Preek Tweede Paasdag 2020

Preek Tweede Paasdag 2020
Schriftlezing: Johannes 20:19-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Achter gesloten deuren – dat had u, dat had jij vast nooit kunnen bedenken
dat we nog eens op deze manier heel dicht bij de ervaring van de discipelen zouden komen.
Zij konden het huis niet uit.
Jij kunt je huis ook niet uit. Niet naar familie, niet naar vrienden, niet naar de kerk.
U kunt geen bezoek ontvangen. De deuren zijn gesloten.
Je bent alleen met elkaar als gezin. Daarmee moet je je redden in deze tijd.
En als je alleen bent, er niemand bij je in huis woont, kan het helemaal stil zijn,
Zeker in deze dagen, waarop veel mensen elkaar zouden opzoeken.
dan merk je gelijk hoe belangrijk het is om bij elkaar te kunnen zijn, om elkaar te ontmoeten.
Dat bij elkaar zijn is helemaal niet meer gewoon.
Echt een gemis om elkaar niet op te kunnen zoeken.
Nu kun je er ook achter komen hoe belangrijk het is dat je als gemeente samen kunt komen.
Dat u de andere kerkmensen kunt zien, dat u ziet wie er ook zijn,
Dat je samen zingt, tot eer van de opgestane Heer.
Ik las een uitspraak van iemand:
Als ik weer naar de kerk mag gaan en we zingen het U zij de glorie
dan loei ik het dak eraf.
Misschien herken je dat ook wel.
Voorheen zong je gewoon mee, zonder al te veel na te denken.
Maar nu besef je pas echt hoe bijzonder en hoe fijn het is om samen te kunnen zingen.

Op de dag dat Jezus is opgestaan, zijn de discipelen ook bij elkaar.
Tien mannen (want Judas en Thomas waren er niet), wellicht ook wat vrouwen erbij.
Dat is de eerste gemeente.
Tien, twintig mensen – dat zijn de aantallen die je in deze tijd bij begrafenissen hebt.
Heel intiem, dat wel, met de eigen kinderen, maar je mist die andere gemeenschap.
Zo begint de eerste gemeente van Jezus Christus: slechts een handjevol,
alleen maar wat gezinnen bij elkaar, enkele mannen, misschien wat vrouwen,
die elkaar opzoeken.
Ze zoeken elkaar op, omdat er een bijzonder bericht gekomen is van Maria Magdalena:
Ik heb de Heer gezien!
Dat is een boodschap waarvoor ze bij elkaar moeten komen.
Zelfs Johannes en Petrus komen hun huis uit en gaan de anderen opzoeken.
Ze doen wel de deur op slot, uit voorzorg. Stel je voor dat anderen horen dat het graf leeg is.
Blijkbaar voelen ze een bepaalde dreiging. Blijkbaar rekenen ze op gevaar.
Daar heeft de kerk dus vanaf het begin mee te maken gehad: met dreiging.
Het kan op bepaalde plaatsen gevaarlijk zijn om bij elkaar te komen in de kerk.
Daar kunnen de christenen in Sri Lanka over meepraten, vorig jaar Pasen.
Daar kunnen christen in Egypte over meepraten, die ook te maken hebben gehad
met bomaanslagen op de kerk terwijl een kerkdienst aan de gang is.
Wij hebben nu te maken met een andere dreiging: een gevaarlijk virus,
dat we niet moeten onderschatten. Hier in Oldebroek heeft dat de ronde gedaan
en over de berg, in Heerde, heeft het virus helemaal hard toegeslagen.
Het verdriet van een plaats niet zo ver hier vandaan
en het kan zijn dat u van dat verdriet het een en ander hebt meegekregen
omdat u familie hebt in Heerde, of vrienden, of collega’s die daar werken.
Een van de predikanten in Heerde komt uit Oldebroek en preekt hier ook wel.
De eerste Paasdag, de eerste keer dat de gelovigen bij elkaar zijn,
– je zou kunnen zeggen: de allereerste kerkdienst – staat ook in het teken van angst.
Achter gesloten deuren, in afzondering.
Misschien ook wel een “unheimisch” gevoel: niet weten wat ze er van moet denken.
En dan komt Jezus in hun midden.
Bij die leerlingen, die samen zijn, die ongemakkelijk bij elkaar zijn,
Iets gehoord hebben van Maria, waarvan ze niet goed weten of ze dat moeten geloven:
Ik heb de Heer gezien!
Maria die daar vast vol enthousiasme over verteld en die anderen die afwachtend kijken.
Ze zijn bij elkaar vanwege dat bericht dat Jezus weer leeft.
Zo komt de kerk voor het eerst bij elkaar, zo zijn de volgelingen voor het eerst samen,
Vanwege die boodschap dat Jezus leeft, dat Hij gezien kan worden, buiten het graf!
Daar begint de kerk mee – en dat we op zondag bij elkaar komen heeft hier de oorsprong.
Maar zoals Johannes er over verteld, lijkt het nog niet een heel overtuigde groep,
een groep die wat angstig bij elkaar is, in ieder geval de deuren goed gesloten heeft.

Bij die groep die de deuren goed heeft gesloten, verschijnt Jezus.
Hij is in hun midden, bij die groep die bij elkaar is vanwege dat bericht van Maria.
Zo zijn we ook bij elkaar vanwege dat bericht van Maria – “Ik heb de Heer gezien!”
En ook als u meekijkt en meeluistert, via de kerkradio, via de LOCO, via Youtube,
Jezus verschijnt ook bij u, bij jou in huis, terwijl je nu meeluistert of meekijkt.
Of je nu alleen bent, of als gezin meekijkt, Jezus verschijnt
en wat Hij tegen de leerlingen zegt, zegt Hij ook tegen u, tegen jou: Vrede.
Hij geeft je Zijn vrede, hemelse vrede, vrede die van het kruis van Golgotha komt.
Ook in deze tijd vol spanning en zorg, onrust en onzekerheid: Vrede.
Dat is wat de kerk is: een groep die bij elkaar is en die het niet altijd goed weet,
maar wel met Jezus in ons midden, de opgestane Heer, Die Zijn vrede geeft.
Vrede: het zit goed met God. Je leeft weer in harmonie met Hem.
Als je in deze tijd angstig bent en je angst niet kunt kwijtraken: vrede.
Als Christus verschijnt, zowel bij de discipelen als bij jou, bij u in de kamer,
dan mag je delen in Zijn vrede, in Zijn gemeenschap.
De opgestane Heer is bij je, in jullie midden.

En dan toont Hij wie Hij is: de gekruisigde. Ik ben voor jou aan het kruis gegaan.
Dat lijden, die wonden, dat onderging Ik voor jou, zodat jij Mijn vrede kunt ontvangen.
Neem het maar aan. Geloof het maar.
Ik kom speciaal naar je toe om je dat mee te delen, om je Mijn vrede te geven.
Dat brengt vreugde in hun leven.
Pasen betekent vreugde, omdat Jezus terugkomt – om Zijn gemeenschap te geven.
Omdat we Zijn vrede mogen ontvangen. Vreugde omdat Jezus er is.
Die vreugde kent u toch ook? Die vreugde heb jij toch ook?
Natuurlijk, die vreugde is er niet altijd en ben je ook kwijt.
Daarom geeft Jezus steeds Zijn vrede. Hij geeft het aan de discipelen meerdere keren.

Vanuit die vrede die Christus geeft, stuurt Hij hen er ook op uit.
Het is niet de bedoeling dat je in huis blijft zitten. Ja, nu in deze tijd wel.
Het is de bedoeling dat je die vrede uitdraagt. Dat hoeft niet altijd door te spreken.
Dat kun je ook doen door ergens te zijn en die vrede van Christus bij je te hebben
en vandaar uit te leven, die vrede van Christus door je heen te laten stromen.
Er zijn juist in deze tijd volop mogelijkheden.
Als je in het ziekenhuis werkt, of de thuiszorg en er komt heel wat op je af.
Je krijgt heel wat te horen en heel wat te zien.
Je kunt het ook mee naar huis nemen en er wellicht niet goed van slapen.
Voor de meesten in de zorg is dit een heftige tijd – en wellicht kun je daar over meepraten.
Toch kun je door je werk liefdevol te doen, zorgvuldig, met aandacht voor de mensen,
die vrede doorgeven, al zijn er ook beperkingen en kun je soms de zorg niet geven,
die je zou willen geven aan je mensen, omdat je ook om jezelf moet denken.
Ik wens je toe dat je dat werk vanuit deze vrede mag doen,
En ik hoop oprecht dat je merkt dat die vrede van Christus in je werkt
en door je heen werkt naar de mensen voor wie je werkt.

Dan doet Jezus iets bijzonders.
Hij blaast op Zijn leerlingen.
Net als Zijn Vader deed toen de allereerste mens, Adam, werd geschapen
en God Zijn Geest, Zijn adem in de mens blies en zo het leven gaf.
Zo leven de discipelen door deze Geest die Jezus over Zijn discipelen laat gaan.
Of denk aan dat merkwaardige visioen van Ezechiël – Ezechiël 37.
Een vallei vol dode skeletten krijgt hij te zien. Dat is er nog over. Totaal geen leven meer.
Maar als de Geest van God in hen komt, worden ze weer levend en staan ze op.
Als Jezus Zijn Geest over de leerlingen laat gaan, maakt Hij hen weer levend.
Hij geeft aan hen Zijn Geest, Zijn kracht om getuige te zijn.
Om te leven uit de opstanding en om die opstanding door te vertellen
om aan anderen te laten zien welk verschil het in je leven maakt dat Jezus is opgestaan,
dat je er een nieuw mens door wordt.
Dat je in staat bent om Zijn vrede door te geven.
Dat is de kerk met Pasen: we krijgen de Geest van de opgestane Heer.
We krijgen Zijn kracht, die in ons werkt en die ons getuige maakt, vredebrengers,
Gezanten van deze Christus die de dood overwon.
Jezus geeft aan de kerk de volmacht om namens Hem op te treden, om Hem te brengen.
We mogen als kerk zelfs in Zijn naam de zonden vergeven.
Elke keer als we bij elkaar komen als kerk en onze zonden beleden worden
en we vergeving ontvangen, dan zijn ze ook door Christus vergeven.
Dat is een hele verantwoordelijkheid die Jezus aan Zijn leerlingen geeft.
Zijn leerlingen die Hem in de steek hadden gelaten, die moeite hadden om te geloven,
Die eerst de ontmoeting met Hem nodig hadden
om te geloven dat Hij werkelijk opgestaan was.
Zij krijgen het gezag om de zonden te vergeven.
Als kerk krijgen we de volmacht, het gezag om de zonden te vergeven.
Ook het omgekeerde trouwens: als de zonden niet vergeven zijn, dan vergeeft Christus niet.
Dat is een hele verantwoordelijkheid die we niet zonder de Geest van Christus kunnen.
Alleen de Heilige Geest kent Christus zo goed, veel meer dan wij kennen.
Daarom kan dat niet buiten de Heilige Geest om.

Er is er een bij, die dit alles heeft gemist.
Ook dat kan blijkbaar: dat je hoort over Jezus die is opgestaan, maar dat je wegblijft.
Als jongere heb ik het altijd heel fijn gevonden dat Thomas in de Bijbel stond.
Dat gaf mij de ruimte om te twijfelen. Blijkbaar kan Jezus dat hebben
en heeft Hij het geduld om te wachten tot Thomas ook kan geloven
en heeft Christus het geduld om aan de voorwaarden van Thomas te voldoen.
Speciaal voor Thomas komt Hij nog een keer.
Voor die leerling die er de eerste keer niet bij was en dus ook de Heilige Geest heeft gemist.
Thomas heeft zo zijn voorwaarden: Ik moest Jezus’ littekens wel kunnen zien en voelen.
Ik heb niet genoeg aan jullie verhalen over de levende Christus.
Ik moet het zelf ervaren. Hij moet ook naar mij toekomen.
Ik heb het altijd weldadig gevonden dat er voor iemand als Thomas ruimte is in de kerk.
Zo groot is het vertrouwen dat Jezus steeds weer komt en zich ook aan Thomas laat zien.
Zij hoeven Thomas het geloof niet te geven.
Dat kan alleen Christus en dat zal Hij dan ook gaan doen.
Thomas zit er de volgende keer bij. Dat is op zich al een wonder.
Dat hij zich laat meenemen.
Misschien miste hij het contact met de andere leerlingen,
zolang opgetrokken en al staat hij erbuiten omdat hij het geloof niet heeft,
hij komt er toch bij.
We weten niet eens of Thomas wel geloofde dat Jezus nog een keer kwam,
al had hij wel die voorwaarde gesteld.
En Jezus komt ook. Speciaal voor Thomas. Nog een keer.
De aarzeling van Thomas is geen reden voor Jezus om weg te blijven.
Ook nu is Jezus de goede Herder, die de Zijnen opzoekt en terugbrengt.
Thomas, voor je ongeloof is geen reden. Ik leef. Kijk maar, voel maar de wonden.
Er zijn verschillende schilderijen gemaakt van deze ontmoeting van Thomas met Jezus,
waarin Thomas heel nauwkeurig de wonden van Jezus naspeurt,
soms zelfs met zijn vingers peutert in de wonden van Jezus
om zich echt ervan te vergewissen dat het echt Jezus is.
Mijn Heer, mijn God.

Steeds in het evangelie zijn er mensen op zoek naar Jezus,
en vaak hebben ze een hele weg om te ontdekken wie Jezus is
En Thomas, al twijfelt hij het meest van alle leerlingen, is een hoogtepunt:
Mijn Heer, mijn God.
Jezus weet alle barrières van ons ongeloof te doorbreken, te overwinnen.
Desnoods moet Hij speciaal voor ons komen, aan ons verschijnen.
Zalig ben je, als je kunt geloven, zonder dat je Jezus hebt gezien
en genoeg hebt aan de woorden.
Dan heb je het leven gevonden, nieuw leven, leven dat niet ophoudt bij de dood,
maar deelt in de opstanding van Christus.
Christus leeft en omdat Hij leeft, kunnen wij leven hier op aarde
en zullen we leven, ook na onze dood.
Dat leven krijg je door te geloven en als je gelooft krijg je dit leven.
Kunt u, kun jij net als Thomas Jezus belijden: mijn Heer, mijn God?
Amen

Preek Eerste Paasdag 2020

Preek Eerste Paasdag 2020
Schriftlezing: Johannes 20: 1-18.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Heer is waarlijk opgestaan! Halleluja!
Een mooiere boodschap is er niet te brengen op Pasen.
Christus bleef niet in het graf, maar stond op. Opgewekt door God. De dood overwonnen.
Het zou mooi zijn om daar in de kerk van te zingen, begeleid met koperblazers,
meegenomen door de muziek, meegenomen door de woorden.
Het is kaal om zo zonder kerkgangers te zijn,
kaal ook om met Pasen niet op familiebezoek te kunnen.
De allereerste Paasdag begint ook niet als een feest.
Donker is het nog als Maria naar het graf gaat.
Het is ook donker in haar leven, donker in haar hart.
Hoe moet het verder met haar nu Jezus dood is, haar Meester om wie ze zoveel gaf?
Hopeloos donker was ons leven, een bange droom, een lange nacht.
Waar was ons laatste licht gebleven: Christus die ons de toekomst bracht?
Pasen begint in de leegte, het gemis, met het verdriet om de dode Jezus.
En het wordt er niet beter op als Maria bij het graf komt: de steen is weg.
Maria kan maar één ding bedenken: Er is iemand geweest die het graf heeft opengemaakt en het lichaam van Jezus heeft meegenomen naar een onbekende plek.
Het lichaam van Jezus is er niet meer waar het was.
Niet meer in het graf, de plek om te zijn om te gedenken wie Jezus was.
De plek die de herinnering aan wie Jezus was moest vasthouden,
waar Zijn nagedachtenis bewaard zou blijven en gekoesterd zou worden – geschonden.
Niet alleen is Jezus nu dood, maar is ook Zijn lichaam weg uit dit graf.
Nu kan ze niet meer treuren op de plek, want Jezus is er niet meer.
Dat de steen weg, is het enige dat ze kan zien met haar ogen.
Het zijn nog niet de ogen van het geloof.
Ze kan alleen die steen zien die weggerold is en het graf open is
En omdat ze nog geen geloof heeft, kan ze alleen aan het ergste denken.

In paniek gaat ze weg en ze zoekt Petrus op en vertelt het hem:
Petrus, ze hebben de Heer uit het graf gehaald.
Ook gaat ze naar een andere discipel,
een discipel die voor Jezus een speciale betekenis heeft:
de discipel van wie Jezus houdt – later in het evangelie zal dat Johannes blijken te zijn.
Johannes, het lichaam van Jezus is uit het graf gehaald.
En waar ze het lichaam gelaten hebben, weten we niet. De plek is onbekend.
De paniek werkt aanstekelijk.
Eerst verlaat Petrus zijn huis en gaat op weg naar het graf
En ook Johannes gaat weg van het huis waar hij verblijft.
Als ze elkaar tegenkomen, gaan ze eerst gelijk op, maar Johannes is sneller.
Was er een aarzeling bij Petrus, omdat hij niet goed wist wat er te wachten staat
of omdat hij nog herinnerde aan de laatste keer dat hij Jezus zag,
het moment waarop hij zei dat hij Jezus niet kende?
Of was er een bepaalde verwachting bij Johannes, een stille hoop,
waardoor hij niet kon wachten om naar het graf te gaan.
Hield hij rekening met een andere mogelijkheid en was hij daarom sneller dan Petrus?
Zo kan het gaan: je komt bij elkaar en je trekt samen op
en toch is er bij de een eerder iets van het geloof, iets van het besef dat Christus werkt
en is er bij de ander, zoals bij Petrus aarzeling,
het geloof is soms te mooi om waar te zijn.
Voor ik verder ga, moet ik het wel eerst zeker weten, dat het waar is.

Zo is Johannes als eerste. Hij gaat een stap verder dan Maria.
Johannes werpt een blik in het graf. Het is wel hetzelfde kijken als Maria.
Hij ziet wel meer dan Maria.
Maria bleef buiten staan en maakte geschrokken rechtsomkeert.
Het geloof in de opgestane Heer moet groeien.
Het gaat stapje voor stapje, steeds een stap verder in het ontdekken van het geloof,
Steeds een stapje dichterbij.
Geloof in de levende Christus komt niet in één keer,
in ieder geval niet op de dag van Christus’ opstanding.
Steeds een stap verder van niet-begrijpen en niet-kunnen-geloven
en het gaat stapje voor stapje naar de ontmoeting met de levende Heer zelf.
Zo kan het ook bij u gegaan zijn, of bij jou: stapje voor stapje,
door allerlei twijfels heen, of aarzelingen, en toch: steeds een beetje verder.
Johannes kijkt in het graf, al een stap verder dan Maria, maar ziet nog op dezelfde manier.
Hij ziet de doeken liggen. Niet het lichaam. Alleen de doeken.
Hij gaat niet het graf in. Hij blijft buiten het graf staan en kijkt alleen.
Trekt hij een conclusie uit wat hij ziet? Dat wordt niet gemeld.
Het kan zijn dat hij denkt: de doeken liggen er, dan is het lichaam er nog.
Niets aan de hand, zorgen om niets. Ik hoef niet meer te weten. Het is goed zo.
Hoewel Petrus wat minder hard ging dan Johannes en later aankwam bij het graf,
gaat hij wel een stap verder. Hij gaat ook het graf in.
Hij ziet ook meer dan Johannes: hij ziet niet alleen de doeken liggen,
maar ook de doek die om het hoofd was gewikkeld. Die doek ligt op een andere plek.
Dan komt ook Johannes.
Hij gaat nu wel het graf in en ziet wat Petrus ziet,
maar bij hem wordt er iets meer gezegd: hij ziet en gelooft.
Weer een stapje verder dan hij eerst deed en nog weer een stapje verder dan Petrus.
Alleen is het de vraag wat voor een geloof dat is,
want er staat dat ze beiden het gebeuren niet op de Schrift betrokken
en dat ze wel het een en ander in het graf zagen, maar niet dachten aan Gods Woord
waardoor ze hadden kunnen weten dat Jezus was opgestaan.
Dat is ook Pasen: aan de ene kant wordt er verteld hoe het geloof in de levende Heer
steeds stapje voor stapje begint te dagen, omdat het zo onvoorstelbaar is wat er gebeurde
– in ieder geval onvoorstelbaar in ogen van mensen
en tegelijkertijd zit er altijd toch een verwijt in: jullie hadden het kunnen weten.
Jullie hadden het kunnen weten uit Jezus’  eigen woorden.
Jullie hadden het kunnen weten, als je de Schrift kende.
Er gebeurt verder ook niets.
Ze zijn bij het graf geweest, hebben in het graf gekeken, hebben de doeken gezien
en daar blijft het bij. Ze gaan weer terug naar huis.
Het gebeuren zet hun leven niet op z’n kop. Geen halleluja dat aangeheven wordt.
Geen vreugdedans op weg naar huis, of op weg naar de andere discipelen.
Nee, ze gaan weer naar huis.
Op de allereerste paasdag verandert er niets in het leven van de leerlingen.
Ja, ze zijn bij het graf geweest. Maar dat is het dan.
Net of ze gerustgesteld zijn dat Jezus er nog is.
Geen zoektocht naar Jezus, geen besef dat er ook maar iets gebeurd is.
Of het moet bij Johannes zijn.
Maar dat geloof kan bij hem ook nog betekenen, dat alles in orde is.
Dat hij nergens over hoeft in te zitten.

Ook bij Maria duurt het een tijd voor ze begrijpt wat er gebeurd is.
Voordat ze inziet en gelooft dat Jezus is opgestaan.
Daarvoor is er eerst een ontmoeting met de levende Christus nodig.
En zelfs dan, als ze Hem ontmoet, dan duurt het nog een tijd voor ze gelooft.
God heeft vaak een lange weg nodig om ons zo ver te krijgen
Dat we geloven dat Jezus werkelijk is opgestaan uit de dood.
Er zijn heel wat tekenen: de doeken liggen in het graf, netjes opgevouwen,
het doek om het hoofd van de Heer ligt op een andere plek.
Maria krijgt in het graf nog meer te zien: twee engelen.
Engelen zijn boden die door de hemelse Heer worden gezonden
om op aarde een speciale boodschap te brengen.
Maria blijft echter buiten het graf staan en ziet wel de engelen.
Die engelen zitten op de plek waar Jezus heeft gelegen.
In plaats van een dode engel twee hemelse gezanten die daar zitten.
Ze moeten zich wel verwonderd hebben over het feit dat het bij mensen zo lang duurt
voordat ze beseffen wat er gebeurd is en voor ze gaan geloven in de opgestane Heer.
Ze zeggen het dan ook tegen Maria: Waarom huil je eigenlijk?
Maria, dit is geen dag van tranen, al ben je bij het graf.
Bij dit graf hoef je niet te huilen. Hier mag je blij zijn, dansen van vreugde,
het uitzingen: Halleluja, loof de Heer. Hij is waarlijk opgestaan!
Maar Maria zit te diep in het verdriet, in de wanhoop dat haar Heer nu ook nog weg is.
Niet alleen dood, maar Zijn lichaam zelfs uit het graf verdwenen.
Ze hebben mijn Heer weggenomen en ik weet niet waar Hij nu gebleven is.
Jezus is al bij haar, zonder dat ze het weet.
Hij is bij haar, maar ze kan Hem niet zien.
Jezus is al in haar leven en zij bij Hem in Zijn gemeenschap
en toch, ze kan het nog niet zien,
nog steeds zit in haar hoofd dat Jezus is weggehaald uit de dood.
Dat Hij door God uit de dood zou kunnen weggehaald, komt niet bij haar op.
Wat zijn haar ogen verblind door de tranen. Ze kan niet zien wat er gebeurt.
Ook Jezus stelt de vraag naar het verdriet: Maria, waarom huil je eigenlijk op deze dag.
Ja, je bent bij een graf. Maar dit is geen graf om bij te huilen, om verdrietig te zijn.
Ben je naar iemand op zoek? Naar wie zoek je eigenlijk?
Door haar verdriet herkent Maria de stem van haar Heer nog niet.
Ze denkt dat het iemand is, die de zorg draagt voor deze tuin.
Aangesteld om deze tuin met het graf van deze bijzondere Meester te onderhouden.
Ze krijgt al meer te zien dan Petrus en Johannes.
Ze krijgt gezanten van God zelf te zien. Ze krijgt Jezus te zien.
Maar het verdriet is te sterk, de wanhoop heeft haar teveel in de greep
en wat er gebeurd is, gaat zo alle voorstellingsvermogen te boven.
Maria kan het nog niet geloven.
Ze hoort wel de stem van haar Heer, maar het dringt niet tot haar door.
Pas als ze bij haar naam geroepen wordt.
Ik heb je bij je naam geroepen, je bent van Mij.
De stem van de Goede Herder, die de zijnen bij hun naam kent
en hen bij hun naam roept.
Dat brengt de ommekeer bij Maria teweeg.
Ze keert zich om: letterlijk, naar Jezus toe.
Maar het is ook figuurlijk: een ommekeer in haar leven, een bekering.
De ogen gaan open.
En als Maria zich omdraait als ze haar naam hoort, wordt het Pasen voor haar.
Staat zij op uit het ongeloof, staat zij op uit het verdriet
En wordt het nieuwe leven ook voor haar. Heer, mijn Meester, Ik hield zoveel van U.
Daar bent U weer. Levend en wel.
Het wordt Pasen voor Maria: Haar Heer is er weer.
Ze wil Hem weer in de armen sluiten. Maar het mag niet.
Niet omdat er een regel was van anderhalve meter afstand, zoals nu,
Ook nu kun je elkaar niet even omhelzen, wanneer je dat zou willen.
Of een troostende arm om elkaar heen slaan.
Misschien mist u dat wel: dat u uw dochter niet even kunt omhelzen
of dat u uw zoon een bemoedigende klop op de schouder kunt geven
of de kleinkinderen op afstand moet houden, of je niet naar vrienden toe kunt gaan.
Een rare tijd van afstand houden. Ook Maria moet afstand bewaken tot Jezus.
Om een andere reden: Jezus is onderweg naar de hemel, op de weg naar Zijn Vader.
Op weg naar huis, het huis met de vele woningen, waar Jezus plaats zal bereiden.
Maria wil Jezus voor altijd bij zich houden.
En dat kan ook. Ook wij zijn een gemeenschap met Christus, de levende Heer, bij ons,
Hij is in ons midden. Hij is ook bij u, bij jou thuis. We zijn met Hem verbonden.
Maar wel met Christus die in de hemel is en door Zijn Geest in ons midden is.
Daardoor is Hij ook bij ons, in ons midden aanwezig.

Het is voor u, voor jou wellicht een vreemd Paasfeest.
Niet naar de kerk. Geen bijzondere muziek in de kerk. Niet naar familie.
En toch: Jezus is in ons midden.
Het is een vreemd Pasen.
In de afgelopen dagen moest ik denken aan Sri Lanka,
Waar vorig jaar met Pasen diverse kerken getroffen waren door bomaanslagen,
Waarbij meer dan 300 doden vielen.
Toen werd er meegeleefd. Nu hebben we zelf onze zorgen,
al kun je die niet vergelijken met het verdriet en de pijn die er toen was gekomen.
We delen wel in dezelfde Heer, de Heer die de dood kent en in de dood is geweest
Maar ook weer levend geworden is en de dood heeft overwonnen.
Maria mag het gaan vertellen. Ze gaat opnieuw naar de discipelen toe.
Nu met een ander verhaal een andere boodschap: Ik heb de Heer gezien.
Dat letterlijk zien kunnen wij niet nazeggen en toch kunnen wij het zeggen:
Wij hebben de Heer gezien.  Als je ogen van het geloof hebt.
Als je zingt, als je over Hem hoort, over Hem spreekt, als Hij je naam noemt
en tegen je zegt: Ik leef en Ik maak jou ook levend, door je bij je naam te noemen.
Christus onze Heer verrees. Halleluja!
Amen

Preek zondagavond 28 april 2019

Preek zondagavond 28 april 2019
Schriftlezing: Psalm 30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Met Pasen vieren we dat Jezus is opgestaan uit het graf, dat Hij de dood overwon.
Hij was sterker dan de dood. Het graf kon Hem niet vasthouden.
Dat Hij de dood overwon en sterker is dan de dood, heeft ook voor ons betekenis.
Wie in Christus gelooft, zal eens opstaan uit het graf en een nieuw leven ontvangen.
Zoals Jezus een nieuw, een verheerlijkt lichaam kreeg,
zullen ook wij een nieuw, verheerlijkt lichaam ontvangen.
Dat zal later zijn, als Christus terugkomt en ons uit het graf zal doen opstaan.
Ook als we hier nog op aarde leven, kan God laten zien dat Hij sterker is dan de dood.
We zingen dat graag:
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naadren van de dood volkomen uitkomst geven.

Van zo’n ervaring zingt Psalm 30 ook: de dood in ogen gezien,
het had niet veel gescheeld of er moest afscheid genomen worden van het leven.
Met één been in het graf
En dan ook nog eens onverwacht: : in mijn zorgeloze rust zei ik, dat ik niet zal wankelen.
Als je onverwacht opeens stil gezet wordt, moet ervaren dat je leven kwetsbaar is,
dan is dat vaak een hele schok.
Als je altijd goed gekund hebt en je krijgt opeens gezondheidsklachten,
kan dat hard aankomen, helemaal van slag zijn.
OF als je jong bent en nog allerlei plannen hebt en allerlei idealen,
dan weet je ergens wel dat je geen eeuwig leven hebt
En dat het ooit een keer ophoudt, maar als je altijd goed kunt,
schuif je die gedachte voor je uit. Dat komt later wel.
Totdat er opeens wat gebeurt, iets onverwacht, met jezelf of met iemand anders.

Hier in deze Psalm is ook iemand aan het woord, die er ook niet op gerekend had
en een crisis overvalt hem en alle zekerheid die hij had, bleek niets te zijn.

in mijn zorgeloze rust zei ik, dat ik niet zal wankelen.
Iemand die het leven neemt als een vanzelfsprekendheid.
Vanzelfsprekend ben ik gezond. Dat hoort bij mijn leeftijd.
Vanzelfsprekend bruis ik van energie. Dat hoort bij deze levensfase.
Vanzelfsprekend dat ik alles kan.
Ook het geloof kreeg iets vanzelfsprekends: God is er.
Je bidt om Gods zegen en Hij geeft die.
Je hebt het goed en daarin mag je de zegen van God zien,
als bevestiging dat je op de goede weg bent.
Mij kan niet gebeuren – dat zeg je vaak als je in de kracht van je leven bent,
Als je merkt dat allerlei plannen hebt, die je ook tot uitvoer kunt brengen.
Je denkt bij jezelf: Ik kan de hele wereld aan.
Alleen als het vanzelfsprekend gaat worden, dan ga je denken dat het altijd zo zal zijn
Het leven zoals je hebt als vanzelfsprekend nemen,
Dan denk je er niet over na dat het wel eens anders zou kunnen zijn.
Realiseert u zich wel eens, dat je leven zoals je nu hebt, helemaal op de kop kan staan?
En ben jij je ervan bewust dat je leven wel eens helemaal kan veranderen
Als je vader ziek wordt, of je leven heel anders zou zijn als je een beperking zou hebben
en alles wat je nu kunt doen helemaal niet zo vanzelfsprekend is?
Hoe zou je erop reageren?

Hier in deze psalm verwoordt David, dat hij er niet op bedacht was
en dat toen alle vanzelfsprekendheid uit zijn leven weg was
hij in een diepe crisis belandde: in een donker gat viel.
Hij spreekt over een graf, een kuil waarin hij terecht gekomen is.
David spreekt over de Sjeool, het dodenrijk.
Dat is ongeveer het ergste wat je kan overkomen,
want dan ben je afgesneden van alles en iedereen, onbereikbaar en je kunt niet meer terug.
Het is een duister waarin je gevangen wordt gehouden,
Waarin alles wat je hebt afgebroken wordt, er blijft niets van je over.
In de psalmen wordt geregeld verwoord, dat je daar zo diep weggezonken bent,
dat je voor je gevoel zelfs niet meer door God bereikt wordt
En dat als je roept naar God je het idee hebt dat je stem gesmoord wordt
en je noodkreet niet aankomt bij God.
Het aangrijpende hier is dat deze crisis door God gestuurd wordt.
Je kunt dat lang niet van alle crises zeggen.
Vaak weet je niet, waarom je iets overkomt, waarom je zo in een donker gat valt.
Hier heeft het te maken met die vanzelfsprekendheid,
vergeten dat je leven een geschenk is, dat Hij dit alles heeft gegeven,
dat wat je hebt aan gezondheid en kracht van de Heere komt,
dat Hij de basis van je leven is.
De crisis heeft hier een oorzaak: toen U Uw aangezicht verborg.
Dat is een huiveringwekkende ervaring,
want dat is zoiets als dat God zich uit je leven terugtrekt en je loslaat
en wat blijft er dan van je over?
De grond valt onder je voeten weg, er blijft niets meer van je over.
Alle bescherming is weg.
Waarschijnlijk moeten we denken aan een ernstige ziekte.
Iemand die kerngezond is, getroffen wordt door een virus of bacterie,
Waardoor hij opeens moet vechten voor zijn leven en hij zo hard achteruitgaat
Dat je je afvraagt of iemand het nog haalt.
Het gaat hier in deze psalm om een crisis waarin alles afgenomen wordt:
gezondheid, vertrouwen in jezelf en zelfs geloof en zelfs de aanwezigheid van God.
Want het graf, de kuil waarin hij dreigt weg te zinken, het dodenrijk,
dat is een gebied waar God niet komt, waar je onbereikbaar bent voor God.
Althans, dat is een gedachte die vaker opduikt in de psalmen.

Toch vanuit de plaats waar David onbereikbaar was voor God, zo was zijn ervaring,
komt zijn noodkreet toch bij God aan en hij werd door God vastgepakt en eruit getrokken.
Dat is al een eerste teken van Pasen:
dat je als mens ook in de diepste duisternis niet onbereikbaar bent voor God,
dat Hij je eruit omhoog kan trekken en je met beide voeten op de grond kan zetten.
Dat de duisternis niet meer de macht over je heeft
En dat de gevangenis, waarin je gevangen zat, open blijkt te zijn:
uit het graf gered, uit de kuil omhoog getrokken. Uit het dodenrijk uitgeleid.
Al wordt de naam van Christus hier niet genoemd,
we kunnen hier wel iets zien van wat Pasen betekent:
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven.

Dat roept wel de vraag op: als Davids gebed in de hemel aankomt
en God aanzet tot redding van David, hoe zit het dan met de andere gebeden,
die ook opgezonden zijn, maar die niet verhoord zijn.
Of de momenten waarop er geen tijd meer was voor gebed, zelfs geen schietgebed,
zoals de drie kerken die afgelopen zondag, die tijdens de paasdiensten,
tijdens de viering van de opgestane Heer, werden getroffen door aanslagen.
Ik denk dat iedereen hier wel kan aanvullen met verhalen
over iemand uit je eigen familie- of vriendenkring.
Het is beide waar: die kleine lichtpuntjes, waarmee er iets van Pasen zichtbaar wordt.
Iemand die ernstig ziek is en moet vrezen voor haar leven
en toch onverwacht er bovenop komt of nog een tijd krijgt om te leven,
na een ernstig hartfalen toch weer opknapt en weer mag opkrabbelen.
Tegelijkertijd is dat andere waar: dat er anderen zijn voor wie het te laat was,
die het niet overleefden.
Het wonder en de tragedie – ze zijn allebei waar,
waarbij het wonder ons hoop geeft, iets laat zien van de opstanding van Christus
en de tragedie iets laat zien van de wereld die nog zucht.
De worsteling die er kan zijn, een roepen naar God: Hoor, Heere, red mij,
laat mij niet neerzinken.

Hier in deze psalm wordt verhaald van het wonder, de uitredding,
God die vastgrijpt en optrekt.
Er gebeurt meer dan redding alleen.
De relatie met de Heere wordt hersteld.
Het wordt heel subtiel verwoord en je zou er bijna overheen lezen.
Met het vastgrijpen en omhoogtrekken brengt God David niet terug in zijn vorige leven
dat voor hem vanzelfsprekend was.
Het is niet de bedoeling dat David zijn vanzelfsprekende leven verder voortzet.
Er moet wel iets veranderd zijn, namelijk dat vanzelfsprekende weg.
DAt David zijn lesje geleerd heeft, kunnen we zien aan hoe hij God aanspreekt.
Hij zegt: Heere, mijn God: vers 3, vers 13.
In de duisternis die hem overviel, de crisis waar hij in raakte,
begon het hem te dagen dat hij God kwijt was, dat God zich verborgen hield.
Hij miste God in zijn leven.
Dat was de reden waarom dit hem overkwam.
De Heere kan soms voor ons gevoel een harde manier kiezen om te komen in ons leven.
Dat doet Hij niet bij iedereen, maar Hij kan het wel.
Als we zelf een heel leven opgebouwd hebben,
dat zo vanzelfsprekend is dat we er geen plek voor God hebben,
kan Hij dat vanzelfsprekende leven afbreken.
Niet omdat Hij een hekel aan ons heeft, maar omdat Hij ziet
dat het vanzelfsprekende leven een luchtkasteel is,
dat we ons iets voorspiegelen, dat helemaal geen waarde, geen houvast heeft.
Hij breekt dat af, niet om een leven met leegte te geven,
maar om ons op Hem te bouwen, om ons echte vastigheid te geven,
een fundament onder ons bestaan.
De vreugde die hier verwoord wordt, is niet alleen een vreugde om langer te mogen leven,
om te merken dat God inderdaad kan, wil en zal redden van de dood.
Het is de vreugde om God weer terug te hebben, om van Hem te zijn
om te kunnen zeggen: mijn God, we zijn weer samen.
Vanuit die ervaring wil David opnieuw beginnen met zijn leven.
In vers 1 staat dat dit lied geschreven is voor de inwijding van Davids huis.
Zijn huis moet aan God gewijd worden.
Dat kan een huis van hout of steen zijn dat net is afgebouwd.
Dat gebeurt in bepaalde christelijke tradities wel,
dat bij de bouw van een huis of bij de intrek in een nieuw huis
dat nieuwe huis wordt ingewijd met Gods zegen of met gebed.
Hier gaat het allereerst om de inwijding van een huis van hout of steen.
Maar vanuit de ervaring dat hij weer opnieuw mag beginnen,
dat hij van de Heere een tweede kans krijgt, wil hij zijn hele bestaan aan God wijden.
Waar ik thuis ben, dat is niet meer van mij, maar van U.
Vanuit het besef dat wat ik heb, heb ik alleen maar gekregen van U.
Het is een geschenk. Het is niet van mijzelf. Ik heb het hooguit in bruikleen gekregen
en als U het terug vraagt moet ik het zonder mankeren terug kunnen geven.

Een andere manier om te oefenen in het besef dat je leven niet vanzelfsprekend is,
maar dat wat je gekregen hebt van de Heere komt
En dat kun je oefenen door God te loven: Uw naam wil ik groot maken, prijzen.
Loven heeft twee kanten: het is allereerst aan God gericht, dankbaarheid naar Hem toe.
Loven is ook gericht aan de gemeenschap: je roept anderen op om in te stemmen,
mee te doen, zodat zij ook zien dat wat ze hebben van God hebben.
Dat ze niet een crisis nodig hebben om te weten te komen wie God is
en welke plek Hij in je leven inneemt.
Loven is ook vertellen: wat God doet. Dat Hij je heeft gered.
Dat jij in je eigen leven een glimp van Pasen mocht opvangen,
Dat je zelf mocht ondervinden wat Pasen kan betekenen.
Dat je het leven terug krijgt en door Gods genade opnieuw mag beginnen.
Er is verandering gekomen in je leven, door God.
Van verdriet in vreugde, van toorn in liefde, van tranen in gejuich,
de klacht weggenomen en nu kun je dansen van vreugde.
Je hoeft geen rouwkleed meer te dragen, niet meer te treuren,
omdat de tranen zijn gedroogd en het rouwkleed voor een mantel van vreugde is ingeruild.
Geen afstand meer tot God, maar Heere, mijn God.
Niet meer God die Zijn aangezicht voor je verbergt en je in het diepe stort,
maar de Heere, die Zijn hand uitsteekt en je omhoog tilt en een hernieuwd leven geeft.
Niet meer de vanzelfsprekendheid, maar de wetenschap: U hield mij in het leven.
Wat gebeurd is, de donkerheid, de crisis hoeft niet weggestopt te worden,
maar wordt mee doorverteld, maar wel binnen het grote verhaal,
dat God in liefde en zorg op ons leven betrokken is,
Zijn liefde die een echo vindt in ons, opgevangen en beantwoord wordt.
De Psalmen zijn het antwoord van Israël op wat God doet.
Hier is het antwoord: dankbaarheid.
Hier is het antwoord: nooit meer vergeten dat het leven eens zo vanzelfsprekend was
dat er geen plek meer voor God was.
Nooit meer vergeten dat wanneer God zich terugtrekt er niets meer van me overblijft.
OOk altijd blijven herinneren, dat hoe diep ik ook zink, Hij neerdaalt om mij te redden.
Hij ging zelf het graf in, liet zich binden, ging de duisternis binnen,
om die macht te breken en een weg eruit te banen.
Legde ik mij in het rijk van de dood, ook daar bent U.
Overal waar ik ben, elke plek op deze aarde is een plek waar GOd kan komen
waar Hij machtiger is dan welke vijand ook, sterker dan de dood, de duivel of welke macht.
De psalm eindigt met een persoonlijke vreugde – ik hoop dat het ook uw vreugde is:
Mijn ziel zal voor U zingen en niet zwijgen. Heer, mijn God ik wil U eeuwig loven.
Amen

Preek zondag 28 april 2019 – morgendienst

Preek zondag 28 april 2019 – morgendienst
Schriftlezing: Lukas 24:13-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ze wilden naar huis gaan om van het gedoe af te zijn.
Om geen verhalen meer te hoeven horen over Jezus die zou zijn opgestaan.
Het was al erg genoeg dat ze Jezus hadden opgepakt en aan het kruis hadden geslagen.
Daar hadden ze al genoeg mee te stellen.
Ze dachten dat Hij door God gezonden was om Israël te verlossen,
maar toen Jezus was opgepakt en ter dood veroordeeld,
konden ze niet opbrengen om bij Jezus aan het kruis te staan,
maar stonden ze op een afstand, net als de vrouwen die Jezus hadden gevolgd.
Ze waren nog in Jeruzalem gebleven.
Ze konden het nog niet opbrengen om naar huis te gaan.
Zo bleven ze die sabbat bij de leerlingen
en met elkaar zaten ze verslagen bij elkaar en niemand wist eigenlijk goed wat te doen.
Die sabbat, waarop ze bij de andere leerlingen waren, konden ze gebruiken
om na te denken hoe ze verder met hun leven zouden gaan,
het leven oppakken van de tijd voordat ze Jezus kenden.
Veel moed hadden ze nog niet.
Ook de volgende dag, de eerste dag van de nieuwe week,
de eerste week van een leven zonder Jezus, bleven ze nog dralen
en in Jeruzalem bij de andere leerlingen van Jezus,
die net zo verslagen waren als zij.
Toen kwamen die vrouwen met dat verhaal, dat ongeloofwaardige verhaal,
dat ze beter maar niet hadden kunnen vertellen,
omdat ze daarmee geen respect toonden voor hun Heer die was overleden,
geen respect hadden voor het verdriet en de verslagenheid die bij hen was.
De vrouwen die hun fantasie lieten gaan en zich inbeeldden dat Jezus weer leefde.
Dat was voor hen het moment om hun spullen bij elkaar te gaan rapen
en terug te gaan naar huis.
Ze zouden thuis, in afzondering, wel het gemis van Jezus verwerken.
Zo gaan ze op weg naar huis, definitief einde van het volgen van Jezus.
Hooguit dat ze daar in hun eigen omgeving nog aan Jezus konden blijven denken,
Hem herinneren, zoals ze Hem gezien hebben, voor altijd in ons hart.
Een vastomlijnd plan hebben ze nog niet.
Als ze thuis zijn, zullen ze wel zien.

Voordat ze thuiskomen, gebeurt er onderweg iets, waardoor hun hart langzaam open gaat

voor het goede nieuws dat Jezus is opgestaan, dat Hij werkelijk leeft.
Jezus zelf loopt met hen mee, gaat met hen het gesprek aan,
luistert naar hun teleurstelling en legt hen uit hoe het zit.
Al die tijd dat ze in gesprek zijn, hebben ze geen idee dat het Jezus zelf is,
die met hen mee loopt op weg naar huis, weg van de gemeenschap in Jeruzalem.
Hun ogen worden gesloten – waarbij Lukas wil aangeven: het is de hand van God,
die hen met gesloten ogen eerst wat wil leren, voordat ze Jezus kunnen zien.
Onderweg gebeurt er al wel iets, waardoor hun hart geopend wordt,
het verdriet en de teleurstelling plaatsmaken voor verlangen: zou het echt zo zijn?
Ik las een mooie uitspraak in de uitleg, die ook op andere momenten van toepassing is:
Mensen merken vaak iets op van de aanwezigheid van God, voordat ze God herkennen
of onder woorden kunnen brengen dat God in hun leven gekomen is.
Het is het zoeken van God, de opzoekende liefde van God, die Lukas ons wil vertellen:
Nog voordat je zelf je hart voor God opent, is Hij al bezig om je hart te openen,
zodat Christus er in kan gaan wonen, je hart van Hem wordt.
Lukas vertelt de verhalen om aan ons te laten zien hoe dat gebeurt:
dat ook ons hart voor de opgestane Heer opengaat en Jezus de levende in ons woont,?

Hoe de opgestane in ons leven kan verschijnen
– zonder dat we Hem daadwerkelijk zien wellicht,
maar Hem wel ontmoeten, ervaren, in ons hebben wonen.

Dat Jezus in je hart komt wonen, zodat je gaat geloven, gebeurt vaak geleidelijk aan.
Daar is vaak een hele tijd voor nodig.
Een tijd waarin je de verhalen over Jezus hoort vertellen:
ouders die je erover vertellen, op school, zondagsschool, in de kerk.
Of als je er niet mee opgegroeid bent hoor je erover door een vriend of vriendin.
Zeker als je er niet mee opgegroeid bent, zul je allerlei vragen hebben.
En ook als je er wel als kind al over gehoord hebt, dan zul kun je allerlei vragen hebben,
waarop je een antwoord nodig hebt voordat je kunt geloven.
Voordat jijzelf de deur van je hart open kunt zetten.
Voor deze twee mensen op weg naar Emmaüs is het de vraag
hoe het mogelijk kan zijn dat de door God gezonden messias in de dood kon gaan.
Wat Jezus dan toch niet de door God gezonden verlosser?
Hoe kon Hij dan sterven aan het kruis als Hij wel door God gestuurd was?
Het is niet alleen een vraag van het verstand.
Door teleurstelling is hun hart voor Jezus dicht gegaan.
Hadden ze achter de verkeerde aangelopen?
Was Jezus niet die Hij zei te zijn?
Nog steeds is teleurstelling een manier waarop bij ons het hart dicht kan gaan.
Dat kan bij u of bij jou zo zijn, dat er geen ruimte in je hart is voor Jezus,
omdat er bitterheid is, je bent teleurgesteld
En die teleurstelling, die bitterheid moet eerst uit je hart, eerst moet je hart genezen
voordat je de deur kan opendoen.
Het hoopvolle in dit verhaal is, dat we kunnen zien, dat Jezus al bezig is
om hun hart te genezen, om voorzichtig aan, behoedzaam hun hart te openen voor Hem.

Voor niet iedereen gaat het even gemakkelijk om het hart te openen voor Hem.
Hier in de gemeente kunnen er zijn, die net als de vrouwen zijn,
die over Jezus hebben gehoord dat Hij is opgestaan, dat geloven en blij zijn.
Hun hart is open – zo kan uw of jouw hart allang zijn geopend voor Hem.
Maar bij anderen gaat het veel moeizamer, is er veel meer voor nodig,
net als bij Kleopas en zijn metgezel op weg naar huis.
Er kunnen momenten zijn, waarop je iets verneemt, dat God aan het werk is.
Je herkent Hem nog niet, maar je merkt in je wel dat er iets gebeurt,
dat je verandert, dat de deur van je hart langzaam open gaat en er een lichtstraal binnenvalt.
Er kunnen ook momenten zijn, waarop de wegen uit elkaar lijken te gaan,
net als bij de Emmaüsgangers, die als ze aangekomen zijn bij hun huis,
merken dat Jezus hen wil verlaten en Zijn eigen weg wil vervolgen.

Jezus doet of Hij verder wil reizen.
Ik heb me altijd wat verwonderd over dit detail:
Jezus die doet of Hij verder wil reizen en deze twee leerlingen wil achterlaten,
terwijl ze wel een idee hebben van wat er gebeurd is
en wel er iets van merken dat God in hen werkt omdat ze een verlangen op voelen komen,
een vreugde die ze ergens in zich waarnemen,
maar waarvan ze nog niet helder hebben waar die vandaan komt, of waar dat op duidt.
En toch is het volle licht nog niet doorgebroken en zijn hun ogen nog niet open gegaan
en Jezus wil doorgaan en hen achterlaten met raadsels.
Lukas vertelt steeds hoe Jezus onderweg is,
maar dat is nog van voor de tijd dat Jezus in Jeruzalem aankwam
en zijn doel bereikte toen Hij aan het kruis ging en opstond uit het graf.
Door net te doen of Hij verder wil gaan, wil Jezus hen uittesten:
Is er voor jullie nog iets veranderd of is alles bij het oude gebleven?
Is Mijn werk ook in jullie ogen voltooid? Of moet Ik nog onderweg om iets af te maken?
Ben Ik iets vergeten om te vervullen?
Zo zullen de twee leerlingen die thuisgekomen zijn er vast niet over nagedacht hebben.
Voor hen was het dat ze thuisgekomen zijn
en dat ze deze gast, die met hen is meegelopen niet nu al kwijt willen.
Ze willen nog meer, nog langer in Zijn aanwezigheid verkeren.
Ze openen hun huis voor Hem en zonder dat ze het doorhebben,
stapt Jezus over de drempel van hun huis om er te zijn.
Zo zei Hij dat tegen Zacheüs: Ik moet heden in je huis zijn, daar voor altijd blijven,
al trek ik verder.
Hier zeggen deze twee leerlingen, zonder dat ze het beseffen: Kom in ons huis.
Neem intrek. Blijf hier voor altijd.
Al weten we nog niet wie je bent, maar we kunnen niet zonder je aanwezigheid.

Mensen merken vaak iets op van de aanwezigheid van God, voordat ze God herkennen
of onder woorden kunnen brengen dat God in hun leven gekomen is.
Ze zijn zich er nog niet van bewust, al begint er wel iets te dagen.
Ze kunnen Jezus niet laten gaan – al weten ze nog niet dat Hij het is.
Hij brengt teveel vreugde in hun leven om Hem zo te laten gaan.
Hij legt hen zoveel uit over de Bijbel en over de weg die Christus is gegaan,
dat ze niet meer zonder deze uitleg willen.
Zoals Jezus dat tegen Zacheüs zei: Ik moet in je huis zijn,
zo zeggen de twee mensen in Emmaüs: Wij willen dat U in ons huis komt en blijft.
Ze dringen er stevig bij Hem op aan. Ze overreden Hem.
Ze willen niet tegengesproken worden: U kunt nu niet meer verder gaan.

Als Jezus binnenkomt in hun huis, neemt Hij de regie over.
Het is niet meer hun huis, waar Hij te gast is,
maar Hij is zelf de gastheer en zij zijn – in hun eigen huis – te gast bij Jezus.
Het is eigenlijk maar een gewone maaltijd, gewoon brood,
maar het wordt een bijzondere maaltijd, omdat Jezus bij hen in huis is.
Zijn aanwezigheid maakt hun gewone huis bijzonder.
Zijn handen die het brood breken maken dat deze maaltijd geen gewone maaltijd is,
maar een vieren van de opstanding van Christus.
Wordt hier in dit huis het heilig avondmaal gevierd?
Of zien we er dan teveel in?
Een reden om niet aan het avondmaal te denken is het ontbreken van de wijn.
Tegelijkertijd is de kern van deze maaltijd dat de opgestane Heer er is
En met hen beiden de maaltijd viert.
Elke keer als we avondmaal vieren is dat ook in aanwezigheid van de opgestane Heer.
Hij, onze Heer, gestorven, begraven en weer opgestaan is er dan bij
en Hij is dan de gastheer die ons het brood aanreikt, zoals Hij hier het brood deelt.
Hier zit Hij aan een gewone keukentafel
en het mooie is dat Hij zomaar bij u of bij jou aan de keukentafel kan zitten.
Hij liep mee onderweg.
Je kon je hart bij Hem uitstorten, je hart luchten bij Hem.
Je verdriet en je pijn, de teleurstelling aan Hem kwijt en Hij luisterde.
Hij vertelde ook hoe het zat, hoe God in jouw leven werkt
en zo schuift Hij bij jou aan aan de keukentafel of op de bank
om je te laten weten: Ik ben in je leven gekomen en vanaf nu wordt je hart van Mij.
Zonder dat je er bewust van bent
En dan gaan opeens je ogen open: je beseft dat Hij het is,
binnengekomen in je hart, ongemerkt.
Voor hen is dat bij het breken van het brood: een alledaagse gebeurtenis
eigenlijk niets bijzonders, maar wel bijzonder omdat Jezus de gastheer wordt
en de beide anderen gast worden in hun eigen huis.
Zo kun je zelf ook gast in je eigen leven worden, omdat Jezus voor jou het brood breekt
en het brood aanreikt, dat door Hem gezegend is.
In het evangelie van Lukas hebben de maaltijden waar Jezus aan deelneemt iets bijzonders:
in de meeste gevallen gaan degenen die aan de maaltijd deelnemen bij Jezus horen.
En dat zijn vaak niet degenen die hun leven op orde hebben.
Dat kunnen degenen zijn, die op een verkeerde manier leven.
Of hier degenen die maar moeilijk kunnen geloven dat Jezus is opgestaan.
Als herder zoekt Hij deze verloren schapen op en brengt hen thuis.
En hun thuis wordt Zijn thuis.
Al vertrekt Hij wel direct, het huis is voortaan gevuld met Zijn aanwezigheid.
Ze kunnen het nu verder zonder dat Jezus zichtbaar aanwezig is,
want in het geloof is Hij voortaan in hun huis en is hun huis Zijn huis geworden.

Dat heeft uitwerking op hen.
Allereerst in henzelf: ze begrijpen nu wat er onderweg is gebeurd.
Dat in het gesprek de woorden van Jezus een uitwerking op hen hadden.
Vreugde en geloof, Gods woord die voor je open gaat.
Je begrijpt wie God is, je begrijpt de weg die Hij met je gaat.
Hun houding verandert ook: in plaats weg te blijven bij de anderen
komen ze in beweging en gaan ze weer terug naar Jeruzalem.
Ze vonden het niet verstandig dat Jezus verder zou reizen, want het was avond.
Nu kunnen ze niet anders dan in het donker, als de nacht gevallen is,
alles weer bij elkaar rapen en hun broeders en zusters opzoeken.
Vreugde over God die in je leven komt wil je delen.
Je zoekt anderen op om met de vreugde die in jouw leven gekomen is
anderen weer te bemoedigen en anderen te helpen om te zien
hoe zij Christus kunnen ontmoeten en hoe hun hart kan open gaan voor Hem.
Christus laat zich zien, op de meest onverwachte momenten,
zelfs op de weg, waarop je nergens meer mee te maken wilt hebben
en de weg die bij Hem en Zijn gemeenschap vandaan ging,
wordt een weg waarop je Hem weer vindt, omdat Hij er komt en zich laat zien.
Amen

Preek Tweede Paasdag 2019

Preek Tweede Paasdag 2019
Schriftlezing: Lukas 24:13-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hem zagen ze niet
De weg naar Emmaüs is voor veel gelovigen bekend
en misschien hebt u die weg ook wel eens gelopen, van Jeruzalem naar Emmaüs.
Of loop jij op dit moment weg van Jeruzalem naar Emmaüs.
De weg naar Emmaüs ga je als je door teleurstellingen niet meer kunt geloven.
Je hebt er niet helemaal mee gebroken.
Je bent niet ongelovig geworden, maar het lukt niet meer om te geloven
omdat er iets gebeurde in je leven waardoor je teleurgesteld geraakt bent in God.
Voor Kleopas en zijn metgezel, die samen op weg gaan,
is de teleurstelling niet alleen dat Jezus gekruisigd werd en stierf en begraven was.
Dat had er al diep ingehakt en ontnam hen alle hoop.
Maar wat hen deed besluiten om de groep te verlaten en weer naar huis te gaan,
– misschien voorgoed afscheid van de groep van Jezus’ leerlingen –
was het verhaal waarmee de vrouwen kwamen aanzetten: dat Jezus was opgestaan.
In eerste instantie hadden alle aanwezigen meewarig gelachen: dat kan toch helemaal niet.
In de loop van de dag waren er echter meer berichten geweest
en begonnen anderen, die het eerst niet konden geloven, er toch van overtuigd te raken
dat er wat was gebeurd en zich begonnen af te vragen:
Zou het dan toch waar zijn dat Jezus opgestaan was uit de dood?
Dat was voor hen de druppel. Nu was het tijd om naar huis te gaan
en de anderen achter te laten. Dit konden ze niet aan.
Zo laten ze de gemeente in Jeruzalem achter en gaan ze hun eigen weg.
Het zijn kerkverlaters, die wel zouden willen geloven, maar het gewoonweg niet kunnen.
De teleurstelling is te diep, de berichten te ongeloofwaardig.
Daar houden ze het niet meer bij uit en gaan op weg naar hun eigen huis.

Onderweg praten ze hun teleurstelling en hun frustratie van zich af.
Met z’n tweeën spreken ze hun verbijstering erover uit,
dat de anderen de verhalen van die vrouwen toch lijken te gaan geloven.
Er klinkt verontwaardiging, boosheid in hun woorden door
en het is een heftig gesprek dat ze samen voeren,
zo heftig dat het de aandacht trekt van iemand anders die ook op die weg loopt.
Lukas vertelt er meteen bij, Wie die persoon is die mee gaat wandelen:
Het is de levende Heer, die opgestaan is uit de dood en zich hier aan hen laat zien.
Dat Jezus het is, kunnen ze echter niet zien.
Hun ogen zijn gevangen – te groot is de teleurstelling, te diep het verdriet.
Het verhaal van de Emmaüsgangers is een geliefd verhaal,
omdat het eerlijk is over de teleurstelling die ook gelovigen kan overvallen,
en niet verzwijgt dat het ook gelovigen kan overkomen, dat ze afhaken
omdat ze niet mee kunnen komen in de vreugde van Pasen,
zich buitenstaander voelen tussen al die anderen die de vreugde wel kennen.
Dat is niet de enige reden, waarom dit verhaal zo graag doorverteld wordt.
Ook omdat op die weg, waarop de teleurstelling de overhand heeft
en waarop je afhaken en niet meer mee kunnen komen Jezus zelf met hen mee loopt
met hen het gesprek aangaat, hen opzoekt in hun verdriet en teleurstelling,
zich aan hen voordoet als ze het geloof dreigen op te geven
en hen uitdaagt om te vertellen wat er in hun hart leeft.
Dit verhaal biedt hoop, want stel dat de opgestane Heer zo ook met jou of met u meeloopt
en aan jou vraagt: Wat is er nu gebeurd in je leven?
Vertel je verhaal eens aan Mij. Ik zal naar je luisteren.
Ik loop net zo lang mee, totdat je helemaal je verhaal gedaan hebt
en je al je teleurstellingen en pijn verteld hebt.
Hij zag je elk moment en telde elke traan.
Dat heb je wellicht niet door, dat de Heere in de hemel ook jouw verdriet en pijn kent.
Wellicht heb je eerder het gevoel dat je er alleen maar mee rondloopt
en het als een zware last meesjort, terwijl je zou willen dat de Heere je ziet
en je hebt het niet door, dat Hij al met je meeloopt en met je optrekt
en dat Hij het is, die naar de vragen luistert, die in je hart leven,
Die je voor je gevoel alleen maar aan jezelf stelt,
of hooguit deelt met iemand die je echt goed kent.
Heel je hart, al je pijn is bij Hem bekend.
Ga daarom maar het gesprek aan met Hem.
Omdat Hij van je hield gaf hij zijn eigen Zoon.
Hij wacht alleen nog maar totdat je komt.

[We luisteren naar: Nog voordat je bestond, kende Hij je naam]

O onverstandigen en tragen van hart!
Het is een heel verhaal wat Kleopas te vertellen heeft.
Eerst is hij verbijsterd dat hij deze man, die met hen mee gaat lopen,
moet vertellen wat er in Jeruzalem is gebeurd:
‘Bent u dan de enige vreemdeling in Jeruzalem?’
Soms is het te pijnlijk om het te vertellen en dat is het prettig als de ander het weet,
zodat je het niet uit de doeken hoeft te doen.
Maar als er iemand is, die oprecht luisteren wil, dan kun je je hart uitstorten
en dat is er ook wat er gebeurt met Kleopas.
Hij vertelt hoe bijzonder Jezus voor hem was:
een profeet waarin je de kracht van God kon merken.
Zowel God als het volk waren blij met wat hij deed.
Kleopas vertelt ook wat er fout is gegaan.
Hoe Jezus, ondanks dat Hij door God en de mensen geliefd werd,
een vernederende dood moest sterven, door middel van verraad en de dood aan het kruis
en hoe met de dood van Jezus alle hoop op het ingrijpen van God was vervlogen.
Nu Jezus gestorven is, zal er geen redding komen.
En wat moet er nu met hen en met het volk terecht komen?
Hij, Kleopas weet het niet meer.
Dat hij geen uitkomst meer ziet, geen hoop meer heeft,
Dat is nog niet eens het ergste.
Maar wat die vrouwen vertelden over het graf en Jezus die zou zijn opgestaan.
Maar ze hebben Jezus niet gezien. Hoe kunnen ze dan vertellen dat Jezus is opgestaan?
Dan is hij uitverteld. Zijn hele hart heeft hij kunnen luchten bij Jezus,
die met hem meeliep, zonder dat Kleopas door had
Dat hij de Heere Jezus informeerde over wat er met Jezus was gebeurd.

De reactie van Jezus op zijn verhaal had hij misschien niet verwacht.
Want in plaats van begrip en troost krijgt Kleopas met zijn metgezel te horen
dat het hen aan geloof ontbreekt, dat ze niet in staat zijn om te zien hoe God werkt.
Ondanks dat ze naar Jezus’  onderwijs geluisterd hebben, missen ze kennis over God
En hebben ze geen idee wat Zijn manier van werken in onze wereld is
En hun hart bevat niet het geloof om te kunnen begrijpen dat hier God aan het werk is.
Onverstandig en traag van hart zijn ze.
Daarmee bedoelt de Heere Jezus dat ze niet in staat zijn
om het onderwijs van Jezus op deze situatie kunnen betrekken.
Dat ze vergeten om de Bijbel er op na te slaan, om te zien wat Gods weg zou zijn.
Dat het zoveel tijd kost, dat hun hart open gaat voor het evangelie.
Dat hun hart er zo lang over doet om te geloven
En dat laat zien dat hun hart niet op Christus is georiënteerd.
Door het verdriet dat in hun leven gekomen is,
teleurstelling die hen zo diep geraakt heeft,

diep in het hart, hebben ze geen oog meer voor Gods werk
en missen ze de ogen van het geloof, waarmee ze Gods hand in het gebeuren zien.
Ze moeten dat gaan leren.
Ze moeten beseffen dat hier in de dood van Jezus en ook in Zijn opstanding
de Heere op een bijzondere manier aan het werk is.
Maar hoe leren ze dat?
Dat kunnen ze alleen maar leren door in de Bijbel te lezen
door daarin te zien hoe God zich bekend maakt, vertelt over Wie Hij is.
Ik ben die Ik ben, is Zijn naam waarmee Hij zich bekend maakte aan Mozes.
Verborgen aanwezig deelt U mijn bestaan.
Waar ik ben, bent U: wat een kostbaar geheim.
Als God zichzelf een naam geeft, Zijn naam bekend maakt,
heeft Hij een naam gekozen met een betekenis: Ik ben er, Ik zal er zijn – is de betekenis.
Of iets vrijer: Ik sta voor je klaar, Ik kom voor je op.
Het is het beeld dat God iets voor je doet, iets voor je bevecht, iets voor je regelt.
Maar wel op een bijzondere manier.
Gods weg is vaak niet de makkelijkste:
Jozef werd eerst in de put gegooid en raakte daarna in de gevangenis
Voor hij aan het hof van de farao mocht dienen als onderkoning.
Israël moest eeuwen in Egypte wonen en werd uiteindelijk als slaaf behandeld,
totdat het na een lange, moeilijke tijd van onderdrukking mocht uittrekken.
De reis in de woestijn duurde niet een jaar, maar 40 jaar.
Als God omwegen kiest om tot Zijn doel te komen
– en de voorbeelden uit het Oude Testament zijn aan te vullen –
waarom zou de Messias dan rechtstreeks naar de hemel gaan
zonder de weg naar het kruis te nemen, zonder de dood in te gaan.
Weten jullie dan niet dat dit Gods plan was, dat dit moest gebeuren?
Hoe kan Gods naam anders HEERE zijn? Ik ben die Ik ben,
als Hij er niet is in de diepte waarin jullie je bevinden.
Hoe kan Hij je bevrijden uit de gevangenis en de slavernij van de zonde
Als Hij die weg niet genomen had?

‘Ik ben die Ik ben’ is uw eeuwige naam.
Onnoembaar aanwezig deelt U mijn bestaan.
Hoe adembenemend, ontroerend dichtbij:
uw naam is ‘Ik ben’, en ‘Ik zal er zijn’.

[We luisteren naar – ‘Ik zal er zijn’, SELA]

Was ons hart niet brandende in ons?
Dit lied Ik zal er zijn heb ik al enkele keren meegemaakt tijdens een dienst
Waarin we afscheid moesten nemen, van iemand die overleden was.

In tijden van vreugde, maar ook van verdriet,
ben ik bij U veilig, U die mij ziet.

De toekomst is zeker, ja eindeloos goed.
Als ik eens moet sterven, als ik U ontmoet:
dan droogt U mijn tranen, U noemt zelfs mijn naam.
U blijft bij mij Jezus, laat mij niet gaan.

Als Kleopas en zijn metgezel zo in gesprek raken over de weg die God gaat,

Waarover al verteld wordt in het Oude Testament, gebeurt er bij hen iets.
Er wordt een verlangen geboren.
Als het al in de Bijbel staat, dan zou het wel eens waar kunnen zijn.
Als daar staat, dat de weg van Christus niet een mooie weg omhoog is,
maar een omweg, waarop Hij moet lijden, dan zou het wel eens waar kunnen zijn.
Als de weg van Jezus past in de weg die Jozef ging
en die Mozes ging,
als het paste bij de weg die zijn verre voorvader David moest gaan,
Toen hij op de vlucht was voor koning Saul en moest vrezen voor zijn leven,
dan is het niet vreemd als de Messias, die door God gestuurd is, de dood in ging.
dan moest dat wel gebeuren voor Hij de hemelse heerlijkheid in ging.

 

 

Hoe dichter ze bij Emmaüs komen, hoe meer de vreugde in hun hart komt.
Hoe dichter ze bij huis komen, hoe meer er geloof in hun hart komt.
De traagheid verdwijnt uit hun hart en ze worden steeds enthousiaster.
Zou het dan toch?
Zonder dat ze het weten, wordt de weg naar Emmaüs, de weg van twijfel,
De weg waarop ze afhaakten veranderd in een weg van geloof,
omdat Christus er zelf op meeloopt.
En in hun hart begint het langzaam aan te zingen.
Het is waar: onze Heer leeft. Hij is waarlijk opgestaan.
Nog steeds zien ze Hem niet en dat het in hen verandert hebben ze nog niet door.
Achteraf, als Jezus vertrokken is, nadat ze Hem hebben herkend,
geven ze aan dat er toen een verlangen in hen gewekt is,
een vuur dat brandt, het vuur van het geloof, dat niet meer dooft,
omdat het door de Heer zelf was aangestoken.
Was ons hart niet brandend in ons?

Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
veranderd in een blijde rei !
Mijn rouwkleed hebt Gij weggedaan,
uw vreugdekleed deedt Gij mij aan,
dat ik zou zingen tot uw ere
in eeuwigheid, mijn God, mijn Heere !

Loop jij nog op de weg naar Emmaüs? Zie je dan niet dat Jezus met je mee loopt
om te horen wat er in jouw hart leeft
En om jou te vertellen hoe Hij er is in jouw leven
om jou het geloof te geven, het verlangen in jouw hart te wekken
om meer over Hem te weten te komen, om Hem meer te zien en te ervaren,
zodat ook in jouw hart het vuur van het geloof gaat branden.
Amen

Preek Eerste Paasdag 2019

Preek Eerste Paasdag 2019
Schriftlezing: Lukas 24:1-12.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de verhalen die Lukas ons vertelt gaat het er niet alleen om dat Jezus is opgestaan,
maar gaat het er ook om dat ook wij de opgestane Heer kunnen vinden.
Lukas gebruikt hier enkele woorden, die hij vaak in zijn evangelie gebruikt
en voor hem dus blijkbaar belangrijke woorden zijn: zoeken en vinden.
Nu is bij ons de volgorde vaak dat je eerst gaat zoeken en dat je daarna vindt.
Je bent iets kwijt, wat je nodig hebt en je gaat op zoek, totdat je het vindt.
Lukas vertelt daarover de verhalen van een herder die een van schapen mist
En op zoek gaat om dat schaap te vinden.
Of die vrouw, die een penning kwijt is: ze zoekt net zo lang tot ze vindt.
Je bent iets kwijt en dan ga je op zoek.
Bij de opstanding gaat het echter net andersom: de vrouwen vinden iets
en daardoor moeten ze op zoek.
Ze zijn helemaal niets kwijt, want ze weten waar Jezus is.
Althans dat denken ze te weten:
ze waren erbij toen Jozef van Arimathea het lichaam van Jezus van het kruis haalde
en volgden Jozef toen Hij met het lichaam van Jezus naar het graf ging
en zagen met eigen ogen hoe het lichaam van Jezus in dat graf werd gelegd.
Daar gaan ze nu naar toe, nu ze een dag hebben gewacht, omdat het sabbat was
En ze niet bij het graf terecht konden, omdat de sabbat een dag van rust was,
Een dag voor God.
Maar als ze bij het graf komen, vinden ze iets, waardoor ze alsnog moeten zoeken.
Het is de omgekeerde wereld, omdat God met de opstanding van Christus alles omkeert.
Ze vinden en daardoor moeten ze alsnog op zoek.
Als ze aankomen, vinden ze niet wat nog in hun gedachten was,
de plek zoals ze daar tijdens de hele sabbat aan hebben zitten denken.
Ze treffen de situatie zo aan dat de steen van het graf is weggerold.
Ze vonden de steen afgewenteld van het graf, zegt Lukas
en gebruikt daarmee het woord, waarmee hij wil laten weten
dat God naar ons op zoek is en ons vindt.
Maar als de vrouwen vinden, moeten zij op zoek.
Als ze de steen vinden, moeten ze op zoek naar het lichaam van Christus
En het wordt nog erger, want het lichaam is hier niet,
zoals de engelen tegen de vrouwen zeggen.
Het lichaam is kwijt – weg – en daarom moeten ze op zoek.
Het is de omgekeerde weg van God: God zoekt en vindt.
Als het om God gaat, is het voor ons mensen net omgekeerd:
We vinden iets, waardoor alles in een nieuw licht komt te staan
en blijken daarmee God te missen en moeten op zoek naar Christus
tot wij Hem vinden – en Hem net als de vrouwen kunnen ontmoeten als de levende Heer.
Ik denk dat Lukas in de verhalen over de opstanding die hij in zijn evangelie ons wil leren
over hoe Christus in ons leven komt.
Hoe wij nu vandaag de dag de levende Heer kunnen ontmoeten.
Dat begint dat met het vinden van een situatie, die voor onverwacht is,
Waar je niet op gerekend hebt en waardoor de schrik je om het hart slaat
omdat je beseft: Ik ben mijn Heer kwijt. Hij is hier niet!
Je had het kunnen weten, dat Hij hier niet is,
maar omdat je niet scherp genoeg bent geweest op de signalen van God
die vertellen waar Hij wel is, ben je Hem uit het oog verloren,
Terwijl je denkt dat Hij nog bij je is, is Hij er niet meer.
Het begint al als de vrouwen Jozef met de dode Jezus volgen
en ze denken dat Jezus naar Zijn laatste rustplaats op aarde wordt gebracht.
Nu Hij gestorven is en begraven, willen ze Zijn lichaam de laatste eer bewijzen.
Ze denken niet meer aan wat Jezus vertelde over dat Hij zou sterven
en daarbij ook aangaf dat Hij weer zou opstaan uit de dood.
Elke keer als ik dat lees, ook nu weer, vraag ik me af:
Hoe hebben ze dat kunnen vergeten,
dat Jezus zowel Zijn dood als opstanding had aangekondigd?
Wat de dood aan het kruis zo’n ingrijpende gebeurtenis,
Waardoor alle geloof dat ze in Jezus hadden in één klap onderuit ging?
Zou ons dat ook kunnen overkomen?
Je kent de verhalen dat Jezus is opgestaan en je gelooft dat.
Maar opeens is er iets, waardoor je dat geloof kwijt bent.
Je kunt alleen nog maar aan vroeger denken.
Psalm 42 heeft dat ook: vroeger ging ik mee met de menigte die vol vreugde was
en kon feestvieren, omdat ze God bij zich wisten,
maar nu, nu ben ik op een afstand en ik heb heimwee naar die tijd, dat ik bij God was:
Kon ik dat nog maar weer meemaken!
Ook de vrouwen bij het graf kunnen alleen nog maar aan vroeger denken:
De goede tijd dat ze veel van Jezus leerden.
Nu kunnen ze alleen nog maar een dode Jezus in ere houden
en dat willen ze doen: met specerijen en mirre
om het lichaam van Jezus zolang mogelijk in goede staat te houden.
Ze maken de specerijen en mirre klaar, maar kunnen niet naar het graf,
omdat het sabbat is.
Ook dat is weer een aanwijzing van God dat Hij er is,
want de sabbat is er om Gods daden te gedenken,
om erbij stil te staan hoe Hij de schepping gemaakt heeft:
op de 7de dag om te rusten van de schepping.
Om te vieren hoe ze uit Egypte zijn bevrijd: geen slaaf meer,
maar door Gods krachtige hand uitgeleid en nu vrije mensen.
Voor de vrouwen zal de dag van de sabbat vooral een dag zijn,
waarop ze niet naar het graf kunnen, omdat Gods  regels houden hen tegenhouden.
En er is haast bij, want als het lichaam niet gauw behandeld wordt,
Zal het lichaam vergaan.
Ze staan er niet bij stil dat ze goed voor een dode Jezus willen zorgen,
terwijl God al bezig is om Hem op te wekken.
Voor hen telt alleen de werkelijkheid dat Jezus dood is.
Dat God in staat is om alles nieuw te maken, opnieuw te handelen,
te komen met Zijn macht en majesteit – de sabbat was bedoeld om dat te overdenken
– de vrouwen staan daar niet bij stil en wachten tot de sabbat voorbij is
en op z’n allervroegst, wanneer de dag nog maar amper begonnen is, gaan ze.
Ze zitten nog bij de situatie, zoals ze die achtergelaten hadden.
Wat ze vergeten zijn, is dat in de tussentijd God ook kan werken.
Ik begrijp wel waarom ze dat vergeten zijn,
want wie houdt er nu rekening mee na een begrafenis
Dat degene die je weggebracht hebt weer zal opstaan uit de dood.
Daar is de dood te werkelijk voor. De dood is het einde van het aards bestaan.
Het is ook geen beter weten van Lukas als hij ons doorverteld
dat de vrouwen hadden kunnen weten dat Jezus zou opstaan.
Er klinkt wel een verwijt aan de vrouwen, uitgesproken door de engel.
Maar dat verwijt is voor ons bedoeld.
Hij wil tegen ons zeggen: betrek elke situatie op God
en houd rekening mee, dat God kan ingrijpen,
de hele situatie kan omkeren, zoals Hij Jezus uit de dood riep
en terugbracht in het leven.
Want Lukas tekent met de weg die de vrouwen gaan de weg voor ons,
Waardoor wij tot geloof kunnen komen:
De start van de weg naar het geloof kan beginnen op het moment dat je God niet kent.
Maar kan ook beginnen op het moment, dat je er geen rekening mee houdt
dat God iets kan doen. Dat je dat geloof hebt opgegeven.
De situatie is zoals je die achtergelaten hebt.
Wat je achtergelaten hebt, is een zieke man op een ziekenzaal in het ziekenhuis.
En voor jouw idee blijft het zoals je het de laatste keer achterliet.
Wat je achtergelaten hebt, is de crisis van je huwelijk
en je ziet niet meer dat het goed kan komen.
Of je denkt dat God niets met je te maken wilt hebben, dat jij niet bij Hem kunt horen.
De situatie is zoals hij is en er is niemand die het verandert.
Ben je dan niet net als de vrouwen die naar het graf gaan om een dode Jezus te vereren?
En als je dan iets aantreft dat je niet verwacht,
duidt je dat niet als een signaal dat God bezig is, dat God Zijn Zoon riep uit het graf,
maar is er schrik, paniek, je moet zoeken, omdat er iets niet klopt.
Voor de vrouwen is het paniek: waar is het lichaam van Jezus gebleven?
Hij zou hier toch moeten zijn? Ze hebben dat toch zelf gezien dat Hij hier neergelegd werd?
Maar hoe ze zoeken, ze vinden niet.
Ook hier is er de omgekeerde weg van God.
Als Hij naar ons op zoek gaat, vindt Hij ons, maar de vrouwen zoeken maar vinden niet.
Omdat ze Jezus zoeken tussen de doden.
Ze zoeken op een plek waar Jezus niet is en daarom vinden ze Hem niet.
Het zijn de engelen die het hen bekend maken dat ze op de verkeerde plek zoeken.
De vraag kan uitgesproken zijn met een verwijt in de stem:
Je had hier helemaal niet moeten zoeken. Je had beter kunnen weten.
De engelen kunnen de vraag ook met een glimlach hebben uitgesproken:
Hier zul je Hem niet vinden, want je zoekt op de verkeerde plaats.
Je gaat er nog vanuit dat Jezus dood is. Maar Hij is hier niet.
Juist dat ze Jezus niet vinden is evangelie.
Meestal is als je iets niet vindt, geen goed nieuws,
Want dan ben je iets kwijt en hoe langer je iets kwijt bent,
hoe kleiner de kans dat je dat wat je kwijt bent nog terugvindt.
Maar de vrouwen zijn alleen een dode Jezus kwijt,
maar dat is goed nieuws, want er is iets gebeurd:
God heeft ingegrepen. Hij heeft Zijn Zoon opgewekt.
Net zoals een ouder een kind roept, omdat het op moet staan,
tijd om uit bed te komen, zo heeft God Zijn Zoon geroepen uit het graf.
Tijd om uit het graf te komen. Opstaan!
Dat is de volgende stap in de weg van het geloof.
De vrouwen begonnen met een verkeerde Jezus en raakten die Jezus kwijt
en moeten zoeken.
Ze vinden Hem weer terug door de woorden van de engelen.
Nu zullen er hier niet in de kerk zoveel zijn die ook door een engel zijn gaan geloven.
Dat kan overigens wel, maar hoeft niet.
Het gaat om de woorden, die tegen je gezegd worden.
Dat kan inderdaad door een engel.
Het kan ook door wat je in een preek hoort, of een ouderling tijdens huisbezoek zegt.
Een meester of juffrouw op school over de Heere Jezus vertelt
of wat je onderling met elkaar deelt.
Dat je het vertelt en tegen elkaar zegt: Weet je dat niet meer dat Jezus is opgestaan?
Ben je dat vergeten?
Ben je vergeten dat de dood niet het laatste is?
Ben je vergeten dat Jezus de dood heeft overwonnen?
Ben je vergeten wat Gods plan was? Met deze wereld? Met jouw leven?
De volgende stap is geloof:
Ik denk dat in de meeste gevallen het geloof niet zo snel komt als bij deze vrouwen
en dat je vaak nog moet zoeken, zoals de vrouwen dat doet op een plek waar Jezus niet is.
En dat er iemand tegen je moet zeggen: Hij is hier niet! Hij is opgewekt!
God is aan het werk geweest.
Wat zoek je de Levende bij de doden?
Je moet op een andere plek zoeken, een plek waar je rekening houdt met God.
Waar zouden wij moeten zoeken als we Jezus willen vinden?
Voor Lukas is dat waar de woorden over Jezus klinken
of waar het sterven en opstaan van Christus wordt gevierd.
In de kerkdienst, bij het avondmaal, als je voor jezelf de Bijbel opendoet,
als je met elkaar over Christus praat, als er een Bijbelverhaal verteld wordt,
als je in jezelf nadenkt over Hem.
Dat zijn allemaal momenten dat je Christus kunt ontmoeten.
Maar het is niet makkelijk om op die woorden af te gaan.
Als de vrouwen de woorden van de engelen doorgeven,
wordt dat afgedaan als kletspraat – jullie hebben iets in je hoofd gehaald.
Het is in je bol geslagen.
Zo wordt er dus op het goede nieuws gereageerd.
Zelfs voor de volgelingen van Jezus is het moeilijk om de opstanding aan te nemen.
Zij moeten de weg van het geloof nog lopen.
Zij zitten nog in de fase waarin de vrouwen die dag begonnen.
Ongeloof wordt vaak maar moeilijk doorbroken.
Vaak is het veel makkelijker om te geloven dat het is zoals het is.
Ze halen hun schouders op.
Behalve één, die Jezus al was kwijtgeraakt:
Petrus, die Jezus kwijtraakte toen Hij Jezus verloochende.
Juist bij hem wordt er iets geraakt, waardoor hij gaat zoeken.
Hij vindt nog niet, maar denkt er wel over na.
Ook dat kan een eerste stap zijn in het vinden van Jezus:
Verwondering: er is iets gebeurd. Je begrijpt het nog niet,
maar je komt er toch niet los van.
Hij staat in het lege graf en ziet de doeken liggen.
Nee, Jezus is er inderdaad niet
– Hij vindt Jezus ook niet. Jezus zal hem vinden.
Zo gaat het vaak: Als je denkt te vinden, blijk je te moeten zoeken.
Maar als je niet kunt vinden, dan wordt je gevonden.
Dan vindt de Herder je. Dat is een troostvolle gedachte.
Amen

Preek zondagmorgen 15 april 2018

Preek zondagmorgen 15 april 2018
Openbaring 13

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ik zag …
Het is niet alledaags wat Johannes te zien krijgt:
Een beest, een monster dat oprijst uit de zee,
een beest dat op een panter lijkt, met poten van een beer, een bek van een leeuw.
Een draak die die aan dit beest de macht geeft.
Als het een film was, zou het op op zijn minst 12+ krijgen
vanwege de spanning en de dreiging,
of misschien zou het hele boek Openbaring wel vallen in de categorie horror.

Een aantal jaren geleden volgden wij met ons gezin een bijbelrooster
dat was opgesteld door het Nederlands Bijbelgenootschap.
Zes weken lang was het de bedoeling om Openbaring te lezen,
Van het begin tot het einde.
Halverwege zijn we met dit rooster gestopt, omdat er sprake was
van zoveel rampen die over de aarde komen,
een derde deel van de wereld verwoest, een derde deel van de mensen gedood.
Dat zal een reden kunnen zijn, waarom u dit Bijbelboek maar liever niet opendoet.
En als je dan toch doorleest, kom je heel wat tegen wat je niet zomaar begrijpt.
Daardoor kun je dit Bijbelboek links laten liggen.
In de afgelopen jaren heb ik uit Openbaring gepreekt,
maar dat waren altijd de wat meer begrijpelijke delen van dit Bijbelboek
en met een grote boog ben ik om die moeilijkere gedeelten heengegaan.
Als er een tijd is om dit Bijbelboek te lezen, is dat de tijd na Pasen,
want Johannes moet zijn visioenen aan de gemeente doorgeven,
om de gelovigen te leren wat het voor hun leven, voor hun concrete situatie betekent,
dat Jezus is gestorven aan het kruis en is opgestaan uit de dood.
Wat betekent het voor ons eigen leven, wat betekent het voor de wereld waarin wij leven,
dat Christus uit de dood is opgestaan, nu leeft, in de hemel is
en vandaar uit de hemel over ons regeert?
Het Bijbelboek Openbaring wil ons die geloven in Christus dat aan ons leren,
dat we dat bij alles wat ons overkomt, elke nieuwe gebeurtenis die ons overkomt,
dat we dat blijven geloven: in de hemel is Christus,
Hij regeert, Hij waakt over de kerk en mijn leven is in Zijn hand geborgen.

Dat doet Hij ook, als dat er niet op lijkt.
Als je woont in Syrië, waar geen einde aan de oorlog lijkt te komen,
en de manier waarop de oorlog wordt uitgevochten steeds weer onmenselijk is,
er zoveel strijdende partijen zijn, zodat je niet meer weet wie je moet steunen.
Als je woont in Jemen, waar ook net zo’n wrede oorlog is, in de armoede van Venezuela.
Als je opgesloten zit in de werkkampen van Noord-Korea,
in Ravensbrück, Mauthausen of Auschwitz.
Steeds weer blijken mensen voor elkaar de aarde in een hel te kunnen veranderen.
Juist dan, als je daar middenin zit, is het niet altijd makkelijk om te geloven,
dat Christus regeert, dat Hij overwonnen heeft, dat daarom alles op deze wereld goedkomt.
Dan lijkt het erop, dat een ander regeert,
de tegenstander van God, de duivel, die hier in Openbaring aangeduid wordt met de draak.
Hij heeft veel macht die draak,
macht om verwoesting op aarde te brengen, gelovigen te bedreigen,
een handige verleider, gewiekste bedrieger, die bijna alle mensen zover krijgt
in hem te geloven en hem te volgen.
en dan zul je maar gelovig zijn, geloven in Jezus Christus, Gods Zoon,
gestorven aan het kruis en opgestaan uit de dood,
geloven dat Christus regeert, samen met de Vader in de hemel
en je ziet dat iedereen om je heen kiest voor zijn tegenstander,
zich mee laat nemen, kiest voor het beest, de handlanger van de draak,
die zo veel mensen weet te verleiden om bij God weg te gaan
en zich te binden aan Gods tegenstander.

We kijken wel eens naar aantallen, tellen in de kerk, hoeveel mensen er zijn.
Vanmorgen in de Maranathakerk een volle bak, maar als het een avonddienst was…
Gemeenteleden die alleen nog maar meeluisteren met de kerkradio vragen dat wel eens:
Hoe is het kerkbezoek? Heb je nog wel een volle kerk?
Aan het zingen kunnen ze horen of het er veel zijn of weinig.
Johannes houdt het de gemeente voor dat ze niet raar moeten opkijken
Als het leeg wordt in de kerk of er geen instroom van buiten komt,
geen mensen zijn die geïnteresseerd in zijn het evangelie,
omdat het beest, de handlanger van de draak, Gods tegenstander,
bijna alle mensen die er zijn verleidt, wegtrekt bij God vandaan.
Je kunt dat niet altijd gebruiken als het leger wordt in de kerk
en toch moeten we er ook voorbereid zijn, dat het kan gebeuren
dat mensen eerder warmlopen voor iets dat hen bij God wegleidt
en daarom geen interesse hebben in het evangelie van Christus.
Dat kan ook gebeuren.
Dat is wel het doel, waarom de draak dat beest uit de zee laat opkomen
en macht geeft, om zoveel mogelijk te verleiden.
En daarom geeft Johannes het aan ons door,
Zodat u uzelf niet laat meenemen, niet laat inpakken, laat verleiden,
maar dat u trouw blijft aan Christus
En Johannes geeft het ook aan ons door dat we niet moeten gaan twijfelen
als we om ons heen zien, dat heel veel anderen geen interesse hebben in Christus
en een leven kunnen opbouwen, waarin geloof, waarin Christus geen plaats heeft.
Johannes wil ons leren dat die verleiding kunnen doorzien,
Dat we er niet intrappen, ons niet mee laten slepen, maar trouw blijven.

Ik zag …
Uit de zee komt een beest naar boven, het lijkt om een panter,
met berenpoten en een leeuwenbek.
De zee, dat is voor de christenen aan wie Johannes dit vertelt,
de zee waarop de Romeinse machthebber de havens van Klein-Azië komt binnenvaren,
de Romeinse consul, de Romeinse gouverneur, gestuurd uit Rome, over de zee.
Een indrukwekkend gezicht moet dat geweest zijn: de Romeinse vloot,
veel schepen bij elkaar, en dan als de schepen stuk voor stuk aanmeren,
De nieuwe machthebber, de nieuwe gouverneur, die in vol ornaat de boot afstapt,

een gebeuren om indruk te maken op de bewoners van die stad,
om de macht van Rome te laten zien, die ook hier in Klein-Azië gekomen is.
Maar Johannes ziet niet de nieuwe Romeinse gouverneur,
maar hij ziet een beest, uit verschillende dieren samengesteld,

komend over de zee.
De zee waaruit het beest opkomt, de zee waarover de Romeinse gouverneur komt,
De zee, die voor de Romeinen het beeld van hun eenheid was –
al het land om deze zee heen hadden ze immers veroverd.
In de Bijbel is de zee geen macht die eenheid brengt,
die landen samenbrengt, omdat je erover kunt varen,
maar de zee is vooral een macht die verwoest, bedrieglijk is,
je lijkt erover heen te kunnen gaan, maar onverwacht kan het stormen
en kunnen de golven slaan en toont het zijn macht om te vernietigen,
de schepen die erop varen kunnen vergaan, overstromingen houden huis.
Men dacht ook wel, dat in die zee een verschrikkelijk monster woonde,
een zeedraak als het ware, de Leviathan.
drie dieren – afkomstig uit een ander Bijbelboek – Daniël 7.
Daar in Daniël 7 zijn het 4 dieren, die elk een nieuw wereldrijk aangeven,
wereldheersers, waartegen niemand is opgewassen, die alles veroveren
en met geweld hun macht bewaren.
Nu bij Johannes schuiven die beelden van die verschillende rijken inéén.
Die eerdere rijken waren al huiveringwekkend:
wreed, machtsbelust, alles verpletterend, nietsontziend,
maar nu komt er een rijk, dat het ergste is van alles, dat de anderen nog overtreft,
in wreedheid en slechtheid,
maar de mensen hebben dat niet door, knielen neer, leveren zich uit
en verkopen hun ziel, maken zich slaaf, van dit beest.
Zij zien niet wat ze doen, maar jullie, gelovigen, wees alert en lever je niet uit,
blijf trouw aan de Heer die je bent gaan dienen,
ook al ben je een van de weinigen, al krijg je het er zelf moeilijk mee,
vanwege alle tegenstand die er kan komen.

Van de vier dieren uit Daniël 7 ontbreekt één dier: de adelaar
en juist dat was het symbool, dat Rome voerde en dat vast op de schepen was te zien,
Ik denk dat dit bewust is, om te voorkomen dat we gaan denken
dat er één bepaald rijk is, of één persoon is, die het is.
Maar dan kan de waakzaamheid verslappen, omdat we op één vijand voorbereid zijn
En ondertussen meegenomen worden door het beest
dat zich aan ons in een andere gedaante voordoet.
De ene keer toont het zich in de politiek,
zoals we terugkijkend over het Hitler en zijn regime kunnen zeggen.
Een andere keer als een economische ontwikkeling,
die ervoor zorgt dat mensen doordat het zo goed hebben God niet meer nodig hebben
en niet meer gered hoeven te worden door Christus’ dood en opstanding,
omdat ze hier op aarde al een goed leven hebben.

Waar het om gaat, is dat de duivel, de tegenstander van God, God nabootst, nadoet.
Als God zelf in Christus op aarde komt en mens wordt,
dan kan de duivel, de draak uit Openbaring, ook een gestalte op aarde brengen.
Als Jezus gekomen is, om de macht over de aarde weer terug te krijgen,
dan wordt dat nagedaan.
Als Christus na Zijn hemelvaart de Heilige Geest uitstort,
dan doet de draak dat na door een geest die verleidt te sturen.
De demonische drie-eenheid worden ze wel genoemd,
de draak en zijn beesten, de een uit de zee en de ander uit de aarde.
Het duivelse spiegelbeeld van God.
Ze presenteren zich als de redder, als degenen die geluk brengen,
maar zijn het niet, maar verwoesters.
Twee gezichten hebben die gestalten van de draak, die beesten die opkomen,
De een uit de zee en de ander uit de aarde.
Naar buiten toe vriendelijk, maar voor de gelovigen een verschrikking.
Als je niet meedoet, als je je niet gewonnen geeft, als je niet buigt,
dan ben je een bedreiging, dan hoor je er niet bij, dan moet je weg.
Het beest wordt de macht gegeven om te strijden tegen de heiligen,
een strijd tegen degenen die bij Christus horen.
Als je je hart niet geeft, omdat je hart al van Christus is
als je je knie niet buigt, omdat je voor geen andere Heer wilt knielen
dan die je geschapen heeft en aan het kruis en uit het graf heeft gered,
dan beland je in een oorlog met dit beest, een zware strijd, erop of eronder.
Kijk er niet van op als dat gebeurt, zegt Johannes, wees erop voorbereid.
Zorg dat je niet verzwakt, dat je overwonnen wordt.
Want met hoeveel macht dat beest ook op je af komt
en hoezeer je leven overhoop wordt gehaald en je haast bezwijkt onder de druk,
er is een houvast in de Heer die naar de aarde kwam en mens werd,
die niet kwam om te verleiden of te verwoesten, maar die kwam om te redden.
Als je naam geschreven staat in het boek des levens, dan blijf je behouden,
dan word je vastgehouden, dan sta je er niet alleen voor
En heb je de zekerheid in Christus.
Het gaat hier niet om hoe je in dit boek des levens komt,
maar dat als je er in geschreven staat, dat je dan mag geloven
Dat geen draak of beest, welk beest dan ook, dat geen duivel je kan wegroven.
Dat is de volharding van de heiligen: God bewaart je
en dan kun je niet terugvallen in de macht van de duivel, die immers verslagen is.
‘Maar God is getrouw, die hen in de hun eenmaal gegeven genade door zijn barmhartigheid bevestigt en tot het einde toe met kracht bewaart.’ (DL V,3)
God bewaart je en daarom kun je trouw zijn – Hij geeft de kracht.
God bewaart je, daarom moet je trouw zijn. Breng die trouw in praktijk.
Het is evangelie en opdracht inéén.
God bewaart je en tegelijkertijd moet je daar zelf ook aan werken.
Het komt hier aan op volharding en geloof.
Volharden – dat is volhouden, omdat je weet: God heeft het laatste woord,
ook over het beest dat zijn macht van de duivel heeft gekregen.
Niet opgeven, omdat je weet dat de overwinning al is behaald.
Volharden – dat is niet je niet mee laten slepen, al doen anderen om je heen dat wel.
Volharden en geloven – dat is dat je hart van Christus is en van Christus blijft.
Ook in de moeilijkste omstandigheden in je leven,
ook als het in je eigen leven of in deze wereld anders verloopt.
Ze zijn er geweest die hebben volgehouden, martelaren, die voor de leeuwen zijn gegooid,
Die naar concentratiekampen en strafkampen zijn gebracht.
Die druk hebben wij hier gelukkig niet.
En toch, christenen die leven in gebieden waar vervolging is,
die maken zich vaak meer zorgen over ons dan over zichzelf,
want bij hen laat het beest zich openlijk zien,
maar in de luxe en de welvaart kan hij zich ook voordoen, om ons in slaap te sussen
en zo mee te voeren bij Christus vandaan.
Wees op je hoede en geloof tegelijkertijd in de macht van God
die zichtbaar werd aan het kruis waar de draak werd verslagen,
Christus overwon en regeert, over deze wereld, over ons leven,
het heden en de toekomst is in Zijn handen
En Hij strijdt voor ons, gaat ons voor in de strijd.
amen