Vragen bij 1 Petrus 3:13-22

Vragen bij 1 Petrus 3:13-22

 

  1. Als uzelf het goede in praktijk brengt, dan hoef je niet bang te zijn wanneer een ander u slecht bejegent (vers 13). Het gaat er dan niet om, dat u dan niet slecht behandeld kunt worden, maar dat die slechte bejegening u ten diepste niet raakt, omdat Christus u daarvoor beschermt. Wat is uw ervaring daarmee?
  2. Wie ten onrechte lijdt, wordt gelukkig geprezen. Begrijpt u waarom? Om welk lijden zou u gelukkig geprezen kunnen worden?
  3. Als gelovige houden we rekening met de Heere, die ziet en oordeelt over goeden en slechten. Wie God vreest, hoeft voor mensen niet bang te zijn. Wat houdt dat in de praktijk in?
  4. Mensen kunnen vragen waar u uw hoop vandaag haalt. Wat zou u dan vertellen? Hoe zien ze aan u dat u hoopvol bent?
  5. Lijden dat je aangedaan wordt verbindt ons met het lijden dat Christus is aangedaan. Wanneer denkt u aan het lijden van Christus? Put u daar hoop uit?
  6. Noach werd gered uit een slechte wereld. De doop heeft diezelfde betekenis: gered worden uit een slechte wereld. Welke boodschap heeft dat voor ons?
  7. Wat betekent het voor ons nu, dat Christus aan de rechterhand van de Vader is?

Preek zondagmorgen 10 april 2016

Preek zondagmorgen 10 april 2016
Bediening Heilige Doop
1 Petrus 1:13-23

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Afgelopen maandag ben ik begonnen aan een cursus.
Dan begin je natuurlijk met de kennismaking.
Een van de vragen tijdens de kennismaking was:
‘Wie ben je?’
Op die vraag is nog niet eens zo makkelijk een antwoord te geven.
Want hoe vertel je nou aan iemand anders wie je werkelijk bent.
Dat bleek ook wel tijdens het rondje voorstellen.
Iedereen moest ook wel nadenken
voor dat hij of zij een antwoord gaf.
Een van de aanwezigen rondde af, nadat hij over zichzelf had verteld, met de opmerking:
‘Ik ben een kind van God. Een kind van God, door God geliefd en gekend.’
Dat is wel mooi dat hij dat van zichzelf zei:
‘Ik ben een kind van God.’
Daarmee zei hij van zichzelf: dat is wat ik ben.
Er is heel veel te vertellen over wie ik ben, maar dit ben ik ook: kind van God.
Dat behoort tot mijn identiteit, dat maakt wie ik ben.
‘Ik ben een kind van God, door God geliefd en gekend!’

Vandaag zijn er 3 kinderen gedoopt
en hebben daarmee het teken van het verbond met God ontvangen.
Een eeuwig verbond van genade met God.
Ook voor hen geldt: Ik ben een kind van God,
nu al op deze jonge leeftijd, hoe klein ik ook ben,
ik ben een kind van God.
Al weet ik eigenlijk helemaal niet wie ik ben – ik ben een kind van God.
Ik heb een Vader in de hemel.
Dat is voor jullie, doopouders, ook een belangrijke reden
Waarom je je kind wilt laten dopen.
Dat het ook een kind van God is.
Dat jijzelf, als ouder, dat weet.
Dat je kind dat weet en ook dat God zelf dat weet.
De doop geeft aan: er is heel wat over dit kind te vertellen, nu al.
Over hoe de bevalling ging, over je kind al doorslaapt of niet,
op wie hij of zij lijkt, welke trekken je nu al herkent.
De doop geeft daarbij aan: bij dat alles geldt het ook – dit is een kind van God.
door God geliefd en gekend.

Jullie hebben als ouders vandaag beloofd
om dat ook in de opvoeding je kind bij te brengen
dat Lynn, dat Thijs, dat Jesse zichzelf leert zien als kind van God, gekend en geliefd door God.
Dat God onze hemelse Vader is, is bijzonder.
Het klinkt wellicht heel gewoon, omdat het ons geleerd is in het Onze Vader bijvoorbeeld,
of omdat we onze gebeden beginnen met “trouwe Vader in de hemel”
en er veel liederen zijn waarin we zingen over God als Vader.
In zijn brief die Petrus schrijft, geeft hij aan:
Daar is wel wat voor gebeurd, dat we in ons gebed God als onze Vader mogen aanroepen.
Dat mag en dat moeten we vooral ook doen: God als onze Vader aanroepen.
Maar daarvoor is wel wat gebeurd!
Allereerst is er iets gebeurd op Golgotha:
Jezus die stierf aan het kruis voor onze zonde.
Petrus geeft dat aan met de woorden: het kostbaar bloed van Christus
als van een smetteloos en onbevlekt lam.
Dat wij God als onze Vader mogen zien en mogen aanroepen
komt omdat Christus stierf aan het kruis op Golgotha.
Dat bloed wast onze zonden af.
En het doopformulier benadrukt dat de doop aangeeft
dat Christus dat ook zal doen bij de kinderen die gedoopt zijn.
Die stelligheid van het doopformulier verbaast mij steeds weer,
omdat we in onze traditie gewend zijn om meer een slag om de arm te houden.
We hopen dan dat het gaat gebeuren
en als je van jezelf hier in deze omgeving zegt dat je kind van God bent
gaan de wenkbrauwen omhoog en wordt er gedacht:
Ja, ja, dat kun je niet zomaar van jezelf zeggen,
daarvoor moet er eerst iets in je leven gebeuren.
Dat is waar – maar Petrus hier in zijn brief (en het formulier van de doop sluit daarbij aan)
geeft aan: het belangrijkste wat er gebeuren moest, is ook gebeurd.
Er is ook heel iets bijzonders gebeurd,
namelijk dat Jezus stierf aan het kruis, voor u, voor mij, voor deze gedoopte kinderen.
Als wij gedoopt worden in de naam van de Zoon verzegelt ons de Zoon
dat Hij ons wast in Zijn bloed van onze zonden
en dat Hij ons inlijft in de gemeenschap van Zijn dood en opstanding.

Dat is het tweede wat er is gebeurd als we God onze Vader noemen.
Dat is er wat er met ons is gebeurd.
Dat je door God geroepen bent, waardoor er in je leven heel veel is veranderd:
een verschil tussen vroeger en nu, een omkeer in je leven.
Geroepen worden is heel persoonlijk, waarin je merkt:
God komt nu naar mij toe en ik kan niet anders, ik moet wel in Hem geloven.
Voor de mensen aan wie Petrus schrijft betekent dat een breuk:
een breuk met wat ze van hun ouders hebben meegekregen aan geloof:
ze dienden verschillende goden, maar kende de echte, levende God niet.
Ze ontdekten: er is maar één God die leeft
en die God kwam in Christus naar deze aarde en stierf aan het kruis.
Geroepen worden houdt in: dat je ervaart dat dit ook voor jouzelf is gebeurd
dat Jezus stierf aan het kruis
en dat je God leert kennen, niet als iemand die ver weg is
en zich nauwelijks met je leven bemoeide,
maar God die zich om jou persoonlijk bekommert, die jouw God wil zijn.
Groot, almachtig, heilig en toch ook Vader – heel intiem met jou, geliefd en gekend.
Daar bij de Vader, dat is mijn bestemming.
Dat is de God die mij geschapen heeft. Een andere god is er niet.
Een verandering, een breuk met het oude leven.
In de tijd van Petrus gaf de doop die verandering ook aan:
ik stap uit het leven zoals ik nu leid en kom tot de Vader.
In de uitleg wordt dit gedeelte uit 1 Petrus ook wel aan de doop gekoppeld.
Wat Petrus hier aangeeft over dat verschil tussen toen en nu
kan aan de doop worden verbonden.
De doop geeft die overgang aan: van onwetendheid naar het kennen van God.
Nu ken ik God, zoals Hij mij al kende.
Nu heb ik God lief, zoals Hij mij al liefhad en daarom mij riep bij mijn naam
om van Hem te worden.

Dat oude leven was een leven van onwetendheid.
Dat kan onschuldig klinken: als je nooit over de ene ware God gehoord hebt,
weet je ook niet Wie Hij is en kun je Hem ook niet kennen.
Petrus bedoelt: er waren genoeg aanwijzingen in de wereld om je heen
waardoor je op het spoor van God gezet kon worden:
Hoe God werkt in de schepping, hoe God door alle tijden heen alles leidt en regeert.
Als je de tijd en de rust neemt om dat tot je te laten doordringen kon je dat weten.
Maar God doorbrak die onwetendheid,
doordat Hij Zijn Zoon naar deze aarde stuurde.
Sinds die tijd kunnen mensen over heel de wereld nu God echt kennen,
zoals Hij is: Vader – die Zijn schepselen kent en liefheeft.

Hoe zit dat nu?
Want jullie hebben allemaal ouders, die je bij God hebben gebracht.
Je hebt zelf allemaal als kind al de doop ontvangen
en nu geef je je kind de doop mee.
Dat is een verschil met de mensen aan wie Petrus schrijft.
De tijd van de onwetendheid is jullie bespaard gebleven.
Dan kan het een vanzelfsprekendheid zijn dat God je Vader is en dat je gelooft.
Gevolg is wel dat er een belangrijk onderdeel van wat Petrus bedoelt wegvalt:
namelijk dat je anders bent in deze wereld
en dat de doop je ook anders maakt:
Kind van God en dus geen kind van deze wereld.
Dat de doop aangeeft, dat je hier in deze wereld ook een vreemde bent.
In een omgeving van Oldebroek, van Elspeet, waarin veel mensen naar de kerk gaan
en als kind gedoopt zijn en de verhalen over de Heere meekrijgen,
als het niet thuis gebeurde kon je ze nog op school meekrijgen.
Daarmee hebben we een voorsprong op de gelovigen uit de tijd van Petrus
die voor een nieuw geloof moesten kiezen, waardoor ze vreemden werden,
met gevolgen voor zichzelf en hun gezin.
Zijzelf en hun kinderen, ze konden er zomaar uit liggen,
buiten gesloten worden, alsof ze vreemden geworden waren
die er niet meer bij hoorden.
Omdat ze geloofden in die ene God die naar de aarde kwam
en stierf aan het kruis om hen weer tot Zijn kinderen te maken.

Een gevaar in onze eigen omgeving is dat de doop niet meer het verschil uitmaakt
En alleen maar het teken is dat iemand een kind van God is.
Kind van God zijn betekent dat je ook anders bent: apart gezet.
Daar zet Petrus in dit gedeelte volop op in.
Het is al heel wat als je van jezelf mag weten dat je een kind van God bent.
geliefd en gekend door God.
Dat geeft ook een verplichting om als kind van God te leven.
Om een heilig leven te leiden.
Word heilig – schrijft Petrus.
Deze drie kinderen, die gedoopt zijn, worden opgeroepen om te groeien naar een heilig leven.
En jullie als hun ouders horen daarin voor te gaan.
En u als gemeente hoort om de ouders heen te staan
en ook dat voorbeeld te geven, dat u bereid bent en uw best doet
om te groeien in heiligheid.
Word heilig.
Dat is niet alleen maar een taak van de Geest in ons.
De Geest werkt in ons, dat is de belofte die de Geest meegeeft in de doop.
We hebben daarbij ook zelf ons best te doen in een groei naar een heilig leven.
Omdat we kinderen van God zijn, die Zelf heilig is.
Omdat we kinderen van God geworden zijn,
die vrijgekocht zijn omdat Jezus stierf aan het kruis
en ons wilde redden en een nieuw bestaan wilde geven een bestaan in heiligheid.
Heilig – dat heeft de betekenis van apart gezet,
maar ook van zuiver en oprecht, vol van Gods Geest en Gods reinheid en heiligheid.
Word heilig – als opdracht: ook dat past bij de doop,
waarin aan ons een nieuwe gehoorzaamheid gevraagd wordt.
Als we God als Vader aanroepen, dan horen we gehoorzame kinderen te zijn
die naar Hem luisteren en Zijn wil opvolgen.
Dat houdt voor Petrus in dat we afstand nemen van een bepaalde manier van leven:
Word niet gelijkvormig aan de begeerten die er in dat oude leven waren.
Laat je niet vormen door die begeerten.
Petrus gebruikt in het Grieks een woord waarin wij het woord “schema” herkennen.
Laat niet de begeerten het schema van je leven vormen,
maar laat Gods heiligheid je schema zijn, dat jouw leven en het leven van je kind vormt.
Welk schema bepaalt jouw leven, uw leven
en welk schema geeft u mee in de opvoeding van uw kinderen
en door welk schema laten wij ons als gemeente bepalen?
Er zijn verschillende begeerten, verleidingen die zo hun eigen schema hebben.
We hoeven echt niet voor alle schema’s gevoelig te zijn,
maar vaak is er wel een zwakke plek in ons,
waardoor we niet God en Zijn heiligheid ons leven laten bepalen,
maar een ander schema.
Bijvoorbeeld het schema van ons werk
– dat alles in ons gezinsleven in het teken staat van het werk.
Alles moet er voor wijken. Ook de gezamenlijke maaltijden samen.
Of het schema van de fun,
waarbij alles gemeten wordt aan de fun die het geeft, de kick.
Ik weet niet of dit schema in onze gemeente zo toonaangevend is.
Ik hoor meer van gemeenteleden die over hun collega’s spreken
die mopperen over hen, omdat ze niet bereid zijn om echt ervoor te gaan,
maar alleen voor het salaris, zodat ze daarmee leuke dingen kunnen doen.
Het kan ook het schema van een oppervlakkig leven zijn,
waarbij alles zijn gangetje gaat,
waardoor je er vergeet bij stil te staan wat God in je leven doet.
Er gaan dagen voorbij, waarbij je niet kijkt naar wat God in je nabijheid doet:
geen oog voor de schepping die weer tot bloei komt,
geen oog voor de zon die opkomt – een teken van Gods trouw aan jou en deze wereld.
En de zondag is dan om bij te slapen, omdat je het doordeweeks druk gehad hebt.
De tijd die je samen hebt, gebruik je niet om met elkaar door te praten
waar je echt voor leeft en wat jouw leven zin geeft
en wat God in jullie leven samen doet.

Schema’s die niet van God zijn, maken ons weer slaaf
en doen het werk van God teniet, terwijl Hij ons juist wilde bevrijden
– echt weer mens te laten worden.
We zouden als antwoord kunnen geven op de vraag waarom Christus moest sterven
dat Hij stierf om ons weer echt mensen te maken,
Vrije mensen, die bevrijd zijn van alle schema’s die ons beknellen,
omdat ze geen ruimte geven voor God
en daarmee ook ons de hoop ontnemen.
Want als we niet zien waar God is, kunnen we ook niet geloven in de hoop die God geeft
Dat deze wereld in Zijn hand is,
Want dat zien we dan niet,
omdat de schema’s van deze wereld ons de ogen ervoor sluiten hoe God aan het werk is.
En hoe kun je jezelf dan kind van God noemen,
als daar niet naar leeft, als je Gods heiligheid je leven daardoor niet laat bepalen.
De doop is een vraag aan ons: ben je bereid om bewust te leven
bewust te leven voor Gods aangezicht.
Want, zegt Petrus, de God die wij als Vader aanroepen,
is ook onze Rechter, die over ons oordeelt
Wat je hebt gedaan met de bevrijding die je door Christus kreeg
en wat je hebt gedaan met de heiligheid die je door Christus terugkreeg.
Heb je daaruit geleefd, gestreefd naar een leven waarin je groeide in heiligheid,
of heb je dat verkwanseld, omdat je alles op een beloop liet
en de strijd met de begeerten in jezelf of in de wereld om je heen niet aanging.

Kind van God zijn en heilig leven, dat heeft te maken met je binnenkant, met je hart
wat daarin leeft
en wat je laat zien, wat er vanuit je hart naar buiten komt,
hoe je omgaat met God en met anderen.
Waar je voor leeft en waar je leven naar toe gaat.
Word heilig – in je denken, in wat je in jezelf ervaart
Word heilig – in je leven met God, doordat je Hem je leven laat bepalen.
Word heilig – in je omgang met andere mensen: Heb elkaar vurig lief uit een rein hart.
We zullen hier – helaas – nooit volledig heilig worden,
maar dat mag ons er niet van weerhouden – om te streven naar die heiligheid.
Omdat God heilig is – en dat van ons vraagt
Omdat Gods Zoon naar deze aarde kwam
en Zijn heiligheid opgaf en ons vrijkocht – om ons weer heilig te maken
en weer kind van God, gekend en geliefd door God.
Ook in onze strijd zijn we gekend en geliefd door God.
Temidden van de opdracht die Petrus geeft,
spreekt hij ook over de hoop en over geloof:
Onze hoop, ons geloof is op Hem gericht,
omdat Hij bezig is met onze heiliging.
Omdat Hij ons geroepen heeft – om kind van God te zijn
en Hij vormt ons, steeds meer als kinderen van God.
Daarom: leef uit de doop, word heilig en hoop op God.

 

U die mij geschapen hebt,
U wil ik aanbidden als mijn God.
In voor- en tegenspoed,
uw liefde doet mij zingen.
U die mij geschapen hebt,
U wil ‘k danken hoe ik mij ook voel
en U gehoorzaam zijn.
Heer, U bent mijn doel.

 

U bent mijn bestemming.
U hebt mij gemaakt om als uw kind
in voor- en tegenspoed
uw liefde uit te stralen.
Dit is mijn bestemming.
Dienen met verstand en met gevoel
vanuit gehoorzaamheid.
Heer, U bent mijn doel.


Amen

“Overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid” – Intredepreek

Intredepreek

Deze preek hield ik in de intrededienst van 4 sept. De eerste preek als predikant van de Hervormde Gemeente Oldebroek (wijk 2). Over 1 Petrus 1:3: “Overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid”.

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Er kunnen woorden zijn die je gedachteloos leest of hoort, maar die als je de moeite neemt om erover na te denken wat die woorden inhouden, veel te zeggen hebben. Dat overkwam mij met die woorden, die het thema van deze dienst vormen: overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid.
Over dit gedeelte heb ik al enkele keren gepreekt. Deze tekst heeft me al eerder bezig gehouden, ontdekte ik enkele dagen geleden, toen ik bij het inpakken een interview terugvond, dat ik enkele maanden na mijn bevestiging in Ilpendam en Watergang heb gehouden. In dat interview werd naar mijn slogan gevraagd en toen heb ik deze tekst opgegeven. Maar ik kan me daarvan niet meer herinneren dat het deze 4 woorden, die juist de toon van deze zin aangeven, die me toen bezighield.
Het is de moeite waard om stil te staan bij deze 4 woorden: overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid. Want wat er in deze 4 woorden over God gezegd wordt, daar is ieder mens naar op zoek. Barmhartigheid heeft te maken met iemand die bereid is om te luisteren naar wat je bezighoudt, die al vrij snel door heeft wat je bezig houdt, omdat hij luistert met zijn hart, aan je kan zien wat er aan de hand is, voor je zelf in de gaten hebt dat je met iets rondloopt. Barmhartig is iemand, die invloed, macht of gezag heeft, maar die ondanks zijn positie bereid is om een enkeling te ontmoeten. Iemand die zichzelf niet opsluit in een ivoren toren, maar zich onder de mensen begeeft, zijn hart openstelt. Een directeur, die even op een afdeling komt omdat hij weet dat daar een werknemer is wiens vrouw ernstig ziek is. Even langskomt om te horen hoe het gaat, niet direct wegloopt als hij te horen krijgt dat het niet de goede kant op gaat, maar bereid is daar naar te luisteren. Niet iemand die vanachter een bureau een mening heeft en die opschrijft, of die op verre afstand wel weet wat er aan de hand is, maar iemand die ergens op afstapt om tot zich te laten doordringen wat er echt aan de hand is,  bewogen is door wat hij ziet en daardoor bereid is om in actie te komen. Barmhartigheid is een kostbaar woord, een woord waar we zuinig op zijn. We gebruiken dat woord niet voor iedereen. Iemand die barmhartig is laat iets grootmoedigs zien. Overeenkomstig Zijn grote barmhartigheid.
Wat gebeurt er als deze woorden weggehaald worden? of als ze niet tot je doordringen, omdat je ze als vanzelfsprekend aanneemt. Omdat het nou eenmaal zo is, dat God barmhartig is. Want daar zingen we toch vaak over en dat belijden we toch en zo wordt Hij toch vaak in gebeden aangesproken: barmhartige Vader in de hemel. Wat gebeurt er als de barmhartigheid van God vanzelfsprekend is geworden? Dan is de verwondering verdwenen, dan is iets waar je eigenlijk stil van zou moeten worden omdat het zo bijzonder is dat je het niet kunt bevatten geworden tot iets wat eenmaal nu zo is. Tot iets wat je hoort te zeggen… omdat iedereen dat zegt. Maar je zegt dat niet omdat het je eigen ervaring is, dat God barmhartig is.
Het zijn woorden, waarvan je ergens wel weet wat ze betekenen, en die misschien over God gaan, maar die niet over jou, die niet over u gaan. Dan kun je je niets voorstellen van een God, die barmhartig is, van de God, wiens karakter het is dat Hij steeds naar ons toekomt. Je hebt er niets mee, omdat God zo onbarmhartig ver is, uit het zicht, los van jouw leven, niets met uw leven te maken heeft.
Dat God zo ver weg is, zo ver dat zelfs de schreeuw naar God verstomd is. Kyrië eleison[1] – Christus eleison – kyrië eleison. Je kunt er verbitterd om worden, cynisch. Als er iemand is die de lofzang niet over zijn lippen krijgt, is dat degene van wie de hoop ooit nog eens iets van God te merken stukgeslagenis op de werkelijkheid van dit leven.
Deze verbittering is als een verwoestende storm die aan je leven en je geloof rukt en weinig overlaat. Er is weinig tegen bestand. Ja, soms zijn er momenten – onverwachte momenten, die je overkomen en een schuilplaats zijn in die storm, zoals het avondmaal. Zoals de dichter Jan Willem Schulte Nordholt dat eens verwoorden:

Maar als ik door het pad naar voren schrijd
en om mij heen de arme stervelingen,
mensen zo dwaas als ik, de lofzang zingen:
‘O Heer, uw bloed roept voor altijd
barmhartigheid, barmhartigheid,’

dan ben ik niet verlegen met mijn god,
dan is hij vlak bij mij, dan weet ik zeker
dat hij mij aankijkt uit de donkre beker,
dan eet ik zijn genadebrood,
dan leef ik van zijn dwaze dood
.

Ik leef van zijn dwaze dood. Ik leef – dat is wat God overeenkomstig zijn grote barmhartigheid met mij doet, die mij in mijn ongeloof, mijn gebrek aan hoop en vertrouwen verandert en mijn bestaan zo verandert dat de donkerheid langzamerhand plaatsmaakt voor Zijn licht, dat het voelt als een diepe wond die maar niet wilde genezen, langzamerhand – eerst ongemerkt nog – dichtgroeit en genezen gaat. Dat de doodsheid van mij afvalt en ik tot mijn eigen verwondering kan meezeggen: Geprezen zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus… Dat de woorden niet te hoog gegrepen zijn, maar het teken is van een groen sprietje dat – in de ravage die die storm heeft aangericht – toch opgroeit en langzamerhand uitgroeit tot een grote boom.
Voor zo’n ervaring is wedergeboorte niet het juiste woord – dat woord is te zwak. Want het gaat er niet om dat een deel van mij vernieuwd wordt, of dat ik slechts mijn zondige last kwijt moet raken,
dat ik niet alleen van mijn verleden afraak, maar dat mijn gehele bestaan vernieuwd wordt. Dat mijn leven een nieuw fundament heeft, een nieuwe basis én een toekomst om naar uit te kijken. Niet opnieuw geboren, maar opnieuw gedefinieerd.Het gaat om iets wat met ons leven gebeurt, een ervaring, die zich niet laat afdwingen.

‘Nadat ik God had losgelaten, heb ik Hem gevonden’, zei iemand eens tegen mij. Ze vertelde over haar leven als een schip, waarmee ze uitvoer, de vrijheid tegemoet. Weg van alles wat haar leven beknelde, weg van alles wat haar van haarzelf vervreemde, weg van de God voor wie ze alles verkeerd deed en haar veroordeelde.
Het was geen makkelijke beslissing geweest, want zo makkelijk geef je je band met God niet op – ook al veroordeelt Hij je nog zo sterk. Ze liet Hem los en tot haar eigen verrassing koerste ze in de vrijheid die ze gekregen had aan op God. ‘Pas nadat ik Hem durfde los te laten, kon ik Hem vinden,’ zei ze.
Het gaat om iets wat met ons leven gebeurt, een ervaring, die zich niet laat afdwingen.
We kunnen het niet afdwingen. Wel over het hoofd zien, niet kunnen of niet willen opmerken. Een ervaring die we niet kunnen afdwingen, omdat het te maken heeft met een enkele gebeurtenis: de opstanding van Jezus Christus uit de dood. Daarin werd ons leven opnieuw gedefinieerd. Daarin kreeg ons leven een nieuwe zin, omdat ons leven een nieuw fundament kreeg: Jezus Christus. En daardoor werd ons leven nieuw. Opnieuw gecreëerd tot een levende hoop.
Wat we niet bezaten, de hoop en het vertrouwen, daartoe worden we gebracht: levende hoop. We werden daarin gemaakt tot vertrouwen op God. Een levende hoop, omdat we verbonden werden met de levende God. Dat belijden we, tot onze verwondering – als we volgende week als wij het Heilig Avondmaal met elkaar als gemeente vieren. Vol verwondering, dat God handelt overeenkomstig zijn barmhartigheid. Dat Hij in je leven gekomen is, je God wil zijn. Je nieuw leven geeft, en je leert je leven op Hem te bouwen.

Die ons gemaakt heeft tot een levende hoop. Ik kom geregeld mensen tegen, die zich daarbij niet durven te rekenen. Dat anderen veranderd worden, dat kunnen ze zien en ze kunnen er blij om worden. Maar omdat over je zelf te zeggen? Kun je dat als je nog zo weinig van God afweet? Kun je jezelf daar wel bij rekenen als je vindt dat er nog veel op je is aan te merken. Of als je het juiste niveau nog niet hebt bereikt? Omdat je voor jezelf de lat hoog legt, denk je dat God dat ook doet:
de lat voor je hoog leggen, zodat je er pas na een bijzondere prestatie, waarbij je boven jezelf uitstijgt, jezelf ertoe mag rekenen. Omdat je aan jezelf twijfelt, twijfel je aan Gods barmhartigheid. 
Omdat je je niet kunt voorstellen, dat Gods barmhartigheid voor jou, voor u geldt. Dat het een geschenk is, kun je je wel voorstellen, maar dat het voor jou, voor u bestemd is? Of God is zo groot en heilig – mij barmhartig? Wie ben ik? Wat stelt mijn leven voor? Wat zou God aan mij missen?

Maar wat denk je dan? Dat je Gods barmhartigheid kunt narekenen? Of dat de Here pas in je leven kan komen nadat jij je problemen hebt opgelost? Of dat je God kunt blijven ontwijken, omdat je nog op zoek bent naar jezelf?
Gods barmhartigheid is groter dan wij kunnen voorstellen. Het is zelfs voor bedoeld. Dat is de clou van Gods barmhartigheid – dat Hij daarmee ons barmhartig was. Op ons gericht. Voor u.
En omdat we het niet kunnen geloven – omdat we verbitterd zijn over God of omdat wij twijfelen aan onszelf – wordt het ons verkondigd, worden we door God zelf aangesproken. Geroepen, zoals Lazarus uit het graf geroepen werd! Onweerstaanbaar.
Zodat wij onszelf niet meer kunnen achterhouden, omdat we ons graf uitmoeten, want Hij roept ons. Hij roept ons tot leven. Avondmaal is het feest van de verwondering, van het loflied, het feest waar wij ons geluk niet op kunnen, maar het eigenlijk ook niet kunnen bevatten, dat Hij naar ons heeft omgezien. Dat Hij ons barmhartig is geweest – barmhartig op een onvoorstelbare manier. Ons een toekomst gaf, omdat Hij Zijn zoon gaf voor ons, in onze plaats. Als we aan de tafel aangaan,
kunnen we niet anders dan tot onze verwondering zeggen dat Hij ons riep, ons zag, naar ons heeft omgezien.
Dat we een levende hoop hebben, omdat we God hebben, dat we een levende hoop zijn, daartoe veranderd door God zelf, dat we vertrouwen hebben, niet omdat wij dat zelf vonden, maar omdat de Geest ons vertrouwen schonk.
Overeenkomstig zijn grote barmhartigheid. Geprezen zij de God en Vader van onze Here Jezus.
Amen


[1] Voor het woord barmhartigheid wordt in het Grieks het woord eleos gebruikt.