Preek Tweede Pinksterdag 2019

Preek Tweede Pinksterdag 2019
Romeinen 8:18-30
Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil,
maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen.
Maar ze heeft ook hoop gekregen (Romeinen 8:20)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus spreekt over de schepping die onderworpen is aan de zinloosheid
hebben we daar in de afgelopen week een voorbeeld van kunnen zien:
De wind die opeens kwam opzetten, met sterke rukwinden, een korte, hevige storm.
Door die rukwinden werden verschillende bomen omver geblazen.
Op de radio vertelde een bomendeskundige dat er geen verschil was in bomen:
Er waren jonge bomen, die heel buigzaam zijn, omgeblazen.
Zowel gezonde als zieke bomen – de wind maakte geen verschil.
Er vielen oude, diepgewortelde bomen om, waarvan je mocht verwachten
Dat ze door de diepe wortels stevig in de grond stonden,
bomen die al heel wat stormen hadden doorstaan waren nu toch omgevallen.
De man op de radio vertelde dat het vooral de wind was, die de bomen deed sneuvelen:
Rukwinden die uit een onverwachte hoek kwamen,
Want bomen zijn in staat om stevige wind uit eenzelfde hoek op te vangen.
Maar als de wind uit verschillende hoeken om de boom heen stormt,
wordt de boom gegrepen en is het gedaan met de boom.
Een voorbeeld van de zinloosheid, waaraan de schepping onderworpen is,
Want de wind is niet geschapen om verwoestend huis te houden,
maar eerder een beschermende kracht,
zoals de aarde, God deze schiep, geen verwoestende krachten had,
maar een paradijs voor de mens was, een plek om samen te zijn met God,
de aarde vol van Gods heerlijkheid. Alleen maar goed, goed in Gods ogen.
Maar zo is de aarde niet meer.
De aarde is een plek die onderworpen is aan de zinloosheid.
Ze heeft niet meer het doel, die de Heere aan de aarde gegeven had bij de schepping.
Zoals de wind niet meer de schepping bewaart en beschermt of dient en verzorgt,
maar tekeer gaat, verwoestend is.
In die wind die tekeer gaat en vernielen kan
en ook in de bomen die omgewaaid zijn door die rukwind
is een stem te horen.
Heere, hoe lang zult u toekijken?
HEERE, verlos mijn ziel van hun verwoestende daden. (Ps. 35:17)
En zij riepen met luide stem: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen? (Openbaring 6:10)

Niet alleen de natuur die lijdt door de schade die is aangericht,
maar ook dat deel van de natuur dat de schade aanricht
en niet anders meer kan dan verwoesting brengen,
omdat het in een macht gekomen is – zinloosheid, zegt Paulus, losgezongen van haar doel
Ook voor de natuur geldt:
Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. (Rom. 7:19)
Onderworpen aan de zinloosheid, zegt Paulus.
Het meest waarschijnlijke is dat het God is
die de rest van de schepping laat delen in het lot van de mensen
Die in het paradijs tegen Hem ingingen en zondigden en het kwaad binnenhaalden.
Dit zei God nadat Adam en Eva ter verantwoording werden geroepen:
Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,
Zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang.
Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven.

De aarde geeft niet meer, waarvoor God de aarde schiep
En de tuin is niet meer de tuin die God schiep, maar een wildernis,
waarin de dorens en de distels de groei van het koren bemoeilijken,
maar ook het bewerken van de akker moeizamer maken.
De schepping zucht en daarmee bedoelt Paulus:
ook het niet-menselijke deel van de schepping, zoals de bomen en planten,
de dieren op het land en in de zee, de vissen en de vogels,
het water, de wind, de aarde.
Ze zuchten omdat ze niet altijd meer doen waarvoor God ze geschapen hebben.

Wij hebben 3 konijnen.
Als ze languit liggen, soms tegen elkaar aan,
dan zie je iets terug van het oorspronkelijke scheppingsdoel.
Maar als je bij het hok komt om ze eten te geven, vallen ze elkaar aan en jagen elkaar op.
Ze gunnen elkaar het eten niet. Ze moeten dan even laten weten wie de baas is.
De schepping is aan de zinloosheid onderworpen.
Ze beantwoordt niet meer aan haar doel, ze zucht onder het juk dat God opgelegd heeft.
In alles, heel de schepping zucht er onder, van het kleinste diertje tot de hoogste berg.
Als de schepping, zucht roept het tot God: bevrijd ons ervan!
Met dat zuchten zegt de schepping: Het is niet onze schuld.
Wij hebben niet de keuze tegen God gemaakt.
Met dat zuchten houdt de schepping ons een spiegel voor:
Wat heb je gedaan, daar in het paradijs, met het leven en de vrijheid die je van God kreeg,
de Schepper die je het leven gaf, die een wereld maakte,
de mens als kroon op de schepping, de mens: beeld van God?
Als de schepping zucht onder de last die God oplegt door onze zonde en klaagt ons aan:
Heel Uw werk, door ons vertreden, klaagt ons mensheid aan bij U.
Er zijn momenten waarop je dat zuchten naast je neer kunt leggen.
Als je foto’s ziet van exotische oorden met witte stranden, een blauwgroene oceaan
en groene bossen op de achtergrond,
dan kun je dat zuchten wegstoppen
en hoef je niet naar de aanklacht te horen die in dat zuchten schuil gaat.
De zonde wil ook niet dat we die aanklacht horen en dat we gaan nadenken,
wil niet dat we onrustig worden en gaan verlangen naar een ander leven, een beter leven.
De zonde wil juist dat we gaan denken dat deze wereld best te doen is
en de tactiek van de zonde is om alle negatieve kanten weg te duwen,
dat zuchten te overstemmen met andere geluiden,
waarbij we zeggen dat deze wereld zo gek nog niet is.
In de afgelopen week zag ik een filmpje van een strand:
strandgasten die aan het zonnebaden waren, aan het zwemmen, volop plezier.
Het was een filmpje van het strand in Latakia, het westen van Syrië.
Dat filmpje werd gedeeld door mensen die het niet zo’n goed idee vonden
dat Syriërs deze kant op kwamen en gaven bij dat filmpje aan:
Als dit Syrië is, waarom vluchten ze dan naar Europa?
Als je zo kunt genieten in je eigen land,
dan heb je toch geen reden om een veilig heenkomen te zoeken in een ander werelddeel?
Wat er niet bij gezegd werd was dat er nog geen tientallen kilometers landinwaarts
gevangenissen staan waar tegenstanders van het regime wreed gemarteld worden.
Ook werd niet gemeld waar het filmpje vandaan kwam.
Het kan ook uit het Assad-kamp zijn: propaganda dat het leven goed is onder zijn bewind.
De schepping zucht om ons wakker te houden.
Om ons niet te doen vergeten dat het hier beneden nog niet is,
ook al kleden we het leven hier nog zo mooi in
en zijn we in staat om alle rampen en narigheid vakkundig weg te poetsen
en de schijn op te houden – de schepping zucht.
Het zuchten van de schepping is niet alleen een aanklacht, een verwijt,
maar ook de stem van een diep geloof,
zoals in alle klachten in de Bijbel, in de klaagliederen uit het Oude Testament bijvoorbeeld

geloof naar voren komt in God, die alles bestuurt.
Want al die klachten die in de psalmen verwoord worden
En het zuchten van de schepping waar Paulus over spreekt,
weten dat God er iets aan kan doen, kan ingrijpen, kan redden, kan bewaren.
Als God het juk van de zinloosheid op de schepping gelegd heeft,
kan Hij dat juk er ook weg nemen en de schepping bevrijden
en weer tot haar doel brengen.
En hoe de mensheid ook zich nestelt in deze aarde en tevreden is hier.
De schepping zucht om ons onrustig te maken
om de illusies die wij als mensen kunnen hebben door te denken dat het hier wel meevalt
te doorkruisen met hun roepen, met hun gezucht.
Het is niet een enkel onderdeel van de schepping dat zucht, maar de hele schepping.
De gebieden die te onherbergzaam zijn om te bewonen net zo goed
Als de plekken waar mensen naar toe gaan om hun vakantie te vieren.
De dieren net zo goed als de planten.
De schepping is één, één in het juk van de doelloosheid, maar ook één in verlangen.
Reikhalzend verlangen: op de uitkijk gaan staan om te zien of je er al iets van verneemt.
Op je tenen gaan staan, om te kijken of het al dichter bij komt.
Want waar veel mensen het wel best vinden, het leven zoals het is,
Weet de schepping dat er een andere tijd komt, een tijd van bevrijding,
een tijd waarin de schepping weer is, zoals God die bedoelde.
Het zuchten van de schepping is daarom niet alleen maar lijden, niet alleen maar aanklacht,
maar ook evangelie: verkondiging dat er door Christus redding is, ook voor de schepping.
De schepping gelooft in haar Schepper,
gelooft in Christus als de hersteller van de schepping, die de zonde wegdroeg,
Waardoor er een tijd zal komen, dat het niet meer nodig is
om te lijden onder die zinloosheid en vergankelijkheid.
Zo getuigt de schepping, die door ons toedoen te maken kreeg met vergankelijkheid,
aan ons mensen van het heil dat er zal komen:
jullie zullen aangenomen worden als kinderen van God,
jullie die in opstand waren en niets van God moesten weten worden weer kinderen van God.
De schepping weet dat er meer is dan de zonde
en van een God die sterker is dan de zonde
En die ook het lot dat de schepping heeft getroffen door de zonde kan wegnemen.
Die de genade heeft, de barmhartigheid ook, om opnieuw te beginnen
met de mensen en daarom ook met de schepping,
Want de schepping blijft Zijn schepping. Hij geeft niet prijs van Zijn hand begon.
De schepping heeft dat geloof blijkbaar uit zichzelf, dat God zal redden
en dat er een nieuwe tijd zal komen.
De schepping lijdt wel aan de vergankelijkheid, kreunt en zucht eronder,
maar is niet het geloof kwijtgeraakt en ziet zelf de hand van de schepper
En getuigt ondanks de sterfelijkheid en vergankelijkheid,
ondanks de neiging om het verkeerde te doen van de Schepper.

Voor ons mensen is het een ander verhaal.
Wij hebben daarvoor de Heilige Geest nodig.
De Geest maakt ons onrustig en doet ons verlangen naar een andere tijd
Waarin God weer bij ons mensen is en wij van Hem zijn.
De Geest wekt in ons een verlangen om los van de zonde te komen
En niet meer gevangen te zitten in die neiging om het verkeerde te doen,
om alleen maar aan onszelf te denken, om het goede dat er is voor onszelf te misbruiken.
Ook wij zuchten, zegt Paulus, onder de zonde, onder het lot dat ons getroffen heeft,
dat ook weer door onszelf over onszelf is afgeroepen.
Maar ook voor ons is dat niet het laatste woord. Het is met de zonde niet afgelopen.
Ook wij mogen weten van die nieuwe tijd, die er door Christus is gekomen en zal komen.
Door Christus die de last van de zonde droeg, het oordeel van God, aan het kruis.
De nieuwe tijd die niet alleen maar iets van de toekomst is.
Als voorbode van die nieuwe toekomst van bevrijding, van weer kind van God zijn,
hebben wij van God de Geest gekregen: een teken dat die andere tijd komt
en dat God ons in die andere tijd wil hebben, wil meenemen, wil redden, bevrijden.
De Geest die ons de ogen opent voor onze neiging om de zonde te geloven
en er in mee te gaan als de zonde de negatieve gevolgen camoufleert
en ons wil doen geloven dat het zo wel gaat
en dat er een nieuwe wereld niet nodig is, omdat deze oude wereld nog voldoet.
De Geest die ons de oren opent voor het zuchten van de schepping
en ons doet luisteren naar de aanklacht die daarin klinkt, het lijden door ons veroorzaakt,
maar die ons ook meeneemt naar de God
aan wie de verzuchtingen van de schepping zijn gericht
om daar bij God ook ons zuchten te brengen.
In dat zuchten van ons zit een gebed, waar we de woorden niet voor kunnen vinden.
We hebben er geen woorden voor om te reageren als de schepping ons aanklaagt,
omdat we niet weten waar we met onze schuld naar toe moeten.
Wij kunnen die zelf niet dragen.
Die schuld kan ons alleen maar afgenomen worden.
In ons zuchten verwoordt de Geest voor ons een gebed waarin we onze schuld erkennen
en waarin we een beroep doen op God: Red ons van onze schuld,
zodat we weer met de schepping samen kunnen leven en samen kunnen uitkijken
naar de toekomst die U zult brengen.
Wij weten niet wat we bidden moeten, zegt Paulus.
We zuchten, omdat we uit onszelf de weg naar God niet vinden.
Dan neemt de Geest ons mee, via onze verzuchtingen, en brengt ze bij God.
En dan weten wij niet wat we bidden moeten en kunnen we alleen maar verzuchten,
de Geest weet van ons zuchten een gebed te maken tot God.
Bij Paulus heeft dat niet-weten wat we moeten bidden wellicht ook te maken
met de zonde waardoor we de wil van God niet meer kennen.
Wij kunnen niet meer zo bidden, door de zonde, dat in ons gebed het niet gaat om ons,
maar om de wil van God. Uw wil geschiede.
Wij weten niet hoe de bevrijding er uit zal zien.
We kunnen ons er geen voorstelling van maken, omdat we alleen deze wereld kennen.
Dit is de wereld waarin we leven.
Wat we erover weten, hebben we uit Gods mond gehoord, gelezen in de Bijbel.
We kunnen daar alleen maar over dagdromen in geloof.
Hoop noemt Paulus het: je kunt je er geen voorstelling van maken,
onze beperkte menselijke gedachten schieten tekort,
maar daarom is het nog wel waar, daarom komt die nieuwe tijd nog wel.
De tijd dat het juk van de schepping wordt afgenomen en ook wij als mensen bevrijd zijn,
samen met de schepping weer kinderen van God zijn en tot onze doel mogen komen.

Heer ons lot is in Uw handen
en het is uw hartewens,
naar uw beeld ons te veranderen
Jezus Christus, nieuwe mens.

Zie ons lijden, Heer, tezamen
met de ganse creatuur,
zie toch, hoe uw erfgenamen
zuchtend uitzien naar het uur,
dat zij ‘t juk mogen schudden
het vernederende juk
der vergeefsheid, ach wij bidden:
breek het stuk, Heer, breek het stuk.

Kom toch om de macht te breken
van de vorst der duisternis.
Geef dat de zege zeker is.
Amen

Eerherstel voor Elihu?

Eerherstel voor Elihu?
Hoor dit aan Job!
Blijf staan en let op de wonderen van God (Job 37:14)

Eigenlijk weet niemand raad met Elihu. Veel hedendaagse uitleggers zien de redevoeringen van Elihu (de hoofdstukken 32-37) als een latere toevoeging. Iemand die het boek Job later las, zou het slot van Jobs toespraken wel erg kras vinden en daarom de toespraken laten volgen door de woorden van Elihu, om de woorden van Job toch aan te passen. Zijn woorden eindigen met een aanklacht tegen God Zelf, omdat hij zich door de Almachtige verkeerd behandeld voelt. In Elihu zien we iemand, die tegen Job ingaat en Job corrigeert: ‘Job zo mag je niet over God denken!’
Elihu zit op een andere lijn dan de andere vrienden van Job. Voor hen heeft het lijden van Job te maken met een fout die hij beging. Dat hij alles kwijtraakte, zou te maken hebben met een zonde, die bij niemand bekend is. Alleen Job en God zouden van die zonde afweten. Voor Elihu heeft de rampspoed die Job overkomt niet te maken met een zonde aan Jobs kant. Voor hem heeft God een doel met Job in wat Job overkomt. God wil Job door het lijden leren. De Heere wil Job voorkomen dat Job een verkeerde weg in slaat en neemt Hem daarom alles af. Zo leert Job inzien, dat met geld en rijkdom niet alles te verkrijgen is. Zo leert Job dat God boven alles staat. Job moet niet vragen naar het verleden, niet naar het waarom. Job moet vragen naar het waartoe, naar het doel dat God ermee heeft. Als Job zich oneerlijk door God behandeld voelt, dan moet hij niet tegen God ingaan. Job is immers maar een mens. Hoe kan hij als klein en nietig mens de heilige God doorgronden en Zijn plannen kennen? Elihu is van mening dat wij bij een ziekte hebben te kijken naar wat de Heere ons wil leren: een les in vertrouwen, een waarschuwing tegen verkeerde wegen. Elihu is van mening dat als een ramp een land treft gekeken moet worden naar het doel.
Wat is dan het probleem met Elihu? Elihu heeft zijn theologie op orde, zo lijkt het. Want wat Elihu zegt komt overeen met wat de Heere in Zijn toespraken tegen Job zegt. Ook daarin gaat het over de grootheid van God en dat Job Gods wegen niet kan doorgronden. Elihu zegt ook dat zijn inzichten niet door hemzelf bedacht zijn, maar dat hij deze lessen zelf van de Heere heeft geleerd. Maar dat is juist voor veel uitleggers het probleem: Plaatst hij zich daarmee niet teveel op één lijn met God? Is Elihu uiteindelijk niet teveel bezig met het verdedigen van de Heere tegen de verwijten van Job en is Elihu daardoor niet in staat om te zien wat Job allemaal is overkomen? Heeft Elihu wel oog voor alles wat Job is kwijtgeraakt? Job is niet alleen zijn bezittingen en zijn bedrijf kwijtgeraakt maar voor zijn idee ook God. Nou, dat is in ieder geval wat Elihu tegenspreekt: ‘Job, je bent God niet kwijt. Hij is met je bezig. Zie het als Zijn vaderlijke zorg. Zelfs in het afnemen van je goed en je gezin kunnen we Gods liefdevolle handelen zien. Ik zie daarin Gods bewogenheid met jou.’
Ook al heeft Elihu zijn gedachten over God op orde, ze zijn wel ingewikkeld toe te passen. Want voor wie is de overstroming in de Amerikaanse stad Houston een les? Welke boodschap valt er te leren in de overstroming in Zuid-Oost-Azië? Geen wonder dat hedendaagse commentaren voorzichtig zijn met de toepassing van Elihu’s woorden. Een commentator schrijft: Elihu’s woorden kun je alleen maar overnemen voor zover ze overeenkomen met de rest van de Schrift. Deze commentator is geen eigenwijze geleerde, die zomaar ingaat tegen de Bijbel, maar vol eerbied en ontzag wil luisteren naar Gods Woord.
Enkele maanden voordat mijn schoonmoeder overleed had ik een kort gesprek met haar over de zin van haar ziekzijn en haar lijden. Ze was al meer dan 13 jaar ziek en zeker in de laatste maanden werd ze steeds meer afgebroken. Toen ik aangaf dat ik daarin Gods hand niet kon zien, antwoordde stellig: ‘Ik heb liever dat dit uit Gods hand komt dan uit de hand van de duivel. Want als dit uit Gods hand komt, weet ik dat het nog ergens goed voor is.’ Ik begreep deze woorden niet, omdat ik zelf in die tijd erg worstelde met God en vaak het idee had dat God er niet was. Juist in die tijd had ik college over het bijbelboek Job gehad en ook het aanklagen van God door Job behandeld. In die aanklagende Job kon ik mijzelf herkennen. Deze woorden van mijn schoonmoeder zijn me altijd bijgebleven. Hoe meer ik er over nadacht, hoe meer ik ze kon begrijpen. Ook omdat ik in haar een echt geloof zag in de leiding van God in haar ziekzijn. Dat God er een les mee had, was voor haar juist een bemoediging. Dat hield haar op de been. Door haar levende getuigenis heb ik meer waardering voor Elihu gekregen.
Is het tijd voor eerherstel van Elihu? Ik kan pleidooien om de andere drie vrienden van Job serieuzer te nemen, omdat zij eerst een week zwijgen en door te zwijgen delen in zijn leed. Ze gaan hun lijdende vriend niet uit de weg. Ze laten hem niet in de steek, ook al zijn ze niet met hem eens. En Elihu? Hij verdient nog meer respect, want hij heeft nog langer gezwegen, ook al was hij nog minder met Job eens dan de andere vrienden. Elihu heeft ook goed geluisterd naar Job, want hij gaat op alle verwijten van Job naar God toe in. Hij vraagt Job om te kijken vanuit Gods perspectief: Hoor dit aan Job! Blijf staan en let op de wonderen van God. Job, zie je dan niet Gods zorg voor deze wereld en zie je niet dat je opgenomen bent in Gods plan?
En toch ben ik voorzichtig met volledige eerherstel van Elihu. Want dat gelovigen kunnen lijden aan Gods wegen die voor ons mensen onbegrijpelijk zijn komt overal in de kerk voor. Nadat ik over Elihu gepreekt had, werd dat ook door sommige ambtsdragers gedeeld. Deze worstelingen en aanvechtingen zijn heel serieus te nemen. Waarom ik ook voorzichtig ben om Elihu gelijk te geven is dat Elihu Gods handelen alleen in Zijn grootheid kan zien, in de macht die zich toont in de schepping. Gods handelen is niet alleen indrukwekkend. God kan klein worden, zo klein als een Kind in de kribbe. God kan kwetsbaar worden: kwetsbaar en naakt aan het kruis, door iedereen verstoten en uitgelachen. Daar aan het kruis droeg Christus niet alleen onze zonde weg, maar deelde Hij ook in ons lijden, in onze nood. Enkele dagen na de aanslagen van 11 september 2001 vertelde onze hoogleraar Dogmatiek hoe wij in die aanslagen en in die gruwelijke beelden iets van God kunnen waarnemen. Bij de restanten van die torens, waarin de vliegtuigen waren ingeboord, was een kruis zichtbaar, Zo deelt Christus in ons bestaan. Ook dat is het wonder dat we niet mogen vergeten en waar we oog voor mogen hebben. Als we dan niet weten waarom ons iets overkomt en als we ook niet begrijpen waartoe het ons overkomt, mogen we zien op onze Heere en Heiland die niet ver van ons is, maar ons draagt als wij ons kruis moeten dragen.

Meditatie voor de Veluwse Kerkbode

HEER JEZUS, DUIZEND VRAGEN

Heer Jezus, duizend vragen
te veel om mee te dragen:
waarheen, waarom, waartoe?
Kunt Gij geen antwoord geven?
O God, dit is geen leven,
wij worden zoveel vragen moe.

Hoe kan een mens geloven
dat iemand hoort, daarboven,
dat Eén ons zeker ziet,
dat die ons zal bevrijden
van lasten en van lijden –
wil Hij of kan Hij dat dan niet?

Wie kan ooit zeker weten
dat God niet wil vergeten
het land, de zee, de zon,
de mensen niet zal haten,
niet eenmaal los zal laten
het werk dat eens zijn hand begon?

Heer Jezus, al die vragen,
Gij hebt ze meegedragen,
die last, was dát uw kruis?
Dat Gij de schuld verzoende
geeft ons geduld voldoende:
het laatste antwoord wacht ons thuis.

A.F. Troost, Zingende gezegend nr 282.

Zie Gods grootheid!

Zie Gods grootheid!
Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God!

(Job 37:14)

Hier is iemand aan het woord die zegt: Neem even de tijd om te kijken, te kijken om je heen naar wat er gebeurt in de schepping,  het mooie weer, de zon die zijn stralen uitzendt en voor warmte op aarde zorgt, de wolken die zich vormen in de lucht. De ene keer gaan ze snel voortgedreven door de wind, dan weer kan er een dreigende lucht zich opbouwen,  witte koppen op de wolken die onweer aankondigen. Je kunt met mooi weer weg gaan en halverwege slaat het weer om, zodat je met regen thuiskomt. Neem even de tijd om er naar te kijken, om te kijken wie daar de hand in heeft: God onze schepper. Daar moet je niet zomaar aan voorbij gaan! Je ziet daarin Zijn macht en grootheid, je ziet dat er een God is die zich actief met de wereld bemoeit, die wat er op de wereld gebeurt, niet zomaar aan zich voorbij laat gaan! En als je dat allemaal bedenkt, dan besef je dat je als mens tegen God niets in te brengen hebt. Wie zijn wij om te bedenken dat wij als mens het beter zouden doen dat God? God is voor ons te groot om echt te doorgronden, Hij is zo groot en wat Hij doet is zo indrukwekkend, wij kunnen God niet begrijpen, we kunnen niet overzien wat Hij allemaal doet.

In de zomervakantie zijn we in Oostenrijk in de bergen geweest. 
Het was wat regenachtig toen we onderaan de berg de kabelbaan naar boven pakten, bovenaan gekomen, zouden we verder gaan wandelen, meer naar de top toe. De zon brak door en het werd warmer. Rondom de top van de berg aan de overkant van het dal werd het donkerder en we hoorden de rommel van de donder en zagen wat bliksemflitsen. Gelukkig kwam dat onweer niet onze kant op. Het was allemaal indrukwekkend: de bergen, het onweer, het uitzicht over het dal, de wolken. Je ziet iets van Gods grootheid en toch, die ervaring gaat weer naar de achtergrond, als je weer thuis bent, waar het overigens ook mooi is en waar je Gods hand ook steeds in de schepping ziet. Sta er bij stil, je gaat er zo gemakkelijk aan voorbij, als je met je dagelijkse dingen bezig bent Vergeet je schepper niet te danken.

Ja, dat is waar, Elihu, je hebt helemaal gelijk: We kunnen God niet begrijpen, we zijn te klein om tegen God in te gaan of aan Hem rekenschap te vragen van wat Hij doet. Maar hoe zat het ook al weer met Job, die voor je zit? Al zijn bezittingen is hij kwijtgeraakt, van de een op de andere dag: al zijn schapen, zijn koeien, zijn kamelen, zijn hele bedrijf, misschien wel het grootste bedrijf dat er in die tijd was – helemaal weg. En dan  die tragedie met zijn kinderen, tien had hij er  en alle tien kwamen ze bij één gebeurtenis om het leven, nog niet zo heel lang geleden. Alles wat Job had was hij kwijtgeraakt, niet alleen zijn kinderen en zijn bedrijf, maar ook zijn vrouw misschien wel  en wat Job nog het meest raakte, was dat hij zijn God was kwijtgeraakt. In de gesprekken die Job met zijn vrienden had,  kwam dat elke keer weer naar voren, vol bitterheid: God heeft zich tegen mij gekeerd. Hij moet mij hebben, als een jager jaagt Hij op mij en ik heb geen moment rust, ik kan me nergens voor Hem verbergen.

Drie van zijn vrienden gaan er tegen in:  Job, wat heb je gedaan, dat God zo boos op je geworden is? Heb je misschien toch een zonde gedaan, waarvan wij niets afweten? Het zal een reden hebben, waarom God je straft. En die opmerkingen van zijn vrienden, hoe goedbedoeld ook, maakten Job wanhopiger: Is er dan niemand die voor mij opkomt? Ik zou wel een rechtszaak met God willen beginnen,  laat Hij maar aantonen dat ik mis zit en gezondigd heb; Hij zal niets kunnen aangeven. Hij zei het niet alleen tegen zijn vrienden, maar ook tegen God zelf:  Wat moet U van mij, waarom gaat U zo tegen mij tekeer? Wat heb ik U misdaan? Ik ben niet met andere vrouwen bezig geweest, voor de armen ben ik goed geweest, nooit heb ik iemand benadeelt – waarom toch God?

Al die tijd is Elihu stil geweest. als jongste heeft hij minder recht van spreken. Hij heeft minder wijsheid, minder levenservaring. Toch, als hij Job zo hoort, wordt het hem teveel. Er komt een boosheid in hem boven, een heilige woede, want Job, je hebt het wel over mijn God, over onze God, over de schepper van hemel en aarde, de hoogste God, de enige God die er is. Job, zo kun je niet tekeer gaan tegen God, besef je wel tegen Wie je het hebt? Job, je denkt dat God je wil straffen, maar dat kun je toch niet weten? Weet je, er is iets anders: God wil je wat leren. Door je alles af te nemen, wil Hij je laten weten dat je het met geld niet redt en dat je aan je bezit uiteindelijk niets hebt. Hij wil je waarschuwen tegen een verkeerde weg, Nu met deze weg, Job, met al je lijden, heeft Hij maar één doel: Jou dicht bij Hem houden. Het is een zorg van Hem, om je voor het verkeerde te behoeden. En moet je kijken hoe de schepping in elkaar steekt: de macht die God heeft! Over heel de schepping heeft Hij de macht, Hij regeert alles. Met Zijn macht kan Hij de rechtvaardigen, de gelovigen steunen en de mensen die oneerlijk zijn kan Hij onder de indruk laten komen, zodat ze stoppen en tot inkeer komen. Zie je God dan niet bezig in de schepping? Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God!

Wat Elihu over de schepping zegt, over verschijnselen die zich voordoen: 
regen en wind, ijs en storm, lichtflitsen en onweer, dat zijn niet zomaar verschijnselen, dat zijn verschijnselen in de natuur die aankondigen dat God zelf komt, op aarde. Ze kondigen Zijn komst aan, ze verkondigen het ons: maak je gereed, want God komt  om Zijn oordeel uit te spreken en het verkeerde, het zondige weg te doen en alles recht te zetten.

Het zijn mooie woorden over God. Het is een boodschap over God, die klopt.  En toch, in het boek Job is dat niet de laatste waarheid.  Job, de drie vrienden die steeds aan het  woord waren, ze hadden allemaal gelijk én ongelijk. Allemaal hadden ze een punt en toch niet de volle waarheid en daardoor zaten ze er allemaal naast, ook al is het niet helemaal onzin wat ze zeiden. Daarom moeten we goed kijken, op welke manier ze wel gelijk hadden. Elihu, hij had scherp gehoord wat Job aandroeg aan verwijten richting God, Elihu is een goede luisteraar, hij weet uit Jobs uitspraken te achterhalen, wat hem ten diepste beweegt. Elihu, hij is diep onder de indruk van Gods grootheid en er diep van overtuigd dat God deze wereld op een goede manier leidt,  zoals alleen God dat kan doen: eerlijk, rechtvaardig en betrouwbaar, heilig. Het leed van Job brengt hem niet van zijn stuk en gaat tegen Job in: Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God! Kijk je wel op de goede manier naar God?

Waarom is dat niet het goede antwoord? Omdat Elihu God zelf niet is.  Hij plaatst zichzelf op de lijn van God en plaatst zich daarmee tegen over Job.  En terecht, hij vraagt de aandacht voor Gods grootheid en toch: ziet hij Job zelf wel zitten? Elihu, hij heeft wel gelijk, als hij tegen Job zegt: Hoor dit aan, Job, blijf staan en let op de wonderen van God! Alleen kijkt hij puur naar de macht en de heerlijkheid van God, Gods grootheid. Maar God toont zich niet alleen in het grootse, in het indrukwekkende, maar soms juist heel stil en in het verborgen, God kan ook klein worden, klein als een kind in de kribbe, kwetsbaar en naakt aan het kruis, niet alleen toornend over het kwaad, maar juist ook de zonde dragend, delen in ons lijden, delen ook in onze verlorenheid, we begrijpen God niet, maar God is wel te vertrouwen. We zien God niet altijd en toch is Hij er, ook bij ons en voor ons. We hebben het idee dat Hij onze gebeden niet altijd hoort en toch, God is niet te groot voor onze gebeden. Zoals Hij voor de schepping zorgt, zorgt Hij ook voor ons. Al is dat niet altijd in zegen, wel in Zijn trouwe vaderlijke zorg.

Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden, waarlangs mijn voet kan gaan.

Waarom laat God dit toe?

Waarom laat God dit toe?
Een handreiking voor ouderlingen om tijdens huisbezoek te reageren op deze vraag

In het leven van mensen kan heel wat gebeuren: het overlijden van iemand die dierbaar is, – ziekte die naar voren komt, echtscheiding, ontslag of andere tegenslagen. Deze ervaringen kunnen heel ingrijpend zijn. Soms heeft iemand levenslang de gevolgen te dragen.

Zulke ingrijpende ervaringen hebben ook gevolgen voor het leven met de Heere. De een krijgt hierdoor een sterkere band met de Heere. Vanuit gelovig vertrouwen wordt het leed gedragen. Niet dat het leven dan gemakkelijk, maar er is ook de ervaring dat de Heere kracht geeft.
De ander is door de ingrijpende gebeurtenis uit het lood geslagen. Het geloof en vertrouwen dat er voorheen was, kan daarbij weggeslagen worden. Iemand kan daardoor teleurgesteld raken in God.

Twee reacties
Op huisbezoek zult u beide ervaringen tegenkomen. Het kan indruk maken als iemand het kruis, dat is opgelegd, vanuit een gelovig vertrouwen draagt. Door zo’n huisbezoek kunt u zelf bemoedigd worden. Wanneer iemand teleurgesteld is en boos is op God, kan het bezoek soms zwaar vallen. De boosheid en de teleurstelling, waar u in het gesprek op stuit, richt zich op de God, Die u van harte dient. Als u de Heere gaat verdedigen, zult u merken dat zulke gesprekken vaak nog moeizamer worden.
Hoe kan in pastorale gesprekken worden omgegaan met de vraag: ‘Waarom laat God dit toe?

Meerdere betekenissen
Allereerst is het goed om te kijken, wat iemand bedoelt, als hij vraagt: ‘Waarom laat God dit toe?’ Want deze vraag kan veel betekenissen hebben. Bijvoorbeeld
* Iemand kan deze vraag als verzuchting bedoelen. In dat geval wil iemand eigenlijk zeggen: ‘Kijk eens hoe veel ik heb meegemaakt in mijn leven.’
* Iemand kan met deze vraag zijn machteloosheid willen delen. ‘Niemand heeft mij dit leed kunnen besparen. Het leven is hard.’
* Het kan zijn dat iemand teleurgesteld is geraakt in God. De Heere heeft immers de macht om ons mensen bepaald lijden te besparen?
* Iemand is op zoek naar de zin van het lijden, dat hem overkomt. ‘Welke bedoeling heeft God hiermee voor mijn leven?’

Mogelijke reacties
Bij de vraag: ‘Waarom laat God dit toe?’ kan er de neiging zijn om God te verdedigen. De vraag kan ook gevoeld worden als een aanval op de Heere met wie u zo verbonden bent. Het kan verstandig zijn om de verdediging van God uit te stellen en eerst na te gaan, wat iemand met deze vraag ten diepste wil zeggen. De mogelijke manieren daarvoor zijn:

Door erkenning te geven, dat het inderdaad ingrijpend is wat iemand overkomt:
– ‘Het is zwaar kruis dat u te dragen hebt.’
– ‘Dat zou ik mij in uw geval ook afvragen.’
Door op een respectvolle manier door te vragen:
– ‘Zou u daar een antwoord op willen hebben?’
– ‘Heeft u zelf daar al een antwoord op gevonden?’
– ‘Ik sta er anders in. Kunt u er mij meer over vertellen wat het met u doet?

Geen contact meer met de Heere?
Geloven bestaat uit een leven met de Heere. Bidden, zingen, Schriftlezing veronderstellen dat er een gesprek is met God.
De vraag ‘Waarom laat God het toe’, kan betekenen dat het gesprek met God is verstomd. Het is namelijk een vraag over God en geen vraag aan God gericht.
Het kan zijn, dat iemand die deze vraag stelt, niet meer in staat is om te bidden. Of dat iemand geen vertrouwen meer heeft in de hulp van de Heere.

Hoe kan dat contact met de Heere hersteld worden?
Wanneer u op huisbezoek komt, komt u als ambtsdrager. U bent door de kerk en door God gezonden. Onderschat de betekenis hiervan niet.
Ik krijg zelf vaak de indruk, dat als mensen vertellen over al het lijden in hun leven, dat zij dat niet alleen tegen mij vertellen, maar ook (onbewust) tegen de Heere. Als u op huisbezoek gaat, neemt u de moeite om naar iemand toe te komen. U bent op dat moment als de herder, die op zoek is naar het schaap dat verloren is geraakt.
Daarnaast hebt u de mogelijkheid om als ambtsdrager te bidden voor degene bij wie u op bezoek bent. U brengt de ander en de nood van de ander voor Gods aangezicht.

Psalm 73
Ook in de Schrift wordt geworsteld met de vraag: ‘Waarom laat God het toe?’ Het is ook een vraag die Asaf (Psalm 73) heeft bezig gehouden. Asaf ziet dat hij als gelovige een moeizaam leven heeft. Anderen, die het niet zo nauw nemen met God, gaat het juist voor de wind. Die anderen bespotten hem ook nog eens. Asaf kon het niet begrijpen en was het geloof bijna kwijtgeraakt.
Totdat hij in de tempel kwam. Daar besefte hij hoe het met de spotters afliep. Voor hem de les om dicht bij God te leven.

Klaagpsalmen
De worsteling met Gods leiding komt vaker voor in de psalmen. Soms gaat die worsteling zelfs gepaard met een klacht: ‘Waarom hebt Gij mij verlaten?’ In deze klacht klinkt bitterheid door, maar ook diep geloof. Want er is er Eén, die alles kan veranderen en dat is de Heere. De klacht is ten diepste een dringende smeekbede aan God gericht.
In een gesprek over het waarom kan het zinvol zijn om een klaagpsalm als afsluiting van het huisbezoek te lezen. Om te laten zien dat de worsteling ook in de Schrift voorkomt én om te laten zien, hoe anderen de weg weer tot God hebben gevonden.

Dat gaat nooit van de een op andere dag. Er gaat een hele weg aan vooraf. Als ambstdrager mag u een gids zijn op deze weg.