Preek Tweede Paasdag 2017

Preek Tweede Paasdag 2017
Johannes 20:11-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Maria blijft bij het graf.
Dat geeft aan dat zij niet van het graf kan loskomen,
ook al is Jezus daar niet meer te vinden, omdat Hij is opgestaan.
Zij mist haar Heer op een dubbele manier: eerst is Hij gestorven
en nu is Hij ook nog eens van haar weggenomen.
Ze zoekt het lege graf nog eens op, het laatste spoor dat ze van haar Heer had,
in de hoop toch nog iets van Hem op het spoor te komen.
Ze draalt daar rond bij het graf. Ze kan de moed niet vinden het graf te betreden.
Ze blijft daar buiten bij het graf staan.
Nu is er een uitspraak van Christus, die in het Johannesevangelie is opgenomen:

Alles wat de Vader Mij geeft, zal tot Mij komen; en wie tot Mij komt, zal Ik beslist niet uitwerpen.
Wie naar Mij op zoek is, zegt de Heere Jezus, zal zeker niet door Mij buiten gezet worden.
Het verhaal van Maria Magdalena gaat daarom over het opgenomen worden
in de gemeenschap van Christus, over het weer vinden van Christus.
En het bijzondere bij Maria is dat hoe dieper zij in haar wanhoop en verdriet komt,
hoe dichter zij bij Christus uitkomt.
Dat is bemoedigend, want het verhaal van Maria Magdalena laat zien
dat op het moment dat wij Christus het meest kwijt zijn, Hij juist kan komen in ons leven
om ons op te zoeken en ons op te nemen in Zijn gemeenschap.
Haar weg begint buiten bij het graf en ze zal eindigen met een ontmoeting met de Heer zelf.

Buiten bij het graf is ze in verdriet.
Ze huilt. Dat is in de Bijbel niet alleen een emotionele reactie,
huilen is aanklampen bij God en je nood bij God brengen
in de hoop dat Hij je kan bijstaan en kan redden.
Er is er maar Eén die je nu nog kan helpen en dat is de eeuwige God.
Terwijl ze zich aan God vastklampt, heeft ze niet door dat God haar al geholpen heeft.
Haar wanhoop en teleurstelling is nog te groot
om te kunnen zien wat God reeds heeft gedaan.
Ze betreedt het graf in de hoop wat aanknopingspunten te vinden
die haar iets kunnen helpen over bij het op het spoor komen van de vermiste Jezus.
Zonder dat zij het weet, is haar afdalen in het graf,
voor haar gevoel een neerwaartse gang, dieper de put in, de weg om Hem te vinden.

Als Maria het graf binnentreedt, ziet ze weer iets anders dan de twee leerlingen zagen.
Ze ziet niet meer de doeken liggen die aangaven waar het lichaam van Christus lag,
maar nu zijn het engelen, boodschappers van God, die naar de aarde gekomen zijn
om goed nieuws te vertellen.
Het lichaam van Christus is weg en de plek is ingenomen door engelen,
die met hun witte kleren aangeven dat zij uit de hemel gekomen zijn, gestuurd door God zelf.
Deze boodschappers hebben alleen maar een vraag voor haar.
‘Maria, waarom huil je?’
‘Maria, waarom klaag je je nood bij God?’
Normaal gesproken wordt in de Bijbel de klacht van een gelovige serieus genomen.
God laat geen bidder staan!
Maar hier op deze plaats, waar een groot wonder is gebeurd,
waarin God reeds heeft ingegrepen en Jezus uit het rijk van de dood tevoorschijn trad,
is er geen enkele reden om te treuren, om te klagen.
Maria treurt waar de hemel open is en het graf is opengebroken en de dood verslagen.
Daarom vragen de engelen waar ze huilt, waarom ze haar nood klaagt bij God:
‘Maria, waarom huil je?’
‘Ze hebben mijn Heer weggehaald en ik weet niet waar ze Hem neergelegd hebben.’
In de christelijke traditie wordt gesproken over traagheid als zonde:
dat wil zeggen – lang tijd nodig hebben om te geloven wat God doet,
achterblijven en niet mee kunnen komen, terwijl God Zijn grote daden laat zien.
Geen oog hebben voor het handelen van God,
omdat dat niet past in je ervaring, in wat je meemaakt, in je manier van denken.
Traagheid is eigenlijk een onbewuste manier om God buiten je eigen werkelijkheid te plaatsen.
‘Ze hebben mijn Heer weggehaald.’
Ze – terwijl het hier over een daad van God gaat, maar Maria herkent de hand van God niet.

Zonder dat ze het doorheeft, wordt Maria door de vraag van de engelen in beweging gezet.
Terwijl ze onder woorden brengt waarom ze haar nood bij God klaagt,
draait ze zich om.
Maria wendt zich af van de engelen en van het lege graf,
alsof ze niet geconfronteerd wil worden met de leegte van het graf,
omdat daar het gemis van haar Heer zo duidelijk zichtbaar wordt.
Maria draait zich om, omdat ze die witte kleren van de engelen niet kan verdragen.
Maar juist als ze zich afwendt, is daar haar Heer.
‘Ik weet niet waar ze Hem hebben neergelegd.’
Maar Jezus, Hij is niet neergelegd, Hij staat, als teken van de overwinning die Hij behaalde,
Jezus Christus, triomfator, mijn verlosser, middelaar.
Ze ziet hem staan, ze zou Hem kunnen waarnemen, als de Overwinnaar, de Opgestane.
Maar ook hier die traagheid van haar ogen, van haar denken.
Ze ziet wel de feiten, maar ze ziet niet in wat er werkelijk is gebeurd.
Dan spreekt Jezus haar aan.
Dat is nu het pastoraat van onze Heer, dat Hij ons opzoekt, juist als we het moeilijk hebben
en met ons in gesprek gaat als we Hem niet verwachten,
om door dat gesprek te laten merken dat Hij er is, dat Hij leeft, dat Hij overwonnen heeft.
Opnieuw die vraag: ‘Waarom huil je?’  Maria waarom klaag je juist hier je nood bij God?
Als het al een verwijt zou zijn, is het een verwijt uit liefde, uit bewogenheid,
om haar verder te helpen in de weg van het geloof, om haar uit te dagen
en haar te brengen waar ze Hem kan zien en kan geloven dat Hij is opgestaan.
Daarom een vraag erachter aan: ‘ Wie zoek je?’  ‘ Naar wie ben je op zoek?’

Door deze vraag veert Maria iets op: deze man kan haar verder helpen.
Hij weet waar Jezus is.
De tuinman! De man die verantwoordelijk is voor het hele gebeuren hier!
Dat geeft aan dat de tuin waarin het graf van Jezus een tuin met allure was,
koninklijke status had en het graf van Jezus een monumentaal gebeuren,
waarbij iemand verantwoordelijk is gemaakt voor het beheer.
De tuinman, dat is voor Johannes niet zomaar een vergissing,
maar dat wijst terug naar de allereerste tuin die er was: de hof van Eden.
Bent u verantwoordelijk voor deze tuin?
Als U Hem hebt weggehaald – zeg mij dan waar U Hem gelaten hebt.
Maria is met Jezus in gesprek over Jezus zelf:
heeft Jezus zichzelf weggehaald uit het graf?
Waar is Hij dan achtergelaten? Waar is Hij dan gebleven?
Waar kan ik Hem vinden?

Dan is alleen haar naam genoeg.
Jezus spreekt haar aan bij haar naam:
Hij roept haar, persoonlijk en intiem, maar ook helder en duidelijk.
Zoals Jezus over zichzelf zei:
De herder roept Zijn schapen bij hun naam en leidt hen naar buiten.
Alleen door haar naam te noemen, wordt ze naar buiten geleid,
naar buiten de duisternis die haar gevangen houdt,
buiten het verdriet,
De stem die haar roept bij haar naam wordt herkend.
De Meester! Haar Heer! de Goede Herder!
Ze wordt geroepen –

En of een mens al diep verloren
en ver van U verzworven is,
Gij noemt zijn naam, hij is herboren (…)
Uw woord (…) heeft uit het graf ons opgericht.

Als je wilt weten wat wedergeboorte is, wat het betekent om opnieuw geboren te worden,
dan kunnen we dat hier zien in de reactie van Maria,
Die, als ze haar naam hoort noemen, zich omkeert,
omdat ze de stem herkent. Dat moet Jezus wel zijn.
Ze draait zich nu opnieuw om – merkwaardig eigenlijk,
Want ze was al van het graf afgekeerd en keek Jezus aan
en toch is daar een nieuwe omkering – zo ingrijpend, dat ze uitgeleid wordt,
opnieuw geboren, dat ze bij Jezus komt, omdat Hij haar roept.
Rabbouni, Meester.
In die uitroep klinkt vreugde door, liefde, intimiteit: ik heb U weer gevonden.
U bent er weer!

Zo verrast door vreugde is Maria, ze wil dit nooit meer kwijtraken.
Niet nog een keer Jezus kwijtraken. Hij is nu terug. Dit wil ze vasthouden.
Nee, zegt Jezus – houd me niet vast.
Het is niet meer zoals voor het kruis en voor het graf.
Het is niet meer als vroeger, dit is een nieuwe tijd.
Jezus, die net teruggekeerd is uit het graf, kondigt Maria direct aan
dat Hij opnieuw zal gaan.
Dat zal voor Maria niet eenvoudig geweest zijn:
Jezus teruggevonden en Hem gelijk weer moeten afstaan,
omdat Jezus verder gaat, nu naar Zijn Vader in de hemel.
Dat is Jezus’  weg, want door naar de Vader te gaan
kan Hij er meer bereiken dan Maria alleen.
Kunnen ook wij, nu vandaag de dag Jezus ontmoeten.
Niet alleen als we over Maria horen.
Dat kan ons wel helpen, die verhalen te horen
omdat we dan voor ons zien wat er gebeurt, we staan bij Maria en kijken toe
en zien hoe Jezus met haar bezig is, haar ontmoet en aanspreekt.
Jezus ging naar de Vader, om ook hier vandaag in ons midden te zijn
en om elk moment waarop we Zijn naam uitspreken, met elkaar spreken over Hem.
en als we geen erg hebben in Hem, dan kan Hij onze naam noemen,
ons roepen bij onze naam, zodat wij ook de stem van de goede Herder horen.
Maria, zegt Jezus, houd mij niet vast bij jou.
De tijd is veranderd.
Dat kunnen we ook zien in de manier waarop Jezus over Zijn leerlingen spreekt:
Het zijn niet meer leerlingen, het zijn niet meer vrienden,
maar het zijn broeders, het zijn kinderen geworden van de Vader in de hemel.
omdat er met Goede Vrijdag en Pasen zoveel is veranderd.
Een nieuwe gemeenschap bij het kruis,
een nieuwe gemeenschap – niet bij het lege graf, maar daar waar Jezus’ naam genoemd wordt, waar over Hem verteld wordt, waar van Hem getuigd wordt,
daar sticht Christus zelf gemeenschap, daar spreekt Hij zelf, daar is Hij zelf in het midden.
En Maria, zij mag een apostel zijn, getuige van Jezus
en door haar woorden heen spreekt Jezus de andere leerlingen aan:
Ik heb de Heer gezien!

Zo mogen wij voor elkaar een Maria zijn
naar elkaar toe getuigen: Ik heb de Heer gezien
en de Heer, Hij is dan bij ons, in ons midden
en maakt zelf een gemeenschap van broeders en zusters, die verenigd zijn in Hem,
de levende Heer.
Amen

 

Preek Eerste Paasdag

Preek Eerste Paasdag
Johannes 20:1-10

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bent u blij? Bent u vol vreugde, omdat Christus is opgestaan?

Misschien zegt u daar wel volmondig ja op:
Ja, ik ben blij, verheugd, omdat Christus is opgestaan.
Naar het Paasfeest kijk ik al weken uit, om de opstanding van Christus te vieren.
Zeker als we met de gemeente samenkomen, het geloof in de opgestane Heer samen delen om samen als gemeente, met de kerk over heel de wereld en door alle tijden heen
de lof op Christus te bezingen, met de liederen die we zingen, met de koperblazers erbij:
Daar juicht een toon, daar klinkt een stem, U zij de glorie!

Of misschien zegt u: Ja, ik ben blij, Pasen is voor mij het belangrijkste feest.
Veel mensen zijn in een feeststemming met Kerst,
maar voor mij is wat wij met Pasen vieren echt de kern van het christelijk geloof.
Dat onze Heer opstond uit de dood, de dood heeft overwonnen
is een bevestiging dat het kruis op Golgotha zo’n ontzaglijke betekenis heeft,
dat ook mijn zonden zijn vergeven en dat ik bij God mag horen.

Of u zegt: Sinds ik een geliefde mis, een van mijn ouders, mijn man, mijn vrouw,

of zelfs een kind of een kleinkind, heeft Pasen voor mij een diepe betekenis gekregen:
ik heb afscheid moeten nemen en ik voel die lege plaats elke dag nog,
er gaat geen dag voorbij of ik denk aan degene van wie ik afscheid moest nemen,
maar ik weet dat er een dag komt, waarop er een weerzien is.
Ook al heb ik verdriet, ik ben niet zonder hoop,
omdat Christus uit de dood is opgestaan en de levende Heer gezegd heeft,
dat er een dag komt, waarop alle graven zullen opengaan
en degenen die reeds overleden zijn, zullen opstaan uit de dood.
Sindsdien trek ik mij op aan Pasen, aan de wetenschap dat de dood niet het einde is.
De Heer is waarlijk opgestaan!

Het kan ook zijn, dat u die vreugde helemaal niet hebt. Het is in uw leven niet zo vreugdevol.
Soms zijn er van die momenten dat je er even bovenuit getild wordt, dat je troost ervaart
maar er zijn ook heel wat momenten dat die troost er niet is en dat God ver weg is,
het is wel Pasen en ik zit hier wel, maar ik heb er – als ik eerlijk ben – weinig verwachting van
dat God mij vanmorgen opzoekt en hier in de dienst aanspreekt.
Daarvoor is er teveel gebeurd in mijn leven. Ik draag een hele last mee.
Het lijkt wel of er op mijn hart ook zo’n steen ligt als bij het graf van Jezus.
Maar die steen werd nog door de engelen weggeduwd.
De steen op mijn hart ligt er nog, geen engel die deze steen wegduwt om mij uit te laten.

Of misschien heeft u wel mensen om u heen, in de vriendenkring of in het eigen gezin
die niet meer kunnen geloven en er daarom niet zijn.
De verhalen van Pasen beginnen niet met de vreugde en ook niet met geloof.
Sterker nog, het dringt maar moeizaam door tot de vrouwen die het graf bezoeken
en ook tot de leerlingen, dat Jezus is opgestaan.
De Paasverhalen in alle vier de evangeliën laten zien dat degenen die het graf bezoeken
vooral rekening houden met een dode Jezus, met hun Meester, die in het graf ligt.
Zo hebben ze Jezus achter gelaten, in doeken gewikkeld,
waarmee ze Zijn lichaam hadden ingewikkeld, nadat ze het van het kruis gehaald hadden.
Het is vroeg op de morgen van de eerste dag, schrijft Johannes,
als Maria Magdalena naar het graf gaat.
Daarin schemert al iets door van het nieuwe, het onvoorstelbare, een nieuw begin,
zo bijzonder dat je vanaf deze dag gaat tellen:
die dag van Jezus opstanding, dat was de eerste dag van een nieuwe tijd.
De eerste dag: het is de twinkeling van de hoop, die God op aarde bracht.
Het is nog niet te zien, want het is donker, maar toch een nieuw begin,
want het begin van een nieuwe dag, dat betekent dat het donker bijna voorbij is
en dat de dag bijna in Gods licht zal staan
en deze keer niet een dag als andere dagen,
maar de eerste dag van een nieuw tijdperk,
waarin de macht van de dood verbroken is, waarin de vorst van deze wereld,
de slang, verslagen is.
O morgen van verblijden, o dageraad, o licht.
Zie na de nacht van lijden toont God Zijn aangezicht.
Het is nog donker, maar  de nacht is haast ten einde, de morgen niet meer ver.

Voor Maria is die nieuwe morgen nog niet te zien.
Ze heeft niet door dat ze reeds loopt in een nieuw tijdperk.
Het is voor haar nog donker.
Het graf is al leeg, de Heer is opgestaan,
maar Maria heeft er geen erg in, vol gedachten aan wat de afgelopen dagen is gebeurd.
Hoe Jezus aan het kruis ging en zij daar onderaan het kruis stond
en met eigen ogen gezien heeft dat Jezus stierf.
Wellicht was ze erbij toen Jozef van Arimethea en Nicodemus het lichaam van Jezus
van het kruis haalden, dat in een doek wikkelden en in het graf legden.
Dat was de laatste keer dat ze Jezus, haar Jezus, haar Heer zag.
Ze wilde Hem nogmaals bezoeken.
De reden wordt niet genoemd, misschien als eerbetoon of als pelgrimage,
of gewoon, zomaar zonder verwachting, om gewoon alleen maar even te zijn
waar de dode Jezus is gelegd, om nogmaals afscheid te nemen.
Je vindt er niks, zeggen gemeenteleden soms als ze aangeven
waarom ze niet zovaak naar het graf gaan.
Of als ze wel gaan, zeggen ze soms: ook al is hij er niet meer, je kunt nog even bij hem zijn.
In je gedachten denk je aan hem, je vertelt wat je bezig houdt,
je legt de ander voor wat je bezig houdt.
Je hoort wel niets terug, maar het is toch goed om er geregeld heen te gaan.
Johannes meldt niet de reden, alleen dat het donker was.
Voor Johannes is dat niet alleen om aan te geven dat Maria zo vroeg is,
voor dag en dauw, dat de zon nog niet is opgegaan,
maar laat dat voor hem zien hoe Maria naar het graf gegaan is.
Het licht is  bij Maria nog niet doorgebroken, nog gehuld in de duisternis van het verdriet,
van wanhoop wellicht, in ieder geval van ongeloof.
Dezelfde duisternis, waarin de wereld volgens Johannes gehuld is,
omdat de wereld God niet kent en niet wil kennen.
En toch, hoe sterk deze duisternis ook is, zij blijft niet in de duisternis.
De weg van Maria is daarom een weg voor iedereen die iets van deze duisternis weet heeft,
Of dat nu de duisternis is, waarin je niet kunt geloven
dat de opstanding van Christus echt verschil maakt, omdat de wereld hetzelfde lijkt,
of dat de duisternis van je depressiviteit is, die je ter neerdrukt,
en waaruit je jezelf niet kunt bevrijden, die je zelf niet kunt verbreken,
omdat deze duisternis zo sterk is, dat je je erdoor gevangen voelt.
De eerste dag kondigt Maria Magdalena aan, zonder dat ze het kan geloven,
omdat ze dat nog niet kan zien dat die nieuwe dag is aangebroken.
Maar deze weg die in duisternis begint, zal eindigen in het licht van Christus,
ze mag zelf de levende Heer ontmoeten en getuige van Hem worden.

Zover is het nog niet.
Zoals bij heel veel gelovigen dat gaat, breekt het geloof niet in één keer door.
Soms zijn er heel wat gebeurtenissen nodig,
dat kunnen ook vervelende en ingrijpende gebeurtenissen zijn,
waardoor je aan het denken gezet wordt, iets gaat ervaren van God,
Waarin Hij je – achteraf gezien – wil laten weten, dat je Hem op het spoor moet komen.
Geloven is vaak een zoeken en tasten, zeker in het begin
en dat zoeken en tasten kan een lange fase zijn en sommigen houden dat hun hele leven.
Het begint het eerste wat zij van Pasen waarneemt
en dat is niet de duisternis die zij ziet, dat is zonder dat ze zich ervan bewust is om haar heen.
Dat is ook niet het begin van de nieuwe dag, dat begin van een heel nieuw tijdperk is.
Dat neemt ze allemaal niet waar.
Het eerste wat ze ziet, maakt haar ongerust, roept paniek in haar op
en zorgt ervoor dat ze gehaast naar anderen loopt, tegen wie ze het moet vertellen.
Het graf is open!
Dat kan maar één ding betekenen: het graf is opengebroken door rovers.
Rovers die ervan uit gaan dat er wat te halen valt,
omdat er boven het kruis die woorden stonden: de koning van de Joden.
Dan moeten zijn onderdanen, die in Hem geloofden, vast een aantal waardevolle zaken
in de dood hebben meegegeven, om Zijn grootsheid, zijn majesteit uit te drukken.
Als je Johannes zou kunnen zien,
die dit verhaal doorvertelt, zou je de twinkeling in zijn ogen kunnen zien.
Grafroof bij de Koning van de wereld, die de vorst der duisternis onttroond heeft,
die het rijk van de dood geopend heeft en al degenen die overleden zijn
teruggevorderd heeft uit het dodenrijk.
Grafroof – is dat het enige dat je van een geopend graf kunt maken?
Paniek – is dat je reactie op de Heer die de dood verbrak en triomfeerde?
Ik denk dat wat Johannes hier beschrijft in de weg van Maria Magdalena
voor veel gelovigen vandaag de dag ook geruststellend kan zijn.
Dat je het niet gelijk door hebt en dat je veel moet leren, dat is niet alleen iets van nu,
maar dat komt ook in de Bijbel al voor.

Maria weet haar haast over te brengen op de twee discipelen waar ze naartoe gesneld is.
Ongerustheid is makkelijk door te geven,
misschien wel gemakkelijker dan een vertrouwen op de levende Heer.
Paniek is makkelijker door te geven dan geloof.
Geloof in de opgestane Heer vraagt een langere weg om eigen te maken
dan de gedachte dat het slecht gesteld is met deze wereld.
De twee leerlingen haasten zich daarom naar het graf,
om met eigen ogen te kijken wat er is gebeurd.
De ene discipel – zijn naam wordt niet genoemd, alleen dat Jezus’ liefde naar hem uitgaat –
komt als eerste bij het graf aan en ook hij kijkt.
Hij gaat verder dan Maria Magdalena, want Maria had aan de aanblik van het geopende graf genoeg om in paniek terug te gaan.
Deze leerling gaat een stap verder: hij  kijkt in het lege graf. Hij betreedt het graf niet.
Hij ziet de doeken liggen, de doeken waarin het lichaam van Jezus gewikkeld was.
Hij is gerustgesteld: van grafroof kan geen sprake zijn: de doeken liggen er nog.
De paniek van Maria is niet nodig.
De gebeurtenissen worden hier verteld als een mysterie dat langzaam onthuld wordt,
stap voor stap uit de doeken gedaan, totdat ze de levende Heer ontmoeten.
Maar het gaat stap voor stap, totdat de echte waarheid onthuld wordt.
De tweede stap, na de eerste stap van Maria Magdalena, van deze discipel
is dat hij de doeken ziet, maar tegelijkertijd gaat de aandacht uit naar iets dat er niet is
en waarvoor Maria gehaast en vol paniek bij hen aanklopte.
Maar Johannes, heeft een andere interpretatie dan Maria.
Wat hij er van maakt, is nu nog niet duidelijk. Eerst komt de derde stap, van Petrus.
Als Petrus bij het graf aankomt, gaat hij het graf wel in.
Hij gaat al verder dan die andere discipel, die aan de ingang van de graf bleef staan
en alleen maar naar binnen keek.
Petrus ziet al iets meer dan de andere discipel.
Wat er gebeurd is, wordt steeds beetje bij beetje onthuld.
Wat Petrus ziet, is dat de doek die om het hoofd gebonden was, ergens anders ligt.
Deze doek om het hoofd heen wordt niets gemeld
als Jezus van het kruis gehaald wordt en in doeken gewikkeld wordt.
Er is een andere gebeurtenis, waarin er wel van deze doek gesproken wordt.
Dat is als Lazarus uit het graf komt.
Lazarus is in doeken gewikkeld, zijn handen en voeten in doeken, maar ook zijn gezicht.
Dat wordt bij Lazarus speciaal erbij gezegd.
Voor Petrus wordt er al iets duidelijker wat er in het graf is gebeurd.
Het heeft iets met opstanding te maken, maar het is niet een opstanding als bij Lazarus.
Er is een verschil.
Maria had gelijk, dat het lichaam er niet meer was,
maar Maria had ongelijk door aan grafroof te denken.
Er is iets bijzonders gebeurd, het lijkt op wat er met Lazarus gebeurde en toch is het anders.
Wat dan?
Er staat: ze geloofden.
Dat klinkt heel mooi, dat lijkt erop alsof ze de volle waarheid van wat er gebeurd is, beseffen.
En toch, geloven is het evangelie een woord met veel betekenissen.
Johannes wil aan ons doorgeven: ze hebben iets door, maar wat ze doorhebben,
is dat het echte geloof? Zijn ze waar ze wezen moeten?
Ze hebben de ingrediënten om te geloven, maar hebben ze de juiste interpretatie.
Hij voegt er aan toe: Want zij kenden de  Schrift nog niet dat Hij uit de doden moest opstaan.
Ze zijn op het goede spoor,
maar wat er echt gebeurd is, dat hebben ze toch nog niet helemaal door.
Dat heb je pas door als je de Schrift erbij haalt
als Gods eigen woord uitleg geeft bij de gebeurtenissen,
anders heb je alleen maar een menselijke interpretatieen kun je,
ondanks dat je de gegevens hebt en de feiten ziet, toch de verkeerde conclusie trekken.
Ik kwam tegen, dat wat deze twee discipelen geloofden,
was dat Jezus reeds naar de Vader is gegaan.
Jezus is opgenomen in de hemel, zoals in het Oude Testament gezegd wordt
van bijvoorbeeld Henoch: Hij wandelde met God en was niet meer.
Of van Elia, die met vurige wagens en paarden van de aarde werd opgenomen in de hemel.
Had Jezus dat niet gezegd, dat Hij vooruit zou gaan?
Zou Jezus naar de hemel zijn gegaan? Naar het Vaderhuis met de vele woningen?
Ze zien het en geloven, maar niet wat de Schrift heeft aangekondigd.
Ze gaan weer naar huis.
Voor deze twee is er geen reden tot paniek, zoals bij Maria Magdalena.
Ze kunnen weer gaan. Ze weten genoeg.
Ja, genoeg voor henzelf, maar niet genoeg volgens de Schrift.
Omdat ze naar huis gaan, missen wat er is gebeurd.
Alleen Maria, die blijft, zij zal de Heer ontmoeten – daar zal het morgen over gaan.
Wat Johannes ons wil doorgeven, is dat het geloof in de Opgestane maar moeilijk doordringt.
Het gaat niet om zomaar wat feiten: een open graf, doeken die afgewikkeld zijn,
een hoofddoek apart gelegd.
Het gaat wat om niet zichtbaar is en wat alleen uit de Schrift gehaald kan worden,
omdat dat woorden van God zelf zijn
en onthullen wat het doel van God door alle tijden heen is.
Bij Pasen schiet ons gewone menselijke kennen tekort,
onze zintuigen kunnen uit zichzelf niet alles zien.
Onze ogen zetten ons op het verkeerde been,
een klein geloof ziet alleen maar kleine dingen, heeft Jaap Zijlstra in een kerstlied gedicht.
Nou ja, geloof in Jezus die ten hemel is gevaren is geen klein geloof, zou je kunnen zeggen.
Het is een onvolledig geloof.
Het is een geloof dat alleen maar genoegen neemt met wat zichtbaar is.
Maar daarmee redden we het niet.
Als we alleen maar kijken naar wat we zien, dan komen we tekort.
Dan zien we een gesloten kist, met daarin onze geliefde
en zien we dat die kist in de aarde neergelegd wordt
en weten we dat er weer opnieuw grond overheen zal gaan en daarna een steen.
Maar ogen die hebben leren kijken door de opstanding van Christus
die zien dat een lichaam wordt gezaaid in de afwachting op de opstanding op de Jongste Dag.
Als we met aardse ogen kijken naar het nieuws op tv zien we ellende en rampspoed,
zien we regeringsleiders, die geen einde kunnen maken aan de strijd in Syrië
(of vul hiervoor maar een ander land in),
regeringsleiders die zo onvoorspelbaar zijn dat deskundigen niet weten wat er komen gaat.
Maar in geloof kunnen we zien dat God door alles heen deze wereld leidt naar Zijn doel,
de dag waarop de levende Heer uit de hemel terugkomt
om te oordelen de levenden en de doden en dat aan Zijn koninkrijk geen einde komt.
Dat koninkrijk dat begonnen is aan het kruis: “Het is volbracht!”
Al doorbrak op die eerste dag, nog niet te zien voor Maria Magdalena,
Al schitterde in een leeg graf, verborgen aanwezig in de afgeworpen doeken,
stralend in die hoofddoek op een andere plek.
De discipelen gaan naar huis, dat zou voor ons het einde kunnen zijn, een anticlimax,
dat was het – zoals je na een kerkdienst naar huis kan gaan, zonder dat het je iets deed.
Ook al zeggen we over de kerkdienst dat je daar God ontmoet,
maar je kunt thuiskomen, zonder dat er in de kerk iets met je gebeurde.
Voor Johannes is dit niet het einde, zijn verhaal gaat door, omdat God doorgaat,
omdat Christus zich steeds beetje bij beetje onthult
voor ogen die zo traag doorhebben wat er gebeurde.
Voor ogen die de nonverbale aanwijzingen van God niet oppikken,
omdat ze blijven hangen in wat zij gewend zijn, of wat zij vermoeden,
maar nog niet doorhebben, dat er zo iets nieuws is gebeurt,
en dat toch ook al in de Schrift is aangekondigd:
Zie – Ik maak alle dingen nieuw. Zoals Jesaja al aankondigde: Jesaja 25:
Hij zal de dood voor altijd verslinden,
de Heere HEERE zal de tranen van alle gezichten afwissen
de smaad van Zijn volk wegnemen van heel de aarde, want de HEERE heeft gesproken.
Op die dag zal men zeggen: zie dit is onze God,
wij hebben Hem verwacht, en Hij zal ons verlossen,
Dit is de HEERE, wij hebben Hem verwacht
en zullen ons verheugen en verblijden in Zijn heil.

Bent u blij?
Natuurlijk er is veel, dat die vreugde kan wegnemen,
maar zie, het is gebeurd wat God reeds aankondigde in Zijn Woord.
Het graf is open, de doeken zijn afgeworpen, de hoofddoek ligt op een andere plek.
Jezus is opgestaan uit de dood, heeft het graf geopend en leeft.
En voor ons oog verrijst een heerlijk vergezicht.
Hem zij de glorie, want Hij die overwon, zal nooit verlaten wat Zijn hand begon. Amen

Preek zondagavond 17 april 2016

Preek zondagavond 17 april 2016
Jongerendienst – Thema: Jezus – tastbaar genoeg?
Johannes 20:24-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Stel je voor…
dat Jezus hier in de kerk is
en dat Hij naar je toe zou komen.

Wat zou jij dan doen?
Zou je opstaan om Hem te omhelzen,
omdat je blij bent dat je Hem eindelijk ziet?
Je hebt al zo veel over Hem gehoord
en nu is Hij er eindelijk!
Je kunt op Hem afstappen

Zou je een vraag stellen
over God, over Jezus, over deze wereld, over jezelf?
Nu Hij er is hoef je niet meer, zoals normaal gesproken bij het bidden,
te wachten op een antwoord.
Je kan nu tegen Hem zeggen:
‘Heer, ik worstel al zo lang met een vraag.
U kunt het antwoord geven!’

Of zou je wat ongemakkelijk opzij schuiven,
omdat je niet goed weet
wat Jezus van jou wil, met jou wil doen.

Neem eens de tijd om daar over na te denken.

Stel je voor …

Zo snel gebeurt dat niet
dat Jezus ook echt naar je toekomt
dat je Hem kunt zien, kunt aanraken, kunt omhelzen.
Ik heb het zelf nog nooit meegemaakt
dat de Heere Jezus zo tastbaar dichtbij was.
Ik heb wel eens gehoord dat mensen over Hem gedroomd hebben.
Van moslims die later christen geworden zijn
heb ik dat wel eens gehoord
dat ze Jezus in een droom naar zich toe zagen komen.
Ik kan daar niet over vertellen.

Jullie wellicht ook niet.
Toen je nog een kind was, had je genoeg aan de verhalen.
Goed, je zou wel willen dat je ook echt met de Heere Jezus mee kon gaan.
Maar doordat je luisterde naar de verhalen,
was het alsof je zelf ook meeging, met de menigte
was het alsof je er zelf bij was, toen er een wonder gebeurde
of toen Jezus aan het kruis hing,
of toen Hij verscheen aan de vrouwen op de dag dat Hij was opgestaan.
Als het dan over Thomas ging, zat je zelf daar bij de discipelen in huis.
En nu?
Nu heb je misschien wel dat je niet meer kunt voorstellen
dat je er zelf bij bent.
Het kan best zijn
dat je geloven daarom moeilijk vindt
omdat je helemaal niets van Jezus ziet, niets ervaart.

Je denkt wel over Hem na
maar Hij is zover weg.
Je wilt Hem best dienen en discipel zijn
maar Hij is er niet meer om voor je uit te gaan
om de weg te wijzen.
En bidden doe je nog wel,
maar je weet niet of Hij je hoort
omdat je geen reactie terughoort.
Jezus – tastbaar genoeg?
Ik denk dat het een belangrijke vraag is.
Ik zie namelijk veel christenen ermee worstelen
dat ze zo weinig van Jezus merken
in hun dagelijks leven
en dat ze niet weten waar Hij is
en of Hij er is.
Dan kan er zo maar een twijfel boven komen: is het allemaal wel waar?

Als je veel mensen om je heen hebt
die wel geloven
kun je nog denken: ik ben de enige niet die gelooft.
We geloven samen
en van de anderen kan ik leren hoe ik dat kan:
In Jezus geloven, in God geloven, zonder dat ik Hem zie
of kan aanraken.

Maar als je juist mensen om je heen hebt – klasgenoten, vrienden – die niet geloven
kan het best moeilijk zijn om zelf wel te blijven geloven.
Want er zijn steeds meer mensen die zeggen:
‘Er is geen God, want ik zie er niets van.’
Als dat tegen jou gezegd wordt,
moet je wel sterk in je geloof zijn om te blijven geloven:
‘Jawel, er is wel een God! En Jezus leeft!’
Omdat Jezus niet zichtbaar is, kan er ook wel met Hem gespot worden.
Deze week las ik twee berichten over de kerk van het vliegende spagettimonster.
Heb je daar wel eens van gehoord?
De kerk van het vliegende spagettimonster is er om geloof belachelijk te maken.
Ze zeggen: God is onzichtbaar, daarom kun je Gods bestaan niet bewijzen.
Misschien is er helemaal geen God,
maar is er een vliegend spagettimonster.
De beide berichten die ik las, gingen erover dat de rechter – in Duitsland en in de VS-
hadden aangegeven dat het niet om een echt geloof gaat,
maar om het bespottelijk maken van geloof.
Op tv en social media kun je ook vaak mensen tegenkomen die spotten met God,
omdat ze het belachelijk vinden dat er mensen zijn die geloven
want van God is toch niets te zien?

Ze hebben geen gelijk, maar ze raken wel een zere plek, vind ik.
Want wij zien Jezus niet.
Jezus – tastbaar genoeg?
In dat thema proef ik ook een verlangen:
Dat jullie zeggen: we zouden Jezus ook graag willen zien, willen aanraken.
Jullie lijken daarmee op Thomas.
We hebben dat verhaal met elkaar gelezen.
Thomas wil Jezus ook eerst zelf zien,
eerder kan hij niet geloven dat Jezus is opgestaan.
Thomas was er niet bij, toen Jezus verscheen aan de discipelen.
Toen ze Jezus hadden gezien, gingen ze naar Thomas toe.
‘Thomas’, zeiden ze, ‘Het is echt waar! Jezus leeft!
Hij is niet meer dood! Hij is opgestaan uit de dood.
Thomas, jammer dat je er niet bij was, je hebt zoiets bijzonders gemist!’
Maar Thomas, hij kan het niet geloven.
Jezus opgestaan? Dat is te mooi om waar te zijn.
Dat kan ik niet geloven!
Ik geloof het pas als ik Jezus zelf zie.
Als ik Zijn wonden zie, Zijn wonden kan aanraken.
Als Jezus tastbaar genoeg is – dan kan ik geloven,
maar niet omdat jullie het mij vertellen.
Ik moet het zelf zien!
Thomas moet zich vast heel eenzaam hebben gevoeld.
Hij alleen verdrietig.
Hij de enige die niet kan geloven, terwijl de anderen enthousiast zijn!
Ik heb wel wat met Thomas, misschien jij ook wel.
Daardoor heb ik geleerd, dat geloven niet zo gemakkelijk is.
Toen ik tiener was, had ik heel vaak het idee dat de hemel gesloten was
En dat God niet luisterde naar mijn gebeden en dat ik God ook niet kon ervaren.
Ik ben blij dat Thomas in de Bijbel staat.
En je moet de verhalen in de Bijbel altijd zo lezen,
Dat je nadenkt: wat zeggen die verhalen over mij?
Ben ik soms Thomas?
Of ben ik juist een van de discipelen
en heb ik een taak voor een vriend van mij of iemand anders in mijn omgeving
om hem of haar mee te nemen,
zodat Jezus ook hem of haar opzoekt?

Thomas laat zich niet zomaar iets wijsmaken, omdat anderen dat zeggen.
Misschien zeg je wel:
Ik ga niet geloven, omdat mijn ouders geloven of omdat mijn vrienden gaan geloven.
Ik ga pas geloven, als ik zelf iets van Jezus, van God ervaar.
Net als Thomas ga je niet zomaar geloven, maar stel je eerst voorwaarden aan God.

Het mooie is dat de Heere Jezus de voorwaarden van Thomas serieus neemt.
Want Hij komt speciaal voor Thomas
om zich ook aan Thomas te laten zien.
En Thomas ging geloven?
Weet je waardoor?
Omdat Jezus kwam?
Of omdat Christus tegen hem zei: Thomas, je moet nu stoppen met je ongeloof.
Ik leef! Ik ben er nu – voor jou!

Er is een schilderij van de Italiaanse schilder Carvaggio
waarin Thomas met zijn vinger peutert in het gat in Jezus’ zij
waar de speer Jezus gestoken heeft
Maar gaat Thomas daardoor geloven?
Ik denk niet dat Thomas gaat geloven, omdat hij Jezus ziet,
maar omdat Thomas te horen krijgt:
Stop nu met je ongeloof, maar ga geloven.
Jezus zegt tegen Thomas: het gaat er niet om dat je Mij ziet of kunt aanraken.
Het gaat erom dat je gaat geloven als je over Mij hoort.
Dat is bij mij ook gebeurd.
Ik kan dat niet helemaal goed uitleggen.
Maar ik heb ontdekt, voor mijzelf en dat wil ik ook aan jullie meegeven
dat je de Bijbel moet lezen
als de stem van de Heere Jezus.
Als je leest in de Bijbel, dan wordt Jezus zo dichtbij, dat je Hem bijna kunt aanraken.
En niet alleen als je in de Bijbel leest,
maar ook als je een preek hoort, als je een lied over Hem hoort of zingt
of als met elkaar praat over de Heere Jezus.
Dan is Hij er opeens bij.

Misschien vind je dit een te gemakkelijke oplossing.
Hoe kun je dat nu tegen iemand zeggen die niet gelooft omdat hij niets ziet?
En toch ben ik ervan overtuigd
omdat ik het ook zo ervaar, dat Christus dan echt tegen mij spreekt.
Ik denk dat anderen dat ook zo hebben.
Vraag dat maar eens na: aan je vader of moeder, opa of oma, aan de clubleiders:
Heb je Jezus ook wel eens gezien? Heb je wel eens ervaren dat Hij er is,
dat Hij naar jou toe kwam?
Hoe kunnen jullie geloven, terwijl je Hem niet ziet?
Help mij alsjeblieft! Want we zijn er in de gemeente om elkaar te helpen.
Misschien is er geen antwoord te vinden,
want dat is geloven ook, dat je niet overal een antwoord op krijgt.
Maar we kunnen elkaar als gemeente wel helpen
om toch te blijven geloven – ook al zien we Hem niet.
Amen

Preek Tweede Paasdag 2014

Preek Tweede Paasdag 2014
Johannes 20:11-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de Paasverhalen wordt er steeds verteld over ontmoetingen:
de Heere Jezus zoekt de vrouwen en de discipelen op.
Hij verschijnt aan hen om hen te laten weten dat Hij echt is opgestaan.
De vrouwen die bij het graf komen
en de leerlingen die komen kijken bij het lege graf
hebben niet genoeg aan het lege graf.
Zij raken alleen maar in verwarring als zij zien dat het graf open is
en de steen is weggerold.
Het verdriet wordt nog intenser als ze erachter komen
dat ook nog het lichaam van Jezus weg is.
Het mooie uit de Paasverhalen is dat de Heere Jezus hen opzoekt
En dat Hij niet zegt: ‘Je hebt toch genoeg aan het lege graf?
Daaraan kun je toch zien dat Ik ben opgestaan?’
Hij zoekt hen allemaal op.
Hij zoekt hen op in hun verdriet.
Dat is ook voor ons een troost,
dat de Heere Jezus juist daar komt waar verdriet is.
Dat Hij niet zegt: ‘Je weet toch van de opstanding
en je weet toch dat er eens een nieuw leven komt?’
Bij Maria Magdalena verschijnt Hij als het verdriet en de wanhoop het grootst is.
Als ze het vertwijfeld uitroept: Waar is mijn Heer gebleven? Wie heeft Hem weggehaald?
Dan staat Hij achter haar, om te horen wat haar klacht is.
Dat is het ontroerende aan dit verhaal, aan deze ontmoeting van de Heere Jezus met Maria:
Hij is er al voordat Maria door heeft dat Hij het is.
Hij is er al als Maria haar klacht uit en het verdriet van haar verwoordt.
Ze weet nog niet dat Hij er is, ze is nog met haar rug naar Hem toegekeerd.
Ze weet nog niet dat het Jezus is, die daar achter haar staat en haar verdriet aanhoort
en haar juist daarom opgezocht heeft.
Door haar verdriet heeft ze dat nog niet door.
Door haar tranen heen kan ze alleen het graf zien
en ziet ze niet de engelen die daar als boodschapper zijn
om namens God het goede nieuws over de opstanding van Christus over te brengen.
Door haar tranen heen ziet ze niet dat het Jezus is die haar opzoekt.

Een mooie gedachte, die ook bij Pasen hoort.
Dat Christus er al kan zijn in ons leven. Nog voor wij Hem zelf zien en waarnemen.
Denk maar aan de twee mensen die op weg waren naar Emmaüs.
Hoe de Heere Jezus met hen meeliep en hen liet vertellen over hun teleurstelling.
Hij was er al, voordat zij er erg in hadden.
Zo ook bij Maria. Ze heeft het niet door en toch is Hij er.
Ze heeft het niet door dat haar verdriet juist Jezus bereikt,
Terwijl ze eigenlijk op zoek is naar het lichaam van Jezus.
Zo kan het in ons leven ook zijn:
Dat we op zoek zijn naar Jezus en willen dat Hij er is,
maar dat we Hem niet opmerken,
Terwijl Hij er wel, op een andere manier dan we verwachten.

Hij staat achter Maria, als Maria zo het graf in tuurt,
zich afvragend of ze ooit nog een glimp van Jezus zal opvangen.
Hij kijkt mee in het graf.
Zelf ziet Hij het geopende graf, waar Hij zelf nog maar kort gelegen heeft
en Hij weet dat het graf leeg is, omdat Hij daar niet is.
Zo deelt de Opgestane in het verdriet van Maria.
Zo deelt Hij ook in ons verdriet. Hij gaat daar niet voor op de loop!
Hij zoekt Maria op en zo kan Hij ook u en jou opzoeken
als u met uw verdriet rondloopt en niet meer weet hoe u verder moet
en zich vertwijfeld afvraagt of u nog wel verder kan.

Zijn aanwezigheid roept misverstanden op:
Bent u de tuinman die er voor gezorgd heeft dat het lichaam van mijn Heer op een andere plek terecht gekomen is?
Zo kunnen er in ons eigen leven ook misverstanden zijn over Jezus,
zodat wij Hem niet herkennen.
Terwijl we met Hem in gesprek zijn en Hem vertellen
wat ons dwars zit, onze klachten aanhoort over God, over ons leven,
hebben we het niet door dat Hij het is.

Hoe komt Maria uit haar verdriet?
Hoe gaan bij Maria de ogen open, zodat ze ziet dat het Jezus is,
die voor haar staat?
Doordat zij haar naam hoort.
Doordat Zijn stem haar bij name roept: ‘Maria’.
Wat klinkt daarin door: tederheid, liefde, bewogenheid.
Hier laat Jezus zien Wie Hij is: de goede Herder
die haar naam kent
Maria bij haar naam roept.
Die haar wegroept uit het ongeloof.
Zichtbaar wordt Hij voor haar, doordat ze de stem hoort
waarover Jezus heeft gezegd:
Mijn schapen kennen mijn stem.
Als ze mijn stem horen, weten ze dat Ik het ben.
Jezus wordt dus zichtbaar als Hij haar roept bij haar naam.
Doordat zij bij haar naam geroepen wordt,
weet zij het opeens: dit is haar meester,
de relatie is weer terug, want Jezus is er weer!
Mijn meester, roept ze uit: Rabboeni.
Ze is haar ongeloof kwijt en heeft Jezus gevonden,
omdat Jezus aan haar verschijnt en haar bij haar noemt.

Wees niet bevreesd, want Ik heb u verlost,
Ik heb u bij uw naam geroepen, u bent van Mij.

Maria vindt Jezus, doordat zij Zijn stem hoort.
Ze wordt door Hem gevonden, de goede herder
die haar naam kent en bij haar naam roept.

Jezus, de opgestane is dus te vinden.
Hoe kunnen wij omgekeerd worden naar Jezus toe?
Hoe kunnen wij Zijn stem horen?
Hoe kan jij de stem van Jezus horen?
Hoe kan Jezus aan ons verschijnen?

Omdat u Mij gezien hebt, Thomas, hebt u geloofd; zalig zijn zij die niet gezien zullen hebben en toch zullen geloven.(Johannes 20:29)

Wie over Jezus hoort vertellen, komt Hem tegen.
Niet door Hem te zien, maar Hij is er wel, waar over Hem wordt verteld.
Of het nu in de kerk is, op school tijdens het bijbelverhaal,
op de zondagsschool, thuis als de Bijbel opengaat,
komt Jezus naar je toe
en roept Hij jou bij je naam.

Als Jezus in je leven komt, vindt er een verandering plaats
een omkering, terwijl je dat misschien zelf nog niet eens door heeft
net als Maria: zij heeft niet door, dat zij zich naar Jezus toekeert
en het aan Hém vertelt wat haar dwars zit.
Omdat Hij zelf je opzoekt en er is
en bij jou is en je roept,
zodat ook jij en u zegt: mijn Meester, mijn Heer, mijn God!

Daar eindigt het verhaal van Maria niet.
Jezus zegt nog iets tegen Maria:
Houd Mij niet vast!
Dat zouden wij toch ook willen – Jezus vasthouden en bij je houden
zodat je ook weet dat Hij er altijd is.
Nee, zegt Jezus tegen Maria: Ik moet nog verder gaan.
Ik ben niet teruggekomen in een leven op aarde,
Ik moet verder op weg naar de heerlijkheid van Mijn Vader.
Maria, het is nog niet Mijn tijd om hier op aarde te zijn.
Het is nog niet jouw tijd om bij Mij in Mijn heerlijkheid te zijn.
Maria, jouw taak is hierover vertellen:
dat Ik opgestaan ben en Ik op weg ben naar Mijn Vader.
Mijn Vader is ook jullie Vader,
mijn God is ook jullie God.

Met die boodschap kan Maria gaan,
vol geloof: Ik heb de Heer gezien!
Ik heb Hem gezien en Ik leef.
Maria, zo kort nog vol verdriet
wordt een boodschapper van het goede nieuws.

En u en jij?
Wat vertelt u over Jezus door?
Zegt u ook: Ik heb de Heer gezien?
Vertel jij alles over wat je met Hem hebt meegemaakt?
Over wat er met Hem gebeurde en waar Hij nu is:
bij de Vader in de hemel
en dat Zijn Vader ook onze Vader is
en dat Zijn God ook onze God is.
Vertel je ook van de verandering in je leven,
omdat Christus naar je toegekomen is
en jou bij je naam geroepen heeft?

Aan wie dan?
Aan onbekenden?
Aan Mijn broeders zegt Jezus.
Begin maar dichtbij om het daar te oefenen.
Zodat ook zij gaan geloven,
op jouw woorden
en in jouw woorden Mijn stem horen
die ook weer hen bij name roept.
Amen

Jezus leeft!? Preek jeugddienst

Jezus leeft!?
Preek jeugddienst Hazerswoude 8 april 2012

Misschien ben jij Thomas wel. Iedereen om je heen is vrolijk, omdat het Pasen is. Alleen jij bent niet vrolijk. Je voelt je een vreemde tussen al die mensen, die wel geloven en daar met veel vreugde over praten en over zingen. Thomas, twijfelaar – als je jezelf in hem herkent, kun je je hier in de kerk een buitenstaander voelen.
Thomas was er de eerste keer, dat Jezus verscheen, trouwens niet bij. Hij kon het niet opbrengen om bij al de anderen aanwezig te zijn, die wel konden geloven. Thomas niet, hij kon niet geloven. Zijn naam zegt het al: tweeling (Didymus). Iemand met twee zielen in zich. Iemand met twee kanten in zich. Hij wil wel geloven, maar kan niet. Hij wordt heen en weer geslingerd tussen deze twee kanten: geloof en twijfel of misschien zelfs tussen geloof en ongeloof.
Wellicht herken je jezelf in Thomas: je wilt wel geloven, maar je kunt niet voluit geloven omdat je ook die twijfel in je hebt. Je wilt het geloof helemaal niet opgeven, omdat je er niet los van bent. Twee kanten die aan je trekken: geloof en twijfel.
Thomas kon het daarom niet opbrengen om bij de andere volgelingen van Jezus te zijn. Hij hield zich liever apart. Zij zouden zijn vragen en zijn twijfel toch niet begrijpen.
Misschien zit je zo ook wel in de kerk: mijn ouders, mijn vrienden, de leiding van de club, ze begrijpen mijn vragen niet. Ze zullen toch niet begrijpen waarom ik twijfel. Wellicht begrijp je zelf ook niet waarom je twijfelt.
Toen ik zelf op jeugdvereniging zat, vond ik het altijd merkwaardig dat anderen zou enthousiast over Jezus en over het geloof konden zijn. Zelf merkte ik niets van God. Ik had vaak de gedachte dat de hemel gesloten was. Dat mijn gebed niet verder kwam dan het plafond. Wat heb je aan een geopend graf als de hemel niet open is? Wat heb je aan Jezus als de levende als je er in je eigen leven niets van merkt?
Nu zijn er mensen die zeggen: als we maar genoeg bewijzen kunnen aandragen voor de opstanding, wordt het geloven een stuk gemakkelijker. Iemand als Andries Knevel benadrukt steeds dat de verhalen van de opstanding waar gebeurd zijn en historisch betrouwbaar.
Mijn ervaring is dat dit voor deze twijfel geen oplossing is. De opstanding van Christus uit de dood is niet iets dat je zomaar kunt bewijzen. Het werkt niet om zo veel mogelijk bewijzen voor de opstanding aan te dragen. Dat is het gelijk van die twijfel.
Maar ik ben natuurlijk niet gekomen om jullie aan het twijfelen te brengen, maar juist om jullie – als je twijfelt – te helpen om het geloof te ontdekken.
Het zijn de mensen om je heen die je kunnen helpen bij deze twijfel. Als je aan hen kunt zien wat het voor hen betekent, dat Jezus uit de dood opstond. Als je aan je ouders, vrienden, clubleiding of anderen merkt, dat zij door de opstanding van Christus wel geopende hemel ervaren. Door hun oprecht geloof kun je uitgedaagd worden om zelf ook op zoek te gaan naar de levende Heer.
Zo zal het met Thomas ook gegaan zijn: door het oprechte geloof van de anderen, die werkelijk in geloofden dat Christus was opgestaan.  Wellicht dat de andere discipelen tegen Thomas zeiden: we begrijpen je twijfel. We begrijpen het dat je niet kunt geloven. Wij konden het eerst ook niet geloven. Wij kunnen het alleen maar geloven, omdat we Jezus als de Opgestane hebben ontmoet.
Dat is ook een taak voor u als volwassene, als ouder, of voor jullie, voor je vrienden om je heen. Als je wel kunt geloven in de opgestane Heer, dat je dat ook aan anderen laat zien, maar dat je ook laat zien dat geloven in Christus niet iets vanzelfsprekends is. Dat geloof in de Heere Jezus soms ook een worsteling met bepaalde vragen kan zijn.
Ik krijg wel eens de indruk dat christenen denken dat als je gelooft antwoord op alle vragen moet hebben. En dat getuigen wil zeggen: ik heb een antwoord paraat. Zelfs op de moeilijkste vraag. Volgens mij betekent getuigen veel meer dat geloven de vragen niet opzij duwt, maar dat je met deze vragen en twijfel het geloven blijft volhouden. Je kunt beter tegen iemand met vragen zeggen: ik weet ook niet alles. Ik heb ook mijn vragen. Ik worstel ook. Maar ik geloof wel in Christus. Geloof is nooit een prestatie van onze kant, maar een geschenk van Christus.
Jezus leeft!? Dat is het thema. Dat Jezus leeft, is toch onvoorstelbaar? Dat is toch niet de normaalste zaak van de wereld?
Ik heb mij vaak in Thomas herkend, in de twijfelende Thomas. Als ik mijn eigen verhaal vertel, doe ik dat niet omdat ik er trots op ben, maar omdat het je wellicht helpt om ook te geloven dat Jezus leeft. Thomas – dat was ik. Net als Thomas had ik twee kanten in mij. Terwijl ik belijdenis deed, had ik toch ook mijn twijfels. Ik had net als Thomas die twee kanten in mij: ik wilde wel geloven, maar ook de twijfel trok aan mij. Wat ik het moeilijkste vond, was: bidden. Bijvoorbeeld het met elkaar hardop bidden van het Onze Vader. Toen ik theologie studeerde en zelfs toen ik predikant was, had ik nog vaak te maken met deze twijfelende kant. In mijn preken ging het veel vaker over de twijfel of de moeilijkheid om te geloven. Daardoor had ik geen oog voor wat de boodschap zou moeten zijn.
Wat was mijn probleem? Eigenlijk geloofde ik niet dat God werkte en nog steeds werkt. Ik vroeg mij geregeld af of het wel zin had om door te gaan met mijn werk als predikant, met de kerk. Ik dacht geregeld: het voortbestaan van de kerk hangt van mij af. Als ik er niet hard genoeg aan werk, is de kerk straks voorbij.
Hoe ben ik dan veranderd? Dat is niet van de een op de andere dag gegaan (zoals in het bijbelse verhaal van Thomas). Ik ben veranderd door ontmoetingen met gemeenteleden, door hun geloof. Ik zat een keer bij iemand, die ernstig ziek was. Allebei hadden we het idee dat het bijna was afgelopen. Ik durfde nauwelijks te bidden. Diezelfde avond kreeg ik een bericht binnen. Ik dacht eerst, dat men door zou geven dat ze was overleden. Het bleek echter dat zij die dag nog naar het ziekenhuis was geweest en een heel gunstige uitslag kreeg.
De eerste keer dat ik een preek moest houden met Pasen, ging ik de avond ervoor naar de Paasdienst van de Koptische kerk in Amsterdam. Daar in de dienst werd het Paasverhaal opgevoerd met zoveel overtuiging, dat ik merkte dat de mensen er ook echt in geloofden. De dag erna moest ik mijn preek houden. Een heel magere preek, waar niet zo heel veel van de boodschap van Pasen in verwerkt was.
Door deze ontmoetingen en gebeurtenissen ontdekte ik dat ik eigenlijk niet geloofde dat God vandaag de dag nog werkt. Het was geen twijfel dat mij bezighield, maar ongeloof. Nog steeds is dat niet helemaal voorbij, maar ik wist sindsdien wel wat mijn probleem was.
Ik herkende mij in de twijfelende Thomas. Maar het verhaal van Thomas stopt niet bij zijn twijfel. Ook niet bij de Thomas die is afgehaakt. Thomas komt terug.
Waarom gaat Thomas geloven? Door de tekenen die Jezus laat zien? Doordat Jezus Zijn wonden laat zien? Nee, Thomas gelooft, omdat de levende Christus Thomas daartoe oproept: wees niet langer ongelovig, maar geloof. Niet zozeer door de tekenen, maar door de stem van de Levende, de goede Herder.
Zo worden wij ook geroepen door de stem van deze Herder, de levende Heer. Elke keer als de Bijbel opengaat of de er gepreekt wordt, is Hij er en zegt Hij tegen ons: wees niet langer ongelovig, maar geloof!
Amen

Preek Pasen 2011

Preek Pasen 2011
Jezus leeft – en Zijn stem roept ook ons tot leven
Johannes 20:1-18

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Als wij ’s morgens vroeg op weg gaan, hoeven wij niet te zoeken naar de weg. De weg is vaak verlicht door de straatverlichting en ook de auto of de fiets heeft verlichting. Met behulp van de verlichting kunnen wij in het donker de weg vinden.
Maria gaat in het donker op weg naar het graf. Al zoekend en tastend moest ze haar weg vinden. In het duister, waarin ze niets kon zien, moest ze de weg vinden naar het graf. Terwijl ze die weg niet kende. Ze liep in het donker door die tuin, waar ze nog niet eerder was geweest. Met haar handen voor haar uit voelde ze of ze niet tegen een boom op liep of in de takken van een struik terechtkwam. Met haar voeten voelde ze, voorzichtig, hoe de weg liep naar het graf, waar Jozef van Arimathea en Nicodemus Jezus in alle haast hadden neergelegd. Veel tijd hadden ze niet meer, omdat het bijna het grote feest was, Pasen. Waar veel mensen uit de hele wereld naar Jeruzalem waren gekomen. Voor haar, voor Maria, was het geen feest. Ze wilde dat het feest zo snel mogelijk voorbij was. In haar hart was ze te verdrietig om van het feest te genieten. In haar hoofd was ze alleen maar bezig met wat Nicodemus en Jozef van Arimethea haar vertelden: hoe ze Jezus hadden begraven. Het moest snel gebeuren. Het lichaam van iemand die aan het kruis gehangen had, moest nog dezelfde dag worden begraven, want anders zou het lichaam onrein worden. Dat hield in, dat er geen begrafenis meer mogelijk zou zijn. Maar toch, Jezus kreeg een waardige begrafenis. Ze begroeven hem zoals een koning begraven zou worden. Ze balsemden het lichaam, zodat het lichaam nog lang bewaard zou kunnen worden. De mensen zouden nog lang naar het graf van Jezus kunnen gaan. Als iemand ziek was, kon hij naar het graf gaan, in de hoop dat Jezus ook na zijn dood nog voor genezing zou zorgen.
Maria had graag de volgende dag gegaan, maar dat kon niet. Het was sabbat. Dat hield haar tegen om naar het graf van Jezus te gaan. Maar zodra de sabbat voorbij was, kon zij het niet houden. De dag na de begrafenis was voor haar niet gemakkelijk gehad. Want Jezus was voor haar bijzonder geweest. Hij had haar bevrijd van duivelen, die haar leven beheersten. Als zij naar het graf ging, kon zij misschien niet zijn bescherming merken. Dan bleven de duivelen, die haar eerst bezeten hadden, op een afstand. Ze durfden dan niet naar haar toe te gaan, omdat zij nog bij Jezus hoorde. Nog na zijn dood straalde de macht op haar af en was zij beschermd. De dag van de sabbat was zij onrustig geweest, bang en kwetsbaar, ze voelde zich onbeschermd. Waar moest ze haar bescherming vinden nu Jezus er niet meer was? Nu ze niet meer in zijn nabijheid was? Ze was niet alleen verdrietig, maar ook onrustig. Ze hield het niet meer. De volgende morgen ging ze zo vroeg mogelijk naar het graf. Zo vroeg dat het nog donker was. Of liever gezegd: duister.
Ze wandelt in de duisternis naar het graf. ’s Morgens vroeg in het duister, dat is niet alleen maar een sfeerbeschrijving om aan te geven hoe verdrietig Maria is. Dat gebeurt in films wel eens: het verhaal wordt verdrietig of zielig en dan regent het ook nog eens, waardoor het nog verdrietiger wordt. De duisternis, waarin Maria loopt is niet de duisternis van verdriet, van gemis. De Here Jezus had gewaarschuwd om niet in het duister te lopen: Wandelt, terwijl gij het licht hebt, opdat de duisternis u niet overvalle; en wie in de duisternis wandelt, weet niet, waar hij heengaat. Als Johannes vertelt dat Maria in de duisternis naar het graf gaat, geeft hij dus een hint. Maria wandelt in de duisternis, omdat ze nog niet bij Jezus is. Dat was ook wat Maria zelf dacht, alleen bedoelt Johannes het op een andere manier. Maria dacht dat ze door naar het graf te gaan, ook al is het duister, dat zij dan bij Jezus zou zijn. Johannes wil juist zeggen, dat wat Maria denkt (namelijk: door naar het graf te gaan, dat zij zo bij Jezus komt) wandelen in de duisternis is.
Maria zelf heeft dat niet door. Ook niet als de engelen en als Jezus straks zelf aan haar vragen: naar wie ben je op zoek. Het verhaal van Maria gaat er dus een vraag: Hoe kunnen wij dicht bij Jezus zijn? En: hoe is Jezus bij ons? Als we daar een antwoord op hebben, dan hebben wij Pasen begrepen. Dan weten wij waar het met Pasen om gaat: namelijk dat wij weten, waar Jezus is en hoe Hij bij ons aanwezig is.
Zo ver is het nog niet. Maria moet eerst een hele weg afleggen, voor zij dat Jezus vindt. Geen makkelijke weg, want het is een weg, waarop ze eerst zal schrikken, een weg waarop ze veel zal huilen en treuren, voordat zij de Here Jezus werkelijk ontdekt. Ze treurt om het feit dat haar Heer is weggenomen, haar Heer is van haar afgepakt. De Heer bij wie zij dacht bescherming te vinden. Maar was dat wel haar Heer? Of was dat Jezus, zoals zij zich die zelf voorstelde? Daarom wandelde ze in de duisternis, omdat ze niet werkelijk had begrepen, wie Jezus is.
Daarmee is het verhaal van Maria ook voor ons een les. Ook wij kunnen Jezus op de verkeerde manier zoeken. Als we Hem niet zoeken op de plaats waar Hij is, dan kunnen we lang zoeken voor wij Hem vinden. Dan kunnen wij  – net zoals Maria- in zak en as zitten, te treuren, omdat iemand onze Heer van ons heeft afgenomen. Als we teveel denken aan het verleden, wat de Here in het verleden met ons heeft gedaan, hoe Hij in ons eigen leven aanwezig was, of in de kerk, als we net als Maria teveel blijven hangen in het verleden en daardoor het heden niet meer kunnen zien, eigenlijk vergeten dat de Here Jezus ook vandaag in ons midden is en vandaag werkt, dan lopen wij op dezelfde manier als Maria: in de duisternis. Dan lopen we naar het graf van Jezus. Dan is naar de kerk gaan een vorm van herinneren wat Jezus vroeger deed.
Dan zijn het de herinneringen aan vroeger die ons belemmeren om vandaag de dag kerk te zijn, nu blij te zijn, omdat onze Here Jezus is opgewekt. Blijven steken in herinneringen maakt ons somber, neerslachtig en houdt ons gevangen in verdriet, zoals Maria gevangen was in verdriet. Als wij op deze manier naar de kerk gaan, als wij op deze manier met geloof bezig zijn, dan is het goed als ook die Heer wordt weggenomen, zodat wij net als Maria de Levende kunnen ontmoeten. Soms kunnen wij zelf de ontmoeting met de Levende Heer in de weg staan, omdat wij op een verkeerde manier zoeken. Dan loopt ons zoeken op niets uit en vinden wij de Here niet, tenzij Hij naar ons toe komt. En wanneer Hij komt, dan is dat tegelijk de bevrijding uit de duisternis en het licht om ons heen. Dan worden wij wakker geroepen uit ons graf.
We kunnen aan Maria zien, wat het betekent om op een verkeerde manier op zoek te zijn naar Jezus. Er is onrust als ze Jezus niet vindt. Ze rent weg van het graf? Weet ze waar ze heen gaat? Ze komt bij twee discipelen uit: Simon Petrus en de andere discipel. Wanneer je in de duisternis wandelt, wanneer je niet ziet dat Christus ook voor ons vandaag de Levende is, is er onrust: wat moet er gedaan worden om onze Heer in ons midden te hebben? Wat moeten wij doen om Hem bij ons te hebben en Hem vast te houden zodat Hij niet meer van ons kan gaan? De gang van Maria weg van het graf is niet de beheerstheid van iemand die Jezus heeft gevonden, die Hem als de Levende heeft ontmoet.
En ook als ze later weer bij het graf komt na de discipelen. De eerste keer heeft ze het graf niet in durven kijken. Uit angst voor de leegte die op haar af kwam? Bang dat het duistere gat van het graf haar in zijn greep zou krijgen, zoals het eerst donker was in haar leven, omdat ze bezeten was door duivelen?  Als Petrus het graf heeft bezien, durft zij ook te kijken, maar wat zij ziet doet haar verstijven. Geen Jezus, maar wel twee mannen. Wat moet zij er van denken? Waar is haar Jezus? Waar is haar meester? De twee mannen maken haar onrust alleen maar groter. Onnodig, zo weten wij, omdat Johannes ons het verhaal vertelt, maar zo gaat dat in de onrust van het ongeloof, de machteloosheid van gevangen zijn in herinneringen aan de tijd waarin alles beter was. Dan kunnen wij ook de boden, die door God gezonden zijn, om ons te kalmeren en gerust te stellen, die ons er op wijzen dat Christus de Levende is en nog steeds werkt, ook vandaag de dag, dan kunnen wij die boden niet zien als boden die door de Here gezonden zijn. En net als Maria zullen wij dan verstijven bij het graf. Niet getroost, maar gevangen in heimwee, verdriet, vroeger. Dan kunnen we alleen maar treuren, zoals Maria, treuren om een verloren Jezus. Welke Jezus zoeken wij? De Jezus van een glorieus verleden of Jezus die zich vandaag de dag ook in ons midden presenteert als de Levende. Maria ze treurt om de Jezus die haar is afgenomen. Zij weet niet meer waar Jezus is. Ze weet het niet meer. Ze is de regie kwijt. Ze weet de weg niet meer.
Ze weet niet meer waar Jezus is, ze weet niet meer wie Jezus is. In haar gevangenzijn in verdriet herkent zij Jezus niet meer en ziet Hem aan voor de tuinman. Ze keert zich al wel om van het graf. Ze is nu niet meer gefocust op het graf, er niet meer door geobsedeerd. En dat is voor Maria de eerste stap om los te komen uit haar verdriet, los te komen uit die duisternis waarin zij verkeert. Want zij zelf kan zich er niet uit bevrijden. Wat zij ziet bij het geopend graf, het dringt niet tot haar door. Ook als ze de engelen ziet en de vraag van de engelen hoort: “Wat zoek je?” blijft zij geobsedeerd, gevangen haast door het graf. Maar dan keert ze zich om. Het is de eerste stap weg van het graf. En ze richt zich op Jezus. Ze ziet Hem, maar ze herkent Hem niet. Zo dicht bij en toch op een afstand nog. Is dat ook vaak bij ons niet zo: dat we dicht bij Jezus zijn, zonder dat we het beseffen. Dat de Levende zelf in onze nabijheid is, maar dat wij Hem niet zien? Is dat niet de tragiek van de kerk dat Jezus in onze nabijheid is, elke kerkdienst, bij het avondmaal, als Zijn woord opengaat, maar dat wij dat als kerk vaak niet opmerken? Opstanding betekent ook voor ons vandaag de dag dat wij weggeroepen worden van wat wij zien als het graf van Jezus, waarin Hij begraven voor ons lijkt te zijn. Hij is de Levende!
Maria, ze ziet Hem, maar het dringt nog niet tot haar door dat het Jezus zelf is. Ze denkt eerst nog aan iemand die haar kan nood kan oplossen en haar bij Jezus zal brengen. Als ze maar bij Jezus is. Dan is alles goed. Hoopvol en verwachting naar deze man. Iemand die haar bij het echte graf van Jezus kan brengen.
Jezus als de tuinman, het heeft iets mysterieus. Het is alsof Maria nu pas beseft dat het graf in een tuin ligt, een tuin, een hof, zoals ook de hof van Eden een tuin was. Ze krijgt al meer oog voor wat er om haar heen gebeurt. Langzaam laat de duisternis haar los, omdat de duisternis niet tegen het licht van de Levende op kan. De dag gaat over haar op, maar haar ogen kunnen nog niet tegen het licht. Ze beseft nog niet wat er gebeurt. “Wat zoek je?” “Als u weet waar Hij is, toon het mij dan, dan kan ik Hem wegnemen.” Een allerlaatste poging om haar Jezus voor zichzelf te houden, alsof ze begrijpt dat ze haar eigen Jezus verliest, de Jezus die zij zo graag zou willen koesteren en bij zich houden en nooit willen kwijtraken.
Wat er dan gebeurt… Willem Barnard schrijft over dat vers dat het hem nooit lukt “om dit vers te lezen met vaste ongebroken stem. Hier houdt alles op. Hier begint alles.” (Stille omgang, p. 314) De stem die bij de schepping klonk, machtig en majestueus de wereld tot aanzijn riep, die het licht over de aarde aankondigde, opdat de duisternis verbannen zou zijn, de stem die Lazarus bij zijn naam uit het graf riep. “Maria”. Zoals Adam in de tuin tevoorschijn werd geroepen, nadat hij zich voor God verborgen had, zo wordt Maria hier geroepen. Jezus is geen tuinman, Hij heeft een ander beroep: schaapherder. Hier roept de herder zijn schaap terug van de verkeerde weg. Door Maria te roepen bij haar naam, op die manier toont Jezus zich aan Maria als de Opgestane, de Levende. Net zoals onze naam bij de doop klonk. “Ik heb u bij uw naam geroepen: Maria.” Het is niet alleen een stem, die een liefdesverklaring bevat. Dat ook, een intieme, ons liefhebbende stem. Maar ook een stem die ons wegroept uit de verwarring, de godverlatenheid, ons wegroept uit de wanhoop, uit de gedachte dat Jezus iets van vroeger is, die ons aanspeekt als de nieuwe schepping, bij onze nieuwe naam, die het duister uit ons leven wegverkondigt en het licht over ons uitspreekt, die verlorenen thuisbrengt en hen redt van de ondergang en duisternis. Een liefdesverklaring, een uitnodiging: Komt in, Gij gezegende van mijn Vader. Jezus leeft – en Zijn stem roept ook ons tot leven.
Halleluja.
Amen

ds. M.J. Schuurman