Preek zondagmorgen 19 mei 2019

Preek zondagmorgen 19 mei 2019
Schriftlezing: Lukas 15:11-32

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader.
Daarmee zegt hij hardop,
hoe er binnen het gezin en onder de knechten over de jongste zoon werd gedacht.
Dat hoeft niet eens hardop uitgesproken te zijn, toen die jongste zoon het erf verliet,
het ouderlijk huis achter zich liet en brak met zijn familie.
Het kan ook zijn, dat toen de jongste zoon wegtrok, zijn spullen ook weg waren.
Dat alles wat aan de jongste zoon herinnerde opeens weg was:
zijn plek aan tafel werd niet meer gedekt, zijn slaapkamer leeg, zijn kleren verdwenen.
Op de dag dat hij jarig was, werd er geen aandacht aan besteed.
Er werd gedaan alsof die dag niets bijzonders had.
Alsof hij nooit onderdeel had uitgemaakt van dit gezin.
Alsof hij nooit bestaan heeft.
Of het is een uitspraak geweest, die gedaan werd toen over de jongste werd gepraat.
‘Mijn broer? Die bestaat niet meer voor mij!’

Het vertrek van de jongste was pijnlijk geweest.
Allereerst voor de vader: de jongste zoon die met zijn vraag om de erfenis te krijgen,
deed alsof zijn vader al overleden was en voor hem niet meer bestond.
Na het vertrek van zijn jongste zoon had de vader geen leven meer,
Want niemand in het dorp kon hem nog serieus nemen,
met die zoon van hem die hem zo openlijk de grond in getrapt had.

Pijnlijk was het geweest voor zijn oudere broer.
Wellicht niet eens omdat hij een deel van de boerderij opgeëist had
(Als tweede zoon zou de jongste ⅓ krijgen) en dat verkocht had,
maar omdat die jongste zoon vertrek en zijn oudere broer in de steek liet.
Hem alleen achterliet met die vader.
Als broers kun je onderling bespreken hoe je ouders zijn.
Dat kun je niet met iemand van buiten het gezin bespreken.
Wanneer zijn vader er niet meer zou zijn, zou zijn jongere broer een belangrijke steun zijn
om het bedrijf over te nemen en verder uit te bouwen.
Nu die broer van hem vertrokken is,
heeft niet alleen het bedrijf een behoorlijke financiële klap gekregen,
Waarbij je hard moet werken om het bedrijf weer enigszins rendabel te maken.
Teleurgesteld in zijn broer, die hem hier alleen achter laat met zijn vader en het bedrijf
En egoïstisch alleen maar denkt aan zijn eigen verlangens
en niet in staat is geweest om zijn eigen wensen ondergeschikt te maken
aan de belangen van de familie
en met zijn wens om de erfenis te krijgen, zijn deel te verkopen en weg te trekken
aangeeft dat zijn familie niet meer voor hem bestaat, voorgoed met hen breekt
en hen met de schande en de schade achterlaat, die hij heeft aangericht.
Wanneer dat zoveel pijn geeft, als je denkt aan wat je broer heeft gedaan
en als je je ervoor schaamt dat hij is weggegaan en daar niet over durft te vertellen,
dan kun je er maar beter over zwijgen. Net doen of hij niet meer bestaat.

In dit verhaal dat de Heere Jezus vertelt
gaat het niet alleen over hoe het er in gezinnen aan toe gaat,
Maar hoe iemand zich van God verwijdert
en ook hoe degenen die wel bij God blijven daarmee omgaan,
Hoe ze naar iemand kijken.
Of ze iemand afschrijven of de deur open houden om terug te komen.
Om ons een spiegel voor te houden vertelt Jezus de meest extreme vorm:
iemand die weggaat, de deur achter zich dicht trekt
en een deel van de achterblijvers die ook de deur op geen enkel moment willen opendoen.
Lekker makkelijk om er zo op los te leven
en dan als je wilt veranderen, kun je nog bij God terecht en vergeeft Hij je helemaal.
En jij gaat maar elke zondag naar de kerk.
Als je uitgenodigd wordt voor een feestje op zondag, zeg je dat je niet kunt
en wanneer je zaterdagavond iets hebt, zorg je ervoor dat je bijtijds thuis bent,
zodat je op zondagmorgen er toch nog redelijk fris bij zit in de kerk.
Je houdt je aan de regels van het geloof en het kost je moeite,  elke dag weer opnieuw,
omdat je ook wel eens wat moet laten schieten,
wat je eigenlijk wel zou willen, maar wat niet kan volgens je geloof.
Je zet een film af, omdat er iets in gebeurt dat je niet kunt rijmen met je geloof.
Je helpt je broer, hoewel hij je nooit bedankt en nooit iets voor jou doet,
maar vind dat je hem niet kan laten vallen, omdat Jezus daar iets over gezegd heeft.
En als je dan eens kijkt naar mensen, die niet geloven, hebben die het soms maar makkelijk.
Voor jou is geloven zwoegen, veel ontzeggen, omdat het botst met het leven met God.
Dan leven ze eerst heel gemakkelijk, dan kunnen ze toch nog aankloppen bij God
en Hij doet voor hen open en zegt niet dat ze eerst hun leven op orde moeten hebben.

Deze zoon van mij was dood, zegt de vader tegen zijn knechten
en zegt het later als zijn oudste zoon weigert om met het feest mee te doen,
het feest dat gegeven wordt omdat de jongste zoon thuisgekomen is:
Jouw broer – na alles blijft het je broer, je kunt die band niet wegpoetsen – was dood,
maar hij is weer levend geworden.
Het is niet minder dan een opstanding uit de dood, dat deze zoon, jouw broer gekomen is.

Zou de jongste zoon dat ook zo gevoeld hebben, dat hij voor zijn familie als een dode was
en vast ook voor degenen die in het dorp wonen
en wisten welke schande die jongste zoon over zijn familie uitstortte?
De vader zegt het niet tegen hem, dat hij dood was.
Hij zegt het alleen tegen de knechten en tegen zijn oudste zoon.
Zou hij het ook zo ervaren hebben?
Hij zal in het begin er zijn schouders over opgehaald hebben:
Hoezo dood? Nu leef ik pas! Eindelijk los van mijn familie en opnieuw beginnen,
het leven zoals ik altijd gewild heb. Geen druk, geen regels – mijn eigen leven.
Dat hij met zijn uitbundige levensstijl een leegte verbloemde, heeft hij nooit beseft.
Aan het opbouwen van contacten dacht hij niet, want hij leefde alleen voor zichzelf.
Aan anderen denken, investeren in relaties – dat was iets van zijn familie.
Totdat hij niets meer had en er alleen voor stond:
Zijn feesten, zijn uitgavepatroon, zijn levensstijl lieten hem met lege handen staan.
Een destructieve manier van leven, dat alles kapot maakt:
Eerst zijn familie en daarna het geld dat van zijn familie is
en er is niets voor in de plek gekomen.
Wie had dat gedacht: van shoppen in Parijs, naar shoppen voor de laagste prijs?

Denk je dat hij tot inkeer komt?
Dat er een moment is waarop hij nadenkt over wat hij gedaan heeft?
Wanneer hij helemaal failliet is en niets meer heeft en bij niemand kan aankloppen
is er nog geen zelfreflectie bij deze jongste zoon.
Nog steeds probeert hij zichzelf te redden, zich staande te houden.
Hij is van huis gegaan en heeft daar de deur dicht gedaan. Dus die weg is afgesloten.
Pas als hij geen eten meer heeft
en hij toekijkt naar de varkens, waar hij voor zorgt, die wel te eten hebben en hij niet,
dan komen de eerste gedachten aan thuis toe.
Als hij helemaal aan de grond zit, dan moet hij opeens aan zijn vader denken
En komt zijn vader hem voor de geest.
Zijn vader, waar hij mee gebroken heeft, bij wie hij het niet uithoudt,
zou zijn knechten niet zo slecht behandelen als deze baas,
Die hem bij de beesten af behandelt.
Hoe negatief hij ook altijd over zijn vader heeft gedacht,
of gewoon niet aan hem heeft willen denken,
nu beseft hij dat zijn vader toch een goede kant heeft, die hem in het leven kan houden.

Je broer was dood, zegt de vader
en hij bedoelt misschien wel hetzelfde als die oudste zoon zegt,
dat zijn jongere broer het geld er doorheen gejast heeft door naar de hoeren te gaan.
Maar er is wel een verschil in toon:
de oudere broer kan alleen maar vanuit verbittering kijken naar zijn jongere broer,
zijn eigen pijn en teleurstelling is zo diep dat hij niet kan zien
hoe zijn jongere broer ook een pijn en teleurstelling met zich mee droeg
en dat hij niet in staat was ook maar iets goed te maken van de pijn die hij veroorzaakte.
Hoe hard die jongste zoon ook werkte, de zoon kon het niet meer goed maken.
Ja, dat geld kon er wellicht komen.
Maar het zou nooit meer worden wat het was
En als het toch goed zou komen, dan zouden er nog de jaren zijn van gemis,
waarop ze niet bij elkaar waren.

De vader heeft ook pijn gehad, elke dag heeft hij de leegte gevoeld,
geleden, niet door beledigde trots, maar er aan geleden dat zijn zoon er niet was,
dat zijn plek leeg bleef.
Dat hij er niet bij was met de maaltijden, dat hij niet meewerkte op de boerderij,
dat hij er niet bij was als er feest gevierd werd.
Het leven ging door en die jongste zoon die miste zoveel van het gezinsleven.
Wat zal hij allemaal niet gemist hebben: bruiloften, geboorten, uitbreiding van het bedrijf.
Elke dag heeft deze vader uitgekeken, de horizon afgespeurd,
alsof hij niet kon geloven dat zijn jongste zoon voorgoed zou wegblijven
en dat er een moment moest zijn, waarop zijn gestalte in de verte zichtbaar zou zijn.
Toen het bericht van hongersnood kwam, heeft hij wellicht gedacht:
Als hij nog leeft, dan komt hij wel terug – want hij moet toch ergens van leven.
Hij heeft gewacht en gewacht en gewacht – en steeds was er niets te zien in de verte.
Hij wacht alleen nog maar totdat je komt.
En wat je nu ook doet, Zijn liefde blijft bestaan.
Ook niets wat jij ooit deed verandert daar iets aan.
Omdat Hij van je houdt gaf hij zijn eigen Zoon.
En nu is alles klaar wanneer jij komt.

Kom tot de Vader, kom zoals je bent.
Heel je hart, al je pijn
is bij Hem bekend.
De liefde die Hij geeft, de woorden die Hij spreekt.
Daarmee is alles klaar wanneer jij komt.

Terwijl voor de oudste broer elke dag dat zijn broer niet kwam opdagen een opluchting was
of niet meers meer aan de mogelijkheid heeft gedacht dat zijn broer nog terug kon komen,
wacht de vader.
Waarmee Jezus wil zeggen: besef je niet dat Mijn Vader op jou wacht?
Op de uitkijk staat.
Ik kwam wel eens bij een gemeentelid, waarin de kamer tegenover de stoel waar ze altijd zat
er een geborduurde schilderij van de verloren zoon hing die thuiskwam,
waarbij de vader steeds de armen wijd houdt.
Alsof ze dat steeds nodig had om daarnaar te kijken, om eraan herinnerd te worden:
dit is mijn hemelse Vader. Hij staat met de armen wijd, totdat ik ook kom.

Jezus vertelt die gelijkenis niet alleen voor degenen die ver weg getrokken zijn,
die afscheid namen van God en van het leven met God,
er op uit trokken om hun eigen leven te leven, van God los.
Ook voor degenen die achterblijven, die hun hele leven bij de vader thuis bleven wonen
en niet de wijde wereld in trokken, maar thuis hun bijdrage leverden
en zo hard werkten dat er geen tijd was voor een feest met de eigen vrienden.
En als de jongste zoon dan thuis komt, wil hij niet mee doen met het feest.
Dat gunt hij zijn jongste broer niet
en waar de jongste broer uit eigen beweging thuis komt,
moet de oudste zoon gehaald worden.
Ook met hem zit het niet goed.
Hij is wel voortdurend bij zijn vader, maar ook voor hem is er een afstand tot de vader.
Heel subtiel en alleen zichtbaar voor wie in staat is
om familepatronen te doorzien, die de schone schijn ophouden van een perfecte familie.
De oudste zoon is op het veld. Ook hij is weg, net als de jongste zoon.
Alleen hij kan het maskeren door te doen alsof hij plichtsgetrouw is.
Ook hij wil erop uit trekken, een leven zonder de vader,
want hij verlangt naar een feest met zijn vrienden, waar hij zonder zijn vader is.
maar hij doet het niet – te kiezen voor een leven zonder zijn vader.
Of omdat plicht hem weerhoudt, of omdat hij niet durft.
Bang is om dood verklaard te worden en alles kwijt te raken.
Hij is altijd bij de vader gebleven, maar heeft nooit ingezien hoe waardevol dat was
en hij heeft ook niet gezien hoe zijn vader was.
Nooit het hart gezien van deze vader. Nooit zijn pijn om de zoon,
nooit willen zien dat zijn vader getroost moest worden, omdat er één weg was.
Zou dat ook voor God gelden? Dat Hij getroost moet worden, als Hij er één mist,
een van Zijn kinderen, die erop uit getrokken zijn?
Wij kunnen God wellicht niet troosten, maar als er mensen erop uit trekken,
de wijde wereld in en Hem niet nodig hebben, zal het Hem zeker iets doen
en staat Hij op de uitkijk, te wachten of ze al komen.

Die liefde is er ook voor de oudste zoon.
Want er is feest om de terugkeer van de jongste zoon,
maar het feest is incompleet als de oudste zoon, die er altijd is geweest, weg blijft.
Ook hij hoort erbij
en als hij niet uit eigen beweging komt, dan haalt de vader hem op
en legt hem uit, waarom dat feest noodzakelijk was,

waarom zo groots uitgepakt moest worden:
dat zijn jongste zoon toch terug durfde te komen, al was hij platzak
en was hij op geen enkele manier in staat om het goed te maken,
dat hij kwam, deed hem als vader goed.
Zo is God! Natuurlijk is hij ook streng en rechtvaardig,
maar als je aanklopt bij God, dan zal de Heere je niet laten staan.

Maar ook die oudste zoon mag van de vader niet buiten blijven staan.
Ook hij hoort op het feest.
De vader had twee zonen – een oudste en een jongste.
Hij is de vader van hen beiden en wil hen allebei op het feest.
Wanneer de oudste wegblijft, gaat er iets van de feestvreugde weg.

Het verhaal blijft open. Je kunt dan invullen hoe het is gegaan.
Hoe die oudste zoon zicht toch mee liet nemen naar het feestgedruis,
daar eerst boos zat en onwennig – hij was niet gewend om feest te vieren.
Maar als hij zich langzaam overgeeft, als zijn hart ontdooit,
komt er ook ruimte voor de vreugde: mijn broer was dood. Inderdaad, nu besef ik dat.
En wellicht was ik dat zelf ook dood – maar de liefde van onze Vader maakt levend.

Het verhaal van Jezus blijft open. We weten niet hoe de oudste zoon reageert.
Dat is bewust. Want bij een open einde zijn wij aan de beurt.
Wat zouden wij doen? Zouden wij thuiskomen?
Zijn wij in staat om onze boosheid op te geven en mee te vieren,
omdat we beseffen hoe bijzonder het is dat iemand weer thuis komt,
levend geworden is, door de liefde die onze hemelse Vader heeft.
Wat zou u doen?
Amen

Preek zondag 5 mei 2019

Preek zondag 5 mei 2019
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Jesaja 54:1-10 en 1 Petrus 1:3-9.

Tekst: 1 Petrus 1:3-4

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Vandaag, 5 mei, is het Bevrijdingsdag. Deze dag is bedoeld om te vieren dat we hier in Nederland in vrijheid leven. Die vrijheid is niet vanzelfsprekend, want over 5 dagen is het 79 jaar geleden dat ons land werd binnengevallen en er 5 jaren van bezetting volgden. De meesten van ons hebben de oorlog niet zelf meegemaakt. Toch is het goed om daar elk jaar weer bij stil te staan. Allereerst voor degenen die de oorlog nog wel hebben meegemaakt
en voor degenen die de gevolgen van de oorlog hebben ondervonden in hun leven. Door er bij stil te staan zijn we ons er elk jaar weer van bewust, hoe bijzonder het is om te leven in een vrij land.

Binnen de kerk houden we ook een Bevrijdingsdag. Op Goede Vrijdag en op Pasen staan we er ook bij stil dat er voor ons bevrijding is. Door het sterven en opstaan van Christus is er bevrijding gekomen. We hebben in de Bijbel gelezen hoe God wordt gedankt voor die bevrijding: Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

De lof op God is niet zomaar. In deze lof op God komt naar voren dat we ons leven met de Heere aan Hem hebben te danken. Omdat God barmhartig is geweest, omdat Hij ons lot had aangetrokken,toen we als mensen in zonde leefden, daarom kunnen we bij God horen.
Toen we nog in de macht van de zonde leefden, waren we niet in staat om God te loven. Maar nu die bevrijding er gekomen is, kunnen we dat weer en doen we dat oprecht.

God heeft ons als mensen geschapen om Hem te loven, Hem groot te maken en als we weer in staat zijn – door die bevrijding in Christus – betekent dat dat we als mensen weer tot onze bestemming kunnen komen: God prijzen – met wat we zeggen, met wat we doen, met heel ons leven. Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

Steeds weer zijn er redenen om de Heere te loven. Het ontvangen van een kind is een reden om de Heere te loven. Dat laten jullie ook zien op het geboortekaartje: U bent het waard, HEERE, te ontvangen de heerlijkheid, de eer en de kracht, want U hebt alle dingen geschapen en door Uw wil bestaan zij en zijn zij geschapen. Daarmee willen jullie aangeven, dat jullie kind op Gods tijd gekomen is. Of jullie gezin uitgebreid zou worden en wanneer dat de beste tijd daarvoor was, dat hebben jullie niet zelf willen beslissen, maar het in Gods handen gelegd en jullie hebben ervaren dat jullie zoon op Gods tijd in jullie leven gekomen. Gods wil en daarom is hij er in jullie leven – door de Heere geschapen, gekomen op Zijn tijd. Jullie hebben daarin ervaren dat de Heere betrokken is op jullie leven. Geprezen zij de God en Vader van onze Heere Jezus Christus.

Dat prijzen van God is geen vanzelfsprekendheid. Er was eens een tijd, waarop er geen behoefte was om God te prijzen. Waarop wij als mensen de Heere de rug toegekeerd hadden. Het doopformulier zegt: de kinderen die geboren worden hebben dat met ons gemeen. Als de Heere niets zou doen, zouden we niet bij God horen, zouden we leven in de macht van de zonde, bij de boze horen. Maar de Heere heeft het niet zo gelaten en vandaar die grote dankbaarheid, de lof op onze God, de Vader van onze Heere Jezus Christus. Vanwege de ervaring van Gods barmhartigheid: God heeft ons niet in de zonde willen laten. Hij kon dat niet over Zijn hart verkrijgen. Dan zouden we verloren zijn. Daarom liet God Zijn hart spreken – en niet zo’n klein beetje ook.

Barmhartigheid – is de manier waarop God met ons omgaat. Barmhartigheid betekent dat onze keuze voor de zonde God in het hart raakte.Hij wist toen: als Ik niets doe, dan zijn de mensen voor altijd verloren, de mensen, die Ik geschapen heb, Mijn mensen. Barmhartigheid betekent dat de Heere niet werkloos kon toekijken in de hemel naar hoe wij hier op aarde als mensen de verkeerde weg kozen, de weg van de ondergang. Er moest wat gebeuren – onze Heere Jezus Christus moest afdalen naar de aarde, afdalen in de dood, in de hel – om redding te brengen. En dat afdalen in de dood, in de hel, die redding en bevrijding heeft met ons te maken. Ook dat is de reden waarom God geprezen wordt, omdat die barmhartigheid ervaren mag worden, omdat je gaat geloven. Omdat je betrokken wordt op Christus, omdat je van Hem wordt.

Als Hij in je leven komt, is dat niet minder dan opnieuw geboren worden. Een geboorte is niet makkelijk voor een moeder en ook niet voor een kind. Voor beiden een pijnlijk, vaak moeilijk gebeuren. Een pasgeboren baby is de geborgenheid van de baarmoeder kwijt,
komt een hele nieuwe wereld binnen, waar je kind van alles moet leren. Leren ademen, leren eten, de ouders leren kennen, leren kijken, lopen, praten. Met dat leren ben je als mens nooit klaar: levenslang leren zeggen we dan. Petrus gebruikt dit beeld om aan te geven dat wie bij Christus gaat horen een hele nieuwe wereld binnengaat, die zo radicaal anders is,  Dat je alles weer opnieuw moet leren over God, over jezelf, over de wereld,
helemaal opnieuw beginnen – de wereld achter je laten, je oude natuur doden zelfs.

Petrus zegt daarvan: dat doet God. Hij laat je helemaal opnieuw beginnen. Hij  laat je die nieuwe wereld binnengaan. Later in de brief zou Petrus trouwens zeggen dat de gelovigen niet genoeg groeien en maar blijven hangen en steken op dat allereerste beginnersniveau,
alsof ze pasgeboren kinderen zijn, die alleen nog maar moedermelk kunnen hebben en steviger voedsel nog niet aankunnen.

Hier gaat het nog om het bijzondere van die nieuwe wereld binnen gaan. Die nieuwe wereld waar je binnengaat is de wereld van de Vader en de Zoon, als je gaat geloven mag je van God zeggen: mijn God. Dan is Hij niet alleen maar de Vader van onze Heere Jezus Christus
maar dan mag je ook zeggen: mijn hemelse Vader. Vader en Zoon, God en Christus – ze zijn één en als je gelooft, dan mag je delen in die band en je kunt toetreden tot die band die de Vader en de Zoon hebben, omdat Jezus is opgestaan uit de dood. Met Zijn overwinning op de dood, met Zijn opstaan uit het graf ging voor ons de deur open en werd het mogelijk om toe te treden tot die wereld.

Helemaal opnieuw beginnen, maar dat is niet zomaar. Dat is het leven dat je kwijt was terugkrijgen en meer nog, want dan zou je nog leven hebben. Het gaat hier om weer tot leven komen, zelf uit het graf verrijzen, zelf levend worden, omdat Jezus is opgestaan uit de dood. Geldt dat nu voor jullie zoon ook dat, nu hij gedoopt is, levend geworden is? Mee opgestaan uit de dood? Of is dat teveel gezegd? Dat is toch ook de reden waarom we kinderen dopen: dat ze het leven in Christus vinden en dat ze uit de macht van de boze raken, bevrijd worden, mogen opstaan in een nieuw leven, tot eer van God? Ja en nee.

Elke keer weer word ik verrast door de stelligheid waarmee het doopformulier spreekt: Christus is aan het kruis gestorven, ook voor de kinderen die net worden gedoopt, die niet begrijpen dat ze gered moeten worden en moeten geloven. Ze begrijpen trouwens ook niet dat ze ook delen in de zonde, die door Adam in de wereld kwam, waarin ook wij als ouders delen en onze ouders. Door diezelfde ouders mogen ze ook delen in de bevrijding die Christus bracht. Dat gebeurt in het dagelijks leven ook: kinderen horen bij je, ze wonen in je huis. Ze delen in je ziektekostenverzekering en als ze een ongeluk veroorzaken of iets uithalen, word je als ouder aangesproken. Ze horen bij je en ze zijn van je afhankelijk. Zo is het ook in het geloof: God rekent ze met je mee. Als jij als ouder leeft met Christus en met Hem verbonden bent, zijn zij dat ook. Daarom ook de doop: om aan te geven dat ze ook delen in die band, die jij zelf met God en Christus hebt.

Je gunt het hen als ouders ook en daarom vertel je hen en lees je hen voor uit de Bijbel,
leg je aan je kinderen uit, wat het betekent om gedoopt te zijn. Je leest hen voor uit de kinderbijbel, je zingt met hen, je leeft hen voor, De sfeer in huis is een sfeer herinnert aan de relatie die de Vader en de Zoon hebben, een sfeer van vreugde om de redding,  maar ook van strijd tegen de zonde, die je ook nadat je bent gaan geloven niet los wil laten.


Als hij dan mag delen in jouw band met God, waarom is er dan ook een nee? Omdat dit niet betekent dat een kind dat gedoopt wordt er al is, dat hij achterover mag leunen en doen alsof hem niets meer kan gebeuren. Hij moet het zelf gaan beamen, zelf ook de keuze maken, Jezus als bevrijder in zijn eigen leven binnenhalen.

Laat ik dat uitleggen aan de hand van een gebeurtenis uit de meidagen van 1945. Op 5 mei werd in Wageningen duidelijk dat de Duitsers zich zouden overgeven. Niet elke plaats was toen echter bevrijd. Voor Veenendaal, vlakbij Wageningen, duurde het nog tot 9 mei voor de bevrijding kwam, toen de Engelsen opgehaald werden om Veenendaal te bevrijden. En voor Texel kwam de bevrijding pas op 20 mei, toen de Canadezen op het eiland kwamen. Tot die tijd kwamen er nog mensen in Veenendaal en Texel om door vuurgevechten. De bevrijding kwam pas echt toen de bevrijders het gebied binnen traden. De capitulatie was al getekend, de nederlaag was al definitief, de oorlog was al over.

Zo weten we dat met de opstanding van Christus de duivel definitief verloren heeft, maar Christus de Bevrijder moet wel in ons leven binnengelaten worden om daar de boze te verdrijven en ons te bevrijden van die macht van het kwaad. Christus is voor ons, voor u, voor jou, voor mij, voor de dopeling gestorven, maar we moeten Hem wel verwelkomen in ons leven, binnenlaten, binnenhalen als bevrijder.  Natuurlijk: het hangt niet van ons af. Het is God die het doet. Maar als we zeggen: voor ons hoeft het niet. Mooi dat het iets van mijn ouders is, maar het is echt iets van hen, laat het maar aan mij voorbij gaan. Dan mis je ook wat je krijgt als je opnieuw geboren wordt. Dan wijs je de barmhartigheid van God af, de betrokkenheid van God op jouw leven. De deur die voor jou open staat, het nieuwe leven dat God wil geven, bevrijding uit de zonde, uit de macht van de boze. Opnieuw geboren tot een levende hoop: je hebt toekomst, toekomst met God en bij God. Als je kind van deze Vader geworden bent, als je bij Christus hoort, mag je delen in wat van Christus is.

Als ouders regel je voor je kinderen allerlei zaken, waar ze nu wellicht niets aan hebben, maar waar ze later wel profijt van hebben: Een rekening, waarbij ze het geld krijgen als ze 18 zijn, bijvoorbeeld. Zo heeft God ook iets klaargemaakt, klaargelegd in de hemel. Je kunt daar zeker van zijn, want het is een erfenis die niet in waarde kan dalen, waar niemand bij kan, omdat het in de hemel is, niemand kan het beschadigen of afpakken. Onvergankelijk is het, helemaal zuiver, zonder zonde, helemaal van God, een erfenis die niet minder wordt in de loop van de jaren, of beschadigd kan raken: onverwelkbaar.

Dat onderstreept de doop ook: als God iets belooft, dan doet Hij dat ook. Als Hij je iets toezegt, dan krijg je dat ook. Je kunt er zeker van zijn, omdat je van God zeker kunt zijn. Veilig opgeborgen in de hemel. Nu is het zo, dat als je een rekening voor je kind opent, waar hij pas op z’n 18e bij kan er in die eerste 18 jaar niets aan heeft. Dat geldt voor die hemelse rijkdom, die overvloed die God in de hemel voor je heeft niet. Want die ligt veilig opgeborgen in de hemel. Dan zegt Petrus tegen ons: als je gelooft, ben je net zo veilig als die hemelse schat,Waar niemand bij kan, die niemand van God kan afpakken. Zo veilig ben je in Gods hand en niemand kan jou, kan je kind uit Gods hand rukken. Zoals God die hemelse schat voor je bewaart en bewaakt, zo word jezelf en wordt je kind door God bewaakt.

Het is, zoals de Jesaja 54:10: Want al zouden bergen wijken en heuvels wankelen, Mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en het verbond met de HEERE zal niet wankelen, zegt de HEERE, uw Ontfermer. De Ontfermer, uw, jullie ontfermer, die Zijn grote barmhartigheid laat spreken in de opstanding van Christus, die ook jullie opstanding mag zijn. Waardoor je mag binnentreden in die wereld die van God en van Christus is. Waar je veilig bent, voor altijd bewaard. Wat je zelf krijgt, mag je doorgeven aan je kind: Want ik ben ervan overtuigd, dat niets ons zal kunnen scheiden van de liefde van God in Christus Jezus onze Heere. Amen

Preek zondag 28 april 2019 – morgendienst

Preek zondag 28 april 2019 – morgendienst
Schriftlezing: Lukas 24:13-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ze wilden naar huis gaan om van het gedoe af te zijn.
Om geen verhalen meer te hoeven horen over Jezus die zou zijn opgestaan.
Het was al erg genoeg dat ze Jezus hadden opgepakt en aan het kruis hadden geslagen.
Daar hadden ze al genoeg mee te stellen.
Ze dachten dat Hij door God gezonden was om Israël te verlossen,
maar toen Jezus was opgepakt en ter dood veroordeeld,
konden ze niet opbrengen om bij Jezus aan het kruis te staan,
maar stonden ze op een afstand, net als de vrouwen die Jezus hadden gevolgd.
Ze waren nog in Jeruzalem gebleven.
Ze konden het nog niet opbrengen om naar huis te gaan.
Zo bleven ze die sabbat bij de leerlingen
en met elkaar zaten ze verslagen bij elkaar en niemand wist eigenlijk goed wat te doen.
Die sabbat, waarop ze bij de andere leerlingen waren, konden ze gebruiken
om na te denken hoe ze verder met hun leven zouden gaan,
het leven oppakken van de tijd voordat ze Jezus kenden.
Veel moed hadden ze nog niet.
Ook de volgende dag, de eerste dag van de nieuwe week,
de eerste week van een leven zonder Jezus, bleven ze nog dralen
en in Jeruzalem bij de andere leerlingen van Jezus,
die net zo verslagen waren als zij.
Toen kwamen die vrouwen met dat verhaal, dat ongeloofwaardige verhaal,
dat ze beter maar niet hadden kunnen vertellen,
omdat ze daarmee geen respect toonden voor hun Heer die was overleden,
geen respect hadden voor het verdriet en de verslagenheid die bij hen was.
De vrouwen die hun fantasie lieten gaan en zich inbeeldden dat Jezus weer leefde.
Dat was voor hen het moment om hun spullen bij elkaar te gaan rapen
en terug te gaan naar huis.
Ze zouden thuis, in afzondering, wel het gemis van Jezus verwerken.
Zo gaan ze op weg naar huis, definitief einde van het volgen van Jezus.
Hooguit dat ze daar in hun eigen omgeving nog aan Jezus konden blijven denken,
Hem herinneren, zoals ze Hem gezien hebben, voor altijd in ons hart.
Een vastomlijnd plan hebben ze nog niet.
Als ze thuis zijn, zullen ze wel zien.

Voordat ze thuiskomen, gebeurt er onderweg iets, waardoor hun hart langzaam open gaat

voor het goede nieuws dat Jezus is opgestaan, dat Hij werkelijk leeft.
Jezus zelf loopt met hen mee, gaat met hen het gesprek aan,
luistert naar hun teleurstelling en legt hen uit hoe het zit.
Al die tijd dat ze in gesprek zijn, hebben ze geen idee dat het Jezus zelf is,
die met hen mee loopt op weg naar huis, weg van de gemeenschap in Jeruzalem.
Hun ogen worden gesloten – waarbij Lukas wil aangeven: het is de hand van God,
die hen met gesloten ogen eerst wat wil leren, voordat ze Jezus kunnen zien.
Onderweg gebeurt er al wel iets, waardoor hun hart geopend wordt,
het verdriet en de teleurstelling plaatsmaken voor verlangen: zou het echt zo zijn?
Ik las een mooie uitspraak in de uitleg, die ook op andere momenten van toepassing is:
Mensen merken vaak iets op van de aanwezigheid van God, voordat ze God herkennen
of onder woorden kunnen brengen dat God in hun leven gekomen is.
Het is het zoeken van God, de opzoekende liefde van God, die Lukas ons wil vertellen:
Nog voordat je zelf je hart voor God opent, is Hij al bezig om je hart te openen,
zodat Christus er in kan gaan wonen, je hart van Hem wordt.
Lukas vertelt de verhalen om aan ons te laten zien hoe dat gebeurt:
dat ook ons hart voor de opgestane Heer opengaat en Jezus de levende in ons woont,?

Hoe de opgestane in ons leven kan verschijnen
– zonder dat we Hem daadwerkelijk zien wellicht,
maar Hem wel ontmoeten, ervaren, in ons hebben wonen.

Dat Jezus in je hart komt wonen, zodat je gaat geloven, gebeurt vaak geleidelijk aan.
Daar is vaak een hele tijd voor nodig.
Een tijd waarin je de verhalen over Jezus hoort vertellen:
ouders die je erover vertellen, op school, zondagsschool, in de kerk.
Of als je er niet mee opgegroeid bent hoor je erover door een vriend of vriendin.
Zeker als je er niet mee opgegroeid bent, zul je allerlei vragen hebben.
En ook als je er wel als kind al over gehoord hebt, dan zul kun je allerlei vragen hebben,
waarop je een antwoord nodig hebt voordat je kunt geloven.
Voordat jijzelf de deur van je hart open kunt zetten.
Voor deze twee mensen op weg naar Emmaüs is het de vraag
hoe het mogelijk kan zijn dat de door God gezonden messias in de dood kon gaan.
Wat Jezus dan toch niet de door God gezonden verlosser?
Hoe kon Hij dan sterven aan het kruis als Hij wel door God gestuurd was?
Het is niet alleen een vraag van het verstand.
Door teleurstelling is hun hart voor Jezus dicht gegaan.
Hadden ze achter de verkeerde aangelopen?
Was Jezus niet die Hij zei te zijn?
Nog steeds is teleurstelling een manier waarop bij ons het hart dicht kan gaan.
Dat kan bij u of bij jou zo zijn, dat er geen ruimte in je hart is voor Jezus,
omdat er bitterheid is, je bent teleurgesteld
En die teleurstelling, die bitterheid moet eerst uit je hart, eerst moet je hart genezen
voordat je de deur kan opendoen.
Het hoopvolle in dit verhaal is, dat we kunnen zien, dat Jezus al bezig is
om hun hart te genezen, om voorzichtig aan, behoedzaam hun hart te openen voor Hem.

Voor niet iedereen gaat het even gemakkelijk om het hart te openen voor Hem.
Hier in de gemeente kunnen er zijn, die net als de vrouwen zijn,
die over Jezus hebben gehoord dat Hij is opgestaan, dat geloven en blij zijn.
Hun hart is open – zo kan uw of jouw hart allang zijn geopend voor Hem.
Maar bij anderen gaat het veel moeizamer, is er veel meer voor nodig,
net als bij Kleopas en zijn metgezel op weg naar huis.
Er kunnen momenten zijn, waarop je iets verneemt, dat God aan het werk is.
Je herkent Hem nog niet, maar je merkt in je wel dat er iets gebeurt,
dat je verandert, dat de deur van je hart langzaam open gaat en er een lichtstraal binnenvalt.
Er kunnen ook momenten zijn, waarop de wegen uit elkaar lijken te gaan,
net als bij de Emmaüsgangers, die als ze aangekomen zijn bij hun huis,
merken dat Jezus hen wil verlaten en Zijn eigen weg wil vervolgen.

Jezus doet of Hij verder wil reizen.
Ik heb me altijd wat verwonderd over dit detail:
Jezus die doet of Hij verder wil reizen en deze twee leerlingen wil achterlaten,
terwijl ze wel een idee hebben van wat er gebeurd is
en wel er iets van merken dat God in hen werkt omdat ze een verlangen op voelen komen,
een vreugde die ze ergens in zich waarnemen,
maar waarvan ze nog niet helder hebben waar die vandaan komt, of waar dat op duidt.
En toch is het volle licht nog niet doorgebroken en zijn hun ogen nog niet open gegaan
en Jezus wil doorgaan en hen achterlaten met raadsels.
Lukas vertelt steeds hoe Jezus onderweg is,
maar dat is nog van voor de tijd dat Jezus in Jeruzalem aankwam
en zijn doel bereikte toen Hij aan het kruis ging en opstond uit het graf.
Door net te doen of Hij verder wil gaan, wil Jezus hen uittesten:
Is er voor jullie nog iets veranderd of is alles bij het oude gebleven?
Is Mijn werk ook in jullie ogen voltooid? Of moet Ik nog onderweg om iets af te maken?
Ben Ik iets vergeten om te vervullen?
Zo zullen de twee leerlingen die thuisgekomen zijn er vast niet over nagedacht hebben.
Voor hen was het dat ze thuisgekomen zijn
en dat ze deze gast, die met hen is meegelopen niet nu al kwijt willen.
Ze willen nog meer, nog langer in Zijn aanwezigheid verkeren.
Ze openen hun huis voor Hem en zonder dat ze het doorhebben,
stapt Jezus over de drempel van hun huis om er te zijn.
Zo zei Hij dat tegen Zacheüs: Ik moet heden in je huis zijn, daar voor altijd blijven,
al trek ik verder.
Hier zeggen deze twee leerlingen, zonder dat ze het beseffen: Kom in ons huis.
Neem intrek. Blijf hier voor altijd.
Al weten we nog niet wie je bent, maar we kunnen niet zonder je aanwezigheid.

Mensen merken vaak iets op van de aanwezigheid van God, voordat ze God herkennen
of onder woorden kunnen brengen dat God in hun leven gekomen is.
Ze zijn zich er nog niet van bewust, al begint er wel iets te dagen.
Ze kunnen Jezus niet laten gaan – al weten ze nog niet dat Hij het is.
Hij brengt teveel vreugde in hun leven om Hem zo te laten gaan.
Hij legt hen zoveel uit over de Bijbel en over de weg die Christus is gegaan,
dat ze niet meer zonder deze uitleg willen.
Zoals Jezus dat tegen Zacheüs zei: Ik moet in je huis zijn,
zo zeggen de twee mensen in Emmaüs: Wij willen dat U in ons huis komt en blijft.
Ze dringen er stevig bij Hem op aan. Ze overreden Hem.
Ze willen niet tegengesproken worden: U kunt nu niet meer verder gaan.

Als Jezus binnenkomt in hun huis, neemt Hij de regie over.
Het is niet meer hun huis, waar Hij te gast is,
maar Hij is zelf de gastheer en zij zijn – in hun eigen huis – te gast bij Jezus.
Het is eigenlijk maar een gewone maaltijd, gewoon brood,
maar het wordt een bijzondere maaltijd, omdat Jezus bij hen in huis is.
Zijn aanwezigheid maakt hun gewone huis bijzonder.
Zijn handen die het brood breken maken dat deze maaltijd geen gewone maaltijd is,
maar een vieren van de opstanding van Christus.
Wordt hier in dit huis het heilig avondmaal gevierd?
Of zien we er dan teveel in?
Een reden om niet aan het avondmaal te denken is het ontbreken van de wijn.
Tegelijkertijd is de kern van deze maaltijd dat de opgestane Heer er is
En met hen beiden de maaltijd viert.
Elke keer als we avondmaal vieren is dat ook in aanwezigheid van de opgestane Heer.
Hij, onze Heer, gestorven, begraven en weer opgestaan is er dan bij
en Hij is dan de gastheer die ons het brood aanreikt, zoals Hij hier het brood deelt.
Hier zit Hij aan een gewone keukentafel
en het mooie is dat Hij zomaar bij u of bij jou aan de keukentafel kan zitten.
Hij liep mee onderweg.
Je kon je hart bij Hem uitstorten, je hart luchten bij Hem.
Je verdriet en je pijn, de teleurstelling aan Hem kwijt en Hij luisterde.
Hij vertelde ook hoe het zat, hoe God in jouw leven werkt
en zo schuift Hij bij jou aan aan de keukentafel of op de bank
om je te laten weten: Ik ben in je leven gekomen en vanaf nu wordt je hart van Mij.
Zonder dat je er bewust van bent
En dan gaan opeens je ogen open: je beseft dat Hij het is,
binnengekomen in je hart, ongemerkt.
Voor hen is dat bij het breken van het brood: een alledaagse gebeurtenis
eigenlijk niets bijzonders, maar wel bijzonder omdat Jezus de gastheer wordt
en de beide anderen gast worden in hun eigen huis.
Zo kun je zelf ook gast in je eigen leven worden, omdat Jezus voor jou het brood breekt
en het brood aanreikt, dat door Hem gezegend is.
In het evangelie van Lukas hebben de maaltijden waar Jezus aan deelneemt iets bijzonders:
in de meeste gevallen gaan degenen die aan de maaltijd deelnemen bij Jezus horen.
En dat zijn vaak niet degenen die hun leven op orde hebben.
Dat kunnen degenen zijn, die op een verkeerde manier leven.
Of hier degenen die maar moeilijk kunnen geloven dat Jezus is opgestaan.
Als herder zoekt Hij deze verloren schapen op en brengt hen thuis.
En hun thuis wordt Zijn thuis.
Al vertrekt Hij wel direct, het huis is voortaan gevuld met Zijn aanwezigheid.
Ze kunnen het nu verder zonder dat Jezus zichtbaar aanwezig is,
want in het geloof is Hij voortaan in hun huis en is hun huis Zijn huis geworden.

Dat heeft uitwerking op hen.
Allereerst in henzelf: ze begrijpen nu wat er onderweg is gebeurd.
Dat in het gesprek de woorden van Jezus een uitwerking op hen hadden.
Vreugde en geloof, Gods woord die voor je open gaat.
Je begrijpt wie God is, je begrijpt de weg die Hij met je gaat.
Hun houding verandert ook: in plaats weg te blijven bij de anderen
komen ze in beweging en gaan ze weer terug naar Jeruzalem.
Ze vonden het niet verstandig dat Jezus verder zou reizen, want het was avond.
Nu kunnen ze niet anders dan in het donker, als de nacht gevallen is,
alles weer bij elkaar rapen en hun broeders en zusters opzoeken.
Vreugde over God die in je leven komt wil je delen.
Je zoekt anderen op om met de vreugde die in jouw leven gekomen is
anderen weer te bemoedigen en anderen te helpen om te zien
hoe zij Christus kunnen ontmoeten en hoe hun hart kan open gaan voor Hem.
Christus laat zich zien, op de meest onverwachte momenten,
zelfs op de weg, waarop je nergens meer mee te maken wilt hebben
en de weg die bij Hem en Zijn gemeenschap vandaan ging,
wordt een weg waarop je Hem weer vindt, omdat Hij er komt en zich laat zien.
Amen

Preek Tweede Paasdag 2019

Preek Tweede Paasdag 2019
Schriftlezing: Lukas 24:13-35

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hem zagen ze niet
De weg naar Emmaüs is voor veel gelovigen bekend
en misschien hebt u die weg ook wel eens gelopen, van Jeruzalem naar Emmaüs.
Of loop jij op dit moment weg van Jeruzalem naar Emmaüs.
De weg naar Emmaüs ga je als je door teleurstellingen niet meer kunt geloven.
Je hebt er niet helemaal mee gebroken.
Je bent niet ongelovig geworden, maar het lukt niet meer om te geloven
omdat er iets gebeurde in je leven waardoor je teleurgesteld geraakt bent in God.
Voor Kleopas en zijn metgezel, die samen op weg gaan,
is de teleurstelling niet alleen dat Jezus gekruisigd werd en stierf en begraven was.
Dat had er al diep ingehakt en ontnam hen alle hoop.
Maar wat hen deed besluiten om de groep te verlaten en weer naar huis te gaan,
– misschien voorgoed afscheid van de groep van Jezus’ leerlingen –
was het verhaal waarmee de vrouwen kwamen aanzetten: dat Jezus was opgestaan.
In eerste instantie hadden alle aanwezigen meewarig gelachen: dat kan toch helemaal niet.
In de loop van de dag waren er echter meer berichten geweest
en begonnen anderen, die het eerst niet konden geloven, er toch van overtuigd te raken
dat er wat was gebeurd en zich begonnen af te vragen:
Zou het dan toch waar zijn dat Jezus opgestaan was uit de dood?
Dat was voor hen de druppel. Nu was het tijd om naar huis te gaan
en de anderen achter te laten. Dit konden ze niet aan.
Zo laten ze de gemeente in Jeruzalem achter en gaan ze hun eigen weg.
Het zijn kerkverlaters, die wel zouden willen geloven, maar het gewoonweg niet kunnen.
De teleurstelling is te diep, de berichten te ongeloofwaardig.
Daar houden ze het niet meer bij uit en gaan op weg naar hun eigen huis.

Onderweg praten ze hun teleurstelling en hun frustratie van zich af.
Met z’n tweeën spreken ze hun verbijstering erover uit,
dat de anderen de verhalen van die vrouwen toch lijken te gaan geloven.
Er klinkt verontwaardiging, boosheid in hun woorden door
en het is een heftig gesprek dat ze samen voeren,
zo heftig dat het de aandacht trekt van iemand anders die ook op die weg loopt.
Lukas vertelt er meteen bij, Wie die persoon is die mee gaat wandelen:
Het is de levende Heer, die opgestaan is uit de dood en zich hier aan hen laat zien.
Dat Jezus het is, kunnen ze echter niet zien.
Hun ogen zijn gevangen – te groot is de teleurstelling, te diep het verdriet.
Het verhaal van de Emmaüsgangers is een geliefd verhaal,
omdat het eerlijk is over de teleurstelling die ook gelovigen kan overvallen,
en niet verzwijgt dat het ook gelovigen kan overkomen, dat ze afhaken
omdat ze niet mee kunnen komen in de vreugde van Pasen,
zich buitenstaander voelen tussen al die anderen die de vreugde wel kennen.
Dat is niet de enige reden, waarom dit verhaal zo graag doorverteld wordt.
Ook omdat op die weg, waarop de teleurstelling de overhand heeft
en waarop je afhaken en niet meer mee kunnen komen Jezus zelf met hen mee loopt
met hen het gesprek aangaat, hen opzoekt in hun verdriet en teleurstelling,
zich aan hen voordoet als ze het geloof dreigen op te geven
en hen uitdaagt om te vertellen wat er in hun hart leeft.
Dit verhaal biedt hoop, want stel dat de opgestane Heer zo ook met jou of met u meeloopt
en aan jou vraagt: Wat is er nu gebeurd in je leven?
Vertel je verhaal eens aan Mij. Ik zal naar je luisteren.
Ik loop net zo lang mee, totdat je helemaal je verhaal gedaan hebt
en je al je teleurstellingen en pijn verteld hebt.
Hij zag je elk moment en telde elke traan.
Dat heb je wellicht niet door, dat de Heere in de hemel ook jouw verdriet en pijn kent.
Wellicht heb je eerder het gevoel dat je er alleen maar mee rondloopt
en het als een zware last meesjort, terwijl je zou willen dat de Heere je ziet
en je hebt het niet door, dat Hij al met je meeloopt en met je optrekt
en dat Hij het is, die naar de vragen luistert, die in je hart leven,
Die je voor je gevoel alleen maar aan jezelf stelt,
of hooguit deelt met iemand die je echt goed kent.
Heel je hart, al je pijn is bij Hem bekend.
Ga daarom maar het gesprek aan met Hem.
Omdat Hij van je hield gaf hij zijn eigen Zoon.
Hij wacht alleen nog maar totdat je komt.

[We luisteren naar: Nog voordat je bestond, kende Hij je naam]

O onverstandigen en tragen van hart!
Het is een heel verhaal wat Kleopas te vertellen heeft.
Eerst is hij verbijsterd dat hij deze man, die met hen mee gaat lopen,
moet vertellen wat er in Jeruzalem is gebeurd:
‘Bent u dan de enige vreemdeling in Jeruzalem?’
Soms is het te pijnlijk om het te vertellen en dat is het prettig als de ander het weet,
zodat je het niet uit de doeken hoeft te doen.
Maar als er iemand is, die oprecht luisteren wil, dan kun je je hart uitstorten
en dat is er ook wat er gebeurt met Kleopas.
Hij vertelt hoe bijzonder Jezus voor hem was:
een profeet waarin je de kracht van God kon merken.
Zowel God als het volk waren blij met wat hij deed.
Kleopas vertelt ook wat er fout is gegaan.
Hoe Jezus, ondanks dat Hij door God en de mensen geliefd werd,
een vernederende dood moest sterven, door middel van verraad en de dood aan het kruis
en hoe met de dood van Jezus alle hoop op het ingrijpen van God was vervlogen.
Nu Jezus gestorven is, zal er geen redding komen.
En wat moet er nu met hen en met het volk terecht komen?
Hij, Kleopas weet het niet meer.
Dat hij geen uitkomst meer ziet, geen hoop meer heeft,
Dat is nog niet eens het ergste.
Maar wat die vrouwen vertelden over het graf en Jezus die zou zijn opgestaan.
Maar ze hebben Jezus niet gezien. Hoe kunnen ze dan vertellen dat Jezus is opgestaan?
Dan is hij uitverteld. Zijn hele hart heeft hij kunnen luchten bij Jezus,
die met hem meeliep, zonder dat Kleopas door had
Dat hij de Heere Jezus informeerde over wat er met Jezus was gebeurd.

De reactie van Jezus op zijn verhaal had hij misschien niet verwacht.
Want in plaats van begrip en troost krijgt Kleopas met zijn metgezel te horen
dat het hen aan geloof ontbreekt, dat ze niet in staat zijn om te zien hoe God werkt.
Ondanks dat ze naar Jezus’  onderwijs geluisterd hebben, missen ze kennis over God
En hebben ze geen idee wat Zijn manier van werken in onze wereld is
En hun hart bevat niet het geloof om te kunnen begrijpen dat hier God aan het werk is.
Onverstandig en traag van hart zijn ze.
Daarmee bedoelt de Heere Jezus dat ze niet in staat zijn
om het onderwijs van Jezus op deze situatie kunnen betrekken.
Dat ze vergeten om de Bijbel er op na te slaan, om te zien wat Gods weg zou zijn.
Dat het zoveel tijd kost, dat hun hart open gaat voor het evangelie.
Dat hun hart er zo lang over doet om te geloven
En dat laat zien dat hun hart niet op Christus is georiënteerd.
Door het verdriet dat in hun leven gekomen is,
teleurstelling die hen zo diep geraakt heeft,

diep in het hart, hebben ze geen oog meer voor Gods werk
en missen ze de ogen van het geloof, waarmee ze Gods hand in het gebeuren zien.
Ze moeten dat gaan leren.
Ze moeten beseffen dat hier in de dood van Jezus en ook in Zijn opstanding
de Heere op een bijzondere manier aan het werk is.
Maar hoe leren ze dat?
Dat kunnen ze alleen maar leren door in de Bijbel te lezen
door daarin te zien hoe God zich bekend maakt, vertelt over Wie Hij is.
Ik ben die Ik ben, is Zijn naam waarmee Hij zich bekend maakte aan Mozes.
Verborgen aanwezig deelt U mijn bestaan.
Waar ik ben, bent U: wat een kostbaar geheim.
Als God zichzelf een naam geeft, Zijn naam bekend maakt,
heeft Hij een naam gekozen met een betekenis: Ik ben er, Ik zal er zijn – is de betekenis.
Of iets vrijer: Ik sta voor je klaar, Ik kom voor je op.
Het is het beeld dat God iets voor je doet, iets voor je bevecht, iets voor je regelt.
Maar wel op een bijzondere manier.
Gods weg is vaak niet de makkelijkste:
Jozef werd eerst in de put gegooid en raakte daarna in de gevangenis
Voor hij aan het hof van de farao mocht dienen als onderkoning.
Israël moest eeuwen in Egypte wonen en werd uiteindelijk als slaaf behandeld,
totdat het na een lange, moeilijke tijd van onderdrukking mocht uittrekken.
De reis in de woestijn duurde niet een jaar, maar 40 jaar.
Als God omwegen kiest om tot Zijn doel te komen
– en de voorbeelden uit het Oude Testament zijn aan te vullen –
waarom zou de Messias dan rechtstreeks naar de hemel gaan
zonder de weg naar het kruis te nemen, zonder de dood in te gaan.
Weten jullie dan niet dat dit Gods plan was, dat dit moest gebeuren?
Hoe kan Gods naam anders HEERE zijn? Ik ben die Ik ben,
als Hij er niet is in de diepte waarin jullie je bevinden.
Hoe kan Hij je bevrijden uit de gevangenis en de slavernij van de zonde
Als Hij die weg niet genomen had?

‘Ik ben die Ik ben’ is uw eeuwige naam.
Onnoembaar aanwezig deelt U mijn bestaan.
Hoe adembenemend, ontroerend dichtbij:
uw naam is ‘Ik ben’, en ‘Ik zal er zijn’.

[We luisteren naar – ‘Ik zal er zijn’, SELA]

Was ons hart niet brandende in ons?
Dit lied Ik zal er zijn heb ik al enkele keren meegemaakt tijdens een dienst
Waarin we afscheid moesten nemen, van iemand die overleden was.

In tijden van vreugde, maar ook van verdriet,
ben ik bij U veilig, U die mij ziet.

De toekomst is zeker, ja eindeloos goed.
Als ik eens moet sterven, als ik U ontmoet:
dan droogt U mijn tranen, U noemt zelfs mijn naam.
U blijft bij mij Jezus, laat mij niet gaan.

Als Kleopas en zijn metgezel zo in gesprek raken over de weg die God gaat,

Waarover al verteld wordt in het Oude Testament, gebeurt er bij hen iets.
Er wordt een verlangen geboren.
Als het al in de Bijbel staat, dan zou het wel eens waar kunnen zijn.
Als daar staat, dat de weg van Christus niet een mooie weg omhoog is,
maar een omweg, waarop Hij moet lijden, dan zou het wel eens waar kunnen zijn.
Als de weg van Jezus past in de weg die Jozef ging
en die Mozes ging,
als het paste bij de weg die zijn verre voorvader David moest gaan,
Toen hij op de vlucht was voor koning Saul en moest vrezen voor zijn leven,
dan is het niet vreemd als de Messias, die door God gestuurd is, de dood in ging.
dan moest dat wel gebeuren voor Hij de hemelse heerlijkheid in ging.

 

 

Hoe dichter ze bij Emmaüs komen, hoe meer de vreugde in hun hart komt.
Hoe dichter ze bij huis komen, hoe meer er geloof in hun hart komt.
De traagheid verdwijnt uit hun hart en ze worden steeds enthousiaster.
Zou het dan toch?
Zonder dat ze het weten, wordt de weg naar Emmaüs, de weg van twijfel,
De weg waarop ze afhaakten veranderd in een weg van geloof,
omdat Christus er zelf op meeloopt.
En in hun hart begint het langzaam aan te zingen.
Het is waar: onze Heer leeft. Hij is waarlijk opgestaan.
Nog steeds zien ze Hem niet en dat het in hen verandert hebben ze nog niet door.
Achteraf, als Jezus vertrokken is, nadat ze Hem hebben herkend,
geven ze aan dat er toen een verlangen in hen gewekt is,
een vuur dat brandt, het vuur van het geloof, dat niet meer dooft,
omdat het door de Heer zelf was aangestoken.
Was ons hart niet brandend in ons?

Gij hebt mijn weeklacht en geschrei
veranderd in een blijde rei !
Mijn rouwkleed hebt Gij weggedaan,
uw vreugdekleed deedt Gij mij aan,
dat ik zou zingen tot uw ere
in eeuwigheid, mijn God, mijn Heere !

Loop jij nog op de weg naar Emmaüs? Zie je dan niet dat Jezus met je mee loopt
om te horen wat er in jouw hart leeft
En om jou te vertellen hoe Hij er is in jouw leven
om jou het geloof te geven, het verlangen in jouw hart te wekken
om meer over Hem te weten te komen, om Hem meer te zien en te ervaren,
zodat ook in jouw hart het vuur van het geloof gaat branden.
Amen

Preek Eerste Paasdag 2019

Preek Eerste Paasdag 2019
Schriftlezing: Lukas 24:1-12.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de verhalen die Lukas ons vertelt gaat het er niet alleen om dat Jezus is opgestaan,
maar gaat het er ook om dat ook wij de opgestane Heer kunnen vinden.
Lukas gebruikt hier enkele woorden, die hij vaak in zijn evangelie gebruikt
en voor hem dus blijkbaar belangrijke woorden zijn: zoeken en vinden.
Nu is bij ons de volgorde vaak dat je eerst gaat zoeken en dat je daarna vindt.
Je bent iets kwijt, wat je nodig hebt en je gaat op zoek, totdat je het vindt.
Lukas vertelt daarover de verhalen van een herder die een van schapen mist
En op zoek gaat om dat schaap te vinden.
Of die vrouw, die een penning kwijt is: ze zoekt net zo lang tot ze vindt.
Je bent iets kwijt en dan ga je op zoek.
Bij de opstanding gaat het echter net andersom: de vrouwen vinden iets
en daardoor moeten ze op zoek.
Ze zijn helemaal niets kwijt, want ze weten waar Jezus is.
Althans dat denken ze te weten:
ze waren erbij toen Jozef van Arimathea het lichaam van Jezus van het kruis haalde
en volgden Jozef toen Hij met het lichaam van Jezus naar het graf ging
en zagen met eigen ogen hoe het lichaam van Jezus in dat graf werd gelegd.
Daar gaan ze nu naar toe, nu ze een dag hebben gewacht, omdat het sabbat was
En ze niet bij het graf terecht konden, omdat de sabbat een dag van rust was,
Een dag voor God.
Maar als ze bij het graf komen, vinden ze iets, waardoor ze alsnog moeten zoeken.
Het is de omgekeerde wereld, omdat God met de opstanding van Christus alles omkeert.
Ze vinden en daardoor moeten ze alsnog op zoek.
Als ze aankomen, vinden ze niet wat nog in hun gedachten was,
de plek zoals ze daar tijdens de hele sabbat aan hebben zitten denken.
Ze treffen de situatie zo aan dat de steen van het graf is weggerold.
Ze vonden de steen afgewenteld van het graf, zegt Lukas
en gebruikt daarmee het woord, waarmee hij wil laten weten
dat God naar ons op zoek is en ons vindt.
Maar als de vrouwen vinden, moeten zij op zoek.
Als ze de steen vinden, moeten ze op zoek naar het lichaam van Christus
En het wordt nog erger, want het lichaam is hier niet,
zoals de engelen tegen de vrouwen zeggen.
Het lichaam is kwijt – weg – en daarom moeten ze op zoek.
Het is de omgekeerde weg van God: God zoekt en vindt.
Als het om God gaat, is het voor ons mensen net omgekeerd:
We vinden iets, waardoor alles in een nieuw licht komt te staan
en blijken daarmee God te missen en moeten op zoek naar Christus
tot wij Hem vinden – en Hem net als de vrouwen kunnen ontmoeten als de levende Heer.
Ik denk dat Lukas in de verhalen over de opstanding die hij in zijn evangelie ons wil leren
over hoe Christus in ons leven komt.
Hoe wij nu vandaag de dag de levende Heer kunnen ontmoeten.
Dat begint dat met het vinden van een situatie, die voor onverwacht is,
Waar je niet op gerekend hebt en waardoor de schrik je om het hart slaat
omdat je beseft: Ik ben mijn Heer kwijt. Hij is hier niet!
Je had het kunnen weten, dat Hij hier niet is,
maar omdat je niet scherp genoeg bent geweest op de signalen van God
die vertellen waar Hij wel is, ben je Hem uit het oog verloren,
Terwijl je denkt dat Hij nog bij je is, is Hij er niet meer.
Het begint al als de vrouwen Jozef met de dode Jezus volgen
en ze denken dat Jezus naar Zijn laatste rustplaats op aarde wordt gebracht.
Nu Hij gestorven is en begraven, willen ze Zijn lichaam de laatste eer bewijzen.
Ze denken niet meer aan wat Jezus vertelde over dat Hij zou sterven
en daarbij ook aangaf dat Hij weer zou opstaan uit de dood.
Elke keer als ik dat lees, ook nu weer, vraag ik me af:
Hoe hebben ze dat kunnen vergeten,
dat Jezus zowel Zijn dood als opstanding had aangekondigd?
Wat de dood aan het kruis zo’n ingrijpende gebeurtenis,
Waardoor alle geloof dat ze in Jezus hadden in één klap onderuit ging?
Zou ons dat ook kunnen overkomen?
Je kent de verhalen dat Jezus is opgestaan en je gelooft dat.
Maar opeens is er iets, waardoor je dat geloof kwijt bent.
Je kunt alleen nog maar aan vroeger denken.
Psalm 42 heeft dat ook: vroeger ging ik mee met de menigte die vol vreugde was
en kon feestvieren, omdat ze God bij zich wisten,
maar nu, nu ben ik op een afstand en ik heb heimwee naar die tijd, dat ik bij God was:
Kon ik dat nog maar weer meemaken!
Ook de vrouwen bij het graf kunnen alleen nog maar aan vroeger denken:
De goede tijd dat ze veel van Jezus leerden.
Nu kunnen ze alleen nog maar een dode Jezus in ere houden
en dat willen ze doen: met specerijen en mirre
om het lichaam van Jezus zolang mogelijk in goede staat te houden.
Ze maken de specerijen en mirre klaar, maar kunnen niet naar het graf,
omdat het sabbat is.
Ook dat is weer een aanwijzing van God dat Hij er is,
want de sabbat is er om Gods daden te gedenken,
om erbij stil te staan hoe Hij de schepping gemaakt heeft:
op de 7de dag om te rusten van de schepping.
Om te vieren hoe ze uit Egypte zijn bevrijd: geen slaaf meer,
maar door Gods krachtige hand uitgeleid en nu vrije mensen.
Voor de vrouwen zal de dag van de sabbat vooral een dag zijn,
waarop ze niet naar het graf kunnen, omdat Gods  regels houden hen tegenhouden.
En er is haast bij, want als het lichaam niet gauw behandeld wordt,
Zal het lichaam vergaan.
Ze staan er niet bij stil dat ze goed voor een dode Jezus willen zorgen,
terwijl God al bezig is om Hem op te wekken.
Voor hen telt alleen de werkelijkheid dat Jezus dood is.
Dat God in staat is om alles nieuw te maken, opnieuw te handelen,
te komen met Zijn macht en majesteit – de sabbat was bedoeld om dat te overdenken
– de vrouwen staan daar niet bij stil en wachten tot de sabbat voorbij is
en op z’n allervroegst, wanneer de dag nog maar amper begonnen is, gaan ze.
Ze zitten nog bij de situatie, zoals ze die achtergelaten hadden.
Wat ze vergeten zijn, is dat in de tussentijd God ook kan werken.
Ik begrijp wel waarom ze dat vergeten zijn,
want wie houdt er nu rekening mee na een begrafenis
Dat degene die je weggebracht hebt weer zal opstaan uit de dood.
Daar is de dood te werkelijk voor. De dood is het einde van het aards bestaan.
Het is ook geen beter weten van Lukas als hij ons doorverteld
dat de vrouwen hadden kunnen weten dat Jezus zou opstaan.
Er klinkt wel een verwijt aan de vrouwen, uitgesproken door de engel.
Maar dat verwijt is voor ons bedoeld.
Hij wil tegen ons zeggen: betrek elke situatie op God
en houd rekening mee, dat God kan ingrijpen,
de hele situatie kan omkeren, zoals Hij Jezus uit de dood riep
en terugbracht in het leven.
Want Lukas tekent met de weg die de vrouwen gaan de weg voor ons,
Waardoor wij tot geloof kunnen komen:
De start van de weg naar het geloof kan beginnen op het moment dat je God niet kent.
Maar kan ook beginnen op het moment, dat je er geen rekening mee houdt
dat God iets kan doen. Dat je dat geloof hebt opgegeven.
De situatie is zoals je die achtergelaten hebt.
Wat je achtergelaten hebt, is een zieke man op een ziekenzaal in het ziekenhuis.
En voor jouw idee blijft het zoals je het de laatste keer achterliet.
Wat je achtergelaten hebt, is de crisis van je huwelijk
en je ziet niet meer dat het goed kan komen.
Of je denkt dat God niets met je te maken wilt hebben, dat jij niet bij Hem kunt horen.
De situatie is zoals hij is en er is niemand die het verandert.
Ben je dan niet net als de vrouwen die naar het graf gaan om een dode Jezus te vereren?
En als je dan iets aantreft dat je niet verwacht,
duidt je dat niet als een signaal dat God bezig is, dat God Zijn Zoon riep uit het graf,
maar is er schrik, paniek, je moet zoeken, omdat er iets niet klopt.
Voor de vrouwen is het paniek: waar is het lichaam van Jezus gebleven?
Hij zou hier toch moeten zijn? Ze hebben dat toch zelf gezien dat Hij hier neergelegd werd?
Maar hoe ze zoeken, ze vinden niet.
Ook hier is er de omgekeerde weg van God.
Als Hij naar ons op zoek gaat, vindt Hij ons, maar de vrouwen zoeken maar vinden niet.
Omdat ze Jezus zoeken tussen de doden.
Ze zoeken op een plek waar Jezus niet is en daarom vinden ze Hem niet.
Het zijn de engelen die het hen bekend maken dat ze op de verkeerde plek zoeken.
De vraag kan uitgesproken zijn met een verwijt in de stem:
Je had hier helemaal niet moeten zoeken. Je had beter kunnen weten.
De engelen kunnen de vraag ook met een glimlach hebben uitgesproken:
Hier zul je Hem niet vinden, want je zoekt op de verkeerde plaats.
Je gaat er nog vanuit dat Jezus dood is. Maar Hij is hier niet.
Juist dat ze Jezus niet vinden is evangelie.
Meestal is als je iets niet vindt, geen goed nieuws,
Want dan ben je iets kwijt en hoe langer je iets kwijt bent,
hoe kleiner de kans dat je dat wat je kwijt bent nog terugvindt.
Maar de vrouwen zijn alleen een dode Jezus kwijt,
maar dat is goed nieuws, want er is iets gebeurd:
God heeft ingegrepen. Hij heeft Zijn Zoon opgewekt.
Net zoals een ouder een kind roept, omdat het op moet staan,
tijd om uit bed te komen, zo heeft God Zijn Zoon geroepen uit het graf.
Tijd om uit het graf te komen. Opstaan!
Dat is de volgende stap in de weg van het geloof.
De vrouwen begonnen met een verkeerde Jezus en raakten die Jezus kwijt
en moeten zoeken.
Ze vinden Hem weer terug door de woorden van de engelen.
Nu zullen er hier niet in de kerk zoveel zijn die ook door een engel zijn gaan geloven.
Dat kan overigens wel, maar hoeft niet.
Het gaat om de woorden, die tegen je gezegd worden.
Dat kan inderdaad door een engel.
Het kan ook door wat je in een preek hoort, of een ouderling tijdens huisbezoek zegt.
Een meester of juffrouw op school over de Heere Jezus vertelt
of wat je onderling met elkaar deelt.
Dat je het vertelt en tegen elkaar zegt: Weet je dat niet meer dat Jezus is opgestaan?
Ben je dat vergeten?
Ben je vergeten dat de dood niet het laatste is?
Ben je vergeten dat Jezus de dood heeft overwonnen?
Ben je vergeten wat Gods plan was? Met deze wereld? Met jouw leven?
De volgende stap is geloof:
Ik denk dat in de meeste gevallen het geloof niet zo snel komt als bij deze vrouwen
en dat je vaak nog moet zoeken, zoals de vrouwen dat doet op een plek waar Jezus niet is.
En dat er iemand tegen je moet zeggen: Hij is hier niet! Hij is opgewekt!
God is aan het werk geweest.
Wat zoek je de Levende bij de doden?
Je moet op een andere plek zoeken, een plek waar je rekening houdt met God.
Waar zouden wij moeten zoeken als we Jezus willen vinden?
Voor Lukas is dat waar de woorden over Jezus klinken
of waar het sterven en opstaan van Christus wordt gevierd.
In de kerkdienst, bij het avondmaal, als je voor jezelf de Bijbel opendoet,
als je met elkaar over Christus praat, als er een Bijbelverhaal verteld wordt,
als je in jezelf nadenkt over Hem.
Dat zijn allemaal momenten dat je Christus kunt ontmoeten.
Maar het is niet makkelijk om op die woorden af te gaan.
Als de vrouwen de woorden van de engelen doorgeven,
wordt dat afgedaan als kletspraat – jullie hebben iets in je hoofd gehaald.
Het is in je bol geslagen.
Zo wordt er dus op het goede nieuws gereageerd.
Zelfs voor de volgelingen van Jezus is het moeilijk om de opstanding aan te nemen.
Zij moeten de weg van het geloof nog lopen.
Zij zitten nog in de fase waarin de vrouwen die dag begonnen.
Ongeloof wordt vaak maar moeilijk doorbroken.
Vaak is het veel makkelijker om te geloven dat het is zoals het is.
Ze halen hun schouders op.
Behalve één, die Jezus al was kwijtgeraakt:
Petrus, die Jezus kwijtraakte toen Hij Jezus verloochende.
Juist bij hem wordt er iets geraakt, waardoor hij gaat zoeken.
Hij vindt nog niet, maar denkt er wel over na.
Ook dat kan een eerste stap zijn in het vinden van Jezus:
Verwondering: er is iets gebeurd. Je begrijpt het nog niet,
maar je komt er toch niet los van.
Hij staat in het lege graf en ziet de doeken liggen.
Nee, Jezus is er inderdaad niet
– Hij vindt Jezus ook niet. Jezus zal hem vinden.
Zo gaat het vaak: Als je denkt te vinden, blijk je te moeten zoeken.
Maar als je niet kunt vinden, dan wordt je gevonden.
Dan vindt de Herder je. Dat is een troostvolle gedachte.
Amen

Preek zondagavond 9 september 2018

Preek zondagavond 9 september 2018
Nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u zichzelf wel eens als heilige gezien?
Ik denk dat niemand zo over zichzelf denkt,
ook niet degenen die vanmorgen aan het avondmaal zijn aangegaan.
Of misschien u juist dan niet, omdat u uzelf zondaar weet
en de genade van Christus nodig hebt, vergeving van zonden.
Als ik zou vragen of u uzelf als zondaar ziet,
dan zou het antwoord eerder instemmend zijn,
of omdat u dat herkent bij uzelf,
of omdat u dat zo vaak gehoord hebt dat u dat bent, dat u dat met moet geloven.

Paulus spreekt de gemeente in Korinthe wel zo aan:
De gemeente is gemeente van God,
dus niet zomaar een groep mensen, maar een groep bij elkaar gebracht door God,
waarin Hij met Zijn Geest werkt, vrijgekocht door het bloed van Christus,
apart gezet om voor Hem te leven.
Een gemeente van mensen die niet van zichzelf zijn, maar van God.
Een gemeente van heiligen – aan de heiligen in Achaje.
Kun je dat wel van een gemeente zeggen,
van de gemeente van toen in Korinthe en van Oldebroek nu,
een gemeente van God, heiligen in Achaje, in de omgeving van Oldebroek?
Zijn er niet onder ons die te weinig serieus geloven en er te weinig werk van maken?
In het verleden lag het ook gevoelig.
Toen ds. Noordegraaf hier in de jaren-’60 predikant werd,
kreeg hij ook met kritiek te maken toen hij zijn preek begon met: ‘Gemeente van Christus’.
Ad rem als hij altijd was, zei hij: ‘Ik kan toch moeilijk zeggen: “Gemeente des duivels”?’
De gemeente aanspreken als gemeente van God, of als gemeente van Christus
is een lofzang – niet zozeer op de gemeente zelf, maar op God,
de God die deze gemeente uitgekozen heeft, bij elkaar gebracht heeft en onderhoudt.
Wat de gemeente is, dat heeft de gemeente alleen maar aan God te danken,
de Vader van alle barmhartigheid, de God van alle vertroosting,
de Vader van onze Heere Jezus Christus.
Als u als gemeente van Christus aangesproken wordt,
is dat allereerst een dank aan de Heere:
Dank U, dat U Uw Zoon naar deze wereld zond, de dood in, om onze schuld te dragen.
Dank U wel, dat U hebt bent, die ons bij elkaar brengt
naar ons toe komt en ons aanspreekt, in ons midden wil zijn, onze God! mijn Vader!
Als de gemeente aangesproken wordt als gemeente van onze Heere Jezus Christus,
dan is dat ook een herinnering aan wat u bent, hoe jij hier zit.
Je bent hier, omdat God in je leven werkt, omdat Christus voor jou gestorven is,
omdat de Heilige Geest met jou bezig is, om in jouw hart te werken,
zodat jij ook gaat geloven in God, zodat je ook gaat beseffen: Ik hoor bij Hem.
Om zichtbaar te maken dat we gemeente van Christus zijn, wordt het avondmaal gevierd.
De tafel voor in de kerk een gewone tafel met gewone lakens er op,
wel met bijzondere schalen en bijzondere bekers,
en tegelijkertijd is het de tafel van Christus,
De koster heeft alles klaar gezet en toch: Christus is de gastheer.
Hij is aanwezig, Hij nodigt u, Hij reikt aan jou het brood aan en de wijn krijg je van Hem.
Met brood en wijn geeft Hij zichzelf: als herinnering aan wat Hij deed op Golgotha,
maar ook als bevestiging dat je nog steeds van Hem bent,
ondanks je fouten en tekortschieten, dat Hij je niet loslaat, al maak je er weinig van.
Hij reinigt je en begint met jou opnieuw.
Daarom: gemeente van God, daarom: heilig.
Je bent heilig.

Dat is niet om je een extra status te geven,
maar is bedoeld om je te laten weten: God is met je bezig.
Hij verandert je. Hij vergeeft en reinigt je van je zonden.
Heilig betekent: de Geest is in jou aan het werk, met jou aan de slag.
Heilig, dat betekent, zoals het avondmaalsformulier dat zegt,
dat je de waardigheid die je nodig hebt om bij Christus te komen aan tafel,
dat je die waardigheid ontvangt.
Die hebben we niet van onszelf.
Naar het avondmaal gaan is niet laten zien, hoe goed je het doet als gelovige,
nee, dat we daar kunnen zitten hebben we alleen aan Hem te danken.
We krijgen die waardigheid geschonken om het brood te mogen eten
en de wijn te kunnen drinken.
Als u vanmorgen niet kon aangaan, moet u dat eens voor uzelf bedenken.
De plek daar aan de tafel en de mogelijkheid om aan te gaan,
wordt u door Christus zelf aangeboden. Het is voor u betaald!
Maar misschien hebt u in de bank gezeten en gekeken en in uw hart meegedaan.
Of hebt u thuis bij de kerkradio de dienst gevolgd.
Soms hoor ik dat thuis op een eigen manier avondmaal meegevierd wordt.
De waardigheid om het avondmaal te vieren gaat niet pas in werking
als u naar voren loopt en aan de tafel aanschuift en brood pakt en wijn drinkt.
Nee, de waardigheid is er omdat Christus zichzelf gegeven heeft.
Vanaf het kruis op Golgotha stond wordt de waardigheid aangeboden.
U hoeft er alleen maar gebruik van te maken.
De enige voorwaarde is, dat u gelooft dat het ook voor u is,
maar dat betekent niets anders dan de waardigheid aannemen,
dat betekent niets anders dan u zichzelf door Christus met heiligheid te bekleden,
dat is niets anders dan accepteren dat de Geest ook met jou aan de slag is.

De gemeente waar Paulus aan schreef, daar in de havenstad Korinthe,
was echt niet de ideale gemeente, zodat ze van zichzelf konden zeggen
wij zijn nu echt het voorbeeld van hoe een gemeente van Christus moet zijn,
nee, ik denk dat ze zelf ook wel verbaasd waren dat Paulus hen aansprak
als gemeente van God, gemeenschap van heiligen.
Want ze hadden van Paulus gehoord dat er nogal wat aan te merken was
op hun geloof, te weinig vertrouwen in de opstanding van Christus.
op hun levenswandel, onder andere doordat een gemeentelid een relatie onderhield
die binnen een gemeente van God niet te accepteren was.
op hun omgang met elkaar, waar de liefde soms ver te zoeken was.
En toch: gemeente van God. En toch: heiligen in Achaje.
Dat bent u als gemeente en als gelovige ook: van God en heilig.
Niet om uzelf op de borst te kloppen: dat hebben we nu zelf bereikt,
nee: het is gegeven, niet omdat u, jij of ik daar recht op heb, niet zelf verdiend,
maar omdat Christus aan het kruis ging en onze schuld droeg
en het goed gemaakt is – verzoend met God: de breuk die er was, is geheeld.
Je bent weer van God en omdat God heilig is, wordt je ook weer heilig – heilig gemaakt.
Dat is een van de weldaden, waar het formulier over spreekt: gerechtigheid.
We ontvangen de gerechtigheid, die van Christus is.
Al blijft dat hier op aarde een proces, een werk dat nooit af is.
Zolang we hier op aarde zijn, heeft de Geest aan ons werk
om ons heilig te maken en heilig te houden.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan leggen we het aardse leven af
En ontvangen we een nieuw lichaam, een eeuwig lichaam, verheerlijkt,
bekleed met de heerlijkheid die Christus heeft en van Christus komt.
Ook weer zo’n weldaad van Christus, waar het formulier over spreekt.

 

Zover is het nog niet.
Moet je al verlangen naar een leven in heerlijkheid?
In de brief aan de Filippenzen schrijft Paulus: als ik leef, leef ik voor Christus,
en als ik sterf ga ik er alleen maar op vooruit, dat is voor mij winst.
Hij zou daar al willen zijn, daar bij Christus in Zijn heerlijkheid,
maar beseft dat hij dan de gemeente op aarde moet achterlaten
en zolang hij op aarde is, kan hij de gemeente dienen, het geloof versterken, bemoedigen.


Zo’n sterk geloof heeft Paulus niet altijd gehad.
In de verzen die we leven, kunnen we opmaken dat Paulus door een diepe crisis is gegaan.
We baden vanmorgen, voordat we het avondmaal vierden:
Schenk ons ook Uw genade dat wij getroost ons kruis op ons nemen

Als we ons kruis hebben te dragen, dan hebben we die troost nodig.
Alleen kunnen we het niet.
Voor de een is kruis dat gedragen moet worden dat je ziek geworden bent,
voor een ander ruzie en verdeeldheid binnen het gezin,
of de zorg die je hebt voor je man of vrouw,
Kruis dragen is een weg die God met je gaat, die je niet begrijpt en die veel kost,
een weg die je alleen met Gods kracht kunt gaan,
getroost door de Vader, de God van alle vertroosting.
In mijn jeugd hoorde ik een keer een preek, volgens mij ook over deze brief.
Het thema was: Maximaal laadvermogen.
En de preek ging erover, dat de Heere nooit een last op je legt die je niet kan dragen.
Hij overbelast je niet. Hij overvraagt je niet.
Paulus zal dat, na de ervaring die hij heeft gehad, niet meer nazeggen.
Hij overzag het niet meer. Hij dacht dat hij het niet meer zou overleven.
Hij kon het niet meer aan en al het vertrouwen dat hij had was hij kwijt.
Het is niet helemaal duidelijk of Paulus hier verwijst
naar een van de keren dat hij in de gevangenis zat
en dacht dat het vonnis uitgesproken was en dat hij ter dood veroordeeld was,
of dat we moeten denken aan een ingrijpende ziekte, die hij maar net overleefde.
Toen hij weer verder mocht leven, uit de gevangenis kwam of herstelde van zijn ziekte,
ontdekte hij dat hij gedragen was.
Hij mocht weer verder leven: leven in genadetijd.
Hij was als het ware uit de dood opgestaan
en dat hij weer mocht verder leven, dat de Heere met hem verder wilde,
heeft hem iets geleerd en dat heeft hem enorm in zijn geloof gesterkt:
God wekt de doden op.
Al had ik het niet overleefd, ik was in goede handen,
dan zal mijn toekomst alleen maar beter zijn.
Ik hoor dat familieleden nog wel eens zeggen, als ze waken
bij hun man of vrouw, bij hun vader of moeder: hij, zij kan er alleen maar op vooruitgaan.
Als mijn vader beter wordt, is dat een zegen van de Heere, tijd die geschonken wordt,
maar als hij het niet haalt, als zijn tijd is aangebroken om te gaan,
dan gaat hij naar een plek waar het beter is dan hier, waar geen pijn is, geen verdriet,
bovenal waar de Heere is.
Wat hij geleerd heeft, geeft Paulus aan de gemeente door:
We moeten leren om ons leven uit handen geven.
Dat Jezus is gestorven aan het kruis en daarna uit het graf is gekomen,
dat is niet alleen maar een mooi verhaal,
maar dat zegt ook iets over onszelf.
In de brief aan de gemeente in Rome, die hij waarschijnlijk later schreef,
Zal hij geloven ook omschrijven als sterven met Christus en opstaan met Hem.
We zijn verbonden met Christus.
Als je als gelovige het moeilijk hebt, een kruis hebt te dragen,
verbindt je dat met de Heere Jezus die ook een kruis droeg.
Kruis dragen betekent niet dat God je losgelaten heeft.
Dat je het allemaal niet meer begrijpt en dat je niets meer van God hoort,
dat betekent nog niet dat de Heere Zich terug getrokken heeft.
Het kan ook zijn dat Hij je wil leren om echt op Hem te vertrouwen,
om je leven in Zijn hand te leggen,
dat je zegt: wat er ook komt – mijn leven is in goede handen.
Als ik er morgen niet meer ben, dan hoef ik niet bang te zijn,
hoef ik niet in paniek te raken en te denken dat ik heel wat zal mislopen.
God wekt de doden op.
De dood is voor ons een macht waar we niet tegen op kunnen,
waar je ook bang voor mag zijn, het is de laatste vijand,
maar je mag ook weten dat die laatste vijand verslagen is door Christus.
Er is er Eén die bestuurt.
Paulus past dat ook toe op de gemeente: je kunt als gemeente een moeilijke tijd doormaken.
Een tijd met veel overlijdens, of een tijd waarin mensen afhaken,
een tijd waarin je weinig ambtsdragers kunt vinden en weinig vrijwilligers beschikbaar zijn,
dat het allemaal doods is, dat je verlangt naar een opleving
maar dat je het niet meer verwacht van deze gemeente, omdat het leven helemaal weg is.
Vertrouw niet op je eigen kracht, verwacht het ook niet van mensen,
maar vertrouw op de Heere, geloof dat Hij de doden opwekt
en ook een doodse gemeente tot leven kan wekken.

Het kan zijn dat je nu geen kruis te dragen hebt.
Wat heeft dit gedeelte je dan te zeggen?
Dat je je voorbereid bent voor het moment dat de tegenslag, de crisis wel komt.
Laat je je daar niet door overvallen.
In de vorige gemeente zat een jongen bij de marine.
Hij werd voorbereid op een oorlog, om dan als soldaat ons land te verdedigen.
Dan was hij weer een aantal weken niet in de kerk en op catechisatie
en vertelde hijzelf of zijn moeder dat hij naar Noorwegen was voor oefening.
Oefenen in de kou, om te leren om in moeilijke omstandigheden paraat te zijn
en de opdracht te kunnen uitvoeren.
Zo moeten we als christen ook voorbereid zijn,
je in een goede tijd voorbereiden op de tijd dat je geloof onder druk komt te staan.
Steeds vaker ging deze jongen op training en steeds zwaarder werd de opleiding.
Hij wilde een training gaan doen die nog specialer zou zijn
dan de trainig voor marinier al was.
Hij kreeg echter een ongeluk waarbij zijn duim verbrijzeld werd.
De nog zwaardere training mocht hij niet meer doen
en hij moest binnen defensie zelfs naar een andere functie omkijken
en liet zich omscholen en ging de medische tak in.
Wij kunnen ons voorbereiden, maar als de crisis komt, als aan ons geloof geschud wordt,
kan het zijn dat ondanks al je voorbereidingen je toch onderuit gaat.
Dan worden we niet afgekeurd of afgedankt.
Hij weet wat maaksel we zijn, dat we stof zijn – zongen we vanmorgen.
God vraagt van ons niet dat we helden zijn, die boven onszelf uitstijgen
En meer kunnen leveren dan we van tevoren hadden gedacht.
Nee, Hij vraagt geen helden.
Alleen gelovigen die bereid zijn zich te laten troosten, die de troost aannemen,
die niet naar zichzelf kijken en hun eigen kracht of zwakheid,
maar alleen maar kunnen denken aan Christus
en die daaraan genoeg hebben
en weten: Hij is niet alleen gestorven voor mij, maar ook voor mij opgewekt.
Wat er ook met mij gebeurt – Hij zal ook mij opwekken.
Of dat nu overeind helpen is als je na een crisis onderuit gaat
of overeind helpen uit het graf. Gij geeft ons vrede, vergeving van zonden,en uw nabijheid, die sterkt en die leidt: Kracht voor vandaag, blijde hoop voor de toekomst. Gij geeft het leven tot in eeuwigheid.Amen

Preek zondagmorgen 15 april 2018

Preek zondagmorgen 15 april 2018
Openbaring 13

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ik zag …
Het is niet alledaags wat Johannes te zien krijgt:
Een beest, een monster dat oprijst uit de zee,
een beest dat op een panter lijkt, met poten van een beer, een bek van een leeuw.
Een draak die die aan dit beest de macht geeft.
Als het een film was, zou het op op zijn minst 12+ krijgen
vanwege de spanning en de dreiging,
of misschien zou het hele boek Openbaring wel vallen in de categorie horror.

Een aantal jaren geleden volgden wij met ons gezin een bijbelrooster
dat was opgesteld door het Nederlands Bijbelgenootschap.
Zes weken lang was het de bedoeling om Openbaring te lezen,
Van het begin tot het einde.
Halverwege zijn we met dit rooster gestopt, omdat er sprake was
van zoveel rampen die over de aarde komen,
een derde deel van de wereld verwoest, een derde deel van de mensen gedood.
Dat zal een reden kunnen zijn, waarom u dit Bijbelboek maar liever niet opendoet.
En als je dan toch doorleest, kom je heel wat tegen wat je niet zomaar begrijpt.
Daardoor kun je dit Bijbelboek links laten liggen.
In de afgelopen jaren heb ik uit Openbaring gepreekt,
maar dat waren altijd de wat meer begrijpelijke delen van dit Bijbelboek
en met een grote boog ben ik om die moeilijkere gedeelten heengegaan.
Als er een tijd is om dit Bijbelboek te lezen, is dat de tijd na Pasen,
want Johannes moet zijn visioenen aan de gemeente doorgeven,
om de gelovigen te leren wat het voor hun leven, voor hun concrete situatie betekent,
dat Jezus is gestorven aan het kruis en is opgestaan uit de dood.
Wat betekent het voor ons eigen leven, wat betekent het voor de wereld waarin wij leven,
dat Christus uit de dood is opgestaan, nu leeft, in de hemel is
en vandaar uit de hemel over ons regeert?
Het Bijbelboek Openbaring wil ons die geloven in Christus dat aan ons leren,
dat we dat bij alles wat ons overkomt, elke nieuwe gebeurtenis die ons overkomt,
dat we dat blijven geloven: in de hemel is Christus,
Hij regeert, Hij waakt over de kerk en mijn leven is in Zijn hand geborgen.

Dat doet Hij ook, als dat er niet op lijkt.
Als je woont in Syrië, waar geen einde aan de oorlog lijkt te komen,
en de manier waarop de oorlog wordt uitgevochten steeds weer onmenselijk is,
er zoveel strijdende partijen zijn, zodat je niet meer weet wie je moet steunen.
Als je woont in Jemen, waar ook net zo’n wrede oorlog is, in de armoede van Venezuela.
Als je opgesloten zit in de werkkampen van Noord-Korea,
in Ravensbrück, Mauthausen of Auschwitz.
Steeds weer blijken mensen voor elkaar de aarde in een hel te kunnen veranderen.
Juist dan, als je daar middenin zit, is het niet altijd makkelijk om te geloven,
dat Christus regeert, dat Hij overwonnen heeft, dat daarom alles op deze wereld goedkomt.
Dan lijkt het erop, dat een ander regeert,
de tegenstander van God, de duivel, die hier in Openbaring aangeduid wordt met de draak.
Hij heeft veel macht die draak,
macht om verwoesting op aarde te brengen, gelovigen te bedreigen,
een handige verleider, gewiekste bedrieger, die bijna alle mensen zover krijgt
in hem te geloven en hem te volgen.
en dan zul je maar gelovig zijn, geloven in Jezus Christus, Gods Zoon,
gestorven aan het kruis en opgestaan uit de dood,
geloven dat Christus regeert, samen met de Vader in de hemel
en je ziet dat iedereen om je heen kiest voor zijn tegenstander,
zich mee laat nemen, kiest voor het beest, de handlanger van de draak,
die zo veel mensen weet te verleiden om bij God weg te gaan
en zich te binden aan Gods tegenstander.

We kijken wel eens naar aantallen, tellen in de kerk, hoeveel mensen er zijn.
Vanmorgen in de Maranathakerk een volle bak, maar als het een avonddienst was…
Gemeenteleden die alleen nog maar meeluisteren met de kerkradio vragen dat wel eens:
Hoe is het kerkbezoek? Heb je nog wel een volle kerk?
Aan het zingen kunnen ze horen of het er veel zijn of weinig.
Johannes houdt het de gemeente voor dat ze niet raar moeten opkijken
Als het leeg wordt in de kerk of er geen instroom van buiten komt,
geen mensen zijn die geïnteresseerd in zijn het evangelie,
omdat het beest, de handlanger van de draak, Gods tegenstander,
bijna alle mensen die er zijn verleidt, wegtrekt bij God vandaan.
Je kunt dat niet altijd gebruiken als het leger wordt in de kerk
en toch moeten we er ook voorbereid zijn, dat het kan gebeuren
dat mensen eerder warmlopen voor iets dat hen bij God wegleidt
en daarom geen interesse hebben in het evangelie van Christus.
Dat kan ook gebeuren.
Dat is wel het doel, waarom de draak dat beest uit de zee laat opkomen
en macht geeft, om zoveel mogelijk te verleiden.
En daarom geeft Johannes het aan ons door,
Zodat u uzelf niet laat meenemen, niet laat inpakken, laat verleiden,
maar dat u trouw blijft aan Christus
En Johannes geeft het ook aan ons door dat we niet moeten gaan twijfelen
als we om ons heen zien, dat heel veel anderen geen interesse hebben in Christus
en een leven kunnen opbouwen, waarin geloof, waarin Christus geen plaats heeft.
Johannes wil ons leren dat die verleiding kunnen doorzien,
Dat we er niet intrappen, ons niet mee laten slepen, maar trouw blijven.

Ik zag …
Uit de zee komt een beest naar boven, het lijkt om een panter,
met berenpoten en een leeuwenbek.
De zee, dat is voor de christenen aan wie Johannes dit vertelt,
de zee waarop de Romeinse machthebber de havens van Klein-Azië komt binnenvaren,
de Romeinse consul, de Romeinse gouverneur, gestuurd uit Rome, over de zee.
Een indrukwekkend gezicht moet dat geweest zijn: de Romeinse vloot,
veel schepen bij elkaar, en dan als de schepen stuk voor stuk aanmeren,
De nieuwe machthebber, de nieuwe gouverneur, die in vol ornaat de boot afstapt,

een gebeuren om indruk te maken op de bewoners van die stad,
om de macht van Rome te laten zien, die ook hier in Klein-Azië gekomen is.
Maar Johannes ziet niet de nieuwe Romeinse gouverneur,
maar hij ziet een beest, uit verschillende dieren samengesteld,

komend over de zee.
De zee waaruit het beest opkomt, de zee waarover de Romeinse gouverneur komt,
De zee, die voor de Romeinen het beeld van hun eenheid was –
al het land om deze zee heen hadden ze immers veroverd.
In de Bijbel is de zee geen macht die eenheid brengt,
die landen samenbrengt, omdat je erover kunt varen,
maar de zee is vooral een macht die verwoest, bedrieglijk is,
je lijkt erover heen te kunnen gaan, maar onverwacht kan het stormen
en kunnen de golven slaan en toont het zijn macht om te vernietigen,
de schepen die erop varen kunnen vergaan, overstromingen houden huis.
Men dacht ook wel, dat in die zee een verschrikkelijk monster woonde,
een zeedraak als het ware, de Leviathan.
drie dieren – afkomstig uit een ander Bijbelboek – Daniël 7.
Daar in Daniël 7 zijn het 4 dieren, die elk een nieuw wereldrijk aangeven,
wereldheersers, waartegen niemand is opgewassen, die alles veroveren
en met geweld hun macht bewaren.
Nu bij Johannes schuiven die beelden van die verschillende rijken inéén.
Die eerdere rijken waren al huiveringwekkend:
wreed, machtsbelust, alles verpletterend, nietsontziend,
maar nu komt er een rijk, dat het ergste is van alles, dat de anderen nog overtreft,
in wreedheid en slechtheid,
maar de mensen hebben dat niet door, knielen neer, leveren zich uit
en verkopen hun ziel, maken zich slaaf, van dit beest.
Zij zien niet wat ze doen, maar jullie, gelovigen, wees alert en lever je niet uit,
blijf trouw aan de Heer die je bent gaan dienen,
ook al ben je een van de weinigen, al krijg je het er zelf moeilijk mee,
vanwege alle tegenstand die er kan komen.

Van de vier dieren uit Daniël 7 ontbreekt één dier: de adelaar
en juist dat was het symbool, dat Rome voerde en dat vast op de schepen was te zien,
Ik denk dat dit bewust is, om te voorkomen dat we gaan denken
dat er één bepaald rijk is, of één persoon is, die het is.
Maar dan kan de waakzaamheid verslappen, omdat we op één vijand voorbereid zijn
En ondertussen meegenomen worden door het beest
dat zich aan ons in een andere gedaante voordoet.
De ene keer toont het zich in de politiek,
zoals we terugkijkend over het Hitler en zijn regime kunnen zeggen.
Een andere keer als een economische ontwikkeling,
die ervoor zorgt dat mensen doordat het zo goed hebben God niet meer nodig hebben
en niet meer gered hoeven te worden door Christus’ dood en opstanding,
omdat ze hier op aarde al een goed leven hebben.

Waar het om gaat, is dat de duivel, de tegenstander van God, God nabootst, nadoet.
Als God zelf in Christus op aarde komt en mens wordt,
dan kan de duivel, de draak uit Openbaring, ook een gestalte op aarde brengen.
Als Jezus gekomen is, om de macht over de aarde weer terug te krijgen,
dan wordt dat nagedaan.
Als Christus na Zijn hemelvaart de Heilige Geest uitstort,
dan doet de draak dat na door een geest die verleidt te sturen.
De demonische drie-eenheid worden ze wel genoemd,
de draak en zijn beesten, de een uit de zee en de ander uit de aarde.
Het duivelse spiegelbeeld van God.
Ze presenteren zich als de redder, als degenen die geluk brengen,
maar zijn het niet, maar verwoesters.
Twee gezichten hebben die gestalten van de draak, die beesten die opkomen,
De een uit de zee en de ander uit de aarde.
Naar buiten toe vriendelijk, maar voor de gelovigen een verschrikking.
Als je niet meedoet, als je je niet gewonnen geeft, als je niet buigt,
dan ben je een bedreiging, dan hoor je er niet bij, dan moet je weg.
Het beest wordt de macht gegeven om te strijden tegen de heiligen,
een strijd tegen degenen die bij Christus horen.
Als je je hart niet geeft, omdat je hart al van Christus is
als je je knie niet buigt, omdat je voor geen andere Heer wilt knielen
dan die je geschapen heeft en aan het kruis en uit het graf heeft gered,
dan beland je in een oorlog met dit beest, een zware strijd, erop of eronder.
Kijk er niet van op als dat gebeurt, zegt Johannes, wees erop voorbereid.
Zorg dat je niet verzwakt, dat je overwonnen wordt.
Want met hoeveel macht dat beest ook op je af komt
en hoezeer je leven overhoop wordt gehaald en je haast bezwijkt onder de druk,
er is een houvast in de Heer die naar de aarde kwam en mens werd,
die niet kwam om te verleiden of te verwoesten, maar die kwam om te redden.
Als je naam geschreven staat in het boek des levens, dan blijf je behouden,
dan word je vastgehouden, dan sta je er niet alleen voor
En heb je de zekerheid in Christus.
Het gaat hier niet om hoe je in dit boek des levens komt,
maar dat als je er in geschreven staat, dat je dan mag geloven
Dat geen draak of beest, welk beest dan ook, dat geen duivel je kan wegroven.
Dat is de volharding van de heiligen: God bewaart je
en dan kun je niet terugvallen in de macht van de duivel, die immers verslagen is.
‘Maar God is getrouw, die hen in de hun eenmaal gegeven genade door zijn barmhartigheid bevestigt en tot het einde toe met kracht bewaart.’ (DL V,3)
God bewaart je en daarom kun je trouw zijn – Hij geeft de kracht.
God bewaart je, daarom moet je trouw zijn. Breng die trouw in praktijk.
Het is evangelie en opdracht inéén.
God bewaart je en tegelijkertijd moet je daar zelf ook aan werken.
Het komt hier aan op volharding en geloof.
Volharden – dat is volhouden, omdat je weet: God heeft het laatste woord,
ook over het beest dat zijn macht van de duivel heeft gekregen.
Niet opgeven, omdat je weet dat de overwinning al is behaald.
Volharden – dat is niet je niet mee laten slepen, al doen anderen om je heen dat wel.
Volharden en geloven – dat is dat je hart van Christus is en van Christus blijft.
Ook in de moeilijkste omstandigheden in je leven,
ook als het in je eigen leven of in deze wereld anders verloopt.
Ze zijn er geweest die hebben volgehouden, martelaren, die voor de leeuwen zijn gegooid,
Die naar concentratiekampen en strafkampen zijn gebracht.
Die druk hebben wij hier gelukkig niet.
En toch, christenen die leven in gebieden waar vervolging is,
die maken zich vaak meer zorgen over ons dan over zichzelf,
want bij hen laat het beest zich openlijk zien,
maar in de luxe en de welvaart kan hij zich ook voordoen, om ons in slaap te sussen
en zo mee te voeren bij Christus vandaan.
Wees op je hoede en geloof tegelijkertijd in de macht van God
die zichtbaar werd aan het kruis waar de draak werd verslagen,
Christus overwon en regeert, over deze wereld, over ons leven,
het heden en de toekomst is in Zijn handen
En Hij strijdt voor ons, gaat ons voor in de strijd.
amen