf? En bestaat er niet een soort samenvatting van wat het geloof inhoudt?

Johan gaat wel eens met een vriend mee naar een andere kerk. Niet alleen de opzet van de dienst is anders, ook de boodschap van de voorganger is anders. Dat brengt Johan in verwarring. Wat gelooft hij zelf? Wat hoort hij te geloven?

Vraag 1: Waar haal jij je kennis over God en over het geloof vandaan?



Vraag 2: Als een collega of een vriend(in) meer wil weten over het geloof, wat bied je dan aan?


Uitleg
In de kerk bestaan er officiële samenvattingen, waarin we kunnen weten waar de kerk inhoudelijk voor staat. Dat zijn belijdenisgeschriften. Onze kerk, de Protestantse Kerk in Nederland, kent een aantal belijdenisgeschriften. In de belijdenisgeschriften staat wat de officiële leer van de kerk is. Deze belijdenisgeschriften zijn vaak ontstaan in een tijd, waarin er veel discussie was over wat de kerk hoort te leren.

De Protestantse Kerk is in 2004 ontstaan uit een fusie van 3 kerken. De Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk.
De Gereformeerde Kerken in Nederland en de Nederlands Hervormde Kerk hadden 6 belijdenisgeschriften:

  • de Apostolische Geloofsbelijdenis
  • De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
  • De geloofsbelijdenis van Athanasius
  • De Heidelberger Catechismus
  • De Nederlandse Geloofsbelijdenis
  • De Dordtse Leerregels

Deze geloofsbelijdenissen zijn ook in verschillende psalmboeken opgenomen. De laatste drie belijdenisgeschriften worden samen de drie formulieren van enigheid genoemd.


De apostolische geloofsbelijdenis
De apostolische geloofsbelijdenis gaat niet terug op de 12 apostelen. De naam geeft aan: de inhoud komt overeen met wat de apostelen geleerd hebben. Deze belijdenis is ontstaan als een belijdenis die nieuwe christenen opzegden bij hun doop. Deze nieuwe christenen lieten de Romeinse of de Griekse godsdienst, waarin ze opgegroeid waren, achter zich en gingen Jezus als hun Heer belijden.
Kenmerkend voor deze belijdenis is de indeling in drieën: eerst wordt iets beleden over God de Vader, daarna over God de Zoon en tenslotte over de Heilige Geest.

De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
In de 4e eeuw werd er gediscussieerd over de vraag of Jezus ook God als of dat Jezus minder dan God was. Op verschillende concilies (officiële vergaderingen) werd uitgesproken dat Jezus net zo goed God was als God de Vader en dat er toch maar één God is. Omdat er ook een Heilige Geest is, spreken we over God als drie-een.
De belijdenis is genoemd naar de verschillende plaatsen waar die concilies gehouden zijn: Nicea (325 na Christus) en Constantinopel (381 na Christus). Deze belijdenis is een uitbreiding van de apostolische geloofsbelijdenis. Deze belijdenis is de meest geaccepteerde belijdenis. Bijna alle kerken over heel de wereld accepteren deze belijdenis.

De geloofsbelijdenis van Athanasius
De geloofsbelijdenis van Athanasius is de meest onbekende geloofsbelijdenis. Ook deze belijdenis is ontstaan in een tijd waarin er werd gediscussieerd over de vraag over Jezus ook God was. Deze belijdenis is een felle verdediging van de gedachte dat God zowel uit Vader, Zoon en Geest bestaat en toch één is. Wie dat niet gelooft, kan niet behouden worden, zegt deze belijdenis. De geloofsbelijdenis is niet geschreven door Athanasius, maar vernoemd naar Athanasius, die de belijdenis van God als drie-één verdedigde.

 

De Nederlandse Geloofsbelijdenis
De Nederlandse Geloofsbelijdenis is in 1561 geschreven door Guido de Brès. In die tijd worden de protestantse gelovigen vervolgd vanwege hun geloof. In deze belijdenis legt De Brès uit wat protestanten geloven. Hij legt uit dat hun geloof niet afwijkt van wat de kerk altijd geleerd heeft. Hij legt uit waarom protestanten niet katholiek kunnen zijn. Ook legt hij uit dat protestanten geen Wederdopers kunnen zijn. Wederdopers hadden voor veel opschudding gezorgd. Niet alleen omdat ze voor de volwassendoop waren (volwassenen werden weder=opnieuw gedoopt), maar ook omdat er nogal wat vreemde praktijken waren bij de Wederdopers.

De Heidelberger Catechismus
De Heidelberger Catechismus is bedoeld om de gewone mensen in de kerk uitleg te geven over wat het geloof inhoudt. Thema’s die aan de orde komen:

  • de geloofsbelijdenis: Wat doet God in jouw leven en in de wereld waarin wij leven?
  • doop en avondmaal: hoe horen we bij Christus en hoe krijgen we deel aan de redding?
  • de Tien geboden: Hoe leven we als christenen tot eer van God? Hoe doen we Zijn wil?
  • en het Onze Vader: Hoe leren we bidden?

Je zou kunnen zeggen: een gelovige hoort zijn geloof op deze thema’s onder woorden te kunnen brengen. De belijdenis bestaat uit vragen en antwoorden. De leermeester stelde de vragen en de leerling gaf antwoord. Zo leerde de leerling zijn eigen geloof persoonlijk onder woorden te brengen.
Deze geloofsbelijdenis is in 1563 ontstaan in Heidelberg. Omdat op dat moment er een gemeente was van uit Nederland gevluchte protestanten, raakte deze belijdenis ook in Nederland bekend.
Deze belijdenis is opgedeeld in 52 zondagen. ‘s Middags konden de jongeren op catechisatie die zondag leren en in de middagdienst werd over die zondag in de kerkdienst gepreekt.

De Dordtse Leerregels
De Dordtse Leerregels gaan onder andere over hoe je gered kunt worden. In 1610 zei Arminius: God redt mensen op basis van hun geloof. Omdat God weet dat mensen gaan geloven, gaat Hij hen redden. De tegenstanders vonden dat Arminius de redding teveel afhankelijk maakte van hoe mensen zullen reageren. God is niet afhankelijk van onze reactie, van ons antwoord. In 1618 komt er een officiële vergadering in Dordrecht, waarin wordt aangegeven dat de kerk kiest voor de lijn van Arminius’ tegenstanders.

Norm of richtlijn?
Veel kerken in Nederland hebben deze 6 belijdenisgeschriften. Er is wel in de afgelopen eeuwen discussie geweest over hoe je ze moet gebruiken. De één ziet ze als norm waarvan je niet mag afwijken. Ook niet als individuele gelovige. De ander ziet de belijdenisgeschriften meer als richtlijn: zo zou je kunnen geloven. De één ziet ze als een samenvatting van wat er in de Bijbel staat. De ander zegt dat je je beter met de Bijbel zelf kunt bezig houden. Het is de moeite waard om de geloofsbelijdenis er steeds bij te pakken. Al kan de plechtige taal waarin ze geschreven zijn een belemmering zijn. Een belemmering om ze goed te kunnen gebruiken is, dat ze ook wel eens over thema’s gaan, die vandaag niet zo actueel meer zijn.
De officiële lijn is dat belijdenisgeschriften aangepast mogen worden, maar dat moet dan wel gebeuren op basis van wat er in de Bijbel staat.  

 

Vraag 4: De eerste vraag van de Heidelberger Catechismus is: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Probeer hiervoor je eigen antwoord te formuleren. Wat zou jij zelf op die vraag antwoorden?




Vraag 5: Vergelijk je antwoord met het antwoord uit de Heidelberger Catechismus.
– Welke thema’s heeft de Catechismus, die jij niet hebt?


– Welke thema’s heb jij die niet in de Catechismus staan?


Vraag 6: In de Heidelberger Catechismus worden de geloofsbelijdenis, doop en avondmaal, de Tien geboden en het Onze Vader uitgelegd. Waarover zou jij zelf meer uitleg willen hebben?


 

Citaten over “Nedergedaald ter helle”

Citaten over “Nedergedaald ter helle”

In verband met een preek over Nedergedaald ter helle, een zinsnede uit de Apostolische Geloodsbelijdenis, heb ik in mijn boekenkast dogmatieken, uitleggen van het credo en van de Heidelberger Catechismus nagezocht op hoe zij hierover schrijven. Hier een aantal citaten:

(Onveranderde) Augsburgse Confessie – artikel III (1530)
Er is één Christus, waarlijk God en waarlijk mens, geboren uit de maagd Maria, die waarlijk geleden heeft, die gekruisigd, gestorven en begraven is, p[dat Hij de Vader met ons verzoende. Hij was niet alleen het offer voor de erfzonde, maar ook voor alle daadwerkelijke begane zonden van de mens. Diezelfde Christus daalde af in de hel en stond waarlijk op, op de derde dag; vervolgens steeg Hij op naar de hemel, opdat Hij aan de rechterzijde van de Vader zou zitten, een eeuwig zou regeren en heersen over alle schepselen. Hij zal degenen die in Hem geloven heiligen, door in hun hart de Heilige Geest te zenden, die hen regeert, troost en levend maakt, en hen beschermt tegen de duivel en de kracht van de zonde.

Catechismus van Genève – vraag 76 (1542)
Dienaar: Wat betekent de toevoeging, dat Hij is nedergedaald in het rijk van de dood?
Leerling: Niet alleen, dat Hij de natuurlijke dood heeft ondergaan, die de scheiding van lichaam en ziel betekent, maar ook, dat zijn ziel benauwd geweest is door een bijzondere angst, die de heilige Petrus de weeën van de dood noemt (Handelingen 2:24).

Johannes Calvijn – Institutie II.8-12 (1559) – vertaling C.A. de Niet
Ook aan Christus’ afdaling in de hel mogen we niet voorbijgaan, want deze is van groot belang voor de bewerkstelliging van de verlossing. (§ 8)

Zielen van gestorven mensen in een kerker opsluiten, dat is toch onzinnig? En dat de ziel van Christus daarheen afdaalde om hen in vrijheid te stellen, waarom moest dat? (§ 9)

Het zou niets opgeleverd hebben indien Christus alleen een lichamelijke dood gestorven zou zijn. Nee, het was ook nuttig dat Hij de ernst van Gods wraak zou ondervinden om zo Gods toorn te stillen en aan Zijn rechtvaardig oordeel genoegdoening te geven. Vandaar dat Hij ook als het ware handgemeen moest raken met de machten van de hel en worstelen met de verschrikking van de eeuwige dood. (§ 9)

Nederlandse geloofsbelijdenis – artikel 19 (1561)
Zo was het dus wat Hij bij zijn sterven in de handen van zijn Vader heeft overgegeven een echt menselijke geest, die zijn lichaam verliet, maar intussen bleef de goddelijke natuur steeds met de menselijke verenigd, ook toen Hij in het graf lag.

Heidelberger Catechismus – vraag 44 (zondag 16) (1562)
Vraag 44: Waarom volgt daar: nedergedaald ter helle?
Opdat ik in mijn hoogste aanvechtingen verzekerd zij en mij ganselijk vertrooste, dat mijn Heere Jezus Christus door Zijn onuitsprekelijke benauwdheid, smarten, verschrikking en helse kwelling, in welke Hij in Zijn ganse lijden, maar inzonderheid aan het kruis gezonken was, mij van de helse benauwdheid en pijn verlost heeft.

Dordtse Leerregels – artikel II.4 (1619)
Deze dood is van zo grote kracht en waarde, omdat de Persoon, die hem ondergaan heeft, niet alleen een waarachtig en volkomen heilig mens is, maar ook de eniggeboren Zoon van God, van hetzelfde eeuwige en oneindige wezen met de Vader en de Heilige Geest, zoals onze Heiland moest zijn. Bovendien omdat zijn dood gepaard ging met het ervaren van Gods toorn en van de vloek, die wij door onze zonden verdiend hadden.

A. Kuyper – E voto dordraceno I, Zondag XVI, hoofdstuk VII (1892)
De “Nederdaling ter helle”is een zeer wezenlijk en ten volle doorworstelen van het lijden der helle geweest, een uitdrinken van meer dan den tijdelijken dood, ja een sterven van den eeuwigen dood, in de klare verlatenheid van God. Het was een lijden, dat den Christus dreigde heel zijn aanzijn op aarde door, en dat het eerst met de Opstanding uit het graf geheel wierd afgesneden. Alzoo is het een wezenlijk stuk onzer zaligheid, omdat zonder deze nederdaling ter helle de eeuwige dood en het lijden der helle nog voor onze rekening zou liggen. Maar, hoe hoog ook in waardij, van een plaatselijk nederdalen in de diepte des verderfs of van een prediking aan de oudvaderen, terwijl zijn lichaam in het graf lag, is ganschelijk in de Schrift geen sprake; zelfs kan er, zonder heel de voorstelling der Schrift geweld aan te doen, niet aan worden gedacht.

Herman Bavinck – Gereformeerde Dogmatiek III § 46 (1902)
En alle Gereformeerden zonder onderscheid bestreden het gevoelen der Roomschen en beleden, dat Christus ook in zijne ziel, ofschoon daarin voor het schrikkelijkste in de straf, voor zelfbeschuldiging, wroeging en wanhoop geen plaats was, den toorn  Gods gedragen en den geestelijken dood zijner verlating gesmaakt heeft. Maar dit alles neemt in het minst niet weg dit andere feit, dat de staat des doods, in welken Christus met zijn sterven is ingegaan, een even wezenlijke bestanddeel van zijne vernedering heeft uitgemaakt als zijn zielelijden aan het kruis.

K. Schilder – Christus in zijn lijden III (1930), 156
Het staat met die ontkleeding van den Zoon precies zóó als met alle andere dingen van Golgotha: men moet ze zien sub specie novissimae diei: men moet er in vinden de beroeringen van de jongsten dag.  (…) De spijkers en de hamers, die bleken ons reeds eerder katastrofale machten van den jongsten dag. Welnu: de ontkleeding van den Heiland staat onder dezelfde wet: hier was de helsche schande.

O. Noordmans (geciteerd bij Van Niftrik)
In een tijd van apocalyptische aspecten kan de prediking zich eigenlijk niet veroorloven een artikel als dit op non-activiteit te plaatsen. De wereld is er sedert de Renaissance en de Kerkhervorming niet zoo humaan geworden, dat zij het diepste en het ergste zou mogen beperken tot de menselijke ziel.

G.C. van Niftrik – Kleine Dogmatiek (1944), 124, 126
De kerk heeft nu meer dan ooit als roeping om te belijden tot haar troost en kracht: Nedergedaald ter helle.

Practisch beteekent het artikel over de hellevaart van Christus voor ons de zekerheid, dat Christus in alle aanvechting en leed, ook in de hel van de oorlog en verschrikking, niet verre van ons maar bij ons is als Triomfator, die heeft overwonnen. Dood en hel zijn Zijn verwonnelingen.

Karl Barth – Dogmatik im Grundriß (1947), 139:
Es ist ein Ausgeschlossensein von Gott und das macht den Tod so furchtbar, die Hölle zur Hölle. Daß der Mensch von Gott getrennt ist: das heißt an dem Ort der Qual sein. Heulen und Zähneklappen: unsere Vorstellung reicht nicht hin an diese Wirklichkeit, dieses Sein ohne Gott. Der Atheist weißt nicht was Gott-losigkeit ist. Gottlosigkeit ist die Existenz in der Hölle. Was bliebt übrig als Ergebnis der Sünde als das? Hat sich der Mensch nicht mit seiner Tat gesondert von Gott? Niedergefahren zur Hölle, ist nur die Bestätigung. Gottes Gericht ist gerecht, d.h. es gibt dem Menschen, was er gewollt hat. Gott wäre nicht Gott, der Schöpfer nicht der Schöpfer, das Geschöpf nicht das Geschöpf und der Mensch nicht der Mensch, wenn dieses Urteil und seine Vollstreckung ausbleiben könnte.
Aber nun sagt uns ja das Glaubensbekenntnis, daß die Vollstreckung dieses Urteils in der Weise von Gott vollzogen wird, daß Er, Gott selber, in Jesus Christus seinem Sohn, der wahrer Gott und wahrer Mensch zugleich ist, an die Stelle des verurteilten Mensch tritt.

Paul Althaus – Die christliche Wahrheit. Lehrbuch Dogmatik (1948), 268:
Dogmatisch sit zur  Höllenfahrt zu sagen: der Artikel des Bekenntnisses Niedergefahren zur Hölle bedeutet für uns auch in dem zweiten Sinne, den er in der Dogmengeschichte gewonnen hat, keine Aussage über ein chronologisch zu fixierendes Geschehnis neben Kreuz und Auferstehung Jesu. Der christliche Glaube kann ihn aber, neben seiner oben behandelten ersten Bedeutung, als Ausdruck für die Tiefe des Leidenkampfes und des Sieges Jesu nehmen: Jesus hat in seinem Sterben auch die Hölle, nämlich die satanische Anfechtung der Gottverlassenheit erlitten und sie, indem er auch hier der Sohn blieb, für uns überwunden.

H. de Vos, Het christelijk geloof (1948), 206
De bedoeling is niet slechts, dat Jezus Christus in het dodenrijk geweest is, maar dat Hij er ook iets beslissends gedaan heeft. Volgens 1 Petrus heeft Hij er gepredikt en nog wel aan mensen, die van een bizonder ongeloof jegens God blijk gegeven hadden. Zelfs aan deze verstokte zondaren heeft Jezus nog het Evangelie gebracht, opdat zij zich nog zouden bekeren en gered worden. Jezus Christus geeft dus nog aan de ergste zondaren een kans; een wel troostrijke gedachte. Dat sluit echter in, dat Jezus Christus ook de macht heeft over het dodenkrijk en den dood. Hij kan er doordringen en den dood zijn slachtoffers ontrukken.

Emil Brunner – Dogmatik II (1950), 432-433
Innerhalb der Lehre von Jesus, dem Christus, kann der Gedanke des descensus ad inferors für uns kaum anders als in der Deutung der Reformierten in Betracht kommen, nämlich als Ausdruck dafür, dass Jesus nicht bloss höchstes menschliches Leiden auf sich genommen und durchgekostet habe, sondern ein Mass des Leidens, der Gottverlassenheit, das ausser ihm keiner efurh, das wir uns nur als Vorwegnehmen der Hölle – aber dann eben nicht des Totenreiches, sondern des Zustandes völliger Gottgetrenntheit – vorstellen können.

G.TH. Rothuizen – Allemaal zondagen (1959), 59-60, 60-61
Onze belijdenis, die keurig gewacht heeft tot de bijbel helemaal is uitgesproken, ook over dit onderwerp, weet, dat de dood op iets ongewoon heerlijks neerkomt: de hemel of op iets ongewoon ergs: de hel.
Die laatste is er. Niet omdat die harde gereformeerden dat altijd zo graag hebben gewild en geregeld over hel-en-verdoemenis preken – ik heb nog nooit zo’n preek gehoord en wilde wel, dàt ik er eens een hoorde – maar omdat de zachtste mens ter wereld gezegd heeft, dat er zoiets bestond: Jezus Christus.
Natuurlijk niet als een algemene werkelijkheid voor de heidenen, maar als een dreigend gevaar voor de gelovigen! Als God het volle recht op zijn liefde laat gelden, dan is het mogelijk, dat men juist dááraan ontkomt. En wie God zó serieus wil nemen, dat hij verdoemenis en ongeloof onmogelijk meer serieus kan nemen, die neemt de mens minder serieus dan God Zelf doet en die neemt dus God Zelf niet serieus genoeg op dit punt. Want God neemt de mens serieus nl. in z’n geloof, óók op dat in de hel.

De catechismus wil mij juist deze hoogste aanvechtingen van het lijf houden en mij vertellen, dat sinds Jezus er is geweest, dat het juist niet meer de bedoeling is, dat ìk er kom, in de hel. Hij is tenslotte de enige, die weet, wat het woordje precies inhoudt, en die zich dus wel driemaal bedenken zal, voor Hij iemand daarin toelaat.

Th.L. Haitjema, De Heidelberger Catechismus als klankbodem en inhoud van het actuele belijden onzer kerk (1962), 114, 115
Er is dan ook reden te over, om de uitleg, die antwoord 44 van Christus’ nederdaling ter helle geeft, en die gerust een oer-reformatorische correctie genomen mag worden op de ‘verroomsing’ van het antieke denken over een vaart door de onderwereld van Christus tussen zijn begrafenis en opstanding, om de demonen van hun buit te ontroven en de vromen onder de oude bedeling op te voeren tot de volle hemelse zaligheid, aan te vullen met het waarheidsmoment, dat in die visie schuilt, welke recht wil blijven doen aan de gedachte, dat het heilsfeit van de nederdaling ter helle volgde op de begrafenis van Jezus.

Ook dan echter – dus tussen graflegging en opstanding – was en bleef de Zoon Gods nog de actieve Middelaar. Hoe sober wij hierover ook moeten spreken, verzwegen mag toch niet worden, dat het Middelaarswerk van Jezus Christus zó diep grijpt, dat het tussen Goede Vrijdag en Pasen tot in het dodenrijk (in de oudtestamentische zin verstaan als Sjeool) zich uitstrekte tot onze verlossing en in onze plaats.

Hans-Joachim Iwand – Luthers Theologie (Nachgelassene Werke, 1974), 188-189
Der glaubende Mensch wird nicht nur vor die Frage nach der Überwindung der Sünden gestellt, denn diese hat ja keinen Sinn, wenn nicht der Tod als die letzte Macht überwunden wird. Darum konzentriert sich dann die Frage nach den Mächten um den Tod. Hier entwickelt Luther die Lehre von der Auferstehung, von dem Sieg Christi über den Tod.
Vielleicht kann man sagen, daß Luthers Theologie dort überall falsch verstanden wird, wo sie beschränkt wird auf die Vergebung der Sünden. Da muß sie bezogen werden auf die Überwindung des Schuldbewußtseins. Alles, was wir vom Gewissen gehört haben, wird nur dann recht verstanden, wenn wir von da aus weitergehen zu der Frage nach der Überwindung des Todes. Ik würde glauben, daß das ganze Problem der sogenannten “Letzten Dinge”, vielleicht auch die ganze Frage der Entmythologisierung, angefaßt werden müßte vom Gedanken des Todes her. Es ist unmöglich, in seinem Gewissen froh und frei zu werden durch Jesus Christus, wirklich zu wissen, was die Vergebung der Sünden bedeutet, wenn ich nicht an die Überwindung des Todes glauben kann. Wir werden in der Theologie noch lernen müssen, daß die Lehre von der Sünde nicht zu entfalten ist ohne die Lehre vom Tod.

Joseph Ratzinger
Vielleicht steht kein Glaubensartikel unserem Bewusstsein so fern wie diesen.

J.A. Heyns – Dogmatiek (1978), 263
Die Nuwe Testament leer niks meer as die blote feit dat Jesus dood was, en as sodanig dus in die doderuk verkeer het, vanwaar Hy op die derde dag weer opgestaan het. Die woorde in die geloofsbelydenis sal egter nie anders verstaan kan word nie as uitdrukking van die feit dat Christus alle moontlike pyn en smart, alle angs en droefheid verduur het. In die diepste duisternis van die gebroek wêreld het Hy volledig weggesink terwyl die droefheid van sy siel en die benoudheid van sy ontstelde gemoed Hom sweet soos bloeddruppels op die grond laat val het en Hy uiteindelik aan die kruis moes uitroep: ‘My God, My God, waarom het U My verlaat?’ Maar hier, in die diepste van die dood se duisternis het die groot en finale wending ná drie dae dan ook gekom, toe die vernedering van sy lewe met de glans van die verhoging vervang is.

Wolfhart Pannenberg 
Diese dunkle Tiefe menschlichen Sterbens kommt nur dort zu Bewußtsein, wo den Tod als Ausschluß von Gott erfahren wird, und daß kann nur in dem Maße der Fall sein, wie jemand von der Nähe Gottes weiß. Im vollen Bewußtsein der Nähe Gottes doch von ihm ausgeschlossen zu sein, darin hat die alte Dogmatik die Qual der Hölle gesehen. Darin liegt das sachliche Recht von Luthers Deutung der Höllenfahrt Christi auf die Gewissensnot des Gekreuzigten, auf die seelischen Qual, die der Verkündiger der Nähe Gottes erfahren haben muß.

Hans Küng
Die Fahrt ins Totenreich also symbolisch verstanden nicht als eine Leidensfahrt, als letzter Akt der Erneidrigung, nein, als Triumphfahrt und letzter Akt der Erhöhung.

J. van Genderen / W.H. Velema – Beknopte Gereformeerde Dogmatiek (1992), 446
Wij mogen bij de nederdaling ter helle denken aan de staat van de dood, waarin Christus tussen zijn sterven en zijn opstanding verkeerde. Ook daarin is Hij onze Middelaar, die de straf voor de zonde tot het einde toe draagt om ons ervan te verlossen.

Eberhard Busch – Die Freiheit zugetan. Christlicher Glaube heute – im Gespräch mit dem Heidelberger Katechismus (1998), 165
Daß der Gottessohn am Kreuz, in seinem Sich-Einlassen auf aus, sich unserer Sünde, unserem Elend, unserer Verlorenheit ausgesetzt hat, das bedeutet in letzter Konsequenz, daß er sich damit unserer Gottesverlassenheit ausgesetzt und damit unaussprechliche Angst, Schmerzen und Schrecken in seiner Seele erlitten hat. Das ist der Abstieg zur Hölle: Mein Gott, warum hast du mich verlassen? (Mt. 27, 46). Aber auch das erlitt er für uns – zum Trost in unseren Anfechtungen, höllische Angst und Pein, manchmal lange Tage und Nächte hindurch, manchmal so, daß wir vor Rätsel gestellt werden und durch sie in Schatten geraten, wo wir nicht aus noch ein wissen. Aber wenn uns etwas darin und daraus kann, dann ist es die Erkenntnis: Er ist in dieser Anfechtung mitten drin und mit uns – er, der die Gottverlassenheit durchlitt, damit wir uns daran klammern und daran aufrichten: daß eben darum auch in der tiefsten Finsternis Gott uns nicht verläßt.

A. van de Beek – Jezus Kurios.  De Christologie als hart van de theologie (1998), 160, 161, 162-163
De nederdaling ter helle is bedoeld om te laten zien dat er niet alleen de werkelijkheid van ons mensen is en de werkelijkheid van God, maar ook de werkelijkheid van onze duisternis. Het is weerspiegeling van onze ervaring dat het kwaad ons te boven gaat en ons voorafgaat. Het gaat om de macht van de duisternis. Het gaat ook om de macht van de dood, die over ons heerst. We zijn daaraan onderworpen. We zijn er ook aan overgeleverd.

Aan deze werkelijkheid heeft God zijn Zoon overgeleverd. Jezus participeert dus niet alleen in het historische lot van schuld en lijden van mensen, maar ook aan hun transcendente vervallenheid aan het kwaad en het finale oordeel. God is naar de hel gegaan. En dat was nodig, want daar bevonden zich veel mensen en daar bevond zich de brandhaard van het kwaad.


Omdat de hel van een andere orde is dan de wereld, maakt de ontmythologisering ook duidelijk, dat de strijd en de overwinning van Christus niet na zijn dood nog op een andere plaats eens worden overgedaan. De beslissing valt eens en voor altijd op Golgotha.
Daar is de duivel verslagen. Daar heeft Jezus de demonische werkelijkheid onder ogen gezien. De zinsnede over de nederdaling ter helle wil zeggen dat de kruisdood verder reikte dan alleen aardse verhoudingen en machten. In die zin wordt het kruis al uitgelegd door Athanasius, die zegt dat aan het kruis, in de lucht, de boze geesten rondwaren en dat juist daarom Jezus in die sfeer zijn werk volbracht. Alleen als we geloven dat aan het kruis alle machten overwonnen zijn, kunnen we begrijpen dat Jezus vóór zijn dood volgens Johannes zegt: ‘Het is volbracht.’
Na zijn dood, als alles volbracht is, kan Jezus als bevrijder van het eigen domein van het kwaad binnengaan en de verlossing verkondigen van hen die onder de macht van de duivel gevangen zaten. Het is de eerste plek waar Pasen gevierd wordt. Net als bij de komst van Jezus in de wereld de demonen de eersten waren die Hem erkenden als de Heilige Gods, zo is na zijn volbrachte werk het rijk van het kwaad het eerste dat het bericht van Jezus’ overwinning hoort. Hij komt de boodschap er persoonlijk brengen. Want het is zijn domein en niet dat van een andere God, net als het hout van het kruis dat door Hem geschapen is.

K. Zwanepol – Een menselijke God. De betekenis van Christus voor Luther (2001), 79
In het dubbelaspect van vernedering en verhoging van de nederdaling ter helle, die gedurende de drie dagen tussen het sterven van Jezus en zijn opstanding is gesitueerd, weerspiegelt zich bij Luther de synopsis van kruis en opstanding. Het gaat om één beweging waarbij de nederdaling ter helle zowel de afdaling in de afgrond van de dood en oordeel als tegelijk de weg omhoog naar verlossing en heerlijkheid markeert.

Ingo Baldermann – Ich glaube. Erfahrungen mit dem Apostolischen Glaubensbekenntnis (2004),
So ist er hingegangen zu all den trostlos Untergegangenen, die zuletzt keine Hoffnung mehr hatten.

G. van den Brink / C. van der Kooi, Christelijke Dogmatiek (2012), 416-417
Jezus voer niet slechts op ten hemel, Hij voer ook neer ter helle, d.w.z. naar het rijk van de dood waar geen contact met God mogelijk is. Beide voorstellingen hoeven daarbij uiteraard niet in de kaders van een verouderde kosmologie gevat te blijven, maar kunnen met het oog op hun voorstelbaarheid doorvertaald worden in termen van een hedendaags multidimensionaal wereldbeeld. Gezien dit alles zou er iets voor te zeggen zijn om als kerk, en eventueel ook als samenleving, rond Pasen niet alleen een Hemelvaarts-, maar ook een Hellevaartsdag te vieren.

Henk Vreekamp – Als Freyja zich laat zien. De code van het christendom (2013), 180, 181
Christenen geloven dat Jezus is neergedaald in de hel. En dat daarmee de hel niet meer is wat ze was.
Geloven in Jezus. Moet je daarvoor Jezus in de hemel zoeken, opklimmen en hem naar beneden halen, naar je toe, naar de aarde? Geloven in Jezus. Moet je Jezus zoeken bij de doden, in het dodenrijk, in de afgrond, en hem naar boven halen, naar je toe, naar de aarde? Geen van beide.

Fleming Rutledge, The Crucifixion. Understanding the Death of Jesus Christ (2015) 417
Perhaps the medieval image of the harrowing of hell seemed too literal to the Reformers, too much bound up with the extrabiblical mythology of Limbo and Purgatory. An argument of this chapter is that in the twenty-first century we need to reclaim some of that imagery. We need to understand hell, not as a place, to be sure, but as a domain where evil has become the reigning reality – an empire of death, als Cyril called it. Certainly Barth, in the Barmen Declaration against the Third Reich, showed himself to be thoroughly capable of standing up to demonic usurpation. In our era it has become essential for Christians to appropriate an apocalyptic scenario that takes full account of Satan’s realm, Christ’s invasion of it, and the calling of God’s people to resist in his name. A sense of the principalities and powers is necessary for discerning what the Enemy is up to.

Wat is geloven?

Wat is geloven?
Georg Plasger over “Geloven vandaag de dag met de Heidelberger Catechismus” – deel 3

Wat is geloven? De Amerikaanse auteur Ambrose Bierce heeft daar een duidelijke mening over. Want in zijn Woordenboek van de duivel geeft hij de volgende definitie: Geloof: dingen voor waarhouden, waarvoor er geen parallellen zijn te vinden, waar geen bewijzen voor zijn te vinden en die iemand verkondigt zonder daar kennis van te hebben.

Ook binnen de kerk is niet altijd duidelijk wat geloven is. De Nederlandse theoloog Harry M. Kuitert schreef eens een boek met de titel: Het algemeen betwijfeld christelijk geloof. Met de titel al wilde hij aangeven dat er veel mensen (buiten en binnen de kerk) zijn die niet meer het geloof van de kerk voor hun rekening kunnen nemen. Het geleefd geloof van veel mensen wijkt sterk af van de officiële leer van de kerk. Het geloof wordt betwijfeld. Houdt dat in, dat geloven een individuele mening is?

Het verschil tussen het geleefd geloof en de officiële leer van de kerk is niet nieuw. In de 17e eeuw kwamen het Piëtisme en de Verlichting op. Beide stromingen benadrukten op hun eigen manier het verschil, maar leggen beide de nadruk op het individu.

Piëtisme
Voor het Piëtisme lag de nadruk op het persoonlijk geloof, waarbij men zich niet kon verschuilen achter de leer van de kerk. Het onderschrijven van de kerkelijke leer hield nog niet in, dat men geloofde.

Verlichting
Bij de Verlichting gaat het erom, dat verstand de opvattingen van de kerk moest beoordelen. Bepaalde onderdelen van de kerkelijke leer moesten het afleggen tegen de rationalistische doordenking van het christelijk geloof.

Orthodoxie
Beide stromingen waren een reactie op de Orthodoxie. De orthodoxie was een stroming uit de tijd na de Reformatie en na het opstellen van de Heidelberger Catechismus. De orthodoxie wilde de waarheid van de Reformatoren vasthouden. Voor hen ging het er juist om, dat de gelovige de officiële leer van de kerk overnam.
Onze tijd en hedendaagse visies op geloven zijn meer door de Verlichting en het Piëtisme gestempeld dan door de Orthodoxie

Niet het geloof staat voorop
De Heidelberger Catechismus, die in de tijd vóór de Orthodoxie opgesteld is, begint niet met de definitie van geloven. Een definitie wordt pas in vraag en antwoord 21 gegeven. In deze catechismus ligt de nadruk niet op het geloof of op de mens die gelooft. De Heidelberger Catechismus stelt niet de vraag: wat maakt de gelovige anders ten opzichte van de niet-gelovige? Ook niet met de vraag: Wat doen mensen als zij geloven.

Handelen van God
De Heidelberger Catechismus start met Jezus Christus, waarlijk God en waarlijk mens en die geschonken is tot onze volkomen verlossing en gerechtigheid. Voor de Heidelberger Catechismus gaat het om het handelen van God: God schept, roept. De mens reageert op het handelen van God doordat hij in geloof antwoordt. Geloven begint met een communicatie die eenzijdig begonnen wordt (namelijk door God).
Dat is ook een rode lijn in het Nieuwe Testament: Gods komen in Jezus Christus geschiedt en de mens gelooft door dit komen. De opstanding geschiedt en daardoor beginnen mensen te geloven. De Geest komt naar Jeruzalem en de kerk, de gemeenschap van degenen die in Jezus Christus geloven, groeit.
De nadruk op de eenzijdig door God begonnen communicatie mag niet uit het oog verloren worden, wil de Heidelberger Catechismus begrepen worden.

Wat is een echt geloof?
De Heidelberger Catechismus gaat zozeer uit van het handelen van God dat niet gevraagd wordt welke godsdienst de juiste is. In deze catechismus wordt geloven aan de orde gesteld binnen de relatie die er tussen God en de gelovige is.
In het antwoord op de vraag wat een waar geloof is worden 3 begrippen genoemd:
– weten
– voor waarachtig houden
– vast vertrouwen

Een echt geloof is niet alleen een stellig weten of kennen waardoor ik alles voor waarachtig houd wat God ons in zijn Woord heeft geopenbaard, maar ook een vast vertrouwen, dat de Heilige Geest door het evangelie in mijn hart werkt, dat niet alleen aan anderen, maar ook aan mij vergeving van zonden, eeuwige gerechtigheid en heil door God geschonken is, louter uit genade, alleen op grond va Christus’ verdienste.

Kennis van God
In het antwoord wordt er gesproken over kennis. In navolging van Calvijn gaat het om kennis van God. Calvijn start zijn catechismus met de vraag: Wat is de bestemming van het menselijk leven? Daarop antwoordt de leerling: Dat wij God, door wie wij geschapen zijn, erkennen.
In de Heidelberger Catechismus gaat het om de kennis van God, zoals deze in de apostolische geloofsbelijdenis is verwoord.
Deze belijdenis is niet een toevoeging, maar een essentieel bestanddeel van het geloven. In deze apostolische geloofsbelijdenis gaat het eveneens om het handelen van God. De kennis en het belijden van God gaat om kennis van de in Jezus Christus openbaar geworden humaniteit van God. Dit kennen gebeurt met het gehele menselijke bestaan, met huid en haar, met lichaam en ziel.

Wanneer gelovigen vandaag de dag niet in staat zijn om te verwoorden wat zij geloven is dat een teken van de onmondigheid waarin veel christenen zich vandaag de dag bevinden, aldus Plasger.

Voor waarachtig houden
Deze formulering is enigszins merkwaardig, maar gaat terug op een Bijbelse manier van denken. Het gaat om het verwerken van het Hebreeuwse woord èmèt (trouw). God is de ware God, omdat Hij trouw is: trouw aan Zichzelf en trouw aan Zijn schepping. Daarom is ook zijn Woord te vertrouwen.
Door deze gedachte wil de Heidelberger Catechismus laten zien, dat het in geloven en het voor waarachtig houden van wat God spreekt ook gaat om een overwinning op de zonde. Want de zonde – waar het in het vierde deel over zal gaan – bestaat uit wantrouwen ten opzichte van God en van wat Hij spreekt. In het geloof is dat wantrouwen overwonnen. De gelovige kan Gods Woord weer als betrouwbaar aannemen.

Hartelijk vertrouwen
Voor de christen is geloof niet alleen een overtuiging, maar ook een geschenk van God. Ieder mens stuit op de vraag of geloof niet iets is wat hij of zij zelf heeft ingebeeld, een wensbeeld of een projectie. Voor niet-gelovigen is geloof vooral een persoonlijke overtuiging. Dat is geloof ook. Maar voor de Heidelberger Catechismus is geloven een geschenk van God.
Het is namelijk de Heilige Geest die in mijn hart werkt. Ik hoor door de Heilige Geest dat het evangelie ook voor mij is: dat Christus voor mij gestorven is, dat de vergeving ook voor mij geldt, dat het evangelie aan mij is geadresseerd.
Geloof is dus geen bezit of prestatie, maar een vertrouwen in het evangelie dat door de Geest in ons wordt gewekt en gewerkt.

Samen
Deze 3 aspecten horen bij elkaar. K.H. Miskotte wees er in zijn uitleg van dit antwoord erop, dat het antwoord ook voor misverstanden kan zorgen door te gaan denken dat deze aspecten van elkaar gescheiden kunnen worden. Of door het vertrouwen los te koppelen van de kennis van God.
In de kerkgeschiedenis is het voortdurend voorgekomen, dat men een van deze aspecten eruit lichtte en overaccentueerde:
– De Orthodoxie bijvoorbeeld verwisselde geloven met kennis van de Bijbel en/of van de catechismus. Maar dan wordt geloven is van het verstand alleen en wordt geloven een menselijke prestatie.
– Wanneer de nadruk op het voor waarachtig houden komt te liggen, zoals in het Piëtisme, ligt alle accent op de beslissing om te gaan geloven.
– Wanneer de nadruk ligt op het hartelijke vertrouwen dan bestaat het gevaar dat God als tegenover uit beeld verdwijnt en dat het niet meer gaat om Zijn handelen aan ons en in onze werkelijkheid.
Miskotte benadrukte terecht dat het in de geheiligde kennis van God reeds om vertrouwen gaat.

Kanaal
Voor zowel de Heidelberger Catechismus als de daarin gethematiseerde Apostolische Geloofsbelijdenis ligt het accent op het handelen van God. Dat roept de vraag op in hoeverre het menselijke geloof er nog toe doet.
De Heidelberger Catechismus stelt ook deze vraag: Maar wat baat het nu dat gij dit alles gelooft? (Vraag 59) Antwoord: Dat ik in Christus voor God rechtvaardig ben en een erfgenaam van het eeuwige leven.
In het handelen van God om de mens. Bovendien gaat het bij kennis van God altijd om de relatie die er tussen God en mens is. Het geloof is het kanaal waardoor de mens alles van God ontvangt: de kennis van God, de rechtvaardigheid, het geschenk van het eeuwige leven, de gemeenschap met Christus, het vertrouwen.

Daarom staat deze catechismus bewust niet stil bij de vraag hoe sterk het geloof moet zijn of wat een kenmerk is van een echt geloof. Deze vragen doen vergeten dat het geloof geen menselijke prestatie of bezit is. Het geloof is een geschenk van God, een kanaal waardoor wij alles van God ontvangen. Wat God ons geeft is genoeg en betrouwbaar. Geloven is niets anders dan – met dankbaarheid – in te stemmen met deze gave en met Gods trouw en betrouwbaarheid.

N.a.v. Georg Plasger, ‘Wissen, Für-Wahr-Halten und Vertrauen – oder: Was ist “glauben”?, in: Idem, Glauben heute mit dem Heidelberger Katechismus (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 41-54

De gemeente – Apostolische geloofsbelijdenis deel 4

De gemeente: lichaam van Christus, gemeenschap der heiligen
ds. M.J. Schuurman

De kerk heb je nodig!
Onlangs sprak ik een evangelist. Hij vertelde dat hij contact had met enkele jongens die jaren geleden tot geloof gekomen waren. Zij waren echter nauwelijks gegroeid in het geloof. Anderen, die later tot geloof kwamen, waren wel gegroeid. Hoe dat kwam? De eerste jongeren hadden zich niet aangesloten bij een gemeente.

Vraag: Wat hebben wij als kerk aan anderen te bieden?

Vraag: waarom is de kerk voor u belangrijk? Welke onderdelen van de kerk kunt u niet missen? Wat zouden Ilpendam en Watergang missen als er geen kerk meer is?

Van de Here
‘Kerk’ is afgeleid van het woord kuriakè. Dat woord betekent: van de Here (kurios). De kerk is dus niet van ons, maar van God. Lid van een kerk zijn betekent dus: wij zijn weer van God geworden. Alleen Hij is de Heer in ons leven. Wij moeten niet alles op aarde zoeken, want wij zijn op weg naar de stad van God. Wij zijn slechts vreemdelingen, pelgrims (1 Petrus 2:11).

Vraag: Wat betekent het vreemdelingschap voor de christelijke levensstijl? (zie eventueel de volgende verzen.)
Dat betekent ook dat wij alles wat er in de kerk gebeurt, proberen God te dienen en te gehoorzamen. De kerk is meer dan een koffieclub of een voetbalvereniging.
In het OT wordt het volk Israël ook ‘gemeente’ genoemd. Bijvoorbeeld in het boek Deuteronomium.
Opdracht: lees met elkaar Deuteronomium 8:7-20. Wat kunnen wij als gemeente daarvan leren? Hoe kunnen wij gehoorzaam aan God zijn?

Geroepen
Net zoals het volk Israël bevrijd is uit de slavernij, is geloof ook een bevrijding. Wij mogen nu bij het lichaam van Christus horen. De doop geeft de overgang van dood naar leven aan. In de doop zijn wij verbonden met de dood van Jezus (Romeinen 6:3-4). Wij zijn met Hem gestorven. Met het avondmaal wordt die dood, de betekenis daarvan voor ons, gevierd.
Opdracht: lees met elkaar 1 Petrus 2:9-10. Hoe stelt u die duisternis voor? En die roeping? Wat zegt het over God?

Opdracht: Lees met elkaar Mattheüs 5:13-16. Het gaat hier om een belofte en niet om een opdracht. Wat betekent dat voor ons christenzijn?

Gemeenschap van heiligen – gemeenschap van zondaars
In de geloofsbelijdenis staat: ik geloof de gemeenschap der heiligen. Zo zullen wij onszelf vaak niet zien. Maar zo ziet God ons wel als Hij door Zijn Zoon naar ons kijkt. Tegelijkertijd blijven wij hier zondaars.
Opdracht: Lees met elkaar Mattheüs 13:24-30. Wat betekent dat voor de gemeente?

Opdracht: Niet iedereen staat op hetzelfde geestelijke niveau. Lees met elkaar 1 Kor. 8. Wat betekent dat voor de gemeente?

Het gevaar is dat de gemeente het geloof laat verslappen of iets anders gaat geloven. Daarom zijn er ambtsdragers aangesteld.

Vervolging en verdrukking
Het evangelie stuit ook op weerstand. Niet iedereen wil geloven. Soms gaat de vijandschap zo ver, dat christenen worden vervolgd. Uiteindelijk is het God die ons vasthoudt.
Vraag: Hoe kunnen wij trouw blijven?

Ik geloof in Jezus Christus – Apostolische geloofsbelijdenis deel 2

Ik geloof in Jezus Christus, Gods eniggeboren Zoon
ds. M.J. Schuurman

Geloven in Jezus

§ 1 Wat weten wij over Jezus?
Wij hebben kennis over Jezus, omdat er vier evangeliën in de bijbel staan.
Naast de vier evangeliën zijn er nog veel meer geschriften, die beweren waarheid over Jezus te hebben. Dat zijn de zogenaamde apocriefe evangeliën. Deze geschriften zijn vaak veel later dan het Nieuwe Testament. Deze apocriefe geschriften zijn:
* Of weerslag van de vroomheid van de eerste christenen. De ‘gaten’ in het evangelie werden opgevuld.
* Of weerslag van concurrerende stromingen, die niet eens waren met de orthodoxe koers van de toenmalige kerk (bijvoorbeeld: gnostiek). Er zijn altijd mensen geweest die deze geschriften als de waarheid beschouwen. De kerk zou dan deze waarheid altijd hebben onderdrukt (o.a. Jacob Slavenburg, Jesus Seminar[1]). Vaak zit hier een verzet tegen het verzoenend lijden van Christus in of een ontkenning dat Jezus de Zoon van God was.
(Voor meer informatie: Enighard Meijering, De geschiedenis van het vroege christendom. Van de jood Jezus van Nazareth tot de romeinse keizer Constantijn).

§ 2 Jezus als Zoon van God
Als christenen belijden wij, dat Jezus vanuit de hemel naar de aarde is gezonden. Hij is de Zoon van God. Dat Hij de Zoon van God is, weten wij, omdat Hij ons dat Zélf heeft duidelijk gemaakt. De kerk heeft Hem niet tot Zoon van God verklaard! Hij kwam naar de aarde om de wil van de Vader te doen.
Vraag: Wat betekent het voor u om tot de Here Jezus te (mogen) bidden?

Jezus is dezelfde God als de Vader. Wij hebben geen drie goden, maar één God. In Jezus kwam God naar de aarde om ons te redden. Jezus was waarlijk mens en waarlijk God. (tweenaturenleer)
Vraag:
*
Wat is het gevaar als men tekortdoet aan Zijn menselijkheid?
* Wat is het gevaar als men tekortdoet aan Zijn goddelijkheid?

§ 3 Jezus als voorbeeld en Jezus als redder
Al sinds de 19e eeuw is er kritiek op de dood van de Here Jezus als verzoening tussen God en mensen. God zou dan een wrede God zijn, die ‘bloed wilde zien’. Dat is echter een karikatuur. In Jezus kwam God Zelf naar de aarde om onze schuld en zonde te dragen. Aan het kruis vroeg God geen offer van een ander, maar gaf Hij Zichzelf. Bovendien moet God niet met de mens verzoend worden, maar de mens met God. Het is de mens die weggelopen is.
De kritiek heeft wel tot gevolg, dat veel mensen Jezus alleen nog maar als inspirerend voorbeeld kunnen zien. Daarmee doet men echter tekort aan de Here Jezus: hij is niet alleen voorbeeld, maar ook redder.
Een gevolg is dat het kruis dan symbool wordt voor leed in de wereld en niet meer symbool is voor redding door en verzoening met God. Dan zegt men bijvoorbeeld: hij deelde in ons lijden. Dat is echter te weinig. Hij deelde niet alleen in ons lijden, maar Zijn leven en dood betekent ook voor ons verlossing van ons lijden.

Vraag: op welke manier is de Here Jezus voor ons tot een voorbeeld?

Vraag: op welke manier kunnen wij Hem niet navolgen en is Hij onze redder?

Opdracht:
zoek eens naar afbeeldingen of schilderijen waarop de Here Jezus duidelijk de Redder is. Zoek ook eens naar afbeeldingen waarop Hij alleen maar voorbeeld is of Zijn kruisdood ‘slechts’ symbool is voor het lijden van deze wereld.

Zonde
Zonde is vooral verzet tegen God. Men heeft nogal eens de neiging om zonde alleen te zien als het doen van verkeerde dingen. Maar zonde is vooral het overtreden van het eerste gebod. De Here Jezus is gekomen om in onze plaats gehoorzaam te zijn aan de Vader. Daarmee verzoent Hij ons met de Vader.
Als u bidt om vergeving van uw zonden, waar bidt u dan (concreet) om? Of is het een ‘automatisch’ gebed?

Plaatsvervanging; één in Christus zijn
Met Zijn dood stierf de Here Jezus voor ons. In onze plaats. In het geloof worden wij ingelijfd in Christus. Daardoor neemt Hij onze zonde en straf op ons en verkrijgen wij vrijspraak. (Luther noemde dat de vrolijke ruil). Dit wordt ook wel de rechtvaardigmaking van de goddeloze genoemd: God zal ons niet meer als zondaar beschouwen, maar zien als gerechtvaardigd in Christus.
Aan het kruis offerde de Here Jezus Zichzelf. Dat was een definitief offer. Dat offer hoeven wij niet over te doen. Dat betekent dat aan zelfverloochening een bepaalde grens zit: wij hoeven ons niet op te offeren voor een betere wereld. (Messiascomplex: denken dat jíj de wereld kan redden.)

Vraag:
Welke offers hoeven wij niet meer te brengen? Welke wel?

Vraag: Hoe kunnen wij één worden met Christus? Hoe worden wij bij Hem ingelijfd?

De drie ambten van Jezus
In het Oude Testament waren er drie belangrijke functies. Het bijzondere is dat de Here Jezus deze drie functies ineen had. Hij is dus de vervulling van het Oude Testament.
Profeet: de Here Jezus is gezalfd en heeft ons de wil van God bekendgemaakt.
Priester: de Here Jezus zorgt verzoening tussen God en mens.
Koning: door de Here Jezus mogen wij onderdaan worden. Hij heeft alles onderworpen. (Psalm 110:1 is de meest geciteerde tekst uit het Oude Testament.)

De Wederkomst van Christus

Vraag: Hebt u het idee dat u in de eindtijd leeft? Waarom wel / niet?

Rechter
De Here Jezus zal terugkomen om te oordelen. Zelf vind ik dat een troostvolle gedachte: Hij kent mij beter dan wie dan ook. Bovendien is Hij voor mij gestorven en geloof ik dat Zijn oordeel rechtvaardiger is. Het is onze Redder die over ons zal oordelen.

Vraag: Hoe kijkt u aan tegen het oordeel van God (over uw leven)? Wat is daar het evangelie in?

God doet recht

: Door de zonde is er allerlei onrecht in deze wereld. Ook onrecht dat mensen elkaar aandoen. Met de Wederkomst zet de Here alles recht. Denk eens aan Srebrenica, Auschwitz.

Opdracht: haal uit het Oude en Nieuwe Testament beelden van (na) de Wederkomst uit zal zien? Wat zeggen deze beelden? Wat betekent het dat God recht doet?

Apocalyptiek: In het bijbelboek Openbaring komen gruwelijke beelden voor. Sinds Star Wars, de milieuvervuiling en kernbom (mogelijkheid om de wereld te vernietigen) zijn de beelden beter voor te stellen. Deze beelden zijn ontstaan in tijden van verdrukking: God zal de grote vijand verslaan. De hoop is op God, die alles overwint. Gods plan staat vast en wordt onthuld (= apocalyps, een ander woord voor Openbaring).

Vraag: Hoe kunnen wij als gemeente ons voorbereiden op de Wederkomst?Hoe stimuleren wij verlangen naar de Wederkomst? Wat betekent het om bij God te zijn?


[1] Paul Verhoeven gaat een nieuwe film maken over de ‘werkelijke’ Jezus. De waarheid over deze Jezus is al 2000 jaar door de kerk onderdrukt. Hij baseert zich op de Jesus Seminar, een kleine en in wetenschappelijke kring zeer omstreden club. Deze club trekt wel veel aandacht, omdat hun boodschap anti-kerk en anti-christendom is. Goed voor publiciteit en verkoopcijfers. Gerenommeerde wetenschappers als Martin Hengel noemen de werkwijze van deze club: a-historisch onkritisch. Er zijn behoorlijk wat kritische kanttekeningen te plaatsten bij deze ‘werkelijke’ Jezus.

Apostolische geloofsbelijdenis – deel 1

Apostolische geloofsbelijdenis – deel 1
Ik geloof in God de Vader, de Almachtige, Schepper van hemel en aarde

§1 De apostolische geloofsbelijdenis
De apostolische geloofsbelijdenis (Apostolicum) is waarschijnlijk gegroeid uit de praktijk van het dopen. Al in het Nieuwe Testament zijn er belijdenissen.
De apostolische geloofsbelijdenis werd uitgebreid als antwoord op dwaalleren.
Er is een verhaal dat zegt, dat elke apostel op de Eerste Pinksterdag 1 artikel heeft uitgesproken – geïnspireerd door de Heilige Geest. Dat verhaal klopt niet. De geloofsbelijdenis is van latere datum: 3e tot 5e eeuw.
Maar wat er in de belijdenis staat, komt wel overeen met wat de apostelen verkondigd hebben. Al in 1 Kor. 15:3-5 (waarschijnlijk de oudste belijdenis) is een aantal onderdelen al aanwezig.
Vraag: Hebt u het boek van Dan Brown, De Da Vinci Code gelezen? Dat boek suggereert dat de Kerk de waarheid verborgen heeft gehouden. Hoe kijkt u daar tegen aan in het licht van het bovenstaande?

§ 2 Ik geloof
Geloven:
wie gelooft heeft zijn hele leven aan God toe vertrouwd. Geloven is niet alleen een zeker weten, maar ook een vast vertrouwen
Opdracht: Regelmatig zijn er opiniepeilingen, die vragen hoeveel vertrouwen ons volk nog heeft in het kabinet. Bedenk uit het dagelijks leven (reclame, krant, e.d.) waar er om vertrouwen gevraagd wordt.
Vraag: Wat is uw enige houvast in dit leven? Blijft dat hetzelfde als u ziek zou worden of als u zou overlijden? Vergelijk uw antwoord met vraag & antwoord 1 van de Heidelbergse Catechismus.

‘Maar sommigen twijfelden.’ (Mattheüs 28:17). Dit staat er als de discipelen de Opgestane Heer voor zich zien. Het evangelie van Mattheüs maakt onderscheid tussen:

Geloof                                                 Ongeloof
Twijfel, aanvechting, ergernis            Afwijzing, beschuldigen, praatjes rondstrooien (Mt 28)
Vraag: Met welk onderdeel hebt u moeite? Wat doet u om die twijfel of aanvechting te bestrijden? Wapent u zichzelf daar wel genoeg tegen?

Geloven kan ook betekenen dat u het hier nog niet helemaal ziet. Sommige dingen worden ons pas bekend gemaakt als wij voor God staan. Daarom kan geloven ook iets hebben van: geloven ondanks wat er gebeurt, of ondanks wat anderen zeggen.

Belijden heeft ook te maken met loven.
Vraag: Waar kunt u God dankbaar voor zijn? Hoe maakt u Gods naam groot? Welke lofliederen zijn voor u dierbaar?

Geloven heeft ook met levensstijl te maken. Als christen zijn wij geroepen uit de duisternis en zonde.

Vraag: Het laatste gedeelte van de Heidelbergse Catechismus heeft dankbaarheid. Waarvoor is men dankbaar? Welke onderdelen van het geloof worden daar behandeld? Wat kunt u daaruit leren.

Geloven doet u niet uit uzelf. Het geloof wordt u geschonken door de Heilige Geest. Geloven betekent dat wij worden verbonden met Christus (inlijving). Dat betekent dat wij ook anderen het geloof niet kunnen geven. We kunnen wel bidden of de Here dat geloof aan anderen wil geven.

§ 3 Ik geloof in God
Als christenen geloven wij in God. Wij hebben God niet verzonnen, maar Hij heeft Zich aan ons bekend gemaakt. Wij noemen dat openbaring.

Ons woord voor God is in het hebreeuws El en in het arabisch Allah. Toch kunnen wij niet zeggen dat het geen verschil maakt. God heeft ook nog een naam Here (JHWH). Die naam betekent: Ik-ben-er-voor-u. Deze naam wordt in het Nieuwe Testament ook verbonden aan de Here Jezus (Mt. 1:23; 28:20).

Wij geloven dat er maar één God is. In het zogenaamde sjema Israël (Deuteronomium 6:4) staat dat ook: De Here onze God is één. Het bijzondere aan God is dat Hij er is als Vader, Zoon en Heilige Geest. Wij noemen dat drie-eenheid (RK: drievuldigheid).

Er kunnen wel concurrenten van God zijn. Een beruchte is de mammon. Wij kunnen geen twee Heren dienen. Er is maar één die ons redding en vergeving schenkt: de Vader van onze Here Jezus Christus.
Opdracht: Probeer te bedenken wat voor onze tijd een mammon zou kunnen zijn. Hoe kunnen wij ons daar tegen wapenen?

§ 3.1 God de Vader
Ook op een andere manier is ons geloof anders dan de islam. De islam kan God niet als Vader zien. Wij zien God als de Vader van onze Here Jezus Christus. Waarom Vader? Omdat Hij in de bijbel zo genoemd wordt, Zichzelf op die manier bekend maakt.
God wil ook onze Vader zijn. Dat is het bijzondere aan de bijbel. Lees de psalmen er maar eens op na: Gij zijt mijn God (Psalm 143:10).

Het beeld van de Vader kan heel intiem zijn. Zeker als u zelf een goede band hebt gehad met uw (aardse) vader. Wat voor naam kan God krijgen voor iemand die slechte ervaringen heeft met de (aardse) vader?

§ 3.2 De Almachtige
Na de Tweede Wereldoorlog en na de tsunami kwamen er discussies over de vraag of God wel almachtig was. Als God almachtig zou zijn, dan zou dat toch niet gebeuren? Dan moet Hij óf niet goed zijn óf niet almachtig. Dit is trouwens wel vaak een westers probleem.
Ondanks alle vragen moeten wij toch vasthouden aan deze belijdenis. Het is geen vreemde, verre God, maar de Vader van onze Here Jezus Christus. God, die er voor ons is. Bij ons.
Het is ook weinig troostend als er een macht is, die sterker zou zijn dan God. Hebben wij dan tevergeefs onze houvast bij God gezocht? De almacht van God zegt, dat God alle machten die tegen Hem in opstand komen uiteindelijk (bij of voor de Wederkomst) zal vernietigen. De God die almachtig is, is dezelfde God die de Vader is en de Schepper.

§ 3.3. Schepper van hemel en aarde
In de Vroege Kerk was er een christen die zij: er zijn twee goden. De ene is de wrede god die de aarde heeft geschapen (OT). De andere god is Christus, die de aarde zal redden (NT). Marcion is uit de kerk gezet. Men hield eraan vast: De Here heeft deze aarde geschapen en zal ook deze aarde redden
Tegenover de evolutieleer in is het van belang om vast te houden, dat God deze aarde heeft gewild. De aarde is geen toevalstreffer.
God heeft zich niet na de schepping teruggetrokken van de aarde. Ook niet na de zondeval. Hij onderhoudt de aarde nog steeds. Tot aan de Wederkomst. Dan zal de aarde worden vernieuwd en zal God bij ons wonen.

M.J. Schuurman