Les 18: Belijdenisgeschriften

Les 18: Belijdenisgeschriften

Mirthe heeft geregeld met een collega gesprekken over het geloof. Deze collega is niet met het geloof opgegroeid en heeft veel vragen. Op veel vragen weet Mirthe zelf het antwoord niet. Wat gelooft ze eigenlijk zelf? En bestaat er niet een soort samenvatting van wat het geloof inhoudt?

Johan gaat wel eens met een vriend mee naar een andere kerk. Niet alleen de opzet van de dienst is anders, ook de boodschap van de voorganger is anders. Dat brengt Johan in verwarring. Wat gelooft hij zelf? Wat hoort hij te geloven?

Vraag 1: Waar haal jij je kennis over God en over het geloof vandaan?



Vraag 2: Als een collega of een vriend(in) meer wil weten over het geloof, wat bied je dan aan?


Uitleg
In de kerk bestaan er officiële samenvattingen, waarin we kunnen weten waar de kerk inhoudelijk voor staat. Dat zijn belijdenisgeschriften. Onze kerk, de Protestantse Kerk in Nederland, kent een aantal belijdenisgeschriften. In de belijdenisgeschriften staat wat de officiële leer van de kerk is. Deze belijdenisgeschriften zijn vaak ontstaan in een tijd, waarin er veel discussie was over wat de kerk hoort te leren.

De Protestantse Kerk is in 2004 ontstaan uit een fusie van 3 kerken. De Nederlands Hervormde Kerk, de Gereformeerde Kerken in Nederland en de Evangelisch-Lutherse Kerk.
De Gereformeerde Kerken in Nederland en de Nederlands Hervormde Kerk hadden 6 belijdenisgeschriften:

  • de Apostolische Geloofsbelijdenis
  • De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
  • De geloofsbelijdenis van Athanasius
  • De Heidelberger Catechismus
  • De Nederlandse Geloofsbelijdenis
  • De Dordtse Leerregels

Deze geloofsbelijdenissen zijn ook in verschillende psalmboeken opgenomen. De laatste drie belijdenisgeschriften worden samen de drie formulieren van enigheid genoemd.


De apostolische geloofsbelijdenis
De apostolische geloofsbelijdenis gaat niet terug op de 12 apostelen. De naam geeft aan: de inhoud komt overeen met wat de apostelen geleerd hebben. Deze belijdenis is ontstaan als een belijdenis die nieuwe christenen opzegden bij hun doop. Deze nieuwe christenen lieten de Romeinse of de Griekse godsdienst, waarin ze opgegroeid waren, achter zich en gingen Jezus als hun Heer belijden.
Kenmerkend voor deze belijdenis is de indeling in drieën: eerst wordt iets beleden over God de Vader, daarna over God de Zoon en tenslotte over de Heilige Geest.

De geloofsbelijdenis van Nicea – Constantinopel
In de 4e eeuw werd er gediscussieerd over de vraag of Jezus ook God als of dat Jezus minder dan God was. Op verschillende concilies (officiële vergaderingen) werd uitgesproken dat Jezus net zo goed God was als God de Vader en dat er toch maar één God is. Omdat er ook een Heilige Geest is, spreken we over God als drie-een.
De belijdenis is genoemd naar de verschillende plaatsen waar die concilies gehouden zijn: Nicea (325 na Christus) en Constantinopel (381 na Christus). Deze belijdenis is een uitbreiding van de apostolische geloofsbelijdenis. Deze belijdenis is de meest geaccepteerde belijdenis. Bijna alle kerken over heel de wereld accepteren deze belijdenis.

De geloofsbelijdenis van Athanasius
De geloofsbelijdenis van Athanasius is de meest onbekende geloofsbelijdenis. Ook deze belijdenis is ontstaan in een tijd waarin er werd gediscussieerd over de vraag over Jezus ook God was. Deze belijdenis is een felle verdediging van de gedachte dat God zowel uit Vader, Zoon en Geest bestaat en toch één is. Wie dat niet gelooft, kan niet behouden worden, zegt deze belijdenis. De geloofsbelijdenis is niet geschreven door Athanasius, maar vernoemd naar Athanasius, die de belijdenis van God als drie-één verdedigde.

 

De Nederlandse Geloofsbelijdenis
De Nederlandse Geloofsbelijdenis is in 1561 geschreven door Guido de Brès. In die tijd worden de protestantse gelovigen vervolgd vanwege hun geloof. In deze belijdenis legt De Brès uit wat protestanten geloven. Hij legt uit dat hun geloof niet afwijkt van wat de kerk altijd geleerd heeft. Hij legt uit waarom protestanten niet katholiek kunnen zijn. Ook legt hij uit dat protestanten geen Wederdopers kunnen zijn. Wederdopers hadden voor veel opschudding gezorgd. Niet alleen omdat ze voor de volwassendoop waren (volwassenen werden weder=opnieuw gedoopt), maar ook omdat er nogal wat vreemde praktijken waren bij de Wederdopers.

De Heidelberger Catechismus
De Heidelberger Catechismus is bedoeld om de gewone mensen in de kerk uitleg te geven over wat het geloof inhoudt. Thema’s die aan de orde komen:

  • de geloofsbelijdenis: Wat doet God in jouw leven en in de wereld waarin wij leven?
  • doop en avondmaal: hoe horen we bij Christus en hoe krijgen we deel aan de redding?
  • de Tien geboden: Hoe leven we als christenen tot eer van God? Hoe doen we Zijn wil?
  • en het Onze Vader: Hoe leren we bidden?

Je zou kunnen zeggen: een gelovige hoort zijn geloof op deze thema’s onder woorden te kunnen brengen. De belijdenis bestaat uit vragen en antwoorden. De leermeester stelde de vragen en de leerling gaf antwoord. Zo leerde de leerling zijn eigen geloof persoonlijk onder woorden te brengen.
Deze geloofsbelijdenis is in 1563 ontstaan in Heidelberg. Omdat op dat moment er een gemeente was van uit Nederland gevluchte protestanten, raakte deze belijdenis ook in Nederland bekend.
Deze belijdenis is opgedeeld in 52 zondagen. ‘s Middags konden de jongeren op catechisatie die zondag leren en in de middagdienst werd over die zondag in de kerkdienst gepreekt.

De Dordtse Leerregels
De Dordtse Leerregels gaan onder andere over hoe je gered kunt worden. In 1610 zei Arminius: God redt mensen op basis van hun geloof. Omdat God weet dat mensen gaan geloven, gaat Hij hen redden. De tegenstanders vonden dat Arminius de redding teveel afhankelijk maakte van hoe mensen zullen reageren. God is niet afhankelijk van onze reactie, van ons antwoord. In 1618 komt er een officiële vergadering in Dordrecht, waarin wordt aangegeven dat de kerk kiest voor de lijn van Arminius’ tegenstanders.

Norm of richtlijn?
Veel kerken in Nederland hebben deze 6 belijdenisgeschriften. Er is wel in de afgelopen eeuwen discussie geweest over hoe je ze moet gebruiken. De één ziet ze als norm waarvan je niet mag afwijken. Ook niet als individuele gelovige. De ander ziet de belijdenisgeschriften meer als richtlijn: zo zou je kunnen geloven. De één ziet ze als een samenvatting van wat er in de Bijbel staat. De ander zegt dat je je beter met de Bijbel zelf kunt bezig houden. Het is de moeite waard om de geloofsbelijdenis er steeds bij te pakken. Al kan de plechtige taal waarin ze geschreven zijn een belemmering zijn. Een belemmering om ze goed te kunnen gebruiken is, dat ze ook wel eens over thema’s gaan, die vandaag niet zo actueel meer zijn.
De officiële lijn is dat belijdenisgeschriften aangepast mogen worden, maar dat moet dan wel gebeuren op basis van wat er in de Bijbel staat.  

 

Vraag 4: De eerste vraag van de Heidelberger Catechismus is: Wat is uw enige troost in leven en sterven? Probeer hiervoor je eigen antwoord te formuleren. Wat zou jij zelf op die vraag antwoorden?




Vraag 5: Vergelijk je antwoord met het antwoord uit de Heidelberger Catechismus.
– Welke thema’s heeft de Catechismus, die jij niet hebt?


– Welke thema’s heb jij die niet in de Catechismus staan?


Vraag 6: In de Heidelberger Catechismus worden de geloofsbelijdenis, doop en avondmaal, de Tien geboden en het Onze Vader uitgelegd. Waarover zou jij zelf meer uitleg willen hebben?


 

Dordtse Leerregels (8) Worsteling

Dordtse Leerregels (8) Worsteling
De vraag waarom de Heere ervoor zorgt dat de een wel gaat geloven en de ander niet, kan een vraag zijn die heel dichtbij komt. Als één van de kinderen afgehaakt is. Of als je man of vrouw niet meer mee naar de kerk wil en niet meer over de Heere wil praten. De Heere is de enige die ervoor kan zorgen dat mensen gaan geloven in Hem. Als de Heere ervoor kan zorgen, dat mensen gaan geloven, waarom doet Hij dat niet bij mensen, die ons zo dierbaar zijn? Wie zich dit afvraagt, kan soms behoorlijk worstelen met de wegen die de Heere wijst.
De Dordtse Leerregels wijzen op de raadsbesluiten van God. De Heere maakt de keuze, wie een ommekeer in zijn of haar leven meemaakt en Hij maakt de keuze aan wie Hij deze ommekeer niet laat gebeuren. Het is alsof we op een afstand worden gemaand: we kunnen als mensen niet alles doorgronden van wat God besluit.
Aan de ene kant kan ons dat troost geven. En dat is ook de bedoeling ook van de Dordtse Leerregels: dat wij in tijden van aanvechting onze steun en troost bij de Heere vinden. Hij laat Zijn werk immers niet uit Zijn handen glippen. Hij weet wat Hij doet. Hij overziet alles. Ook wat wij als mensen niet kunnen overzien. Een voor onze tijd spannend gegeven is dat de Dordtse Leerregels uitgaat van de volharding van de gelovigen: wie door God het geloof ontvangen heeft, kan dat geloof niet meer kwijtraken. De Heere geeft niet prijs wat Zijn hand begon. Dat is een geruststelling en een troost voor ouders, die hun kinderen andere wegen zien gaan. Hij laat hen niet (zomaar) gaan.
Aan de andere kant kunnen we er ook mee worstelen. Zoals we als mensen vaak de wegen van de Heere niet kunnen begrijpen. Als mensen kunnen we met die onbegrijpelijke wegen die wij gaan mee worstelen, we kunnen het geloof kwijtraken of we kunnen ons vertrouwen in de Heere vinden. Is het wel zo, dat wij als mensen het geloof, dat we van de Heere ontvangen hebben, niet kunnen kwijtraken? In de praktijk lijkt dat toch te gebeuren? Jongeren die van geloof niets meer willen weten, maar in hun kindertijd vol enthousiasme en kinderlijk geloof de psalmen en de liederen konden meezingen? Voor ouders is dat niet gemakkelijk om te zien, dat kinderen andere wegen gaan. Die keuze van de kinderen kan ook de vreugde van het geloof wegnemen, terwijl zij hun kinderen zelf niet willen afstoten. Voor wie deze ervaring heeft, kan het antwoord van de Dordtse Leerregels ook heel scherp zijn. Er wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen gelovigen die uitverkozen zijn en ongelovigen die verworpen worden. Is de scheiding die door gezinnen loopt, dan terug te voeren op het onderscheid dat God maakt?
De Dordtse Leerregels manen ons om niet te ver te gaan met onze conclusies over verkiezing en verwerping. We moeten niet teveel willen weten hoe de raadsbesluiten van God werken. Bovendien suggereren de Dordtse Leerregls, dat onze vraagstelling niet goed is: het zou niet moeten gaan om de vraag waarom God bepaalde mensen niet het geloof schenkt, maar we moeten ons meer afvragen waarom God wel geloof schenkt. Dat had Hij niet hoeven doen en deed dat in Zijn oneindige barmhartigheid toch. Helpt deze correctie ons verder?

ds. M.J. Schuurman

Dordtse Leerregels (6): Gods Woord door middel van mensen

Dordtse Leerregels (6): Gods Woord door middel van mensen
Het wantrouwen naar God toe moet overwonnen worden. Vanuit onszelf kunnen wij dat niet. Hoe kunnen wij het diepgewortelde wantrouwen, waardoor de zonde wordt gekenmerkt, overwinnen? Dat kan God alleen. Hij gebruikt daarvoor mensen. Mensen die net zo zondig en wantrouwend naar God toe zijn als wij. Hij gebruikt hen als instrumenten in Zijn dienst. Zij mogen namens  God tot ons spreken. Door met ons in gesprek te gaan en door ons aan te spreken wil de Heere dat wantrouwen in ons overwinnen. Dat aanspreken gebeurt door middel van mensen. De Dordtse Leerregels zien hierin Gods bijzondere zorg voor ons en onze zaligheid. Het is een verleiding om te denken dat God tot ons spreekt door een innerlijke ervaring, of door een beleving van een indrukwekkende natuurverschijnsel. Ook van deze middelen kan God gebruik maken. Maar God spreekt vooral door mensen tot ons. Deze mensen hebben deze taak niet voor zichzelf gekozen. Zij voelden zich geroepen door de Heere zelf om deze taak op zich te nemen. Die roeping is door de kerk erkent. Velen van hen zijn predikant geworden. Anderen evangelist of kerkelijk werker. Of ouderling. Ook zonder ambt kunnen gelovigen deze taak vervullen.
Waarom gebruikt de Heere mensen om ons tot geloof en tot vertrouwen op Hem te brengen? Omdat Hij ons hart kent. Als Hij alleen maar in ons hart spreekt, zouden we nog twijfelen. Dan zouden we in ons wantrouwen de boodschap van God vervormen. Het woord dat door een ander wordt gezegd, heeft meer gezag dan wij zelf iets zouden bedenken. Een vrouw kan weten dat haar man van haar houdt. Ze gelooft hem nog meer als hij het ook tegen haar zegt. De boodschap, die de Heere naar ons laat toekomen, is zo overweldigend en rijk. Dat kunnen wij in ons wantrouwen niet geloven. Wij zouden er een kwade bedoeling achter zoeken. Wordt de boodschap van God door anderen tegen ons gesproken, dan heeft die boodschap gezag. Het is een ander die het tegen ons zegt, die tegen ons in kan gaan of die ons durft te bemoedigen als wij het niet durven te geloven. Dat de Heere God predikanten, ambtsdragers en vrijmoedige gelovigen geeft, laat Zijn bewogenheid zien: Zijn bewogenheid om ons te redden van onze hoogmoed, ons wantrouwen en onze traagheid.
Als we het bovenstaande op ons laten inwerken, krijgt ook de prediking en de woorden de de ambtsdrager vanuit zijn ambt tegen ons zegt meer gewicht. In de prediking en in de woorden van de ambtsdragers klinkt Gods stem zelf door. Dat betekent overigens dat de ambtsdrager en de vrijmoedige gelovige zelf ook eerst gehoorzaam is en luistert naar de stem van God. Gemeenteleden merken vaak op als de predikant of de ambtsdrager de stap om zelf eerst ootmoedig te worden voor God is vergeten.
God werkt door middel van mensen. Het evangelie is een boodschap die mensen niet koud laat. Het evangelie van Jezus Christus raakt mensen, neemt mensen mee, verandert en bekeert mensen. Daardoor kunnen anderen zien hoe het evangelie ‘werkt’: onbewust zijn degenen die zich gewonnen hebben gegeven aan Gods Woord een voorbeeld voor anderen.

ds. M.J. Schuurman

Gedachten over de Dordtse Leerregels: waar het om gaat

Gedachten over de Dordtse Leerregels

(1): Introductie
De Dordtse Leerregels hebben geen goede naam. Dit belijdenisgeschrift zou star en rechtlijnig zijn. Scherpslijperij. Zo dacht ik er eerst ook over. Tot ik in mijn vorige gemeente gevraagd werd om eens op kerkenraad te vertellen wat er in de Dordtse Leerregels staat.

Want de kerkenraad had in het beleidsplan opgenomen dat de gemeente in haar beleid zich aansloot bij de gereformeerde belijdenisgeschriften. Op papier klinkt dat mooi, maar wat staat er eigenlijk in de Catechismus, de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels? En wat betekent dat voor de praktijk om deze belijdenisgeschriften op te nemen in het beleid? Toen moest ik deze belijdenisgeschriften doorlezen. Bij het lezen  raakte ik onder de indruk van de Dordtse Leerregels. Het is een boek vol troost. Het is de moeite waard om dit belijdenisgeschrift te lezen met het oog op onze eigen tijd. Hoe kunnen wij de troost en de kracht van het evangelie in onze eigen tijd ontdekken? Wat kunnen de Dordtse Leerregels ons leren?
Ik heb overwogen om een prekenserie te wijden aan dit boek vol troost. Het nadeel is dat de leerdiensten in de avonddienst vaak te weinig op elkaar aansluiten. De serie zou te verbrokkeld raken. Daarom probeer ik – als vervanging – in de Veluwse Kerkbode telkens enkele gedachten over dit geschrift op te nemen.

(2) Waar het om gaat

De Dordtse Leerregels zijn voor veel mensen onbekend. Hooguit weet men de jaartallen, waarin de Synode van Dordrecht werden gehouden (1618-1619). En als het om de inhoud gaat, weet men vaak één woord te noemen: uitverkiezing. Dit woord uitverkiezing roept vaak nogal wat onrust op. ‘Ik ben vast niet uitverkoren. Dat is voor mij niet weggelegd. Dat is alleen voor een select groepje weggelegd. Daar hoor ik niet bij!’. De onzekerheid, die het woord uitverkiezing oproept, zou wel eens een van de redenen zijn, waarom de Dordtse Leerregels niet gelezen worden. Dit geschrift roept zoveel op, je kunt het dan beter ongelezen laten.
Maar gaat het daar in de Dordtse Leerregels wel om? Wie de inleiding op de Dordtse Leerregels leest, komt iets anders tegen. Daar wordt begonnen met Mattheüs 28:20: En zie, Ik ben met u al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Dit is volgens de Dordtse Leerregels de belangrijkste belofte die de Heere aan Zijn kerk heeft gegeven. De kerk heeft het op aarde vaak niet gemakkelijk. Soms heeft de kerk te maken met vervolging. Een andere keer wordt de kerk op een verkeerd spoor gebracht doordat er in de verkondiging een verkeerd beeld van God wordt doorgegeven. De kerk kan van buitenaf aangevallen worden en van binnenuit verdeeld raken. Daardoor lijkt het alsof de kerk alle zekerheid verliest.
Toch is dat niet zo. De kerk heeft één zekerheid: Christus woont niet alleen in de hemel, maar is tot aan de Wederkomst ook aanwezig bij Zijn kerk. Ook al kan het vaak lijken, alsof onze Heer er niet meer is – Hij is er toch! Aanwezig in de eredienst. Aanwezig in de kerk, Zijn lichaam. En Zijn aanwezigheid is onze houvast. De Dordtse Leerregels hebben maar één doel: het geloof in deze belofte sterken. Want als de kerk niet meer gelooft in de aanwezigheid van haar Heer, is zij alle zekerheid kwijt en is zij zelfs alle geloof kwijt. De kerk gelooft de belofte dat Christus aanwezig is, omdat ze gelooft dat God betrouwbaar is.
Deze zekerheid wordt vaak aangevochten. In het leven van de gelovige, die er niets van ziet. In de kerkelijke praktijk, als de eenheid onder druk staat of als de christenen worden vervolgd. Verliest de kerk het geloof in de belofte van Christus’ aanwezigheid, is zij dus alle geloof verloren en is zij geen kerk meer. Wat de Dordtse Leerregels verdedigen,vinden we ook terug in het avondmaalsformulier en in de Heidelberger Catechismus: onze zekerheid vinden we niet in ons zelf, maar in Christus.
Het gaat hierbij niet om scherpzinnige futiliteiten. Het gaat om alle houvast, die wij na dit leven en in dit leven kunnen vinden. Het gaat erom, dat de kerk kerk is en dat de gelovige vertrouwt op en gelooft in Christus. Stelt de kerk haar zekerheid niet meer op Christus (maar op iets anders), dan is zij geen kerk meer. Ook al heeft zij nog zo’n orthodoxe uitstraling.
Waar gaat het in de Dordtse Leerregels om? Om de aanwezigheid van Christus bij Zijn kerk. Om de betrouwbaarheid van deze belofte en om de betrouwbaarheid van Godzelf. En om de zekerheid die er in en na dit leven is te verkrijgen, de zekerheid die alleen God kan schenken.

ds.M.J. Schuurman

Gepubliceerd in de Veluwse Kerkbode van 17 en 24 sept 2011

Een mooie vertaling van de Dordtse Leerregels is te vinden in Belijdenisgeschriften van de Protestantse Kerk in Nederland.
Helaas zijn op de website van de PKN en achterin de Herziene Statenvertaling ouderwetse vertalingen van de Dordtse Leerregels opgenomen.

Zie voor uitverkiezing ook: https://mjschuurman.wordpress.com/2010/12/14/uitverkiezing-gods-bewogenheid-met-zijn-schepselen/

Uitverkiezing : Gods bewogenheid met Zijn schepselen

Uitverkiezing : Gods bewogenheid met Zijn schepselen

Uitverkiezing is een beladen term geworden. Tenminste als die uitverkiezing door God gebeurt. Mensen onderling houden er wel van om door elkaar uitverkoren te worden. Terwijl de Bijbel volop over uitverkiezing door God spreekt, is het een woord dat in de kerk en in de preek nauwelijks meer gebruikt wordt.

Een van de redenen is dat men bij uitverkiezing denkt aan een willekeurig selectieproces. Zoals een kamparts ten tijde van de Tweede Wereldoorlog mensen beoordeelde en selecteerde voor de gasovens of het zware werk in het kamp. Wanneer men hoort over verkiezing en verwerping door God is dat vaak de eerste associatie. Hoe begrijpelijk deze associatie ook is, het is een zware karikatuur.

Barmhartigheid van God
Wie de Bijbelgedeelten of de geloofsbelijdenis over uitverkiezing nauwkeurig naleest, zal ontdekken dat men God typeert als barmhartig en met mensen bewogen. Uitverkiezing start dus met de betrokkenheid van God op mensen. De Dordtse Leerregels beginnen daarom ook met het citeren van Johannes 3:16.  Uitverkiezing betekent dat God niets liever zou willen dan dat de gehele mensheid gered zou worden. Het beeld van God als selecterende kamparts past niet bij de God van de Bijbel.
Onze gedachten over uitverkiezing en verwerping moeten dus door de Bijbel worden gecorrigeerd. En dat is niet gemakkelijk. Onze eigen vooroordelen zijn niet zo gemakkelijk te corrigeren. Zeker onze vooroordelen over God niet, want we blijven zondaren! Daarnaast zijn de gedeelten over uitverkiezing niet altijd gemakkelijk en kunnen ze veel misverstanden oproepen.

Romeinen 9-11
Een belangrijk gedeelte over uitverkiezing is Romeinen 9-11. Paulus gaat in op de vraag, waarom zijn Joodse broeders en zusters niet tot geloof gekomen zijn in Jezus Christus. De Joden waren toch volk van God. Zij hadden toch moeten geloven. Nu zij Christus hebben afgewezen, heeft God zijn handen van dit volk afgetrokken? God werkt met uitverkiezing. Deze uitverkiezing is van voor de grondlegging der wereld.
Maar hoe laat Hij dat aan mensen weten? Door de verkondiging van het evangelie. Paulus gebruikt hiervoor het woord roeping. Hij ziet zichzelf als een bode die de boodschap van God naar alle landen moet gaan om mensen tot geloof te bewegen. Wanneer God mensen uitverkiest, laat Hij hen dus het evangelie horen: mogelijkheid om tot inkeer te komen en van het oordeel te ontkomen.
Maar als mensen de boodschap afwijzen? Dan verwerpt Hij hen – net zoals Hij het volk Israël verwierp. Maar verwerping is voor God niet direct een eindpunt. God kan uit het verkeerde, namelijk verzet tegen Zijn evangelie, nog wegen ten goede leiden. Dat Israël Christus verwierp, is voor God een mogelijkheid om het evangelie naar de heidenen te laten gaan. Het geloof van de heidenen kan Israël weer terugbrengen bij God. Paulus werkt dus onder de heidenen om het geloof aan zijn volksgenoten te brengen.
Voor verwerping gebruikt Paulus in 11:8 het beeld van de slaap. Dit beeld is ontleend aan Jesaja 29, waar de profeet aankondigt dat God Zijn volk laat in de toestand waar ze zelf voor hadden gekozen, namelijk verzet tegen God en zondige praktijken. De profeet Jesaja kondigt aan dat de Here het volk in slaap laat zakken. Met andere woorden: Hij roept hen op dat moment niet terug, zodat ze de gevolgen van hun daden zullen inzien. Paulus haalt dit aan om aan te geven dat de schuld van de val van Israël bij Israël zelf ligt en niet bij God. De Here heeft steeds verkondigd in het midden van Zijn volk. Tot en met het zenden van Zijn Zoon toe. Zelfs die hebben ze afgewezen.

De verloren zoon
Tot nu toe klinkt uitverkiezing en verwerping wellicht nog niet als evangelie. Wat verkiezing en verwerping is, kunnen wij ook zien in gelijkenis van de verloren zoon. De jongste zoon heeft het goed bij zijn vader, maar wil de wijde wereld in. Daarvoor heeft hij zijn erfdeel alvast nodig. De vader geeft dit aan zijn zoon. Met het risico dat het bedrijf in een enorme crisis komt en met het risico dat de zoon alles erdoor heen jaagt. Verwerping hiermee vergelijken: God laat degene die Zijn evangelie afwijst, gaan. In de hoop dat hij ontdekt niet zonder God kan. Zodat hij – net als de verloren zoon op het dieptepunt van zijn leven – ontdekt niet zonder God te kunnen. Terwijl de vader zijn zoon laat gaan, staat de vader op de uitkijk. Nog voor de jongste zoon heel zijn geld erdoor heen heeft gejaagd, wacht de vader op hem.
Zoiets verwoordt Paulus in Romeinen 11 ook: verwerping door God is geen onverschilligheid. Nadat Hij iemand verwerpt, blijft Hij rusteloos bezig om ons het leven in Christus te geven. Hij houdt niet op. God verwerpt in de hoop dat mensen in hun eigen gekozen weg vastlopen. Zelfs als we niet naar God zouden durven toegaan, is Hij bereid om ons te halen (gelijkenis van het verloren schaap).
Op allerlei manieren kan Hij tot ons komen. Als wij Zijn stem horen, mogen wij erop vertrouwen dat God ons ook het geloof wil schenken. God houdt ons geen worst voor. God is betrouwbaar en Gods betrouwbaarheid is een van de pijlers van de uitverkiezing. Zolang er leven is, is er genadetijd. Zolang met ons bezig. Maar Paulus is wel duidelijk. Roeping vraagt wel om beamen: geloof en acceptatie. Paulus leert geen alverzoening. Dan zou hij het niet zo belangrijk vinden om de gemeente te waarschuwen voor een terugval in het oude leven. Want door ons in te laten met het oude leven, zouden we weer onder het oordeel vallen (dat bij na het luisteren naar die roepstem weggedragen was door Christus).

Troost
Wat is de troost van de uitverkiezing? Dat God ons niet kiest op basis van onze prestaties. Ook niet op basis van de verwachting dat wij wel zouden gaan geloven. God kiest voor ons – in de wetenschap dat wij vanuit onszelf helemaal niet willen. Dat wij geloven, is een geschenk van God. Dat betekent dat God rusteloos met ons bezig is geweest. Uitverkiezing betekent ook, dat God al bezig is met ons, voor wij dat beseffen. Als God Paulus en mij tot geloof heeft kunnen brengen, kan Hij dat bij anderen ook doen. Verkiezing betekent, dat God bij machte is elke belemmering om in hem te geloven weg kan nemen.
Uitverkiezing betekent ook dat degenen die afscheid hebben genomen van kerk en geloof geen afscheid hebben genomen van de Heilige Geest. Ook in hen kan God werken. Zelfs tot op het laatste moment voor de dood, zoals bij de moordenaar aan het kruis. Voor ouders van wie de kinderen hebben gebroken met het geloof is dat een houvast. Want gebed is mogelijk en nodig (Romeinen 10:1).
God is barmhartiger dan wij kunnen indenken. In het huwelijk kan een ongelovige man volgens Paulus geheiligd zijn door de vrouw. En als Israëls ongehoorzame dwaalweg al zoveel goeds teweeg brengt (namelijk het geloof van de volken), dan kan de ommekeer van Israël nog veel meer betekenen. En voor onze gereformeerde vaderen gold het geloof van ouders voor kinderen die nog niet mondig waren. Dat is zelfs de basis van de kinderdoop: God rekent de kinderen tot het verbond tot zij zelf de belofte van God kunnen ontvangen.
Uitverkiezing komt tot ons door roeping en vraagt dus geloof. Uitverkiezing gaat ook gepaard met heiliging en volharding. God vormt ons tot het beeld van Zijn Zoon. En hoeveel aanvechtingen en verleidingen er ook mogen komen, als God ons geroepen heeft, zorgt Hij ervoor dat ons geloof staande blijft. Net als uitverkiezing en geloof is ook volharding het werk van God.

ds. M.J. Schuurman