Pleidooi om het publieke debat te voeren op basis van argumenten en niet op basis van morele appèls en gevoelsargumenten

Pleidooi om het publieke debat te voeren op basis van argumenten en niet op basis van morele appèls en gevoelsargumenten

De theoloog Ulrich Körtner maakt zich zorgen over het publieke debat. Politici, journalisten en burgers gebruiken gebruiken steeds vaker gevoelsargumenten en morele appèls als feiten.

download (1).jpg

Fake news & MSM
Na een onderzoek waarin vastgesteld werd dat 98% van de migranten zich aan de wet houdt, was de reactie de Duitse AfD-politicus Georg Pazderski: ‘Wat iemand voelt is ook een feit.’ Als er nieuws gebracht wordt dat in de eigen straat past, wordt dat afgedaan als fake news. Er wordt gesproken over MSM: MainStreamMedia. Daarmee wordt bedoeld dat de belangrijkste media bewust positieve verhalen over Trump en negatieve verhalen over migranten bewust verzwijgen.

Niet alleen bij populistisch-rechts
Körtner ziet dat niet alleen bij populistisch-rechts gebeuren. Links laat zich als het gaat om de complexe wereld van de geglobaliseerde economie liever door Thomas Piketty of door Yanis Varoufakis voorlichten dan door serieuze economen. Hij ziet het ook gebeuren als Merkel in de vluchtelingencrisis benadrukt dat Duitsland een cultuur van verwelkomen heeft.

Ortsschild_JiSign---Fotolia_6a00d13255

Zorgen
Het morele appèl verdringt de discussie over de gevolgen van haar beleid en over wat er allemaal komt kijken bij opvang en integratie van migranten.  Körtner maakt zich zorgen, omdat het debat binnen een democratie alleen maar goed gevoerd kan worden als het op basis van rationele argumenten en controleerbare feiten wordt gevoerd.

Körtner begrijpt wel waarom er vaak gevoelsargumenten gebruikt worden. Dat heeft te maken met bezorgdheid. Bezorgdheid over de instroom van migranten uit een andere cultuur. Of juist bezorgdheid dat bij het sluiten van de grenzen Europa de eigen normen en waarden verloochent. Die bezorgdheid is niet altijd hard te maken, maar is wel een reëel gevoel. Daarom worden gevoelens als feiten gebracht.

Wees bezorgd!
Körtner neemt in deze tijd een moreel gebod waar: wees bezorgd! Wie niet bezorgt is, krijgt het verwijt de kop in het zand te steken. Dat morele gebod dat zowel door links en rechts wordt benadrukt is een roep om moreel leiderschap. Hij ziet zowel bij rechts als bij links een populisme ontstaan, dat aansluit bij die bezorgdheid en die bezorgdheid uitvergroot om politieke winst te behalen.
demo_fuer_eine_menschliche_asylpolitik_-_30_-_hans_breuer_konvoi_aus_ungarn_1
Omdat politici op die morele trom slaan, is het moeilijk om een weerwoord te bieden. Want wat moet je antwoorden als iemand zegt: ‘Er zijn teveel vluchtelingen!’ Of bij het tegenovergestelde: ‘Wie barmhartig is, kan de grenzen niet sluiten voor vluchtelingen!’

Kerken
Wat Körtner ook ziet, is dat de kerken graag inhaken op het morele leiderschap dat gevraagd wordt. Körtner is daar kritisch op. In zijn ogen negeren de kerken daarmee dat hun positie marginaal in de maatschappij geworden is. De kerk moet niet in de valkuil trappen om het door secularisatie verloren terrein via dit morele leiderschap te willen winnen.

Met de manier waarop de kerken dat morele leiderschap tonen is Körtner ook niet gelukkig. Dat is slecht voor zowel de theologie als de maatschappij.In de theologie is bij velen de God die in deze wereld ingrijpt ingewisseld voor de mensen die Gods handen zijn geworden. Gods rol is daarmee uitgespeeld en de last licht bij mensen. Voor de samenleving is het nadelig, omdat de kerken politieke kwesties versimpelen, doordat ook de kerken de moraal als basis voor beleid benadrukken.

33ab5c15ea23dff3abfffe3697f26244

Elke vorm van kritiek op het vluchtelingenbeleid van Merkel wordt afgedaan als rechts-populisme, dat in strijd is met de christelijke waarden van barmhartigheid en naastenliefde.

Twee verschillende domeinen
Wat Körtner daarin stoort, is dat de kerken daarmee hun eigen traditie uit het oog verliezen. In de Lutherse traditie wordt er namelijk een onderscheid gemaakt tussen de taak op politiek terrein en de taak op kerkelijk terrein. Dat zijn twee verschillende domeinen die niet vermengd mogen worden.

2-reiche-lehre-730x400

Niet direct in politiek beleid te vertalen
De christelijke waarde van barmhartigheid en naastenliefde is niet direct in politiek beleid te vertalen, omdat de overheid volgens de christelijke traditie ook de taak heeft om voor de eigen burgers te zorgen en voor veiligheid te zorgen. In het domein van de politiek is het nodig om de juiste balans te vinden tussen barmhartigheid en veiligheid, naastenliefde en rechtvaardigheid.

Waarschuwen voor een teveel aan moreel appèl
Het is niet de taak van de kerk om een moreel appèl op de samenleving te doen, maar juist te waarschuwen voor een teveel aan moreel appèl in de samenleving, omdat daarmee in de politieke besluitvorming de argumentatie op basis van feiten wordt ingeruild op basis van gevoelens en morele appèls. In feite is dat het einde van het democratisch debat. Want op basis van gevoelens en morele appèls is geen beleid te maken.

WB_LH_Gesetz-und-Gnade-470x260

Agressiviteit van waarden
De protestantse theologie is trouwens niet zo gelukkig met een ethiek op basis van waarden. Ethiek op basis van waarden en christelijke ethos zijn vijanden van elkaar, stelt de theoloog Eberhard Jüngel. In zijn ogen hebben waarden altijd iets agressief, de wil om anderen te overwinnen. In die agressiviteit is er voor hem een verband tussen waarden en zonde in de mens. Waarden verbinden niet, maar waarden grenzen af en sluiten uit.

Visie en praktijk
Moraal vraagt om beleid en in praktijk te brengen visie. Wie stelt een land een cultuur van verwelkomen heeft, moet ook beleid ontwikkelen hoe dat verwelkomen in praktijk gebracht wordt. Er is een beleid nodig voor opvang, voor integratie, voor het vinden van banen voor deze nieuwkomers. Er is een visie nodig op wanneer die nieuwkomers hun eigenheid mogen bewaren en wanneer ze zich moeten aanpassen aan de nieuwe samenleving. Opvang van migranten moet ook gepaard gaan met het besef dat het land van herkomst aan opleidingsniveau inboet, omdat het de hoger opgeleiden zijn die wegtrekken naar Europa.

684714

Marginaal
Körtner is voorstander van een theologie die zich uit in het publieke debat. Als het maar gebeurt vanuit het besef dat de kerk zich in de diaspora bevindt en heel marginaal geworden is en in de multireligieuze samenleving slechts een van de vele stemmen is. In het debat kunnen de kerken zich ook niet op christelijke morele appèls beroepen, omdat er slechts een minderheid is die de onderliggende visie deelt. Deze visie kan alleen in het debat ingebracht te worden als de argumenten ook voor niet-gelovigen te begrijpen zijn.

cover_koertner_vernunft

N.a.v. Ulrich H.J. Körtner, Für die Vernunft. Wider Moralisierung und Emotionalisierung in Politik und Kirche. Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2017.

Leven tussen vrees voor wat komt en hopen op Gods komst.

Leven tussen vrees voor wat komt en hopen op Gods komst.

Er zijn in de wereld meer brandhaarden dan ooit. Waar gaat het heen met de wereld? Over deze vraag gaat het ook inde christelijke eschatologie. De Duitse theoloog Ulrich H.J. Körtner schreef er een verrassend boek over.

FILAGO_db2_3766_M_00

Waar gaat het met de wereld naar toe? Als er een einde is, zal het eind goed al goed zijn? Moeten we ons zorgen maken? Of kunnen we hoopvol de toekomst tegemoet zien? In de theologie krijgen deze vragen een plaats in de eschatologie, de leer over de laatste dingen. In dit onderdeel van de geloofsleer wordt rekenschap afgelegd van de hoop die een christen heeft.  Ulrich H.J. Körtner, hoogleraar systematische theologie en ethiek aan de universiteit van Wenen, schreef hierover een algemeen toegankelijk boek.
De vragen die in de eschatologie aan de orde komen, worden niet alleen binnen de theologie behandeld. Ook in andere wetenschappen wordt er bijvoorbeeld nagedacht over de vraag of de wereld en onze geschiedenis een einde zal kennen. Daarnaast zijn de vragen die aan de orde komen levensvragen, dat wil zeggen: vragen die elk mens bij tijd en wijle bezighouden. Körtner benadrukt daarom het belang om vanuit de eschatologie aanknopingspunten te zoeken met de andere wetenschappen en de hedendaagse levensvragen.

Kentering
Het is echter niet altijd makkelijk om een brug te slaan, omdat het christelijk geloof voor velen aan overtuigingskracht heeft verloren. Voor velen in onze maatschappij ligt de nadruk op het leven in het hier en nu en niet meer op het leven na dit leven. Er wordt niet meer uitgekeken naar een opstanding uit de doden, maar naar een zinvol en gelukkig leven hier op deze aarde. Deze ontwikkeling, waarbij een leven na dit leven, een opstanding uit de doden en een ingrijpen van God in onze geschiedenis betwijfeld is, is al eeuwen bezig. In onze tijd vindt er ook weer een kentering plaats. De vraag of er leven na de dood is, blijft mensen bezig houden. De vraag waar het met de wereld heen gaat, duikt vaak op. Het einde van de geschiedenis bleek een illusie en werd opgevolgd door de botsing der beschavingen. Mocht het westen niet meer aan een eschatologie denken, dan worden ze er wel door de botsing met de islam herinnerd aan eschatologie, omdat eschatologie binnen deze godsdienst een belangrijk thema is. Sowieso reageert het nadenken over de eschatologie volgens Körtner heel sterk op crises die er in de wereld gebeurde.
Het bijzondere van de christelijke eschatologie is dat christenen vooruitkijken naar komen van God. Dat komen van God zorgt ervoor dat de toekomst meer dan een verlenging van het heden. Het is een toekomst, waarin de dingen nieuw worden of vernieuwd, omdat God handelt: zie, Ik maak alle dingen nieuw. Vanwege de komst van God hebben christenen hoop. Ze kunnen nog wel angstig zijn voor de ontwikkelingen die op hen afkomen of voor de onzekerheid die de toekomst met zich meebrengt. In die angst en onzekerheid mogen ze echter vertrouwen op God en Zijn komst. Zolang we hier op aarde leven wordt het geloof gekenmerkt door een spanning: de spanning tussen hoop en vrees. Wat betreft het komen van God en Zijn koninkrijk geeft de Bijbel ook een spanning aan: aan de ene kant is God gekomen en Zijn koninkrijk ook, aan de andere kant kijken we uit naar de definitieve komst van God en Zijn koninkrijk.

Geen catastrofe
In de eschatologie is er aandacht voor zowel het einde van de wereld als het einde van het individuele menselijke leven. Bij het nadenken over het einde van de wereld kan men volgens Körtner niet om de apocalyptiek heen. Ook in onze tijd duikt geregeld de angst op voor de ondergang van de ons bekende wereld. Daarnaast is apocalyptiek aan het christendom niet vreemd, onder andere opgeroepen door het Bijbelboek Openbaring. Volgens Körtner is het christendom echter niet volop apocalyptisch, omdat christenen door het komen van God en Zijn koninkrijk het einde niet zien als een catastrofe, maar als een heilvol ingrijpen van God.

Het einde van het menselijk leven verbindt Körtner met het nadenken over  sterven en de lichamelijke opstanding. Christenen geloven in de opstanding van Christus. Daarmee is voor de gelovige de dood overwonnen, maar niet het sterven. Ook het einde van het menselijk leven kent de spanning tussen hoop op God en vrees voor wat komt. Het houvast bij het sterven, is dat er een continuïteit is in God. In ons sterven blijft de Heilige Geest, de Geest van Christus, in ons, die ons ook dan doet delen in de liefde van God. Gods relatie met de mens is sterker dan de dood.
Een belangrijk thema is het laatste oordeel. In het laatste oordeel is het God die Zijn recht spreekt. Körtner benadrukt de troost die het laatste oordeel voor de christen heeft. Een wereld zonder laatste oordeel door God is hopeloos, want dan zijn wij mensen onze eigen rechters of is het de geschiedenis die een onbarmhartig oordeel velt. Het nadenken over het laatste oordeel is niet zonder problemen. Het laatste oordeel werd (vooral in het verleden) verbonden aan een eeuwig behoud of een eeuwige verlorenheid. Volgens Körtner heeft de theologie niet te speculeren over hoe het einde voor mensen zal zijn. Theologie moet verkondigen en mensen oproepen tot geloof en hen in hun geloof sterken. Het oordeel moet aan God overgelaten worden.
Ook al kijkt de gelovige vooruit naar Gods komst, hij leeft in het hier en nu. Eschatologie heeft gevolgen voor het alledaagse leven. Vanuit de eschatologie komt het besef dat het leven hier fragmentarisch blijft en daarmee een leven met lijden en pijn en vol aanvechting. In dit fragmentarische bestaan is er hoop omdat er uitgekeken mag worden naar Gods komst. Körtner besluit zijn boek met het wachten op God en het bidden om Zijn komst. Christelijke eschatologie is geleefde liturgie: in het persoonlijk gebed en in de zondagse samenkomst vol verheuging uitzien naar Gods komst.

n.a.v. Ulrich H.J. Körtner, Die letzte Dinge (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2014)

Eerder verschenen in het Friesch Dagblad

Die letzte Dinge

Boekbespreking Ulrich H.J. Körtner, Die letzte Dinge (2014).

FILAGO_db2_3766_M_00

Voor het Friesch Dagblad heb ik een recensie geschreven over: Ulrich H.J. KörtnerDie letzte Dinge (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2014).
Dit boek is het eerste deel van de serie Theologische Bibliothek, een serie over theologische thema’s, bedoeld voor lezers zonder al te veel theologische achtergrondkennis.

Ik geloof in de wederopstanding van het lichaam en een eeuwig leven

Ik geloof in de wederopstanding van het lichaam en een eeuwig leven
Christelijke hoop in het aangezicht van de dood

Hoop – en vooral hoop op een leven na de dood – is een specifiek kenmerk van het christelijk geloof. In 1 Petrus 1:3-9 wordt God de Vader geprezen, omdat Hij Jezus uit de doden opwekte en daarmee ook een opwekking van de gestorvenen belooft.
Voor Paulus stort het christelijk geloof als een kaartenhuis in als er geen opstanding van de gestorvenen is. Want dan is ook Christus niet uit de doden opgewekt (1 Korinthe 15). Paulus wilde met dit argument het geloof in de opstanding versterken.

ANASTASI3

Sinds de Verlichting wordt het argument van Paulus van de opstanding van Christus en de opstanding van de doden gebruikt tegen het christendom. In de Verlichting vervluchtigde niet alleen het geloof in de opstanding, maar in het geloof van het leven in het hiernamaals in het geheel. Er werd afscheid genomen van de opstanding, van het laatste oordeel en van een geloof in de lichamelijke opstanding van Christus. Hooguit hield men vast aan een eeuwig voortbestaan van de ziel zonder lichaam.
Vanaf de 19e eeuw werd, door onder andere de opkomst van een naturalistisch wereldbeeld, de dieptepsychologie en het Marxisme,  ook de hoop op een eeuwig voortbestaan bekritiseerd. Hoop op een onsterfelijk bestaat was een illusie of een vorm van opium om het volk in erbarmelijke omstandigheden rustig te houden.
Vandaag de dag wordt de ziel gezien als een vorm van ervaring van het zelf. De ziel is een psychologisch verschijnsel dat alleen in onze gedachten en ervaring bestaat, maar niet werkelijk bestaat.

Karl-Marx

Verkondiging
Met deze veranderingen is het geloof in de opstanding van het lichaam en de hoop op een eeuwig leven haaks komen te staan op wat veel mensen vandaag de dag geloven en ervaren. In ervaren en denken is de nadruk komen liggen op het leven in het hier en nu en is het nadenken over het leven in het hiernamaals een restverschijnsel geworden.
Deze ontwikkeling heeft ook de kerk niet onberoerd gelaten. In veel theologische en kerkelijke stromingen is het spreken over een lichamelijke opstanding op de achtergrond geraakt. De traditionele voorstelling van een leven na de dood komt in veel preken nauwelijks meer voor. Omdat de traditionele voorstellingen bij predikanten en/of kerkgangers niet meer voldoen. Omdat door het verdwijnen van een geloof in het leven in het hiernamaals de aanknopingspunten verdwenen zijn.

Fragmentarisch leven
In de maatschappij en in delen van de kerk kan dan afscheid genomen zijn van een geloof in de opstanding en in het leven na de dood, de werkelijkheid van de dood en de werkelijkheid van het kwaad zorgen ervoor een optimistische kijk op het leven in het hier en nu niet voor iedereen houdbaar is.
Het optimisme van de Verlichting met zijn nadruk op het leven in het hier en nu is na de beide wereldoorlogen stukgebroken. In plaats daarvan is weer volop aandacht voor de werkelijkheid van het kwaad. Bovendien wordt erkend dat het leven in het hier en nu vooral een fragmentarisch leven is. Het is een leven dat sterfelijk is en geregeld ingrijpende verlieservaringen kent. Elk leven kent niet alleen ervaringen van geluk en voldoening, maar ook van mislukken en verlies. Eigen dromen komen niet uit, wensen worden niet voltooid, doelen niet gehaald. Wie in relatie leeft, draagt in zich ook de pijn aan verlies van degenen die er niet meer zijn.

Relatie met God
In deze wereld van fragmenten, van geluk en breuken, van zegen en falen, van voldoening en verlies, klinkt de boodschap van de opstanding van het lichaam en het eeuwig leven. Het christelijk geloof verbindt dit fragmentarisch leven aan God. In het licht van die relatie met God is het fragmentarische van ons leven aan de ene kant een oordeel, aan de andere kant een bestaan waarover het licht van Gods genade valt.

Hoop op de opstanding
Vanuit het nadenken over de opstanding dient er onderscheid gemaakt worden tussen de dood en het sterven. Het christelijk geloof laat zien dat er een leven na de dood mogelijk is, omdat de dood door Christus overwonnen is. Tegelijkertijd is duidelijk dat het sterven nog niet voorbij is. Ieder mens zal nog sterven. Iemand die in het reine komt met zijn of haar sterven en daar bewust naar toeleeft, hoeft nog niet in het reine te komen met de dood. We kunnen toeleven naar ons sterven, maar het overwinnen van de dood is ons niet gegeven. Overwinning op de dood is opwekking uit de dood en opwekking uit de dood is volgens het christelijk geloof een daad van God.

Nieuw licht
Als de overwinning op de dood, namelijk de opwekking uit de dood, een daad van God is, valt er een nieuw licht op het fragmentarische menselijke leven. De voltooiing van het leven wordt door God gegeven. De last om het fragmentarische leven tot een zinvol geheel te maken ligt niet meer bij de mens die dat leven leidt.
Dat het fragmentarische leven van de mens (na de dood) door God wordt voltooid, is de hoop die de opstanding uit de doden geeft. De basis voor deze hoop is gelegen in de opwekking van Christus uit de dood.

N.a.v. Ulrich H.J. Körter, ‘ “Ich glaube an die Auferstehung der Toten und das ewige Leben”. Christliche Hoffnung im Angesicht des Todes’, in: Ulrich H.J. Körnter, Wie lange noch, wie lange? Über das Böse, Leid und Tod (Neukirchen-Vluyn 1998) 95-119.

Het nieuwe atheïsme

Het nieuwe atheïsme

Tegelijkertijd met de terugkeer van religie kan er worden gesproken van een opkomst van een nieuw soort atheïsme. Dit nieuwe atheïsme is een strijdbare vorm, die elke vorm van religie of geloof bestrijdt. De theoloog Ulrich H.J. Körtner gaat in discussie met het nieuwe atheïsme en concludeert dat de nieuwe atheïsten te weinig kennis van zaken hebben en de verschillende kanten van godsdienstigheid en de verschillen tussen de godsdiensten niet serieus nemen. Hij gaat allereerst in op de verhouding tussen het Christendom en de kritiek op godsdienst. Die verhouding is complexer dan bestrijders van religie voor waar willen hebben.

Het spreekt niet vanzelf om in God te geloven, aldus Körtner. Vooral het christelijk geloof is existentieel en intellectueel ongehoord! Dit geloof is niet irrationeel of absurd, maar wel paradox: geloven in een God die Zijn macht laat zien in de onmacht van een gekruisigde; geloven dat in de dood van deze gekruisigde het ware leven te vinden is en dat het leven zonder relatie met deze gekruisigde zo goed als dood is. Dit geloof is niet alleen een intellectueel gebeuren, maar ook een levenspraktijk. Zowel het gedachtengoed dat bij het christelijk geloof hoort als de levenspraktijk worden voortdurend onder kritiek gesteld.

Kritiek op religie
Godsdienstkritiek is een begrip met meerdere betekenissen en uitgangspunten:
(1) Religiekritiek kan vanuit het perspectief van de buitenstaander gebeuren. Bijvoorbeeld vanuit een filosofisch, godsdienstwetenschappelijk, antropologisch of cultuurwetenschappelijk perspectief. In deze kritiek gaat het erom hoe anderen over een godsdienst oordelen. Dat is wat anders dan hoe aanhangers van deze godsdienst zelf over hun godsdienst oordelen.
(2) Religiekritiek kan vanuit een binnenperspectief gebeuren. Het kan hier gaan om (a) kritiek op de eigen godsdienst of (b) vanuit de eigen religie kritiek op een andere godsdienst.
(3) Religiekritiek kan ook gebeuren vanuit een duidelijk anti-religieus standpunt. Dan gaat het erom om religie te bestrijden of het schadelijke van een religie aan te tonen voor individuen of voor de maatschappij.

Christelijk geloof en religiekritiek
Nu is het zo dat het christelijk geloof niet per definitie afwijzend staat tegenover kritiek op religie. De verhouding tussen christelijk geloof en religiekritiek is een complexe relatie:

* In de ontstaansperiode in de Grieks-Romeinse tijd werd het christelijk geloof door tegenstanders gezien als een vorm van atheïsme. Het verwijt aan het christelijk geloof om atheïstisch te zijn duikt in de 19e eeuw weer op in de strijd rondom Johann Gottlieb Fichte.

* Het christelijk geloof heeft zelf een kant die heel godsdienstkritisch kan werken. Denk aan het beeldverbod in het Oude Testament. Ook het kruis van Christus correspondeert met dit oudtestamentisch beeldverbod. Volgens Calvijn is het hart van de mens van nature een fabriek waarin (af)godsbeelden worden gefabriceerd.
Het beeldverbod leidde in de geschiedenis van de christelijke theologie tot een negatieve theologie. Deze negatieve theologie geeft aan dat God niet uitputtend te omschrijven is. In de christelijke traditie is de negatieve theologie niet dominant. Het hoofdaccent is dat God wel te beschrijven is – op basis van de openbaringen waar de Schrift over spreekt. De negatieve theologie herinnert er wel aan, dat God uiteindelijk niet door mensen te vatten is en het menselijk kennen overstijgt.

* In de christelijke traditie kan er naast een negatieve theologie ook worden gesproken over de verborgenheid van God. Dat het geloof in God aangevochten is en dat zijn bestaan betwijfeld wordt is dan geen uitdrukking van ongeloof, maar een ervaring van het geloof. Het christelijk geloof waarin een gekruisigde God centraal staat is een vorm van ‘zwak denken’ (Gianni Vattimo).

Het nieuwe atheïsme als reactie-beweging
In 2006 dook de typering ‘nieuw atheïsme’ voor het eerst op in een artikel van Gary Wolf, waarin Richard Dawkins, Sam Harris en Daniel Dennett werden getypeerd als de opperhoofden van een nieuwe ‘kerk van de nietgelovigen’ (church of non-believers). Tegenwoordig wordt ook Christopher Hitchens tot deze ‘opperhoofden’ gerekend.
Het nieuwe atheïsme reageert op verschillende ontwikkelingen in de afgelopen decennia:
1) Op de toenemende invloed van conservatieve religieuze groeperingen op de politiek
2) Op de poging van creationistische groeperingen om het creationisme erkend te krijgen als wetenschappelijk alternatief voor de evolutietheorie
3) Op het wegvallen van het door de staat gepropageerde atheïsme in de voormalige communistische landen.

Toenemende invloed van conservatieve godsdienstige groeperingen
In de afgelopen decennia is – in tegenstelling tot wat men verwacht had – in delen van de wereld de invloed van religie toegenomen. Ook de invloed op de politiek is toegenomen, zodat men zou kunnen spreken van een hertheologisering van de politiek. Denk aan de opkomst van de politieke islam, aan de invloed van ultra-orthodoxe Joden in Israël of aan de invloed van de evangelicalen in de VS. Deze toenemende invloed, vooral van meer conservatieve religieuzen is onverwacht. De Franse socioloog en politicoloog spreekt daarom van de ‘wraak van God’.
De terugkeer van religie is een ambivalent fenomeen. Aan de ene kant staat deze terugkeer voor een nieuwe zoektocht naar zin, waarin een onbehagen doorklinkt over het verlies van transcendentie en over de toenemende invloed van economisch denken en handelen op alle sectoren van de maatschappij. Daarnaast is die terugkeer van religie vooral een opkomst van individuele godsdienstigheid, een op het individu toegesneden mengelmoesje van elementen uit verschillende religieuze tradities die verbonden is met een kritische houding ten opzichte van bestaande instituties.
Het nieuwe atheïsme is een reactie op deze onverwachte invloed van conservatieve religieuze groeperingen op de politiek. De opkomst van het nieuwe atheïsme werd versterkt door de aanslagen van 11 september 2001.

Wetenschappelijke claim
De wereldbeschouwelijke basis van het nieuwe atheïsme is een materialistische visie op de wereld (naturalisme). Een kenmerk van het nieuwe atheïsme is de claim dat deze wereldbeschouwing wetenschappelijk onderbouwd is (onder andere door de evolutietheorie). Met deze wetenschappelijke claim reageert het nieuwe atheïsme op het creationisme en intelligent design. Bij het poneren van de wetenschappelijke claim van deze wereldbeschouwing gaat het niet om het oplossen van (natuur)wetenschappelijke vragen, maar om een wereldbeschouwing die ook tot fundering van ethisch handelen moet kunnen leiden.

Het nieuwe atheïsme als kerkgenootschap
Binnen de voormalige communistische landen was het de overheid die de religiositeit van de individuen ontmoedigde of zelfs bestreed. Het nieuwe atheïsme wil deze rol overnemen. Een van de redenen waarom gesproken kan worden van een nieuw atheïsme is het activistische van deze beweging: het doelbewust bestrijden van elke vorm van religie. Daarbij neemt dit nieuwe atheïsme paradoxaal genoeg allerlei religieuze elementen over. Nieuwe atheïsten kunnen zich bijvoorbeeld uiten in apocalyptische taal. Om hun doel, het actief bestrijden van elke vorm van religiositeit en elke invloed van religieuze groeperingen en instituten op de maatschappij, organiseren nieuwe atheïsten zich als een godsdienstige groepering.
Het nieuwe van het nieuwe atheïsme is dat men elk respect voor religiositeit of geloof in God afwijst. Men gaat zelfs zover dat men basale vrijheden ter discussie stelt, zoals het recht op vrijheid van geweten en godsdienstvrijheid. Daarbij zijn nieuwe atheïsten geregeld van mening dat de overheid deze vrijheden moet beperken, omdat godsdienst in hun ogen schadelijk is. Godsdienstigheid wordt geregeld gezien als een vorm van pathalogie

Open deur
Een kenmerk van het nieuwe atheïsme is dat men geen kennis heeft van atheïstische denkers en discussies over het atheïsme uit het verleden. Men heeft ook geen kennis van ontwikkelingen binnen bijvoorbeeld het christendom. Het nieuwe atheïsme neemt de verschillende godsdiensten en verschillende vormen van godsdienstigheid te weinig serieus.
De darwinistische verklaring van Dawkins voor het ontstaan van religiositeit door middel van mutatie en selectie is meer een ideologie dan een wetenschappelijk serieus te nemen denken over het ontstaan van godsdienst en godsdienstigheid.
Wanneer Richard Dawkins beweert dat men een goed mens kan zijn zonder aanhanger van een religie te zijn heeft hij moderne protestantse theologen aan zijn zijde. Reeds Schleiermacher in de 19e eeuw verwierp het idee dat godsdienst in de kern tot moraal te beperken is. De uiteindelijke onderbouwing van moraal is niet de godsdienst. Ook is het volgens Schleiermacher niet zo dat moraal per definitie om godsdienst vraagt. Voor hedendaagse protestantse theologen trapt Dawkins open deuren in. Vooral bij theologen die in de leer geweest zijn bij Dietrich Bonhoeffer, een theoloog die ook door Dawkins wordt gewaardeerd.

Hypothese
Volgens Dawkins is de bewering dat God bestaat een empirisch bedoelde hypothese, die met de gebruikelijke wetenschappelijke methoden te verifiëren of te falsifiëren is. Het bestaan van God is voor hem geen kwestie van existentiële zekerheid, maar van wetenschappelijke waarschijnlijkheid. Daarvoor beroept hij zich op de argumentatie van de Engelse filosoof John L. Mackie en zijn principe van spaarzaamheid. Dit principe berust op de premisse dat de empirisch toegankelijke wereld de enige wereld die er is. Maar deze premisse claimt meer dan het kan waarmaken, want de premisse is geen empirische uitspraak, maar een metafysische uitspraak.
De argumenten voor een naturalistisch wereldbeeld hebben een zwak punt: men moet opereren met een natuurbegrip dat niet uit de natuur als zodanig herleidbaar is.

Vooruitgang?
Dawkins hanteert een te eenvoudige tegenstelling van een absolute moraal gevoed door godsdienstige principes en een relatieve moraal die uit de evolutietheorie opkomt. Deze tegenstelling doet geen recht aan de complexe verhouding tussen religie en moraal. Bovendien ziet Dawkins over het hoofd dat evolutie geen ethiek kan funderen. Dawkins heeft ook niet door dat zijn ethiek in wezen een vorm is van onbereflecteerd utilitarisme, waarbij hij aanneemt dat de evolutionaire geschiedenis ook een geschiedenis van morele vooruitgang is.

Geweld
Een van de redenen waarom men religie wil bestrijden, is dat men van mening is dat religie leidt tot geweld omdat aanhangers van een godsdienst hun standpunt voor absoluut zouden verklaren. De stelling dat godsdienst in wezen fundamentalistisch, gewelddadig en verwoestend is, is niet houdbaar. Godsdienst kan wel tot geweld leiden, maar er zijn ook andere voorbeelden die deze stelling onderuithalen.
Ook de stelling dat geweld en agressie door godsdienst(igheid) ontstaan is niet houdbaar. Geweld en agressie zijn een antropologisch gegeven. Daarbij zijn er in godsdiensten ook principes aanwezig om geweld en agressie in te dammen of te bestrijden (pacifisme, prolife, verzet tegen de doodstraf).

N.a.v. Ulrich H.J. Körtner, Gottesglaube und Religionskritik (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2014) 7-37.

Over het zwijgen van God

Over het zwijgen van God
Ervaring van aanvechting en aanwezigheid van God in verborgenheid

Het woord “God” is in onze tijd omstreden. Dat komt omdat het geloof in God en het nadenken over God in de moderniteit behoorlijk bekritiseerd is. Vooral de vraag waarom de almachtige God het kwaad kan toelaten (theodicee) is een reden om het geloof in God te bekritiseren. In de moderne filosofie wordt ook over gezwegen. Niet zozeer omdat het christelijk geloof bekritiseerd wordt, maar omdat de woorden om over God te spreken ontbreken.

Nihilisme
In de 20e eeuw zijn filosofie en literatuur voor een belangrijk deel gestempeld door het nihilisme. Het is te gemakkelijk om dit nihilisme af te wijzen als antichristelijk. Dit nihilisme kan in bepaalde opzichten ook gezien worden als een manier om het derde gebod (de naam van God niet zinloos gebruiken) serieus te nemen. Vooral de filosofie van de late Heidegger kan als een belangrijke aansporing vanuit het nihilisme om dit gebod serieus te nemen.

Godsdienst zonder God
Aan de andere kant ontwikkelde zich deels binnen en deels buiten de kerk een postchristelijke, syncretistische en pluralistische religiositeit. Deze religiositeit kan worden getypeerd als godsdienst zonder God.
Nieuw is deze ontwikkeling niet. Ook aan het begin van de 20e eeuw tendeerde de ontwikkeling van de christelijke theologie bij sommigen naar een godsdienst waarbij God als persoon verdwenen was. Bij Schleiermacher zijn hiervoor reeds de eerste aanzetten te vinden. Net voor de WO I ontstond een discussie over de vraag of de moderne theologie nog wel een christelijke inhoud had.

Existentieel antwoord
Deze discussie werd verhevigd door de gebeurtenissen in WO I en vroeg om een existentieel antwoord van de generatie die de Grote Oorlog had meegemaakt.
Door de vertegenwoordigers van de dialectische theologie werd deze vraag zo radicaal gesteld, dat het leidde tot een paradigmawisseling. Het uiteenvallen van het verbond tussen troon en altaar (scheiding van kerk en staat in 1918), van christendom en cultuur werd door velen ervaren als een goddelijk oordeel over het heden. Het heden was voor hen een eschatologisch ogenblik waarin een keuze tussen geloof en ongeloof viel.

Dialectische theologie
De dialectische theologie verwachtte de vernieuwing van de theologie en de kerk door zich met het Woord van God bezig te houden.
Het beroemde commentaar van Karl Barth op de Romeinenbrief ontstond doordat hij vastliep in zijn preken. Het Woord van God werd als zelfopenbaring van God de beslissende instantie van de theologie. De dialectische theologie vroeg om het Woord van God, omdat de eigen woorden krachteloos waren geworden of gebleken. Uit het goddelijk Woord moest een nieuwe taal, de taal van de verkondiging en de theologie, opnieuw geboren worden.
De dialectische theologie past goed in het tijdsbeeld van culturele onrust en verandering. De Romeinenbrief van Barth kan ook worden beschouwd als een literair document van het toenmalige Expressionisme.[1]
De theologie van Karl Barth was een kritiek op de taal. Ook wat betreft de kritiek op de taal past Barth in die tijd.[2]

De menselijke macht te boven
In zijn beginperiode verwoordde Barth dat het een onmogelijke mogelijkheid is om over God te moeten spreken. Als prediker was hij daartoe opgeroepen, maar als zondig mens was hij daartoe niet in staat. Het spreken over God is niet iets wat de mens in de vingers heeft als een feit, maar is een gebeurtenis dat steeds weer opnieuw plaatsvindt en plaats moet vinden. Het spreken van God gaat de menselijke macht te boven: het spreken van God is een geheimenis.
Hét Woord van God, Jezus Christus, is alleen beschikbaar door bemiddeling de heilige Schrift en door middel van de verkondiging die op de Schrift is gebaseerd. De enige zekerheid die de prediker heeft is de belofte van God en de verwachting dat God Zijn belofte (dat Hij komt door middel van Zijn Woord) zal vervullen.

Worsteling
Alleen is dat de grootste aanvechting uit de moderniteit: komt God wel? De moderniteit is te beschouwen als een worsteling met het uitblijven van Gods komst. Barth verwijst – ondanks zijn benadrukken van de zelfopenbaring – voortdurend op het omstredene en het uitblijven van Gods komst.

Zwijgen van God als ervaring
Ulrich Körtner, die zichzelf positioneert binnen de Wort-Gottes-Theologie, wil deze theologie verder aanscherpen: spreken over Gods openbaring kan niet zonder het spreken over Gods verborgenheid. Blijft het spreken over Gods verborgenheid achterwege, dan loopt de theologie, die zegt dat God door middel van Zijn Woord tot ons komt, uit op positivistische opvatting van de openbaring.[3]
De dialectische theologie, die nadruk legde op het spreken van God door middel van Zijn Woord, kan niet begrepen worden zonder oog te hebben voor de ervaring van het zwijgen van God. De ervaring van zwijgen van God is een onderdeel van het nadenken over het spreken van God.

Sprakeloosheid
De nadruk op het spreken van God door Zijn Woord kan niet los gezien van de taalverlies. De taalverlies is een essentieel onderdeel. Dietrich Bonhoeffer dat door op deze lijn: in de toekomst zou er een niet-religieuze taal nodig zijn om te spreken over God. De radicaliteit van deze uitspraak was, dat Bonhoeffer niet alleen uitging van de menselijke sprakeloosheid, maar dat het verstommen van de overleverde woorden een verstommen van God zelf inhield. De God die met ons is, is de God die ons verlaat. Deze God laat ons achter zonder god als werkhypothese (als gaatjesopvuller).

De gedachte van Bonhoeffer is een aanleiding om af te vragen hoe de ervaringen van het zwijgen van God in de 20e eeuw[4] in verband gebracht kunnen worden met een theologie van het Woord van God. Kunnen deze ervaringen van dit zwijgen doordacht worden binnen het kader van de christelijke theologie? Of stappen we met deze ervaringen en vragen buiten de christelijke theologie?

Zwijgen van God
Volgens Körtner kunnen deze vragen binnen de christelijke theologie doordacht worden. Het zwijgen van God kan doordacht worden vanuit de christologie. Vanuit dat perspectief kan het zwijgen van God worden geduid als een manier waarop God tot ons spreekt. God spreekt ook tot ons door te zwijgen. Hij openbaart zich ook door zich te verbergen.
Overigens is de gedachte dat God zwijgt niet een ervaring die beperkt is tot de 20e eeuw. Al is in deze eeuw het zwijgen van God op een radicale wijze aan de orde gesteld. Over het zwijgen van God is in de gehele kerkgeschiedenis nagedacht.
Het zwijgen van God is een ervaring van aanvechting, omdat God niet antwoordt op menselijke vragen en klachten. Het zwijgen van God heeft dus te maken met de kwestie van de theodicee.

Equivalent in de poëzie
In onze tijd is de theodicee verscherpt door Auschwitz. Volgens de filosoof P. Strasser is God vandaag de dag niet meer in staat om de menselijke taal te spreken. Het zwijgen is een voorwaarde voor Zijn bestaan. Wil God zich niet verontreinigen, moet Hij zich terugtrekken uit de menselijke taal. Ons alternatief is de zwijgende God of de sprekende duivel.[5]
Het antitheïsme in de filosofie correspondeert met de poëzie, waarin sprake was van een emigratie uit de taal, een terugtocht uit het woord (George Steiner). Sinds de Shoah is er in Duitsland een retoriek van het zwijgen. Het gewone spreken was al niet meer mogelijk. Laat staan het spreken van en over God.

Zwijgt God?
Het spreken over zwijgen van God met betrekking tot de Shoah is dubbelzinnig. Het maakt wel uit vanuit welk perspectief gesproken wordt over het zwijgen van God: vanuit de daders, de slachtoffers of de nakomelingen van de daders, de nakomelingen van de slachtoffers. Wiens ervaring was het dat God zweeg? Van de daders? In dat geval wordt de (schuld)last van de Shoah als nog op de schouders van de slachtoffers gelegd.

Zwijgen als protest
In de Bijbel is het zwijgen van God niet een terugtrekken uit het zijn, zoals Heidegger het verwoordt (Fehl Gottes), maar een protest van God tegen het geweld en de onrechtvaardigheid, die hoogtij viert.
Volgens de Bijbel is het ook niet de metafysica die bepaalt of God zwijgt of kan spreken. In de Schrift wordt de mogelijkheid opengehouden dat God nog gaat spreken d.m.v. een nieuwe openbaring. Wordt op basis van metafysica bepaalt of God zwijgt of spreekt, maken we ons schuldig aan menselijke hybris (Walter Mostert[6]).
Als er in de bijbel sprake is van het zwijgen van God gaat het om een resultaat van menselijke schuld: God is tot zwijgen gebracht.

Jezus als het spreken van God in persoon
Volgens het Nieuwe Testament komt Jezus als het Woord / het Spreken van God in persoon. God zelf spreekt zelden in de evangeliën. Wat Jezus te zeggen heeft, komt vaak niet overeen met wat mensen van God verwachten. Hij zegt degenen die volgens de godsdienstige kaders van die tijd buiten de boot vielen de vergeving van zonden toe.
Na verloop van tijd zwijgt Jezus: wanneer Hij geconfronteerd wordt met de machthebbers, die ook nog eens corrupt en onrechtvaardig zijn. Door die corrupte macht wordt Jezus ter dood gebracht. Waar is God? In de dood van Jezus, in de gekruisigde Christus wordt God zelf door de mens het zwijgen opgelegd. God is niet afwezig, maar omdat Hij aanwezig is in het gebeuren van het kruis, zwijgt Hij.

Daders
Het zwijgen van God en het aan Jezus opgelegde zwijgen is een aanklacht aan ons. Wij zijn geen slachtoffers van het gebeuren aan het kruis, maar daders.
Wat gebeurt er als vandaag de dag ervaren wordt dat God zwijgt? Staan wij soms op één lijn met de daders, bijvoorbeeld rondom de Shoah? Als wij ons afvragen, waarom God gezwegen heeft in Auschwitz, spreken wij dan geen oordeel uit over onze voorouders (namelijk dat zij schuldig waren)?
Het kruis was niet het einde. Gods zwijgen was niet definitief. In de opstanding van Christus schiep God een nieuwe werkelijkheid. Hij riep tot nieuw leven. Midden in de dood kwam Zijn herscheppend Woord.

Doorbreken van het zwijgen
Het zwijgen van God wordt doorbroken bij het kruis, waar uitgerekend een van de daders tot het inzicht komt: waarlijk, deze Mens was Gods Zoon. God voert Zijn gerechtigheid door – ook onder de schijn van het tegendeel. En dat is niet alleen een troost voor de slachtoffers, maar ook voor de daders. Alleen gebeurt dat wel ten koste van een radicale verandering van de daders. God laat niet toe dat de daders voor de tweede keer winnen van hun slachtoffers.

Geen goedkope genade
Dat is geen goedkope genade die het onderscheid tussen daders en slachtoffers uitwist, maar een dure genade. De ommekeer is zeer pijnlijk, een vernieuwing die met oprecht schuldbesef en berouw gepaard gaat. De oude mens die in deze wereld God het zwijgen op wil leggen en zich aan medemensen vergrijpt (of door zich aan medemensen te vergrijpen!) en zich alleen ten koste van anderen kan handhaven wordt zelf het zwijgen opgelegd. De oude mens sterft en een nieuwe mens staat op.

Verlossend
We kunnen alleen over God spreken, omdat Hij op een (ver)nieuw(d)e manier heeft gesproken. Dat God opnieuw zal spreken (verlossend en vernieuwend) is de belofte die de Bijbel ons geeft. Zijn stem zal opnieuw klinken: Oordelend en redden tegelijk.
Met dat doel, dat God opnieuw en oordelend en reddend kan spreken, verliezen wij onze mogelijkheid om te spreken over God. Opdat wij niet voortdurend God het zwijgen opleggen.

N.a.v. Ulrich H.J. Körtner, ‘Vom Schweigen Gottes. Ein Kapitel negativer Theologie’, in: Ulrich H.J. Körtner, Der verborgene Gott. Zur Gotteslehre (Neukirchen-Vluyn, 2000) 83-97.


[1] Parallellen zijn er in het toenmalige marxisme en de voorvechters van een conservatieve revolutie. Barth past in het rijtje van Oswald Spengler, Ernst Jünger, Franz Rosenzweig (Stern der Erlösung), Ernst Bloch (Geist der Utopie) en Martin Heidegger (Sein und Zeit).

[2] In de beroemde Brief van de Lord Chandos (1906) verwoordde Hugo von Hofmannsthal zijn persoonlijke crisis als dichter en het verval van de taal.

[3] Oftewel: openbaringspositivisme. Dit was de kritiek van Dietrich Bonhoeffer op de theologie van Karl Barth. Zie voor positivisme: http://nl.wikipedia.org/wiki/Positivisme

[4] Dit zwijgen van God kan met verschillende termen worden aangeduid: als Godsverduistering (Martin Buber) of als dood van God (Nietzsche).

[5] P. Strasser, Journal der letzten Dinge (Frankfurt a.M., 1998) 22-23.

[6] Walter Mostert, ‘Glaube – der christliche Begriff für Religion’, in: Idem, Glaube und Hermeneutik. Gesammelte Aufsätze (Tübingen, 1998) 186-198.

Megatrend religie of megatrend “God is uit beeld”?

Megatrend religie of megatrend “God is uit beeld”?

Is er sprake van een terugkeer van godsdienst? Volgens (godsdienst)sociologen en praktisch theologen wel. In hun ogen zou de kerk moeten aansluiten bij deze “megatrend religie”. Is dat wel zo verstandig? Ulrich H.J. Körtner bekritiseert deze suggestie: de megatrend religie is een zeepbel die door deze sociologen en theologen zelf is gecreëerd. Er is volgens hem wat anders aan de hand: men weet niet meer waar het om gaat bij godsdienst of God. Er is geen sprake van bloei van spiritualiteit, maar een opmars van syncretisme en een onverschilligheid als het gaat om God. Volgens Körtner kan men net zo goed spreken van een megatrend God is uit beeld.

Er zijn verschillende ontwikkelingen tegelijkertijd aan de hand. Mensen zijn minder betrokken bij een godsdienstig instituut. Zij zijn in hun doen en laten, in hun denken en levensbeschouwing niet meer zo nadrukkelijk gevormd door een duidelijke traditie dan voorgaande generaties. Er is een multireligieuze samenleving ontstaan, die zeker voor jongeren de samenleving is waar zij in leven en zich niet aan kunnen onttrekken. Al deze factoren hebben er voor gezorgd, dat veel mensen geen duidelijk beeld meer van godsdienst of God hebben ontvangen van ouders, leerkrachten en andere personen die van belang zijn bij de opvoeding.
De kerken zijn daardoor onzeker geworden. Wat moeten zij doen om mensen te behouden als lid? Wat moeten zij doen om mensen (of ze nu wel betrokken zijn of niet) bereiken met een boodschap? En welke boodschap moet dat zijn? Kan dat nog de boodschap zijn dat God alleen te kennen is in de gekruisigde en opgestane Christus? Of moeten zij deze boodschap aanpassen en aansluiting vinden?

Volgens de godsdienstsocioloog Detlef Pollack is de zogenaamde opleving van religie een mythe. In ieder geval op basis van betrokkenheid. Aanhangers van nieuwe religiositeit tellen nog geen 2% van degenen die de kerk vaarwel hebben gezegd. Bovendien is religiositeit volgens hem nog steeds vooral door de kerk gestempeld. Iemand die op een of andere manier betrokken is bij een kerk zal een ervaring van schoonheid (natuur, muziek) of van gemeenschap eerder als religieus bestempelen dan iemand die geen binding meer heeft met de kerk. Het is waar dat religieuze vragen blijven en dat men voor het antwoord lang niet altijd meer de kerk of kerkelijke traditie erbij betrekt. Maar het is volgens hem niet waar dat daar tegenover staat dat godsdienst boomt. Godsdienstsociologen kunnen alleen spreken van heropleving van religie doordat zij de definitie van wat als religieus bestempeld kan worden enorm ver oprekken.
Daarnaast is het de vraag of de nieuwe spiritualiteit werkelijk dat kan bieden wat zij belooft. Is er bij deze nieuwe vormen van spiritualiteit geen sprake va naturalisme (de natuur dicteert wie wij behoren te zijn)? En als de nieuwe spiritualiteit een bepaalde liefelijke eenheid zonder al te scherpe discussies belooft, krijgt het dan niet het karakter van een utopische mythe?
Henning Luther heeft erop gewezen dat deze nieuwe religiositeit in dat geval trekken krijgt van een illusie en een ideologie. Die liefelijkheid is niet te vinden, omdat het leven weerbarstiger en pijnlijker is dan men vaak voor waar wil houden. Die weerbarstigheid, het lijden en het pijnlijke wordt genegeerd.
Neem bijvoorbeeld gebedsgenezers. Zij beloven dat zij zieken gezond kunnen maken. De onderliggende gedachte is dat ziekzijn niet past bij het menszijn. Wie gezond is, is pas werkelijk mens. Als de kerk aansluit bij de moderne mens, neemt zij deze illusie en ideologie van ‘de gezonde mens’ dan niet impliciet over?
Een discussie over secularisatie kan dus niet zonder discussie over de vraag wat religieus is. En over de vraag wat de consequenties zijn van die definiëring. Die discussie over definiëring is daarom dan ook een theologische discussie. Want is alles wat als religieus geduid wordt ook werkelijk religieus? Binnen de huidige godsdienstwetenschap is men steeds terughoudender met betrekking tot de precieze definiëring van religie. En heeft de kerk vanuit het geloof in God en in de openbaring van Christus niet een hartig en kritisch woordje mee te spreken? Vanuit de christelijke traditie definieert Körtner religie als bewustzijn van ‘schlechthinniger Empfänglichkeit’. (Hoe zal ik U ontvangen?) Van oorsprong bezit de mens een passiviteit, die zich niet alleen uit in geboorte en dood, in lijden, hulpbehoevendheid en afhankelijkheid, maar ook in liefde en vergeving. Het beslissende in een mensenleven kan de mens zichzelf niet geven.  De mens is daarom niet, zoals de Verlichting zegt, van nature religieus.
Voor Körtner is de uitdaging: Wat betekent deze megatrend “God is uit beeld” voor de kerkelijke praktijk en voor de kerkelijke verkondiging? Deze uitdaging raakt niet alleen de praktijk, maar ook de geloofsleer: Hoe denken wij over God? In welke God geloven wij? Valt er niet iets voor te zeggen om vast te blijven houden aan God die zich openbaart/openbaarde in de gekruisigde en opgestane Christus?

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Ulrich H.J. Körtner, Wiederkehr der Religion? Das Christentum zwischen neuer Spiritualität und Gottvergessenheit
(Gütersloh: Gütersloher Verlagshaus, 2006).