Preek zondag 3 november 2019

Preek zondag 3 november 2019
Handelingen 14:19-28

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Paulus is er terug en dat is niet alleen goed nieuws, maar ook een wonder.
Want het had niet veel gescheeld of Paulus had het de vorige keer niet overleefd.
In de stad Lystre, waar hij weer teruggekomen is,
was hij nog niet zo lang geleden gestenigd
en was daarbij zo zwaar getroffen dat iedereen dacht dat hij zou overlijden.
En nu is hij weer terug hier in de stad, waar ze hem bijna hadden gedood!

Als de gemeente bij elkaar komt, kijkt Paulus de mensen voor hem stuk voor stuk aan.
Ze hebben Christus nog niet zo lang geleden leren kennen.
Hun geloof is nog maar pril.
Hij weet dat wat hem overkomen is –  de stenen die naar hem gegooid werden – 
ook deze mensen hier voor hem kunnen overkomen.
Hij vraagt zich af, hoe ze dan op zullen reageren.
Hij weet dat ze hem als een wonder van God zien,
omdat hij hier weer levend en wel voor hen verschijnt,
dat hij het aandurft om hier weer te zijn, waar hij bijna werd gedood.
Hij beseft dat hij hen achter moet laten, omdat hij weer verder moet.
Hoe zal het met hen gaan als hij hen voor langere tijd niet zal zien,
of misschien helemaal niet meer terug zal zien.
Wat zal er van hen als jonge gelovigen terechtkomen,
van deze gemeente die nog maar zo pas is ontstaan.
Hij weet dat hij op de Heere mag vertrouwen, die deze mensen deed geloven,
en Die er voor zorgde dat er hier, waar hij de dood in ogen zag,
een gemeente is ontstaan.
Gelovigen die hun hart openden voor Jezus en zich lieten dopen,
omdat ze bij Christus wilden horen.
Het is nog zo pril, het geloof bij deze mensen, en zo kwetsbaar als groep.
Dan hebben ze nog zoveel extra zorg nodig,
zodat hun geloof kan groeien en steviger wordt
zodat ze niet uit het lood raken als ze tegenslag krijgen.
In zijn hart leeft het gebed voor deze jonge gemeenteleden:
Heere, wilt U de band met U verdiepen, zodat ze niet opgeven als het anders loopt.

Ook als een gemeente langer bestaat
waar de leden van die gemeente al heel lang vertrouwd zijn met de verhalen over God
en daar zelfs mee opgegroeid zijn en niet anders weten,
kan het geloof iets kwetsbaars houden.
Een jongeren die graag serieus wil zijn in het geloof en meer wil leren,
maar op catechisatie andere jongeren aantreft, die daar geen zin in hebben
en niet serieus mee doen en voor een sfeer zorgen dat het niet serieus wordt,
waarbij deze jongere naar huis gaat met de vraag: wat heb ik eigenlijk geleerd?
en het echt mist dat het in de eigen gemeente niet serieus over Jezus kan gaan
met de andere leeftijdgenoten die er zijn.

Iemand die op belijdeniscatechisatie heeft gezeten
en heeft genoten van de avonden die er waren,
daar veel van heeft geleerd van de gesprekken met anderen
En de ervaringen waarover de anderen vertelden
en nu het voorbij is, die gesprekken zo mist
en bij zichzelf merkt dat ze het enthousiasme van met de belijdenis kwijtraakt.
Of een van de volwassenen, die wel veel contacten heeft
maar merkt dat de gesprekken eigenlijk oppervlakkig blijven
en nooit de diepte ingaan, waarbij je tijdens dat gesprek iets merkt
van wat God in het leven van die ander doet,
of tijdens het gesprek het gevoel hebt dat Christus zelf aanschuift
en zich in het gesprek mengt
en je na afloop van het gesprek merkte dat God er was op die plek.

Paulus keert naar de gemeente terug, die nog maar zo pas is gaan geloven
–  zo vertelt Lukas in het verhaal – om de zielen van de gelovigen te versterken.
Ik moest daarbij denken aan wat je nu in Groningen kunt zien:
huizen waar er door de aardbevingen scheuren zijn ontstaan,
huizen die daarom gestut moeten worden.
Met houten balken en andere houten stellages tegen de buitenmuur,
om te voorkomen dat de scheuren steeds groter worden
en het gevaar van instorting dreigt.
Deze huizen worden versterkt.
Stevigheid aan de ziel geven, omdat de ziel scheuren heeft opgelopen,
een aardbeving heeft meegemaakt, doordat iemand overleed
of doordat je iemand dacht te vertrouwen, maar die je vertrouwen beschaamde.
Het kan zijn dat u ook op die manier scheuren hebt opgelopen aan uw ziel
en dat jij verlangt dat er iemand is die bij jouw ziel die stevigheid kan geven,
omdat je merkt dat het zo niet langer kan, als het zo doorgaat, gaat het mis.
Of je ziel mist de basis, omdat wat je vroeger zo intens beleefde,
nu kwijt bent, er een heimwee gekomen is naar de tijd dat je zo dicht bij de Heere leefde
dat het haast vanzelf ging: tijd nemen om te bidden, te leven met de Heere,
Dat je merkte dat Hij om je heen was,
dat je zo gelukkig was, omdat je Christus zo dicht bij je had.
Waar is die tijd nu gebleven?
Omdat je Hem zo mist, voel je dat je uit het lood hangt, en dat je Hem zo mist.
Mocht ik dat nog maar eens beleven
en had ik maar iemand die mij de Heere weer in het leven kon brengen,
die ervaring van toen, of mij bij de Heere kan brengen.

Soms heb je daar anderen voor nodig,
met wie je samenkomt om de Heere te zoeken, samen te zingen,
samen te lezen in de Bijbel en te zoeken naar wat de Heere daarin bedoelt,
met elkaar in gesprek om uit te wisselen hoe je dat kunt toepassen in je leven
of vertellen aan de anderen die er zijn hoe de Heere in jouw leven werkte.
Daarom is het goed om elkaar op te zoeken,
om elkaar te stimuleren in het geloof.

Je kunt merken aan hoe Lukas vertelt over de terugkomst van Paulus

bij de gemeente in Lystre, de plek waar hij zo hard behandeld is,
dat hij zich zorgen maakt, dat de kersverse gemeenteleden het kunnen laten lopen.
Hij spoort ze aan en dringt aan dat ze het geloof niet moeten kwijtraken,
nu ze dat zo pas geleden hebben ontvangen.
Dat kwijtraken heeft iets van een bootje, dat niet goed aan de kade is vastgelegd
en langzaam wegdobbert van de kade het meer op
en verder wegdrijft omdat het bootje niet meer vast zit.
Paulus ziet het al gebeuren, dat er enkele gemeenteleden zijn,
die niet meer naar de kerkdiensten komen
of het contact met de andere gemeenteleden kwijtraken,
omdat ze tijdens de dienst niet meer aangesproken worden
en dan een keer besluiten over te slaan
en dan erachter komen dat ze zonder zich best kunnen redden
en dan merken dat ze Christus best kunnen missen
en het toch niet zo diep zat en toch niet zoveel voor hen betekende.
Dat kwijtraken kan zo heel onopgemerkt gaan.
Je probeert het eerst zo en als je het dan toch niet mist
en je ook niet gemist wordt en er ook niet op aangesproken wordt,
kun je zo langzaam wegdobberen, waarbij Christus stilletjes uit beeld raakt.
Paulus waarschuwt de kersverse gemeenteleden dat het zo kan gaan,
zodat ze alert zijn dat ze Christus niet uit het oog verliezen en hun scheepje wegdrijft.
Dat waarschuwen heeft trouwens niet persé een negatieve betekenis.
Het kan ook een bemoediging zijn, dat je bij Christus kan blijven
en dat je door Hem vastgehouden wordt, hoe er ook aan je getrokken wordt
en je onder je een stroom voelt, die je wilt doen laten wegdrijven bij Hem vandaan.
Je blijft bij Hem, je raakt de Heere niet kwijt, omdat Hij je vasthoudt.

Soms heb je het nodig dat iemand uit je eigen gemeente je zo scherp houdt
en je aanspreekt, jou desnoods opzoekt om er met je erover te hebben:
loop jij niet het risico om weg te drijven? Wat heb je nodig dat jij bij Christus blijft?
Dat kan ook door een heel belangstellend gesprek gebeuren,
door iemand die jou uitnodigt om te vertellen hoe je band met Christus nu is
En wat je in de doordeweekse dagen doet om die band te versterken
en met je in gesprek gaat hoe de zondagse eredienst je kan helpen,
zodat je leven met Christus meer diepgang krijgt en je groeit in Hem.
Of iemand bij wie je kunt vertellen wat er allemaal in je leven gebeurt,
naar je luistert en met je zoekt hoe God toch in jouw leven aanwezig is

Geloven gaat je niet makkelijk af, zegt Paulus tegen de gemeenteleden
die nog  moeten ontdekken wat er allemaal komt kijken bij een leven met Christus,
die erachter zullen komen dat geloven gepaard gaat met vallen en opstaan.
Dat is nodig, zegt Paulus tegen hen, dat het niet vanzelf gaat.
Dat moet wel zo gaan, want het is Gods plan dat het zo gaat.
Het is hetzelfde als wat de Heere Jezus tegen de Emmaüsgangers zei:
Moest de Christus dit niet lijden en zo in Zijn heerlijkheid ingaan?
Zo zul je ook moeten lijden, je kunt daar niet aan ontkomen.
Dat je het moeilijk zult krijgen, tegenslag zult ondergaan,
dat je leven als gelovige door allerlei stormen zal gaan,
waarbij je levensschip heen en weer geslingerd wordt
en je het zult uitroepen: Meester, ziet U niet dat we vergaan?
Door een nacht hoe zwart hoe dicht, voert Hij mij naar ’t eeuwig licht.
Er is geen andere manier dan die, zo bereidt Paulus hen voor.
Een mooi perspectief dat ons te wachten staat,
maar de weg ernaar toe door dit leven zal geen pleziertochtje zijn.
Je zult schrammen op je ziel oplopen.
Je zult bij tijden de weg niet meer weten
en soms vertwijfeld afvragen of er nog wel een weg is,
of God je niet in de steek heeft gelaten en je zelf de weg moet uitstippelen.

Dat is niet de boodschap waarmee Paulus hen wil achterlaten.
Hij laat het niet bij deze waarschuwingen.
Hij weet dat de gemeenteleden meer nodig hebben om het vol te houden.
Dat ze elkaar moeten opzoeken en elkaar moeten versterken.
Dat er bepaalde mensen in de gemeente zijn die het voortouw nemen
en degenen die dreigen af te haken opzoeken en hen er weer bij halen.
Mensen in de gemeente die het voorleven dat je God zijn kerk niet in de steek laat
en ook jou niet uit het oog verloren is, al is voor je gevoel nog zo donker om je heen.
God bouw de gemeente door middel van zulke mensen.
Ze zijn een instrument in zijn hand, een middel om jou en anderen te steunen.
Afgelopen week hadden we op kerkenraad erover,
wanneer je geschikt bent om zo een middel voor anderen te zijn.
Een van de broeders kwam met een mooie uitspraak:
‘Degenen die zeggen dat ze het niet kunnen, wil God juist gebruiken.’
Want zei deze broeder erachter aan, ‘dan zullen ze het steeds aan de Heere vragen.’
Voordat je op bezoek gaat, eerst even stil worden en contact zoeken met God,
bidden om wijsheid,om de juiste woorden, om te mogen luisteren,
om gebruikt te worden voor Zijn koninkrijk.
Dat is ook wat hier gebeurt: Want als die personen binnen de gemeente aangewezen zijn,
nemen ze eerst de tijd om te bidden en dan niet even een kort gebed,
maar ze slaan ook de maaltijd over, ze vasten, om die tijd met God bezig te zijn.
Om dat aan de Heere voor te leggen: Heere, wat is goed voor deze gemeente?
Wilt U zelf de gemeente bouwen en versterken?
Want wij zijn maar kwetsbare mensen, met een kwetsbaar geloof,
met zoveel scheuren in onze ziel, die het soms zelfs niet weten of we nog wel volhouden.
Wij moeten zelf vastgehouden worden.
Wij worden ingezet in Gods dienst, maar weten dan eigenlijk niet wat we moeten doen
om dat in gebed bij de Heere te brengen: Heere wilt U ons duidelijk maken
hoe U ons kunt gebruiken en wat we moeten doen?
Christus bouwt Zijn kerk en gebruikt daar mensen voor,
mensen die ook kunnen uitglijden als ze leiding geven in de kerk,
en ook geregeld moeten oppassen dat ook zij niet wegdobberen
en het moeten hebben van Christus die hen vasthoudt.

Er ligt niet echt de nadruk op, maar toch heeft het iets moois:
Degenen die aangewezen worden, komen uit de eigen gemeente.
Wellicht hebben ze van zichzelf gedacht: Ik toch niet? Ik kan het niet,
Ik heb nog zo weinig Bijbelkennis en hoe moet ik nu anderen leiding geven?
Het gaat er ook niet om dat ze boven de mensen staan.
Het zou wel eens de bedoeling geweest kunnen zijn,
Dat ze juist naast de mensen staan uit de eigen gemeente,
ook weten van de aanvechtingen en de twijfel,
ervaring hebben met die onderstroom, die je bootje wilt doen wegdrijven
waarbij je Christus langzaam uit het oog verliest
maar dan ook wel ervaren hebben en dat tegen anderen kunnen zeggen:
We hebben een Heer, die je vasthoudt
En soms best op een krachtige manier in je leven ingrijpt,
maar dat wel doet om je bij Hem te houden.
Voor zulke mensen kijken we wellicht graag naar anderen
en denken niet dat wij zo kunnen zijn en zo gebruikt kunnen worden.
Je wordt geroepen zoals je bent,
je hoeft geen supergelovige te worden, die het beter doet dan anderen.
Het is juist goed als je weet van je eigen kwetsbare geloof,
Weet dat ook jij het nodig hebt om je geloof te laten stutten,
zoals dat met de huizen in Groningen gebeurt om te voorkomen
dat ze bouwvallig worden of instorten.
Juist als je je niet boven de anderen verheven voelt, maar naast hen staat,
Juist als je niet wel even weet hoe je het moet doen,
maar bij de Heere aanklopt en zegt: Ik kan het niet, U moet het doen.
Juist dan kun je een instrument worden, om de kerk te mogen bouwen,
om tot je eigen verwondering te mogen merken dat wat jij zegt,
of door hoe jij daar bent in dat gesprek, door wat je laat zien van jezelf,
al is het je eigen zoektocht, dat het die ander helpt, sterkt, bemoedigt
en weer terug doet gaan aan Christus.
God bouwt Zijn gemeente door mensen, door u, door jou, door mij.

Blijf bij ons, Jezus, onze Heer;
de avond daalt op aarde neer;
het helder licht, uw godlijk woord
moog’ bij ons schijnen ongestoord.

Geef ons in deze zware tijd
volharding en standvastigheid,
opdat wij woord en sacrament
bewaren tot aan ’s werelds end.

Bewaar uw kerk, zij is benard,
Want wij zijn boos en traag en hard;
geef vrucht en zegen op uw oord,
maak dat alom het wordt gehoord.

Blijf Heer ons met uw woord nabij
en maak ons van de vijand vrij,
deel aan uw kerk genade mee,
geduld en eenheid, moed en vrêe.

Het is niet onze zaak, o Heer,
’t gaat om uw eeuwig rijk, uw eer.
Wil allen trouw terzijde staan,
die op uw wegen willen gaan.

Uw woord maakt onze harten sterk,
het is de schutsmuur van uw kerk.
Houd ons daarbij, opdat wij Heer,
buiten uw woord niets zoeken meer.

(Gezang 316 Liedboek voor de Kerken 1973)

Amen

 

v

Preek zondagavond 13 mei 2018

Openbaring 22:6-21
Tekst: En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom! (vers 17)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de afgelopen preken over Openbaring heb ik steeds gezegd
dat het niet zozeer om allerlei gedachten over de toekomst gaat,
maar dat het gaat om hoe wij in onze eigen tijd trouw zijn aan Christus.
Als je Openbaring leest, kun je niet je schouders ophalen
en zeggen: het gaat mij niet aan.
Nee, als je als gelovige, als gemeente in dit Bijbelboek leest,
besef je dat het steeds gaat om een keuze, een keuze voor Christus,
een keuze om Christus trouw te blijven
en dat in een wereld, die zoveel verleidingen heeft.
Het hele Bijbelboek is steeds een appèl op de gemeente.

Aan het slot van het Bijbelboek zien we twee keer kort iets van het effect
dat het Bijbelboek Openbaring op de gemeente heeft.
Het is maar één woord: Kom!
En de Geest en de bruid zeggen: Kom! En laat hij die het hoort, zeggen: Kom!
Als je vers 20 meeneemt zijn het enkele woorden extra: Ja, kom, Heere Jezus!
Dat is dus de reactie bij de gemeente op wat Johannes doorgeeft: Kom!
Als Christus zich nog eenmaal voorstelt, aangeeft wie Hij is,
dat de Wortel, het nageslacht van David, de blinkende Morgenster is,
dan blijft het niet stil, maar komt er een roepen vol hartstocht: Kom!
Als U dat bent, blijf dan niet weg, maar kom naar ons toe!
Kom naar deze aarde!
We willen niet langer meer wachten.
Het liefste dat wij zouden willen is dat U in ons midden bent, bij ons hier op deze aarde.
Dat U terugkomt, zoals U van de aarde bent heengegaan.
Kom! – dat is de echo in de hemel en op aarde op wat Christus zegt over Zichzelf
En op wat Johannes aan de gemeenten meedeelt.

Dat roepen om de komst van Christus is uitzonderlijk.
Nee, niet voor de Geest, die gelijk is aan Christus,
Die samen met de Vader en de Zoon aanbeden en verheerlijkt wordt.
De Geest op gelijke hoogte met de Zoon kan het appèl op Christus doen: Kom!
Maar voor de gemeente, ook al is zij de bruid, is het een waagstuk.
Want zij is niet aan Christus gelijk.
Christus is Heer
en het is een heel waagstuk om als ondergeschikte bij je Heer aan te kloppen: Kom!
Geen beleefdheid: ‘Zou u alstublieft willen komen!’
Nee, ‘Kom!’ Heel direct: Kom!
De bruid hoort de Geest roepen en kan niet achterblijven,
het verlangen wordt gewekt door de Geest.
Als de Geest het niet meer kan uithouden, als de Geest wil dat Christus komt,
dan moet de kerk die de bruid van Christus is,
op wie de liefde van Christus gericht is, die Zijn hart gewonnen heeft, niet achterblijven.

Het is de gemeenten ook opgedragen
in de brieven die de gemeenten van Christus kregen:
Die oren heeft, hoort wat de Geest tot de gemeenten zegt.
Let goed op, wees alert wat de Geest tegen jullie zegt en doe mee, stem ermee in.
En nu komt de Geest: Kom! En de bruid van Christus blijft niet achter: Kom!
De Geest is hier niet de gelijke van de bruid, van de gemeente.
Nee, de Geest is degene die de bruid op sleeptouw neemt,
Die aangesteld is door de hemelse Heer om de bruid voor te bereiden,
gereed te maken voor de komst van Christus,
om het verlangen in haar te wekken naar Christus,
die zorgt dat het vuur van het geloof niet uitgedoofd is, maar blijft branden.
Vandaag is het de zondag voor Pinksteren en na hemelvaart,
Een zondag die in het teken staat van het wachten op de komst van de Geest,

als een voorbereiding op het Pinksterfeest
waarop we vieren en gedenken dat de Geest gekomen is,
uitgestort als een regenbui over een dorstig land.
In de traditie van de kerk is aan elke zondag een bepaald vers uit de psalmen verbonden
en de eerste woorden van dat psalmvers vormden de naam van die zondag.
Zondag: ExaudiHoor, HEERE, mijn stem als ik roep. (Psalm 27:7)
Hoor mij als ik roep om de Geest.
Hoor mij als ik meeroep met de Geest: Kom!
Want met alleen de Geest doen we het niet, we willen dat Uzelf komt, terugkomt.
De Heilige Geest is daarin de voortrekker, moedigt ons aan en gaat voorop: Kom.
De Geest schakelt ons in, betrekt ons bij het plan van God, door ons mee te laten roepen,
door ons met reikhalzend verlangen uit te laten zien naar de komst van Christus,
zoals een bruid niet kan wachten tot het moment
waarop ze verenigd wordt met haar bruidegom.

Dat is de kerk: de gemeenschap die met de Geest meeroept om de komst van Christus,
Die door het roepen van de Geest het verlangen in zich op voelt komen
om ook bij Christus te zijn, Hem in je midden te hebben, van Hem en bij Hem te zijn.
De kerk wordt hier genoemd als de bruid.
Bruid betekent allereerst: liefde van de Bruidegom, liefde van Christus.
Christus die om de bruid geeft, het verlangen van Christus dat naar de bruid uitgaat.
Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af.
Bruid, dat is in Openbaring de gemeente die door Christus is vrijgekocht,
bevrijd uit de macht van de boze.
Bruid, dat zijn de mensen die nieuwe kleren aan mogen:
Witte kleren als teken van een nieuw leven, gereinigd van de zonde
en na het overlijden opstaan in een verheerlijkt lichaam.
De bruid kijkt ernaar uit om van de Bruidegom te mogen zijn.
Kijkt uit naar de bruiloft, zoals in Openbaring het wordt genoemd: de bruiloft van het Lam.
De bruiloft moet nog komen:
het moment waarop de gemeente aan haar Heer verbonden wordt
als de Wederkomst is geweest en het oordeel is uitgesproken
en al degenen die van Christus zijn, die de nieuwe kleren hebben aangenomen,
Die hun zonden hebben laten afwassen, die geloofden en trouw bleven,
die volhielden in het geloof, ondanks vervolging en tegenstand mochten ingaan.
Uit het verhaal van Jozef en Maria, het bekende kerstverhaal, weten we
dat een bruid reeds van tevoren van de bruidegom was.
Niet pas op het moment van de bruiloft wordt de bruid van de bruidegom,
maar al eerder: als besloten is tot het huwelijk.
Ze horen dan bij elkaar, zijn al verbonden.
Op de bruiloft wordt het officieel: in het openbaar gevierd.
In de roep van de bruid, waarin ze met de Geest meeroept, geeft ze aan
dat ze verlangt naar het moment van de bruiloft om aan de zijde van de bruidegom te staan
zodat er geen scheiding meer zal zijn,
Ze zijn al van elkaar, al is er een afstand in tijd en ruimte, nog niet bij elkaar,
maar vanaf de bruiloft onafscheidelijk.
De gemeente, de bruid van Christus, verlangt ernaar onafscheidelijk te zijn van haar Heer.
Kom!

Ik kom spoedig heeft de bruidegom gezegd.
Aan het einde nog eens de herhaling: Ja, Ik kom spoedig. Het duurt niet lang meer.
Maar we zijn bijna 2000 jaar verder na het Bijbelboek Openbaring
en na het naar de hemel gaan van Christus.
Kunnen we nog wel spreken van spoed?
Hoelang moeten wij nog wachten totdat Christus komt?
Kunnen we er nog wel vanuit gaan dat Hij komt?
Mijn schoonvader vertelde geregeld dat hij meegemaakt had
dat een bruidegom op de dag van de bruiloft even wegging
om een pakje sigaretten te kopen.
De bruidegom kwam nooit meer terug, verdween voorgoed.
Hoe weten wij dat onze bruidegom ons niet laat zitten en toch komt?
Omdat dit geen aardse bruidegom is,
maar Christus die Zijn betrouwbaarheid heeft laten zien
door Zichzelf te geven om Zijn bruid te redden.
Omdat God en Christus samen één zijn
en God nog nooit een belofte niet is nagekomen.
Als Christus zegt dat Hij komt, mogen we ervan uitgaan, dat Hij komt
omdat Zijn woorden betrouwbaar zijn.
Christus benadrukt het nogmaals: Nageslacht van David, blinkende morgenster,
Alpha en Omega – begin en het einde, A -Z. Er komt niets voor Hem en niets na Hem.
B van belofte dat Hij zal komen, een belofte die vaststaat
en waar we niet aan hoeven te twijfelen
C van crisis, die ons er niet onder krijgt, hoe sterk de crisis zich ook toont.
D van duivel overwonnen, verslagen door Christus, niet langer een vijand.
Eenheid tussen gelovigen hier op aarde, al zijn ze in zoveel verschillende kerken onderverdeeld en eenheid tussen de kerk op aarde en de kerk in de hemel.
H van hemel waar Christus is en de plek waar we zullen zijn als Christus gekomen is.
K van kanker in welke vorm dan ook, een weg die je niet alleen hoeft te gaan
omdat Christus met je meegaat en je draagt, zelfs als de schaduw van de dood over je heen valt, Zijn stok en Zijn staf die je een uitweg wijzen.
De O van oorlog en alle rampen die er op aarde kunnen zijn
S van sterven, het einde van het aardse leven maar voor wie gelooft in Christus een doorgang in een nieuw leven.

Op al die momenten roept de bruid het de Geest na: Kom
En iedereen die het hoort – u, jij wordt opgeroepen dat ook te zeggen: Kom!
Dat Christus komt als je het moeilijk hebt om je te verlossen en te redden,
maar ook op de momenten waarop je gelukkig bent en het goed hebt. Kom!

 

Hoe moet je dat nu doen: die verwachting, dat uitkijken naar het moment
terwijl je gewone dagelijkse leven doorgaat?
Als morgen de wekker gaat, je kleren aantrekt om te gaan werken,
als de kinderen naar school gebracht moeten worden,
als je klaar moet staan vanwege de zorg voor een vader of een moeder,
als je weer voorraden moet aanleveren, bestellingen moet opnemen voor de komende week.
Als je offertes maakt voor over enkele weken, een begroting voor het komende jaar
of een meerjarenonderhoudsplan.
Dat kun je niet laten rusten, dat moet gedaan worden
en toch wordt van ons tegelijkertijd gevraagd om te wachten, om te verlangen
naar de dag dat Christus komt.
Hoe doe je dat?
Zoals een kind dat al maanden van tevoren naar de verjaardag kan uitkijken,
allerlei lijstjes al maakt, allerlei plannen voor het kinderfeestje.
Het moet naar school, speelt bij vriendjes en vriendinnetjes,
gaat trainen, naar muziekles en ondertussen droomt het over die dag.
Zijn we als volwassenen het dromen verleerd,
dromen over hoe het zal zijn als Christus terugkomt
omdat we hier op aarde nog zoveel hebben: een gezin, een baan, een carrière, toekomst,
allerlei zaken die we nog willen meemaken of willen bereiken?
Dat roepen van de Geest maakt de zorg voor het aardse bestaan niet onnodig.
Dat is ook onze taak, een roeping die ons door God gegeven is
En tegelijkertijd, daarbij, ook rekening houdend met die dag die eens dagen zal.

Hoe het niet moet, geeft Okke Jager weer in een gedicht: Kom haastig!

“Kom haastig, Jezus!” bidt de predikant.

“Ja, Amen,” zegt de boer, “wil spoedig komen!

Maar na de oogst, want van m’n nieuw stuk land

Heb ik nog nooit de opbrengst waargenomen.”

“Ja, Amen,” zegt Mevrouw, “maar mag ik voor

De bontjas die ik gisteren zag hangen

Eerst sparen en hem aandoen, als het Koor

Een avond geeft in “Christ’lijke Belangen”?”


“Ja, Amen,” zegt het kind, “maar nu nog niet,

Ik moet nog met vacantie naar de bossen.

Maar ik zal zwaaien, zodat U het ziet,

Als U ons onder schooltijd komt verlossen.”


“Kom haastig, Jezus!” bidt de predikant.

“Maar mag ik eerst die nieuwe lezing lezen,

Die ik gemaakt heb voor het Jeugdverband

Over “Gij zult het wel verstaan na dezen”?”


De beden komen in de hemel aan.

De cherubijnen zwijgen, die ze brachten.

En Jezus vraagt: “Kan Ik vandaag al gaan?”

Zijn Vader zucht: “Ge moet nog even wachten.”

De bruid kan niet meer wachten en zegt het de Geest na: Kom!
De bruid dat kan de kerk zijn die reeds in de hemel, reeds aangekomen in heerlijkheid,
bij Christus, in afwachting alleen nog van die ene dag, de Jongste Dag.
En zij die op aarde zijn – ze worden opgeroepen, zij die het horen, om in te stemmen: Kom!
Zodat de kerk in de hemel en op aarde klaar is om de Heer te ontmoeten,
de stem van Zijn liefde te beantwoorden als Hij gekomen is en dan zegt:
Kom, gezegenden van Mijn Vader, beërf het Koninkrijk  dat voor u bestemd is vanaf de grondlegging van de wereld.
Amen.

 

Les 17 De kerk

Les 17 De kerk

Als Maria een tijdje ziek is, geeft ze het door aan haar predikant. Hij komt op bezoek, neemt haar naam mee in de voorbede van de zondagse dienst en schrijft iets over haar situatie in het kerkblad. Nadat ze is genoemd in de voorbeden, komen de kaarten en als haar naam en adres in het kerkblad staan, worden haar nog meer kaarten toegestuurd. Ze is blij dat ze het doorgegeven heeft, want de kaarten doen haar goed.

André en Esther zitten samen op een Bijbelkring. Het is een fijne Bijbelkring. Ze hebben altijd fijne gesprekken. Iedereen is heel open en vertelt wat hem of haar bezighoudt. Ze vinden het mooi dat er ook steeds een stukje uit de Bijbel samen wordt gelezen en dat er met elkaar over wordt doorgepraat. Het bezoeken van deze Bijbelkringen is goed voor de groei van hun geloof.

Vraag 1: Kun jij een ervaring vertellen, waardoor je de waarde van de kerk ontdekt hebt?



Vraag 2: Gelovig ben je niet in je eentje. Wat betekenen de andere gemeenteleden voor jou?


Vraag 3: Wat heb jij andere gemeenteleden te bieden?


Gelovig ben je niet in je eentje. Je hoort bij een kerk, een gemeente. In deze gemeente vind je mensen met wie je goed kan opschieten en mensen met wie het minder klikt. Soms passen onderdelen van een kerkdienst niet bij je en dan weer wel. De perfecte gemeente bestaat niet.
De perfecte gemeente bestaat ook niet, omdat de kerk uit zondaars bestaat. Van die zondaars doet een deel de best om tegen de zonde te strijden, maar is niet volmaakt. Een ander deel strijdt minder hard. Ook in een kerk kunnen spanningen en conflicten zijn. Die spanningen en conflicten kunnen soms heel diep gaan, omdat gemeenteleden zich vaak persoonlijk betrokken voelen. Een conflict binnen de kerk kunnen ze daarom niet zakelijk afhandelen. Bovendien kan er een verwachting zijn dat er binnen de kerk op een liefdevollere manier met elkaar omgegaan wordt dan buiten de kerk. Omdat kerkmensen niet volmaakt zijn, is de kerkelijke gemeente ook niet vrij van spanning en conflict.
Ook al zijn de mensen niet volmaakt, Christus wil die onvolmaakte mensen gebruiken in Zijn dienst. Samen vormen ze het lichaam van Christus. Dat wil zeggen: al die gemeente zijn verbonden met Christus en daarom horen ze bij de gemeente. Daarom is de kerk niet alleen een gemeenschap van zondaren, maar ook een gemeenschap van heiligen. Zo belijden we dat ook in de geloofsbelijdenis: Ik geloof de gemeenschap der heiligen. Daar hoor jij ook bij. Samen met degenen die met jou in de kerk zitten en met jou aan het avondmaal aangaan.

Vraag 4: Hoe vind jij dat mensen in de kerk met elkaar om horen te gaan? Waar baseer je dat op?


Een kerk is altijd verbonden aan een plaats. De kerk heeft verantwoordelijkheid voor de mensen die bij deze plaats horen. Ook al zijn ze niet bij de kerk betrokken. Een plaatselijke gemeente heeft altijd ook eigenschappen die bij de lokale gemeenschap horen. Een kerk in Amsterdam is anders dan in Kamperveen. Zelfs tussen Oldebroek en Elburg kunnen verschillen zijn. Het is goed om respect te hebben voor die plaatselijke gewoonten. Behalve als die gewoonten botsen met het Evangelie.
Een plaatselijke kerk maakt ook altijd deel uit van de kerk wereldwijd. Zoals er geen perfecte kerk is, is er ook een ware kerk. De verschillende kerkgenootschappen vormen samen het lichaam van Christus. De Hervormde Gemeente Oldebroek is onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland. Deze Protestantse Kerk in Nederland zegt dat zij niet de ware kerk is, maar een van de gestalten waarin het evangelie vorm krijgt. Onze kerk erkent andere kerken. Dat houdt in dat een doop of een belijdenis van een andere kerk geaccepteerd wordt en omgekeerd: als je hier belijdenis doet, wordt dat bij overgang naar een andere kerk ook geaccepteerd.

Vraag 5: Welke kerken zijn er in Oldebroek? Wat weet je van de andere kerken die er in Oldebroek zijn?



De plaatselijke kerk is ook verantwoordelijk voor de gemeenteleden die aan deze kerk verbonden zijn. Door kinderclubs, jeugdgroepen, huisbezoek, ouderenmiddagen wordt geprobeerd om iedereen aandacht te geven. Het mooie van de kerk is dat er verschillende leeftijden bij elkaar in een gemeenschap zijn. Binnen de kerk kun je van verschillende leeftijden leren: je kunt als jongere leren van een oudere. Een oudere geeft vaak aan te leren van de openhartigheid waarmee jongeren over hun geloof kunnen spreken. In die zorg voor elkaar gaat het erom, dat je elkaar bij Christus houdt en dat je geloof levend blijft.

Wat heb je nodig om kerk te zijn? Stel: je wilt een nieuwe kerk oprichten, wat heb je daarvoor nodig? Allereerst een goede verkondiging van het evangelie, zodat er geen gekkigheid wordt verteld. In onze kerken is dat geregeld door degenen die predikant worden tijdens hun opleiding steeds te toetsen, bijvoorbeeld op hun geschiktheid en op hun geloof. In onze kerken is het ook geregeld door de ambten. Ambtsdragers hebben een verantwoordelijkheid voor de gang van zaken in de kerk.
Wat ook nog nodig is, is dat de sacramenten op de juiste manier worden bediend. Doop en avondmaal mag in onze kerk alleen maar iemand die bevestigd is als predikant. Daarmee laten we zien dat sacramenten ook iets heiligs hebben en niet zomaar gedaan kunnen worden.
Er is nog een derde kenmerk van wat een kerk is. Deze is wat lastiger. Dat is namelijk dat alles wat botst met het evangelie geweerd wordt. De bedoeling is dat gemeenteleden hun relatie met Christus serieus nemen en dat wanneer het mis gaat, wanneer zij die relatie verwaarlozen, dat zij daar op aangesproken worden. In het ergste geval kunnen ze, in het geval er echt iets mis is, uit de kerk worden gezet. Dat zijn ingrijpende maatregelen, die je niet zomaar in praktijk brengt, omdat zo’n maatregel lang niet altijd tot gevolg heeft dat iemand tot inkeer komt. Sterker nog: het komt vaker voor dat iemand verbitterd raakt en kwaad en teleurgesteld afscheid neemt van de kerk.

Vraag 6: Wat heb jij nodig om te voorkomen dat je geloof afzwakt?



Vraag 7: Wanneer luister je wel als je ergens op aangesproken wordt en wanneer niet?



We geloven dat de kerk een schepping van God is. Hij is het ook die de kerk in stand houdt. Als er een tijd is, waarin de kerk het moeilijk heeft, kan Hij de kerk nieuw leven inblazen. Als ergens geen kerk is, kan Hij daar een kerk brengen, zoals Hij de aarde ook uit niets geschapen heeft. Christus bewaart en onderhoudt de kerk. Tot Zijn wederkomst zal er een kerk op aarde zijn, waarin God wordt geprezen en gediend.

BIJBEL: Lees Handelingen 14:21-28

Vraag 8: De zielen van de aanwezige gemeenteleden worden versterkt. Waarom zullen Paulus en Barnabas dat hebben gedaan?



Vraag 9: Hoe zal dat gebeurd zijn: dat versterken van de zielen?


Vraag 10: Ze worden aan Gods genade opgedragen. Wat betekent dat?


Vraag 11: Ze vertellen over wat God heeft gedaan in de gemeenten die zijn bezocht. Wat zou je over Gods werk in Oldebroek kunnen vertellen?

 

Preek zondag 4 februari 2018

Preek zondag 4 februari 2018
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 26:17-30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er is weinig dat er zo erg inhakt als het verraad van je eigen vrienden.
Je hebt met ze opgetrokken, je hebt veel tijd met ze doorgebracht.
Je hebt hun verhalen aangehoord: Leuke verhalen, maar ook hun sores aangehoord.
Je hebt zelf veel met ze gedeeld.
Als ze je dan verraden, krijgt alles een wrange bijsmaak:
Wat heb ik allemaal niet aan ze verteld?
Hoeveel tijd heb ik niet aan ze besteed?
Je krijgt er zo’n knauw van, dat je niet snel meer vriendschap sluit
maar alles vanuit wantrouwen bekijkt.
In psalm 140, de psalm die we zongen, klinkt verbittering door:
Hun tongen scherpen zij als slangen.

Over de meest intieme bijeenkomst die Jezus heeft met Zijn leerlingen
hangt de schaduw van het verraad:
Jezus zal verraden worden door één van de twaalf leerlingen,
overgeleverd in de handen van Zijn vijanden,
zodat ze Hem ter dood kunnen brengen.
Eén van de twaalf een verrader.
Maar komen ze allemaal niet in de buurt van dat verraad?
Niet dat ze allemaal Jezus uitleveren.
Maar geen van de twaalf zal aan het einde van die nacht nog bij Jezus zijn.
Zo eindigt een maaltijd die bedoeld is om aan te geven
hoezeer Jezus en Zijn leerlingen bij elkaar horen
ermee dat Jezus alleen overblijft, verraden door één van Zijn leerlingen
En in de steek gelaten door de andere 11.
Jezus verraden en Jezus verloochenen.

Dr. Jan Koopmans, een Amsterdamse predikant die in de slotdagen van de Tweede Wereldoorlog omkwam door een verdwaalde kogel, schreef over de kerk:
De kerk is de plaats waar Christus met zondaren wil samenwonen.
Dat kan Christus wel willen, maar als het op aankomt,
staat Hij er alleen voor
en zijn de zondaren met wie Hij wil samenwonen bij Hem weggegaan,
omdat ze de andere kant hebben gekozen, Hem verraden,
of omdat ze gevlucht zijn en niet meer aankonden om bij Christus te zijn.
En is dat niet wat een zondaar typeert, wat ons als zondaars typeert:
dat terwijl Christus met ons wil samenwonen, we dat niet willen of aankunnen?

Dat klinkt wel heel scherp
en misschien zegt u bij uzelf: waarom zou ik dat niet willen, of niet kunnen.
Dat de discipelen dat niet konden volbrengen, dat zij dat niet konden,
dat wil nog niet zeggen, dat ik dat niet kan.
Ik vermoed dat de discipelen ook niet verwacht hadden
dat zij op de loop zouden gaan, hun Heer en heiland in de steek zouden laten,
het ziet er in het evangelie er ook niet naar uit
dat Judas een mol was, die zich bewust in de discipelkring van Jezus heeft ingewerkt,
vertrouwen gewonnen heeft, om als de tijd ervoor rijp was, zijn slag te slaan.
Nee, in korte tijd verandert Judas van een volgeling van Jezus
in een verrader, die Jezus aangeeft en in handen speelt van Zijn tegenstanders.
Dat kan blijkbaar.
Als gelovige ben je kwetsbaar voor teleurstelling,
loop je het gevaar dat je op de vlucht slaat en het niet zitten om met Jezus samen te zijn.
Als we in de week van voorbereiding over onszelf en onze band met Christus nadenken
is dit de eerste stap waar we over nadenken.
In het formulier heet dat: de opdracht om stil te staan, te overdenken
van je zonden en vervloeking.
Dat we weglopers zijn, dat we het niet uithouden, niet willen uithouden bij Christus.
Dat is onze basishouding, dat is de neiging die we hebben
En daarom is het eigenlijk ook niet mogelijk om bij Christus te horen.
Hoe kunnen schepselen die bij God weglopen bij God horen,
hoe kunnen degenen die voor de Verlosser op de loop gaan verlost worden?
Maar er hoort er wel iets bij.
Namelijk dat als we daarover nadenkt, dat je dat niet wilt
en dat dit een diepe wens die gegroeid is: Ik wil niet meer weglopen, niet meer op de vlucht.
En dat het ook niet meer hoeft, omdat Christus gekomen is,
die gekomen is om ons te bevrijden van onze neiging om weg te lopen,
om ons van Hem af te keren, tegen Hem in te gaan.
Sterker dan ons weglopen, sterker dan ons verraad is Zijn genade.

Om dat steeds weer te geloven, om dat geloof steeds te versterken,
dat Zijn genade sterker is dan ons weglopen, ons verraad
– want dat dat geloof wordt steeds weer in ons aangevallen en in twijfel getrokken –
gaf Christus het avondmaal,
de laatste maaltijd die Hij met Zijn discipelen had,
de laatste keer samen, samen met Christus,
De verrader erbij aan tafel, de discipelen die op de vlucht zullen slaan erbij,
samen om de tafel, één in Christus.
Dat is de kerk: de plaats waar Christus wil samenwonen met zondaars.
Waar de discipelen straks allemaal weg zullen zijn – en Jezus weet dat
zit Hij met hen aan tafel.

Het is een bijzondere maaltijd.
Nergens in de evangeliën wordt verteld hoe Jezus apart eet met de leerlingen.
Altijd zijn er anderen aanwezig: Farizeeën, tollenaars en zondaars, de menigte.
Deze maaltijd, een afscheidmaaltijd zonder dat de discipelen dat weten,
is voor Jezus en Zijn discipelen alleen.
Even geen anderen, op dit belangrijke moment, nu Zijn weg naar het kruis echt begint.
Juist dan, alleen met deze kleine kring, de twaalf leerlingen.
Tijdens de maaltijd van Pesach, de nachtelijke maaltijd
Waarop de uittocht uit Egypte werd herdacht.
Een maaltijd die je in de meest intieme kring vierde, van je gezin, familie.
Hier is Jezus, samen met Zijn twaalf leerlingen, als gezin, als hechte groep,
op de avond voordat deze groep uit elkaar zou vallen.

Het is een maaltijd die moet worden voorbereid.
Er mocht geen zuurdeeg in huis zijn, een soort gist waarmee het brood kon rijzen
en waarmee het brood een smaak kreeg.
En daarom moest het hele huis worden schoongemaakt.
Er moest een lam worden geslacht in de tempel van Jeruzalem
En de maaltijd moest het liefste worden gehouden in of kort nabij Jeruzalem.
Op een speciale manier moesten de gerechten worden bereid,
met bittere kruiden, zodat na eeuwen van bevrijding uit Egypte
De bitterheid van het lijden dat het volk in Egypte onderging kon worden geproefd.
Als herinnering hoe moeilijk het daar was in Egypte
en hoe geweldig het was dat God hen bevrijdde, hen liet gaan.

Ons avondmaal vraagt ook om voorbereiding.
Vraagt een innerlijke schoonmaak: de strijd tegen het weglopen bij Christus vandaan,
De strijd tegen de gedachte dat je het zonder Christus kunt redden, of zelfs beter hebt.
Vraagt om naar jezelf te kijken: leef ik echt met Christus?
Of is mijn geloof zo dun dat het bij de eerste de beste tegenslag omvergeblazen wordt?
Is er in mij iets dat concurreert met mijn liefde en aandacht voor Christus,
die mijn liefde opslokt, mijn aandacht opeist die voor Christus bedoeld was.
Er wordt in het avondmaalsformulier eigenlijk gewaarschuwd voor twee dingen:
Een zwak geloof en verlangens en begeerten die je op de verkeerde weg kunnen brengen.
Jezus had Zijn leerlingen gewaarschuwd voor een zwak geloof,
Voor een geloof dat ermee stopt als het spannend wordt,
een geloof dat het niet kan opbrengen om een offer te brengen,
maar voor de gemakkelijkere weg kiest omdat het leven hier aantrekkelijker lijkt.
De waarschuwing hebben de leerlingen steeds in de wind geslagen,
zelfs de opmerking van hun Heer dat als ze Hem verloochenen
er ook een moment komt dat Hij hen niet zal belijden voor Zijn Vader.
Ze hebben het wel gehoord, maar het drong niet tot hen door.

En die verkeerde verlangens, begeerten die je naar je ondergang leiden,
die je verloren kunnen laten gaan.
Wat er gebeurd is tussen Jezus en Judas – Mattheüs vertelt het niet.
Het gebeurde toen die vrouw Jezus met een dure zalf zalfde
en Jezus dat niet afkeurde door te zeggen dat het geld beter besteed had kunnen worden.
Integendeel, Jezus prees haar: je doet dit vanwege Mijn begrafenis.
En toen knapte er iets bij Judas.
Was het een verlangen naar geld? Dan is het een voorbeeld van zo’n verlangen,
die je naar de ondergang helpt en dan is het een verderfelijke begeerte.
Of is het een verwachting over Jezus die niet uitkomt?
Een zwak geloof, ongeloof waar we tegen moeten strijden.

Toch zitten die twaalf bij Jezus aan tafel.

Over Judas valt nog te twijfelen,
maar Petrus zit er wel aan, die in diezelfde nacht nog zal zeggen
dat hij Jezus niet kent en niets met Hem van doen heeft.
De 3 discipelen die niet met Jezus kunnen waken als Hij lijdt en worstelt in Gethsemané.
De anderen die ervandoor zijn gegaan.
Ze zitten daar bij Jezus aan tafel.
De kerk is de plaats waar Christus met zondaren wil samenwonen.
Dat de zondaren zondaren zijn, verhindert de kerk niet kerk te wezen, omdat immers Christus Christus is.
Christus is Christus – dat is het geheim van de kerk,
dat is de kern van het avondmaal
Christus is Christus, die stierf aan het kruis,
Die de schuld betaald heeft voor de zondaren
Uw schuld, mijn schuld.
Uw zwak geloof, jouw ongeloof, mijn zwak geloof en ongeloof.
Juist vanwege ons zwak geloof, ons ongeloof,
onze neiging weg te lopen, in te gaan op verkeerde verlangens
is het avondmaal ingesteld
als een herinnering aan hoe Jezus daar zat, bij die twaalf
die allemaal bij Hem vandaan zouden gaan:
Jezus die zich geeft – gaf aan het kruis, geeft bij het avondmaal.
Neemt, eet, gedenkt en gelooft.

Tijdens die maaltijd, dat fijne samenzijn
– wat zullen ze tijdens die maaltijd gezegd hebben: bijzonder om zo met elkaar te zijn,
dit samen te vieren, zo alleen even met Jezus te mogen zijn
en Hem niet te hoeven delen,
we kunnen ons voorstellen dat het avondmaal is ingesteld
om de onderlinge band te versterken.
Komt opnieuw de waarschuwing van de Heere:
Iemand van jullie zal mij verraden, zal Mij in handen spelen van Mijn tegenstanders.
Je proeft de schrik?
Dat ben ik toch niet, Heere?
Het geloof is er nog. Ze versterken hun band.
Door Hem Heere te noemen, geven ze aan: Wij kunnen niet zonder U.
Wij kunnen ons geen leven indenken zonder U.
Wij zetten een stap naar U toe. U laat ons wel schrikken.
En dan als laatste: Judas.
Een heel subtiel verschil.
Judas die Jezus niet aanspreekt als Heer, maar als Meester.
Zijn gelooft taant, glijdt van Hem af, is al stuk gebroken, nog niet eens zo lang geleden.
Judas die vergeet zijn geloof te laten versterken,
in het samenzijn bij Jezus met de maaltijd.
Judas die de hand in dezelfde schaal doopt, uit dezelfde beker drinkt,
die erbij zit, maar niet meer van Jezus is.
Meester, zegt Judas. Dat is hoe buitenstaanders Jezus aanspreken.
Niet meer het Heer, zoals een discipel Jezus aanspreekt, maar Meester.
Judas die zich buiten deze kring plaatst, ook al zit hij erbij.
Zijn hart is er niet meer bij.
Strijd tegen het ongeloof, zegt het formulier,
wees niet tevreden met de zwakheid van je geloof.
Doe eraan wat je kunt.
NAtuurlijk, het is de Heilige Geest, die je ongelukkig laat zijn met je ongeloof,
die je laat lijden aan de zwakte van je geloof.
Dat is genoeg, zegt het formulier, om te mogen zitten aan de tafel van Christus.

Dat de zondaren zondaren zijn, verhindert de kerk niet kerk te wezen, omdat immers Christus Christus is.


Daarom, al krijgen wij dat ongeloof en die begeerten zelf niet uit ons weg en al klaagt ons ongeloof en klagen die verkeerde verlangens ons aan, we mogen er ten volle van verzekerd zijn dat zij ons niet verhinderen om aan het avondmaal aan te gaan. Want ze zijn kunnen niet Gods genade tegenhouden die Hij ons schenkt. Door Gods genade ontvangen wij de waardigheid, ondanks ons ongeloof en onze verkeerde verlangens, om aan te gaan en Gods genade te ontvangen. Door die door God geschonken waardigheid ontvangen wij het brood en de wijn, die Christus ons schenkt.
Amen

Preek zondagmorgen 10 december 2017

Preek zondagmorgen 10 december 2017
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Lukas 1:26-38

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als de engel Gabriël Maria ontmoet, bevinden we ons op heilige grond.
We kunnen alleen maar met de diepste eerbied dit verhaal lezen
en deze gebeurtenis op ons laten inwerken,
omdat in de ontmoeting van Gabriël met Maria Gods belofte gaat uitkomen.
Alle engelen in de hemel zullen naar dit moment hebben uitgekeken,
het moment dat Gabriël de hemel mocht verlaten
en met deze boodschap naar Maria mocht gaan,
die door God was uitgekozen om de Zoon van God te dragen.
De hemel zal vol vreugde geweest zijn toen Gabriël ging:
Nu is het moment aangebroken, waar zo lang naar uitgekeken is.
We zijn op heilige grond, omdat Gabriël niet zomaar een engel is,
maar één van de belangrijkste engelen van God is,
de engel die dicht bij de troon van God staat.
Een van de belangrijkste engelen werd gestuurd
om aan te geven welk groot belang de Heere zelf aan deze aankondiging hechtte.
Je kunt er alleen maar met eerbied naar kijken en met geloof,
hoe Gabriël aankondigt dat God zelf mens gaat worden
en geboren gaat worden als Zoon van de Allerhoogste uit Maria.

Heilige grond, maar het toneel is heel gewoon,
haast te gewoon voor een gebeurtenis die net zo groots gaat worden als de schepping.
Maar voor deze grootse gebeurtenis dat God uit een mens geboren gaat worden,
het begin van de lijdensweg die onze redding zal zijn,
hoeft God niet te kiezen voor iets spectaculairs dat de aandacht trekt.
Heilige grond, maar het toneel is heel alledaags:
Een jonge vrouw, eigenlijk een meisje nog, maagd,
die in een dorp woont dat zo onbekend en onbetekenend is dat het nergens werd genoemd.
Nazareth, het is een soort Nergenshuizen, the middle of nowhere.
De plek is onbetekenend, maar de jonge vrouw is door God uitgekozen
voor een bijzondere opdracht, zo bijzonder als er nooit meer zal zijn:
De gezegende onder de vrouwen is zij, Maria, die nog geen vrouw is, maar maagd.
Maagd is zij, omdat zij de tweede Eva is,
omdat zij de taak krijgt de moeder van alle levenden te worden, (de naam die Eva kreeg)
omdat haar Zoon aan iedereen het leven zal terugkrijgen.

Heilige grond – ook vanmorgen zijn we op heilige grond,
Waar wij net als Maria de heilige God mogen ontmoeten.
Zoals de engel Gabriël binnenwandelde bij Maria, zo kwam de Heere vanmorgen Zelf
hier in dit kerkgebouw binnen toen Hij Zelf tegen ons zei:
Genade, barmhartigheid en vrede, zij u van God de Vader,
van onze Jezus Christus, Zijn Zoon, door de Geest.
Heilige grond omdat God zelf bij ons binnenkomt en ons aanspreekt, onze ruimte vult
en net als Gabriël uit de hemel neerdaalt in ons midden.
Het lijkt gewoon, een groep mensen op zondagmorgen bij elkaar,
maar het is zo bijzonder omdat God zelf hier in ons midden is
en ons Zijn genade meedeelt en meedeelt dat Hij ons op het oog heeft.
Heilige grond, omdat vanmorgen ook de doop is bediend,
waarin we weer hebben mogen zien hoe God ons mensen in Zijn gemeenschap wil hebben.
Het lijkt zo gewoon: een kind binnengebracht en de doop ontvangen.
Maar wat is gewoon als je beseft dat over dit kind is gesproken
dat het mag behoren tot de gemeenschap van God,
zoals over de meesten van ons de naam van Vader, Zoon en Geest is uitgesproken.
Als je niet de doop ontvangen hebt, is deze doop vanmorgen een uitnodiging
om tot de gemeenschap van Christus toe te treden, om de doop te ontvangen.

Het is haast gewoontjes hoe Gabriël, die voorname engel, binnentreedt,
niet een indrukwekkend neerdalen uit de hemel, geen gewapper van engelenvleugels,
maar een binnenwandelen, zoals iemand zich als gast aandient.
Wat deze engel aankondigt is dat God met haar zal zijn,
maar dan op een manier zoals God er nog nooit eerder was,
niet aan haar zijde, maar in haar baarmoeder,
De Zoon die zelf bij de schepping betrokken was,
door Wie God de wereld geschapen heeft, wordt zelf een schepsel,
De Zoon van de Allerhoogste wordt een klein kind,
een weg van kwetsbaarheid, omdat een zwangerschap niet de zekerheid geeft
dat een kind gezond en levend geboren wordt.
Dat was toen niet en nu ook niet.
Voor de meeste moeders is de zwangerschap niet alleen een tijd van blijdschap,
maar ook een tijd van spanning, van vrees: zal het goed gaan.
Ook nu nog maken we mee dat een zwangerschap anders eindigt
en dat er afscheid genomen moet worden.
Voor Maria zal die spanning niet minder zijn,
niet alleen om het vreemde van haar zwangerschap
(in heel de weg van God met Israël niet eerder vertoond)
maar ook om het bijzondere van het Kind dat zij draagt.
Het Kind dat zij zal dragen, dat zal niet van haar zijn, ook al is zij de moeder.
Het Kind dat zij zal dragen is van God.
Dat blijkt ook uit de naamgeving.
De naam wordt niet door moeder Maria uitgekozen en ook niet door Jozef,
maar God geeft de naam: Jezus
en in de naam die van God komt, die door God gegeven wordt,
geeft de Heere te kennen: dit Kind is van Mij.
In de naam die van God komt, legt God Zijn hand op dit Kind.

Gebeurt dat in de doop ook niet?
Dat God Zijn hand legt op jullie kind
en dat Hij daarmee zegt: Jullie kind is allereerst Mijn kind.
Dopen betekent dat je je kind uit handen geeft
en dat je belijdt: dit kind hebt U aan ons toevertrouwd.
Het is aan ons gegeven, maar het blijft allereerst van U.
Zoals dat ook met jullie zelf gebeurd is en voor ons allemaal geldt:
We zijn niet van onszelf, we zijn niet van onze ouders,
maar we zijn allereerst van God.
Het verschil met Maria is dat jullie je kind terug mogen krijgen.
Maria, zij moet meer afstand doen van haar Kind Jezus.

Maria is daarmee beeld voor de kerk, of voor de gelovige.
Wil je uitleggen wat het betekent om te geloven, dan kun je naar Maria kijken
en wil je weten wat de kerk is, dan heb je Maria als voorbeeld.
Maria draagt Jezus in zich, maar Jezus wordt nooit helemaal van haar.
Als ze Hem in de tempel wil toewijden aan de Heere
wordt Hij uit haar handen genomen door Simeon de profeet.
Maria’s kind is ook van Simeon, geboren voor Simeon,
de vervulling van de belofte die hij in een goddelijke openbaring heeft gekregen.
En als ze twaalf jaar later opnieuw in de tempel komen,
blijft Jezus achter om aan te geven dat Hij allereerst van God is
en dat Hij bezig moest zijn met de dingen van Zijn Vader.
Dat ze haar Zoon steeds weer moet afstaan, blijkt wel in de rest van het evangelie.
Ze wordt verder niet meer bij name genoemd.
Ze wordt niet genoemd bij de kruisiging, niet bij de opstanding.
Pas na de hemelvaart wordt ze weer met name genoemd,
als de leerlingen wachten op de Heilige Geest, dan is zij ook aanwezig.
Ja, een keer eerder vertelt Lukas iets over de moeder van Jezus,
zonder dat haar naam wordt genoemd
als er gemeld wordt dat Zijn moeder en Zijn broers Jezus willen ontmoeten,
dan wijst Jezus die ontmoeting af
en zegt Hij: Iedereen die Mijn woorden doet, die is Mijn moeder.
Maria, wat moet je dienen!
Je hebt de Zoon van de Allerhoogste gedragen
en toch, Hij is niet van jou.
En dat is nu wat de gelovige ook is en wat de kerk is.
Geloven is dat je Jezus in je draagt, zonder dat Jezus helemaal van jou wordt.
Eerder omgekeerd: je wordt van Hem.

Zoals Jezus niet van Maria werd, maar Maria uiteindelijk wel van Hem
en een ereplaats kreeg in de gemeente, als de moeder van God.
Dat is de kerk: we hebben Christus in ons midden,
maar dan zonder dat we kunnen zeggen: Hij is van ons
nee, we zijn van Hem geworden.
En daarom de doop,  waarmee aangegeven wordt: we zijn niet van onszelf
en dat gebeurt al voor wij daar nog iets besef van hebben.
Zoals dat ook bij het avondmaal klonk: We zoeken het leven buiten onszelf,
in Jezus Christus.
Zo mogen we gemeenschap van Christus zijn, met Christus in ons midden
omdat we zelf van Christus geworden zijn
en het Maria meezeggen: Mij geschiedde naar Uw woord.

Ik heb een plekje voor Jezus. Hier in mijn hart mag Hij wonen.
Dat is het verlangen van jullie voor jullie dochter
en dat is wat jullie in de opvoeding mee willen geven
dat je je hart voor Jezus mag openen en dat Hij daar wil wonen.
Vorige week klonk het ook bij het avondmaal: Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.
Opvoeden in het geloof houdt in dat je uitlegt
hoe jullie dochter haar hart kan openen voor Jezus
en hoe zij net als Maria kan zeggen: Mij geschiedde naar Uw woord.
Heel mijn leven is aan U gewijd.
Ik ben niet van mijzelf, maar van U.

Bijzonder zal het Kind zijn dat Maria zal dragen.
Niet alleen maar mens, maar ook God, Zoon van de Allerhoogste.
Hij zal zitten op de troon van David en regeren over het huis van Jakob,
Koning voor altijd, tot in eeuwigheid.
Simeon zal later aanvullen op welke manier dat zal gebeuren:
Een weg naar Jeruzalem, naar dit Koningschap dat niet zonder lijden zal zijn,
waarbij er ook voor Maria lijden zal zijn: een zwaard zal door haar ziel gaan.

Maar hoe kan dat nu, dat zij de moeder zal worden van dit bijzondere Kind.
Zij leeft nog niet samen met haar man.
Maar God heeft om Zijn doel te bereiken niet altijd mensen nodig
en ook niet de manier van mensen.
De wording van het Kind in haar schoot zal een unieke schepping zijn,
het begin van de herschepping van de in zonde gevallen wereld.
De Heilige Geest zal over haar komen, zoals de profeten vol waren van de Geest,
zo zal Maria vol zijn van de Heilige Geest
en de kracht van de Allerhoogste, voor Wie niets onmogelijk is,
die deze wereld geschapen heeft en nu een weg maakt voor Zijn Zoon
om de weg van mensen te kunnen gaan, van het allereerste begin tot het einde.
Dat overschaduwen is geen biologie, geen seksualiteit,
maar een neerdalen van Gods aanwezigheid in haar,
zoals dat ook gebeurde bij de tabernakel: de wolk die over de tabernakel kwam
en ook hier laat Maria zien wat de gelovige zal zijn en wat de kerk zal zijn:
een levende tempel, zoals Paulus dat later als vraag aan Korinthe stelt:
Weet u niet dat u Gods tempel bent
en dat de Geest van God in u woont?
Maria gaat ons hier voor.
De Geest komt over haar en de kracht van de Allerhoogste
om ruimte te maken voor de Zoon van de Allerhoogste, zodat Hij in haar kan zijn.
Zo kan de Geest over ons komen en Gods kracht in ons ruimte maken
voor Christus, zodat Hij niet alleen in Bethlehem geboren is,
maar ook in ons hart geboren kan worden en in het midden van de gemeente
en kan opgroeien en Zijn weg kan gaan en Zijn werk kan doen.

Mij geschiedde naar Uw woord.
Maria neemt de taak die zij van God krijgt op zich.
Ze gehoorzaamt. Ook hier, in haar toewijding, in haar ja tegen Gods taak
is ze een voorbeeld voor de gelovige, voor de kerk
om als God een taak voor je bestemd hebt niet gelijk te zeggen: Ik kan niet.
Nee, wat voor God onmogelijk is, dat is mogelijk voor God.

Laat mij gebeuren overeenkomstig Uw Woord.
Dat is toegepast op de doop vanmorgen:

Als wij gedoopt worden in de naam van de Zoon verzegelt ons de Zoon dat Hij ons wast in Zijn bloed van al onze zonden en dat Hij ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding. Zo worden wij van al onze zonden bevrijd en rechtvaardig voor God gerekend.

Als wij gedoopt worden in de naam van de Heilige Geest verzekert ons de Heilige Geest dat Hij in ons zal wonen en dat Hij ons tot leden van Christus zal heiligen. Zo wil de Heilige Geest aan ons schenken wat wat in Christus hebben: de afwassing van onze zonde en de dagelijkse vernieuwing van ons leven, totdat wij uiteindelijk in de gemeente van de uitverkoren in het eeuwige leven geheel rein een plaats zullen ontvangen.

Mij geschiedde naar uw Woord.
De engel gaat weer weg, maar de Heer blijft.
De engel gaat terug naar de hemel, naar de troon van God,
maar God gaat de omgekeerde weg: Hij daalt neer in de schoot van Maria,
Hij daalt neer in ons midden, in de kerk, in ons hart.

Wat heil, een Kind is ons geboren,
een Zoon gegeven door uw kracht!
De heerschappij zal Hem behoren,
zijn last is licht, zijn juk is zacht.
Zijn naam is “wonderbaar”, zijn daden
zijn wond’ren van genaad’ alleen.
Hij doet ons, hoe met schuld beladen,
verzoend voor ’t oog des Vaders treen.
Amen

Doop en sociaal milieu – 2

Doop en sociaal milieu – 2

Vervolg op Doop en sociaal milieu -1

Net als de samenleving bestaat de kerk uit verschillende sociale milieus. De sociale samenstelling van de kerk is anders dan die van de samenleving. Bepaalde milieus, zoals het traditionele milieu en van het burgerlijke midden zijn oververtegenwoordigd in de kerk in vergelijking met de maatschappij. De kerk weet deze milieus beter te bereiken dan andere milieus.

De uitdaging van de kennis van sociale milieus is niet alleen om de minder goed bereikte milieus te bereiken, maar ook om degenen die wel bereikt worden te stimuleren om verder te gaan op de weg van het evangelie. Juist ook rondom de doop. Want de milieus die door de kerk wel bereikt worden, nemen vaak slechts een deel van het evangelie over.

Burgerlijke midden
Degenen die tot het milieu van het burgerlijke midden behoren hebben vaak behoefte aan economische en sociale zekerheid. Ze zijn gericht op harmonieuze verhoudingen. Zij hebben alles over voor hun gezin, want hun gezin staat voor hen voorop. Zij vinden het fijn als hun gezin onderdeel is van de kerkelijke gemeente en willen graag dat de kerk op gezinnen is gericht.

Doop
Rondom de doop speelt gezin en familie dan ook een grote rol. Het is van belang dat de doop plaatsvindt volgens de plaatselijke gebruiken van de kerk, maar de doop moet wel met een persoonlijk accent worden uitgevoerd en niet routinematig. Het mooiste zou zijn als de doopdienst een gezinsdienst is. Een aanknopingspunt is dat de doop het binnentreden is in de gemeenschap van gelovigen, dat gevierd wordt in het midden van Gods gezin.

Provocatie van het evangelie
Daarentegen is voor dit milieu het evangelie ook een provocatie: in de doop gaat het om meer dan de zichtbare gemeenschap, want het gaat ook om de gemeenschap met Christus in Zijn dood en opstanding. Ook de thematiek van de rechtvaardiging van de goddeloze is voor dit milieu een provocatie. Ze zijn gewend om hun identiteit te ontlenen aan wat zij doen en aan wat zij hebben. Genoeg uitdaging voor het doopgesprek en de preek in de doopdienst!

Het precaire milieu
Een milieu dat door de kerk moeilijk bereikt wordt is het laagste sociale milieu: het precaire milieu. Terwijl in de maatschappij 10% van de mensen tot dit milieu behoort, behoort slechts 1% van de kerk tot dit milieu.
Als er toch contact is met de kerk en er gedoopt wordt, wordt de doop door de hele familie beschouwd als een gebeurtenis met status (want dit kind hoort toch bij de gemeenschap).

Doop
Inhoudelijk heeft de doop vooral de betekenis van een zegen: het gedoopte kind krijgt Gods bescherming of een beschermende kracht mee op de levensweg. Voor de gemeenteleden die tot dit milieu behoren is alles wat er in de kerk gedaan wordt vrij snel te moeilijk.
Toch zijn er ook aanknopingspunten: in de genade van God die gratis is en niet verdiend hoeft te worden, het erbij mogen horen bij God en bij Zijn gemeenschap. De doop laat zien dat dit kind geen nummer is, maar een persoon.

De uitdaging van het evangelie
De uitdaging vanuit het evangelie is dat degenen die uit dit milieu komen beseffen dat het in de doop om meer gaat dan bescherming en veiligheid. In het doopgesprek dient de betekenis van de doop en de gang van zaken op een eenvoudige manier te worden uitgelegd.
In dat gesprek zal het verschil in milieu tussen de predikant (of ouderling) en de doopouders merkbaar zijn. Het is zaak om daar met respect voor de ander rekening mee te houden. Het is verstandig om aan te voelen waar de doopouders zich zorgen om maken als het gaat om hun kind, de doopdienst of de kerk. Maar ook om aan te voelen waar deze ouders naar uitkijken en waar ze trots op zijn.

Aanrader
Zo wordt van al de verschillende milieus die er volgens het SINUS Instituut zijn aangegeven welke band er met de kerk is en hoe er tegen de doop wordt aangekeken. Daarnaast worden de aanknopingspunten verwoordt, maar ook op welke manier zij door het evangelie verder uitgedaagd zouden kunnen worden.

Een aanrader! Niet alleen vanwege het overzicht van de verschillende milieus en hun visie op kerk en doop. Maar ook vanwege de vele praktische suggesties voor het doopgesprek en de doopdienst.

Heinzpeter Hempelmann, Benjamin Schlieβer, Corinna Schubert, Markus Weimer, Handbuch Taufe. Impulse für eine milieusensible Taufpraxis (Neukirchen-Vluyn, 2013)

Preken voor kinderen: de preekvoorbereiding (vereenvoudigde versie)

Preken voor kinderen: de preekvoorbereiding
(vereenvoudigde versie)

Een preek houden vraagt om voorbereiding. Dat geldt zeker voor een preek, die is afgestemd op kinderen. Over het proces van de preekvoorbereiding is veel nagedacht. Over de vraag welke voorbereiding een preek, die op kinderen is afgestemd, vraagt is veel minder nagedacht. Hierbij wil ik een poging wagen. Niet omdat ik expert ben op dit terrein, maar omdat juist om het preken voor kinderen meer in praktijk te kunnen brengen.

Bij de voorbereiding van een preek is het goed om er rekening mee te houden, dat kinderen in staat zijn om na te denken over geloof en over de wezenlijke vragen van het leven. Kinderen zijn ook op hun eigen niveau in staat om antwoorden te geven op de wezenlijke vragen van het leven. In de preekvoorbereiding wordt er rekening gehouden met de mensen die in de kerk aanwezig zijn en luisteren naar de preek.
In de voorbereiding wordt een preek zoveel mogelijk afgestemd op de luisteraars. Een predikant denkt na over de vragen waarmee gemeenteleden worstelen en die met dit Bijbelgedeelte op een goede manier aan de orde gesteld kunnen worden. Bij de voorbereiding houdt een predikant rekening mee met wat de luisteraars aankunnen. In een dorp waar veel ouderen na hun 12e nauwelijks nog een opleiding gehad hebben kan soms aanleiding geven tot een andere soort preken dan een gemeente in een middelgrote plaats met veel hoogopgeleiden.
Wie voor kinderen wil preken, dient na te gaan op welke manier kinderen bezig zijn met geloof. Zij doen dat vaak op een manier die past bij de ontwikkeling die zij doormaken. Kinderen kunnen op een andere manier reageren op een Bijbelgedeelte of een thema dan volwassenen. Uit onderzoek is bijvoorbeeld gebleken dat kinderen vanuit zichzelf een gelijkenis niet snel zullen zien als een verhaal dat iets over de Heere wil verduidelijken.
Van belang is dat kinderen kunnen instappen in een thema of een toegang kunnen krijgen tot een Bijbelgedeelte. Dat vraagt om inzicht in het ontwikkelingsproces dat kinderen doormaken. Vragen, gedachten en associaties die kinderen bij een thema of een gedeelte hebben, dienen serieus overdacht te worden. Kinderen kunnen belangrijke vragen stellen, die volwassenen soms onderdrukken. In een gesprek met kinderen over de gelijkenis uit Mattheüs 22 kwam de vraag naar voren: ‘Waarom dwingt de heer eerst iedereen om te komen en zet hij daarna iemand eruit die zijn eigen kleding heeft aangehouden?’ Een vraag die de moeite van overdenken waard is. Een mooie vraag om een preek mee te beginnen en na te gaan wat hier over de Heere wordt verteld.
Naast de instap voor kinderen dient er ook over nagedacht worden op welke manier kinderen meegenomen of uitgedaagd kunnen worden om met dit thema of Bijbelgedeelte verder te gaan. Een belangrijke instap in een Bijbelgedeelte of een thema is de ervaring van kinderen. Voor de preekvoorbereiding is van belang om een Bijbelgedeelte of een thema te kiezen, dat voor kinderen toegankelijk is door middel van hun eigen ervaringen. Dat betekent dat er gezocht dient te worden naar een verbinding met de ervaringen van kinderen. Bijvoorbeeld door een Bijbelgedeelte naar onze alledaagse, hedendaagse belevingswereld over te plaatsen.
Kinderen zijn in staat om over hun eigen ervaringen na te denken. De ervaringen van kinderen zijn niet altijd rooskleurig. Zij kunnen zich net als volwassenen zorgen maken. Bijvoorbeeld over de toekomst. Kinderen kunnen te maken hebben met de scheiding van hun ouders, met buiten gesloten worden, met het gevoel van meetellen. Bij de inzameling van gebedspunten vroeg een van de kinderen of de Heere ervoor wilde zorgen dat de nare gedachten uit het hoofd mochten gaan.
Aan veel Bijbelgedeelten liggen ervaringen ten grondslag. Veel Bijbelgedeelten bevatten dus zelf reeds een ervaring. Door de ervaring die in een gedeelte aanwezig is, zijn Bijbelverhalen, teksten of perikopen in staat om kinderen en jongeren te overtuigen. Ze kunnen er dan niet meer van loskomen. Een preek kan helpen om (eventueel een nieuwe) verbinding te leggen en de eigen ervaringen of die in een Bijbelgedeelte te verwoorden.
In de preekvoorbereiding gaat het er niet alleen om dat er aangesloten wordt bij de kinderen, maar dat zij ook uitgedaagd worden om met een Bijbelgedeelte of thema zelfstandig verder te gaan of het op een andere manier leren bekijken. De christelijke traditie gaat het vanuit dat de kinderen niet reeds alle waarheid bezitten, maar dat de kennis over God aangedragen wordt vanuit de Bijbel. Tegelijkertijd dienen kinderen serieus genomen te worden als hoorder. Hoe klein ze ook zijn, ze zijn in staat op om eigen manier over God en geloof na te denken. Kinderen leren op veel verschillende manieren. Zij leren niet alleen door te luisteren naar de preek. Ook het kerkgebouw doet veel met kinderen en hun geloof. Reeds bij kleine kinderen maakt het kerkgebouw indruk en daagt hen uit om na te denken over de Heere. Zij leren ook doordat zij verderop een ouder iemand helemaal zien opgaan in het zingen. Of dat de andere oudere geboeid of ontroerd naar de preek luistert.
Een gevaar van preken en de kerkdienst is dat deze vooral gericht is op volwassenen. In de verkondiging kan soms teveel nadruk liggen op het overdragen van kennis. De prediking is echter een ontmoeting met de Heere. Door de verkondiging spreekt Hij ons aan. Bovendien kon de Heere Jezus kinderen ten voorbeeld stellen aan volwassenen. Hij deed dat niet vanuit een romantische visie op kinderen, maar om aan te geven dat geloof geen menselijke prestatie is. Een kind ontvangt vooral en is afhankelijk. Deze afhankelijkheid kan volwassenen niet genoeg ten voorbeeld worden gehouden, want dit is de kern van het geloof. We worden niet zalig op basis van de prestaties die wij voor de Heere leveren. Geloven is een geschenk dat de Heere Jezus ons geeft op basis van wat Christus voor ons volbracht. In de verkondiging gaat het er dus niet alleen om dat de kinderen iets aangeleerd krijgen, maar dat de gemeente eveneens leert van de aanwezige kinderen.
Geloof wordt gewerkt door de Heilige Geest. Een volwassene of een predikant kan het geloof niet aan kinderen schenken. Dat vraagt ook om een bepaalde ontspanning. Uiteindelijk is het de Heere Zelf die de kinderen wint voor Zijn dienst.

ds. M.J. Schuurman