Preek zondagmiddag 17 februari 2019

Preek zondagmiddag 17 februari 2019
Dienst met medewerking van Christelijke Muziekvereniging Concordia
Schriftlezing: Psalm 118

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het loven van God is niet iets dat je in je eentje doet.
Je betrekt er anderen bij: Loof de Heer.
Een oproep om mee te doen in het loven van God.
Je wilt niet de enige zijn die onder de indruk is van de Heere
en je wilt alleen staan in het bezingen van God,
Want Hij is het waard dat er velen zijn die de Heere loven.
Want Hij is goed, eeuwig duurt zijn trouw.
Iedereen moet instemmen met de ervaring die je hebt opgedaan,
dat God goed is en dat aan Zijn trouw nooit een einde komt.
Heel Israël moet er in meestemmen, dat God goed is en Gods trouw nooit eindigt.
Israël, dat vanuit de eigen geschiedenis kan vertellen over Gods goedheid
en verhalen te over heeft om te vertellen van Gods trouw.

De priesters, die dag in dag uit in de tempel mogen werken
en dicht bij God mogen zijn, vrijgesteld om Hem te dienen met hun werk,
ze worden opgeroepen
om het dienen van God in de eredienst van de tempel niet tot een formaliteit te laten worden
maar om het met hart en ziel te doen, met vreugde om de God die ze mogen dienen:
de goedheid van God is niet alleen maar iets dat je in de tempel ervaart,
maar in alles om je heen, in de schepping, in je eigen leven, in de wereld
kun je steeds weer opnieuw opmerken dat deze wereld geschapen is
door God die alleen maar goed is
– goedheid is Zijn karakter en goed was de wereld toen Hij deze wereld schiep.
Steeds weer opnieuw mag je ervaren
dat je voor altijd geborgen bent in Zijn trouw, Zijn goedertierenheid.
Je kunt niet uit Zijn hand vallen. Daarom: doe mee in de lof op jouw en onze Heer.

Het loven van God is niet iets dat tot de kerk of tot de tempel beperkt mag blijven.
Ook daarbuiten, bij degenen die er van oudsher niet mee opgegroeid zijn.
Dat is namelijk van de derde groep
die na het volk Israël en de priesters uitgedaagd worden om mee in te stemmen met de lof
de gedachte: dat zijn mogelijk degenen die er niet van huis uit mee zijn opgevoed.
Die later in hun leven met God in aanraking gekomen zijn
En onder de indruk zijn geraakt en zijn gaan geloven.
Of je er nu van huis met opgegroeid bent en de verhalen over God hebt meegekregen,
dat je het in je opvoeding hebt meegekregen
dat God goed is en dat je altijd mag rekenen op de trouw van God,
of dat je dat later ook hebt mogen ontdekken en bent gaan geloven:
Iedereen wordt opgeroepen om God te loven,
zodat heel de aarde vol is van de lof op God.

Dat loven van God – is dat nu iets wat je doet als je in de stemming bent?
Als je een dienst hebt met een orkest en waarin je veel liederen zingt?
Stemming kan best uitmaken.
Het valt mij altijd op aan het einde van de winter, als de eerste lentedagen komen
alle mensen gelijk vrolijker zijn, uitbundiger.
Dan ben je misschien wel makkelijker mee te nemen in het loven op God
En geef je wellicht eerder gehoor aan de oproep om God te loven.
Toch gaat het bij het loven van God om meer dan een bepaalde stemming.

Ik kwam dat tegen bij de Duitse theoloog Claus Westermann.
Deze Claus Westermann heeft zich veel met het Oude Testament bezig gehouden
En een van de thema’s uit het OT waar hij mee bezig was, was het loven van God.
In zijn boek over het loven van God in de Psalmen begint hij ermee
door te zeggen dat het loven van God de kerk weer bezig hield.
Het waren juist de moeilijke tijden van de Tweede Wereldoorlog
En voor de Duitse kerk de tijd ervoor, toen Hitler aan de macht gekomen was
En velen in de verleiding raakten om daarin de hand van God te zien,
die tijd was voor de Duitse kerk al een moeilijke tijd,
maar juist in die tijd ontdekte de kerk volgens Claus Westermann weer het loven van God.
Na de oorlog werd een verzameling van brieven uitgegeven,
Die geschreven was door predikanten die in de gevangenis gezeten hadden.
De titel van die uitgegeven brieven was En zij loofden God.
Een andere predikant gaf gedichten uit van de periode 1933-1945
En die bundel gaf hij de titel mee Lof uit de diepte.
Juist de tegenstand waar de kerk mee te maken kreeg,
Zorgde ervoor dat de kerk weer uitkwam bij het loven van God.
Westermann wist overigens waar hij het over had.
Hij was als predikant lid van de groep kerken die zich verzette tegen Hitler,
wat hem in die tijd al verdacht maakte.
diende in de Tweede Wereldoorlog als soldaat
en zat als krijgsgevangene een aantal maanden in een Russisch kamp.
Om zich bezig te houden, verdiepte hij zich in de psalmen.
In zijn voorwoord van zijn boek over het loven van God in de psalmen schrijft Westermann:
Hier en daar ervoeren gemeenteleden onder de zware druk van het gebeuren
dat zij niet alleen het geduld leerden
en zich eerden om zich te voegen in wat hen werd opgelegd,
maar dat zij onder de hun opgelegde last – ondanks alle aanvechtingen –
in staat waren om God te loven.
Voor iedereen die dat meemaakte was dat een ontdekking.
Westermann gaat erop door: de lof op God die in moeilijke omstandigheden opkomt,
zorgt ervoor dat je niet meer alleen staat,
maar dat je onderdeel bent van een gemeente, een gemeenschap
Loof de Heer, want Hij is goed. Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

Dat zijn dus niet alleen woorden, die klinken om een mooie dag in februari,
waarbij de lentezon alles weer tot leven wekt
en laat weten dat het met de kou en de regenachtige dagen voorlopig gedaan is.
Juist de ervaring dat alles in je leven op het spel staat  en je alles kunt kwijtraken
die je brengt tot de lof op God.
Uit de benauwdheid heb ik tot de Heere geroepen. horen we in de psalm.
Een nare ervaring, waarbij je geen lucht meer hebt om te ademen en dreigt te stikken.
Ik hoorde een keer iemand in het ziekenhuis zeggen:
‘Benauwdheid is erger dan pijn. Want bij pijn kun je nog pijnstillers nemen,
maar bij benauwdheid weet je niet waar je het moet zoeken.’
Ik heb ook de verhalen gehoord van mensen met longproblemen
die ‘s morgens voor dag en dauw al hapten naar adem
en dan moest de dag nog beginnen.
Een gebrek aan lucht en ruimte – benauwdheid.
Later in de psalm wordt die ervaring concreter gemaakt:
Oorlogsgeweld, een omsingeling, waarbij er geen ontsnappen meer mogelijk is
en de vijand vol dreiging op je afkomt.
Dat is het moment, waarop de lof geboren wordt,
Was het inzicht dat Westermann had opgedaan.
Dat inzicht doe je niet op door met elkaar te discussiëren,
Want daar is geen tijd voor, je kunt alleen maar roepen, roepen om God
dat Hij komt helpen: Uit de benauwdheid heb ik tot de Heere geroepen.
Daar in de benauwdheid wordt de lof geboren,
niet in de zin dat je dan al kunt loven, daar heb je dan geen adem voor,
maar wel, dat als je zelf geen uitkomst meer ziet, als alles verloren lijkt
dat God er dan is, en je eruit helpt en je het leven teruggeeft.
Want dat roepen was niet tevergeefs,
het was geen loze kreet, in het heelal geslingerd uit onmacht,
maar gericht aan de Heere, die het ook hoorde en daadwerkelijk kwam.
Dat is kenmerk van geloof, zo gaan de gelovige en God met elkaar om:
de gelovige roept tot God en om God en de Heere antwoordt,
de Heere laat Zijn trouw en goedheid zien en de gelovige looft de Heer.
God is goed.
Eigenlijk kun je het niet onder woorden brengen.
God is goed – dat zeggen is eigenlijk maar een stamelen, een zoeken van woorden
om aan anderen te beschrijven hoe wij God ervaren:
God is goed – het is een lof op Gods karakter: zo is God.
Zo laat God zich zien en zo heb ik Hem zelf ook mogen ervaren.
En het is niet alleen maar mijn eigen ervaring.
Het wordt ook in de verhalen in de Bijbel zo verteld,
Het is door veel gelovigen voor mij zo ervaren, ze hebben die ervaringen doorverteld
En zelf mag ik het ook ervaren: Gods goedheid en Gods trouw.
En ik wil mee kunnen zingen over Zijn goedheid en over Zijn trouw,
omdat zij daarmee kunnen instemmen en dat ook zelf mogen ervaren.
Loven doe je niet in je eentje. Je betrekt er anderen bij.

Maar wat als je net als Thomas bent, die Jezus nog niet heeft ontmoet
op de eerste avond van Pasen, toen Jezus aan Zijn discipelen verscheen
en daarom het geloof niet heeft?
Toch nodigen ze Thomas weer uit, zodat Hij er de volgende keer er wel bij is
en Hij Jezus mag ontmoeten, opgestaan uit de dood.
En zo heeft Hij zelf die ervaring ook, dat Jezus inderdaad leeft
en zijn verdriet wordt van hem afgenomen, Thomas gelooft
en kan wel zingen van vreugde: Loof de Heer, want Hij is goed.
Zelfs de dood kan Zijn trouw en goedheid niet beëindigen.
Voor altijd geborgen in Gods trouw.

In de uitleg wordt God is goed verbonden aan de schepping,
God zag wat Hij geschapen had en zie het was goed.
De goedertierenheid, de trouw zou dan op de geschiedenis van Israël wijzen.
God gaat met Zijn volk mee:
Vanaf dat Hij deze wereld geschapen had,
Abraham die werd uitgekozen als vader van een volk dat God zal dienen,
God die dat volk uit Egypte bracht, door de woestijn, in Kanaän.
Loof de Heer, want Hij is goed, Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Loven is vol verwondering opzien naar God,
onder de indruk van hoe Hij alles heeft geschapen: Hoe groot zijt Gij!
In het zingen worden we meegenomen in de verwondering
dat Jezus naar de aarde kwam, om onze schuld te dragen.
Loof de Heer, want Hij is goed, Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Hoe groot zijt Gij.
Het uitzicht, de verwachting dat Jezus eens zal komen
met majesteit en luister, om ons thuis te brengen.
Loof de Heer, want Hij is goed, Want Zijn goedertierenheid is tot in eeuwigheid.
Amen

Preek zondag 27 januari 2019 – middagdienst

Preek zondag 27 januari 2019 – middagdienst
Schriftlezing: Mattheüs 6:19-34
Tekst: Mattheüs 6:33

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Afgelopen zondag moest ik in een gemeente zijn,
waar ik al sinds ik predikant ben als gastpredikant in kerkdiensten voorga.
Het was er een stuk rustiger dan op de andere keren dat ik in die kerk voorging.
Na de kerkdienst ging het over de preek die ik gehouden had.
Niet over het aantal kerkgangers dat minder was dan anders.
Dat viel mij op, want meestal, als het minder kerkgangers zijn dan anders,
wordt er in de consistorie wel een verontschuldiging uitgesproken
of nagedacht over de oorzaken die er zijn.
(Dat vind ik eigenlijk ook meestal niet zo’n prettig gesprek,
omdat het tekort doet aan degenen die wél gekomen zijn.)
Op de weg naar huis dacht ik na over de kerkgang
en ging ik me toch wel zorgen maken over die gemeente, waar ik geregeld kom.
Zou het een incident zijn, of zouden er heel wat leden van die gemeente
niet meer komen uit onvrede of overgestapt op naar en andere gemeente in de buurt?
De volgende morgen las ik dit gedeelte, dat ik al enige tijd geleden had uitgekozen
en ik las hoe de Heere Jezus aangaf, dat we als ons geen zorgen moeten maken.

(2) We maken ons snel om dingen bezorgd
Als je je zorgen maakt, ben je een kleingelovige, zegt Jezus
En dat is in dit gedeelte geen compliment,
maar een duidelijke waarschuwing dat je je echt zorgen moet maken over je geloof,
want met een klein geloof heb je helemaal geen vertrouwen in God
En heb je eigenlijk geen geloof.
En wanneer je je om allerlei zaken zorgen maakt, verschil je niet van iemand
die geen geloof hebt, ben je eerder een heiden en een gelovige.
Je zou je toch zorgen maken als er te weinig geld is om eten te kopen,
als je bij de kassa staat en je kunt je boodschappen niet betalen,
omdat je saldo ontoereikend is.
Als je geen geld hebt om kleren te kopen, kun je er misschien nog lang mee doen
of ze krijgen van een ander, die ze niet meer nodig heeft,
maar als je in deze week niet genoeg kleding hebt om je te kleden tegen de kou,
dan is het toch terecht als je je zorgen maakt?

In onze tijd moet je toch wel vooruitkijken en je planning maken?
Je moet goed uitrekenen hoe je uitkomt met je pensioen,
om te voorkomen dat als je met pensioen gaat niet genoeg hebt voor een prettig leven.
Je moet wel een bepaald bedrag op de bank hebben
voor het geval je onverwacht een grote uitgave moet doen
als de wasmachine ermee ophoudt of als je kosten voor de auto maakt.
Het leven brengt toch zijn zorgen mee, als je een gezin hebt,
een hypotheek hebt af te lossen, als er rekeningen betaald moeten worden?
En hoe meer verantwoordelijkheid je hebt, hoe meer zorgen je met je meedraagt. Toch?
Als jouw onderneming veel zaken doet, en je weet niet wat de Brexit gaat brengen
en je zelfs het risico loopt dat je werknemers moet ontslaan,
die dan ook weer in een onzekere periode komen,
dan is het toch geen wonder dat je er soms slecht van slaapt en je humeurig wordt
omdat de zorgen op je drukken?
Hoe kan Jezus nu zeggen dat Zijn leerlingen zich geen zorgen mogen maken
en dat als ze dat wel doen, dat ze dan een klein geloof hebben
en lijken op mensen die helemaal geen band met God hebben?
Dan zijn we op zijn tijd toch allemaal mensen, die geen band hebben met God?
Want wie heeft er nooit zijn zorgen?
Een bestaan zonder zorgen is eigenlijk onmogelijk.
Geen wonder, dat Jezus verderop in de bergrede zegt,
dat het moeilijk is om te geloven: het is net als door een hele nauwe poort gaan,
over een smalle weg, een weg die door bijna niemand gekozen wordt,
omdat die weg die Jezus voorhoudt toch te ingewikkeld is om te gaan.

(3) We moeten de vogels en de bloemen als voorbeeld nemen
Jezus zegt echter: zo’n zorgeloos bestaan is wel mogelijk.
Kijk maar naar de vogels in de lucht.
Zij hebben een zorgeloos bestaan.
Zij hoeven zich niet druk te maken over eten, want ze krijgen dat van de hemelse Vader.
Neem maar eens de tijd om naar het zorgeloze van de vogels te kijken.
Kijk maar hoe ze steeds weer aan eten komen,
eten waar ze zelf niet voor gewerkt hebben en dat ze gewoon maar krijgen.
Daaraan kun je zien dat er een God in de hemel is,
God die voor Zijn schepping zorgt, zelfs die kleine vogeltjes ontvangen Gods zorg.
Nu kun je nog van vogels zeggen, dat ze zich druk maken.
Dat ze moeten door de lucht moeten vliegen om muggen en vliegjes te vangen,
zoals zwaluwen dat in de zomer doen.
De merels die op de grond prikken om de wormen boven te krijgen.
Andere vogels die vruchten moeten eten van de bomen.
Ook al leggen zij geen voorraad aan, zij moeten er wel wat voor doen.

De bloemen echter niet.
Zij ontvangen Gods liefde, zoals ze het zonlicht ontvangen.
Ze ontvangen Gods zorg, zoals ze de regen ontvangen.
Ze hoeven alleen maar hun bladeren naar de hemel op te heffen,
hun bloem naar omhoog te richten om Gods zorg en liefde te krijgen.
Moet je eens kijken hoe ze erbij staan.
De schoonheid van de bloemen, de kleurenpracht die ze hebben,
daar kon koning Salomo niet tegen op, de koning over wie verteld werd
dat hij de rijkste koning was en daarmee de mooiste kleding kon laten maken.
Alle rijkdom die je aan Salomo kon aflezen, tellen niet bij de kleurenpracht van de bloemen.
En de gratie van Salomo’s pracht en praal zijn niets vergeleken
met de gratie die de bloemen uitdragen.
Het is niet de kleurenpracht als zodanig, die zo schitteren en indruk maken,
het is hun openheid, hun gerichtheid op God,

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons hart naar U, o God van vrede.

zoals de vogels al zingen tot Gods eer als het nog donker is
vogels die hun geluid laten horen als de mensen bezig zijn met hun werk
om zo al kwetterend ons te vertellen dat we een Vader in de hemel hebben,
die ons nooit uit het oog verliest.

En dan zegt Jezus tegen ons dat we er bij stil moeten staan.
Er naar moeten kijken.
Even van je computer afkijken naar buiten en luisteren naar de vogels.
Even je boor uit doen om het geluid van de vogels te horen,
even stoppen voor je op een nieuw adres van de thuiszorg aanbelt
om naar een bloem die in de tuin staat te kijken
of samen met een oudere even naar buiten kijken,
om je eraan te herinneren, dat je een God hebt,
die het kleine, wat je zo makkelijk over het hoofd ziet
en waar je zo makkelijk aan voorbij gaat al met zoveel zorg bekleedt.

(3) Jezus wil ons leren om Gods zorg op te merken
Jezus wil ons leren om er de tijd voor te nemen, om er niet aan voorbij te gaan,
wat zo gewoon lijkt, maar wat de bijzondere zorg van God is,
waarmee Hij zich aan ons laat zien als onze Hemelse Vader.
Hij doet dat door ons te leren om te kijken in het nu, te leven in het nu.

Als je je zorgen maakt, dan denk je na over de toekomst.
En dan denk je vooral na over de vraag: hoe moet het gaan? Wie moet het doen?
Zulke vragen kunnen heel makkelijk steeds groter en groter worden.
Je wordt al somberder en somberder, je overziet het niet meer.
Het vertrouwen dat je in God had, is weg.
Niet dat het vertrouwen zegt, dat God al je problemen oplost.
Er is een uitspraak van Luther: God voert de vogels, maar Hij breekt het niet in brokjes.
Met andere woorden: ze moeten er wel wat voor doen.
Het is niet zo dat ze alleen maar hun snavel hoeven op te doen. Ze moeten wel zelf vliegen.
Maar als je zorgen en zorgen groter worden,
dan zie je niet meer hoe God nog wel zorgt.
Dan verdwijnt wat God doet achter een donkere wolk van alleen maar zorgen.
Daarom wil Jezus ons leren om niet vooruit te kijken, maar allereerst om ons heen,
om te zien, hoe God om ons heen is, in de gewone dingen:
De donkere nacht die voorbij gaat, het licht dat komt, vaak de zon die nog schijnt,
regen die er komt na een lange droge periode,
Gezondheid die je krijgt, moed om aan de dag te beginnen.
Aan die kleine dingen die je om je heen ziet, de krokusjes die straks komen,
de narcissen, de tulpen, die aankondigen dat het met de kou in de grond echt gedaan is
en dat er weer een lentetijd aankomt.
Zo moeten we om ons heen kijken, om te zien wat God doet, om ons vertrouwen te voeden.
Om op te merken wat God tegen ons zegt door te zorgen voor de vogels en de bloemen.
Door te horen wat God tegen ons zegt als de merel in het donker al begint te fluiten
en het is voor jou nog veel te vroeg om je bed uit te gaan.
De merel die op een vogelwijsje fluit: Ik stel mijn vertrouwen op de Heer mijn God
Want in Zijn hand ligt heel mijn levenslot.
Hij fluit het voor ons, zodat wij daar de dag mee beginnen
en de hele dag mee doorgaan, wat de dag ook brengen zal.
Het krokusje dat in de wintergrond de eerste sprieten de voorschijn laat schieten
en al snel een heel bloempje wordt en tegen ons zegt:
de kou is overwonnen, zo heeft de dood niet het laatste woord in de schepping,
maar heeft je hemelse Vader de macht niet alleen om de vorst uit de grond te drijven,
maar ook om de dood bij jou vandaan te houden
En al komt de dood, je hemelse Vader, die Christus uit de dood riep, is machtig
om ook jou uit de dood te roepen.
Dat zeggen de bloemen en de vogels tegen ons: God zorgt.

Gij hebt de bloemen op de velden
met koninklijke pracht bekleed.
De zorgeloze vogels melden
dat Gij uw schepping niet vergeet.

Dat gezang begint ermee dat de wereld aan God toebehoort:
Aan U behoort o Heer der heren, de aarde met haar wel en wee.
Ook ons wel en wee.

 

En Jezus zegt dat we bij de vogels en de bloemen in de leer moeten gaan.
Als leerlingen van Jezus in de leer bij de bloemen en de vogels.
Een discipel kan veel leren van de tulp en de narcis, van de merel en de mus.
Kijken, lering trekken, dat is wat een discipel hoort te doen.
Leerling van Jezus betekent dus zien en horen welke boodschap God tot ons spreekt
in de bloemen om ons heen en de vogels in de lucht:

Laat dan mijn hart U toebehoren
en laat mij door de wereld gaan
met open ogen, open oren
om al uw tekens te verstaan.
Dan is het aardse leven goed
omdat de hemel mij begroet.

(4) Aan onze zorgeloosheid gaat het gebed vooraf
En toch, en toch, en toch.
Geloven in de zorg van God en geloven dat we een Vader in de hemel hebben
in wiens hand we geborgen zijn
is soms moeilijk te geloven, omdat de zorgen zo echt zijn en onze kracht zo beperkt.
het is zo moeilijk om als discipel in de leer te gaan bij de bloemen,
omdat je weet dat die bloemen maar kwetsbaar zijn:
Ze kunnen over een week al in de container liggen.
Het gras dat vandaag groeit en morgen in de oven geworpen worden.
Is het menselijk leven niet zo kwetsbaar als dat gras dat er vandaag nog is
maar morgen afgemaaid is?

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,

Gelijk een bloem, die op het veld verheven,

Wel sierlijk pronkt, maar krachtloos is en teer;

Wanneer de wind zich over ’t land laat horen,

Dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren;

Men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

Ja, als er iets met je aan de hand is, je gaat naar de dokter en de dokter stuurt je door
en je moet een scan in en daarna wachten op de uitslag
en als de uitslag komt, blijkt het toch ernstig te zijn, dan ga je anders kijken
naar de dingen om je heen, dingen die je eerst nooit zag
en je vraagt je af: zal ik het nog een keer zien, zal ik de bloemen nog zien bloeien,
zal ik het lente zien worden, zal ik de jonge eendjes zien, de merel nog horen fluiten?
Dan opeens kun je wel tijd vrij maken, moet je vrij nemen,
terwijl je voorheen geen vrij wilde nemen, omdat er gewerkt moest worden.

De schilder Marius van Dokkum heeft veel humoristische schilderijen gemaakt,
die toch een boodschap hebben.
Een van die schilderijen, die hij maakte is: Hollen of stilstaan.
Er staan twee paarden in een wei en ze kijken verbaasd naar een dikke man,
met sportschoenen en een sportbroek, maar ook met overhemd en stropdas,
Een telefoon aan het oor en al rennend en bellend kijkt hij op zijn horloge
om te zien hoeveel tijd hij nog heeft.
Het weitje ligt er bij, zoals het er al lang bij ligt,
op de achtergrond is een file te zien en hoge kantoorgebouwen,
de lucht is blauw, de zon schijnt en er zijn wat wolken,
in de lucht zijn ook verschillende vliegtuigen te zien.
Marius van Dokkum, zelf gelovig, houdt een spiegel voor,
de spiegel die Jezus ook voorhoudt: waar gaat het nou om in het leven?
Je kunt door je druk te maken en overal bezorgd om te zijn
uit het oog verliezen wat echt belangrijk is en het daarmee ook kwijtraken.

Zoek eerst het Koninkrijk van God – dat is het allerbelangrijkste.
En wat er nog meer belangrijk is, dat zal onze hemelse Vader aan je geven.
Het is niet zo, dat Jezus zegt: stel je prioriteit – eerst met God bezig en dan mag het andere.
Nee, het is een scherp gebod – vooral het Koninkrijk van God zoeken
en dat andere – dat is niet belangrijk: je dagelijks bestaan, je werk, eten en drinken.
Juist die dingen die voor ons dagelijks bestaan nodig zijn, gewoon om te leven,
waar we echt niet zonder kunnen – Jezus zegt ervan:
als God je dat wil geven, dan komt het er.
Ik moet eerlijk zeggen, dat het moeilijk is om te begrijpen
en misschien kunnen we in deze tijd, tussen zondeval en wederkomst,
niet anders dan kleingelovigen zijn, kunnen we niet anders dan heiden zijn
en toch: zoveel mogelijk strijden tegen dat ongeloof, tegen de heiden in ons.

Zoek eerst het koninkrijk van God – we zeggen dat en zingen dat,
maar begrijpen we dat echt wat Jezus ermee bedoeld en doen we dat ook?
Het Koninkrijk van God zoeken houdt in: je helemaal overgeven in Gods handen.
U bestuurt, U bepaalt, Uw rijk.
Wat van belang is, is dat Jezus aan dit scherpe gebod om eerst Zijn koninkrijk te zoeken
en het scherpe gebod om ons geen zorgen te maken
eerst onderwijs geeft over het gebod.
Bidden is het koninkrijk van God zoeken, bidden is jezelf in Gods handen leggen:
Uw wil geschiede, uw koninkrijk kome.
Als je bidt, zeg je amen en geef je daarmee aan:
Nu ik gebeden heb, weet ik dat God ervan af weet,
kan ik er op vertrouwen dat het goed komt,
dat mijn leven geborgen is in Zijn hand en Hij onze hemelse Vader is die zorgt.
En toch is er een macht, die dat geloof, dat vertrouwen ondermijnt.
Jezus geeft die macht dezelfde naam als het amen: mammon en amen zijn hetzelfde woord.
De mammon, dat kan geld zijn, maar dat is alles waar je op vertrouwt
als je niet helemaal zeker bent van God,
als je toch wat zekerheid op aarde moet inbouwen voor het geval God niet thuisgeeft.
Mammon is dat je de dokter of de behandeling meer vertrouwt dan God,
dat je verwacht dat geld je meer gelukkiger maakt dan God,
dat je beter zelf de leiding kunt hebben over je leven, over de kerk, in deze wereld,
omdat als je het aan God overlaat, Hij wel eens op Zijn beloop zou laten.

Kijk eens wat de vogels doen: ze komen in de tuin aanhippen, of aangevlogen
ze halen het eten uit de tuin dat er voor hen is, ze moeten er zelf wat voor doen
maar hun zang is een eerbetoon aan de hemelse Vader
en let als discipel eens op de bloemen, neem hun vrolijkheid en zorgeloosheid in je op
en leer van hen net zo open te staan voor de zorg van God
en te ontvangen, zoals de bloemen ontvangen.
Ze weten, we zijn er maar even, maar dat korte moment is er geen moment
waarop God er niet is.
Al verdorren we, worden we vertrapt, worden we gemaaid – God heeft alles in de hand. Dat is een les voor ons, zodat we het niet ergens anders zoeken,
niet ergens anders onze steun zoeken, zegen verwachten,
op iets anders ons leven bouwen.

 

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons hart naar U, o God van vrede.

Amen

 

Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Meditatie Psalm 27 – Zo ik niet had geloofd

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 27 begint en eindigt met dezelfde woorden, met de naam van God:
De Heere is mijn licht en mijn heil, zo begint de Psalm
en de Psalm eindigt: ja, wacht op de Heere.
De Heere – het begin en het einde,
zoals Christus dat zei: Ik ben de Alpha en de Omega, het begin en het einde.
De psalm wordt omsloten door de naam van God,
net zoals ons leven omsloten wordt door de naam van God.
Aan het begin van ons leven, toen we geboren werden,
ja, zelfs toen we door de Heere gedacht zijn en Hij ons het leven schonk was Hij daar
De Heere is mijn licht en mijn heil.
en ook als het einde van ons leven komt, zal Hij daar zijn: ja, wacht op de Heere.
Aan het begin en aan het einde de naam van God. Heere is Zijn naam.
Die naam betekent: Ik zal zijn, Die Ik zijn zal, Ik zal er zijn, Ik sta klaar.
De naam die aangeeft: op Mij kun je aan, want Ik ben betrouwbaar.
Met Mij kun je leven, want Ik ben je God. Ik sloot een verbond met je
in de doop Mijn naam aan jouw leven verbonden werd,
zoals Mijn naam aan Israël verbonden was.
Mijn naam die zegt: Ik geef niet prijs wat Mijn hand begon.
Ook jou laat Ik niet vallen, al komt de hele wereld op je af
en wordt je omringd door tegenstanders die jij niet de baas kunt.

De Heere is mijn licht.
God is mijn licht – Zijn liefde en genade omstraalt mij,
zoals daar in de velden van Efratha het licht over de herders viel, het hemelse licht van God
en zij hoorden van het goede nieuws dat er voor hen een redder geboren was, de Christus
die in een kribbe lag, in doeken gewikkeld.
Als God er niet is, dan is het duister in mijn leven
en ben ik overgeleverd aan alle duistere machten die mijn leven kunnen verwoesten,
heb ik geen leven meer, omdat het leven van God komt.
Zoals de schepping n4iet zonder zon kan leven, kan de mens niet leven
zonder het licht van God.
Hoe diep die duisternis kan zijn horen we van mensen die niet meer de kracht hebben
om verder te leven, voor wie alles donker is, voor hun eigen gevoel zonder hoop,
in donkerheid gevangen.
God is niet alleen mijn licht, maar ook mijn behoud, die mijn leven redt.

Licht is nodig om de weg te wijzen:
zoals vliegtuigen niet zonder de lichten kunnen die de landingsbaan aangeven
of een schip in het donker een vuurtoren het licht nodig heeft
om niet op de rotsen te varen, vast te lopen en averij op te lopen,
zo hebben wij het licht van God nodig om ons de weg door het leven te lopen,
om mij thuis te brengen bij Hem.
Leid, vriend’lijk Licht, mij als een trouwe wacht, leid Gij mij voort!
‘k Ben ver van huis en donker is de nacht, leid Gij mij voort!
Schoon ook de toekomst mij verborgen zij, licht stap voor stap mij met uw schijnsel bij.

Als het licht weg is, is er een onheilspellende dreiging.
In deze psalm komt de dreiging van mensen, mensen die maar al te bekend zijn,
Waar je niet tegen opgewassen bent,
omdat hun scherpe woorden je steeds weer van binnen raken,
omdat hun blikken je laten weten dat je er toch niet bij hoort, wat je ook probeert,
Die wanneer je ze nodig hebt, je kunnen laten vallen
of wanneer je even niet oplet je plek overnemen.
Kwaadwillenden: ze hebben kwaad in de zin.
Kwaaddoeners: het kwaad dat ze aanrichten, blijft niet in hun hoofd,
maar je krijgt ermee te maken omdat hun slechtheid blijkt in wat ze doen.
Ze hebben het op je gemunt.
Tegenstanders, vijanden, die niets van je heel willen laten: ze willen je verslinden.
En steun is er niet, zo alleen, zegt David: mijn vader en moeder hebben mij verlaten.
Verrassend is dan de steun van God,
want gaat het eerder niet zo dat als de hele wereld tegen je is,
je ook gaat geloven dat God tegen je optrekt en je aanvalt?
Het zijn geen mooie woorden alleen over God als jouw licht, jouw behoud, jouw redding,
nee, ze zijn waar, zoals Zijn naam waar is: Ik zal er zijn, Ik zal er voor jou zijn,
Ik zal je uitredden bij het aanbreken van de morgen.
Omsingeld door vijanden en toch gaat er een deur open:
de deur van Gods heiligdom.
Nergens meer veilig, omdat overal gevaar dreigt en niemand meer te vertrouwen is
en God die je dan bij Hem verbergt, doet schuilen, bij wie je kunt onderduiken,
veilig tegen elk gevaar dat je zou kunnen bedreigen.

Dat heb je altijd al gewild. Het enige dat echt telt, een verlangen dat niet stopte:
Wonen bij God, bij Hem zijn, voor altijd.
Om Hem te mogen zien in al Zijn heerlijkheid,
niet alleen indrukwekkend en groots, maar ook in Zijn tederheid, Zijn schoonheid,
zoals de Heere is voor wie Hem liefhebben, voor wie bij Hem horen.
Zo kun je de Heere ontmoeten. Zo kun je bij Hem blijven.
Je raakt niet uitgekeken op Hem, niet op Zijn liefde, niet op wat Hij doet, niet op Wie Hij is.

Als je dan zo veilig bent bij God, als je dan elke dag bij Hem verkeren, je verdere leven lang
waarom dan dat hartstochtelijke appèl aan God,
een beroep op God om Zijn aangezicht niet te verbergen, om je niet te laten vallen?
Misschien is dat wel een van de grote vragen die een gelovige kan hebben:
Waarom kan er toch die angst je overvallen, terwijl je weet dat de Heere er is,
waarom moet je Hem zoeken, wanhopig zelfs, terwijl je bij Hem mag zijn.
Waarom kun je het gevoel hebben dat je alles kwijt raakt,
terwijl je weet dat je alles hebt, omdat je de Heere hebt.
Waarom net als Petrus, die naar de golven kijkt die om hem heen opspringen
en de wind die hem om de oren suist en als hij dan even Jezus niet meer ziet
naar beneden zakt, de diepte in en alleen maar gered kan worden als Jezus hem grijpt.
Zo ik niet had geloofd – dat geloven is niet iets dat wij zo maar even doen,
niet iets dat ons komt aanwaaien,
maar steeds weer aangevochten wordt, op de proef gesteld wordt
door alles wat ons overkomt.
Elke dreiging weer, elke verandering die het leven op de kop kan zetten,
kan als een rukwind voelen, die het geloof haast omver blaast
En je houdt je hart vast als je geloof het niet meer houdt,
je houdt je hart vast als God er deze keer niet blijkt te zijn,
Zo ik niet had geloofd – in de Psalm wordt het niet afgemaakt.
Daar moet je niet over nadenken, dat is te erg, dat kun je niet aan,
dan blijft er nog minder van je over dan wanneer die vijanden je verslinden.
Ik was vergaan – zo ik niet had geloofd.
Maar is de Heere niet de Alpha en de Omega, de God met wie alles begint
en ook met Wie alles eindigt
en die alles wat er in dit leven tussendoor gebeurt in Zijn hand houdt,
hoe diep ik ook moet gaan.
Als ik dat geloof niet had
en hoezeer de winden rukken aan het geloof,
Hoezeer de donkere wolken boven mijn leven kunnen komen, vol dreiging van noodweer,
als ik niet dat geloof had, niet mijn geloof, maar de Geest die dat vertrouwen wekt.
Wacht op de Heere, houdt moed, geloof dat Hij zal komen, op Zijn tijd.
Je moet dat steeds weer opnieuw tegen jezelf zeggen, jezelf aanspreken:
Wacht op de Heere, verlies niet alle moed, wees sterk,
want Hij is er, Hij zal er zijn. Hij zal je hart sterk maken
en zorgen dat je, wanneer je het zelf dreigt kwijt te raken, je weer geven.
Wacht op de Heere, wees sterk en Hij zal uw hart sterk maken, wacht op de Heere.
Hij die jouw licht is, jouw behoud, Hij is dat niet voor even maar voor altijd,
vanaf het begin van je leven totdat je einde nadert.
En hoe donker het kan worden – en het kan donker worden.
God is mijn licht, mijn behoud. Wacht op de Heere. Amen

Overdenking in de zangdienst van 15 juli 2018. Thema: Zo ik niet had geloofd

Zangdienst 15 juli 2018  – Zo ik niet had geloofd

Voor degenen die een zangdienst hebben te leiden (bijvoorbeeld op een camping , evt in het buitenland) hierbij de teksten die ik uitsprak tijdens de zangdienst van zondag 15 juli 2018. Thema: Zo ik niet had geloofd. (Meditatie komt in een apart blog)

Zangdienst 15 juli 2018  – Zo ik niet had geloofd

Zingen: Op Toonhoogte (versie 2005) nr 301 Samen in de naam van Jezus

Stil gebed. Votum en groet

Als ik het geloof niet had, zegt iemand tijdens een gesprek,
dan zou ik niet weten hoe ik het zou moeten volhouden.
Ik hoor dat vaker zeggen, als ik met iemand spreek die te maken heeft met tegenslag,
als iemand bijvoorbeeld te maken heeft met een sterven van iemand die heel dierbaar is.
Het leven is ingrijpend veranderd; niets is meer hetzelfde.
Wel dezelfde God, Die juist dan er is.
Wat dit leven ook brengt: vreugde of droefheid – Hij is nabij.
Als Hij erbij is, dan kunnen we gaan, kunnen we verder.
Leer mij die weg te gaan, samen met U: draag mij, leid mij, houd mij in evenwicht
dat ik voor Uw aangezicht, wandel in het volle licht,
ook als er tegenslag komt, als ik vrees voor wat er komen gaat: leer mij Uw weg.

Zingen: Op Toonhoogte 202 Leer mij Uw weg, o Heer

Zo ik niet had geloofd.
Zouden we ooit zonder geloof kunnen?
Zou er ooit een moment kunnen zijn, dat we het zonder de Heere zouden redden?
We hebben Hem elke dag nodig, elk moment van ons leven, elk uur, elk ogenblik.
We hebben Hem nodig als we het goed hebben en ons gezegend weten.
Als er tegenslag is en het leven anders gaat, ook dan kunnen we niet zonder Hem.
Dan geeft Hij ons kracht, dan draagt Hij ons, wil Hij ons op Zijn weg verder leiden.
Ik heb U steeds nodig, elk uur, elk ogenblik.
Daarom komen we bij U en vragen wij, bidden wij om Uw zegen:
O zegen mij, mijn Heiland, ik kom tot U.

Zingen: Johannes de Heer 80 Elk uur, elk ogenblik

Zo ik niet had geloofd – als ik niet steeds gemerkt had dat de Heere er was,
dat Hij kracht van boven geeft.
hoe de Heere mijn leven leidt, hoe Hij mij kracht geeft steeds weer opnieuw.
Ik wil Hem belijden en vertellen over al het bijzondere dat Hij heeft gedaan:
hoe God die deze wereld schiep ook mijn God wil zijn en mij draagt dag aan dag,
hoe Zijn Zoon voor mij naar de aarde kwam en voor mij naar het kruis ging
om mijn schuld en zonde te dragen, zodat er voor mij vergeving is,
hoe Zijn Geest woont in mijn hart.
Zelfs als de storm opsteekt en om mij heen raast,
dan zal deze God mij behoeden. Hij houdt voor mijn heil de wacht.
Na de belijdenis zingen we: Gezang 178:7 Ruwe stormen mogen woeden.

Geloofsbelijdenis – daarna: zingen: Gezang 178:7 (NH Bundel 1938)

Als er een storm over je leven raast, kan dat het gevoel geven dat je er alleen voor staat,
dat er niemand is die je hebt: geen mens die je helpt en God die er niet is.

Maar als ik het spoor goed bekeek, zag ik langs heel de baan,
daar waar het juist het moeilijkst was, maar één paar stappen staan.
Ik zei toen “Heer waarom dan toch? Juist toen ik U nodig had,
juist toen ik zelf geen uitkomst zag, op het zwaarste deel van mijn pad…”

Dan is de verleiding groot om alleen verder te gaan. Als God er dan toch niet is.
Doe dat niet, want die weg is te zwaar
en te zwaar om te dragen is de eenzaamheid en het verdriet.
Laat Eén uw Helper wezen.
Er is een God, een God die hoort.
Heel wat heeft Hij al aangehoord. Er is al heel wat bij Hem geklaagd,
heel wat tranen die vloeiden in het gebed,
vaak zelfs waren er geen tranen meer, omdat het verdriet te groot was.
Hij heeft al zovelen gedragen en bijgestaan. Daar kan u, kan jij ook nog wel bij.
Ga niet alleen, ga tot uw Middelaar.

Zingen: Johannes de Heer 53: 1, 2, 5

Wie steunt op Zijn ontfermen is nooit alleen.
Dat moeten we vaak leren: steunen op Zijn vertrouwen
En geloven dat als we Zijn weg gaan, Hij mee gaat,
dat als er tegenslag is, waaraan ik niet kan ontkomen, de Heere mij omringt,
dat als ik er aan onderdoor gaat, Hij mij redding geeft en leven schenkt.
Als ik niet had geloofd.
Maar dat geloof is niet altijd even sterk, gaat vaak onderuit
en we durven het niet aan, omdat we dat vertrouwen missen dat Hij zal meegaan,
de twijfel die in ons boven komt en ons aanvliegt.
Als we dat geloof hebben, kunnen we zingen – met heel ons hart Zijn eer vermelden,
Maar midden in de storm, als we Hem niet kunnen vinden, is het een gebed,
meer zelfs nog: een roep naar omhoog, vanuit ons hart naar de hemel
Verlaat niet wat Uw hand begon, o levensbron, wil bijstand zenden.

Zingen: Psalm 138: 1, 4 Oude Berijming (en daarna gebed)

Als ik het geloof niet had.
In de Heidelberger Catechismus is geloven een weten wat er in de Bijbel staat over God,
maar evengoed ook een vast en zeker vertrouwen,
een vertrouwen dat de Heilige Geest in mijn, uw, jouw hart werkt.
Zo ik niet had geloofd, als ik niet over God wist wat er in de Bijbel staat
en als ik niet dat vertrouwen had in God, waar was ik dan?
Waar was mijn hoop, mijn moed gebleven?
Ik stel mijn vertrouwen op de Heer mijn God, want in Zijn land ligt heel mijn levenslot.

Zingen: Op Toonhoogte 444 ‘k Stel mijn vertrouwen
(Daarna Schriftlezing: Psalm 27 – collecte – Psalm 42: 3, 5 – overdenking – Psalm 27: 1, 7)

Mijn licht, mijn heil is God – dat spreekt van een intieme relatie,
een Heiland die mij dierbaar is, omdat Hij mijn Verlosser is en ik van Hem mag zijn,
schoongewassen, gereinigd in Zijn bloed
Dat geeft mij pas rust, een vrede.
Wanneer ik niet zou geloven, zou ik deze vrede, deze rust niet kennen.
Dan zou ik er naar moeten zoeken, zonder het te vinden.
Nu heb ik het gevonden – in Hem, mijn dierbare Heiland, mijn Verlosser.
Nu heb ik Hem gevonden en ik wel Hem daarvoor eren: Lof en ere zij het Lam.

Zingen: Johannes de Heer 43 Dierb’re Heiland, mijn Verlosser.

Leven en sterven aan zijn zijde – dat is niet teveel gezegd.
In dat vertrouwen, dat ik van Hem ben, gekocht, betaald met Zijn bloed en gereinigd,
In dat vertrouwen kan ik door het leven gaan, zolang ik hier op aarde ben.
Ik kan mij in Zijn handen overgeven, van Hem die heel het heelal regeert.
Die wolken, lucht en winden, wijst spoor en loop en baan, zal ook wel wegen vinden,
waarlangs uw voet kan gaan.

Zingen: Gezang 180:1 Beveel gerust uw wegen

Gebed

Zingen: Gezang 300A:1, 2, 4

Zegen



Uitleg Psalm 36

hoog als de hemel is uw liefde
Uitleg Psalm 36

Twee werelden die niet te verenigen zijn maar tegelijkertijd wel samen bestaan: het kleine wereldje van de goddeloze en de wereld van Gods trouw. De goddeloze is op zichzelf gericht; Gods liefde bestrijkt heel het heelal, de lengte, de breedte, de hoogte en de diepte (Efeze 3: 18).
In die allesomvattende trouw van God, die heel het heelal omvat, heeft de goddeloze zijn eigen kleine wereldje, niet geraakt door Gods liefde. Het enige dat de goddeloze met God heeft, is dat hij God brutaal in de ogen kijkt: ‘Wat maak je mij? Bang ben ik niet voor je.’ Dat blijkt ook wel uit wat hij doet. De goddeloze is iemand die zich in zijn doen en laten bewust negeert dat zijn daden ooit door God zullen worden geoordeeld. De goddeloze is van mening dat híj zich nooit voor God hoeft te verantwoorden. Zijn leven is daarom ook een totaal negeren van het goede van God.

Hij spreekt woorden van onheil en bedrog
en blijft ver van wat wijs en goed is,
op zijn bed bedenkt hij verderfelijke plannen
hij betreedt een verkeerde weg
en het kwade verwerpt hij niet.

Daarmee is de goddeloze het tegenbeeld van de rechtvaardige uit Psalm 1. Wat er met de goddeloze mis is, is dat zijn hart zich laat aanspreken door de zonde: de zonde spreekt tot de goddeloze, diep in zijn hart. Het hart is waaruit je leeft, waarvan uit je beslissingen neemt, de kern van je bestaan, je ziel ook. De goddeloze wil de stem van God niet horen. Hij hoort alleen maar de stem van de zonde, die hem gepersonifieerd als een souffleur influistert zijn verkeerde weg in te gaan en zijn kwade plannen uit te voeren. De zonde sust ook nog eens zijn geweten in slaap, waardoor hij geen besef van schuld heeft, geen afkeer van het kwaad. De goddeloze heeft daarmee het kwade in zijn hart, verdorven tot in de kern van zijn bestaan. Wat in je hart leeft, waar je hart vol van is, dat blijkt uit je daden.
Zonde, dat is een breuk met God en met je naaste. Zonde is niet meer solidair willen zijn met de mensen om je heen, geen rekening meer met hen willen houden, de mensen om je heen alleen maar zien is om jou te dienen, jou te plezieren, als slaaf, als lustobject. De zonde leidt tot een wereld die alleen maar om het ego draait. Om die wereld in stand te houden wordt gebruik gemaakt van de leugen, van afpersing of onderdrukking, van machinaties. Als er al een geweten is, wordt dat in slaap gesust. Deze wereld is het tegenbeeld van de schepping, van het Koninkrijk van God. Zo heeft God de mens niet bedoeld en zo zal de mens in de herschepping niet zijn.

En dan God. Over Gods volkomenheid kunnen wel alleen maar in een veelvoud van begrippen spreken en zingen.Ook al houdt de goddeloze geen rekening met God, met het oordeel van God, Hij is er wel. Een rechtvaardige rechter, strijdbaar voor het recht van de machteloze en kwetsbare. De machtige Heer, die koningen van de troon werpt en rijke mensen failliet kan laten gaan en armen kan oprichten uit het stof. Over God kan alleen maar in lyrische tonen gesproken worden. God kan alleen maar bezongen en aangeroepen worden: HEER, hoog als de hemel is uw liefde, tot in de wolken reikt uw trouw. Als er partij gekozen moet worden, dan weet David wel welke kant hij kiest: Van David, dienaar van de HEER. Zo hoog als de hemel is, zo hoog is uw liefde. De hemel die eerder dan de aarde werd geschapen, zodat deze aarde nooit zal zijn zonder de hemel erboven. Als ik omhoog kijk, is er niets dat de liefde van God kan overstijgen. De hemel toont ons niet hoe ver God van ons verwijderd is, maar hoe groot Zijn liefde voor ons is. Kijkend omhoog weet ik: Uit de hoge hemel daalde Hij neer. Het heelal is vol van Gods trouw en liefde. Het kwade is niet in staat om God een grens te stellen of een gebied te ontzeggen. Anders dan de goddeloze, die alleen maar erop gericht is alles naar zich toe te halen, deelt God uit. Het kwaad van de goddeloze gaat niet ongemerkt en ongestraft voorbij.
Waarom laat God dan toch ruimte in die wereld waarin Zijn liefde en trouw aanwezig is en heerst voor de goddeloze en zijn kwade wegen en plannen? Jezus zal er later over zeggen: Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen (Mattheüs 5:45) Laat God ruimte aan de goddeloze vanuit Zijn barmhartigheid ook voor hen, om hen ook de mogelijkheid te bieden Zijn weg te gaan. Om zich niet meer door de zonde te laten aanspreken, niet meer door hun egoïstische driften te laten beheersen? U, HEER, bent de redder van mens en dier. U redt mensen uit de hand van de goddelozen en de onrechtvaardigen. Maar ook de goddelozen en de onrechtvaardigen kunt U redden, uit de hand van de zonde.

Wat is er mooier dan die liefde te ontvangen? Wat is een mooiere plek dan te wonen bij God. Waar je gevoed wordt, waar je het water van het leven kunt drinken. In de schaduw van uw vleugels schuilen de mensen. Zo hoog als God woont, zo nabij kan Hij komen. Waar de goddeloze zich laat aanspreken door de zonde, leeft de mens die bij God woont uit God: door úw licht zien wij licht.

Wonen bij God en kijken vanuit het licht van God duwt het donker niet weg. Licht zal het pas helemaal zijn als God onder ons komt wonen. Als het nieuwe Jeruzalem uit de hemel neerdaalt en er geen nacht meer zal zijn en ook geen zon, omdat God, ons licht, er dan altijd is. Zover is het nog niet. Nog steeds is er de worsteling en de aanvechting, de strijd tegen het kwade, waarin de mensen die God trouw zijn ook nog onderspit delven. Ook daarin wordt God aangesproken: Laat de voet van de hoogmoedigen mij niet vertrappen. De rechtvaardige kijkt al verder, in een lofzang die op het eerste gezicht vreemd aandoen: daar liggen zij die verderf zaaien – gevallen, neergestoten, zonder kracht om op te staan. Het is de lofzang van de kwetsbare die ziet dat de machtige die zijn leven kapot maakt, zijn macht moet afstaan en zelf kwetsbaar en machteloos wordt. Het is de lofzang van degenen die zijn leven lang geknecht is en uitgebuit, gemarginaliseerd ziet hoe God gerechtigheid brengt. Zo ver is het nog niet, maar geloof kijkt vooruit en legt de grondslag voor alles waarop we hopen, het overtuigt ons van de waarheid van wat we niet zien. Door het geloof komen we tot het inzicht dat de wereld door het woord van God is geordend, dat dus het zichtbare is ontstaan uit het niet-zichtbare (Hebreeën 11:1, 3). Dat het koninkrijk van God dat nu nog niet zichtbaar is dan wel zichtbaar zal zijn. Dan zal de stem van de zonde zwijgen en de goddeloze kan zijn weg niet meer vervolgen. Dan zal alleen het loflied nog klinken:

HEER, hoog als de hemel is uw liefde,
tot in de wolken reikt uw trouw,
uw gerechtigheid is als de machtige bergen,
uw rechtvaardigheid als de wijde oceaan:
U, HEER, bent redder van mens en dier.
Hoe kostbaar is uw liefde, God!

Preek zondagmorgen 5 juni 2016

Preek zondagmorgen 5 juni 2016
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Psalm 23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

We hebben de nogal eens de neiging om van het geloof iets moeilijks te maken.
Neem nou het avondmaal (of de voorbereiding daarvan).
We kunnen in de week vooraf aan het avondmaal
allerlei intense gevoelens in onszelf oproepen
en piekeren over de vraag of wij daar horen te zitten
(en dan misschien wel opgelucht zijn als de avondmaalszondag voorbij is).
Maar geloven gaat om iets eenvoudigs:
om deze belijdenis: de Heere is mijn herder
en dat u, dat jij, dat ik zo ook in het leven sta:
Ik heb een God die voor mij zorgt.
Ik ben in goede handen – Zijn handen
en daarom hoef ik nergens over in te zitten.
Als je zo leeft, wat heb je dan nog meer nodig?
Als je dit vertrouwen hebt, dat de Heere er is
en dat je Zijn zorg ook ziet en ervaart, dan heb je toch genoeg?

Dat vertrouwen in God, zo kunnen leven met de Heere dat Hij je herder is,
dat is het belangrijkste in het geloof.
Want ook al kun je aan iemand uitleggen
wat het betekent dat de Heere je herder is
en ook al kun je het in de Bijbel terugvinden waar dat staat,
als je dat vertrouwen niet in praktijk brengt,
als je niet uit dat vertrouwen leeft, dan mis je het belangrijkste van het leven met de Heere.
Want dan zie je niet dat de Heere jouw God, uw herder is.
Je raakt Hem dan uit het oog.
We hebben het steeds weer nodig
dat het vertrouwen gevoed wordt
en dat we ook zien en ervaren dat de Heere er is.
Dat je het van Hem ontvangen hebt als je gezond bent opgestaan
en een nieuwe dag gekregen hebt.
Dat Hij bij je is op het moment als je ergens tegen opziet:
Een examen, een sollicatiegesprek.
Dat Hij met je meegaat als je naar het ziekenhuis moet
voor jezelf of met iemand mee,
of naar een begrafenis om een geliefde te begraven.
Dat Hij er dan is, niet alleen maar als iemand die er bij is om je te steunen,
maar omdat Hij dan op dat moment jouw leven in Zijn hand heeft
en over jouw leven kan besluiten wat er moet gebeuren.
Als de Heere niet wil dat je iets overkomt,
Dan is er geen ziekte, geen duivel, geen macht jou iets aandoen.
Vandaag in deze dienst van de voorbereiding kijken we terug
naar de afgelopen 3 maanden, vanaf de vorige keer
dat we avondmaal gevierd hebben
en gaan bij onszelf na:
Heb ik in de afgelopen 3 maanden uit dit vertrouwen geleefd?
Hebben we in de afgelopen 3 maanden ook dat vertrouwen steeds weer gevoed?
Zijn we bezig geweest – voor zover wij het kunnen –
omdat vertrouwen sterker te maken
en te zien dat Hij er elke keer is.
Daarvoor is de voorbereiding bedoeld:
om zo onze dagen van de afgelopen 3 maanden na te gaan:
Hoe was ons vertrouwen op de Heere?
Met welke verwachting ging ik al die keren naar de kerk?
Was ik er op berekend dat Hij er was
in de dagen door de week, toen ik aan het werk was,
was ik mij ervan bewust dat Hij mijn leven leidt
toen ik zo in de weer was met dat conflict in de familie?
Als dat vertrouwen er niet is geweest,
dan moeten we dat in vandaag en in de komende week aan de Heere belijden:
Heere, u vroeg mijn vertrouwen, maar het was er niet.
U wilde mijn leven leiden, maar ik wilde dat niet zien.

Dat is het belijden van onze schuld, op deze manier.
Niet door met een heel intensieve toer heel ons innerlijk overhoop halen,
maar concreet kijken naar de afgelopen 90 – 100 dagen
wat wij deden met Gods aanwezigheid,
wat het voor ons betekende, welk verschil het in ons leven maakte,
dat de Heere onze herder is.
Dat is wat er met het mishagen van onszelf wordt bedoeld:
dat je eerlijk onder ogen komt, als je in je vertrouwen tekort geschoten bent
terwijl dat niet nodig was, omdat de Heere steeds liet zien dat Hij er was.
Dat belijden van onze schuld is niet bedoeld om onszelf af te kraken.
maar om eerlijk onder ogen te zien hoe wij tekort zijn geschoten
en beseffen: zo kunnen we niet verder leven.
Zou dat een reden zijn om weg te blijven?
Heer, hier kom ik.
Ik heb het niet verdiend, want mijn vertrouwen was zo best nog niet.
Als u om die reden niet durft aan te gaan,
dan hebt u niet begrepen wat het doel is van het belijden van de schuld
en ook niet begrepen waarom de Heere Jezus het avondmaal heeft ingesteld.
Dat is niet bedoeld als een stopbord: Ho, niet verder!
Eerst maar even wat meer vertrouwen hebben en het beter doen.
Nee, dat inzicht in ons tekort schieten is juist ervoor bedoeld
om naar de Heere Jezus toe te gaan.
Want hoe kunnen we anders van dat te weinig vertrouwen loskomen?
Hoe kan ons vertrouwen anders gevoed worden als wij niet bij de Heere Jezus aankomen?
Als u niet komt, zegt u eigenlijk tegen uzelf: Ik moet het zelf doen,
terwijl de Heere Jezus zegt: Ik zal het doen.
Ik neem het op Me, dat je tekortgeschoten ben.
Ik heb dat op Golgotha gedragen
en Ik geef het je weer dat je gaat vertrouwen, dat je uit vertrouwen gaat leven.
zodat dat gebrek aan vertrouwen doorbroken kan worden
en dat vertrouwen er weer is, wij weer leven vanuit dat vertrouwen:
De Heere is mijn herder – ja, echt!
Het is waar wat de Bijbel zegt: Ik kan mijn weg met Hem gaan!
De Heere is mijn herder: Hij leidt mijn leven en Hij beschermt mij.
Het avondmaal is ingesteld om dat vertrouwen weer te voeden, te versterken,
terug te brengen als het er niet is geweest.

De Heere is mijn herder – het is een eenvoudige, maar ook diepe belijdenis.
Het raakt mij altijd als iemand kan aangeven uit dat vertrouwen te leven.
Deze psalm wordt nogal eens gekozen voor een rouwdienst
en bij de voorbereiding lees ik dan deze psalm
en dan lees ik ook die regel Mij ontbreekt niets.
Terwijl er dan juist alle reden is om gemis te ervaren
of waarvan juist verteld is over degene die is overleden
over alles wat er gebeurd, ook de moeilijke momenten.
Mij ontbreekt niets – als een samenvatting: zo is het geweest.
Natuurlijk, er is veel dat we missen, maar er is meer,
onze God is er en omdat Hij ons leven in Zijn hand heeft.
We zijn in goede handen en zo kunnen we het aan.
Er is meer dan gezondheid, hoe belangrijk dat ook is,
er is meer dan geld, er is meer dan ons werk, zelfs meer dan de relaties die we hebben:
de Heere is er – onze herder.
Dat kan heel gemakkelijk klinken, zoals deze woorden in een kamer
waar iemand is opgebaard ook heel makkelijk kunnen klinken.
Je zou met dit beeld van de herder, de grazige weiden en de vredige wateren
ook een idyllisch landschap voor je kunnen zien,
een soort paradijsje op aarde,
wat je kunt hebben als je op vakantie bent en onder de indruk bent van de omgeving
of gewoon dichtbij, als je in de tuin zit en geniet van het mooie weer,
met een kopje koffie en rust om je heen.
Ja, dan is het niet zo moeilijk om te zeggen dat je niets tekort komt,
dat je tot rust komt en kunt bijtanken.
Deze psalm heeft echter niets van een ongestoorde idylle,
maar is geboren in de ruigheid van het bestaan,
waarin je opgejaagd kunt worden door de mensen om je heen,
die je niet mogen, die je het leven zuur maken, kleineren, dwarszitten
– vijanden, tegenstanders worden ze genoemd.
We kunnen die categorie van tegenstanders heel breed maken:
de duivel die je geloof aanvecht,
bepaalde machten die er zijn die je van God willen lostrekken,
mensen om je heen, familieleden, buren met wie je overhoop ligt
en waardoor je geen rustig bestaan meer hebt.
Je vindt zelf geen rust meer, opgejaagd
en dan is de Heere er, die je doet neerliggen.
Je hebt nu de rust om bij te komen, om te eten en te drinken,
je hoeft niet steeds angstig om je heen te kijken
of er iets zal opduiken, waardoor je je leven niet veilig bent,
niet meer steeds op je hoede voor een nare opmerking,
nu niet meer die slapeloze nacht, niet meer de spanning voor een uitslag.
De dreiging kan er nog wel zijn, het nare is niet verdwenen,
je tegenstander loert nog steeds,
maar er is iemand bij door wie je – te midden van het gevaar – kan bijkomen.
Er is voor het schaap niet alleen tijd om te eten,
maar ook om te herkauwen, daar heb je die rust voor nodig.
En de Heere geeft je die rust
om de dag nog eens na te gaan en te bedenken: O ja, de Heere was er
en wat ben ik ook weer vandaag gezegend geweest.
Ook al heb ik het niet makkelijk, ik kom niets tekort.
Ook al is er zoveel hectiek in mijn leven, of spanning,
er is ook die rust – al is het maar een kort moment, zoals vanmorgen in de kerkdienst,
waar je even bij de Heere komt,
maar ook door de week heen momenten, waarop je gesterkt wordt
in de zorgen van alledag:
Als je niet naar bed durft, omdat je bang bent voor de nacht …
een mantelzorger, die het toch weer aankan,
een ouder die zorgen heeft over zijn of haar kind, de conflicten die er steeds zijn
en dan toch opeens voelt dat de last even wordt weggenomen.
Maar ook in het geloof: als je op zoek bent naar God
en je Hem niet kunt vinden, dat je het opeens merkt,
je kunt het niet uitleggen, je kunt het niet verklaren – dat je opeens iets ervaart,
misschien alleen maar binnen in jezelf en dan voor een kort moment:
Ik word gesterkt, ik kom op adem, ik kan er weer tegen.
Het kan zelfs als je weet, dat je niet lang meer hebt
en je aan het afscheid aan het nemen bent
dat je het merkt: de Heere laat mij neerliggen.
Ik kan in dat vertrouwen de laatste dagen ingaan:
In vrede zal ik slapen – elke avond die ik heb, maar ook op als mijn tijd gekomen is,
want U alleen, HEERE, doet mij veilig wonen.

Eten en drinken – heel eenvoudig,
een stukje brood, een slokje wijn. Zo doet God dat: ons vertrouwen versterken,
onze aandacht – ook in een hectisch bestaan, of een leven vol spanning, zorg –
onze aandacht richten op de Heere Jezus.
Een stukje brood, een slokje wijn – je raakt er niet vol van, maar het is genoeg
om de stem van de Goede Herder te horen:
Ik geef je weer nieuwe kracht,
Denk aan mijn lichaam, aan mijn bloed,
Mijn lichaam werd voor jou verbroken, mijn bloed vergoot ik voor je.
Als je daaraan denkt in de komende week,
als je daaraan denkt als je brood en wijn ontvangt,
dan wordt je gesterkt, dan vind je Mij weer en ga je met mij verder.
Zo eenvoudig kan geloven zijn,
dat je geloof gesterkt wordt door een stukje brood, een slokje wijn,
die je herinneren aan wat je Heer voor je heeft gedaan.
Dan moet u het voor uzelf niet ingewikkelder maken,
door allerlei barrières op te werpen omdat u voor uzelf aan bepaalde voorwaarden moet voldoen voordat u dat stukje brood en dat slokje wijn mag ontvangen.

De HEERE, Hij is mijn herder.
Ik heb geen andere herder dan Christus,
die voor mij aan het kruis ging, die opstond uit de dood
en nu in de hemel is en mij volgende week aan Zijn tafel nodigt.
De HEERE is mijn herder.
Hij droeg mijn zonde, mijn schuld.
Hij ging voor mij de dood in,
om voor mij een weg te banen op een plaats waar die niet was:
een weg door de dood heen naar het Vaderhuis.
Als Hij door de dood heen een weg kan banen,
Kan Hij ook straks als ik thuiskom een weg banen, of morgen,
als ik er niet meer uitkom.
Er is geen plek te diep, hoe diep je ook gaat,
de Goede Herder kan daarin afdalen.
Hij daalde neer tot in het rijk van de dood, daalde neer tot in de hel.
Legde ik mijzelf neer in het rijk van de dood, in de hel – U bent daar.
Psalm 23 is geen idylle: in het centrum, in het midden van de psalm
is er dat diepe dal: je vindt er uit jezelf geen uitweg meer,
de wanhoop vliegt je naar de keel en je loopt vast
en je voelt dit is mijn einde,
maar dan dat onverwachte, waar je niet op rekende, misschien op hoopte,
waar je misschien om riep, in vertwijfeling: God, laat me niet alleen.
Laat mij niet in de steek,
of misschien was je zelfs het roepen naar God al afgeleerd.
Moet je zien wat er midden in de psalm gebeurt, op dat allerdiepste moment:
dan wordt God aangesproken: U – U bent bij mij.
Nou, dat maakt nogal uit! Gelukkig, God is geen sprookje.
Wat anderen vertelden, dat kan ook voor mij waar zijn!
Psalm 23 is niet een te mooi plaatje, een romantisch schilderij aan de muur
Dat aangeeft welk leven ik eigenlijk zou willen hebben: vredig en ongestoord,
maar een ervaring van opluchting die dankbaar doorgegeven wordt:
God is er. Zoals Zijn naam dat aangeeft: Heere (Ik zal er zijn, Ik sta klaar)
Ik ben waar jij bent, zelfs in het allerdiepste,
maar ook als het iets minder diep is en je worstelt
met wat meer huis-, tuin- en keukenzonden kunnen lijken,
maar waar je toch niet van afkomt.
Ik ben er ook aan het avondmaal en geef je daar brood en wijn
om je geloof te versterken, om je weer te doen ervaren: Ik ben er.
Om je een nieuwe start te geven:
vergeving, maar ook gehoorzaamheid, zodat je de weg gaat die Ik je wijs.

Die weg gaan we niet alleen.
De Heere is mijn herder. Daar kunnen we makkelijk iets van mij alleen maken,
maar is een belijdenis van een gemeenschap.
Zoals we met elkaar als gemeente avondmaal vieren
– ja, wel ieder voor zich, ook degenen die niet aangaan zijn erbij betrokken –
zo is deze belijdenis niet iets dat ik alleen beleef,
maar ik kan mij optrekken op momenten dat ik er niets van beleef
aan de mensen om mij heen in de kerk,
aan de gelovigen die voor mij geweest zijn,
aan degenen van wie ik het geloof geleerd heb
en wie weet mag ik zelf wel iets betekenen voor anderen om mij heen,
zodat ze door mij het ook kunnen zeggen:
Ik heb het gezien en nu zelf ook voor mijzelf ontdekt:
inderdaad, de Heere is mijn herder
en ik zeg het in dankbaarheid.
We hebben elkaar nodig op deze weg
en we worden door de Heere aan elkaar gegeven.
Daarom is avondmaal niet iets van mijzelf en mij alleen,
maar ook van ons allemaal, van onze gemeente,
Van de Dorpskerk en de Maranathakerk samen, wijk 1 en wijk 2 samen,
van alle kerken in Oldebroek samen,
heel de gemeenschap rondom Christus door alle tijden heen samen.
Samen zingen we deze psalm en spreken deze belijdenis uit,
samen danken wij de Heere, dat Hij onze herder is
en we houden elkaar scherp.
We roepen elkaar op, vandaag in deze dienst, na afloop,
morgen als we elkaar zien, als we met de Bijbelkring bij elkaar zijn:

Schaart u om de goede Herder,
gij, zijn schapen, hoort zijn stem!
Zoekt hier ruste, dwaalt niet verder,
o, het is zo goed bij Hem!

Zoek het niet ergens anders en loop niet voor Hem weg,

Uit de verste zandwoestijnen
brengt Hij eens zijn kudde saam.

Dat kan ook met u, met jou gebeuren.
Dat kan met iemand gebeuren die nu helemaal nog geen interesse heeft.
Hij is met u bezig, vandaag reeds – en misschien al heel lang.
U nodigt mij aan tafel.
De psalmen van Israël zijn bedoeld om antwoord te geven,
ze zijn het antwoord van Israël op God, die ook onze God wil zijn.
U nodigt mij aan tafel.
Is dat ook uw antwoord op wat de Heere voor u heeft gedaan?
Is dat ook jouw antwoord nu God je roept?
Amen



 

Preek oudjaarsavond 2011

Preek oudjaarsavond 2011
Jesaja 30:18: En daarom wacht de HEERE, opdat Hij u genadig zal zijn;
en daarom zal Hij Zich verheffen om Zich over u te ontfermen.
Voorzeker, de HEERE is een God van recht.
Welzalig zijn allen die Hem verwachten.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Ik hoop dat 2012 een jaar zal zijn met minder zorgen!’ Wie dat zegt, is blij dat het jaar 2011 nu afgesloten kan worden. Want zo’n uitspraak betekent dat het jaar, dat nu bijna achter ons ligt, een jaar was met ingrijpende gebeurtenissen. Zo’n ingrijpende gebeurtenis kan het overlijden zijn van iemand die heel dierbaar was en die u nog niet kon missen.
 Er zijn vanavond verscheidene mensen om deze reden hier in de kerk aanwezig. Om diegene die hen in het afgelopen jaar is ontvallen nog een keer te gedenken. Ze gedenken diegene die ze in het afgelopen jaar moesten missen. Soms na een periode van ziekte, waarin al op een bepaalde manier afscheid genomen kon worden. Een tijd die ze zullen herinneren als een kostbare tijd, waarin de familie heel dicht naar elkaar toe gekomen is, een kostbare tijd, omdat waar het wezenlijk om gaat in het leven, met elkaar gedeeld kon worden.
Soms kwam het overlijden ook heel onverwacht en wordt nog steeds de pijn gevoeld van het abrupte einde. Woorden die niet meer uitgesproken kunnen worden, gedachten die niet meer gedeeld kunnen worden. Je kunt niet meer zeggen, wat je graag had willen zeggen. Je kunt niet meer laten zien, wat je graag had willen zien.
Anderen hebben weer een andere ingrijpende gebeurtenis achter de rug. In het afgelopen jaar werden ze geconfronteerd met ziekte in hun eigen leven of in hun gezin. Dan was 2011 jaar een jaar waarin zorgen en spanning het gezin binnenkwamen. Anderen merkten dat het in het afgelopen jaar in hun huwelijk niet meer ging. Dan is het afgelopen jaar het jaar waarin alles wat je van tevoren had bedacht, in duigen gevallen is. Een jaar waarin je niet verder kon gaan met je studie, omdat het niet meer ging.
Ook op een andere manier kan het afgelopen jaar ingrijpend zijn geweest. Een verlangen, een diepgekoesterde wens die niet in vervulling is gegaan. Je had met elkaar gehoopt om uit Gods hand een kind te ontvangen, maar het was een verlangen dat niet vervuld werd. Een baan, waar je op had gehoopt, maar die je alsnog niet kreeg.
Zo kunnen velen hier met gemengde gevoelens zitten.

Voor anderen was het juist een jaar van zegeningen: het jaar waarin getrouwd werd, de geboorte van een kind, een huwelijksjubileum,  het behalen van een diploma. Ook dat kunnen gebeurtenissen zijn die een diepingrijpende invloed hebben op ons leven. Gebeurtenissen waardoor je bent stil gezet.
zo kijkt iedereen anders terug op het afgelopen jaar. We hebben allemaal onze eigen herinneringen
en met elkaar brengen we onze herinneringen en alles wat er in het afgelopen jaar gebeurd is,
brengen we bij God. We brengen het allemaal voor Gods aangezicht. We brengen het bij de Heere. Hij overziet alles, ook wat er in het afgelopen is gebeurd. In ons eigen leven, in ons land, over heel de wereld. We brengen het bij God, van wie we geloven dat alles in zijn hand is. Ons leven, de wereld waarin wij leven. Wij brengen het jaar bij God: onze gedachten en herinneringen, onze dankbaarheid, ons verdriet, wat goed ging en wat mislukte. En nu staan we op een drempel,  en terugkijken op het afgelopen jaar, brengen we het bij God. En nu we hier in de kerk zijn, hopen we ook van God te ontvangen. Liederen die we met elkaar zingen en die ons troost bieden, de gebeden die uitgesproken worden en onze dank en zorgen bij God brengen,
Als u hebt meegelezen in de Bijbel hebt u wellicht gevraagd, wat voor troost er uit dit gedeelte gehaald kan worden. Op welke manier helpt dit gedeelte om het afgelopen jaar af te sluiten en bij God te brengen, om het in Gods handen te leggen? Op welke manier biedt dit gedeelte houvast als we merken dat de tijd snel gaat?
Dit gedeelte is ook nog eens een moeilijk gedeelte  en dat plaatst ons bij voorbaat al op afstand. Dit gedeelte heeft nauwelijks kans om ons aan te spreken, want we komen er niet doorheen. Waar gaat het eigenlijk over?  Dan kom je er niet eens aan toe om te bedenken wat het ons te zeggen heeft.
Ik kan me goed voorstellen, dat u moeite hebt om dit gedeelte te begrijpen. Ik zal u eerlijk zeggen dat ik me in eerste instantie ook verkeken heb op dit gedeelte. Ik had het enkele weken van tevoren uitgekozen toen ik mijn planning maakte. Maar toch denk ik, dat juist dit gedeelte wel een mooie boodschap voor ons heeft. Als we maar begrijpen waar het over gaat. Ik zal het u proberen uit te leggen.
In Jesaja 30: 18 gaat het over een dralende God.  Hij ziet er tegen  op om afscheid te nemen. Hier wordt over God gesproken, dat Hij Zijn vertrek nog uitstelt.
Wat dralen is, weten we allemaal wel. Iemand die moeite heeft om een einde aan het bezoek te maken. Met de jas aan komt hij nog even terug in de kamer om wat te zeggen en weer ontspint er een heel gesprek. En als iemand uiteindelijk dan toch de deur uitgaat, komt hij terug  om nog even iets te zeggen wat hij nog vergeten was te zeggen. Dralen. Voor ons mensen kunnen er allerlei redenen zijn om te dralen. We zien er tegen op om alleen te zijn. Of we zien er tegen op om dit gezelschap te verlaten, want hier is het nog gezellig. hier in dit gezelschap tellen wij mee en wordt wat wij zeggen op waarde geschat. Hier worden wij gehoord, gezien.
Maar waarom zou de Heere eigenlijk dralen? Wat moeten wij ons voorstellen bij God die draalt, Zijn vertrek nog even uitstelt. Niet goed afscheid kan nemen en dan nog terugkomt? De gedachte dat God vertrekt en afscheid neemt komt misschien al merkwaardig over. Net als het beeld dat God draalt. Hij is er toch altijd? Hij staat klaar.
Toch komen we de gedachte dat God vertrekt, vaker tegen in de Bijbel.  Een gedachte die we niet vaak tegenkomen, omdat deze gedachte vooral te vinden is in de moeilijkere Bijbelgedeelten. Het wordt steeds door de profeten uitgesproken: de mogelijkheid dat de Heere wegtrekt uit het midden van Zijn volk. Dat Hij hen verlaat.
Waarom zou de Heere dat doen? Hij doet dat, omdat het volk Israël Hem niet ziet staan. Hem niet nodig heeft, niet werkelijk om op Hem vertrouwt. Nu ja, zo openlijk zullen ze het niet toegeven, want voor het oog kunnen ze de schone schijn ophouden. Net doen of ze nog vromer zijn dan de anderen.
Maar ten diepste gaan ze aan God voorbij. Ook in dit gedeelte: Het volk Israël is op de vlucht. Het land is in een crisis terechtgekomen. Er dreigt gevaar waarvoor ze op de vlucht slaan. En in die vlucht rennen ze aan God voorbij. Ze zien de Heere niet staan.  Ze denken er niet aan om hun hulp en steun bij Hem te zoeken.
Ergens wel begrijpelijk n menselijk, vindt u niet? Want als je je baan verloren bent in het afgelopen jaar, ga je op zoek naar een nieuwe baan en je doet je best om een nieuwe baan te vinden. Het is niet gemakkelijk om te vertrouwen dat de Heere zal voorzien. Dat alles in Zijn hand is. Het afgelopen jaar kan een jaar geweest zijn, waarin het met het bedrijf de verkeerde kant op ging. En dan doe je als directeur of als werknemer er alles aan om een faillissement te voorkomen. Je voelt de verantwoordelijkheid, voor de zaak, voor de werknemers, voor de leveranciers. Je kunt je zorgen hebben, zeker als je vermoedt dat in het jaar 2012 de echte klap nog moet komen. Dat hoorde ik tenminste onlangs iemand zeggen.
In zo’n situatie ben je druk bezig om je zaak te redden en als er geen redden aan is ben je bezig met een exit-strategie om de schade zo veel mogelijk te beperken. Ook het volk Israël was bezig met een exit-strategie.  Redden wat er te redden valt. Op de vlucht!
En daarbij rende het de HEERE voorbij. Hij stond te wachten, totdat Zijn volk bij Hem kwam om bij Hem om hulp te vragen, redding, een ommekeer, om de zorgen bij God te brengen. Want Hij had toch een verbond met dit volk gesloten en belooft dat Hij voor het volk zou zorgen. Dat Hij zegeningen zou geven. Als het Hem maar diende. Maar dat deed het niet. Israël ging aan de eigen God voorbij. Geen dienst aan de Heere. Wel uiterlijk, maar innerlijk niet. In hun hart was er geen plaats voor God, maar een innerlijke leegte en wat zal die leegte hebben opgevuld. Waar zal Israël naar hebben gestreefd? Wat hoopten ze te krijgen?
Ergens is het ook begrijpelijk dat het volk Israël de Heere voorbij rende. Want in een tijd van nood moet er toch gehandeld worden, anders is het te laat. Door middel van de profeet roept de Heere het volk toe, dat Hem voorbij rent: Sta eens stil en keer je weg naar Mij. Bij Mij is je redding.
Hij zegt er ook bij: Als je voortdurend Mij voorbij rent, heb ik hier niets te zoeken. En daar heeft het dralen mee te maken. De Heere wil nog niet vertrekken, want Hij weet wat het voor het volk betekent dat Hij zal gaan. Het zal de crisis alleen maar erger maken. Er is geen houden meer aan. Dan zal alles instorten en alle bescherming weg zijn.
Maar de Heere wacht … aarzelt …draalt. In de hoop, dat het volk zich opeens bedenkt, alsnog een omkeer maakt en naar God toe gaat voor hulp. Het is niet zomaar een dralen, niet besluiteloos, maar juist een popelen om in actie te komen. Om bij te springen en uitredding te brengen. God wil genadig zijn, ontfermen. Hij is er klaar voor, maar het volk denkt er niet aan, omdat het zelf nog kan.
We hebben hier te maken met een spanning tussen onze eigen verantwoordelijkheid  en Gods handelen. Toen ik dit opschreef, moest ik opeens denken aan een voorval uit de tijd dat ik nog op een jeugdvereniging zat. Als jeugdvereniging waren we ergens geweest. De oudere jongeren, die hun rijbewijs hadden, reden in hun eigen auto of die van hun ouders. Op de terugweg kwamen we in hevig noodweer terecht. Toen we aankwamen bij de bestemming, kwamen bepaalde groepen later aan. Van een van de groepen hoorden we dat een van de bestuurster de auto aan de kant van de weg had gezet om te bidden voor zij verder ging, voor zij verder durfde te rijden. Ik had dat altijd wat merkwaardig gevonden, want zoek je het gevaar daarmee niet op? En toch, deze tekst overdenkend … is het niet gemakkelijk om God voorbij te vluchten
Of in groter verbad: je zou maar politicus zijn en verantwoordelijk zijn om de euro te redden. De verantwoordelijkheid kan grote last zijn. Als u verantwoordelijkheid hebt voor een bedrijf, een afdeling, een gezin,  wat betekent het om te vertrouwen op God? Is dat niet te eenvoudig: bekering en het vinden van rust in God? Dat is toch een te eenvoudige oplossing als er snel gehandeld moet worden  als een bank dreigt om te vallen, als een faillissement dichter bij komt? Het gaat er ook niet om, dat wij geen verantwoordelijkheid hebben.
Het voorbij rennen van de Heere in onze vlucht gebeurt heel subtiel. anders had het volk dat niet gedaan  en anders zou het ons ook niet overkomen dat we voorbij gaan aan wat God ons geeft. Het gaat erom dat we werkelijk geloven dat ons leven in Gods hand is, dat we daar uit leven. Dat we werkelijk leven in afhankelijkheid aan Hem. En toch is de rust en de omkeer, waar Jesaja enkele verzen terug over spreekt  van wezenlijk belang. Want in onze vlucht kunnen we nog ons eigen leven in onze hand hebben en leven we – zonder dat we er erg in hebben – zonder God.
Het kan ook zijn, dat we op de vlucht zijn geslagen, gejaagd zijn, omdat onze wereld in elkaar valt, onze plannen niet meer doorgaan, onze wensen niet uitkomen. Hoe begrijpelijk dat allemaal kan zijn, Gods plannen zijn anders dan onze plannen. Gods wegen zijn anders dan onze wegen. Het kan zijn dat de Heere tegen u zegt: Ik heb andere plannen met u. Niet de groei van je bedrijf, niet deze baan.  Niet deze voorspoed of dit geluk. Ik zeg niet dat dit gemakkelijk is.
Het vertrouwen waar de Bijbel over spreekt, het vertrouwen op God, betekent niet dat we overal een antwoord op vinden. Betekent ook niet dat de bomen tot de hemel groeien. Het gaat om wezenlijk vertrouwen op God, dat vooraf gaat aan onze beslissingen, aan onze keuzes. Een vertrouwen dat er ook is als onze keuzes verkeerd uitpakken, een vertrouwen . Wie zo kan leven, is gelukkig, zegt de Schrift. Wie de zorgen uit handen kan geven, je eigen leven, alles wat je bezighoudt en verantwoordelijk voor bent. En dat geluk is geen toekomstmuziek, je bent nu gelukkig – in je verantwoordelijke positie. Dat geeft een andere kijk op ons bezig zijn. Geluk zit dan niet in wat we bereiken, maar wat we ontvangen.
Wat we van God ontvangen. Niet in de vorm van materieel geluk, maar in de vorm van wijsheid, kracht, in de vorm van leiding. Wie anders kan leven is gelukkig.
En als je in het afgelopen jaar niet zo geleefd heb? Dan heb je ook je geluk voorbijgerend en God zelf. Dan kun je straks thuis uithijgen van dit jaar en stapelen direct de zorgen voor komend jaar zich weer op. Dan dragen we de last zelf, die anders God van ons afneeemt.
De profeet roept ons toe in het voorbijrennen: Ho, wacht, stop. Er is meer. Er is ook nog een God. Die is er niet alleen voor het  geval je zelf niets meer kunt. Nee, Hij wil nu dat we naar Hem toegaan. Hij staat te wachten, te popelen. Hij draalt … Hij wil ons niet in de kou laten staan. Hij wil ons niet in onze sop gaar laten koken. Hij staat klaar, in de startblokken. Bereid om in actie te komen. En als je Hem voorbij gerend bent, Hij wil Zijn genade geven.
Nu het nog kan, stel je vertrouwen op Hem en je zult gelukkig zijn, omdat God met je is.
Amen