Preek zondagavond 28 april 2019

Preek zondagavond 28 april 2019
Schriftlezing: Psalm 30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Met Pasen vieren we dat Jezus is opgestaan uit het graf, dat Hij de dood overwon.
Hij was sterker dan de dood. Het graf kon Hem niet vasthouden.
Dat Hij de dood overwon en sterker is dan de dood, heeft ook voor ons betekenis.
Wie in Christus gelooft, zal eens opstaan uit het graf en een nieuw leven ontvangen.
Zoals Jezus een nieuw, een verheerlijkt lichaam kreeg,
zullen ook wij een nieuw, verheerlijkt lichaam ontvangen.
Dat zal later zijn, als Christus terugkomt en ons uit het graf zal doen opstaan.
Ook als we hier nog op aarde leven, kan God laten zien dat Hij sterker is dan de dood.
We zingen dat graag:
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naadren van de dood volkomen uitkomst geven.

Van zo’n ervaring zingt Psalm 30 ook: de dood in ogen gezien,
het had niet veel gescheeld of er moest afscheid genomen worden van het leven.
Met één been in het graf
En dan ook nog eens onverwacht: : in mijn zorgeloze rust zei ik, dat ik niet zal wankelen.
Als je onverwacht opeens stil gezet wordt, moet ervaren dat je leven kwetsbaar is,
dan is dat vaak een hele schok.
Als je altijd goed gekund hebt en je krijgt opeens gezondheidsklachten,
kan dat hard aankomen, helemaal van slag zijn.
OF als je jong bent en nog allerlei plannen hebt en allerlei idealen,
dan weet je ergens wel dat je geen eeuwig leven hebt
En dat het ooit een keer ophoudt, maar als je altijd goed kunt,
schuif je die gedachte voor je uit. Dat komt later wel.
Totdat er opeens wat gebeurt, iets onverwacht, met jezelf of met iemand anders.

Hier in deze Psalm is ook iemand aan het woord, die er ook niet op gerekend had
en een crisis overvalt hem en alle zekerheid die hij had, bleek niets te zijn.

in mijn zorgeloze rust zei ik, dat ik niet zal wankelen.
Iemand die het leven neemt als een vanzelfsprekendheid.
Vanzelfsprekend ben ik gezond. Dat hoort bij mijn leeftijd.
Vanzelfsprekend bruis ik van energie. Dat hoort bij deze levensfase.
Vanzelfsprekend dat ik alles kan.
Ook het geloof kreeg iets vanzelfsprekends: God is er.
Je bidt om Gods zegen en Hij geeft die.
Je hebt het goed en daarin mag je de zegen van God zien,
als bevestiging dat je op de goede weg bent.
Mij kan niet gebeuren – dat zeg je vaak als je in de kracht van je leven bent,
Als je merkt dat allerlei plannen hebt, die je ook tot uitvoer kunt brengen.
Je denkt bij jezelf: Ik kan de hele wereld aan.
Alleen als het vanzelfsprekend gaat worden, dan ga je denken dat het altijd zo zal zijn
Het leven zoals je hebt als vanzelfsprekend nemen,
Dan denk je er niet over na dat het wel eens anders zou kunnen zijn.
Realiseert u zich wel eens, dat je leven zoals je nu hebt, helemaal op de kop kan staan?
En ben jij je ervan bewust dat je leven wel eens helemaal kan veranderen
Als je vader ziek wordt, of je leven heel anders zou zijn als je een beperking zou hebben
en alles wat je nu kunt doen helemaal niet zo vanzelfsprekend is?
Hoe zou je erop reageren?

Hier in deze psalm verwoordt David, dat hij er niet op bedacht was
en dat toen alle vanzelfsprekendheid uit zijn leven weg was
hij in een diepe crisis belandde: in een donker gat viel.
Hij spreekt over een graf, een kuil waarin hij terecht gekomen is.
David spreekt over de Sjeool, het dodenrijk.
Dat is ongeveer het ergste wat je kan overkomen,
want dan ben je afgesneden van alles en iedereen, onbereikbaar en je kunt niet meer terug.
Het is een duister waarin je gevangen wordt gehouden,
Waarin alles wat je hebt afgebroken wordt, er blijft niets van je over.
In de psalmen wordt geregeld verwoord, dat je daar zo diep weggezonken bent,
dat je voor je gevoel zelfs niet meer door God bereikt wordt
En dat als je roept naar God je het idee hebt dat je stem gesmoord wordt
en je noodkreet niet aankomt bij God.
Het aangrijpende hier is dat deze crisis door God gestuurd wordt.
Je kunt dat lang niet van alle crises zeggen.
Vaak weet je niet, waarom je iets overkomt, waarom je zo in een donker gat valt.
Hier heeft het te maken met die vanzelfsprekendheid,
vergeten dat je leven een geschenk is, dat Hij dit alles heeft gegeven,
dat wat je hebt aan gezondheid en kracht van de Heere komt,
dat Hij de basis van je leven is.
De crisis heeft hier een oorzaak: toen U Uw aangezicht verborg.
Dat is een huiveringwekkende ervaring,
want dat is zoiets als dat God zich uit je leven terugtrekt en je loslaat
en wat blijft er dan van je over?
De grond valt onder je voeten weg, er blijft niets meer van je over.
Alle bescherming is weg.
Waarschijnlijk moeten we denken aan een ernstige ziekte.
Iemand die kerngezond is, getroffen wordt door een virus of bacterie,
Waardoor hij opeens moet vechten voor zijn leven en hij zo hard achteruitgaat
Dat je je afvraagt of iemand het nog haalt.
Het gaat hier in deze psalm om een crisis waarin alles afgenomen wordt:
gezondheid, vertrouwen in jezelf en zelfs geloof en zelfs de aanwezigheid van God.
Want het graf, de kuil waarin hij dreigt weg te zinken, het dodenrijk,
dat is een gebied waar God niet komt, waar je onbereikbaar bent voor God.
Althans, dat is een gedachte die vaker opduikt in de psalmen.

Toch vanuit de plaats waar David onbereikbaar was voor God, zo was zijn ervaring,
komt zijn noodkreet toch bij God aan en hij werd door God vastgepakt en eruit getrokken.
Dat is al een eerste teken van Pasen:
dat je als mens ook in de diepste duisternis niet onbereikbaar bent voor God,
dat Hij je eruit omhoog kan trekken en je met beide voeten op de grond kan zetten.
Dat de duisternis niet meer de macht over je heeft
En dat de gevangenis, waarin je gevangen zat, open blijkt te zijn:
uit het graf gered, uit de kuil omhoog getrokken. Uit het dodenrijk uitgeleid.
Al wordt de naam van Christus hier niet genoemd,
we kunnen hier wel iets zien van wat Pasen betekent:
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven.

Dat roept wel de vraag op: als Davids gebed in de hemel aankomt
en God aanzet tot redding van David, hoe zit het dan met de andere gebeden,
die ook opgezonden zijn, maar die niet verhoord zijn.
Of de momenten waarop er geen tijd meer was voor gebed, zelfs geen schietgebed,
zoals de drie kerken die afgelopen zondag, die tijdens de paasdiensten,
tijdens de viering van de opgestane Heer, werden getroffen door aanslagen.
Ik denk dat iedereen hier wel kan aanvullen met verhalen
over iemand uit je eigen familie- of vriendenkring.
Het is beide waar: die kleine lichtpuntjes, waarmee er iets van Pasen zichtbaar wordt.
Iemand die ernstig ziek is en moet vrezen voor haar leven
en toch onverwacht er bovenop komt of nog een tijd krijgt om te leven,
na een ernstig hartfalen toch weer opknapt en weer mag opkrabbelen.
Tegelijkertijd is dat andere waar: dat er anderen zijn voor wie het te laat was,
die het niet overleefden.
Het wonder en de tragedie – ze zijn allebei waar,
waarbij het wonder ons hoop geeft, iets laat zien van de opstanding van Christus
en de tragedie iets laat zien van de wereld die nog zucht.
De worsteling die er kan zijn, een roepen naar God: Hoor, Heere, red mij,
laat mij niet neerzinken.

Hier in deze psalm wordt verhaald van het wonder, de uitredding,
God die vastgrijpt en optrekt.
Er gebeurt meer dan redding alleen.
De relatie met de Heere wordt hersteld.
Het wordt heel subtiel verwoord en je zou er bijna overheen lezen.
Met het vastgrijpen en omhoogtrekken brengt God David niet terug in zijn vorige leven
dat voor hem vanzelfsprekend was.
Het is niet de bedoeling dat David zijn vanzelfsprekende leven verder voortzet.
Er moet wel iets veranderd zijn, namelijk dat vanzelfsprekende weg.
DAt David zijn lesje geleerd heeft, kunnen we zien aan hoe hij God aanspreekt.
Hij zegt: Heere, mijn God: vers 3, vers 13.
In de duisternis die hem overviel, de crisis waar hij in raakte,
begon het hem te dagen dat hij God kwijt was, dat God zich verborgen hield.
Hij miste God in zijn leven.
Dat was de reden waarom dit hem overkwam.
De Heere kan soms voor ons gevoel een harde manier kiezen om te komen in ons leven.
Dat doet Hij niet bij iedereen, maar Hij kan het wel.
Als we zelf een heel leven opgebouwd hebben,
dat zo vanzelfsprekend is dat we er geen plek voor God hebben,
kan Hij dat vanzelfsprekende leven afbreken.
Niet omdat Hij een hekel aan ons heeft, maar omdat Hij ziet
dat het vanzelfsprekende leven een luchtkasteel is,
dat we ons iets voorspiegelen, dat helemaal geen waarde, geen houvast heeft.
Hij breekt dat af, niet om een leven met leegte te geven,
maar om ons op Hem te bouwen, om ons echte vastigheid te geven,
een fundament onder ons bestaan.
De vreugde die hier verwoord wordt, is niet alleen een vreugde om langer te mogen leven,
om te merken dat God inderdaad kan, wil en zal redden van de dood.
Het is de vreugde om God weer terug te hebben, om van Hem te zijn
om te kunnen zeggen: mijn God, we zijn weer samen.
Vanuit die ervaring wil David opnieuw beginnen met zijn leven.
In vers 1 staat dat dit lied geschreven is voor de inwijding van Davids huis.
Zijn huis moet aan God gewijd worden.
Dat kan een huis van hout of steen zijn dat net is afgebouwd.
Dat gebeurt in bepaalde christelijke tradities wel,
dat bij de bouw van een huis of bij de intrek in een nieuw huis
dat nieuwe huis wordt ingewijd met Gods zegen of met gebed.
Hier gaat het allereerst om de inwijding van een huis van hout of steen.
Maar vanuit de ervaring dat hij weer opnieuw mag beginnen,
dat hij van de Heere een tweede kans krijgt, wil hij zijn hele bestaan aan God wijden.
Waar ik thuis ben, dat is niet meer van mij, maar van U.
Vanuit het besef dat wat ik heb, heb ik alleen maar gekregen van U.
Het is een geschenk. Het is niet van mijzelf. Ik heb het hooguit in bruikleen gekregen
en als U het terug vraagt moet ik het zonder mankeren terug kunnen geven.

Een andere manier om te oefenen in het besef dat je leven niet vanzelfsprekend is,
maar dat wat je gekregen hebt van de Heere komt
En dat kun je oefenen door God te loven: Uw naam wil ik groot maken, prijzen.
Loven heeft twee kanten: het is allereerst aan God gericht, dankbaarheid naar Hem toe.
Loven is ook gericht aan de gemeenschap: je roept anderen op om in te stemmen,
mee te doen, zodat zij ook zien dat wat ze hebben van God hebben.
Dat ze niet een crisis nodig hebben om te weten te komen wie God is
en welke plek Hij in je leven inneemt.
Loven is ook vertellen: wat God doet. Dat Hij je heeft gered.
Dat jij in je eigen leven een glimp van Pasen mocht opvangen,
Dat je zelf mocht ondervinden wat Pasen kan betekenen.
Dat je het leven terug krijgt en door Gods genade opnieuw mag beginnen.
Er is verandering gekomen in je leven, door God.
Van verdriet in vreugde, van toorn in liefde, van tranen in gejuich,
de klacht weggenomen en nu kun je dansen van vreugde.
Je hoeft geen rouwkleed meer te dragen, niet meer te treuren,
omdat de tranen zijn gedroogd en het rouwkleed voor een mantel van vreugde is ingeruild.
Geen afstand meer tot God, maar Heere, mijn God.
Niet meer God die Zijn aangezicht voor je verbergt en je in het diepe stort,
maar de Heere, die Zijn hand uitsteekt en je omhoog tilt en een hernieuwd leven geeft.
Niet meer de vanzelfsprekendheid, maar de wetenschap: U hield mij in het leven.
Wat gebeurd is, de donkerheid, de crisis hoeft niet weggestopt te worden,
maar wordt mee doorverteld, maar wel binnen het grote verhaal,
dat God in liefde en zorg op ons leven betrokken is,
Zijn liefde die een echo vindt in ons, opgevangen en beantwoord wordt.
De Psalmen zijn het antwoord van Israël op wat God doet.
Hier is het antwoord: dankbaarheid.
Hier is het antwoord: nooit meer vergeten dat het leven eens zo vanzelfsprekend was
dat er geen plek meer voor God was.
Nooit meer vergeten dat wanneer God zich terugtrekt er niets meer van me overblijft.
OOk altijd blijven herinneren, dat hoe diep ik ook zink, Hij neerdaalt om mij te redden.
Hij ging zelf het graf in, liet zich binden, ging de duisternis binnen,
om die macht te breken en een weg eruit te banen.
Legde ik mij in het rijk van de dood, ook daar bent U.
Overal waar ik ben, elke plek op deze aarde is een plek waar GOd kan komen
waar Hij machtiger is dan welke vijand ook, sterker dan de dood, de duivel of welke macht.
De psalm eindigt met een persoonlijke vreugde – ik hoop dat het ook uw vreugde is:
Mijn ziel zal voor U zingen en niet zwijgen. Heer, mijn God ik wil U eeuwig loven.
Amen

Preek zondagavond 9 september 2018

Preek zondagavond 9 september 2018
Nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u zichzelf wel eens als heilige gezien?
Ik denk dat niemand zo over zichzelf denkt,
ook niet degenen die vanmorgen aan het avondmaal zijn aangegaan.
Of misschien u juist dan niet, omdat u uzelf zondaar weet
en de genade van Christus nodig hebt, vergeving van zonden.
Als ik zou vragen of u uzelf als zondaar ziet,
dan zou het antwoord eerder instemmend zijn,
of omdat u dat herkent bij uzelf,
of omdat u dat zo vaak gehoord hebt dat u dat bent, dat u dat met moet geloven.

Paulus spreekt de gemeente in Korinthe wel zo aan:
De gemeente is gemeente van God,
dus niet zomaar een groep mensen, maar een groep bij elkaar gebracht door God,
waarin Hij met Zijn Geest werkt, vrijgekocht door het bloed van Christus,
apart gezet om voor Hem te leven.
Een gemeente van mensen die niet van zichzelf zijn, maar van God.
Een gemeente van heiligen – aan de heiligen in Achaje.
Kun je dat wel van een gemeente zeggen,
van de gemeente van toen in Korinthe en van Oldebroek nu,
een gemeente van God, heiligen in Achaje, in de omgeving van Oldebroek?
Zijn er niet onder ons die te weinig serieus geloven en er te weinig werk van maken?
In het verleden lag het ook gevoelig.
Toen ds. Noordegraaf hier in de jaren-’60 predikant werd,
kreeg hij ook met kritiek te maken toen hij zijn preek begon met: ‘Gemeente van Christus’.
Ad rem als hij altijd was, zei hij: ‘Ik kan toch moeilijk zeggen: “Gemeente des duivels”?’
De gemeente aanspreken als gemeente van God, of als gemeente van Christus
is een lofzang – niet zozeer op de gemeente zelf, maar op God,
de God die deze gemeente uitgekozen heeft, bij elkaar gebracht heeft en onderhoudt.
Wat de gemeente is, dat heeft de gemeente alleen maar aan God te danken,
de Vader van alle barmhartigheid, de God van alle vertroosting,
de Vader van onze Heere Jezus Christus.
Als u als gemeente van Christus aangesproken wordt,
is dat allereerst een dank aan de Heere:
Dank U, dat U Uw Zoon naar deze wereld zond, de dood in, om onze schuld te dragen.
Dank U wel, dat U hebt bent, die ons bij elkaar brengt
naar ons toe komt en ons aanspreekt, in ons midden wil zijn, onze God! mijn Vader!
Als de gemeente aangesproken wordt als gemeente van onze Heere Jezus Christus,
dan is dat ook een herinnering aan wat u bent, hoe jij hier zit.
Je bent hier, omdat God in je leven werkt, omdat Christus voor jou gestorven is,
omdat de Heilige Geest met jou bezig is, om in jouw hart te werken,
zodat jij ook gaat geloven in God, zodat je ook gaat beseffen: Ik hoor bij Hem.
Om zichtbaar te maken dat we gemeente van Christus zijn, wordt het avondmaal gevierd.
De tafel voor in de kerk een gewone tafel met gewone lakens er op,
wel met bijzondere schalen en bijzondere bekers,
en tegelijkertijd is het de tafel van Christus,
De koster heeft alles klaar gezet en toch: Christus is de gastheer.
Hij is aanwezig, Hij nodigt u, Hij reikt aan jou het brood aan en de wijn krijg je van Hem.
Met brood en wijn geeft Hij zichzelf: als herinnering aan wat Hij deed op Golgotha,
maar ook als bevestiging dat je nog steeds van Hem bent,
ondanks je fouten en tekortschieten, dat Hij je niet loslaat, al maak je er weinig van.
Hij reinigt je en begint met jou opnieuw.
Daarom: gemeente van God, daarom: heilig.
Je bent heilig.

Dat is niet om je een extra status te geven,
maar is bedoeld om je te laten weten: God is met je bezig.
Hij verandert je. Hij vergeeft en reinigt je van je zonden.
Heilig betekent: de Geest is in jou aan het werk, met jou aan de slag.
Heilig, dat betekent, zoals het avondmaalsformulier dat zegt,
dat je de waardigheid die je nodig hebt om bij Christus te komen aan tafel,
dat je die waardigheid ontvangt.
Die hebben we niet van onszelf.
Naar het avondmaal gaan is niet laten zien, hoe goed je het doet als gelovige,
nee, dat we daar kunnen zitten hebben we alleen aan Hem te danken.
We krijgen die waardigheid geschonken om het brood te mogen eten
en de wijn te kunnen drinken.
Als u vanmorgen niet kon aangaan, moet u dat eens voor uzelf bedenken.
De plek daar aan de tafel en de mogelijkheid om aan te gaan,
wordt u door Christus zelf aangeboden. Het is voor u betaald!
Maar misschien hebt u in de bank gezeten en gekeken en in uw hart meegedaan.
Of hebt u thuis bij de kerkradio de dienst gevolgd.
Soms hoor ik dat thuis op een eigen manier avondmaal meegevierd wordt.
De waardigheid om het avondmaal te vieren gaat niet pas in werking
als u naar voren loopt en aan de tafel aanschuift en brood pakt en wijn drinkt.
Nee, de waardigheid is er omdat Christus zichzelf gegeven heeft.
Vanaf het kruis op Golgotha stond wordt de waardigheid aangeboden.
U hoeft er alleen maar gebruik van te maken.
De enige voorwaarde is, dat u gelooft dat het ook voor u is,
maar dat betekent niets anders dan de waardigheid aannemen,
dat betekent niets anders dan u zichzelf door Christus met heiligheid te bekleden,
dat is niets anders dan accepteren dat de Geest ook met jou aan de slag is.

De gemeente waar Paulus aan schreef, daar in de havenstad Korinthe,
was echt niet de ideale gemeente, zodat ze van zichzelf konden zeggen
wij zijn nu echt het voorbeeld van hoe een gemeente van Christus moet zijn,
nee, ik denk dat ze zelf ook wel verbaasd waren dat Paulus hen aansprak
als gemeente van God, gemeenschap van heiligen.
Want ze hadden van Paulus gehoord dat er nogal wat aan te merken was
op hun geloof, te weinig vertrouwen in de opstanding van Christus.
op hun levenswandel, onder andere doordat een gemeentelid een relatie onderhield
die binnen een gemeente van God niet te accepteren was.
op hun omgang met elkaar, waar de liefde soms ver te zoeken was.
En toch: gemeente van God. En toch: heiligen in Achaje.
Dat bent u als gemeente en als gelovige ook: van God en heilig.
Niet om uzelf op de borst te kloppen: dat hebben we nu zelf bereikt,
nee: het is gegeven, niet omdat u, jij of ik daar recht op heb, niet zelf verdiend,
maar omdat Christus aan het kruis ging en onze schuld droeg
en het goed gemaakt is – verzoend met God: de breuk die er was, is geheeld.
Je bent weer van God en omdat God heilig is, wordt je ook weer heilig – heilig gemaakt.
Dat is een van de weldaden, waar het formulier over spreekt: gerechtigheid.
We ontvangen de gerechtigheid, die van Christus is.
Al blijft dat hier op aarde een proces, een werk dat nooit af is.
Zolang we hier op aarde zijn, heeft de Geest aan ons werk
om ons heilig te maken en heilig te houden.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan leggen we het aardse leven af
En ontvangen we een nieuw lichaam, een eeuwig lichaam, verheerlijkt,
bekleed met de heerlijkheid die Christus heeft en van Christus komt.
Ook weer zo’n weldaad van Christus, waar het formulier over spreekt.

 

Zover is het nog niet.
Moet je al verlangen naar een leven in heerlijkheid?
In de brief aan de Filippenzen schrijft Paulus: als ik leef, leef ik voor Christus,
en als ik sterf ga ik er alleen maar op vooruit, dat is voor mij winst.
Hij zou daar al willen zijn, daar bij Christus in Zijn heerlijkheid,
maar beseft dat hij dan de gemeente op aarde moet achterlaten
en zolang hij op aarde is, kan hij de gemeente dienen, het geloof versterken, bemoedigen.


Zo’n sterk geloof heeft Paulus niet altijd gehad.
In de verzen die we leven, kunnen we opmaken dat Paulus door een diepe crisis is gegaan.
We baden vanmorgen, voordat we het avondmaal vierden:
Schenk ons ook Uw genade dat wij getroost ons kruis op ons nemen

Als we ons kruis hebben te dragen, dan hebben we die troost nodig.
Alleen kunnen we het niet.
Voor de een is kruis dat gedragen moet worden dat je ziek geworden bent,
voor een ander ruzie en verdeeldheid binnen het gezin,
of de zorg die je hebt voor je man of vrouw,
Kruis dragen is een weg die God met je gaat, die je niet begrijpt en die veel kost,
een weg die je alleen met Gods kracht kunt gaan,
getroost door de Vader, de God van alle vertroosting.
In mijn jeugd hoorde ik een keer een preek, volgens mij ook over deze brief.
Het thema was: Maximaal laadvermogen.
En de preek ging erover, dat de Heere nooit een last op je legt die je niet kan dragen.
Hij overbelast je niet. Hij overvraagt je niet.
Paulus zal dat, na de ervaring die hij heeft gehad, niet meer nazeggen.
Hij overzag het niet meer. Hij dacht dat hij het niet meer zou overleven.
Hij kon het niet meer aan en al het vertrouwen dat hij had was hij kwijt.
Het is niet helemaal duidelijk of Paulus hier verwijst
naar een van de keren dat hij in de gevangenis zat
en dacht dat het vonnis uitgesproken was en dat hij ter dood veroordeeld was,
of dat we moeten denken aan een ingrijpende ziekte, die hij maar net overleefde.
Toen hij weer verder mocht leven, uit de gevangenis kwam of herstelde van zijn ziekte,
ontdekte hij dat hij gedragen was.
Hij mocht weer verder leven: leven in genadetijd.
Hij was als het ware uit de dood opgestaan
en dat hij weer mocht verder leven, dat de Heere met hem verder wilde,
heeft hem iets geleerd en dat heeft hem enorm in zijn geloof gesterkt:
God wekt de doden op.
Al had ik het niet overleefd, ik was in goede handen,
dan zal mijn toekomst alleen maar beter zijn.
Ik hoor dat familieleden nog wel eens zeggen, als ze waken
bij hun man of vrouw, bij hun vader of moeder: hij, zij kan er alleen maar op vooruitgaan.
Als mijn vader beter wordt, is dat een zegen van de Heere, tijd die geschonken wordt,
maar als hij het niet haalt, als zijn tijd is aangebroken om te gaan,
dan gaat hij naar een plek waar het beter is dan hier, waar geen pijn is, geen verdriet,
bovenal waar de Heere is.
Wat hij geleerd heeft, geeft Paulus aan de gemeente door:
We moeten leren om ons leven uit handen geven.
Dat Jezus is gestorven aan het kruis en daarna uit het graf is gekomen,
dat is niet alleen maar een mooi verhaal,
maar dat zegt ook iets over onszelf.
In de brief aan de gemeente in Rome, die hij waarschijnlijk later schreef,
Zal hij geloven ook omschrijven als sterven met Christus en opstaan met Hem.
We zijn verbonden met Christus.
Als je als gelovige het moeilijk hebt, een kruis hebt te dragen,
verbindt je dat met de Heere Jezus die ook een kruis droeg.
Kruis dragen betekent niet dat God je losgelaten heeft.
Dat je het allemaal niet meer begrijpt en dat je niets meer van God hoort,
dat betekent nog niet dat de Heere Zich terug getrokken heeft.
Het kan ook zijn dat Hij je wil leren om echt op Hem te vertrouwen,
om je leven in Zijn hand te leggen,
dat je zegt: wat er ook komt – mijn leven is in goede handen.
Als ik er morgen niet meer ben, dan hoef ik niet bang te zijn,
hoef ik niet in paniek te raken en te denken dat ik heel wat zal mislopen.
God wekt de doden op.
De dood is voor ons een macht waar we niet tegen op kunnen,
waar je ook bang voor mag zijn, het is de laatste vijand,
maar je mag ook weten dat die laatste vijand verslagen is door Christus.
Er is er Eén die bestuurt.
Paulus past dat ook toe op de gemeente: je kunt als gemeente een moeilijke tijd doormaken.
Een tijd met veel overlijdens, of een tijd waarin mensen afhaken,
een tijd waarin je weinig ambtsdragers kunt vinden en weinig vrijwilligers beschikbaar zijn,
dat het allemaal doods is, dat je verlangt naar een opleving
maar dat je het niet meer verwacht van deze gemeente, omdat het leven helemaal weg is.
Vertrouw niet op je eigen kracht, verwacht het ook niet van mensen,
maar vertrouw op de Heere, geloof dat Hij de doden opwekt
en ook een doodse gemeente tot leven kan wekken.

Het kan zijn dat je nu geen kruis te dragen hebt.
Wat heeft dit gedeelte je dan te zeggen?
Dat je je voorbereid bent voor het moment dat de tegenslag, de crisis wel komt.
Laat je je daar niet door overvallen.
In de vorige gemeente zat een jongen bij de marine.
Hij werd voorbereid op een oorlog, om dan als soldaat ons land te verdedigen.
Dan was hij weer een aantal weken niet in de kerk en op catechisatie
en vertelde hijzelf of zijn moeder dat hij naar Noorwegen was voor oefening.
Oefenen in de kou, om te leren om in moeilijke omstandigheden paraat te zijn
en de opdracht te kunnen uitvoeren.
Zo moeten we als christen ook voorbereid zijn,
je in een goede tijd voorbereiden op de tijd dat je geloof onder druk komt te staan.
Steeds vaker ging deze jongen op training en steeds zwaarder werd de opleiding.
Hij wilde een training gaan doen die nog specialer zou zijn
dan de trainig voor marinier al was.
Hij kreeg echter een ongeluk waarbij zijn duim verbrijzeld werd.
De nog zwaardere training mocht hij niet meer doen
en hij moest binnen defensie zelfs naar een andere functie omkijken
en liet zich omscholen en ging de medische tak in.
Wij kunnen ons voorbereiden, maar als de crisis komt, als aan ons geloof geschud wordt,
kan het zijn dat ondanks al je voorbereidingen je toch onderuit gaat.
Dan worden we niet afgekeurd of afgedankt.
Hij weet wat maaksel we zijn, dat we stof zijn – zongen we vanmorgen.
God vraagt van ons niet dat we helden zijn, die boven onszelf uitstijgen
En meer kunnen leveren dan we van tevoren hadden gedacht.
Nee, Hij vraagt geen helden.
Alleen gelovigen die bereid zijn zich te laten troosten, die de troost aannemen,
die niet naar zichzelf kijken en hun eigen kracht of zwakheid,
maar alleen maar kunnen denken aan Christus
en die daaraan genoeg hebben
en weten: Hij is niet alleen gestorven voor mij, maar ook voor mij opgewekt.
Wat er ook met mij gebeurt – Hij zal ook mij opwekken.
Of dat nu overeind helpen is als je na een crisis onderuit gaat
of overeind helpen uit het graf. Gij geeft ons vrede, vergeving van zonden,en uw nabijheid, die sterkt en die leidt: Kracht voor vandaag, blijde hoop voor de toekomst. Gij geeft het leven tot in eeuwigheid.Amen

Preek Tweede Paasdag 2018

Preek Tweede Paasdag 2018
Filippenzen 3:1-16
Tekst: Opdat ik Hem mag kennen, en de kracht van Zijn opstanding, en de gemeenschap met Zijn lijden, doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig wordt, om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden. (Filippenzen 3:10-11)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Kennen van Jezus
Paulus schrijft: Opdat ik Hem mag kennen.
Kent u Christus? Ken jij Christus?
Dan bedoel ik niet of je de verhalen over Jezus kunt vertellen
en dat je kunt uitleggen dat Pasen te maken heeft met Zijn opstanding,
maar dat jij Hem zelf ook kent als de opgestane Heer, persoonlijk als jouw Heer.
Wanneer Paulus spreekt over het kennen van Christus
moeten we voor de betekenis naar het Oude Testament,
Waarin kennen een heel intieme klank heeft, zoals een man en vrouw elkaar kennen.
Zoals een man en vrouw elkaar door en door kennen,
samen leven, samen slapen, van elkaar zijn en bij elkaar horen, intiem.
Zulke kennis is niet alleen kennis over iemand.
Als je de leeftijd van iemand kent, de belangrijkste gegevens uit iemands levensloop,
als je wat verhalen en anekdotes over iemand weet je vertellen,
dan ken je iemand al een beetje,
maar dat is nog niet het kennen van het Oude Testament en van Paulus.
Dat is niet alleen maar kennis over iemand, maar kennis die je hebt
doordat je het leven deelt met iemand, een hele intieme relatie, waarin je in elkaar opgaat:
Opdat ik Hem mag kennen, Christus als de opgestane Heer echt mag kennen, persoonlijk.
Kent u Christus op deze persoonlijke, intieme manier?
Zodat Christus, die gekruisigd was en opgestaan is, leeft in uw, in jouw hart?
Misschien was er wel heel wat nodig voor u Hem zo persoonlijk kende, voor jij ging geloven.
Net als er voor Paulus heel wat nodig was.
Paulus kende de verhalen over Jezus die was gekruisigd en was opgestaan,
maar moest er helemaal niets van weten van die Jezus.
Hij verafschuwde die verhalen en had een hekel aan Zijn volgelingen.
En er was geen enkele reden waarom Paulus zou gaan geloven.
Een mooier leven was er niet: geboren als kind van het verbond,
met een kennis over God en een leven in dienst van God waar velen jaloers op waren,
om zijn inzet voor Gods zaak geprezen en beroemd geworden.
Een in zijn eigen ogen waardevol leven
– totdat Paulus deze Jezus echt ontmoette, Christus in zijn leven kwam.
Toen zag er alles opeens anders uit:
Het leven dat hij had opgebouwd, de status die hij had bereikt, de gelovigheid die hij had:
allemaal waardeloos, hij had er niets aan en kon er niets mee als hij voor God kwam.
Een leven in schijn, al kon hij er hier mee voor de dag komen.
Alleen als je Christus echt kent, persoonlijk en intiem, een relatie hebt, van Hem bent,
dan heb je echt een leven: opdat ik Hem mag kennen.

(2) Kennen van de kracht van Zijn opstanding
Paulus maakt duidelijk wat het kennen van Christus inhoudt:
dat je niet alleen de verhalen over de opstanding van Christus kent,
maar dat je in je eigen leven ook die kracht van Zijn opstanding ervaart,
dat je merkt dat de opstanding van Christus ook effect op je eigen leven heeft.
Opstanding betekent voor Paulus niet alleen dat Christus uit het graf kwam,

dat de steen voor Christus werd weggerold en Jezus als de levende tevoorschijn kwam,
maar dat ook ieder die in Christus gelooft,
uit dat graf mee komt, opgestaan – uit de macht van de zonde, die ons gevangen hield,
een nieuw leven met Christus.
Dat je merkt, dat jij die dood was door de zonde, met Christus ook levend wordt.
Op Pasen vieren wij niet alleen dat Christus uit het graf kwam,
maar vieren we ook dat wij opnieuw kunnen leven.

 

Ontwaak, gij die slaapt en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten!

Sta op uit de doden, o zondaar, en leef, dat Christus ook over u lichte!


Ik kwam een citaat van Calvijn tegen bij een andere tekst van Paulus(Efeze 2:1),
maar we kunnen dat ook hierbij aantekenen: ‘We worden als doden geboren en leven als doden, totdat wel deelgenoot gemaakt worden van het leven van Christus.’
Dat Paulus dood was, had hij in zijn oude leven nooit gedacht.
Je kunt die dood ook goed camoufleren en vaak besef je pas hoe dood je was
als Christus in je leven gekomen is om je tot leven te wekken.
Paulus dacht dat hij juist een goede band had met God, dat zijn geloof levend was.
Maar zonder Christus die in zijn leven kwam had hij niets, schade was het zelfs,
schadelijk voor hemzelf, want het beeldde hem in dat hij God kende en met God leefde,
hij ging er vanuit dat God in zijn leven was en had niet door dat het niet zo was.
en de ogen gingen open toen Christus in zijn leven kwam,
een radicale verandering, waar Paulus nog steeds intens dankbaar voor is
en de komst van Christus in zijn leven heeft een verlangen in hem aangewakkerd:
Christus kennen en ook de kracht van Zijn opstanding in zijn eigen leven.
Want daardoor leeft hij in een nieuw leven: mijn getrouwe Heiland Jezus Christus eigen ben.
In een zondige wereld al een nieuw leven,
niet meer bezig om hier op aarde alles uit het leven te halen,
Alles op je reputatie hier te zetten, of alles van je gezondheid hier te verwachten,
je geluk te koppelen aan aardse bezittingen, maar een gerichtheid op Christus
en opgestaan in een nieuw leven, het nieuwe leven dat Christus is, de Opgestane, Levende.
En dat hier op aarde al een nieuw leven, hier in dit bestaan reeds opgestaan.
Het kennen van Christus en het kennen van de kracht van Zijn opstanding is dat leven
waarin de zonde ons niet meer beheerst, maar Christus in ons leeft
en wij in staat gemaakt worden om Zijn wil te doen.
Daaraan merk je de kracht van Zijn opstanding in je leven.
Een verandering in je wil, in wat je doet en wat je nalaat, Christus kunnen dienen.
Dat is niet pas in de hemel, dat nieuwe leven, maar hier op aarde al.

(3) Kennen van de gemeenschap met Zijn lijden
Hier op aarde al – dan heeft Paulus wat uit te leggen over zijn eigen situatie.
Paulus zit namelijk gevangen.
Daarmee wordt zijn boodschap, dat Christus is opgestaan, toch ongeloofwaardiger?
Als Christus is opgestaan uit de dood, als er een nieuw leven is, dat Paulus nu al heeft,
Waarom dan nog die gevangenschap?
Waarom moet Paulus dan rekening houden met een mogelijke doodvonnis?
Als hij dat nieuwe leven al heeft, dan hoeft hij toch niet gevangen te zitten?
En in de gemeente is er een andere zorg, die zijn boodschap ongeloofwaardig maakt:
De spanning en de zorg die er in de gemeente is:
een andersoortige boodschap dan het evangelie die verteld wordt, die aanhang krijgt.
Als er dat nieuwe leven is, als we dat nieuwe leven al kunnen kennen:
Waarom die onderlinge strijd, waarom die verdeeldheid?
Waarom dan nog lijden voor de individuele gelovige en de gemeenschap als geheel?
Staat dat dan niet haaks op de boodschap dat Christus is opgestaan
en dat wij Zijn opstandingskracht al in ons eigen leven mogen ervaren?

Nee, zegt Paulus, mijn situatie in de gevangenis ontkracht Pasen niet
en het lijden dat mij overkomt en dreigt te overkomen moet jullie niet in twijfel brengen,
want dit lijden en deze tegenslag is bedoeld om Christus nog beter te leren kennen
en nog meer te vertrouwen op Zijn opstandingskracht.
Als ik Christus meer wil leren kennen, heb ik het ook nodig om Zijn lijden te leren kennen,
Ik ben niet meer dan mijn Heer en als mijn Heer lijdt, waarom zou ik dan niet lijden?
Als Hij gevangen genomen werd en werd gedood, waarom zou dat mij bespaard blijven?
Als ik van Jezus ben geworden, kan het ook zijn dat ik deel in Zijn lijden,
dat het leven voor mij anders loopt dan ik van tevoren had gedacht.
Wanneer je gaat geloven in Jezus, wanneer Hij in je leven komt,
wordt je leven er vaak niet makkelijker op.
Tot geloof komen is geen recept voor een makkelijk leventje.
Ik denk dat heel wat gelovigen weten, dat vanaf dat ze echt gingen geloven
er ook heel wat worstelingen bijgekregen hebben, strijd en aanvechting,
misschien ook wel spot en tegenstand, of zelfs ziekte, ontslag.
Maar ook al is het er niet makkelijker op geworden, wel een gelukkiger leven,
omdat Christus in je leven gekomen is en dat is alles waard!
Maar het blijft steeds leren, zodat je geloof in Christus steeds dieper wordt,
zoals je als man en vrouw ook steeds weer moet groeien in je relatie
en dat gebeurt vaak door wat je meemaakt,
niet alleen de mooie dingen die je samen meemaakt,
maar je leert ook door de tegenslagen, de ernstige, verdrietige dingen die je meemaakt
en samen draagt en waar je samen doorheen gaat.
Misschien hebt u in uw relatie ook wel heel wat samen doorgemaakt
en het dat samen doormaken en samen dragen gaat niet vanzelf
dat kost vaak het nodige aan gesprekken, botsingen wellicht, spanningen, en toch…
zo is het delen in het lijden van Christus niet iets dat je even doet, of er even bij,
maar het kost je veel, misschien wel alles en toch … het geeft je Christus.
Opdat ik Hem mag kennen en Zijn opstandingskracht en kennen ook te delen in Zijn lijden.


(4) doordat ik aan Zijn dood gelijkvormig wordt
Let wel, het leren kennen van Christus door Zijn opstandingskracht staat voorop.
Het delen in Zijn lijden staat in het teken van Pasen
en  Pasen in ons leven dat is niet iets dat nog komt, maar dat er nu al is,
Zelfs als we te maken hebben met ziekte
en zelfs als we weten dat we niet lang meer te leven hebben
en haast niet kunnen geloven dat voor ons dat nieuwe leven al gekomen is
omdat we nog zoveel van die oude wereld die lijdt aan de vergeefsheid ervaren
of als we nog steeds worstelen met onze zonde
en haast niet kunnen geloven dat voor ons dat nieuwe leven al gekomen is
omdat we nog zoveel van de oude mens in onszelf aantreffen,
is Pasen een werkelijkheid in ons leven en delen we al in Zijn opstanding
en kunnen we de kracht van Zijn opstanding meer en meer leren kennen,
Zelfs dwars door ziekte en dood heen,
dwars door de zonde die tegen onze wil nog in ons is overgebleven heen.
We zijn er nog niet, niet in de nieuwe wereld waarin we zonder zonde zullen zijn,
maar al wel in een nieuw leven, Pasen is werkelijkheid in ons leven,
we zijn met Christus al opgestaan uit de dood van de zonde
al zal er nog een opstanding zijn, waardoor we een verheerlijkt lichaam zullen krijgen.
Hier op deze aarde, in die wereld die nog steeds lijdt,
kunnen we nog steeds lijden, gemeenschappelijk zijn in het lijden met onze Heer,
maar wel met één verschil: Christus stierf voor ons.
Als we hier op aarde kruisdragen is dat niet om Christus te redden of ons te redden,
als we delen in Zijn lijden, als dat lijden ons overkomt en we ermee te maken hebben,
dan is dat om ons te laten weten, dat Zijn dood ook voor ons geldt,
dat Christus ons meegenomen heeft naar het kruis,
dat we reeds zijn gestorven, al leven we hier volop,
dat we al opgestaan zijn, al zullen we nog door de dood heen moeten gaan.

Het is mogelijk dat deze boodschap van Paulus mensen in verwarring bracht,
Dat ze er nu al waren, dat er geen opstanding meer zal komen, en geen hemel.
Dat ze er al zijn.
Maar dat is wat Paulus niet bedoeld heeft.
We leven al in een nieuw bestaan, we delen in een nieuw leven,
maar er komt ook nog een nieuw leven.
Ik heb het nog niet verkregen, ik ben nog niet volmaakt, het volmaakte moet nog komen.
Als Christus komt en we na onze opstanding in de hemel worden opgenomen.
Delen in het lijden van Christus kan ook er zijn om ons te herinneren
dat er ons nog een eeuwigheid te wachten staat,
dat we niet al onze kaarten op het leven hier op aarde moeten zetten.
Dat we er nog niet zijn, want dan is het gevaar groot om in het oude leven terug te vallen.
Gelijkvormig worden aan Zijn dood is dat we meegestorven zijn aan het kruis, meegekruisigd
En daarmee onttrokken, gered van de zonde en in een nieuw leven zijn gezet.

(5) Om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden
Delen in zijn lijden wijst, hoe moeilijk dat ook is, wijst vooruit
naar wat met u, met jou zal gebeuren als je Christus persoonlijk kent.
Als je mag zeggen, al is het misschien heel voorzichtig of stamelend,
Ik ken Christus en ik leer Zijn opstandingskracht ook steeds beter kennen
en zeker ook in mijn leven is er van het lijden van Christus iets te merken
het geeft mij het besef hoe diep Hij voor mij moest lijden
en dat besef brengt mij dichter bij Hem.
Dan mag je weten dat je er ook een toekomst wacht,
je hebt al een heden, een leven in het hier en nu,
omdat je met Christus leeft, door Christus levend geworden bent,
daarom zal er een dag aanbreken, wanneer de graven opengaan,
als Christus terugkomt, dat het graf jou ook moet laten gaan,
of je graf nu bekend is of niet, God weet waar je begraven bent
en Hij zal je dan uit het rijk van de dood roepen, zoals Hij Zijn eigen Zoon riep uit het graf.
Om hoe dan ook te komen tot de opstanding van de doden.
Dat is een zekerheid voor Paulus.
Het lijkt er even op, dat er toch weer onzekerheid komt.
Kunnen we er echt op aan, dat ook wij zullen opstaan, zoals Christus opstond?
Nee, het is geen onzekerheid, geen twijfel, ook al is het ongelofelijk om te geloven.
Hier op aarde is het er nog niet, het komt nog.

Het is verwoord in een oud gezang, een lied voor Hemelvaartsdag (Gezang 75 NH Bundel):

’t Oog omhoog, het hart naar boven, hier beneden is het niet!
’t Ware leven, lieven, loven is maar, waar men Jezus ziet.
Wat men hoort of ziet op aard’ is ons kost’lijk hart niet waard;
wil men leven, lieven, loven:’t oog omhoog, het hart naar boven!

Trek tot U ons hart naar boven, dat w’ U eeuwig lieven, loven

Kent U Christus? Ken je Hem?
Wanneer je gedoopt bent, is er voor je gebeden dat je Hem zou leren kennen:

Wij bidden U, pleitend op uw grondeloze barmhartigheid,
dat U deze kinderen in genade wilt aanzien
en door Uw Heilige Geest in Uw Zoon, Jezus Christus, wilt inlijven,
opdat zij met Hem in Zijn dood begraven worden
en met Hem mogen opstaan in een nieuw leven.

Dat is in de kerk voor je gebeden, door je ouders, door de aanwezige gemeenteleden.
Dat zal in de hemel voor je gebeden zijn door de engelen om de troon van God,
door Christus zelf, die in de hemel voor ons bidt.
Zodat ook jij, u Hem leert kennen.
Amen

Preek zondag 23 november 2014

Preek zondag 23 november 2014 – eeuwigheidszondag
1 Thessalonicenzen 4: 13-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus schrijft over degenen die ontslapen zijn,
kan iedereen daar wel een gezicht of een naam bij bedenken
van iemand die er niet meer is.
Voor de een is dat een opa die dit jaar overleden is,
voor de ander een zus met wie de band heel hecht was,
of een moeder die al langer geleden begraven werd.
Als je aan diegene denkt die ontslapen is,
kan er van alles boven komen,
zoals mooie herinneringen.
Je herinnert je hoe je opa zijn uiterste best deed om je bruiloft mee te maken
en hoe gelukkig hij was dat hij jouw bruiloft nog mee kon maken.
Je herinnert hoe je moeder er steeds was voor jou,
nooit deed je tevergeefs een beroep op haar.
Je denkt aan je vriendin, die zo jong nog ziek werd,
maar haar ziekte dapper heeft gedragen
en voor jezelf een voorbeeld is geweest van wie je veel hebt geleerd.
Op aarde kan een hechte band geweest zijn,
waar je nog steeds in dankbaarheid op terug kan kijken,
maar er is een moment gekomen
waarop er afscheid genomen moest worden
en je alleen verder moet
zonder opa, moeder, broer, vriendin.

Dat kan soms best moeilijk zijn
om het leven weer op te pakken, alleen, zonder de vriendin met wie de band zo hecht was.
Om zonder moeder verder te leven,
Degene die je op de wereld heeft gebracht, die je steeds met raad en daad bijstond.
Maar je leven gaat wel verder.
Er komen momenten, die je voor het eerst alleen meemaakt:
een verjaardag, een bruiloft, een geboorte.
Ze zijn er niet meer bij, ze maken het niet meer mee,
maar vergeten ben je ze niet
en juist op zulke dagen kun je aan hen denken:
‘Dit moest opa eens weten.’ ‘Had ik dit maar kunnen delen met mijn vriendin.’
‘Wat zou mijn moeder hier blij mee geweest zijn.’

Wat merk je dan weer opnieuw hoe hard de dood is
en je kunt dan binnenin in je ziel, of zelfs in je lijf, het verdriet voelen
en met je meedragen.
Het verzachten van de dood helpt niet, want de dood is afschuwelijk en maakt kapot.
De dood is de laatste vijand, zegt Paulus.
Diezelfde Paulus zegt hier over degenen die overleden zijn, dat zij ontslapen zijn.
Paulus gebruikt het beeld van de slaap.

Soms kun je staan bij de kist waarin de overledene ligt
en dan net lijken of de overledene slaapt,
zo rustig ligt hij of zij erbij.
Dan kan het zo bij je boven komen: straks wordt hij zo wakker en is alles een nare droom.
Soms kan het zijn of iemand slaapt
en je zou willen dat je oma wakker wordt.
Of heeft je kleine broertje of zusje tegen je gezegd:  ‘Wanneer wordt opa weer wakker?’
Dan  weet je: dit is geen slaap, dit is de dood.

Toch spreekt Paulus, die weet hoe hard en ruw de dood kan zijn, over ontslapenen.
Zou hij dat hier gebruiken om toch verzachtend over de dood te spreken?
Dat gebeurt nogal eens, om niet onder ogen te hoeven zien
dat sterven confronterend is voor degenen die blijven leven.
Soms wordt er van iemand gezegd: hij heeft een mooie dood gehad,
vaak wordt dan een sterven bedoeld zonder een lijdensweg die voorafgegaan is.
Maar hoe kan de dood nu ooit mooi zijn?

Paulus heeft een reden om te spreken over degenen die ontslapen zijn.
Hij doet dat niet om de dood te verzachten
om een soort troost te bieden
of omdat hij niet de harde, ruwe werkelijkheid van de dood onder ogen wil zien.
Nee, Paulus gebruikt dat beeld vanuit een rotsvast vertrouwen op God,
vertrouwen op God die Zijn Zoon uit de dood heeft geroepen
tot het leven.
Want slaap betekent dat je weer wakker geroepen wordt
als een nieuwe dag begint.
Daarom spreekt Paulus over ontslapen.
Een kind kan soms zo diep in slaap zijn dat het uit zichzelf niet wakker wordt.
Dan komt zijn moeder bij zijn bed en roept het kind bij zijn naam wakker:
‘Peter, wakker worden, het is al dag!’
Zo houdt Paulus ons voor dat er een moment komt
waarop God aan ons graf zal staan en ons bij onze naam zal roepen:
‘Wakker worden, Mijn dag is aangebroken!’
Zoals de wekker afgaat en iemand die in nog slaapt wakker maakt,
zo zal op die dag van God de bazuin klinken
om alle doden te wekken uit de slaap, zodat ze zullen opstaan.
Paulus heeft niet de bedoeling om de dood te verzachten.
Hij zegt niet: de dood valt wel mee, troost je daar maar mee.
Nee, Paulus gelooft dat er aan de dood een einde komt
op die geweldige dag als Christus vanuit de hemel neerdaalt
en iedereen zal opstaan en de dood iedereen moet laten gaan.

Als wij slapen, doen wij dat om uit te rusten.
Maar ook dat is niet de reden voor Paulus de reden om over de dood als een slaap te spreken.
Het is voor Paulus geen zoete, zachte dood.
Want de dood is een macht, zoals de slaap ook een macht is
die over ons kan komen waartegen we niet bestand zijn.
Zo is de dood een macht die over ons komt en ons meeneemt,
Waartegen we niet bestand zijn, als een vijand die ons mee wil roven.
Maar… maar … houdt Paulus ons voor:
aan die macht komt er een einde, zoals er aan de macht van de slaap een einde komt,
omdat God ons wekt.
Dat is de troost die Paulus heeft.

Daarom kan Paulus tegen de gemeenteleden in Thessalonica zeggen:
weest niet bedroefd!
Het is een mooie, bemoedigende tekst, maar tegelijkertijd ook een scherpe tekst
waarmee we zo maar nog niet klaar zijn:
Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn,
opdat u niet bedroefd bent, zoals degenen die geen hoop hebben
.
Degenen die geen hoop hebben, die hebben reden om bedroefd te zijn.
Paulus verwijst daarmee naar de opvoeding die zijn gemeenteleden in Thessalonica hebben gehad.
Bijna iedereen in die gemeente was opgegroeid in een ander geloof,
ook met andere gedachten over wat er na de dood gebeurt
dan wat Paulus hen voorgehouden had.
Ze waren opgegroeid met een geloof, waarbij degenen die overleden waren
naar het dodenrijk gingen en vandaar niet meer terug konden komen.
De overledenen kwamen niet meer terug, bleven in het rijk van de dood als gevangenen.
Dat geloof was hen van jongsaf aan bijgebracht.
Maar toen kwam Paulus en vertelde hun een heel ander verhaal
over een God die Zijn Zoon naar de aarde zond,
die aan het kruis stierf vanwege de zonden
en de straf van de zonde droeg en daarmee ook de oorzaak van de dood wegdroeg.
Deze Jezus werd door God uit het graf geroepen,
waarmee God liet zien: de macht van de zonde én de macht van de dood is gebroken.
Ze gingen inzien dat hun eigen goden dood zijn
en de verhalen niet kloppen.

Paulus zal hen vast verteld hebben wat er in Jesaja 44 staat.
Op een aantal Bijbelkringen is dit hoofdstuk al aan de orde gekomen.
Je hebt iemand die een stuk hout heeft.
Dat stuk hout breekt hij in tweeën.
Met het ene stuk steekt hij de kachel aan en van het andere stuk maakt hij een beeld van zijn god.
Met zulke verhalen zijn ze opgegroeid, in zulke goden hebben ze geloofd
totdat ze de verhalen en de boodschap van Paulus hoorden
en ze gingen in Jezus geloven.
In Jezus die aan het kruis voor hen gestorven was, voor hun zonden, voor hun schuld.
Maar ze wisten ook: Hij komt eens terug!
Ze hadden Paulus er vol enthousiasme over horen vertellen:
over de grote dag van Christus’ wederkomst.
Dat sloeg over op de gemeente, ze keken naar die dag uit!
Ze zullen er over gezongen hebben, ze zullen er met elkaar over gesproken hebben.
Ik kom dat ook hier in de gemeente tegen,
het uitzien naar die dag, de dag dat Christus zal wederkomen.
O welk een dag zal dat wezen!
Mooi is dat , als dat met elkaar gedeeld wordt,
als je met elkaar naar die dag uitziet, naar de ontmoeting met de Heere.
Want daar ging het de gemeenteleden in Thessalonica om.
Ze hadden al zoveel over Christus gehoord!
Ze wilden bij Hem zijn!
De dag dat Christus terugkomt, zal de dag zijn waarop ze hun Heer mogen ontmoeten,
dat ze aan Zijn voeten mogen neerknielen, uit eerbied en overgave,
uit liefde en dankbaarheid: Heer, hier zijn we. We zijn van U! Dankzij Uw genade!
Gemeente, dat houdt ons een spiegel voor.
Hoe kijkt u naar die dag uit? Houd u daar ook rekening mee
en dan niet uit angst, maar uit verlangen?

Maar ze merkten nog wel, dat ze op aarde leefden.
Dat ze nog niet bij Christus zijn.
Want er waren gemeenteleden, die hen heel dierbaar zijn,
die ze moesten begraven.
Hoe zit dat dan met hen? Zouden zij die grote dag meemaken?
Of zou die dag, van de ontmoeting met de Heere, aan hen voorbij gaan
omdat ze nog gevangen zijn in het dodenrijk,
omdat de dood hen niet wil laten gaan?
Nee, zegt Paulus, de dood heeft een einde,
want Christus kwam uit de dood, zo zullen allen uit de dood komen
die van Christus zijn.
Troost elkaar met deze woorden.
Gemeente, dat mogen we tegen elkaar zeggen
als we aan het graf staan:
de dood is hard en ruw, maar de dood heeft niet het laatste woord.
Wij zaaien het lichaam in de aarde
en vertrouwen het daarmee toe in de handen van de levende God
in de verwachting van de opstanding op de Jongste Dag!

Gemeente, dat is de troost.
Maar je kunt ook die troost missen, zegt Paulus.
Wie niet in die verwachting leeft om later bij de Heere te zijn,
die heeft geen troost.
Die heeft als de dood komt alleen het gevoel
dat de dood een sterke golf is die alles stukslaat en veel kostbaars meesleurt
en niets prijsgeeft.
Natuurlijk, je kunt elkaar dan wel proberen te troosten, als achterblijvers.
Dat gebeurt vaak, bijvoorbeeld in de songs van Marco Borsato:

Afscheid nemen bestaat niet
Ik ga wel weg maar verlaat je niet
Lief, je moet me geloven
Al doet het pijn…

Ik wil dat je me los laat
En dat je morgen weer verder gaat
Maar als je eenzaam of bang bent
Zal ik er zijn..

Kom als de wind die je voelt en de regen
Volg wat je doet als het licht van de maan
Zoek me in alles dan kom je me tegen
Fluister mijn naam,
en ik kom eraan

Zie, wat onzichtbaar is
Wat je gelooft is waar
Open je ogen maar
En, dan zal ik bij je zijn
Alles wat jij moet doen
Is mij op m’n woord geloven

Afscheid nemen bestaat niet

Was dat maar waar, dat afscheid nemen niet bestaat.
Je kunt elkaar nog zo troosten met deze woorden en ze maken vaak indruk,
maar waar zijn ze niet,
want er is wel degelijk een afscheid.
Die grens komt – onherroepelijk, voor iedereen.
We kunnen met elkaar ons zo druk maken over het leven voor die grens,
dat korte stukje,
terwijl we soms die eeuwigheid uit het oog verliezen.

Paulus spreekt hier trouwens niet over de eeuwigheid en ook niet over de hemel.
Ik denk dat hij dat bewust doet.
Niet omdat hij er niet in gelooft, maar omdat dat niet de kern is van het leven na de dood.
De kern is niet het eeuwige, niet het paradijselijke.
De kern, het mooie, de troost: is dat we van Hem zijn en bij Hem zijn,
onze Heere, dat onze Heere ons ophaalt en meeneemt naar Zijn heerlijkheid
om bij Hem te zijn.
Gemeente, dat is de troost, de enige troost in leven en sterven: van Hem te zijn.
De hemel is mooi om naar uit te kijken, omdat Hij, Christus onze Heer er is.
De eeuwigheid zal nooit vervelen en is om naar te verlangen
omdat we dan nooit meer gescheiden zullen zijn van onze Heer
en voor altijd bij Hem mogen zijn.
Een hemel zonder God – ze is er niet en al zou die er zijn, zou een lege troosteloze hemel zijn,
Waar we hooguit schimmen zijn, gevangen in de macht van de dood.
Maar omdat Christus de levende is en onze God de levende God
zal er een dag komen, waarop de dood allen moet laten gaan
die van Hem zijn, die geleefd hebben, die gestorven zijn in dat geloof.
Gemeente, troost elkaar met deze woorden,
zodat we met elkaar naar onze Heer verlangen, die in de dood geweest is, voor ons
om ons thuis te halen, om ons voor eeuwig bij Hem te laten zijn.

Jezus leeft en ik met Hem!
Dood waar is uw schrik gebleven?
Hem behoor ik en zijn stem
roept ook mij straks tot het leven,
opdat ik zijn licht aanschouw,-
dit is al waar ik op bouw

Amen

Ik geloof in de wederopstanding van het lichaam en een eeuwig leven

Ik geloof in de wederopstanding van het lichaam en een eeuwig leven
Christelijke hoop in het aangezicht van de dood

Hoop – en vooral hoop op een leven na de dood – is een specifiek kenmerk van het christelijk geloof. In 1 Petrus 1:3-9 wordt God de Vader geprezen, omdat Hij Jezus uit de doden opwekte en daarmee ook een opwekking van de gestorvenen belooft.
Voor Paulus stort het christelijk geloof als een kaartenhuis in als er geen opstanding van de gestorvenen is. Want dan is ook Christus niet uit de doden opgewekt (1 Korinthe 15). Paulus wilde met dit argument het geloof in de opstanding versterken.

ANASTASI3

Sinds de Verlichting wordt het argument van Paulus van de opstanding van Christus en de opstanding van de doden gebruikt tegen het christendom. In de Verlichting vervluchtigde niet alleen het geloof in de opstanding, maar in het geloof van het leven in het hiernamaals in het geheel. Er werd afscheid genomen van de opstanding, van het laatste oordeel en van een geloof in de lichamelijke opstanding van Christus. Hooguit hield men vast aan een eeuwig voortbestaan van de ziel zonder lichaam.
Vanaf de 19e eeuw werd, door onder andere de opkomst van een naturalistisch wereldbeeld, de dieptepsychologie en het Marxisme,  ook de hoop op een eeuwig voortbestaan bekritiseerd. Hoop op een onsterfelijk bestaat was een illusie of een vorm van opium om het volk in erbarmelijke omstandigheden rustig te houden.
Vandaag de dag wordt de ziel gezien als een vorm van ervaring van het zelf. De ziel is een psychologisch verschijnsel dat alleen in onze gedachten en ervaring bestaat, maar niet werkelijk bestaat.

Karl-Marx

Verkondiging
Met deze veranderingen is het geloof in de opstanding van het lichaam en de hoop op een eeuwig leven haaks komen te staan op wat veel mensen vandaag de dag geloven en ervaren. In ervaren en denken is de nadruk komen liggen op het leven in het hier en nu en is het nadenken over het leven in het hiernamaals een restverschijnsel geworden.
Deze ontwikkeling heeft ook de kerk niet onberoerd gelaten. In veel theologische en kerkelijke stromingen is het spreken over een lichamelijke opstanding op de achtergrond geraakt. De traditionele voorstelling van een leven na de dood komt in veel preken nauwelijks meer voor. Omdat de traditionele voorstellingen bij predikanten en/of kerkgangers niet meer voldoen. Omdat door het verdwijnen van een geloof in het leven in het hiernamaals de aanknopingspunten verdwenen zijn.

Fragmentarisch leven
In de maatschappij en in delen van de kerk kan dan afscheid genomen zijn van een geloof in de opstanding en in het leven na de dood, de werkelijkheid van de dood en de werkelijkheid van het kwaad zorgen ervoor een optimistische kijk op het leven in het hier en nu niet voor iedereen houdbaar is.
Het optimisme van de Verlichting met zijn nadruk op het leven in het hier en nu is na de beide wereldoorlogen stukgebroken. In plaats daarvan is weer volop aandacht voor de werkelijkheid van het kwaad. Bovendien wordt erkend dat het leven in het hier en nu vooral een fragmentarisch leven is. Het is een leven dat sterfelijk is en geregeld ingrijpende verlieservaringen kent. Elk leven kent niet alleen ervaringen van geluk en voldoening, maar ook van mislukken en verlies. Eigen dromen komen niet uit, wensen worden niet voltooid, doelen niet gehaald. Wie in relatie leeft, draagt in zich ook de pijn aan verlies van degenen die er niet meer zijn.

Relatie met God
In deze wereld van fragmenten, van geluk en breuken, van zegen en falen, van voldoening en verlies, klinkt de boodschap van de opstanding van het lichaam en het eeuwig leven. Het christelijk geloof verbindt dit fragmentarisch leven aan God. In het licht van die relatie met God is het fragmentarische van ons leven aan de ene kant een oordeel, aan de andere kant een bestaan waarover het licht van Gods genade valt.

Hoop op de opstanding
Vanuit het nadenken over de opstanding dient er onderscheid gemaakt worden tussen de dood en het sterven. Het christelijk geloof laat zien dat er een leven na de dood mogelijk is, omdat de dood door Christus overwonnen is. Tegelijkertijd is duidelijk dat het sterven nog niet voorbij is. Ieder mens zal nog sterven. Iemand die in het reine komt met zijn of haar sterven en daar bewust naar toeleeft, hoeft nog niet in het reine te komen met de dood. We kunnen toeleven naar ons sterven, maar het overwinnen van de dood is ons niet gegeven. Overwinning op de dood is opwekking uit de dood en opwekking uit de dood is volgens het christelijk geloof een daad van God.

Nieuw licht
Als de overwinning op de dood, namelijk de opwekking uit de dood, een daad van God is, valt er een nieuw licht op het fragmentarische menselijke leven. De voltooiing van het leven wordt door God gegeven. De last om het fragmentarische leven tot een zinvol geheel te maken ligt niet meer bij de mens die dat leven leidt.
Dat het fragmentarische leven van de mens (na de dood) door God wordt voltooid, is de hoop die de opstanding uit de doden geeft. De basis voor deze hoop is gelegen in de opwekking van Christus uit de dood.

N.a.v. Ulrich H.J. Körter, ‘ “Ich glaube an die Auferstehung der Toten und das ewige Leben”. Christliche Hoffnung im Angesicht des Todes’, in: Ulrich H.J. Körnter, Wie lange noch, wie lange? Über das Böse, Leid und Tod (Neukirchen-Vluyn 1998) 95-119.

Preek Eerste Paasdag 2014

Preek Eerste Paasdag 2014
Waarom zoekt u de Levende bij de doden? (Lukas24:5b)

De Heer is waarlijk opgestaan!
De dood heeft Hem niet vast kunnen houden.
Ook de grote steen, die voor het graf lag, heeft niet Hem niet tegen kunnen houden.
Hij kwam uit het graf. Hij leeft!
Hoe dat gebeurde weten we niet,
maar wel dat het een daad van God was.
God wekte Zijn Zoon op uit de dood,
waarmee de Heere laat zien dat Hij de dood, die machtige vijand, verslagen heeft.
Hoe krachtig de dood ook is, hoe angstaanjagend en onherroepelijk ook,
onze Heere is sterker dan deze geweldige macht.
Vanmorgen zijn we bij elkaar om Zijn overwinning te vieren
en met elkaar onze Heer de eer te brengen die Hij waard is:

Geen graf hield Davids Zoon omkneld,
Hij overwon, die sterke Held!
Hij steeg uit ’t graf door ’s Vaders kracht,
want Hij is God, bekleed met macht.

emptytomb

Het graf hield Hem niet tegen, Hij verbrak de macht van de dood
en we mogen weten dat Hij ook voor ons de macht van de dood verbrak.
Dat mag ons moed geven en houvast,
want er niets wat de macht van onze Heere kan tegenhouden.
Zelfs die macht, die ons wel te sterk is, niet. Zelfs de dood niet.
Als u vanmorgen hier in de kerk bent
en op zoek bent naar troost,
troost die u erboven uittilt,
zie dan de steen weggerold was, het graf leeg en onze Heere uit de dood opstond.
Als u hier vanmorgen in de kerk zit
en u draagt het verdriet met u mee
omdat u afscheid hebt moeten nemen van iemand die u hebt moeten afstaan,
of dat nu kort geleden gebeurde of dat het jaren geleden gebeurde,
zie dan hoe bij Christus het graf geen eindpunt is.
En zijn opwekking uit de doden door de Vader kondigt aan,
hoe God eens al degenen die gestorven zijn,
zal opwekken uit het graf en ook hen, die wij moesten afstaan,
een nieuw leven zal geven.
Zouden de engelen, die bij het graf verschenen, dat ook niet tegen ons vanmorgen zeggen:
‘Kijk, hoe Jezus uit het graf gekomen is.
Put daaruit moed en geloof, dat Zijn overwinning op de dood
een voorbode is van het leven dat wacht!’
Het verdriet is echt, de dood is echt, maar Christus is ook echt, waarlijk opgestaan!
Ook Jezus’ dood was echt.
Hij was daar, in het graf, op de plaats waar wij ook heengebracht zullen worden.
Het graf waar elke menselijke hoop stukbreekt,
waar ervaren wordt hoe bitter de dood is, hoe onherroepelijk.
Nadat iemand gestorven wordt, wordt de afstand steeds groter en onherroepelijker.
Eerst is het afscheid nemen, misschien zelfs al voordat iemand gestorven is
doordat iemand ziek is of omdat het contact steeds meer verbroken is.
Dan het afscheid nemen omdat de dood gekomen is en iemand niet meer in leven is.
Daarna afscheid nemen omdat het lichaam weggebracht moet worden naar een graf.
Daarna de afwezigheid die gemist wordt, de handen, de stem, de geur.
Daarna zelfs nog als de plek die iemand inneemt toch ingevuld blijkt te worden
wanneer iemand het werk overneemt, zonder dat degene die overleden wordt gemist wordt
of binnen het gezin de plaats overgenomen wordt.
Het verdriet is echt, de dood is echt, maar Christus is ook echt, waarlijk opgestaan!
Het graf kon Hem niet tegen houden en Hij zal eens al degenen die gestorven zijn
weer in het leven roepen, uit het graf.
In het verdriet schenkt God ons hoop, doordat Christus opstond uit de dood.
Als eerste van velen.

Maar Hij was wel gestorven en begraven.
Daarom gaan de vrouwen naar het graf,
om nog eens afscheid te nemen van hun meester,
het afscheid dat er niet was.
Om wat er van Hem nog overgebleven was, zijn lichaam, te verzorgen
en daarna weg te gaan met alleen nog de herinneringen in hun hart
aan Zijn woorden, aan Zijn optreden, aan hoe Hij was.
Zoals dat bij elke begrafenis gaat.
Ze zouden het wellicht tegen elkaar zeggen:
dat Jezus tragisch jong gestorven is en dat Zijn werk nog niet klaar was
en dat ze niet zonder Hem verder konden
en dat ze hun zouden proberen om Zijn werk voort te zetten, in Zijn geest te leven.
Dat voortdurend afscheid nemen is er ook voor de leerlingen van Jezus,
voor de vrouwen die Zijn lichaam in het graf nog willen verzorgen.
Over de eerste Paasmorgen hangt de schaduw van verdriet en afscheid nemen.
Zoals dat gebruikelijk is na het overlijden van iemand die dierbaar is.

Maar de weg van Jezus is niet gebruikelijk.
Dat laat het open graf ook zien, dat hen uitdaagt om verder te gaan en te kijken.
Dat lege graf roept hen toe: Jezus is hier niet,
je bent hier niet op de juiste plaats om Jezus te vinden.
De reactie van de vrouwen laat zien, dat de opstanding van Christus
totaal niet vanzelfsprekend is en tegen onze verwachtingen in gaat.
Want de vrouwen raken van streek als zij zien
dat het graf leeg is.
Ze nemen niet alleen Jezus van ons af,
maar ze nemen ons ook een dode Jezus nog af.
Jezus mogen wij niet hebben, maar ook zijn lichaam mogen wij niet hebben.
Jezus is hier niet meer!
Ze gunnen hen zelfs geen plek meer om met hun herinneringen naar toe te gaan,
waar Hij misschien na Zijn dood nog zal werken.
Zijn graf kan geen heilige plaats worden, want zelfs hier is Hij niet meer.
Mag er van Hem dan helemaal niets meer blijven?
In alle verhalen die over de eerste paasdag verteld worden,
wordt gemeld dat het lege graf en zelfs de verhalen over de opstanding
alleen maar voor onrust zorgen en ontzetting.
Hoe kan het waar zijn?
Waar is Jezus nu?
Waar kunnen we Hem vinden?

empty_tomb_wide

Je zoekt op de verkeerde plek.
Dat is wat de engelen hen vertellen,
die daar zitten als boodschappers van het goede nieuws van God.
Wat doen jullie bij het graf?
Waarom zoeken jullie hier?
Het is dezelfde vraag die Jezus aan Zijn ouders stelt
toen ze 3 dagen naar Hem op zoek waren en Hem uiteindelijk vonden in de tempel:
Waarom waren jullie naar Mij op zoek?
Wisten jullie dan niet wat ik kom doen?
Hebben jullie dan geen weet van Mijn band met Mijn Vader?
Wie niet weet Wie Jezus echt is, wat Zijn werkelijke identiteit is,
kan Jezus op de verkeerde plaats zoeken.
Waarom zoeken jullie de Levende uitgerekend bij de doden?
Het is een verwijt van de engelen vol bewogenheid en liefde,
omdat dit verwijt de vrouwen wil wakker schudden uit hun ongeloof.
Weet je dan niet wie Jezus is?
Weet je dan niet dat Hij de levende is – zoals alleen God de levende is?
Hoe kun je God zoeken in een graf?
Hij is hier niet – niet hier in het graf.
Het is ook een vraag die voor ons van belang is.
Weten we Wie God is?
Weet U dat God de levende is en leeft u daar ook mee?
Want ongeloof kan het zicht benemen op wie God echt is.
Kunnen ook wij Jezus op de verkeerde plaats zoeken?
Is dat ook wat ons kan overkomen,
Dat terwijl we weten en geloven dat Jezus is opgestaan,
Jezus toch zoeken bij de doden?
De vraag van de engelen aan de vrouwen wil in ieder geval
ook ons wakker schudden uit het ongeloof: Jezus leeft! Hij is niet meer dood.
Hij kan niet meer gerekend worden tot degenen die door de dood gevangen worden.
Machtiger dan de dood is Hij. Hij is het leven zelf.
Soms is dat voor ons moeilijk geloven, toch?
Als we bij het graf staan
– en toch is het waar: Jezus is niet meer dood. Hij leeft
en meer nog: Hij is de levende,
zoals God de levende is.
De bron van het leven, die ook aan ons het leven wil geven.
Het geweldige van Pasen is niet alleen dat Jezus opstond uit de doden
en de dood verslagen heeft als macht,
maar dat wie in Hem gelooft,
ook het leven mag ontvangen dat Hij geeft.
Een leven dat sterker is dan de dood, omdat het van Christus komt
en met Hem verbonden is.
De dood komt dan nog wel als einde van ons leven,
maar in de dood zijn we verbonden met Hem die het leven is
en mogen we weten, dat zoals Hij op de eerste paasmorgen
uit de doden opstond, wij ook mogen opstaan
in het nieuwe leven dat Hij geeft.
Onbegrijpelijk en toch waar!
Vanmorgen zijn we bij elkaar om dat te vieren
en dat tegen elkaar te zeggen: Jezus is niet dood,
we moeten Hem niet zoeken in het graf,
maar Hij is de levende, we moeten Hem zoeken waar God is.
Waar het leven lijkt te eindigen en er voor ons geen uitkomst is,
baant God een weg. Zelfs door de dood.
God wekt Zijn zoon op uit de dood,
zodat er ook voor u, voor jou en mij een weg uit de dood is, naar God en Zijn heerlijkheid.
Het lege graf, waar Jezus niet meer is, is een teken van Gods trouw.
Dat zegt tegen ons: zoals het graf van Jezus eens leeg was,
zo zal uw, jouw, mijn graf eens leeg zijn.
Omdat God ons eens bij name zal roepen.
Op uw woord, o Leven van ons leven!

Laat voor de hoogste Heer een danklied klinken
voor Zijn genade en eeuwige trouw.
Amen

crosses

Preek zondag 7 april 2013

Preek zondag 7 april 2013
Preek over 1 Korinthe 15:12-22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Hoe kunnen sommigen onder u zeggen dat er geen opstanding van de doden is?
Als we in de kerk zitten en luisteren naar een preek, willen we graag uit de Bijbel een boodschap krijgen die ons raakt en waar we in meegenomen worden. En dan vooral een boodschap die nieuw of verfrissend is. Alleen … de boodschap over de opstanding is overbekend. De meesten van ons zijn er als kind al mee opgevoed, op school, op zondagschool, in de kinderbijbel de verhalen over de opstanding van de Heere Jezus. En u gelooft er ook in, anders was u hier niet in de kerk. U hebt vorige week met grote dankbaarheid Pasen gevierd. Ik kan me zo voorstellen dat u bij uzelf denkt: Wat Paulus tegen de gemeente in Korinthe zegt, dat verwijt, dat hoeft hij ons als gemeente toch niet te maken?
‘Er zijn er onder u,’ zo schrijft Paulus aan de gemeente van Korinthe, ‘die zeggen dat er geen opstanding uit de doden is.’
We komen er wel mee in aanraking. Er zijn er genoeg die er moeite mee hebben met de gedachte dat er een moment komt dat ons lichaam dat gestorven is en is vergaan zal opstaan. Wellicht heeft u zulke gesprekken ook gehad rond de Paasdagen. Collega’s die horen over de betekenis van Pasen, horen dat de Heere Jezus uit de dood is opgestaan en dat die collega’s zeiden: ‘Nou, ik geloof er niets van. Hoe kan iemand die gestorven is, nu terugkomen uit de dood? Er is toch nooit iemand terug gekomen? En hoe zit het dan met alle mensen die verbrand zijn, of verdronken, of vermist? dat kan toch niet?’
Door zo’n zulke opmerkingen word je wel gedwongen om erover na te denken. Zeker als iemand het vol overtuiging zegt, dan kun je bij jezelf gaan nadenken waardoor je het opeens ook allemaal niet meer weet. De zekerheid die er voorheen was, raak je langzaamaan kwijt en kan er zomaar een stemmetje in je hoofd komen die het je influistert tijdens de kerkdienst: dat geloof je toch niet meer? Dan kan je soms zo ernaar verlangen dat er iemand is, die je weer die zekerheid geeft: Twijfel niet, Christus is echt opgestaan. Hij leeft!
Of het moment dat je aan een geopend graf staat en de kist is gedaald, waarop er veel door je heen gaat en er iemand naast je komt staan en de hand op je schouder legt, je moed inspreekt en het tegen je zegt: “Kijk niet alleen naar beneden, kijk verder naar de dag waarop Christus terugkomt. Dan zal ook dit graf opengaan en de overledene zal uit het graf herrijzen. De dood heeft niet het laatste woord!”
Ik weet niet of u dat ook heeft, maar voor mij zijn het momenten waarop ik het merk: nu komt het erop aan, dat het waar is, dat Christus is opgestaan. Want als Christus niet is opgestaan, als er niets van klopt, dan is het maar een troosteloze bedoening bij het graf. Dan heeft de dood het laatste woord, die harde, kille, wrede dood en is er voor ons geen hoop. Dan mag je hopen dat je hier op deze aarde geluk hebt gehad met een goed leven. Dat is dan je enige troost.
Als je bij een graf staat, dan besef je hoe wezenlijk de opstanding van Christus is, maar ook hoezeer dat geloof, dat Hij leeft, kan worden aangevochten. Daarom is het ook van belang dat wij in dat geloof gesterkt worden. Dat we vasthouden dat Jezus de levende is, dat Hij nu als de Levende bij ons is. Als voorbode van onze opstanding, de opstanding van ons lichaam uit het graf en de opstanding van elk lichaam uit het graf.

(2) … dan is Christus ook niet opgewekt
We kunnen dat niet los van elkaar zien: de opstanding van Christus en onze opstanding. Het is van tweeën één: of er klopt niets van, maar dan hoeven we ons ook geen illusies te maken over een leven na de dood, want dat is er dan niet.
Of het is waar, dat Christus is opgestaan en dan hoort er ook bij dat ook wij in een nieuw lichaam, een verheerlijkt lichaam zullen opstaan. We kunnen niet, als dat stemmetje ons bekruipt en het ons influistert: opstanding van het lichaam? Dat geloof je toch niet meer in? – we kunnen dan niet meer vasthouden aan de opstanding van Christus. Dan moeten we ook over de berichten van de opstanding zeggen: mooie verhalen, maar niet geloofwaardig. We kunnen niet zeggen: Jezus kwam uit het graf – Hij stond op uit de dood, maar de rest, van de andere mensen – dat geloven wij niet. Dat wij zelf ooit nog eens zullen opstaan, nee dat gaat er bij ons niet in.
Maar – zo houdt Paulus ons voor – dat is helemaal geen onschuldige kwestie. Dat raakt het christelijk geloof heel diep en dat zet alles op het spel. Dan moet je alles loslaten: je geloof, je zekerheid, je houvast in leven en sterven. Alles – ook God. Want als je twijfelt aan de opstanding, twijfel je ook aan God. Want de opwekking van Christus uit de dood was toch een daad van God?
Of je gelooft dat Hij Christus opgewekt heeft en dat Hij ook ons kan opwekken uit de dood, of je gelooft dat God het niet kan, dat Hij het met Christus niet kon en dat Hij het met ons ook niet kan.
Maar dan moet je ook eerlijk zijn en zeggen dat het met de dood is afgelopen. En dan moet je ook zeggen, dat het leven is zoals het is. Als je geluk hebt, mag je in je handen knijpen en heb je dat niet? Dan heb je pech gehad. Dan is het zuur als je slachtoffer bent van een oorlog, als je je man en je kinderen voor je ogen hebt zien dood gaan, of slachtoffer van een verkrachting en je leven van je afgenomen omdat iemand zijn lusten niet kon inhouden, want dan is er geen God die het laatste oordeel over alles uitspreekt en het onrecht dat op aarde is aangedaan wordt niet rechtgezet.
Dan is je leven uitgewist als je verdrinkt in een rivier en je lichaam is niet terug te vinden Dan is je leven zinloos geweest als je verongelukt terwijl je nog niet hebt kunt laten zien, wat je in je mars hebt, want dan is er geen God die je een nieuw leven biedt in Zijn heerlijkheid.

Als Paulus de opstanding van de doden verdedigt – en hij doet dat hartstochtelijk – gaat het hem niet om een alleen leven na de dood. Er staat meer op het spel: God zelf. De Heere zoals Hij zich in Zijn woord heeft laten zien.

(3) … dan is onze prediking zonder inhoud
Dan is er ook helemaal niets van waar, van wat er over God is verteld. Dan is het niet waar, dat Hij zich ontfermt over weduwen en wezen, dan is het niet waar dat de Heere zich druk maakt over degenen hier op deze aarde die geen recht hebben, die leven in de sloppenwijken, omdat er voor hen geen werk is. Dan schreeuwen de kinderen die kinderarbeid verrichten wel naar de hemel, maar vervluchtigt hun stem in de ruimte – want dan is er ook geen hemel waar onze gebeden doordringen, want er is geen God. Dan is het gebed van de vluchteling, van huis en haard verdreven door soldaten in een wrede oorlog, dan is zijn gebed een neerdwarrelende vlieger, want er is niemand die de gebeden opvangt. Een lege hemel en een onrechtvaardige wereld.
Dan zijn de mensen in rampgebieden afhankelijk van onze hulp en steun. Dan hebben ze geluk hun ramp op tv beter is te verkopen, zoals bij Haïti waarbij er 70 miljoen werd opgehaald, en hebben ze pech gehad omdat het nieuws over Syrië ons heeft afgestompt.
En dan kunnen wij er ook maar beter mee stoppen – met geloven en met de kerkdienst. Want als er geen opstanding is, is er geen God en als er geen God is, is de hele kerkdienst maar poppenkast, een ritueel dat even troost geeft, maar dan ons dan weer alleen laat. Dan kunnen we beter Toon Hermans opzetten want dan heb je een lach en een traan, of een tv-quiz en alle ellende op de wereld vergeten, want daar is niets meer aan te doen. Dan heeft het geen zin op de ogen op te slaan en onze hulp van de Heere te verwachten. Dan ga je een operatie in en hoop je op goed geluk. Dan is er niemand die je opvangt als je in het diepe valt.

Maar gemeente, dat geloven we toch niet: dat er geen God is, dat alles zinloos is, dat alles alleen maar van het toeval afhangt? We geloven toch, dat Christus is opgestaan? En niet omdat de kerk het ons voorschrijft, maar omdat Hij de levende is? Omdat God heeft laten zien, dat Hij deze wereld niet heeft losgelaten, maar trouw is gebleven? Omdat God trouw houdt, omdat de Heere niet prijsgeeft wat Zijn hand begon, daarom wekte Hij Christus op uit de dood. En daarom zal Hij ook onze lichamen, waaraan we nu nog merken dat we sterfelijk zijn en sommigen merken dat heel sterk dat hun lichaam broos is, kwetsbaar, daarom zal Hij ook onze lichamen opwekken uit de dood.
Hij heeft Zijn macht toch laten zien? Toen Hij deze wereld schiep. Toen Hij ons het leven gaf. Toen Hij Zijn Zoon naar onze aarde stuurde. Toen Hij Zijn Zoon riep uit het graf en Christus, Gods Zoon, opstond uit de dood. We hebben Pasen gevierd – omdat het waar is – we kunnen het niet bewijzen, maar we geloven het, dat Christus opstond, dat Hij de dood overwon, omdat we vertrouwen op God.
En we geloven dat de Heere ons niet voor de gek houdt.

Dan zijn er momenten, dat we het niet kunnen geloven. Dat het te groots is, te onbegrijpelijk. Of omdat er veel op ons afkomt, we veel ingrijpende dingen mee maken, of omdat we toch dat stemmetje geloven dat in ons spreekt en het zegt: het is niet waar en we vallen …
De gemeente is een plek waar we elkaar oprapen, omdat we van elkaar weten: Ook wij gaan geregeld onderuit. We zeggen dan niet: het maakt niet zoveel uit, maar we rapen elkaar op en we spreken elkaar moed in en we wijzen op Christus: zie Hij leeft!
Omdat we van elkaar weten dat we ook geregeld onderuit gaan, dat het stemmetje in ons te sterk is of dat we geen antwoord hebben op die collega die zegt: Ik geloof er niets van, hoe kan dat nou, daarom hoeven we ons ook niet voor elkaar groot te houden. Geloof in Christus betekent niet dat wij ons groot houden voor de ander, maar dat wij steun zoeken voor onszelf, bij de ander. Dat we zoals Thomas toch die gemeenschap opzoeken, want wie weet gebeurt het toch dat ons ongeloof van ons afvalt, dat Christus zich toont. Maar vooral dat we steun zoeken bij Christus zelf – de levende.
Want geloven dat Christus de levende is, dat Hij is opgestaan en dat wij zullen opstaan, veronderstelt toch dat wij hier in dit leven al met Hem leven? Dat we hier al die gemeenschap met Hem opzoeken?
Het is heel gemakkelijk om met elkaar te praten, maar met de Heere praten? En we kunnen ons wel heel druk maken over anderen die het niet meer kunnen geloven, maar het helpt ons niet verder als wij het alleen maar orthodox zijn in onze woorden, in onze leer en de levende omgang met de Heere verwaarlozen.

Leeft u ook elke dag met Hem? Geven we Hem ook de tijd om bij ons te komen zitten, zoals Petrus op het strand, en dat ook aan ons de vraag gesteld wordt: Heb jij Mij lief? Heb jij Mij liever dan de anderen?

(6) En bent u nog in uw zonde
Er is voor Paulus nog iets dat op het spel staat als de opstanding wordt losgelaten en waarvoor hij, Paulus, de hele wereld is rondgetrokken. Dan bent u nog in de zonde.
Als Christus niet was opgewekt en als ons lichaam niet zal worden opgewekt, dan heeft het geen enkele zin om te spreken over verlossing van de zonde. Dan heeft het geen enkele zin om te hopen dat wij eens vrij van de zonde zullen zijn. Dan zullen wij in de macht van de zonde blijven. Elke gedachte over God, over een leven met de Heere, over gemeenschap met Hem, is een droom over iets dat voor ons onbereikbaar is, dat voor ons niet is weggelegd. Dan rest alleen nog de verlorenheid. Voor eeuwig en altijd. Redding is niet mogelijk. O ja, we zullen er naar snakken en op hopen – maar tevergeefs. Ons leven is dan net als de schepping aan de zinloosheid onderworpen – zonder uitzicht op beter. Dan zuchten wij net als de schepping – een onophoudelijk zuchten, omdat er geen einde aan kan komen.
Wat valt er dan van ons nog te zeggen? Dan zijn we mensen die leven in een illusie, want we leven in een vervloekt bestaan, maar we ontkennen het en we zien niet dat we als slaaf dienen onder de macht van de zonde. Als we al het goede zouden willen doen, dan kunnen we het niet. Dan is ook elke hoop, dat wij een ander mens zullen worden, een illusie –we beelden ons maar in. Dan is elke gedachte dat iemand tot inkeer komt, een crimineel zijn fouten toegeeft, een oorlogsmisdadiger zijn fouten inziet, niet mogelijk, want een nieuw leven is er niet. Niemand die de schuld wegdraagt – ook onze schuld niet. Dan was je beter af als je niet geloofde – of misschien wel beter af als we er nooit hadden geweest.

Maar nu, Christus is opgewekt!
Maar nu – dat is het evangelie, dat in ons leven gekomen is en ons de ogen geopend heeft voor de macht van de Heere, ons getrokken heeft in die gemeenschap met Hem, de liefde tot Hem heeft doen ontvonken en ons deed knielen voor Hem – Heere, hier ben ik, neem mij zondaar aan.
Maar nu – deze woorden zijn de begintonen van een indrukwekkende lofzang op de Heere – Maar nu Christus is opgewekt. Om voor ons dat nieuwe leven te geven – een leven waarvan wij vrij van zonde mogen zijn, als wij op mogen staan in een nieuw en verheerlijkt lichaam. En we zeggen het vol verwondering over de trouw van God, die Zijn macht voor ons gebruikte. En we zeggen het vol dankbaarheid met degenen die ons zijn voor gegaan en die met de Heere hebben geleefd – het is waar, Christus is opgewekt. Voor jullie is er redding en voor ons ook. De dood is in deze wereld gekomen en is nog machtig, maar er is een die machtiger is dan de dood. We hoeven niet te zijn als mensen zonder hoop, want Christus is onze hoop, ons leven, onze redding.
Die hoop mogen wij meedragen de moeilijke momenten in: als we een chemokuur moeten ondergaan, als we aan het graf staan, die hoop mogen we meedragen als collega’s het tegen ons zeggen op een spottende manier: Ik geloof er niets meer in en jij toch ook niet! Want we worden door Christus overeind gehouden. We hoeven niet zonder hoop naar het journaal te kijken. Al worden we wel moedeloos van onze machteloosheid en vragen we ons af: hoe lang nog Heere?
Want de tijd van Christus komt, zo waar Hij is opgestaan. Hou vol en zie naar Hem uit naar de dag dat Hij komt en de dood ieder moet laten gaan.

De dag waarop degenen die er hier niets van moesten weten, moeten erkennen: Hij is toch opgestaan en zij zullen het met vrees zeggen. Maar ik hoop dat u bij die andere groep mag staan, die vol blijdschap opstaat, omdat Hij er is – onze Heere, die gestorven is om ons leven te geven, die door de dood heen ging en opstond om ook ons het nieuwe leven te geven.

Wat een dag moet dat zijn, om onze Heere te mogen begroeten en Hem zonder twijfel, zonder zonde en zonder schroom mogen dienen en loven.
Amen