Preek zondagmorgen 11 februari 2018

Preek zondagmorgen 11 februari 2018
Tekst: Mattheüs 26:28
Viering Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Elke keer is het weer bijzonder om het avondmaal te vieren, vind u niet?
Bijzonder omdat je daar mag zitten – aan de tafel van Christus
en dat met ons geloof waar nog heel wat aan schort.
Bijzonder om als zondaar bij Christus aan tafel te mogen komen.
Dat kan, omdat we mogen weten, mogen geloven dat het weer goed is,
goed tussen ons en God.
Dat is elke keer weer iets om ons erover te verwonderen, om dankbaar te zijn.
Dat wij, dat u, dat jij, dat ik mag komen bij Christus aan tafel
om daar brood en wijn te krijgen.
Daar aan tafel te zitten, brood en wijn te ontvangen – dat maakt voor ons zichtbaar
dat het weer goed is tussen ons en God.
Avondmaal maakt zichtbaar dat Christus met zondaren wil samenwonen.
Dat Christus met u, met jou wil samenwonen.
Bent u daar nog mee bezig geweest in de afgelopen week:
het bijzondere dat Christus met u wil samenzijn?
Heb jij daar nog aan gedacht hoe bijzonder het is, dat jij ook bij Christus mag horen?
Want we verdienen dat niet.
En toch is daar vanmorgen de uitnodiging weer:
Kom naar Mij toe, kom bij Mij aan tafel.
Kom kijken naar het brood dat gebroken wordt, de wijn die wordt ingeschonken,
kom het proeven, kom erbij aan tafel zitten en neem dat brood en die wijn tot je!
En ook als je daar in de afgelopen week niet echt mee bezig geweest bent.
Als je daar niet aan toe kwam, als je de rust niet kon vinden
en je er nu vanmorgen over nadenkt omdat de tafel hier voor in de kerk staat,
laat het tot je doordringen dat het Christus’ diepste wens is,
dat jij van Hem bent, dat u bij Hem hoort en tot Hem komt, ook vanmorgen,
dat u opstaat en naar voren loopt en hier aan de tafel komt zitten,
naar Christus toe gaat, van Hem brood en wijn aanneemt, eet – om Hem te gedenken.

Het bijzondere van het avondmaal is dat het zichtbaar wordt,
dat onze band met God is hersteld, dat het goed gemaakt is.
Zoals Christus het noemde bij de eerste keer dat het avondmaal werd gevierd:
een nieuw verbond – een relatie die is hersteld, een relatie die eerst verbroken was,
aan onze kant verbroken en van Gods kant weer goed gemaakt.
De tafel hier voor in de kerk, het brood en de wijn – ze laten ons zien
dat God het alles er aan gedaan heeft
om wat door ons verbroken was, weer te herstellen.

Is het wel mogelijk voor ons om bij God te mogen komen,
om aan de tafel van Christus te komen?
Dat vraagt tot een geloof, een sterk geloof, dat vraagt toch dat je er naar leeft?
Dat kan uw vraag wel zijn: u hebt vorige keer nog weer gehoord
Dat het avondmaal alleen voor de gelovigen in ingesteld.
Mijn zwak geloof klaagt mij aan: je kunt wel naar voren gaan,
maar wat breng je ervan terecht?
Je kunt daar wel aan die tafel zitten, maar als er eens in je hart gekeken werd
wat daar allemaal leeft verborgen voor anderen.

Bij de eerste avondmaalstafel, discipelen die straks allemaal Hem in de steek zullen laten,
zegt Christus: een nieuw verbond – tot vergeving van zonden.
We kunnen ons dat niet voorstellen, dat God vergeeft.
Als iemand naar ons toe een fout gemaakt heeft, ons diep geraakt heeft,
zullen we dat niet snel vergeten
en is er vaak een lange weg nodig tot herstel, een lange weg om het weer goed te krijgen.
En dan zegt Christus: er is vergeving te krijgen voor je zonden,
voor de fouten die je maakte, de verkeerde keuzes, de pijn die je God aandeed.
Ik maak je vrij van je zonden, helemaal schoon, helemaal rein,
zodat je bij Mij kunt komen, ook vanmorgen, zegt Christus:
Niets staat je meer in de weg. Niets klaagt je meer aan.
Ja, dat merk je wel, dat ervaar je wel, maar Ik zeg je dat het goed is.
Ik heb ervoor gezorgd dat het weer goed is, dat je mag komen.
Als u naar voren komt en gaat zitten bij de tafel,
als u brood neemt van de schaal en dat eet, als u de breker krijgt en daaruit drinkt,
dan mag u dat bedenken: Mijn zonden zijn vergeven.
Dat mijn geloof niet zo sterk is als het zou moeten zijn.
Dat ik soms vergeet om mijn geloof te onderhouden, er tijd voor te nemen,
erover na te denken, met anderen erover te praten.
Maar nu zie ik het, nu weet ik het weer, nu geloof ik:
Het is volbracht – ook voor Mij.
Dan kom ik naar God – ik aarzel want ik weet wat er aan mijn kant aan mankeert.
Het zou veel beter kunnen, het zou veel beter moeten,
maar ik weet – het is volbracht, daar op dat kruis van Golgotha,
Christus die het avondmaal instelde, toen in die zaal met zijn discipelen
en die nu aanwezig is, hier vanmorgen bij de tafel.
Hij roept mij om te komen. Ik kan niet anders, ik moet wel gehoorzamen en komen!

Vergeving van zonden – ik zou dat willen, maar hoe krijg ik dat?
Ja via Christus, via Zijn offer aan het kruis,
maar hoe krijg ik daar deel aan? Hoe wordt dat iets van mij, van mij persoonlijk?
Door het aan te nemen, te ontvangen, te geloven
dat Christus ook tegen u, tegen jou persoonlijk zegt: Ik ben voor jou gestorven.
Ik ging ook voor jou aan het kruis. Vergeving van zonden voor velen.
Dat is ruim, dat is royaal, daar pas jij ook wel bij.
Christus wil met zondaren samenwonen, met zondaren aan één tafel, Zijn tafel.
Dat is Christus’ diepste wens. Daarom kwam Hij.
Daarom gaf Hij Zijn leven, aan het kruis. Zodat u ook zou komen. Kom! Amen

Advertenties

Preek zondag 4 februari 2018

Preek zondag 4 februari 2018
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 26:17-30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Er is weinig dat er zo erg inhakt als het verraad van je eigen vrienden.
Je hebt met ze opgetrokken, je hebt veel tijd met ze doorgebracht.
Je hebt hun verhalen aangehoord: Leuke verhalen, maar ook hun sores aangehoord.
Je hebt zelf veel met ze gedeeld.
Als ze je dan verraden, krijgt alles een wrange bijsmaak:
Wat heb ik allemaal niet aan ze verteld?
Hoeveel tijd heb ik niet aan ze besteed?
Je krijgt er zo’n knauw van, dat je niet snel meer vriendschap sluit
maar alles vanuit wantrouwen bekijkt.
In psalm 140, de psalm die we zongen, klinkt verbittering door:
Hun tongen scherpen zij als slangen.

Over de meest intieme bijeenkomst die Jezus heeft met Zijn leerlingen
hangt de schaduw van het verraad:
Jezus zal verraden worden door één van de twaalf leerlingen,
overgeleverd in de handen van Zijn vijanden,
zodat ze Hem ter dood kunnen brengen.
Eén van de twaalf een verrader.
Maar komen ze allemaal niet in de buurt van dat verraad?
Niet dat ze allemaal Jezus uitleveren.
Maar geen van de twaalf zal aan het einde van die nacht nog bij Jezus zijn.
Zo eindigt een maaltijd die bedoeld is om aan te geven
hoezeer Jezus en Zijn leerlingen bij elkaar horen
ermee dat Jezus alleen overblijft, verraden door één van Zijn leerlingen
En in de steek gelaten door de andere 11.
Jezus verraden en Jezus verloochenen.

Dr. Jan Koopmans, een Amsterdamse predikant die in de slotdagen van de Tweede Wereldoorlog omkwam door een verdwaalde kogel, schreef over de kerk:
De kerk is de plaats waar Christus met zondaren wil samenwonen.
Dat kan Christus wel willen, maar als het op aankomt,
staat Hij er alleen voor
en zijn de zondaren met wie Hij wil samenwonen bij Hem weggegaan,
omdat ze de andere kant hebben gekozen, Hem verraden,
of omdat ze gevlucht zijn en niet meer aankonden om bij Christus te zijn.
En is dat niet wat een zondaar typeert, wat ons als zondaars typeert:
dat terwijl Christus met ons wil samenwonen, we dat niet willen of aankunnen?

Dat klinkt wel heel scherp
en misschien zegt u bij uzelf: waarom zou ik dat niet willen, of niet kunnen.
Dat de discipelen dat niet konden volbrengen, dat zij dat niet konden,
dat wil nog niet zeggen, dat ik dat niet kan.
Ik vermoed dat de discipelen ook niet verwacht hadden
dat zij op de loop zouden gaan, hun Heer en heiland in de steek zouden laten,
het ziet er in het evangelie er ook niet naar uit
dat Judas een mol was, die zich bewust in de discipelkring van Jezus heeft ingewerkt,
vertrouwen gewonnen heeft, om als de tijd ervoor rijp was, zijn slag te slaan.
Nee, in korte tijd verandert Judas van een volgeling van Jezus
in een verrader, die Jezus aangeeft en in handen speelt van Zijn tegenstanders.
Dat kan blijkbaar.
Als gelovige ben je kwetsbaar voor teleurstelling,
loop je het gevaar dat je op de vlucht slaat en het niet zitten om met Jezus samen te zijn.
Als we in de week van voorbereiding over onszelf en onze band met Christus nadenken
is dit de eerste stap waar we over nadenken.
In het formulier heet dat: de opdracht om stil te staan, te overdenken
van je zonden en vervloeking.
Dat we weglopers zijn, dat we het niet uithouden, niet willen uithouden bij Christus.
Dat is onze basishouding, dat is de neiging die we hebben
En daarom is het eigenlijk ook niet mogelijk om bij Christus te horen.
Hoe kunnen schepselen die bij God weglopen bij God horen,
hoe kunnen degenen die voor de Verlosser op de loop gaan verlost worden?
Maar er hoort er wel iets bij.
Namelijk dat als we daarover nadenkt, dat je dat niet wilt
en dat dit een diepe wens die gegroeid is: Ik wil niet meer weglopen, niet meer op de vlucht.
En dat het ook niet meer hoeft, omdat Christus gekomen is,
die gekomen is om ons te bevrijden van onze neiging om weg te lopen,
om ons van Hem af te keren, tegen Hem in te gaan.
Sterker dan ons weglopen, sterker dan ons verraad is Zijn genade.

Om dat steeds weer te geloven, om dat geloof steeds te versterken,
dat Zijn genade sterker is dan ons weglopen, ons verraad
– want dat dat geloof wordt steeds weer in ons aangevallen en in twijfel getrokken –
gaf Christus het avondmaal,
de laatste maaltijd die Hij met Zijn discipelen had,
de laatste keer samen, samen met Christus,
De verrader erbij aan tafel, de discipelen die op de vlucht zullen slaan erbij,
samen om de tafel, één in Christus.
Dat is de kerk: de plaats waar Christus wil samenwonen met zondaars.
Waar de discipelen straks allemaal weg zullen zijn – en Jezus weet dat
zit Hij met hen aan tafel.

Het is een bijzondere maaltijd.
Nergens in de evangeliën wordt verteld hoe Jezus apart eet met de leerlingen.
Altijd zijn er anderen aanwezig: Farizeeën, tollenaars en zondaars, de menigte.
Deze maaltijd, een afscheidmaaltijd zonder dat de discipelen dat weten,
is voor Jezus en Zijn discipelen alleen.
Even geen anderen, op dit belangrijke moment, nu Zijn weg naar het kruis echt begint.
Juist dan, alleen met deze kleine kring, de twaalf leerlingen.
Tijdens de maaltijd van Pesach, de nachtelijke maaltijd
Waarop de uittocht uit Egypte werd herdacht.
Een maaltijd die je in de meest intieme kring vierde, van je gezin, familie.
Hier is Jezus, samen met Zijn twaalf leerlingen, als gezin, als hechte groep,
op de avond voordat deze groep uit elkaar zou vallen.

Het is een maaltijd die moet worden voorbereid.
Er mocht geen zuurdeeg in huis zijn, een soort gist waarmee het brood kon rijzen
en waarmee het brood een smaak kreeg.
En daarom moest het hele huis worden schoongemaakt.
Er moest een lam worden geslacht in de tempel van Jeruzalem
En de maaltijd moest het liefste worden gehouden in of kort nabij Jeruzalem.
Op een speciale manier moesten de gerechten worden bereid,
met bittere kruiden, zodat na eeuwen van bevrijding uit Egypte
De bitterheid van het lijden dat het volk in Egypte onderging kon worden geproefd.
Als herinnering hoe moeilijk het daar was in Egypte
en hoe geweldig het was dat God hen bevrijdde, hen liet gaan.

Ons avondmaal vraagt ook om voorbereiding.
Vraagt een innerlijke schoonmaak: de strijd tegen het weglopen bij Christus vandaan,
De strijd tegen de gedachte dat je het zonder Christus kunt redden, of zelfs beter hebt.
Vraagt om naar jezelf te kijken: leef ik echt met Christus?
Of is mijn geloof zo dun dat het bij de eerste de beste tegenslag omvergeblazen wordt?
Is er in mij iets dat concurreert met mijn liefde en aandacht voor Christus,
die mijn liefde opslokt, mijn aandacht opeist die voor Christus bedoeld was.
Er wordt in het avondmaalsformulier eigenlijk gewaarschuwd voor twee dingen:
Een zwak geloof en verlangens en begeerten die je op de verkeerde weg kunnen brengen.
Jezus had Zijn leerlingen gewaarschuwd voor een zwak geloof,
Voor een geloof dat ermee stopt als het spannend wordt,
een geloof dat het niet kan opbrengen om een offer te brengen,
maar voor de gemakkelijkere weg kiest omdat het leven hier aantrekkelijker lijkt.
De waarschuwing hebben de leerlingen steeds in de wind geslagen,
zelfs de opmerking van hun Heer dat als ze Hem verloochenen
er ook een moment komt dat Hij hen niet zal belijden voor Zijn Vader.
Ze hebben het wel gehoord, maar het drong niet tot hen door.

En die verkeerde verlangens, begeerten die je naar je ondergang leiden,
die je verloren kunnen laten gaan.
Wat er gebeurd is tussen Jezus en Judas – Mattheüs vertelt het niet.
Het gebeurde toen die vrouw Jezus met een dure zalf zalfde
en Jezus dat niet afkeurde door te zeggen dat het geld beter besteed had kunnen worden.
Integendeel, Jezus prees haar: je doet dit vanwege Mijn begrafenis.
En toen knapte er iets bij Judas.
Was het een verlangen naar geld? Dan is het een voorbeeld van zo’n verlangen,
die je naar de ondergang helpt en dan is het een verderfelijke begeerte.
Of is het een verwachting over Jezus die niet uitkomt?
Een zwak geloof, ongeloof waar we tegen moeten strijden.

Toch zitten die twaalf bij Jezus aan tafel.

Over Judas valt nog te twijfelen,
maar Petrus zit er wel aan, die in diezelfde nacht nog zal zeggen
dat hij Jezus niet kent en niets met Hem van doen heeft.
De 3 discipelen die niet met Jezus kunnen waken als Hij lijdt en worstelt in Gethsemané.
De anderen die ervandoor zijn gegaan.
Ze zitten daar bij Jezus aan tafel.
De kerk is de plaats waar Christus met zondaren wil samenwonen.
Dat de zondaren zondaren zijn, verhindert de kerk niet kerk te wezen, omdat immers Christus Christus is.
Christus is Christus – dat is het geheim van de kerk,
dat is de kern van het avondmaal
Christus is Christus, die stierf aan het kruis,
Die de schuld betaald heeft voor de zondaren
Uw schuld, mijn schuld.
Uw zwak geloof, jouw ongeloof, mijn zwak geloof en ongeloof.
Juist vanwege ons zwak geloof, ons ongeloof,
onze neiging weg te lopen, in te gaan op verkeerde verlangens
is het avondmaal ingesteld
als een herinnering aan hoe Jezus daar zat, bij die twaalf
die allemaal bij Hem vandaan zouden gaan:
Jezus die zich geeft – gaf aan het kruis, geeft bij het avondmaal.
Neemt, eet, gedenkt en gelooft.

Tijdens die maaltijd, dat fijne samenzijn
– wat zullen ze tijdens die maaltijd gezegd hebben: bijzonder om zo met elkaar te zijn,
dit samen te vieren, zo alleen even met Jezus te mogen zijn
en Hem niet te hoeven delen,
we kunnen ons voorstellen dat het avondmaal is ingesteld
om de onderlinge band te versterken.
Komt opnieuw de waarschuwing van de Heere:
Iemand van jullie zal mij verraden, zal Mij in handen spelen van Mijn tegenstanders.
Je proeft de schrik?
Dat ben ik toch niet, Heere?
Het geloof is er nog. Ze versterken hun band.
Door Hem Heere te noemen, geven ze aan: Wij kunnen niet zonder U.
Wij kunnen ons geen leven indenken zonder U.
Wij zetten een stap naar U toe. U laat ons wel schrikken.
En dan als laatste: Judas.
Een heel subtiel verschil.
Judas die Jezus niet aanspreekt als Heer, maar als Meester.
Zijn gelooft taant, glijdt van Hem af, is al stuk gebroken, nog niet eens zo lang geleden.
Judas die vergeet zijn geloof te laten versterken,
in het samenzijn bij Jezus met de maaltijd.
Judas die de hand in dezelfde schaal doopt, uit dezelfde beker drinkt,
die erbij zit, maar niet meer van Jezus is.
Meester, zegt Judas. Dat is hoe buitenstaanders Jezus aanspreken.
Niet meer het Heer, zoals een discipel Jezus aanspreekt, maar Meester.
Judas die zich buiten deze kring plaatst, ook al zit hij erbij.
Zijn hart is er niet meer bij.
Strijd tegen het ongeloof, zegt het formulier,
wees niet tevreden met de zwakheid van je geloof.
Doe eraan wat je kunt.
NAtuurlijk, het is de Heilige Geest, die je ongelukkig laat zijn met je ongeloof,
die je laat lijden aan de zwakte van je geloof.
Dat is genoeg, zegt het formulier, om te mogen zitten aan de tafel van Christus.

Dat de zondaren zondaren zijn, verhindert de kerk niet kerk te wezen, omdat immers Christus Christus is.


Daarom, al krijgen wij dat ongeloof en die begeerten zelf niet uit ons weg en al klaagt ons ongeloof en klagen die verkeerde verlangens ons aan, we mogen er ten volle van verzekerd zijn dat zij ons niet verhinderen om aan het avondmaal aan te gaan. Want ze zijn kunnen niet Gods genade tegenhouden die Hij ons schenkt. Door Gods genade ontvangen wij de waardigheid, ondanks ons ongeloof en onze verkeerde verlangens, om aan te gaan en Gods genade te ontvangen. Door die door God geschonken waardigheid ontvangen wij het brood en de wijn, die Christus ons schenkt.
Amen

Preek zondagmiddag 3 december 2017

Preek zondagmiddag 3 december 2017
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Openbaring 3:14-22. Tekst: vers 21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Christus geeft Johannes de opdracht om brieven te schrijven aan zeven gemeenten.
Al deze zeven brieven eindigen met de aansporing om te overwinnen.
Wie overwint – hier in de brief aan Laodicea krijgt de gemeente te horen
dat wie overwint, plaats mag nemen met Christus op de troon.
Als gemeente worden wij, wordt u, word ik opgeroepen om te overwinnen.
Dat is meer en dat is sterker dan alleen te strijden.
Het is niet alleen dat u de strijd moet aangaan, nee, u moet ook overwinnen.
Wie overwint.
De noodzaak om te overwinnen klinkt al bij de doop,
in het gebed dat na de doop wordt uitgesproken:
Geef dat ze zo Uw Vaderlijke goedheid en barmhartigheid
die U hun en ons allen hebt bewezen, zullen belijden en in oprechte gehoorzaamheid
onder onze enige Leraar, Koning en Hogepriester Jezus Christus leven
en vroom (dapper?) tegen de zonde, de duivel en zijn hele rijk strijden en overwinnen.
Waarom is die overwinning dan belangrijk?
Dan zullen zij U en Uw Zoon Jezus Christus en de Heilige Geest,
de enige echte God die er is, eeuwig loven en prijzen.
Heel het leven staat dus in het teken van dit overwinnen:
Het overwinnen van de zonde, van de duivel en heel zijn rijk.
Dat is de zin van ons leven, van uw leven, jouw leven, mijn leven:
dat we de strijd aangaan tegen de macht die tegen God ingaat
en de macht die ons van God vandaan wil houden of vandaan houdt
En dat we dat niet laten gebeuren dat die macht in ons leven invloed krijgt,
dat we het niet laten gebeuren dat wij ons aan de zonde overleveren
of aan de duivel gehoorzaam zijn.

Als u belijdenis hebt gedaan hebt u ook beloofd om die strijd aan te gaan.
Zo klonk het als vraag bij uw belijdenis:

Aanvaardt u de roeping om, als lidmaat van de gemeente,
die God Zich in Christus tot het eeuwige leven verkoren heeft, door Zijn genade
tegen de zonde en de duivel te strijden, uw Heiland te volgen in leven en sterven,
Hem te belijden voor de mensen en met blijdschap te arbeiden in Zijn Koninkrijk?
U hebt dat beloofd!
En ook als u geen belijdenis gedaan hebt
of als jij helemaal er nog niet over nagedacht hebt om ooit belijdenis te gaan doen
is dit je taak: de strijd aan te gaan.

Christus draagt de gemeente echter tot meer op: niet alleen tot strijd,
maar ook tot overwinnen. Niet: wie strijdt, maar: wie overwint.
Er wordt wel gesproken over de strijdende kerk.
Daarmee wordt de kerk op aarde bedoeld, die te maken heeft met veel strijd.
Met de strijd die veroorzaakt wordt door vervolging, of door verleiding,
de kerk die nu nog de macht van de zonde en de duivel kan ervaren
en daartegen moet strijden.
En de overwinnende kerk, de kerk die triomfeert,
is dan de kerk die in de hemel is aangekomen, waar de strijd voorbij is.
Als we de brieven uit Openbaring lezen moeten we concluderen
dat dit onderscheid tussen de kerk die nu hier op aarde strijdt
en de kerk die later in de hemel (of bij de Wederkomst van Christus) overwint
een onderscheid is die niet terecht is.
Nee, wie overwint.
In het Grieks is dat niet iets wat in de toekomst gebeurt, maar nu,
wat in het nu steeds gebeurt, steeds herhaalt, dus niet een eenmalig moment,
maar steeds weer opnieuw overwint,
totdat Christus terugkomt en de strijd niet meer nodig is.

Wie overwint – een gelovige is iemand die leeft
uit de overwinning die Christus reeds behaald heeft.
De overwinning aan het kruis: de overwinning op de zonde, de duivel
de overwinning toen Christus neerdaalde in het rijk van de dood
en daar aankondigde dat de dood is overwonnen
en het graf dat openging dat liet zien: de macht van de dood is gebroken.
Wie gelooft, leeft uit deze werkelijkheid,
leeft uit de overwinning aan het kruis, leeft met het geopende graf
en leeft met een Heer, die naar de hemel ging
om vanuit de hemel de aarde te regeren en de macht van de boze in te binden.
Wie overwint – de gelovige laat zich niet wijs maken
dat de boze nog kan winnen, dat de boze zijn eigen gang kan gaan.
De gelovige weet dat de macht die de boze heeft slechts door God wordt toegestaan.
Geloven is de werkelijkheid anders bekijken,
kijken vanuit de overwinning die Christus heeft behaald.
Die ziet hoe de dood niet het laatste woord heeft, maar er een opstanding is.
Die ziet hoe niet de zonde de macht over ons heeft,
maar hoe Christus die macht verbroken heeft en in vrijheid heeft gesteld.
Wie overwint
– overwinnen is delen, nu op aarde al, in de overwinning die Christus heeft behaald.
Zoals Paulus dat schrijft: In Hem zijn wij meer dan overwinnaars.

Johannes moet deze brieven schrijven aan kleine gemeenten,
kwetsbaar door hun kleine aantal, kwetsbaar door de verleiding van de wereld om hen heen,
kwetsbaar door de dreiging van vervolging.
Kleine gemeenten die leefden in een immens groot rijk, het Romeinse Rijk.
Dat is wat ze zagen: een keizer die bijna heel de wereld in zijn macht heeft
en vanuit Rome de wereld regeerde, zijn bevelen gaf, die opgevolgd moesten worden
en zich als een god op aarde presenteerde.
Johannes spreekt in de profetie die hij namens Christus moet spreken:
het Romeinse Rijk waarin je leeft, wil de positie hebben die God heeft
en daarom bootst het God na, de enige ware God die er is.
Het is een Rijk dat niet duldt dat inwoners hun hart aan Iemand anders geven.
Het is een Rijk dat niet toestaat dat onderdanen voor een andere Heer kiezen,
de macht niet zoeken in Rome, maar in de hemel,
die zich niet toewijden aan de keizer, maar aan de Heer,
die stierf aan het kruis en opstond uit de dood, het Lam in de hemel, de Leeuw van Juda.
Wie overwint – het kleine kwetsbare groepje, een kleine kudde, in dat grote rijk
krijgt te horen: Rome krijgt jullie er niet onder,
hoeveel Rome ook dreigt, hoeveel slachtoffers Rome ook maakt
Christenen doodt in de arena, of aan kruis, hoeveel er ook voor de leeuwen worden gegooid.
Wie overwint – God heeft het laatste woord en Hij regeert door Christus,

die aan de rechterhand van God zit en troont in de hemel.
Wie overwint, zal zitten op de troon.

Er zijn ook in onze tijd heel wat machten die net als het Romeinse Rijk
pretenderen de rol van God te kunnen overnemen en zich als God op aarde gedragen.
Dat kan de economie zijn:
Als er geld mee verdiend kan worden, moet alles wijken. De macht van het geld.
Dat kan de politiek zijn,
dat kan een ideologie zijn: als iedereen maar net als ons denkt en doet
oorlog en geweld kunnen ook zo’n macht zijn.
Al die machten kunnen, wanneer ze zich bescheiden opstellen, iets goeds hebben,
maar wanneer ze die bescheidenheid afleggen en zich groot maken,
wordt het een afgod, wordt het een Beest uit de afgrond.
Wie overwint – dat zijn degenen die niet meedoen, met deze afgod
zich niet laten imponeren door het Beest uit de afgrond, welke gedaante het ook aanneemt.
Met avondmaal geven we te kennen dat ons hart ergens anders ligt:
Bij een andere Heer, de Heer die alles schiep en die recht heeft op ons leven.
De werkelijkheid van deze Heer dat is de enige die telt:
Die de macht van de duivel, van de zonde, van het beest uit de afgrond verbroken heeft.
Terwijl er andere machten op aarde actief zijn,
weten we en geloven we dat die machten slechts tijdelijk zijn
en dat er een einde komt aan hun macht
en weten we dat de echte macht berust bij onze Heer, Jezus Christus
die regeert vanaf de troon over deze wereld.
In een wereld van andere machten, in een wereld vol onrecht en geweld
bezingen we reeds Zijn overwinning en leven wij daar uit:
De Gekruisigde, de Opgestane, het Lam dat is geslacht, de leeuw van Juda
Hij bekleedt de troon, Hij regeert.

Het zijn geen geweldenaars, geen machthebbers deze gelovigen die overwinnen.
Het zijn gelovigen die worden bedreigd en worden vervolgd, gevangen gezet kunnen worden
die martelaar kunnen worden of zijn geworden omdat ze hun Heer niet wilden verloochenen.
Overwinnen heeft alles te maken met betrouwbaar zijn,
zoals dat vorige week werd uitgelegd met Amen: Christus is betrouwbaar
En wie overwint zegt Amen op Christus, spreekt zijn vertrouwen uit in Hem
en wil ook betrouwbaar zijn in de dienst aan Hem.
Zelf kwetsbaar en klein, zelf niet sterk, maar sterk in Zijn kracht.
Wie overwint, dat zijn de gelovigen die zich er niet snel bij neerleggen
in de zin van het wordt nooit meer wat met de kerk,
nee, ook een kleine kerk kan overwinnen,
het zit niet in de aantallen, het zit in onze houding, het gaat om ons hart,
om wie wij toebehoren: behoren wij deze wereld toe, of zijn we van Christus.
Wie overwint – dat zijn degenen die volhouden bij Christus,
hardnekkig, volhardend, ook als het er niet op lijkt,
omdat ze weten: Hij komt terug, en nu al is deze wereld van Hem.
Voordat Johannes deze brieven moet schrijven, krijgt hij Christus te zien.
Christus die staat temidden van de kandelaren.
Christus die in de hemel is, die gekruisigd is en opgestaan, die in de hemel is,
Hij staat tussen de kandelaren en die kandelaren dat zijn de gemeenten.
Hij is er bij. Hij laat zijn kerk die op aarde moet strijden niet alleen.
Hij draagt de gemeenten, we staan er niet alleen voor.
Wie overwint.

In deze dagen lees ik een boek over het Bijbelboek Openbaring
van een Amerikaanse theologe: Marva Dawn
die te maken heeft met allerlei lichamelijke beperkingen, chronisch ziek is,
vaak per rolstoel zich moet verplaatsen
Ik heb eerder wel eens een boek gelezen over het opvoeden van kinderen in geloof.
Ze heeft door haar ziekte zelf nooit kinderen kunnen krijgen
en verbaast zich erover hoe gemakkelijk christelijke ouders
hun kinderen laten beïnvloeden door de wereld (thema van vorige week: lauw),
terwijl ze onder andere omdat ze ernstige vorm van suiker heeft
constant moet letten op haar levensstijl.
Ze vraagt zich dan af: als ik zoveel moet doen en nalaten om niet ziek te worden
waarom laten christelijke ouders hun kinderen zo makkelijk geestelijk ziek worden
door hen niet te leren afstand te houden van de wereld.
In het boek over Openbaring schrijft ze hoe zwak ze zelf ook is,
niet door haar lichamelijke beperkingen en chronische ziekte,
maar omdat ze zich steeds op betrapt dat zij het wel even zou laten zien.
Je zou kunnen zeggen: overwinnen zonder te beseffen hoe zwak je uit jezelf bent.
Maar haar handicaps leerden haar wel haar geestelijke zwakheid onder ogen te zien.
Het boek Openbaring lezend vanuit haar eigen lichamelijke zwakheid en kwetsbaarheid
opende haar er de ogen voor hoe zwakheid en kwetsbaarheid een thema is in Opb.
Gods weg in kwetsbaarheid – als contrast met de wereld, de duivel,
die gaat voor macht en succes, die er naar streeft om gezien te worden.
Hoe sterk en imponerend deze wereld zich ook aan ons voordoet,
Uiteindelijk is het een kwetsbare wereld, op lemen voeten
en er hoeft maar een steen tegen aan te rollen en alles valt in duigen,
Gods adem hoeft er maar over te gaan, en als een bloem is het verwelkt
en men kent en vindt haar standplaats niet meer.
Wie overwint – zoekt in de eigen kwetsbaarheid en zwakte de kracht in Christus.
In Hem zijn we meer dan overwinnaars, door Hem die ons heeft liefgehad.

Voor wie er overwint is er een beloning.
Het is een beloning die Christus meebrengt bij Zijn wederkomst.
Vanmorgen bij de tafel lazen wij daar ook over.
En zie, Ik kom spoedig en Mijn Loon is bij Mij,
om aan ieder te vergelden zoals zijn werk zal zijn.
Wie overwint, zal ik te geven om te zitten op Mijn troon.
De rollen worden omgedraaid:
De zwakke gelovigen, de kwetsbare gemeente zij mogen oordelen
over dat machtige Rijk van Rome,
de martelaren en vervolgden mogen oordelen over hun beulen
de gelovigen mogen oordelen over de machten die er op aarde waren
en mogen aangeven hoezeer die machten hen in het geloven hebben beperkt.
Maar in de hemel zal die beperking er niet meer zijn,
want het Lam regeert, samen met Zijn Vader en wij met Hem.
Tot die tijd aanbreekt, wordt aan ons gevraagd om vol te houden,
te volharden, te overwinnen.
Ik bouw op U, mijn schild en mijn verlosser,
niet eenzaam ga ik op de vijand aan.
Sterk in uw kracht, gerust in uw bescherming. Ik bouw op U en ga in Uwe naam.

Gij voert de strijd, de hulde is U gewijd.
In het laatste uur zal ik zegevierend ingaan.
Amen

Preek zondagmorgen 3 december 2017

Preek zondagmorgen 3 december 2017
Viering Heilig Avondmaal. Openbaring 3:14-22. Tekst: vers 20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.
Vanmorgen staat Christus aan de deur van uw hart, van jouw hart
en Hij klopt aan, bij jou, bij u: ‘Mag Ik binnenkomen?
Ik wil graag in jouw hart binnenkomen, in uw leven Mijn plek weer innemen.’
Hij kan daar vriendelijk staan, wetend dat je aarzelt om Hem binnen te laten,
omdat je je eigen kleinheid, omdat je je eigen zonde kent.
Mag je Hem dan zomaar in je hart toe laten?
‘Ja,’ zegt de Heiland, ‘Kijk maar, hoor, maar Ik klop bij je aan.
Dat is niet zomaar. Ik wil graag bij jou in je hart komen! Laat Mij maar binnen!’
De Heere kan er ook heel dringend staan:
‘Houd de deur van je hart niet voor Mij gesloten, want zonder Mij kun je niet verder!
Laat Mij niet buiten staan!’
Waarom zou je aarzelen? Waarom zou je Hem niet binnenlaten?
Waarom zou je Hem buiten laten staan, die gekomen is om bij u gast te zijn,
om in jouw hart intrek te nemen.
Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop.
Op verschillende manieren kan Hij bij je aankloppen.
Hij kan bij je aankloppen door je te wijzen op je zonden, op wat er niet goed zit,
op wat er veranderd moet worden,
wat weggenomen moet worden, wat vergeven moet worden.
Daarom staat Hij aan de deur, om die zonden weg te nemen,
Hij klopt aan de deur met de vergeving die Hij heeft voor wat u hebt fout gedaan.
Om jou ervan te bevrijden, zodat er ruimte komt in je hart om Hem binnen te laten.
Hij klopt aan, omdat Hij weet dat als je met je fouten blijft, je uit jezelf niet komt
en daarom komt Hij: Ik klop bij jou aan, doe maar open en laat Mij binnen.
Ik maak het in orde tussen jou en God.
Christus klopt aan door de verkondiging.
Dat kan door de preek, nu vanmorgen, door die van vorige week of een andere keer.
Verkondiging is meer dan de preek.
Dat kan ook een lied zijn, een psalm, die bij je blijft hangen, waardoor je Zijn stem hoort.
Dat kan een opmerking zijn van een dominee, een ouderling, een vriend,
waarover je nadenkt en waardoor je ervaart: het is niet zomaar een stem,
het is de stem van Christus Zelf, de Heiland, mijn Heiland die bij mij aanklopt.
Hij wil dat ik Hem binnenlaat in mijn leven.
Nu vanmorgen klopt Hij ook aan met de uitnodiging om aan Zijn tafel te komen
en het Heilig Avondmaal te vieren,
Om het brood te eten dat je eraan herinnert dat Hij voor jou gestorven is
om de wijn te drinken die laat weten: Christus’ bloed wast uw zonden af.
Afgelopen week ging het gesprek op de belijdeniscatechisatie over de betekenis
van het kruis op Golgotha, over de vraag: Wat betekent dat kruis voor jou?
Iedereen was het erover eens dat Christus voor de zonden gestorven is,
maar er was aarzeling of je kunt zeggen: Hij is voor mijn zonden gestorven.
Want dat is heel wat en er is zoveel wat je fout doet.
Kun je dat zomaar zeggen? Dat Hij voor mij gestorven is? Dat Hij mijn zonden afwast?
Ja. Dat is het geloof, dat je dat voor jezelf heel persoonlijk maakt, eigen maakt.
Zie, Ik sta aan de deur en Ik klop aan jouw hart, om jouw zonden af te wassen.
Ik klop bij u aan om u dat geloof te geven, dat Ik voor u aan het kruis gegaan ben.

Als u Hem binnenlaat, als jij de deur van je hart opent,

Als iemand Mijn stem hoort en de deur opent,
zal Ik bij hem binnenkomen en de maaltijd met hem gebruiken, en hij met Mij.
Hoe doe je dat nu: Christus in je leven toelaten?
Dat doe je door te zeggen, in jezelf: Heere, Ik kan niet zonder u.
Dank U wel dat U voor mijn zonden bent gestorven, dat er ook voor mij vergeving is.
Dat doe je door de uitnodiging om aan het avondmaal te komen heel serieus te nemen.
En niet bij voorbaat al te zeggen: het is niet voor mij, niet voor mij weggelegd.
Als het niet voor u was weggelegd, had Hij niet staan kloppen aan uw deur.
Dan was Hij niet gekomen en had Hij u niet aangesproken.
Je kunt die uitnodiging niet zomaar naast je neerleggen,
want met het afwijzen van deze uitnodiging wijs je ook de Heere Zelf af, die bij je aanklopt.
Hij wil gast in ons leven zijn, en dan niet voor even, maar voor altijd
en Hij wil dat wij gast bij Hem zijn, en dan niet alleen voor vandaag, maar voor altijd.
Bij Hem aan tafel mogen zitten, dat houdt in: dat het weer goed zit,
dat je die vergeving ook kunt, ook durft aan te nemen
en durft geloven en kunt geloven: het is ook voor mij, voor mij persoonlijk.
De uitnodiging voor deze maaltijd aannemen, betekent dat Christus vriend geworden is,
vriend in de diepste zin van het woord, zoals we daar graag over zingen:
Welk een vriend is onze Jezus, die in onze plaats wil staan
welk een voorrecht dat ik door Hem altijd vrij tot God mag gaan.
Zelfs een uitnodiging mag ontvangen om aan Zijn tafel te komen
en later bij de Heere mag komen in Zijn heerlijkheid en daar bij Hem
aan Zijn tafel mag zitten met al degenen die door Hem zijn verlost.
Bij Hem aan tafel zitten, wat een onvoorstelbare eer
en toch, Hij nodigt u, Hij nodigt jou
en staat aan de deur van jouw leven met de uitnodiging om Hem binnen te laten,
om te geloven, om te komen naar het avondmaal,
om daar te zitten, Hij bij u te gast en u bij Hem te gast
om samen vanmorgen de maaltijd te gebruiken,
wetend dat er later in de hemel een maaltijd zal zijn,
waar Christus u voor zal nodigen:
Kom in, want je hebt Mij op aarde toegelaten in je hart, in je leven
toen Ik bij je aanklopte, je liet Mij binnenkomen,
Nu mag jij, mag u komen bij Mij, samen met al die anderen die gehoor gaven aan de uitnodiging.
Amen

Preek zondagmorgen 26 november 2017

Preek zondagmorgen 26 november 2017

Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Openbaring 3:14-22
Tekst: Openbaring 3:17-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In onze Bijbel hebben we het Bijbelboek dat we gelezen hebben de naam gegeven:
(de) Openbaring van Johannes.
In de tijd waarin het boek geschreven werd, waren de eerste woorden van een boek de titel.
Het boek heet dan: Openbaring van Jezus Christus.
Jezus Christus, die nu in de hemel is, maakt zichzelf bekend aan de gemeente.
Hij, Jezus Christus, maakt Zich bekend aan de gemeenten hier op aarde
om hen te laten weten: Vanuit de hemel ben Ik met jullie bezig.
En Ik ben ook bezig met de wereld waarin jullie leven.
Hoe jij deze wereld ook ervaart, het is een wereld waarover Ik regeer.
De kerk, die in deze wereld is, wordt door Mij bewaard.
Het Bijbelboek Openbaring moeten we dan ook niet horen als woorden van lang geleden,
maar lezend in dit Bijbelboek en deze woorden overdenkend,
gaat het erom dat we horen dat Christus die nu in de hemel is ook ons hier aanspreekt.
Hij zoekt ons op – om ons aan te spreken.
Hij wil iets van ons.
De brief die gericht is aan de gemeenten van Laodicea is niet alleen maar
voor die gemeente bedoeld, die daar vele eeuwen geleden in Klein-Azië was.

Schrijf aan de engel van de gemeente van Oldebroek.
Dat woord engel waar de brief mee begint,
betekent niet dat elke gemeente een eigen engel heeft – een soort beschermengel.
Het gaat hier om iemand die in de gemeente gezonden is, een gezonde,
om de woorden van Christus te laten klinken.
Het gaat er om – net als bij elke zondag – dat de woorden van Christus worden gesproken
en dat u als gemeente deze woorden hoort die Christus tegen u zegt.
Dat u deze woorden tot u neemt als Christus die ons als gemeente aanspreekt.
Dat is elke zondag en elke dag van belang,
en zeker vandaag en komende week, nu we ons voorbereiden op het Avondmaal
en we ons gereed maken om aan de tafel van Christus te komen.

Wat zou Christus ons als gemeente hier in Oldebroek te zeggen hebben?
Hij zou het kunnen hebben over de mooie dingen hier in de gemeente.
Hij zou het kunnen hebben over wat in Zijn ogen niet goed hier in de gemeente gaat.

De brief begint ermee dat Christus zichzelf voorstelt:
Dit zegt de Amen, de getrouwe en waarachtige getuige.
Christus die ons aanspreekt, die wij dienen, die Heer is van de kerk en ook van onze wereld
maakt zichzelf bekend als de Amen.
Amen kennen wij als antwoord op ons gebed,
Als wij Amen op ons gebed zeggen, dan spreken wij ons vertrouwen in God uit:
Ik weet dat God mijn gebed gehoord heeft en dat wat ik vraag bij Hem in goede handen is,
ik kan Hem vertrouwen, ik kan mijn hele leven op Hem bouwen.
Jezus zegt: Ik ben de Amen – je kunt jouw leven met een gerust hart in Mijn handen leggen.
Je kunt je leven op Mij bouwen, want Ik draag de hele wereld en ook jouw leven.
Ik ben het fundament, waarop de schepping is gebouwd.
Als u volgende week aan de tafel aangaat, dan zegt u:
Ja, Heere, U bent de Amen – ik kan mijn leven in Uw hand leggen, ik bouw op U.
In een wereld waarin zoveel onzeker is,
Ik weet niet eens wat er over een uur gaat gebeuren,
bent U mijn zekerheid, het fundament in Mijn leven.
Hoeveel mensen er ook tegenvallen – U niet. U bent de Betrouwbaarheid Zelve!

Die betrouwbaarheid werkt twee kanten uit:
Zijn woorden die uit het Bijbelboek Openbaring tot ons komen, zijn betrouwbare woorden.
Hij, Christus onze Heer, is betrokken bij het bestuur van Zijn Vader over deze wereld.
Er wordt heel wat meegedeeld over wat er zal gebeuren
– allerlei ellende die er op aarde zal gebeuren, de eindtijd,
maar veel belangrijker nog: waar het volgende hoofdstuk mee begint: Het Lam op de troon,
Het Lam die tegelijkertijd de Leeuw van Juda is.
Die met Zijn macht regeert – niets gaat buiten Hem om.
Wat er ook in de wereld gebeurt, wat er ook tegen de kerk gebeurt – Hij regeert: het Lam!
Het begin van de schepping – kan ook weergegeven worden
als de heerser van de schepping – Hij die alles in de schepping bepaalt.
Een belangrijk thema in Openbaring, het Bijbelboek, is de machten die er op deze aarde zijn:
de macht van de satan, van de antichrist en andere machten
die de gemeente en de gelovige bestrijden en bij Christus vandaan trekken,
machten die ook in de gemeente invloed hebben.
Welke macht ook heerst, welke macht ook invloed heeft of denkt te hebben,
De echte macht berust bij Christus.
Als we volgende week aan het avondmaal gaan,
dan delen we de maaltijd met de Heer van het Universum, die alles schiep,
die alles in het leven riep en nu nog steeds alles bepaalt
en deze wereld leidt naar Zijn doel, het doel dat zichtbaar wordt met de Wederkomst:
Alleen Gods macht op aarde – de machten die tegen God ingingen verslagen en verdreven.

Wat ook betrouwbaar is, is wat Hij in onze gemeente signaleert.
Als Hij ons als gemeente, en u als lid van deze gemeente persoonlijk aanspreekt,
dan hebt u te luisteren, want wat Hij ziet, wat Hij opmerkt, dat is waar.
Als Christus vindt dat die andere machten teveel invloed hebben, dan is dat waar.
Als onze Heer vindt dat we ons teveel laten meeslepen
in de machten die er in deze wereld zijn en die ons bij Christus wegdrijven, dan klopt dat
en dan hebben we naar Hem te luisteren.
Dan kunnen we niet aankomen met allerlei excuses of ja-maars.

Nu kunnen we niet de brief aan Loadicea zomaar overnemen,
alsof juist deze brief van de zeven brieven het meest van toepassing is op onze gemeente.
Ik denk dat die 7 brieven aan de 7 gemeenten bij elkaar horen
En met elkaar, als geheel, ons als gemeente in 2017 een spiegel willen voorhouden,
Een spiegel die Christus, onze Heer, ons voorhoudt.
De spiegel die ons voorgehouden wordt, kan alleen maar de spiegel van Christus zijn,
niet een persoonlijke mening van een predikant, of een mening van een kerkenraad.
Een predikant, een kerkenraad, een gemeentelid kan zich niet zomaar
aan de zijde van Christus scharen, alsof wij weten
wat Christus nu over onze gemeente, tegen ons zou zeggen.
In deze week van voorbereiding zeggen we als gemeente, als kerkenraad, als predikant:
Heere, leer mij te luisteren naar Uw woorden,
en leer mij niet al van te voren in te vullen wat U zult gaan zeggen.

Ik ken uw werken, zegt Christus – Ik weet wat je doet,
Ik weet wat er uit je handen komt, Ik weet hoe hard je ervoor werkt,
wat je er allemaal voor doet, wat je er voor nalaat.
Wat hier op aarde binnen de gemeente gebeurt, het effect van wat er gedaan wordt,
dat is zichtbaar voor onze Heer. Dat wordt in de hemel opgemerkt.
En toch – voor de gemeente van Laodicea is dat geen compliment.
Er is iets in de gemeente, in wat de gemeente doet, wat uit de handen komt.
Van die werken die jullie doen, zegt Christus tegen de gemeente in Laodicea,
Wat ik daarvan zie, is dat die werken niet warm of koud zijn, maar lauw.
Zo lauw, dat ik je uit mijn mond uitspuugt.
Ik kom wel eens mensen tegen – niet persé gemeenteleden van déze gemeente –  
die dat over hun eigen gemeente zeggen: Onze gemeente is een lauwe gemeente.
Dan denk ik altijd: dat oordeel komt ons niet toe. Dat is het oordeel van Christus.
Want anders meten wij met onze eigen maatstaven.
Dan hebben we ons eigen ideale beeld van een gemeente
en bovendien denken we dan al gauw dat wij het wel goed doen
en dan wij die correctie van Christus niet nodig hebben.

Er is een mooie verklaring van dat warm en dat koud.
Het was de gewoonte om bij maaltijden wijn te koken samen met water.
Ik denk dat we dat dan moeten vergelijken met onze koffie, of thee, of soep.
Die gekookte wijn had dan een lekkere smaak, een genot om te drinken.
Die wijn is niet zomaar gekookt.
Als je die gekookte wijn laat staan, dan koelt het af, tot het lauw geworden is
en dan is het niet meer te drinken, dan is het lekkere er af.
Wijn kon je juist ook koelen, met sneeuw en ijs, net als bij ons een biertje of cola.
Dat koelen van de wijn was wellicht nog meer werk dan het opwarmen van wijn,
zeker in het klimaat van Laodicea.
Wanneer er geen ijs en sneeuw meer was om de wijn te koelen, dan werd de wijn lauw,
en dan was het niet meer te drinken, dan is het lekkere er af.
Lauwe wijn is wijn die de temperatuur van de omgeving aanneemt.
Een lauwe christen is een christen die niet meer afwijkt van de omgeving waarin je leeft.
Een lauwe gemeente is een gemeente die niet meer afwijkt van wat anderen doen.
Wijn verwarmen kost moeite, daar moet je ook iets voor doen
en juist omdat het verschil maakt met de omgeving geniet je er van en heb je er wat aan.
Een gemeente die anders is, die verschil maakt, die niet gelijk is aan de wereld,
die moet daar iets voor doen – net zoals wijn gekookt moet worden: dat kost tijd, kracht.
En die gekoelde wijn, dat is niet iemand die onverschillig is, die niet gelooft,
maar iemand die heel bewust streeft om Christus te dienen,
Hij is mijn Heer en heeft alle gezag in mijn leven.
Dat dienen gebeurt door een sober leven waarin je niet meegaat in de luxe van deze wereld.
Je laat iets na, wat anderen wel doen, dat gaat niet zomaar,
net zo intensief als het koelen van wijn in een warm klimaat.

En dan zegt Christus tegen de gemeente van Laodicea: Ik mis het verschil.
Als Ik naar jullie werken kijk, als Ik kijk naar wat jullie doen,
dan zie ik geen verschil met wat er in de wereld om je heen, in diezelfde plaats, gebeurt.
Het verschil is weg. Het dienen van Mij maakt geen verschil meer
En daaruit moet ik concluderen dat je Mij helemaal niet meer dient – alleen met woorden.
En waar zit dat dan in, dat gelijk aan de wereld zijn, dat geen verschil maken?
Die lauwheid, dat gelijk aan de wereld zijn, heeft te maken met de gemeente die zegt:
Wij hebben alles al. We komen niets meer tekort. Alles wat ons hartje begeert.
Ons leven hier op aarde is af.
Hier is een gemeente aan het woord die nog wel aan God doet,
die nog wel bij elkaar komt, uit de Bijbel leest en bidt, omziet naar elkaar,
maar zonder dat ze er erg in hebben Christus hebben buiten gesloten.
Ze missen Hem niet, want ze hebben alles al.
Want u zegt: Ik ben rijk en steeds rijker geworden en heb aan niets gebrek
Dat is heel wat, als je dat kunt zeggen:
(1) Ik ben rijk, (2) Ik ben steeds rijker geworden, (3) Ik heb aan niets gebrek.
Drie keer meer dan genoeg hebben, dan ben je er toch wel.
Het oordeel van Christus is anders: je hebt helemaal niets.
En je bent er veel erger aan toe dan je doorhebt.
Tegenover 3 keer meer dan genoeg in de gemeente plaatst Christus 5 zaken van gebrek:
u bent ellendig, u bent beklagenswaardig, u bent arm, blind en naakt.
Je bent een bedelaar en je hebt helemaal niets,
je ziet het zelf niet eens en je hebt niets om je sores te verbergen.
Je staat in je hemd, of nog sterker: je staat naakt voor God,
zoals Adam en Eva nadat ze hadden gegeven van de boom van kennis van goed en kwaad.
Hier is Christus die Zijn gemeente wil wakker schudden:
Besef je dan niet hoe slecht het met je gesteld is? Dat je zonder Mij bent?
En die leegte, dat gemis aan Mij heb je gecompenseerd met geld, aardse rijkdom.
In het Bijbelboek is dat geld, is aardse rijkdom één van die machten
Die de gemeente van Christus afhoudt, één van de machten die de gemeente verwoest.
Die machten worden in 11:18 vernietigers van de wereld genoemd
En die aardse welvaart, het goed hebben en daarom God niet nodig hebben, is er één van
van die machten die de wereld vernietigen.
De Bijbel zegt dat God een verterend vuur is, maar dat is die aardse rijkdom ook.
Dat leidt je op de verkeerde weg, dat verteert je uiteindelijk.
Je denkt alles te hebben, maar je hebt helemaal niets.
Niets als je voor God komt. Je kunt als je deze aarde verlaat helemaal niets meenemen.
Hoe vol je zakken ook zijn hier op deze aarde, voor God sta je met lege handen.
Hoezeer je ook kunt pronken met de kleren die je hebt, voor God sta je naakt.
Hoezeer andere mensen jaloers zijn op je inzicht, op je handigheid om geld te vergaren,
in geestelijk opzicht ben je blind, want je ziet niet eens dat je het allerbelangrijkste mist.

Zolang zij zich aan zulke zonden vasthouden moeten zij zich onthouden van dit brood en deze wijn die Christus allen voor de gelovigen heeft bestemd.
Zij komen met lege handen: Doe uw mond open en Ik zal hem vullen.

En dan komt Christus met Zijn raad, Zijn aansporing:
Zorg dat je krijgt wat Ik in de aanbieding heb.
Neem van Mij aan wat ik je allang heb willen geven.
Ook al heb je Mij buiten gesloten, Ik sta hier bij je, bij je hart, en Ik klop aan: laat Mij binnen.
Zeg niet meer: Ik ben voorzien, Ik heb alles,
Maar zeg: Heere, kom binnen, ik heb me vergist, mooier voorgedaan dan ik kon.
Ik heb helemaal niets. Mag ik Uw genade ontvangen?
En dit is dan het geschenk van Christus:
Goud – niet zomaar goud, maar gelouterd, gezuiverd in het vuur,
Gelouterd in het vuur – beeld van reiniging van onze zonden, zoals vuur het goud zuivert,
en het wijst vooruit naar het hemelse Jeruzalem waar de straten van goud zijn.
Neem hier al aan wat je daar zult hebben.
LAat alleen dat voor je waarde hebben wat in de hemel ook waarde heeft.
Het is een geschenk dat Christus wil aanbieden.
Neem die witte mantel aan, beeld van degenen die gereinigd zijn door Christus’ bloed,
de verlosten die in de hemel staan en net als de engelen de witte kleren mogen dragen,
bekleed met de heiligheid, de reinheid, de hemelse glans van Christus.
Het is een geschenk dat Christus wil aanbieden.
En zalf voor de ogen, waarmee onze geestelijke blindheid genezen wordt
en we niet meer zeggen hoe rijk we zijn zonder Christus maar hoe arm
en dat we in onze armoede alleen maar kunnen aankloppen bij Christus.
Het is een geschenk dat Christus wil aanbieden.

Ik zeg dat niet zomaar, zegt Christus, en ook niet om je eens flink de waarheid te zeggen,
maar omdat Ik van je houd, om je geef, Mijn leven voor u gegeven heb
en Ik wil dat je wordt gered.
Omdat Ik om je geef, van je houd, daarom spreek Ik je zo streng aan,
omdat Ik niet kan zien, dat je zonder Mij bent.
Keer je om, zoals je dat deed toen je ging geloven.
Voorbereiding avondmaal is je omkeren, terug naar die eerste liefde.
Voorbereiding avondmaal is die geschenken aannemen, die de Heere ons aanbiedt:
Zijn goud, hemelse rijkdom, Zijn kleding waarmee Hij onze schande wil bedekken,
Zijn zalf, waardoor onze ogen opengaan
en wij maar één ding zien: Christus die voor de deur van ons hart staat
om bij ons binnen te komen.

Aan de deur van ’s harten woning
klopt des hemels Bruidegom:
“Op, ontwaakt, de nacht is om.
Buiten wacht uw Heer en Koning:
kom mijn bruid, die ik bemin,
doe mij open, laat mij in!”

Christus, van zo ver gekomen,
wist, hoe Hij u vinden zou.
Geef u over aan zijn trouw;
klopt Hij nog, verwin uw schromen.
Schoon gij aarzelt, Hij houdt aan,
Hij zoekt bij u in te gaan.
Amen

Preek zondagavond 2 juli 2017

Preek zondagavond 2 juli 2017
Dankzegging en nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Psalm 36

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 36 begint met een innerlijke stem:
De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart.

Er zijn heel wat stemmen in onszelf,
ook als je in een kerkdienst aan de avondmaalstafel zit:
– ‘Heb ik er wel goed aan gedaan om naar de tafel te komen,
Want ik heb er in de afgelopen tijd niet echt naar geleefd.’
– ‘Het avondmaal wordt altijd als iets bijzonders gebracht, maar ik voel van binnen niets.
Hoor ik wel iets te ervaren? Doe ik het niet goed, omdat ik niets binnen in mij merk?’
– ‘Wat is het fijn om bij Christus te zijn en mijn zonden achter te laten.
Ik neem mij voor om de komende tijd echt uit Christus te leven.
Ik was vanmorgen zo heel dicht bij Christus, dat wil ik echt vasthouden de komende tijd.’

Daar is avondmaal ook voor bedoeld, dat je de stem van Christus weer verneemt
En dat je je in de komende tijd ook weer laat leiden door Zijn stem
dat je niet ingaat om de andere stemmen die er zijn, die ook in je kunnen klinken.
Psalm 36 begint ermee dat bij bepaalde personen een andere stem klinkt,
die veel overheersender is, een stem waardoor iemand zich laat leiden.
De zonde die diep van binnen in iemand klinkt,
een stem die van binnen zegt: trek je niets aan van God.
Je hoeft in je doen en laten niet met God bezig te zijn.
Trek je eigen plan, een weg zonder God.
Het is voor iemand die gelooft een afschrikwekkend voorbeeld:
Zo wil je niet leven, zo los van God en alleen je eigen plan,
zonder dat je jezelf rekenschap geeft van God.
Je kunt juist dankbaar zijn, dat er in je eigen leven een andere stem heeft geklonken,
de stem van Christus, die je geroepen heeft om naar Hem toe te gaan,
een stem die in de afgelopen week misschien weer heel duidelijk geklonken heeft:
‘Zondag is het avondmaal. Kom naar de tafel en ontvang van Mij brood en wijn,
als tekenen van Mijn genade,
kom bij Mij aan tafel zitten, maak deel uit van Mijn gemeenschap,
kom een stukje brood nemen, kom een slokje wijn drinken,
proef dan weer Mijn genade, weet dan weer dat Ik voor jou aan het kruis ben gegaan.’

Je zou willen dat deze stem steeds de enige stem is, die in je klinkt,
die je luid en duidelijk de weg wijst, die je steeds meeneemt
en ervoor zorgt dat je naar al die andere stemmen niet meer luistert.
Toch klinken die andere stemmen nog steeds.
En dan zal het vast niet zo extreem zijn als bij de goddeloze,
waarbij alleen de zonde het voor het zeggen heeft
en waarin de stem van God wordt bespot: aan God heb je niets, zonder Hem ben ik beter af.
In de eerste dagen zul je zulke stemmen nog negeren of het zwijgen op willen leggen,
waarbij je aan de afgelopen zondag terugdenkt, en het brood en de wijn haast nog proeft,
en je jezelf nog ziet zitten aan de tafel,
je weet nog wat er door je heen ging, dat het weer indruk op je maakte,
wat Christus voor je heeft over gehad, dat het je weer greep: Christus is voor mij gestorven!
En je herinnert je nog heel duidelijk dat je het had voorgenomen,
om in de komende weken dicht bij Christus te blijven en alleen naar Hem te luisteren.
Misschien ook omdat er in de afgelopen periode juist de klad in gekomen was
en je wist, dat moet ik niet weer laten gebeuren,
want dan gaat het mijn geloof achteruit en dan raak ik Christus uit het oog.
En vanmorgen, bij het avondmaal was Hij er weer,
was er weer Zijn brood en wijn, was er weer die genade,
was het zoals Psalm 36 dat bezingt:
Zij worden verzadigd met de overvloed uit Uw huis;
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven.
Het is iets wat je meekrijgt voor de komende weken, waar je op mag teren
en je zou het willen dat het er steeds weer voor je is,
zoals vers 11 in de NBV is vertaald: Toon aan uw getrouwen gedurig uw liefde.
Gedurig: aanhoudend, onophoudelijk, constant.
Laat er geen dag voorbij gaan zonder iets te zien, te merken van die liefde.
Laat mij steeds weer terugkomen bij die bron van het leven.
Want anders drogen wij net zo uit als het gras dat om het huis staat,
het is droog en bruin, het groeit lang niet zo goed als wanneer er water genoeg is.
Zo kunnen wij ook niet zonder die constante aanstroom van liefde.
En als er momenten zijn waarop ik vergeet om naar die bron te gaan,
dagen waarop ik vergeet om dit water van het leven te drinken,
zorg dan dat ik stil kom te staan, laat mij niet verder gaan zonder U.
Dwing mij desnoods om U weer onder ogen te komen,
want al denk ik dat ik zonder U kan, ik houd het echt niet lang uit.

Hoe voorkom je nu dat deze stem verdrongen wordt, door die andere stem
waar de psalm mee begint, de stem die diep van binnen kan klinken,
maar die je juist een andere weg wilt doen gaan, niet Gods weg,
maar bij Hem vandaan.
Ook in de komende tijd zullen we geen volkomen geloof hebben,
ook in de komende tijd zullen we God niet altijd met zo’n ijver dienen als we horen te doen,
ook in de komende tijd hebben we elke dag weer opnieuw strijd te voeren
– strijd omdat ons geloof en vertrouwen vaak zo zwak is,
– strijd omdat we de tekenen om ons heen, die spreken van Gods trouw en liefde niet horen:
hoog als de hemel is Uw liefde en tot de wolken Uw trouw
we horen deze stem die van Gods goedheid en liefde spreekt vaak niet.
er is strijd, omdat ook in ons die zonde blijft spreken,
wij komen daar niet helemaal los van,
We bevinden ons tussen twee werelden:
De wereld van de goddeloze en de wereld van God
en van beide kanten wordt aan ons getrokken:
Als een strijd die om ons gevoerd wordt, van God en de zonde,
van de boze, die aan ons trekt, die ook een stem in ons heeft, en tot ons spreekt,
die verleiding in ons kan laten opvlammen en daarbij ons geweten in slaap sust,
door te suggereren dat het helemaal niet zo erg is dat je je laat gaan.
Want iedereen doet dat, en niemand is perfect, de boog kan toch niet altijd gespannen staan.
Aan het einde van de psalm klinkt het besef door,
dat de boze je kan meetrekken, voor ons te sterk kan zijn.
Er klinkt een gebed om geen nederlaag te hoeven te leiden,
om niet meegesleurd te worden door een machtiger iemand.
Dat kan een mens zijn tegen wie je niet opgewassen voelt,
maar dat kan ook de boze zijn, die het steeds weer probeert
om je van Christus weg te leiden, op een andere weg,
een weg van minder moeiten, minder tegenstand.
Het is een gebed om dan Gods macht te zien, die zichtbaar werd op Golgotha
waar de macht van de boze werd gebroken,
om die macht ook concreet in je eigen leven te zien
als de boze op je afkomt, om je weer zijn kant op te trekken,
om je te doen vergeten dat je het zo goed had aan tafel bij de Heere Jezus,
om je te doen vergeten dat je zo overweldigd was door alles wat de Heere geeft,
de dankbaarheid en verwondering over God die in de psalm doorklinkt
een dankbaarheid en verwondering die er vanmorgen vast ook was,
en vaak in een kerkdienst, de verwondering over Gods trouw.
Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Die verwondering en die dankbaarheid kan weg zijn, als die andere stem luider klinkt,
die stem waartegen je moet vechten, maar die geregeld sterker is.
daarom dat naar de Heere toegaan om onder Zijn vleugels te schuilen

Daarom dat gebed: laat het niet gebeuren dat de boze sterker is.
Laat het niet gebeuren dat hij mij weer in zijn greep krijgt.
Ik heb juist vanmorgen aan de tafel toch weer gevierd,
dat ik ben bevrijd uit zijn macht,
dat ik die door de boze overweldigd was, gekidnapt, ontvoerd,
bevrijd ben uit die macht en weer in vrijheid mag leven.
Daar werd Hij gebonden, opdat Hij ons zou losmaken.
Vanmorgen is er gevierd, dat de boeien waarmee de boze u had vastgemaakt,
losgebroken zijn en dat hij u moest laten gaan,
maar hij zal niet rusten voor hij u weer terug heeft in zijn macht,
voordat zijn stem weer in u klinkt en u daaraan gehoor geeft.
Maar u heeft ook avondmaal gevierd om te weten
dat u mag leven onder de bescherming van Christus,
de toevlucht genomen onder de schaduw van Uw vleugels.

Weggehaald uit de wereld van de goddeloze,
al zal het niet voor iedereen zo extreem zijn als hoe de goddeloze wordt beschreven,
maar wel weggehaald uit de macht van de boze
om ons te laten leven in de andere wereld, waar Psalm 36 ook over spreekt,
een totaal tegenovergestelde wereld: die van Gods liefde en trouw,
die over heel de wereld gaat, die ieder mens wil bereiken,
een wereld waarin u nu al mag leven, door Christus’ genade.
Het heeft Christus heel wat gekost om ons daar te krijgen:
Hij gaf daarvoor Zijn eigen leven
en vanmorgen heeft u dat weer mogen vieren, dat Hij dat voor u over had,
dat Hij bereid was om Zijn leven te geven
voor mensen die naar de stem van een ander hadden geluisterd,
die op een weg gingen, die niet door Hem was uitgestippeld, die kozen voor het kwade.

Dat is nu die goedertierenheid, die trouw waar deze psalm zo uitbundig van zingt.
Die zo overweldigend groot is – die tot in de hemel reikt,
waar de hele aarde vol van is, die de sfeer is waarin we mogen leven,
de lucht die we mogen opademen, die we mogen inhaleren, als bevrijde mensen.
Avondmaal vieren is je geluk niet op kunnen,
omdat God zo genadig is geweest je mee te nemen naar Zijn wereld
in het geloof dat die oude wereld eens voorbij zal zijn
en er een nieuwe wereld zal komen, die weer helemaal vol van God zal zijn.
Waar de goddeloze, waar de hooghartige geen plek meer heeft,
Waar de boze er niet meer is, radicaal en voorgoed uit onze werkelijkheid verbannen.

De psalm neemt op die toekomst, die er na de Wederkomst zal zijn, een voorschot.
Het blijft niet bij het gebed, om verlossing en bescherming tegen die machtige vijand.
In het geloof wordt gezien dat degenen die nu macht hebben, geweldenaars zijn,
plaats zullen maken, zullen omvallen, onderuit zullen gaan,
omdat zij niet bestand zijn tegen die sterke Held, die ons terzijde staat.
Door God aan ons toegewezen.

Vraagt gij zijn naam?
Zo weet, dat Hij de Christus heet,
Gods eengeboren Zoon,
verwinnaar op de troon:
de zeeg’ is ons beschoren!

Avondmaal is schuilen bij deze held, die de vijand heeft verslagen,
die ons laat weten, dat we niet meer hoeven te vrezen,
dat we niet meer onder de indruk hoeven te zijn
dat we niet meer gevangen hoeven te zijn, niet meer machteloos.
Al zullen we nog steeds onderuit gaan en zullen we nog steeds verliezen,
we hebben iemand die met ons meestrijdt, die voor ons strijdt
die voor ons gestreden heeft, die de overwinning reeds heeft behaald
en vanuit die overwinning ons reeds geeft
om in de tijd die ons op aarde nog rest te strijden tegen alles
wat ons van de weg van God vandaan houdt.
Gebed en geloof gaan hier hand in hand, zoals zo vaak in het leven
en hoort dat niet altijd zo te zijn?
Dat we steeds bidden, schuilen bij God, vragen om Zijn bescherming
en tegelijk geloven en weten, dat Gods macht er is en zal zijn
en niemand ons uit de hand van Christus zal rukken,
zelfs niet degene die sterker is dan wij.


Dan kunnen we om ons heen nog zo veel zien,
dat tegen God in gaat, dat ons aangrijpt,
Waardoor we ons afvragen, waarom is er zoveel onrecht in deze wereld.
Als Gods macht over heel de wereld is en als Gods liefde over heel de wereld gaat,
waarom is er dan nog plek op deze aarde voor de goddeloze,
waarom kan er dan toch weer iemand opstaan die hooghartig is,
en in zijn hoogmoed tegen God strijdt en tegen de kerk.
Daar kun je aan lijden, zeker als je er zelf mee te maken hebt
dat er tegenstand is omdat je gelooft
Daar kun je aan lijden, omdat je weet dat er op deze wereld
broeders en zusters zijn die het minder riant hebben dan wij,
die weten wat het is om vertrapt te worden, die weten wat het is om opgejaagd te worden.
Waarom?
Als er al een antwoord te geven is, is dat wat de Heere Jezus zegt,
als Hij spreekt over het liefhebben van onze vijanden:
God laat Zijn zon schijnen over goede en slechte mensen
en laat het regenen over rechtvaardige en onrechtvaardige mensen,
zodat de goedheid van God die daaruit spreekt het hart zal raken
en een omkeer te weeg brengt, de ogen opent voor de Heere,
het verlangen opwekt om ook bij deze goede God te horen,
die ook aan mensen die Zijn genade niet verdienen royaal Zijn genade uitdeelt
en hen laat proeven van Zijn goedertierenheid
hen laat drinken uit de bron van het leven,
zodat ook zij de genadige God mogen leren kennen, Hem leren aanbidden,
zijn macht, zijn liefde, zijn trouw gaan bezingen,
samen met al die mensen door al de eeuwen heen
van wie het hart vol is geraakt van deze God,
die er helemaal lyrisch van kunnen worden hoe deze God is.
HEERE Uw goedertierenheid reikt tot in de hemel
ook ik ben daarmee in aanraking gekomen, het heeft ook mijn hart geraakt,.
Uw trouw is tot in de wolken
zo oneinding groot en toch ook voor mij,
Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid voor mij geworden. Ik kan er niet meer buiten.
Daarom keer ik steeds weer terug bij U, elke dag weer, vanwege dat wat U geeft.
De overvloed van Uw huis, Uw beek die vol is, de verrukkelijke gaven.
Want bij U is de bron van het leven – meer hebben wij niet nodig.
U bent voor ons alles geworden.
Amen

Preek zondagmorgen 2 juli 2017

Preek zondagmorgen 2 juli 2017
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Psalm 36
Tekst: Hoe kostbaar is Uw goedertierenheid, o God!
Daarom nemen de mensen de toevlucht onder de schaduw van Uw vleugels
Zij worden verzadigd met het goede van Uw huis
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven (vers 8-9)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als het avondmaal er weer aankomt, word je weer gedwongen om over jezelf na te denken.
Althans zo vergaat mij dat.
Ik ga de afgelopen maanden na: Hoe heb ik geleefd met de Heere?
Je kijkt in als het ware in een spiegel:
Hoe ben ik geweest naar God toe, naar de mensen om mij heen?
Het is altijd weer confronterend, want je kunt altijd wel iets bedenken, wat mis is gegaan.
Ik hoorde een keer iemand zeggen: ‘Het is een heel intensieve week,
maar ik zou die week niet willen missen. Dat intensieve is ook niet erg.’
Het is goed om zo over jezelf na te denken, zeker rondom het avondmaal.
Om eerlijk aan de Heere te belijden als het niet goed zat
en dat niet weg te duwen en te doen alsof dat niet erg is,
maar om daarmee naar de Heere te gaan: Heere, wilt U mij vergeven, mij reinigen?

In de afgelopen weken dacht ik voor mijzelf na over de vraag:
Moet je nu eerst weten dat het mis zit, eerst inzien dat we in ons geloof en wat we doen
tekortschieten en vaak niet doen wat de Heere van ons vraagt?
Of kun je ook eerst onder de indruk zijn van de liefde die de Heere voor ons heeft,
dat je geraakt bent door het besef dat de Heere ook jou genadig wil zijn?
Ik merk bij mijzelf dat ik vaak begin bij de liefde, bij de genade
als ik dan daar over na begin te denken raak ik weer helemaal verwonderd over de Heere.
Dat was voor mij een reden om deze Psalm 36 te kiezen,
omdat deze Psalm zo heel uitbundig over de trouw, de genade van de Heere zingt.
Dan kan ik als ik deze Psalm lees en zing ook verlangen naar het Avondmaal,
waar weer zichtbaar wordt, in het brood dat gebroken wordt, de wijn die uitgegoten wordt,
hoe de Heere Jezus Zich voor mij heeft gegeven,
ondanks mijn fouten en tekorten, ondanks dat ik het er vaak bij laat zitten.
Dan denk ik na over het avondmaal en zie ik de gemeenteleden weer zitten
en weet je dat er voor heel wat gemeenteleden een stap is
om naar voren te lopen en aan het avondmaal te gaan.
Dat gun je ze dan ook, dat ze uitkomen bij de Heere Jezus.
Dat ze niet alleen met zichzelf blijven,
want daar is het avondmaal uiteindelijk niet voor bedoeld dat iemand over zichzelf nadenkt
en er dan niet uitkomt en dan alleen achter blijft met zijn eigen zonden.
Het avondmaal is er niet alleen voor om te laten zien dat het aan onze kant mis zit,
– we hoeven dat niet weg te doen, dat mogen we, moeten we eerlijk onder ogen komen –
maar het avondmaal is er ook voor om ons te laten zien, te laten proeven zelfs
dat God Zijn genade geeft – juist omdat wij die genade nodig hebben
en zonder die genade niet kunnen bestaan.
Dat je naar de Heere toe mag gaan om van je zonden, van je falen los te komen,
omdat bij de Heere vergeving is.
Avondmaal gaat over dat onvoorstelbare: de Heere wil ons vergeven,
Hij wil naar ons toekomen en wij mogen naar Hem toe gaan.
Schuilen onder de schaduw van Uw vleugels, zingt de Psalm.
En dat kan, dat schuilen, dat heel dicht bij Hem komen,
vanwege Zijn goedertierenheid – trouw, liefde, geduld.
Als je bij Hem komt, omdat je Hem nodig hebt, stuurt Hij je niet weg,
De hoge en heilige God, die de zonde niet bij Zich duldt,
duldt wel de mensen in Zijn nabijheid, Hij nodigt hen zelf en roept hen
om naar Hem toe te komen, bij Hem te schuilen.
Hij roept u, Hij nodigt jou uit. Hij wil niets liever dan dat jij, u komt, om bij Hem te zijn.
Dat leeft er in Zijn hart en dat werd zichtbaar op Golgotha
en vanmorgen wordt het weer zichtbaar in dat brood dat gebroken wordt
en waarvan u, jij een stukje mag eten.
Dat wordt zichtbaar in de wijn die wordt uitgegoten
en waarvan u, jij een slok mag drinken.
Dat brood dat gebroken wordt en ook de wijn die uitgegoten wordt,
dat is een uitnodiging: Kom maar, want het zit goed,
het zit goed tussen jou en Mij, want Ik ben een het kruis gegaan
en die plek daar aan die tafel, daarvoor heb Ik gezorgd.
Kom maar bij Mij schuilen, als de zonde tegen je zegt: ‘Daar hoor je niet.’
Kom maar bij Mij schuilen, als je eigen hart je aanklaagt en zegt: ‘Dat is niet voor jou.’
Kom maar hier bij Mij.
Waarom zou je wel luisteren naar de stem die je tegenhoudt
en niet naar de stem die je uitnodigt?
Zie je niet dat Ik het ben, je Heiland, je Redder, je Zaligmaker,
en geloof je dan niet, dat Ik voor jou gestorven ben?
Wijs niet Mij, je Heer, je redder af, maar ontvang dan Mijn genade.
Zie je dan niet, dat die plek daar aan die tafel, de plek bij Mij, er voor jou is
om vergeving te ontvangen, om bij Mij te zijn, brood en wijn tot je nemen
om daarmee aan te geven dat je zonder Mij niet kunt leven?
Als je bij Mij komt, is daar ook het goede dat Ik je wilt geven.
Zij worden verzadigd met het goede van Uw huis
U laat hen drinken uit Uw beek vol verrukkelijke gaven
Het is brood dat je mag eten – het brood dat je herinnert aan Golgotha
en door te eten belijd je dat je niet zonder Mijn offer op Golgotha kunt en neem je het aan.
Je hebt er genoeg aan, het is goed voor je, voor je geloof, voor je weg met Mij.
Het is een slokje wijn en als je dat drinkt, mag je weten, dat je drinkt uit de beek van God,
het verkwikt je, het lest je dorst, omdat Christus aan het kruis Zijn leven gaf,
Als je de wijn in je naar binnen voelt stromen, mag je weten
dat Ik jou reinig van binnen reinig van al je zonden.
Kom dan en ontvang van Mij, brood en wijn
Eet en drink, weet, geloof dat jij gereinigd wordt van al je zonden.Amen