Preek zondagavond 2015

Preek zondagavond 2015
Efeze 1:1-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Amerikaanse hoogleraar Eugene H. Peterson, van wie ik momenteel veel lees en veel leer,
heeft een boek over de brief van Paulus geschreven met als titel: Practice resurrection.
Leven uit de opstanding van Christus – de opstanding van Christus in praktijk brengen.
De ondertitel van het boek is net zo belangrijk als de titel”
An conversation on growing up in Christ – een gesprek over groeien in Christus,
een gesprek over in Christus volwassen worden in het geloof.

Dat is ook wat ik als uw predikant met u als gemeente wil doen:
een gesprek met u, vanuit deze brief van Paulus aan de Efeze,
over het in Christus volwassen worden in het geloof, over het groeien in Christus.
Niet vanuit de hoogte, alsof ik wel even weet hoe dat gaat,
maar soms wel een indringend gesprek,
waarbij we elkaar in de ogen kijken, met elkaar meedenken,
elkaar helpen te luisteren naar Christus, de opgestane Heer
die in ons wil wonen en werken.
De brief zelf zet ook in op een gesprek,
en dan niet zozeer van Paulus met de gemeente,
maar door de woorden heen die Paulus schrijft,
klinkt de stem van onze opgestane Heer en Heiland.
Paulus is maar een apostel, de brenger van de boodschap,
Het gaat er niet om wat Paulus vindt, het is niet het gezag dat Paulus uit zichzelf heeft.
Paulus is maar een boodschappenjongen,
hij speelt wel een rol in Gods plan om het evangelie over de wereld te mogen brengen,
om gemeenten te stichten en gemeenten te begeleiden in het groeien in Christus,
maar het gaat hier niet om Paulus, maar om God zelf
die in de woorden van Paulus bij de gemeente van Efeze kwamen
en de woorden van God die bij ons hier in ‘t Loo en in Oldebroek komen.
We kunnen het opschrift van deze brief ook veranderen in:
Aan de Oldebroekers en aan de Loosen
Paulus, die door Gods wil de stem van Jezus doet klinken,
die door zijn brief zich mag richten aan de heiligen en gelovigen in Jezus Christus
die er in Oldebroek en in ‘t Loo zijn.
Huh? Heiligen die er in ‘t Loo en in Oldebroek zijn?
Dat er mensen zijn die in Jezus Christus geloven, dat weten we:
kerken genoeg in Oldebroek, waarmee we samen, hoe verschillend we ook zijn,
het lichaam van Christus vormen.
Maar heilig? Kunnen we dat zomaar van onszelf zeggen?
Is dat niet teveel eer voor ons? Zijn wij wel zo heilig?
Nee, het gaat niet om wat wij voor elkaar hebben gekregen
en dat wij toch best een heel eind op weg zijn om goede mensen te worden.
Het gaat er niet om, dat we onszelf maar eens een flink compliment geven
en tegen elkaar zeggen: We doen het heel goed, beter dan de rest.
We stijgen boven hen uit.
Als we aangesproken worden met heiligen moeten we niet naar onszelf kijken.
Want heilig zijn we niet in onszelf, maar heilig zijn we door wat God doet.
Heilig heeft hier de betekenis van: toegewijd en klaargemaakt om God te kunnen dienen.
Heilig zijn we, net zoals het volk Israël een heilig volk is.
Net zo zondig als wij, met net zoveel moeite om Gods wil in praktijk te brengen als wij
en toch heilig, bijzonder, omdat God dit volk apart zette
en tegen Israël zei: Jullie zijn Mijn volk en je bent hier op aarde om Mij te dienen.
Als we aangesproken worden als heiligen, in dat ene woordje,
wordt heel het werk van God aan ons samengevat:
God die Zijn Zoon naar de aarde stuurt en de Zoon van God die sterft aan het kruis
en opstaat uit de dood – dat maakt ons heilig.
Dat we heilig genoemd kunnen worden, hebben we niet aan onszelf te danken,
is geen verdienste die we op onze eigen conto kunnen schrijven,
maar dat is wat God met ons doet: Hij maakt ons heilig.
Dat wil zeggen: hier op ‘t Loo en in Oldebroek zoekt Hij mensen uit
om hen apart te nemen en tegen hen te zeggen: Je bent van Mij.
Je bent nu niet allereerst meer Oldebroeker of Loose, maar je bent er nu een van Christus.
Gelovigen in Christus, daarmee bedoelt Paulus niet dat wij geloven in Christus,
maar dat we als gelovigen zijn in Christus.
Christus is het gebied, de locatie waarin we ons bevinden.

De Herziene Statenvertaling maakt het wat onduidelijk, het gaat om heiligen die in Efeze zijn
en in Christus Jezus zijn – heiligen die in Oldebroek en ‘t Loo zijn en in Christus.
Daar zit een dubbelheid in – en die dubbelheid is kenmerkend voor een gelovige.
We zijn hier op deze aarde – wonen hier, hebben hier onze relaties, ons werk, ons leven,
maar terwijl we hier zijn, zijn we ook al in Christus, zijn we niet alleen van Hem,
maar ook in Hem.
We zijn burger in twee werelden: dit dorp hier op aarde, maar tegelijkertijd burger van het hemels Jeruzalem. Wel op in deze wereld, maar niet van de wereld,
we zijn van Jezus Christus en daarom zijn we ook in Hem.
Heel deze brief is een gesprek van God met Zijn gemeente om het vol te houden
om hier op aarde van en in Christus te zijn.
Want dat is zo eenvoudig nog niet.
Het Oldebroekse, het Loose blijft aan ons trekken.
En al kunnen we zeggen dat het hier in deze omgeving nog behoorlijk christelijk is
en dat de spanning in een stad als Zwolle of Amsterdam veel sterker wordt ervaren,
ook voor ons hier is er die spanning tussen die beide werelden:
het aardse dat aan ons trekt, dat nog zo in ons werkt
ons doen en laten wil bepalen, ons leven wil laten gehoorzamen,
en aan de andere kant, de Heilige Geest – die Geest van Christus, de opgestane Heer,
die in ons werkt, en dat aardse, dat Oldebroekse, Loose steeds meer uit ons wil hebben.
Groeien in Christus betekent: steeds meer het aardse verliezen,
steeds minder Oldebroeker worden en steeds meer van Christus worden,
steeds minder een Loos karakter, maar gevormd door de Heilige Geest met Christus in ons hart.
Alleen dan worden we volwassen
en alleen dan, met Christus in ons hart en als we door Hem gevormd worden,
kunnen we hier wonen.

Want hebben onze woonplaats op aarde niet voor niets.
U bent niet voor niets hier in Oldebroek of ‘t Loo woonachtig.
Dat is niet toevallig.
als gelovigen hebben we een hemels paspoort,
maar ook een aards paspoort.
We leven hier op aarde en dat is niet zomaar.
Paulus zegt tegen de gemeente in Efeze niet dat zij uit Efeze moeten wegtrekken
omdat de stad zo goddeloos is.
Christus zegt niet tegen ons, dat we ons moeten afzonderen van de gemeenschap hier,
maar juist hier, op deze plaats zijn we van Christus,
bent u als gemeente een heilige gemeenschap.
Dat wij Hervormde Gemeente Oldebroek – ‘t Loo heten,  is niet alleen een plaatsaanduiding,
geeft niet alleen aan dat wij onze mensen en onze gebouwen in deze twee dorpskernen hebben,
maar dat we hier op deze plaats door God zijn uitgekozen om aan God gewijd zijn.
Wij zijn net als Israël.
Israël kreeg een bijzonder stuk op aarde toegewezen: het Beloofde Land.
Als kerk vervangen we Israël niet.
Dat kan niet, want God heeft met Israël een eeuwig verbond opgericht
en daarom is het goed dat er komende week aandacht is voor Israël,
voor de rol van Israël in deze tijd die de eindtijd is.
Er is wel een overeenkomst: zoals God in Israël werkt, zo werkt Hij ook in de kerk:
er is een gemeenschap van mensen, die door God zijn uitgekozen
om Hem te dienen op een bepaalde plaats.
Israël had God niet uitgekozen, maar God koos dit volk.
En wij hebben God niet uitgekozen, maar Hij koos ons.
Dat we geloven, dat we in Christus zijn,
dat we een dubbel paspoort hebben, een aards en een hemels,
dat hebben we er niet aan te danken omdat wij gelovig zijn.
Net zo min als dat wij ervoor gezorgd hebben dat we heilig zijn,
is geloven is dat bij ons vandaan komt.
Het komt bij God vandaan. Hij maakt ons heilig, Hij zorgt ervoor dat we in Christus zijn
en dat we in Jezus geloven en vertrouwen hebben in onze Heiland.
Dat hebben we allemaal niet aan onszelf te danken.
Dat is allemaal Gods keuze. Zijn keuze om Israël als Zijn volk te kiezen,
en hier in Oldebroek en ‘t Loo u en jou te kiezen.
Uitverkiezing.
En als we dat woord horen, dan kunnen we terugschrikken,
want dat kan voor ons gevoel iets oneerlijks krijgen, iets willekeurigs:
God kiest de één wel en de ander niet.
Als Hij voor een bepaalde groep kiest, betekent dat ook dat Hij andere groepen links laat liggen.
Als we zo denken, zitten we op het verkeerde spoor.
We kunnen het vergelijken met een bruiloft.
Als er iemand trouwt – ik kreeg deze week een trouwkaart en in de komende maanden
is er in onze gemeente een aantal trouwerijen –
dan denken we toch nooit: waarom kiest deze bruidegom nou voor deze bruid.
Hij had toch ook een ander kunnen kiezen?
Het is toch willekeurig dat hij voor dit meisje, voor deze vrouw kiest?
Stel je voor, dat je bij de ingang van het stadhuis kabaal gaat maken
en dat je hier je beklag over doet en roept: de keuze die je maakt is zo oneerlijk, zo willekeurig.
Het gaat in Gods keuze, in Zijn uitverkiezing, om liefde,
liefde die ons opzoekt, Hij kan het niet over Zijn hart verkrijgen om ons te laten gaan.
Daarom kan Paulus er ook zo opgetogen over zijn.
Dat we die dubbele paspoorten hebben, dat is niet zomaar,
dat zegt alles over God en over Zijn hart, Zijn liefde voor ons.
Zie, hoe Zijn hart brandt van liefde voor ons.
En het is ook geen bevlieging van God.
Het is niet, zoals dat bij ons mensen zo kan zijn,
dat je spijt krijgt van je huwelijk, omdat het niet loopt,
omdat degene die je gekozen hebt, toch een ander blijkt te zijn
of niet voldoet aan je maatstaven.
Nee, als God kiest, dan komt Hij er niet op terug.
Dat is het tweede wat bij uitverkiezing komt kijken: eerst liefde, maar ook in de tweede plaats
een keuze waar God niet op terugkomt.
Kijk maar in vers 4: een keuze die Hij al maakte, voordat Hij de wereld schiep.
Dus nog voordat u ging geloven, voordat u geboren werd zelfs,
voordat deze wereld door Hem in het aanzijn werd geroepen, werd geschapen,
voordat alles hier op aarde begon, toen koos Hij al uit.
Daar begint reeds onze groei: voor ons bestaan, voor het bestaan de wereld, in Zijn keuze.

In al die lange tijd dat de wereld bestaat, is Hij niet op die keuze teruggekomen.
Sterker nog: Hij heeft Zijn keuze waargemaakt en uitgevoerd.
Dat we een kerk zijn, is een teken van Gods liefde en trouw.
Als we afvragen waar God is en wat Hij doet,
kunnen we naar de kerk kijken, naar ons gebouw, naar onze samenkomsten,
naar de gelovigen die vanavond uit de kerk hun plaats weer innemen in hun gezin
en morgen op hun werk en in de straat waar je woont.
God heeft u gekozen. En niet alleen u, maar een hele gemeenschap om u heen.
Want alleen red u het niet.
Alleen red u het niet in de strijd tussen het aardse en het hemelse,
tussen het Oldebroekse en wat van Christus is,
tussen ‘t Loose en de Geest, tussen het Nederlandse en wat van het Koninkrijk van God komt.
In die strijd verliezen we als we het alleen moeten doen.
Maar niet alleen vanwege die strijd,
er is nog een reden: God is te groot voor ons
om Hem in ons eentje te kunnen doorgronden.
We hebben elkaar nodig om Gods grootheid en glorie te kunnen zien en ervaren.
Wie door Christus gewonnen is, krijgt er een hele familie bij: broers en zussen.
Geloven is geen privé-onderneming.
Want de Heere is niet mijn privégodje en Christus niet mijn eigen persoonlijke redder
waar anderen niets mee te maken hebben, die alleen maar van mij alleen is.
In het geloof is er geen ik-alleen, geen ego-tripperij,
maar een ons, een wij, een gemeenschap.
Een gemeenschap niet alleen met mensen, maar ook een gemeenschap met God,
door Jezus Christus.
Er is een band, een relatie, een band die niet verbroken kan worden.
Niet meer – omdat Jezus stierf en opstond
en omdat we in Hem leven.

Omdat we in Hem leven – als ik het zo opschrijf en zo zeg,
dan aarzel ik altijd, want ik weet dat ik daar commentaar op kan krijgen,
want het klinkt wel makkelijk alsof iedereen tot die gemeenschap behoort.
Je moet daar toch wel een keuze voor maken?
God maakt die keuze en wij kunnen dat alleen ontvangen en beamen.
Hij bepaalt wie er tot die gemeenschap behoort
en Hij gebruikt ons om anderen tot die gemeenschap te brengen.
Daarom zijn we een gemeenschap hier in Oldebroek en ‘t Loo.
Maar we zijn niet van hier.
Onze bestemming ligt elders: in het hemels Jeruzalem.
Oldebroek en ‘t Loo – is maar een tussenstation op de reis naar die eindbestemming.
De hele brief wordt gestempeld door de verwondering
dat God ons daar wil hebben: bij Hem in het hemels Jeruzalem,
daar waar onze Heer nu reeds is.
Hier op aarde laat Hij ons al delen in Hem.
Paulus kan zijn geluk niet op.
Kijk maar in vers 3 – dat is de basis voor die hele lange zin, de beruchte zin,
die helemaal doorloopt tot in vers 14,
een van de langste zinnen die er bestaat in het Grieks uit die tijd.
Het is een lofprijzing van een hart dat overstroomt,
er maar niet genoeg van God kan krijgen
er nog steeds niet bij kan, dat God ons mensen heeft uitgekozen in Zijn liefde.
En dat God ons niet alleen heeft uitgekozen, maar ons alles geeft
wat we nodig hebben om het hier op het tussenstation uit te houden
en op het eindstation aan te komen.
Geprezen zij God voor alle zegeningen die we van Zijn kant ontvangen,
Hij geeft alles wat Hij heeft, Hij geeft zichzelf.
Er is een band met God, door God gelegd
en vanuit God stroomt ons alles toe wat wij hier op aarde nodig hebben:
genade, vreugde, kracht om vol te houden, wijsheid om de weg te gaan,
mensen om ons heen, noem maar op.
En het komt allemaal vanuit Christus die voor ons stierf en opstond uit de dood.
We zijn er nog niet, maar we kijken wel uit naar het moment om bij Hem te zijn.
Daar zullen wij onze Heer ontmoeten.
En hier op aarde, waar we nu nog zijn, terwijl we uitkijken, naar omhoog
waar Hij is, onze God, onze Heer.
zijn we al vol van Hem en kunnen we niet wachten.
Geprezen zij de Heer voor alles wat Hij geeft!
Amen

De Christelijke Dogmatiek over “Israël en het verbond”

De Christelijke Dogmatiek over “Israël en het verbond”

In hoofdstuk 9 gaat de Christelijke Dogmatiek in op de betekenis van het levende Israël.

§ 9.1 Terminologische verheldering
In de discussies over Israël is het lang niet altijd helder wat er met Israël bedoeld wordt. Van den Brink en Van der Kooi noteren 5 verschillende betekenissen:
– Israël als moderne staat
– het gebied dat overeenkomt met het Bijbelse Kanaän
– Het volk Israël zoals dat in de Bijbel aan de orde komt
– Het volk Israël zoals dat vandaag de dag bestaat
– Vertegenwoordigers van het Joodse geloof of van het Jodendom

Voor de Christelijke Dogmatiek zijn alle betekenissen van belang. Er wordt bewust gekozen voor Israël ‘in de eerste plaats te beschouwen als een als een aanwijsbare volksgemeenschap waaraan God zich heeft geopenbaard en zijn beloften heeft geschonken’ (p. 312)
Israël is daardoor zowel een volk als een geloof (Jodendom). Met dat volk heeft God zijn verbond gesloten. Als onderdeel van de belofte van het verbond behoort ook het land aan de orde te komen.

§ 9.2 Gedeelde verwachting
Volgens Van den Brink en Van der Kooi delen christenen en Joden in dezelfde verwachting: namelijk de verwachting van Gods koninkrijk. Deze verwachting is allereerst aan Israël geschonken en de niet-Joodse gelovigen mogen delen in die verwachting. Deze verwachting werd al door de profeten uitgesproken en wordt ook door Jezus verkondigt.
De kerk deelt in deze verwachting. Omdat christenen in die verwachting delen heeft het Jodendom een andere positie dan de (andere) wereldgodsdiensten. De kerk is dan ook niet in de plaats van Israël gekomen, zoals de vervangingstheologie leert. (Vervanging: de kerk vervangt Israël in het heilsplan van God, de kerk komt in plaats van Israël). Daarom is het volgens de auteurs niet mogelijk om zending onder de Joden te bedrijven, want zij hebben al deze verwachting. In plaats van zending gaat het om gesprek met Israël.

§ 9.3 Het problematische kerkelijke verleden en de noodzaak tot herbezinning
De rol van Israël in Gods heilsplan is niet voorbij. Daarom moet de dogmatiek ook aandacht hebben voor het levende Israël. De aandacht voor Israël is van recente datum: van na de Tweede Wereldoorlog en vooral na het besef van de Sjoah dat in de jaren-’60 begint door te dringen en de Zesdaagse oorlog 1967.
In het verleden werden de Joden geregeld negatief bejegend door christenen:
– zij werden als moordenaars van Christus gezien.
– Antisemitisme heeft voor een belangrijk deel de kerkgeschiedenis gestempeld. Zie bijvoorbeeld het boekje van Luther uit 1543: Over de Joden en hun leugens

(Waarbij Van den Brink en Van der Kooi de complexe interpretatie van dit boekje tekort door de bocht behandelen. Dat er over dat boekje een hele discussie is, melden zij niet. Eveneens als de discussie die nog steeds doorgaat. Denk hierbij aan het recente boek van Thomas Kaufmann, Luthers Jüdenschriften of aan het artikel van Hans-Martin-Barth)

Er kwam door de shoah een discussie op gang of het antisemitisme zelfs niet teruggaat op het Nieuwe Testament. (Zie de stelling van de feministische theologe Rosemary Radford Ruether: de manier waarop het NT Christus presenteert moet wel tot antisemitisme leiden.)

Nog steeds roept het christelijk nadenken over Israël veel emoties op. Volgens de Christelijke Dogmatiek is er in de hedendaagse dogmatiek nog steeds weinig aandacht voor het levende Israël. Eén markante uitzondering is: Friedrich Wilhelm Marquardt, die de hele christelijke theologie opnieuw doordenkt vanuit het schokkende feit van de shoah.

De gereformeerde traditie is trouwens altijd positief geweest over het levende Jodendom. Calvijn hield eraan vast dat de beloften uit het Oude Testament nog steeds voor het Joodse volk van toepassing waren en niet in zijn geheel overgingen naar de kerk. De calvinistische traditie zingt alle 150 psalmen (uniek in de wereld), zonder deze psalmen vanuit Christus te zien. De statenvertalers raadpleegden Joodse rabbijnen voor de vertaling van het Oude Testament.

Binnen het Joodse volk is er een kleine – volgens de Christelijke Dogmatiek: een buitengewoon interessante – groep in het Jodendom, die Jezus erkent als Messias. Deze groep houdt echter vast aan de besnijdenis.

§ 9.4 Structurele tweevoudigheid
Door het bestaan van het levende Israël kent de dogmatiek een tweevoudigheid die structureel is: zowel Israël als de kerk hebben een rol in het heilsplan van God. Met de komst van Christus en/of de kerk is het verbond met Israël niet opgeheven.
Gevolg van deze blijvende plaats van Israël in het heilsplan van God, vanwege het eeuwigdurende verbond van God met Israël is het van groot belang voor de dogmatiek vast te houden aan het feit dat Jezus een Israëliet was:
– Jezus legde de weg van Israël af.
– Jezus laat zien welke weg Israël nog zal afleggen. Jezus en Israël zullen niet gescheiden zijn.
Ook de opstanding bevestigt de plaats van Israël in het heilsplan van God: door Jezus op te wekken uit de dood laat God zien dat Hij Jezus erkent als messias van Israël.

Consequenties van deze structurele tweevoudigheid:
– Jezus en Israël horen bij elkaar.
– De kerk zou moeten kiezen voor de Joodse canon en de volgorde die Joden aanhouden: Torah, Profeten, Geschriften.
– De kerk erkent het eerstgeboorterecht van Israël.
De auteurs willen hun model voor de plaats van Israël in de dogmatiek inlijvingstheologie noemen. (de kerk wordt ingelijfd in het verbond van God met Israël).

§ 9.5 Verbond, wet en verbondsproblematiek
Voor zowel de kerk als het Jodendom is het verbond een belangrijke thematiek van het geloof. Het verbond wordt door God in het leven geroepen (monopleurisch van inzet), maar heeft als consequentie dat God en mens zich daaraan houden (dipleurisch van uitwerking). In het houden van het verbond ligt het leven van de mens. Buiten dit verbond dreigt de chaos en de dood.
Verschil tussen Jodendom en kerk is, dat de kerk leert dat de mensen niet meer uit zichzelf het verbroken verbond kunnen herstellen. Jodendom en kerk hebben een andere visie op Genesis 3. De lijn van de kerk komt ook al wel voor in het Oude Testament.

Het Jodendom kent verschillende kenmerken die moeten laten zien dat het Joodse volk zich aan het verbond met God houdt (de zgn. identity markers):
– het land
– de besnijdenis
– de sabbat
– de wetten over eten en reinheid.

§ 9.6 De betekenis van Jezus voor het verbond met Israël
Het Nieuwe Testament laat zien dat Jezus allereerst kwam als messias voor Israël en pas in tweede instantie voor de (niet-Joodse, heidense) volkeren. Hij kwam om het verbond met Abraham te volbrengen. Na Pinksteren wordt de kring breder getrokken naar de niet-Joodse volkeren.

Daarom kan niet gezegd worden, dat Jezus alleen kwam met het oog op de volkeren. Hij en Israël kunnen niet van elkaar losgemaakt worden.
Door de komst van Christus leest de christen het Oude Testament vanuit Christus: de oude teksten krijgen in het licht van Christus’ komst een nieuwe betekenis; tegelijkertijd worden de wetten en regels gehandhaafd of zelfs aangescherpt.
Door de komst van Christus worden ook de identity markers. Niet de besnijdenis is meer het teken van het verbond. Wat wel laten de auteurs in het midden. De doop of iets anders?

Jezus zag zijn komst als vervulling van de komst van Gods koninkrijk (vooral zijn sterven.) Voor degenen die in Jezus als Messias geloven is Jezus tot de identiteit van God gaan behoren. De God van Israël en de gekruisigde messias horen bij elkaar.

§ 9.7 De onvoltooidheid van de verlossing
Een belangrijk bezwaar van Joden tegen Christus als messias is dat met Zijn komst het koninkrijk van God nog niet definitief is aangebroken. De universaliteit, d.w.z. het wereldomvattende, van de verlossing ontbreekt nog. Christenen gaan daarom uit van een tussentijd van de komst van Christus als voorlopig aanbreken van het koninkrijk naar zijn wederkomst als definitief moment van aanbreken.

§ 9.8 Wat nemen we mee?
– Als het levende Israël voor de dogmatiek van belang is, wordt het ook belangrijk om aandacht te besteden aan het concrete leven van alledag (een positieve waardering van het aardse).
– Christus is de concrete plaats van het heil. Hij is in de hemel, maar ook in de gemeente en in de gelovige. Daarom kan de kerk en de gelovige tempel van de Heilige Geest zijn.
– De Geest legt beslag.
– De belofte van het land blijft voor Israël en het verbond van blijvende betekenis.
– de Kerk bidt met Israël om de komst van Gods koninkrijk.
– de kerk kan nooit een vervangingsdenken accepteren.
– De kerk neemt het appèl tot levensheiliging serieus.

Kritische vragen:
(1) De vraag is of de Christelijke Dogmatiek het levende Israël zelf wel serieus genoeg neemt. Er komen slechts enkele Joodse stemmen aan het woord, die over het algemeen redelijk positief zijn.
Is het niet zaak om vast te houden dat er vanuit het Jodendom ook veel kritischere geluiden zijn, die ontkennen dat Jezus de messias is?

(2) Wil het levende Israël wel een plaats in de (christelijke) dogmatiek? Wat als het Joodse volk ‘nee’ blijft zeggen tegen Jezus als messias? Wat als het Joodse volk niet onopgeefbaar verbonden wil zijn met de kerk? Kunnen wij dat dan ook in onze dogmatiek accepteren? Hadden de auteurs niet ook het nee van Israël moeten meenemen?

(3) Laat het hoofdstuk over de triniteit niet bij uitstek zien, dat de Christelijke Dogmatiek zelf ook weinig doet met het levende Israël? Wordt in dat hoofdstuk niet te gemakkelijk verondersteld dat er trinitarische sporen in het Oude Testament voorkomen? Waarom wordt in dat hoofdstuk over de triniteit het gesprek niet aangegaan met bijvoorbeeld Joodse oudtestamentici?

(4) Wordt met de erkenning van het levende Israël niet te gemakkelijk een leeswijze van het Oude Testament aangehangen vanuit Christus? Had vanuit het gesprek met Israël dit niet meer geproblematiseerd moeten worden?

(5) Is de overname van de Joodse canon niet te simplistisch? Om welke canon gaat het dan? Hoort Jezus Sirach erbij? Of het boek van Henoch (dat in de Ethiopische kerk canoniek is)? Deze geschriften zijn immers van oorsprong in het Hebreeuws geschreven?

(6) Is er niet meer ruimte voor het levende Israël in de dogmatische visies van Pannenberg ea dan de auteurs hier suggereren? In zijn ecclesiologie laat iemand als Pannenberg toch zien, dat hij besef heeft van het levende Israël?

(De Barth-leerling Busch heeft ook zelfstandig veel gepubliceerd over de betekenis van Israël. Hans-Joachim Kraus schreef naast zijn verschillende dogmatieken, die de verwachting van het rijk van God als uitgangspunt hadden, ook het boek Terugkeer naar Israël.
En als Franz Mussner genoemd wordt, waarom dan geen aandacht voor Norbert Lohfink of Erich Zenger? – om maar enkele voorbeelden te noemen.

Daarnaast: komt Bultmann niet tekort door de bocht aan bod? Op zijn minst had toch uitgelegd kunnen worden hoe hij aan zijn gedachte komt van de geschiedenis van Israël als mislukking? Bovendien: ook Bultmann heeft geregeld Joden geholpen in het Hitlertijdperk en dan niet zoals Barth vanuit het buitenland, maar in Duitsland zelf. Dat kwam in die periode vaker voor: theologisch een negatieve visie op het Jodendom, maar in praktijk goed contact met het levende Israël van die tijd.)

(7) De auteurs geven aan dat Jezus’ missie allereerst voor het Joodse volk bedoeld was. Naar mijn idee is dat niet hard te maken. Allereerst zijn alle evangeliën geschreven na Pinksteren. Bovendien gaan in ieder geval Mattheüs en Lukas er bij het schrijven van hun evangeliën ervan uit dat Jezus niet alleen voor het Joodse volk gekomen is, maar voor het Joodse volk en de andere volken samen. Of maken de auteurs hier een onderscheid tussen de historische Jezus voor Pasen en de verkondigde Jezus van na Pasen/Pinksteren? En wat betekent dat voor de gehele opzet?

(8) Waarom eigenlijk zoveel verwijziging naar Berkhof? Waarom niet het gesprek aangegaan met Marquardt, Van de Beek, Miskotte of andere theologen? Zo bijzonder is Berkhofs visie toch ook niet?

(9) Klein exegetisch detail, maar in de discussie over Israël niet onbelangrijk. Op pagina 328 wordt de bekende tekst Romeinen 11:17 aangehaald: – over het beeld van de takken die ingelijfd worden en de wortel die draagt. Volgens de auteurs wordt met de wortel Israël bedoeld. Naar mijn idee is dat niet terecht en wordt dat in de exegese ook niet zomaar gedeeld. Naar mijn idee bedoelt Paulus met de wortel wel degelijk Christus of anders het verbond. Dan wordt de gelovigen uit de volkeren niet in Israël ingelijfd, maar samen met Israël in Christus of in het verbond.

Mattheüs 1:1b

Mattheüs 1:1b

Jezus Christus:
In het evangelie van Mattheüs (MtEv) hier al een vaste formulering. De titel Christus of Messias wordt dus al onderdeel van de naam van Jezus. Dé messias is Jezus. Net als in de andere geschriften van het Nieuwe Testament heeft deze Messias niet de pretentie om een aards koninkrijk op te richten, maar komt Hij om het Koninkrijk der hemelen te brengen.
Zo vaak wordt de aanduiding ‘Christus’ niet gebruikt in het MtEv. Dat heeft er wellicht mee te maken dat in het MtEv alle hoogheidspredikaten (van Messias tot Mensenzoon) op Jezus toegepast worden.
Alleen in Mt. 1:18 komt de combinatie van naam en titel nog een keer voor.

Twee keer wordt er gesproken over de genesis van Jezus Christus: een aardse (1:2-17) en een hemelse lijn (1:18-25).
‘Daarmee wilde Mattheüs reeds in het opschrift en in de ontvouwing daarvan in de dubbele oorsprongsgeschiedenis “Jezus Christus” in persoon als de menselijke bestaanswijze van God en als Zijn aardse plaatsbekleder opvatten. Als aardeling, als mens staat Jezus in de bloedlijn en genealogische afstamming op één lijn met David en Abraham. Als Immanuël (‘God met ons’) is Zijn bestaan direct op het scheppend handelen van de Geest van God Zelf terug te voeren.’ (Hubert Frankemölle).

de Zoon van David:
Vanaf de Babylonische ballingschap (of misschien wel eerder) leefde er de verwachting van een nieuwe koning die als David zou zijn en op de troon van David zou heersen. David was de man naar Gods hart, de uitverkorene. In het MtEv wordt Jezus ook getypeerd als ‘Koning der Joden’ (27:11, 37). Deze koning om te dienen en Zijn volk te weiden en op Gods weg te leiden (zie het citaat uit Micha 5:1, 3 in Mt 2:6).
Wanneer het MtEv deze aanduiding in de aanhef van zijn evangelie plaatst, betekent dat, dat hij Jezus ziet als de vervulling van de Messiaanse beloften. In Jezus wordt de gehele geschiedenis van Israël vervuld en Jezus laat zien hoe het koninkrijk dat Hij brengt in overeenstemming is met de wil van God (H. Frankemölle). Stuhlmacher (Die Geburt des Immanuel) geeft aan: de profeten kondigden niet alleen de geboorte van de Redder aan, maar kondigden ook de heerschappij van God op de Sion aan. In de komst van Jezus zijn beide verwachtingen in vervulling gegaan.

de Zoon van Abraham:
In Abraham zouden alle volkeren gezegend worden. Het MtEv wil aangeven dat door de komst van Jezus Christus de zegen ook ten deel mag vallen aan de niet-Joodse volkeren. Aan het einde komt dat nog eens terug (Mt 28:19). Begin en einde laten zien, dat de openstelling voor de niet-Joodse volkeren een belangrijke thematiek is voor het MtEv.
Zie ook de discussie waarbij gerefereerd wordt aan Abraham als vader: Mt. 3:9, 8:11, 22:32.

Volgens Frankemölle geeft de verwijzing naar David en naar Abraham aan, dat Jezus gekomen is tot heil voor Israël en tot heil van de volkeren. Hij geeft aan dat de lezer vanaf het begin van het MtEv op een spanning stuit, hoe het heil van de volkeren en het heil voor Israël samengaan. Deze spanning bepaalt de gehele dramaturgie van het MtEv. Waarbij Frankemölle aangeeft, dat deze spanning tot op de dag van vandaag niet is opgelost – als dit vraagstuk al op te lossen is. Vanuit Joodse zijde kan gezegd worden: ik geloof in JHWH als de God van Israël en tegelijkertijd als God van alle volkeren (waarbij Israël is ingesloten).
Beste spanning tussen particularisme (heil voor Israël alleen) en universalisme (heil voor alle volkeren) is kenmerkend voor het Oude Testament en het Jodendom. Volgens Frankemölle heeft de christelijke traditie deze spanning serieus te nemen. Het MtEv lost deze spanning niet op, maar vertelt bijvoorbeeld hoe de aardse Jezus gezonden is naar Israël en de opgestane zijn discipelen uitzendt tot de volkeren. (Het MtEv kende waarschijnlijk een gemeente die uit Jodenchristenen en heidenchristenen bestond.)

Zoon van God?
Wanneer we ervan uitgaan, dat Mattheüs het evangelie van Markus heeft gekend, valt het op dat het MtEv niet in de introductie “Zoon van God” heeft staan. Aan de andere kant komt dat vanaf 1:18 wel aan de orde: Jezus die door de Heilige Geest is ontvangen. Ook in het MtEv wordt Jezus getypeerd als ‘Zoon van God’ (bijv. 27:43).

Interview dr. Henk Vreekamp

‘De heiden in mij wil houvast, wil beslag op God leggen’
Interview met dr. Henk Vreekamp, een door Joodse vragen uitgedaagde heiden-christelijke theoloog

Vorig jaar had ik een interview met dr. Henk Vreekamp over zijn boek “De tovenaar en de dominee”.  Dat interview werd in juni 2011 gepubliceerd in Maandblad Réveil. Hierbij de tekst van het interview:

De Shoah heeft een onvoorstelbare impact gehad op de Joden. Dat merkte Vreekamp in de gesprekken die hij namens de kerk met Joden voerde. Zij zaten niet te wachten op een gesprek. Bovendien, konden zij die Vreekamp wel vertrouwen? ‘Ze vroegen mij: “Wie ben jij eigenlijk? Waar kom jij vandaan? Is het instituut dat je vertegenwoordig wel betrouwbaar?” Ik voelde mij gedwongen om op zoek te gaan naar mijn afkomst.’

‘Ik ben tijdens de oorlog geboren in Hoevelaken, vlak bij Nijkerk waar een grote Joodse gemeenschap was. Vroeger mochten Joden zich niet in de provincies Gelderland vestigen. Nijkerk hield zich niet aan dat verbod vanwege het economisch voordeel. In Nijkerk waren de Joden goed geïntegreerd. Er was respect over en weer. Als Koninginnedag op een zaterdag viel, werd deze feestdag vanwege de Joden naar maandag verplaatst. Mijn moeder heeft bij de Joodse familie Hamburger gediend. Zij vertelde mij over het dagelijks leven, de koosjere keuken, de feesten die werden gevierd. Op sabbat moest zij komen om het vuur aan te steken. Alleen godsdienstig was er scheiding. Zover ik weet was er geen gesprek over God. Als in de kerk de psalmen gezongen werden, werd dat niet doorgetrokken naar de Joden die in Nijkerk aanwezig waren. De Joden woonden al eeuwen in Nijkerk. Daardoor konden zij niet geloven dat het ooit fout zou gaan.
Van de familie Hamburger overleefde alleen dochter Rosa de oorlog. Zij wilde al in de jaren dertig naar Palestina emigreren, omdat zij betrokken was bij een zionistische jeugdvereniging. Het zionisme leefde niet onder de Nederlandse Joden, omdat ze goed geïntegreerd waren. Zelfs toen vader Hamburger op de trein naar het kamp werden gezet, had hij het idee dat het om een tijdelijke maatregel ging.
Rosa Hamburger zag bij haar terugkomst dat haar spullen door anderen in gebruik genomen waren. Ze voelde dat zij niet meer welkom was. De mensen hadden het zelf ook moeilijk gehad, zeiden ze. Ik was ruim anderhalf toen mijn moeder Rosa ontmoette na de oorlog. Ze stonden zwijgend tegenover elkaar, de beide vrouwen. Ze hadden elkaar niets te vertellen, hun werelden waren gescheiden, terwijl ze vriendinnen waren geweest. Er was teveel gebeurd, waardoor beide vrouwen er niet over konden spreken. De oorlog had een kloof geslagen.’
De houding na de oorlog houdt Vreekamp bezig. ‘Ik zeg het in alle voorzichtigheid. Ik vraag mij ook voortdurend af, hoe ik zelf gereageerd zou hebben. Zou ik zelf beseft hebben dat er een grote breuk was geslagen? Zou ik zelf doorgehad hebben, dat het christelijk geloof niet ongeschokt uit de oorlog had kunnen komen? We hebben als kerk in het reine te komen met ons verleden. De Joden hebben veel meegemaakt. Ik bepaal niet of ik het zat ben. Antisemitisme slaat ook terug op de kerk zelf: wie vanuit de haat leeft, beschadigt zijn eigen ziel.’

Gesprek
‘Al snel na de oorlog kwam een nieuwe vorm van kerkelijk belijden, waarin Israël een plaats gekregen had. Alleen werd er over de Joden gesproken zonder het gesprek met hen. Het was ook nog een ongeschokte kerk. Pas nadat Hans Jansen[i] in de jaren tachtig zijn boeken schreef over de christelijke wortels van het antisemitisme drong de ernst van Auschwitz door.  Al vrij snel kantelde echter de houding ten opzichte van Israël. Na de Eerste Intifada (1987) werd de kijk op Israël niet meer bepaald door de Shoah, maar door de politiek van het Midden-Oosten. Wanneer de geschiedenis er niet bij gehaald wordt, zijn de reacties kortademig. Is het gesprek met Israël een modeverschijnsel geweest? Het gesprek met de Joden is in onze kerk nagenoeg wegbezuinigd. Dat is aan de Joden niet uit te leggen. Bovendien: wat wij in Christus hebben, hebben wij via Israël ontvangen. Dat hoort in het curriculum van de theologische opleiding. Er is veel onkunde, waar ik van schrik’

Heidense wortels
Door de gesprekken met de Joden ontdekte Vreekamp zijn heidense wortels. Deze ontdekking kwam als een verrassing:  ‘De heiden diende zich al aan in de gesprekken met Joden in de vragen die zij mij stelden: “Waar kom jij vandaan? Is het instituut dat je vertegenwoordigt wel betrouwbaar?” Ik voelde mij gedwongen om op zoek te gaan naar mijn afkomst. Vanaf 1992 ben ik onverwacht gaan wandelen over de Veluwe. Tijdens die wandelingen overviel het heidendom mij. Ik ging mij verdiepen in de Edda en de Heliand. Daardoor heb ik de heiden van binnenuit veel beter leren kennen. Het heidendom is onderdeel van mijn biografie geworden.’ Vreekamp begrijpt het dat niet iedereen zich zal herkennen in de heidense oerwortels: ‘Het heeft ook te maken met een bepaalde leeftijd. Ik ging ook aan de slag met mijn stamboom. De tijd was er rijp voor. De ontdekking van mijn heidense wortels heeft een sterke emotionele kant. Pas gaandeweg werd deze bijbelse grondlijn van Israel en de volken mij duidelijk.’
Vreekamp legt uit wat hij bedoelt: ‘In het Oude Testament wordt over de heidenen gesproken als de goyim, de volkeren. In de profetieën over de volkeren wordt het oordeel over de heidenen aangekondigd. Maar ook voor de heidenen is er heil: zij worden opgeroepen om naar Jeruzalem te komen om daar het Loofhuttenfeest te vieren (Zach. 14). Het christendom begint als een beweging van Godvrezenden uit de volkeren die zich voelen aangetrokken door de God van Israël. God zoekt de mensen op waar zij zich bevinden, in hun taal en in hun cultuur. De Geest kruipt in je huid. Dat is de eerste stap.’
De bijbel laat nog een andere kant van de heiden zien: ‘De heiden laat zich niet gezeggen door de God van Israël. Het heidendom blijft in de christen aanwezig. De christen is een gedoopte heiden. Dat is heel dubbel. Aan de ene kant is er geen weg terug naar het heidendom, maar aan de andere kant blijft de heiden zich verzetten tegen de God van Israël. In reformatorische taal: de christen is gerechtvaardigd, maar blijft tegelijk een zondaar.’

Epifanie
‘Het is eigenlijk een open deur, maar Kerstfeest is een helder voorbeeld van het heidendom dat gebleven is. De Noord-Europese heiden heeft in de winter een feest van het licht nodig, omdat hij bang is dat hij de duisternis niet zal overleven. Het Kerstfeest heeft het Loofhuttenfeest verdrongen. In de eerste eeuwen werd er geen geboortefeest van Christus gevierd. We zouden het eigenlijk moeten afschaffen, maar dat kan alleen als het wereldwijd gebeurt.’ Hoe gaat Vreekamp dan zelf om met het Kerstfeest? ‘Ik zou voor een andere invalshoek kiezen. Johannes 1 spreekt over de menswording in termen van het Loofhuttenfeest: “Hij heeft onder ons getabernakeld.”  Jezus is als een licht in de wereld gekomen. Dit licht moeten we niet verbinden met de zon, maar de vuurkolom uit het Oude Testament. In Jezus gaat het om epifanie: om Gods verschijning.
Voor mij was het een ontdekking dat dit woord epifanie ook in de literatuur een rol speelt. Bij epifanie gaat het om een verschijning waardoor er iets in je leven verandert. Het duurt maar even, de verschijning is binnen enkele seconden weg. Je hebt het niet in je macht. De heiden in mij wil houvast, wil beslag op God leggen. Israël moet het doen met het heilige der heiligen dat leeg blijft. God is niet te zien. Mozes mocht slechts een afglans van Zijn heerlijkheid zien. God is in het Nieuwe Testament nog meer verborgen. Wie zou God in een mens zoeken? Hij ontglipt ons zodra wij er de hand op leggen. Zoals er bij de Emmaüsgangers staat (Luc. 24:31): ‘Hij geschiedde onzichtbaar’ (vertaling Dirk Monshouwer). Dit geeft ook troost: ik hoef het geheimenis niet te bewaken. Ik mag het loslaten.’
Deze epifanie werkt ook door in de verkondiging: ‘In het spellen van de Hebreeuwse en Griekse woorden licht God op. Soms in een enkel woord. Daar vindt de ontmoeting plaats. Die ontmoeting en dat oplichten mag ik met de gemeente delen. Het is voor mij telkens weer een verrassing dat het aloude verhaal zich werkelijk opnieuw opent. Dat Woord is een vreemd woord. Het stamt niet uit mijn traditie. Via Jezus en de apostelen is het hier gekomen. Misschien komen we niet verder dan met Ruth te zeggen: uw God is mijn God. Ook dat behoort tot de ergernis die het Woord van God voor een heiden is.’

Dienaar van het Woord
Als de betekenis van tevoren reeds vastligt, bijvoorbeeld door een dwingend dogmatisch raster, kan het nieuwe niet meer oplichten. Het gaat er niet om dat ik greep op de tekst krijgt, maar dat ik onder het beslag van het Woord kom. De predikant is dienaar van het Woord. De Schrift moet ook hardop voorgelezen worden, uitgeroepen worden. Vooral in de liturgie. De epifanie gebeurt daar van week tot week. Door de boekdrukkunst zijn we individueel gaan lezen. Is er dan nog wel een garantie dat God spreekt?’
Vreekamp ziet het heidendom terugkomen in de moderne spiritualiteit. ‘Ik zie in overlijdensadvertenties steeds vaker dat de overledene teruggekeerd is tot zijn Schepper. Ik kan dat Bijbels gezien niet begrijpen. In deze gedachte van terugkeer tot de Schepper is het onderscheid tussen Schepper en schepsel verdwenen. Dit onderscheid is voor Israël heel wezenlijk, maar de heiden kan hier niet tegen. Eenwording gebeurt door middel van het Woord.  Ook met de nieuwe hemel en de nieuwe aarde valt het onderscheid tussen God en mens niet weg. Ook dan blijven God en mens elkaars tegenover.’

Matthijs Schuurman

Persionalia
Dr. Henk Vreekamp is emeritus-predikant binnen de Protestantse Kerk in Nederland. Hij was predikant in Oosterwolde en Epe. Van 1984 was hij predikant voor Kerk & Israël. In 1982 promoveerde hij op De vreze des Heren. Een grondwoord in de systematische theologie. Hij publiceerde in enkele boeken over de relatie kerk en Israël. De twee boeken waarin hij ook over heidendom nadenkt zijn Zwijgen bij volle maan (2003) en De tovenaar en de dominee (2010).

Zie ook: http://www.vreekamp.nl/


[i] Hans Jansen van het Simon Wiesenthalinstituut moet niet verward worden met de arabist Hans Jansen.

Waarom ik afgehaakt ben in de discussie over Israël

Waarom ik afgehaakt ben in de discussie over Israël

Op de dag dat ik mijn afstudeerscriptie inleverde, hadden we als studenten bij de koffieautomaat een discussie over Israël. Ergens in dat gesprek constateerde ik, dat ik in mijn hele studie dit thema niet was tegengekomen. Toen ik dat opmerkte, reageerde mijn buurman in de kring op zo’n felle wijze dat ik daar verbaasd over was. Had ik in de 7 jaar van studie een belangrijk thema gemist? Voor mij was dat een aanleiding om de discussie over Israël en de kerk te volgen.
Naïef als ik was, besloot ik bij bepaalde Israëlvoorstanders om advies te vragen. Ik kwam echter een wereld tegen, waarvan ik geen flauw benul had, dat deze wereld binnen de kerk bestond. De discussie over Israël en de kerk is een soort Transnistrië: wie hier binnenstapt is zijn leven niet zeker. Sinds die tijd waarschuw ik collega’s en leeftijdsgenoten. Ze kunnen deze discussie beter links laten liggen. Want het gaat om een wereld waarin men met onverholen minachting schrijft over degenen die een iets andere mening hebben. Een wereld waarin de discussie gevoerd wordt door de ander openlijk verdacht te maken en de theologische integriteit van de ander ter discussie te stellen. Meningen en argumenten tellen niet. Men reageert alleen vanuit heftige emoties. Tegenstanders en critici wordt agressief en ad hominem bejegend. Ook de PKN, de kerk die ik dien, wordt voortdurend geschoffeerd. Mijn eigen ervaring is, dat wie alleen maar een verhelderingsvraag stelt, een lawine aan verwijten over zich heen gestort kreeg. Verwijten gericht aan mijzelf, mijn studie en de docenten bij wie ik college heb gevolgd.
Toendertijd gaf ik aan, dat onder de jonge generatie predikanten een andere visie op de relatie met Israël aanwezig was. Wilde men dat mijn generatie bezig is met de onopgeefbare verbondenheid met Israël, zou men zich anders moeten opstellen. Deze constatering werd met hoongelach ontvangen en van tafel geveegd. Sinds dit jaar kan men er niet meer omheen dat de jonge generatie predikanten anders met deze discussie omgaat. In plaats van het gesprek aan te gaan, wordt er paternalistisch gereageerd (“Hier schrik ik van!”). Of we worden ervan beticht onze inspiratie uit een verkeerde bron te halen (“Gevolg van de Angelsaksische theologie van Dunn en Wright e.a.”). Er wordt gesuggereerd  dat we de geschiedenis verwaarlozen. Het moderne antizionisme zou een herleving zijn van het oude antisemitisme. Woorden als vervangingstheologie en antisemitisme worden gemakkelijk uit de mouw geschud. Al deze verwijten zijn ongegrond en kunnen alleen geuit worden, omdat men het gesprek met onze generatie niet opzoekt. Ik heb nog niemand gesproken, die is uitgenodigd om te vertellen waarom onze generatie anders denkt. Zodoende wordt er niet echt op de bezwaren ingegaan. Topdown wordt ons in brochures door de GB en Appèl Israël en de Kerk voorgeschoteld, hoe wij over Israël hebben te denken. Dit is de norm en hieraan hebben wij ons te houden.
Ik heb mij erover verbaasd dat de Gereformeerde Bond de brochure Onopgeefbaar verbonden heeft ondertekend. Alle kritiek die de Gereformeerde Bond heeft op de evangelische beweging komt in deze brochure voor: selectief gebruik van de Bijbel, negeren van de belijdenis en de eigen traditie, een theologie gebaseerd op emotie en niet op de Schrift. Waarom verliest men als het om Israël gaat voortdurend de kritische reflectie, die men naar andere bewegingen toe wel heeft? Waarom is men als het gaat om Israël bereid om behoorlijk wat aan christologie in te leveren?
Wie de discussie over Israël volgt, komt geregeld tegen dat onze theologische traditie zwaar in de schuld staat naar Israël toe. Onze theologische traditie zou bol staan van antisemitisme en het klimaat geschapen, waarin de Shoah kon plaatsvinden. Als dat klopt, wil ik die traditie voor mijn rekening nemen en daar volop rekenschap van geven. Maar waarom is men in pro-Israëlkringen niet bereid om de eigen theologie te herzien vanwege de Shoah?In de brochure Onopgeefbaar verbonden komt niet het besef voor, dat het in het Jodendom om een werkelijk andere godsdienst gaat. Het gaat bij pro-Israëlmensen vaak ook niet om Israël zelf, maar om onze liefde voor Israël. Als het werkelijk te doen was om Israël zelf en de landbelofte, maakte men geen reizen naar het Beloofde Land, maar liet met het land aan Israël zelf. Als het werkelijk om Israël te doen was, was men bereid om te stoppen met de aandacht voor Israël – uit respect voor de Joden die niet op de kerk zitten te wachten. Zit Israël, zitten de Joden wel te wachten op onze liefde en aandacht?
Daarom is mijn voorstel om te stoppen met onze discussie over Israël, te stoppen met alle reizen naar het Beloofde land, om te stoppen met onze liefde voor Israël en Israël aan Israël overlaten. Niet uit onverschilligheid, maar juist vanwege de onopgeefbare verbondenheid met Israël. Het enige wat wij kunnen doen – en zouden moeten doen! – is luisteren naar de vragen die Joden, als ze met ons in gesprek zouden willen, aan ons stellen. En deze vragen ter harte te nemen en bereid zijn vanuit deze vragen onze theologie opnieuw te doordenken.

ds. M.J. Schuurman

De tovenaar en de dominee – boekbespreking

De tovenaar en de dominee – boekbespreking

Sinds het lezen van De tovenaar en de dominee probeer ik te begrijpen, waarom ik Vreekamp niet begrijp. Vreekamp maakt het zijn lezers niet gemakkelijk. Het boek gaat over Vreekamps (voor)geschiedenis, maar ook over de verschijning van God in onze contreien. Is God er nog wel en waar dan?
Waar is Vreekamp zelf te plaatsen? Hij is afkomstig van de Veluwe, uit Hoevelaken. In contact met Joden kwam hij erachter wat het betekende om van de Veluwe te komen. Die ontmoeting was voor hem een existentiële ervaring, waardoor hij zijn theologie en zijn biografie opnieuw ging doordenken. Vreekamp ontdekte dat hij heiden was. 
Helemaal nieuw was die ontdekking niet. Onze heidense afkomst is ook een thema, dat Van Ruler (leermeester van Vreekamp) bezig hield. De Veluwse vroomheid werd volgens Van Ruler gestempeld door het heidendom. Het heidendom is van zichzelf zwaarmoedig.
Vreekamp heeft meer geleerd van Van Ruler. Ook al staat Van Ruler bekend als systematisch theoloog, zijn denken is niet vrij van spanningen en tegenstrijdigheden. Van Ruler is naar mijn idee veel meer een fenomenoloog: hij bestudeert verschijnselen zoals ze zich voordoen. Van Ruler was niet bezig met een systeem. Sterker nog: Th.L. Haitjema, de leermeester van Van Ruler, vond dat de mens kan alleen in paradoxen  over God kon spreken en niet in afgeronde systemen.
Vreekamp is wel fragmentarischer in  zijn denken. Dat heeft te maken met (1) het ontstellende feit van de Shoah en (2) een gedachte die voor Vreekamp heel fundamenteel is: dat we als mens geen beslag op God kunnen leggen. Van Ruler sprak over de betekenis van Israël. Vreekamp waagde zich in een ontmoeting met Israël. Van Ruler kon nog lyrisch zijn over de Europese cultuur als resultaat van het werk van de Heilige Geest. Vreekamp zegt een Jood na, dat het christendom stierf in Auschwitz. Daarom kan Vreekamp ook Van Rulers denken over de herkerstening niet overnemen. Van Ruler was dankbaar dat Willibrord kwam, want hij bracht een fundamentele verandering. Vreekamp kan zijn leermeester dat niet nazeggen, want wat door de zendelingen werd gebracht was niet bij machte om ons als heidenen te transformeren. Wij bleven heidenen. God verschijnt wel met de zendelingen, maar vestigt Hij zich hier ook?
De vraag naar zijn eigen afkomst en naar de herkomst van God hangen samen. Het boek gaat niet alleen over zijn eigen biografie, maar ook over de verschijning van God. Kunnen we aangeven waar God verschijnt? In bijzondere ervaringen of visioenen? In de bevindelijke prediking?  In opwekkingen? In toverkunsten? Kunnen we in een tijd van secularisatie zeggen dat God verdwijnt;  bijvoorbeeld uit Jorwerd? Het boek lezend neig ik ertoe te zeggen: doch de HEERE was daarin niet. In de genoemde verschijnselen wordt uiteindelijk toch beslag op God gelegd. God verschijnt uiteindelijk alleen in de Schrift, zoals deze wordt gelezen in het ritme van het kerkelijk jaar (en dus vrij van willekeur) en tijdens de maaltijd des Heren. Maar ook in dat Woord verdwijnt God uiteindelijk en wordt een mens: Jezus Christus.  In het avondmaal verschijnt Christus, maar als onze ogen open gaan voor de Levende, voor de Schriften, verdwijnt Hij.  Hij gaat verder. Ongrijpbaar voor mensenhanden. Het is om wanhopig van te worden. Onttrekt Hij zich aan onze waarneming? In ieder geval wel aan onze macht.
Nadat Haitjema zijn paradoxale theologie introduceerde, werd hij scherp bekritiseerd door de gereformeerde predikant Klaas Schilder.  Zo’n theologie vind hij onaanvaardbaar, omdat de paradoxale verschijning van God veronderstelt dat God zelf paradoxaal is. Men heeft –  volgens Schilder –  moeite met  Zijn verschijning (immanentie). Proef ik bij Vreekamp die moeite ook?
Een paradoxale theologie is ook in strijd met de waarheid, want er ontbreekt een deugdelijk criterium. De mythe is waar, volgens Vreekamp. Daar zit voor mij het grootste bezwaar. Want hoe kan Vreekamp dat zeggen? Is de waarheid niet alleen bij de God van Israël te vinden? Als er waarheid is in de mythen, waarom moest het evangelie bij ons komen? Is het evangelie niet een bevrijding van de mythe? Had de mythe over zijn overgrootvader (van wie gezegd werd dat hij tovenaar was) niet ontmaskerd moeten worden? Want wanneer komt dat verhaal de wereld in? Als zijn vrouw op jonge leeftijd overlijdt. De mythe is een roddel, die deze overgrootvader buiten de gemeenschap plaatst.
De waarheid van dit boek is gebaseerd op ervaring. Die waarheid staat echter op gespannen voet met de historische waarheid. Wij zijn geen heidenen. Dat is een uitgevonden traditie in de 19e eeuw. Soms ook met een anti-christelijk motief.
Staat ook de theologische waarheid in dit boek niet onder spanning? Want als God ergens verschijnt, blijft het dan bij het oude? Onderschat Vreekamp uiteindelijk niet de doop? Bij de doop wordt wel de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest over ons leven uitgesproken. In de doop worden we niet gekerstend. Dat is nog een te onschuldige visie op de doop. De doop markeert onze exodus. Niet uit het heidense bestaan, maar uit het zondige bestaan. Volgens Paulus zijn zowel Jood als niet-Jood aan dit bestaan onderworpen.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Henk Vreekamp, De tovenaar en de dominee. Over de verschijning van God. Uitgeverij Boekencentrum. € 19,90 (Als e-book  € 14,90)

Geschreven voor Confessioneel

Ezau

Ezau

Er zijn publicaties waarvan je bij het verschijnen de inhoud al kan raden. Het tijdschrift Israël en de kerk (uitgegeven door Christenen voor Israël) is daar een voorbeeld van. Het gesprek met Israël betekent voor hen dat je in het gesprek met Israël alsjeblieft niets kritisch mag zeggen over de staat Israël of de Joodse traditie. In elk nummer gaat het over de schuld van de kerk naar de Joden toe. Om dat te illustreren verwijst men naar het nazisme en naar Luthers laatste geschrift over de Joden. Er is van dat geschrift – hoe erg dat ook was – ook een andere duiding mogelijk (https://mjschuurman.wordpress.com/2010/02/19/luther-en-de-joden/). Alleen bekommert men zich daar niet om. Men doet bij Christenen voor Israël aan metahistorie. Metahistorie betekent dat men kijkt naar patronen in de wereldgeschiedenis, die te herleiden is op bijbelse verhalen. Mijn ervaring is dat er per definitie een spanning is tussen metahistorie en de (werkelijke) historie. Metahistorie komt ook dicht in de buurt van een darwinistische geschiedenisinterpretatie: oorzaken in een ver verleden hebben verklaren het heden.
Het bijzondere van dit laatste nummer dat ik de redenering van deze beweging eindelijk begin te snappen. En ik begrijp nu ook de scherpte waarmee men critici te woord staat. In dit nummer wordt namelijk gerefereerd aan Ezau, de andere zoon van Izaäk. Deze Ezau benijdt Jakob om de zegen van de HERE. Ezau, de eerstgeborene, heeft recht op deze zegen, maar wordt gepasseerd ten koste van Jakob. In de Joodse metahistorie staat Ezau voor volkeren die het Joodse volk benijden om de bijzondere plaats van dit Joodse volk in het handelen van God in de geschiedenis. Men ziet dat bijvoorbeeld terugkomen in het Romeinse Rijk, maar ook in de kerk. Hoe deze link loopt van het Romeinse Rijk naar de kerk is mij nog niet helder. Misschien ziet men de kerk uit de heidenen per definitie als een gestalte van Ezau. Misschien omdat het Romeinse Rijk opgevolgd werd door het christelijke Europa (wat metahistorisch begrijpelijk zou zijn, maar historisch aanvechtbaar is). Vanuit hier begin ik deze beweging te snappen. Ik behoor tot Ezau. Kritiek op Israël betekent dat ik het volk en de staat, die door God zelf een cruciale rol in de wereldgeschiedenis gekregen heeft, benijdt om deze rol. Deze jaloersheid is dan niets minder dan godslastering en heiligschennis. Wat ik alleen niet begrijp, is dat men voor een cruciaal element in de eigen theologie, men zich beroept op een buitenbijbelse overlevering. Plaatst men bovendien ook niet de metahistorie boven de openbaring? Zelf zullen ze zeggen van niet. Ze zullen zeggen dat de metahistorie uit de openbaring opkomt.
Israëltheologie is een belangrijke theologie. Net zoals bevrijdingstheologie en feministische theologie. Belangrijk, omdat deze theologieën ons bewustmaakt maken van gevoeligheden en spanningen en bepaalde thema’s voor kerk en theologie levend houden. Net zoals bij de bevrijdingstheologie en de feministische theologie wordt de Israëltheologie beleefd als een existentieel paradigma, van waaruit de hele theologie bedreven wordt. Ik maak dat existentiële niet mee. Naar mijn idee zijn deze theologieën te eenzijdig en levert men teveel in. Deze Israëltheologie geeft aan Israël terecht een belangrijke plaats in kerk en theologie, maar beroept zich hiervoor op een onacceptabele bron: een buitenbijbelse.

ds. M.J. Schuurman