Preek zondag 8 juli 2018

Preek zondag 8 juli 2018
Spreuken 3:3

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de afgelopen weken heb ik verschillende trouwdiensten gehad
en stellen langs gehad die in de komende tijd willen gaan trouwen.
Als ik dan hun dienst leid of hen op gesprek heb, vraag ik me wel eens af:
Zijn ze voorbereid op het leven als getrouwd stel, als man en vrouw?
Hebben hun ouders er met hen over gesproken en hen uitgelegd
Wat het betekent om getrouwd te zijn,
om van een ander te zijn, bij iemand anders te horen, iemand te dienen en lief te hebben,
om zelf de verantwoordelijkheid van een gezin te hebben?
Als u kinderen hebt, hebt u het er wel eens over met uw kinderen?
Ooit hoorde ik het verhaal van iemand die toen hij verkering kreeg
van zijn moeder een boekje kreeg over seksuele voorlichting.
Dat werd op zijn nachtkastje gelegd, met als stille hint dat hij dat boek moest lezen.
Erover gesproken werd er niet.
Geldt dat niet voor heel veel belangrijke zaken, dat die niet aangeleerd zijn?
Bijvoorbeeld hoe je een vriendschap sluit en vriendschap onderhoudt?
Tijdens de middelbare school was ik daar al niet goed in
en nadat ik van school ging om te studeren, heb ik vriendschappen verwaarloosd,
Waardoor ik vrienden uit het oog verloor,
omdat er niemand was die mij uitlegde hoe vriendschap werkt.

In Spreuken 3 lezen we over een vader, of over een leraar
die zijn kind of zijn leerling kennis bijbrengt.
Dat is niet alleen maar kennis over hoe je moet schrijven of rekenen, over spelling,
maar het is ook kennis over hoe je met elkaar omgaat,
wat er nodig is om relaties aan te gaan, om een vriend te zijn,
betrouwbaar en oprecht, betrokken en geïnteresseerd.
En dan ook wat je geloof, je band met Christus daarin betekent.
Want geloven is niet alleen iets van je verstand, niet alleen iets van weten,
ook niet alleen iets van voelen, van je hart,
maar geloven heeft ook met je karakter te maken.
Je band met Christus vormt je karakter: maakt je betrouwbaar, integer,
bereid om jezelf niet op de eerste plaats te stellen, maar de ander, de ander dienen.
Bereid om naar het verhaal van de ander te luisteren en uit te laten praten,
en dan niet gelijk met een mening komen of een oordeel.
Als ik Spreuken lees, is het ook belangrijk met wie je omgaat.
Er zijn mensen die je op de verkeerde weg kunnen brengen,
kunnen verleiden om je karakter op het spel te zetten, het werken daaraan te verwaarlozen.
Hebt u uw kinderen geleerd, hoe ze kunnen bepalen wie er betrouwbaar zijn?
Het onderwijs van deze vader (of deze leraar) gaat over de richtlijnen van de Heere,
maar dan niet over regeltjes en over beperkingen,
maar hoe de richtlijnen van de Heere je helpen om echt te leven, om gelukkig te worden,
om iemand te worden op wie je aan kan, met wie je wilt samenwerken en samenleven,
hoe je trouw blijft in je huwelijk, hoe je trouw blijft aan je vrienden,
betrouwbaar voor collega’s en zakenpartners.
Dat is een belangrijke les om te onthouden en in praktijk te brengen.
Mijn zoon, vergeet mijn lessen niet.
Jongen, vergeet niet wat ik je verteld heb.
Mijn indruk is dat hier iemand aan het woord is, die vanuit eigen ervaring vertelt,
die zelf weer van zijn vader bepaalde lessen geleerd heeft, maar ze vergeten is
en daardoor allerlei fouten maakte, mensen van zich vervreemdde, hen beschadigde,
die thuis te weinig tijd aan zijn eigen vrouw besteedde, te weinig tijd nam voor zijn kinderen.

Mijn jongen, zelf had ik die aanwijzingen in de wind geslagen.
Ik dacht ze niet nodig te hebben, zonder te kunnen. Maak mijn fout nou niet.
Zorg dat je ze in je hart hebt,
want het zijn niet zomaar richtlijnen, maar richtlijnen die met God te maken hebben,
die je helpen om God in je leven te hebben,
ik heb ze geleerd doordat ik vertrouwd raakte met de Bijbel, met Gods Woord.
Als je iets niet mag vergeten, is er maar één plaats voor.
Niet je verstand, niet je hoofd, maar je hart.
Je hart: dat is de plaats van je karakter, wie je bent, de plaats waar Christus woont.
je neemt beslissingen niet met je hoofd maar met je hart,  
volhouden en doorzetten, niet opgeven hebben met je hart te maken.
Zorg dat je daar mijn richtlijnen hebt, wat ik je geleerd heb over Gods regels.
Koester ze als een kostbaar bezit, want je hebt er echt wat aan:
Ze vermeerderen de dagen van je leven.
Kun je dat wel zeggen, dat je invloed hebt op je leven, op hoe lang je leeft?
Want alleen God kan ervoor zorgen dat je langer leeft.
Als je met God leeft, als je je laat leiden door Zijn richtlijnen,
als je je leven en je karakter door Hem laat vormen, daar wordt je leven rijker van.
Dan verdiept je leven zich en zegent God je.
Dat kan inderdaad met een langer leven,
maar dat kan ook met een verdieping: meer oog voor je vrouw en je kinderen,
voor de mensen om je heen,
van de contacten en de relaties met hen genieten, omdat ze door God gegeven zijn.
Om dat te leren, om dat in praktijk te brengen,
is het nodig dat er over verteld wordt, dat het voorgeleefd wordt.
Hebt u dat gedaan? Doet u dat? Vertellen en voorleven?
Alleen als uw kinderen er over horen en het zien, kan het in hun hart komen,
want als ze het horen, hoe komen ze het dan te weten en hoe komt het dan in hun hart?

Misschien zit je hier in de kerk en heb je geen gezin, of bent u wel getrouwd
maar heeft de Heere u geen kinderen gegeven
en je zit hier in een kinderdienst, het kostte al wat moeite om te komen
en dan gaat het ook nog eens over opvoeden van kinderen.
Binnen de christelijke gemeente zijn de kinderen niet alleen van de ouders,
maar van de gehele gemeente.
Als je zelf geen kinderen hebt, dan ben je een voorbeeld voor de kinderen in de gemeente,
want wie zegt dat alle kinderen later een gezin zullen hebben
en dan hebben ze hopelijk aan jou een voorbeeld hoe je als single
een plek hebt in de gemeente en tot zegen van velen kunt zijn.
Vergeet mijn lessen niet. Geef ze een plek in je hart. Ze gelden voor iedereen.
Als je 9 bent zijn, zijn ze misschien anders dan wanneer je 19 bent of 29 bent.
Wat heb je nodig als je 8 bent?
Verschillende van mijn kinderen krijgen extra ondersteuning bij Intraverte
of ondersteuning in sociale vaardigheden:
– hoe maak je contact, hoe groet je iemand, hoe maak je vrienden, wat doe je in een groep,
hoe ga je om met leerlingen uit je klas of je team met wie je niet zo goed overweg kunt
hoe doe je iets wat je niet goed kunt en maar wilt uitstellen of waar je tegen op ziet?
Ik heb dat zelf lang niet altijd meegekregen. Soms zelf moeten uitzoeken.
Sinds zij met die trainingen bezig zijn, ben ik me van bewust
Dat ik als vader mijn kinderen van alles moet bijbrengen en vertellen,
Vertellen hoe ik als kind was.
Afgelopen week kreeg een van onze kinderen een voorlopig advies voor vo
en dat advies was lager dan wijzelf als ouders hadden verwacht.
Dat had er onder andere mee te maken dat hij in bepaalde dingen te snel was
En toen vertelde ik hem dat ik zelf in groep 6 niet meer als eerste klaar mocht zijn.
Mijn vader en moeder moesten zelfs op school komen,
omdat ik met rekenen veel te snel klaar was, ik wilde de eerste zijn
en ik werd daardoor erg slordig en raffelde alles af.
Dat deed ik met veel dingen.
Dat ontdekte ik toen ik een andere orgelleraar kreeg.
Mijn eerste orgelleraar, die ik al heel lang had, was heel makkelijk
te makkelijk voor mij en liet mij niets overspelen.
Dat was weer omdat hijzelf een heel strenge leraar had en zo wilde hij niet zijn.
Het gevolg was dat ik bij heel veel orgelstukken dacht: dat kan ik wel.
Bij de nieuwe leraar ontdekte ik dat ik moest studeren
en ik merkte dat ik daar aardigheid in kreeg in het studeren: noot voor noot.
Ik kreeg ook van een docent van de opleiding de tip om eens te ‘verwijlen’.
De tijd te nemen, over dingen na te denken,
gewoon ergens bij stil staan en dat op je laten inwerken.
Om niet te snel te gaan.
Ik leerde dat ook van mijn schoonmoeder, die ik maar 2 jaar kende
en hoe ziek ze ook was, genoot, zover ze kon van elke dag,
omdat die dag van haar Heere kwam en ze wist dat Hij haar die dag zou dragen.
Ze geven je vele jaren van geluk – maar je moet dat wel willen zien, ervoor open staan!
Er de tijd voor nemen.
zorg dat ze zichtbaar zijn en altijd bij je.
Als ik mijn telefoon aandoe, dan heb ik een foto van mijn gezin op het vergrendelingsscherm
en een foto van mijn vrouw op het startscherm.
Zo draag ik ze bij me, ook al denk ik ook wel zonder die foto aan hen.
Maar het geeft plezier om als ik mijn telefoon pak hen te zien.
Zo moet het ook met de regels van de Heere zijn, die deze vader geeft.
Je draagt ze bij je. Zichtbaar en in je hart.
Schrijf ze erin. Schrijven kost moeite.
Dat heb je geleerd in groep 3: schrijfletters met mooie lussen.
Steeds weer die letters. Ik was er nooit zo goed in
en soms kan ik in mijn haast nu veel te snel schrijven, zodat ik letters oversla.
Nee, neem de tijd voor Gods geboden, draag en koester het onderwijs dat je gegeven wordt
bij je, zodat je het nooit vergeet, schrijf ze in je hart, dat is: in je gedachten, in je karakter,
schrijf ze door je liefde heen, in je band met God.

Ik begon met een trouwdienst of met stellen die willen trouwen.
Tijdens een trouwdienst maak je ook veel van de ouders mee van bruid en bruidegom.
Ze zitten naast hun kind en hun kind maakt een belangrijke stap.
Zal het goed gaan? Ze zou ze wel willen helpen, maar ze moeten het ook zelf doen.
Je wilt ze bewaren voor fouten, maar zelf heb je ook zo van die fouten geleerd.
Gelukkig dat er een God is.
Mogen liefde en trouw je nooit verlaten.
Het is een opdracht en een gebed, een wens, een zegen.
Alleen God kan ervoor zorgen. God, doe dat alsjeblieft.
Er zijn vanmorgen ook kinderen die van de zondagsschool afgaan.
Een hele stap! Kinderen die deze week afscheid nemen van groep 8.
Er is vast heel wat tegen jullie gezegd, wat je moet onthouden.
Mogen liefde en trouw je nooit verlaten.
Het gaat hier om Gods liefde en Gods trouw
Mogen Gods liefde en trouw je nooit verlaten
en mag Gods liefde en Gods trouw zo in je werken, dat je dat naar anderen uitstraalt.
Dat je zelf iets van Gods liefde en trouw laat zien, in je hart, in je karakter in wat je doet.
Amen

Preek zondagmorgen 25 september 2016

Preek zondagmorgen 25 september 2016
Deuteronomium 12:1-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Deuteronomium is maar een taai Bijbelboek’,
zei een ouderling in de consistorie toen ik daar als gastvoorganger een dienst leidde.
‘In het begin is het nog wel te doen
met die terugblik op de woestijnreis,
maar op een gegeven moment krijg je al die wetten en regels.’

Vandaag zijn we bij een aantal van die wetten en die regels aangekomen
en misschien verwoordde die ouderling in de consistorie
ook wel uw mening over het Bijbelboek Deuteronomium: ‘taai’.
Als je Deuteronomium al leest, dan kun je gemakkelijk afhaken,
omdat het niet duidelijk is, wat je er mee moet.
Wat hebben die regels en die wetten uit dit Bijbelboek nu te maken
met mijn alledaagse leven?
Dat is  – denk ik – ook wat die ouderling bedoelde:
Ik kan weinig met die wetten en die regels,
omdat ze ver af staan van het leven dat ik heb.

Daarbij kunt u als lezer van deze 21e eeuw bij het 12e hoofdstuk
helemaal de wenkbrauwen fronsen:
is het vernietigen van de heiligdommen en de afgodsbeelden
niet iets van de Taliban en IS?
De taliban vernietigden ooit twee enorme, eeuwenoude beelden van Boeddha
omdat deze beelden ongepast waren volgens de islam.
En van IS is bekend dat ze oude kerken en oude Romeinse tempels verwoesten
in de gebieden die zij veroverd hebben.
Dat kan een tweede reden zijn – naast het taaie van Deuteronomium,
waardoor je dit Bijbelboek zou willen overslaan
en snel doorbladeren naar een volgend Bijbelboek
terwijl je ondertussen denkt: Er staan toch maar rare stukken in de Bijbel.

Ik hoop vanmorgen in de preek iets van dat taaie weg te kunnen nemen
én dat u ook begrijpt dat dit hoofdstuk minder met de IS en de taliban te maken hebben,
maar daarvoor maak ik even een omweg van wat ik dit weekend las.
Ik hoop u mee te kunnen nemen.

Taai – dat is het woord gebruikt werd door de ouderling – ver weg van het leven dat ik heb.
Maar wat is dat leven, dat u hebt? Hoe ziet jou leven eruit?
In het Nederlands Dagblad stonden dit weekend twee artikelen van collega’s van mij:
ds. Paul Visser (Amsterdam) en ds. Kees van Ekris (Zeist)
– beiden betrokken bij de IZB en daar zijn hun verhalen ook na te lezen.
Deze twee predikanten gaven aan, dat er in de kerk veel vermoeidheid én verveling is
en door die verveling en vermoeidheid verkruimelt het geloof van de kerkgangers.
De kerkgangers – ze doen nog wel mee met alles: met de kerkdienst,
met bijbelkring, leiden clubs,
maar onderhuids is er twijfel of het allemaal wel waar is,
of een bepaalde verveling: het raakt niet meer,
de preek niet, de liederen niet, de gesprekken niet
en je kunt het dan wel zoeken in een soort geloofskick, een oppepper,
maar die overschreeuwt alleen maar de verveling en vermoeidheid.
En als de kick is uitgewerkt, slaat de verveling en vermoeidheid des te harder toe.
Is dat wat u herkend?
Ik overval u er misschien mee, omdat u deze berichten niet gelezen hebt.
Is er in jouw vriendenkring deze verveling, of bij jezelf.
Merk je dat de woorden van God jou niet meer raken,
of bij je vrienden niet meer binnenkomen?
Of zeg je: ‘Hoe komen deze twee predikanten erbij.
Ze leven in een heel andere wereld dan ik.
Ik kom juist bevlogenheid en verlangen tegen.’?

Ik zou zelf zeggen dat er iets anders aan de hand is
en het zou wel eens over hetzelfde kunnen gaan als wat Visser van Van Ekris signaleren.
Dat het geloof los staat het dagelijks leven,
een eigen wereldje dat weinig verbinding heeft met de andere delen van ons bestaan.
Het geloof is er wel en op zondag en door de week probeer je het te voeden,
maar het is een eilandje in je leven,
af en toe heb je er aandacht voor – als je tijd hebt,
maar meestal gaat de tijd op aan iets anders,
omdat je ook veel te doen hebt.
Afgelopen week was ik op een Bijbelkring waar dit aan de orde kwam.
Het begon met het huishouden: het huis schoonmaken, de was wegwerken,
je werk, de kinderen die je aandacht wilt geven.
Is er dan nog wel tijd voor jezelf om op de bank je gaan zitten,
gewoon te zitten en wat na te denken over jezelf, of te lezen in een boek?
En als er zoveel is dat je aandacht opeist, zoveel dat gedaan moet worden,
waar haal je dan de tijd en de rust vandaan
om contact met de Heere te zoeken: tijd voor bidden, voor lezen in de Bijbel.
Als die tijd er is, dan ben je van binnen vol onrust
– onrustig in het hoofd, in je hart.
En daardoor kom je er niet toe om het contact met de Heere te zoeken, te verdiepen.
Ik denk dat het wel eens een van de grootste problemen binnen de kerk kan zijn:
dat gebed en het lezen uit de Bijbel niet meer gedaan wordt,
of wel gedaan wordt, maar dan zonder dat het echt iets oplevert voor je geloof.
Je zou misschien wel willen, maar het lukt je niet.

Juist dan kan dit taaie hoofdstuk 12 uit Deuteronomium zinvol zijn.
Dat Bijbelboek dat zoveel regels en wetten heeft,
die niets met ons leven te maken zouden hebben, wil ons laten weten:
alle aspecten van het leven behoren aan God toe.
Als je merkt dat het geloof een eilandje is,
dat helemaal los staat van de rest van je leven, hoort er bij jezelf een alarm af te gaan:
er gaat iets niet goed met mij,
want elk onderdeel van mijn leven hoort aan de Heere toegewijd te zijn.
In de wetten en regels die in Deuteronomium wordt daar een uitwerking aan gegeven:
hoe het leven in zijn geheel aan de Heere worden gewijd
en hoe je kunt voorkomen dat je geloof iets wat los staat van de rest van het leven.
Het gaat hier om geloof dat in praktijk gebracht wordt, geloof dat geleefd wordt.

In hoofdstuk 12 start een uitwerking van die geboden.
Eerder heeft Mozes al wat gezegd over wetten en regels, richtlijnen en geboden,
die het volk moet naleven.
Nu gaat hij dat concretiseren:
Dit zijn de verordeningen en de bepalingen
en wat ik jullie, volk, nu ga uitleggen, moet je heel nauwgezet in praktijk brengen.
Dus niet halfslachtig, of een beetje, niet als je een kwartiertje over hebt
maar met volledige aandacht en totale inzicht.

Mozes begint zijn uitwerking van de geboden door te zijn op het land
waar ze in terecht zullen komen: dat land wordt aan jullie gegeven.
Dat geeft de Heere aan jullie, omdat je Hij dat aan je voorouders heeft beloofd.
Wat je straks hebt: het huis, het stuk grond om je huis, waar je de groenten verbouwt,
de akkers waar je koren voor het brood en mais op groeit,
de weiden waar je vee op zal grazen
– dat is allemaal een geschenk van de Heere.
In dat land dat de Heere geeft, komen een aantal dingen samen,
die laten zien hoe de Heere God is van Israël:
allereerst een thuis, een plek om te wonen, waar je je kunt wortelen,
je hoeft niet meer te zwerven door de woestijn, vol bedreiging en steeds weer opbreken,
maar een thuis.
Het zal ook een thuis in vrijheid zijn:
niemand zal je opjagen, zoals dat gebeurde toen je nog slaaf in Egypte was.
En je zult het goed hebben in dat nieuwe land, dat Ik je geef:
Een leven in overvloed.
Dat land laat zien, dat Ik jullie zal zegenen: Ik heb het goede met jullie voor.
In dat land mogen jullie leven onder Mijn bescherming
en je mag er thuis zijn – en niet zomaar thuis,
maar bij Mij thuis, omdat Ik er ook woon – voor Mijn Naam zal er een huis zijn.
Je ontvangt dat allemaal als een geschenk van Mij,
omdat Ik jullie God wil zijn en Ik jullie als Mijn volk wil.
Dat land laat zien, dat Ik jullie liefheb, dat Ik jullie heb uitgekozen en voor jullie zorg.
Dat land is echte grond: tastbaar, concreet – je kunt er overheen lopen,
je kunt het voelen, zien, je vee kan er op grazen, je koren groeit erop.
Bij elk stukje van je land dat je ziet, elke keer als je met je hand de grond voelt,
je grond omploegt, of als je erover gaat om te zaaien en te maaien,
moet je bedenken: dit geeft God mij
en de Heere geeft mij dat niet zomaar, maar omdat Hij het goede met mij voor heeft.
Alles wat ik heb, wat ik bezit, spreekt van Gods goedheid, Gods trouw.
Ik heb dat niet zelf voor elkaar gebokst, maar gekregen omdat God voor mij zorgt.

Dat geschenk wordt niet meer van je afgenomen.
En de Heere wil dat je ervan geniet, van die overvloed die Hij je geeft.
Alleen wil Hij wel, dat je er met Hem van geniet – vers 12:
Blij worden met wat God geeft en die blijdschap met Hem delen:
je gaat naar God toe, je neemt de moeite om naar Hem toe te gaan,
je komt voor Hem te staan en zegt Hem – recht in het gezicht:
Heere, dank U voor alle overvloed die ik heb gekregen.
Vers 15: je hoeft niet karig te leven. Als God je zegent, mag je daarvan genieten.
Als je maar ziet, dat het van God komt
en dat goede dat je hebt, de overvloed, de rust, de vrede – uit Gods hand komt.

Die dankbaarheid kan zo weg zijn.
Dat je het goed hebt, dat kun je heel gewoon vinden,
zodat je vergeet stil te staan bij de Gever van al dat goeds: de Heere.
Daar gaat hoofdstuk 12 over: Hoe voorkom je dat je de Heere vergeet
als Gever van het goede, hoe voorkom je dat je vergeet te danken?
Hoe blijf je je ervan bewust dat wat je hebt van God komt ?
Allereerst door opruiming te houden, zegt Mozes tegen het volk. Weg met die heiligdommen
die er staan op dat land dat je van God hebt gekregen.
Dat is geen oproep tot Talibanachtige of IS-achtige praktijken,
maar een oproep om alle concurrenten van God bij je weg te doen.
Die bergen – daarbij moet u denken aan Psalm 121:
Ik kijk omhoog naar de bergen, waar komt mijn hulp vandaan?
Wie is het die mij ‘s morgens vroeg doet opstaan?
Waardoor ik de moed en de fut heb om aan de dag te beginnen?
Wie geeft mij de energie voor de dag en volhoudingsvermogen?
Wie zorgt ervoor dat ik werk heb, dat er klanten zijn voor mijn winkel of bedrijf?
Mijn hulp komt van de Heere.
Al het andere, dat suggereert jou te helpen, moet je wegdoen.
Die afgoden – ze zijn slechts een suggestie: ze beloven je iets moois,
maar kunnen je niet horen, niet zien, niet helpen – een illusie.
Misschien zeg je: ik kan de dag goed beginnen, omdat ik op tijd naar bed ga
en daarom heb ik energie genoeg, ik heb discipline in mijn leven.
Ik houd vol, omdat ik sport, twee, drie keer in de week: energie opdoen, hoofd leegmaken.
Maar dan graaf je niet diep genoeg, als je niet ziet dat het van God komt
en als je dat niet ziet, is het maar een lege bedoening
– of om met woorden van het Oude Testament te spreken: een afgod.
Een afgod kan iets goeds zijn, maar het wordt iets verkeerds
als je daardoor niet meer aan de Heere denkt.
Als je bijvoorbeeld denkt dat je je gezondheid te danken hebt aan een bepaalde kuur
of vitaminepreparaten en je vergeet dat God het je geeft.
En die heuvels, die bladerrijke bomen – dat zijn de gaven die God geeft, de overvloed.
Als je denkt dat dat je gelukkig maakt, zonder dat je er bij stil staat dat je ze ontvangt
uit Gods goede hand, waarmee Hij wil laten zien dat Hij voor je zorgen wil.
Dan knip je het geschenk los van de Gever.
Opruimen wat het zicht op God beneemt, waardoor je God niet meer ziet.
Je kunt het goed hebben, geen belemmering om iets te kopen,
je kunt gezond zijn, je kunt veel energie hebben om veel activiteiten te doen,
maar als er geen tijd en aandacht voor God is – wat koop je er dan voor?

Als je niet ziet hoe dichtbij God is – Zijn naam woont op aarde,
Hij is bereikbaar, je kunt naar Hem toekomen.
Dat is de kern van deze geboden en richtlijnen – vers 5!
Vers 5 geeft aan: je kunt voor God komen, je mag voor Hem verschijnen,
De grote en heilige God.
Het accent ligt op het komen voor God – God onder ogen komen.
Kun jij God onder ogen komen?
Als het einde van een mensenleven nadert, kunnen mensen daar heel diep over na denken:
Kan ik, mag ik voor God verschijnen?
En ook als ze midden in het leven staan kan er een schroom zijn:
Ik – wie ben ik dat ik zomaar voor God kan komen – met mijn vragen en gebeden?
Ja, dat kan, zegt de Heere. Kom maar.
Dat naar God gaan, dat voor God komen
– dat moet de kern van je leven zijn, daar moet alles om draaien.
Dat bij al de verschillende werelden waarin je in een week, of soms op een dag, komt,
Dat je één kern hebt: God, die dichtbij is, bekend bij Zijn Naam,
die een plek op aarde heeft.
Dat je daar naar toe gaat met wat je van Hem ontvangt.
Er worden offers genoemd: vlees van koeien en schapen om te offeren:
om te verbranden of te slachten en het dan weg te geven aan Levieten.
Offers zijn in het Oude Testament bedoeld om God te laten delen
in de overvloed die je van Hem krijgt.
Dit krijg ik van U, U geeft het aan mij en ik geef U er een deel van terug.
Ik houd niet alles voor mijzelf, maar ik sta een deel af
om mij weer te herinneren dat het van U komt.
Zoals wij dankdag hebben (een gift voor de kerk, boodschappen voor Dorcas).

Mozes zegt: dat moet je op één plek brengen en daar vier je feest – voor Gods aangezicht!
Ik heb me afgevraagd hoe we die ene plek nu moeten zien.
Waarschijnlijk gaat het om de tabernakel en later de tempel
en dan Jeruzalem als dé plek waar de Heere op aarde Zijn troon heeft.
Waar Mijn naam gevestigd is, waar Mijn woning is (vers 5).
Die ene plek naar mijn idee aan: er is een centrum in het land, een kern in het volk,
dat voor eenheid zorgt: en dat is God zelf en het dienen van God.
Diversiteit mag, je mag allemaal anders zijn,
geen stam, geen familie is dezelfde – je hoeft voor God geen eenheidsworst te zijn,
maar wel dat gemeenschappelijke in God
en dat je – hoe verschillend je allemaal ook bent – een plek samen hebt,
waar je met z’n allen naar toe gaat.
In de christelijke kerk heeft de kerkdienst die betekenis een beetje gekregen.
Het is niet helemaal het zelfde, maar wel bedoeld als de kern:
de kerkdienst als kern van jouw eigen leven,
omdat je de week op zondag begint met God
en dat je dat de hele week verder meeneemt.
Dat je samen komt, met elkaar.
Allemaal verschillende mensen, die in ieder geval één iets gezamenlijks hebben:
een God in de hemel, die ons de goede gaven geeft, vanuit de hemel
die een Naam op aarde heeft, vanuit het Nieuwe Testament gezegd:
Die op aarde kwam als mens: Jezus Christus.
Allemaal verschillend en toch samen één:
Niemand is meer dan de ander: mannen worden niet uitgesloten, maar vrouwen ook niet.
De kinderen horen er volop bij, evenals het dienstpersoneel dat ook mens is als wij.

Ook de Leviet – de Leviet is degene die geen bezit heeft,
die eraan herinnerd: jullie waren vroeger woestijnvolk zonder vaste plek,}
zwervend over dat stukje aarde, nu niet meer, maar die oorsprong mag je nooit vergeten.
De Leviet – die het je laat weten:
Dat stukje aarde dat je hebt om op te wonen, dat je van de Heere krijgt,
je hebt daar geen eeuwige stad. Je blijft er niet voor altijd.
Je echte thuis is bij God.
Hoe goed je het hier ook hebt, het goede leven, het echte thuis – dat komt nog.
Mozes zegt dat in vers 9: nu ben je er nog niet,
dat land dat ga je wel betreden.
Hij heeft dat tegen Israël in de woestijn, dat bijna de Jordaan oversteekt:
Een plek op aarde.
Zonder te doen dat die belofte van Israël afgelopen is en niet meer geldt
(volgende week is het Israëlzondag!)
zeggen we: hoe goed we het hier hebben,
hoeveel we ontvangen en hoezeer we met wat we krijgen naar God terug kunnen,
De echte rust, het echte thuis komt nog,
als we de Jordaan mogen oversteken en onze Heere Jezus Christus daar staat:
Welkom in het Vaderhuis met de vele woningen, dat zal je Thuis zijn voor eeuwig.

Zo gaan we door het leven: op reis naar die Stad.
Maar we hoeven ons niet van dit leven af te sluiten.
We mogen leven in overvloed en daarvan genieten, (Gezang 479!)
zolang we dat maar doen in het besef, dat het van God komt
en het besef dat dit leven hier op aarde niet het enige is, maar dat de echte rust nog moet komen.
Al die regels en wetten zijn bedoeld om dat besef levend te houden,}
om ons te bepalen bij God die geeft: niet karig maar overvloedig,
hier op aarde ons al doet delen in Zijn gemeenschap,
maar eens de poorten openzet van het Vaderhuis voor de eeuwige zegen. Amen

Alledaagse diakonie

Alledaagse diakonie

 Hoe kan de christelijke gemeente opgebouwd worden tot een diakonale gemeente? Om hier een antwoord op te kunnen geven, moeten we volgens Christian Möller, emeritus-hoogleraar Praktische theologie terug naar de bronnen.

Wanneer we naar de bijbelse bron gaan, worden we bepaald bij de (avondmaals)tafel. Diakonein betekent: ‘bij de tafel opwachten’. In de bijbel heeft diakonaat steeds te maken met de (avondmaals)tafel: de plaats van gemeenschap van Christus met de gemeente en van de gemeente onderling. Niet alleen de kwestie van armoede in de gemeente (Hand. 6:1) en de voetwassing (Johannes 13), maar ook de kwestie van rangorde in de gemeente heeft te maken de avondmaalstafel: wie mag er in het koninkrijk van God tijdens het feestmaal naast Christus aan de tafel zitten (Mk. 10:35-40). De maaltijd (eucharistie, avondmaal) was de kern van het leven en de opbouw van de gemeente.
De gemeenschappelijke viering vloeide over in het gemeenschappelijk delen van de goederen. In 150 na Christus beschrijft Justinus hoe gemeenteleden ten tijde van de viering van het heilig avondmaal goederen, die over waren, bij de leiding van de gemeente werden gebracht. De leiding van de kerk zorgde ervoor dat deze goederen onder armen, de weduwen, de gevangenen en de vreemdelingen werden verdeeld.
Het geven van goederen was een goed werk. Dat wil zeggen: degenen die deze goederen gaven, voelden zich niet verplicht of gedwongen dit te doen, maar brachten het vrijwillig. Ze waren dankbaar voor de overvloed van de genade. Deze vrolijke uitwisseling van goederen vindt haar oorsprong in wat de gelovigen zelf weer van Christus hebben ontvangen: Tenslotte kent u de liefde die onze Heer Jezus Christus heeft gegeven: hij was rijk, maar is omwille van u arm geworden opdat u door zijn armoede rijk zou worden (2 Korinthe 8:9).

Niet aan onszelf denken
Het avondmaal is door deze wisseling gestempeld. Deze wisseling vormt ook de gemeente tot lichaam van Christus. Iedereen in dit lichaam heeft iets te ontvangen en te geven: de sterken en de zwakken, degenen die treuren en degenen die lachen, degenen die beperkt zijn en degenen die niet met beperkingen te maken hebben. De vorming van dit lichaam is het werk van de Heilige Geest (1 Korinthe 12:11), de Geest van Christus die zijn lichaam en bloed gegeven heeft voor de gemeente. Wie in dit lichaam wordt ingelijfd, behoort niet meer aan zichzelf toe, maar wordt door de Geest van Christus in beslag genomen. Daardoor denkt hij niet meer aan zichzelf (zelfvergetelheid), maar vanzelfsprekend aan zijn naaste en kan met zijn naaste delen in het geven en ontvangen.
Een voorbeeld van het niet meer aan zichzelf denken is een moeder die zich tot het uiterste wegcijfert voor haar kind. Zij zal heftig protesteren als iemand zegt dat zij een offer brengt. Het is voor haar vanzelfsprekend dat zij zichzelf wegcijfert. Zij komt pas in de knoei met zichzelf als anderen haar opoffering problematiseert. Voor Möller is dit een voorbeeld hoe de Geest van Christus’ liefde, die voortkomt uit Zijn offerdood, ervoor zorgt dat wij vanzelfsprekend niet meer aan onszelf denken. Doordat de Geest deze liefde in de gemeente brengt, is er diakonaat vanuit de verborgen overvloed van deze liefde. Waar de gemeente door de Geest van Christus gebouwd wordt, is deze overvloed aanwezig in de gemeente.

On-geest
Deze sfeer binnen de gemeente, die door de Geest wordt binnengebracht, kan ook geperverteerd raken. Bijvoorbeeld als de kwestie van taal of nationaliteit in de diakonie sluipt, waardoor de eenheid van de tafelgemeenschap verbroken dreigt te worden. Vandaag de dag kunnen er vele on-geesten zijn, die de tafelgemeenschap kunnen bedreigen. Bijvoorbeeld in het helperssyndroom of messascomplex: op een geraffineerde wijze wordt macht verkregen over hulpelozen. Of een houding waarmee men alleen voor mensen met een beperking wil zorgen – zonder in te zien dat ook deze mensen zelf veel te geven hebben.
Wat moet een gemeente doen als zo’n on-geest in de diakonie binnensluipt en veel schade berokkent? Een appèl doen op de gemeente werkt averechts. Een appèl kan het vuur slechts voor korte tijd doen opvlammen. Maar een appèl zorgt er niet voor dat de liefde, die nodig is om diakonaal te zijn zonder aan onszelf te denken, in ons komt.
De moedergemeente in Jeruzalem gaat, als de onderlinge hulp in gevaar komt, het diakonaat organiseren. Zodat de apostelen zich weer kunnen richten op Woord en gebed. Na de organisatie van de diakonie en het herstel van gebed en Woordverkondiging, breidt het Woord van God zich uit (Handelingen 6:7). Dat Woord van God is een niet alleen woord, maar ook daad. De apostelen moesten in gebed blijven, omdat er door het mopperen van de gemeenteleden een on-geest binnen de gemeente op kwam. Die on-geest kon niet bestreden worden door de organisatie van de diakonie, maar door het vasthouden aan gebed en het Woord. De georganiseerde diakonie zorgt ervoor dat de Woordverkondiging niet bij woorden blijft. De Woordverkondiging bewaart de diakonie ervoor dat zij alleen maar daad is.

Linkerhand
Maar als je aalmoezen geeft, laat dan je linkerhand niet weten wat je rechterhand doet (Mattheüs 6:3). Maar hoeveel gebeurt het niet dat onze linkerhand wèl  weet wat onze rechterhand doet en dat we onszelf heel wat vinden, omdat we dat doen. Hoe kunnen we deze opdracht uit de Bergrede volbrengen? Het wordt spannend als we bedenken, dat we dit vanuit onszelf niet kunnen. Dan gaat Degene die ons de Bergrede gaf in ons werken met de diakonie van Zijn woord. Diakonaat van het woord kan niet slagen zonder diakonaat van de daad. Het gaat erom dat Christus in ons werkzaam is en met Zijn woord ons doordringt en het goede in ons tot stand brengt. Zijn komst en werkzaamheid in ons overweldigt ons op zo’n manier dat onze linkerhand niet weet wat onze rechterhand doet. Om ervoor te zorgen dat Christus met Zijn Geest in ons werkzaam blijft, is het niet genoeg dat in de moedergemeente te Jeruzalem het diakonaat georganiseerd wordt, maar is het nodig dat de apostelen in gebed blijven. God zelf werkt in het verborgen de goede daden in ons.

Praktische mogelijkheden
Om de gemeente diakonale bewustzijn bij te brengen, is het goed om te starten bij de (avondmaals)tafel. Aan de avondmaalstafel is de opgestane Heer present met zijn lichaam en bloed in de gestalte van brood en wijn. Als Diaken van alle diakenen roept hij alle vermoeiden en belasten tot zich. Wat is de belemmering om het startpunt te nemen in dit diakonaat van Christus aan ons? Bij diakonaat denken wij vaak vooral aan wat gedaan moet worden, aan naastenliefde als activiteit aan / voor de ander. Diakonie begint ermee dat onze Heer aan ons schenkt. Zijn liefde vermenigvuldigt zichzelf steeds meer. Het uitdelen aan ons werkt in ons door. In de collecte bijvoorbeeld, die in de dienst wordt ingezameld en op de avondmaalstafel wordt gelegd. In de voorbeden waarin de nood van de wereld bij God gebracht wordt.
Dit diakonaat aan de avondmaalstafel kan overvloeien in ons dagelijks leven. Waarom zou dit delen stoppen bij de kerkdeur? Het delen kan voortgezet worden in een gezamenlijke maaltijd, in gesprekken over de heg, in het bezoeken van zieken en rouwdragenden.

Vrijheid om goed te doen
Christus zat bij zondaars en tollenaars aan tafel. Om uit te leggen, waarom hij dat deed vertelde hij een gelijkenis: In een tijd van grote werkloosheid haalde een eigenaar van een wijnboerderij steeds weer werklozen op om aan de slag te gaan in zijn wijngaard. Aan het einde van de dag, ging hij nog eens op pad om werklozen te halen, die zich de hele dag zorgen hadden gemaakt of zij hun vrouw en kinderen de volgende dag wel te eten konden geven. De clou van deze gelijkenis was niet, dat de eigenaar hen gelijk behandelde, maar de werklozen schonk vanuit zijn goedheid. Degenen die een volle dag hadden gewerkt, kregen een volwaardig dagloon. Degenen die zich de hele dag zorgen hadden gemaakt over het onderhoud van hun gezin kregen evenveel. Dat eigenaar deed dat op eigen kosten. Hij schonk uit de overvloed van zijn goedheid. Juist die uitdelende goedheid roept ergernis op (Mattheüs 20:15).
Diakonie is een vrijheid om goed te doen. Deze vrijheid om goed te doen gaat niet ten koste van gerechtigheid. Deze vrijheid om goed te doen heeft vaak van doen met individuen die toch door de mazen van het sociale vangnet vallen.
Vanuit de vrijheid om goed te doen is er ook geen verschil tussen professional en leek. Beiden zijn in staat om in vrijheid goed te doen. De reformatorische traditie werkt niet met het onderscheid tussen expert en leek, maar werkt vanuit het priesterschap van alle gelovigen. Deze (alledaagse) priesters vertrouwen op hun vrijheid om het goede te doen – juist ook op de momenten waar rechtvaardige wetten geen grip op hebben. Dat vraagt soms bereidheid om risico’s te nemen. Deze vrijheid is verrassend, onconventioneel en bij tijd en wijle ergerniswekkend.
De kerk is een ruimte waar de vrijheid om op deze manier goed te doen niet ten koste gaat van de gerechtigheid. De kerk opent de ruimte(n) van gerechtigheid voor de Heer die komt.

N.a.v. Christian Möller, ‘Alltägliche Diakonie’, in: Christian Möller, Leidenschaft für den Alltag. Impulse reformatorischer Spiritualität (Stuttgart: Calwer Verlag, 2006) 212-232.

Ware rijkdom

Meditatie

Ware rijkdom                  
Want geldzucht is een wortel van alle kwaad (1 Timotheüs 6:10)

Maakt geld gelukkig? De vrouw die mij belde namens een loterij vond van wel. Toen ik aangaf dat ik geen lot wilde kopen, reageerde zij met verbazing: ‘U wilt uzelf toch niet tekort doen?’ Ze suggereerde, dat ik een grote kans om gelukkig te worden aan mij voorbij liet gaan.
We kunnen daar heel lacherig over doen. Alleen vergeten we dat vandaag de dag het vinden van geluk erg belangrijk is. Geluk en gezondheid scoren heel hoog. Wie het geluk vindt, heeft het leven gevonden. Wie gelukkig is, merkt dat hij leeft. Als ik gelukkig ben, merk ik dat mijn leven de moeite waard is om geleefd te worden. Geluk geeft aan mijn leven een glans, een waarde. Kan geld die glans en die waarde aan ons leven geven?
Het omgekeerde kan in ieder geval wel: geldgebrek kan ongelukkig maken. Je kunt gebukt gaan onder een schuld. Wie in armoede is opgegroeid kan zich de rest van zijn of haar leven de mindere voelen van anderen. Iemand die zich van gewone arbeider op weet te werken tot directeur maakt indruk op ons. Dan ben je wat. Je hebt wat van je leven weten te maken.

Toch kan geld ook iets gevaarlijks zijn. Op het eerste gezicht lijkt het je gelukkig te maken, maar als geld de drijfveer wordt, kun je je eigen idealen verloochenen. Het kan het slechtste in ons boven halen. We kunnen ons geloof erdoor verloochenen.
Wat bedoelt Paulus daarmee? Paulus spreekt over geldzucht. Hij spreekt over liefde tot geld. Deze liefde voor het geld kan al het andere, waar we normaal gesproken van houden, verdringen: onze familie, onze vrienden, onze God. Het kan ons karakter veranderen. Het kan ons verteren, zoals de ring in The Lord of the Rings een sterke, maar ook vernietigende aantrekkingskracht heeft. Geldzucht kan ons in de greep houden en ons totaal verpesten.

Hoe moet je je ertegen wapenen? Het tegenovergestelde van geldzucht is niet dat we ons verheffen boven het geld of dat we trachten zonder geld te leven. Dat kan praktisch ook niet. Het tegenovergestelde van degene die zich door geld laat leiden is degene die rein is van hart. Rein van hart wil zeggen: dat ons hart van Christus is, door Hem wordt gereinigd en bewoond. De belangrijkste vraag is niet: ‘Leef ik?’ Ook niet: ‘Zien anderen mij staan?’ Of: ‘Word ik wel gewaardeerd?’ De belangrijkste vraag is: wat heb ik met Christus?
Die andere vragen zijn ook belangrijk en worden niet van tafel geveegd. De vraag of ik leef, of anderen mij zien staan, of anderen mij waarderen zijn wezenlijke vragen. De vraag wat ik met Christus heb, is nog wezenlijker.
Eén van mijn collega’s vertelde dat een catechisant uitdagend op hem was afgekomen: ‘Dominee, ik ben op vakantie geweest en ik heb alles gedaan, wat God verboden heeft.’ ‘Wat heb je dan gedaan?’ vroeg de dominee. ‘Nou, dat weet u toch wel?’ ‘Vertel eens…’ ‘Nou, drank….’ De jongen zweeg om indruk te maken. ‘En wat nog meer?’ ‘En vrouwen….’ ‘Je bent op zoek geweest naar leven. Heb je dat gevonden?’
Op zoek naar leven, het echte leven. Voelen en ervaren dat je leeft. Ik denk dat dit verlangen voor veel mensen vandaag de dag belangrijk is. De spannende vraag voor ons als gelovigen is: hebben wij deze mensen nog iets te vertellen? Kan een leven met Christus ook een vervulling van dat verlangen zijn?
Een leven met Christus is meer dan geluk. Hoe belangrijk geluk ook is, een leven met Christus kan ook betekenen dat we ons eigen geluk durven op te offeren om een ander gelukkig te maken. Geluk in het leven vinden, kan soms ook betekenen: niet mijn eigen geluk nastreven, maar het geluk van de ander. 
Wat we hier op aarde hebben, is niet van ons. We hebben dat alleen in bruikleen. Ook geld is slechts in bruikleen gegeven door God. Leven met Christus betekent dat ons leven niet om onszelf draait, maar om wat Hij van ons vraagt: een leven in gerechtigheid, godsvrucht, geloof, liefde, volharding en zachtmoedigheid. Dat is de ware rijkdom, die God ons wil schenken.
Verlangen naar geld is gevaarlijk, want het bedreigt het geschenk van God. Geldzucht is ook gevaarlijk, omdat we met geld een nieuwe macht over ons leven krijgen. Terwijl een leven met Christus betekende dat we van alle machten, die ons leven bedreigen, bevrijd waren. Geldzucht kan dus de ware rijkdom, die God ons gegeven heeft, bedreigen.

ds. M.J. Schuurman

Samenvatting van de preek, die in tijdens een jeugddienst in de Vredeskerk te Wezep gehouden heb over het thema Maakt geld gelukkig?

Vragen voor een gesprek over “het ambt van alle gelovigen”

Vraag 1
Geloven in Jezus Christus heeft effect op wat je doet.
a) Welke dingen doe ik als gelovige, die ik niet zou doen als ik niet zou geloven?
b) Voor wie doe je het?
c) Wordt je geloof er ook door opgebouwd? Waarom wel/niet?

Vraag 2

Stel: je spreekt iemand die iets voor de kerk doet, maar hij / zij ziet geen resultaat. Wat zeg je tegen diegene?

Vraag 3
Toen Piet Hein Donner gevraagd werd, waarom hij minister geworden was, zei hij: “Als de kerk of de staat je vraagt, moet je goede redenen hebben om ‘nee’ te zeggen.”
(a) Ben je het met hem eens?
(b) Is tijdgebrek een goede reden?
(c) En de gedachte: hier ben ik niet geschikt voor?

Vraag 4

Is iedere gelovige verplicht om wat voor de kerk te doen? Wat vind je van iemand die naar alleen de zondagse eredienst komt en verder geen enkele activiteit doet in de kerk?

Vraag 5
Wat is de roeping van onze gemeente? Op welke manier kan de kerkenraad de gemeente helpen bij de vervulling van deze roeping?

Vraag 6
“Veel christenen kennen wel iemand voor wie ze diep respect moeten hebben en op wie ze graag willen lijken.” Herken je dit? Welke gaven zou je willen hebben? Waarom? Is dit eigenlijk wel een goede manier van denken?

Vraag 7
De Reformatie (16e eeuw) ontdekte het algemeen priesterschap van alle gelovigen. De betekenis hiervan is: elke gelovige heeft een roeping om God te dienen. Volgens de Reformatie heeft dit algemeen priesterschap niet alleen betekenis voor het werk in de kerk, maar ook voor ons dagelijkse (betaalde) arbeid. Wat kan Romeinen 12:1-8 of 1 Petrus 2:1-10 betekenen voor ons dagelijks werk?

Vraag 8
Vandaag de dag wordt er veel nagedacht over de betekenis van de kerk voor onze samenleving. Op welke manier kan de kerk een voorbeeldfunctie hebben? Probeer aan de hand van Romeinen 12 (of 13) hier een antwoord op te vinden?

Spiritualiteit werkt – boekbespreking

Eelco van den Dool en Cors Visser (redactie), Spiritualiteit werkt. Buijten & Schipperheijn Motief. 96 pag. ISBN . € 12,50

Een uitgave van ForumC, waarin men de verbinding willen leven tussen het christelijk geloof en de dagelijkse arbeid. In deze bundel wil men nagaan of spiritualiteit voor zo’n verbinding kan zorgen. In het eerste deel peilt men welke rol spiritualiteit speelt in het bedrijfsleven. In het tweede deel doet men suggesties hoe die verbinding zou kunnen. Jammer genoeg blijft het tweede deel in algemeenheden steken, omdat het begrip spiritualiteit algemeen blijft en wordt nauwelijks christelijk ingevuld. Veel verder dan benedictijnse spiritualiteit komt men niet. Hoe waardevol deze traditie ook is, men mist de complete protestantse reflectie op arbeid. Deze is kritischer dan de katholieke reflectie. (MS)***

http://www.buijten.nl/uitgeverij_motief/product_specs.php?id=709&u=m

Goede en slechte vruchten. Consequenties van het christenzijn – Preekvoorbereiding bij Mattheüs 12: 33-37

Preken over het Fundament van het leven en de consequenties daarvan.
Na.v. de goede en slechte vruchten – Mattheüs 12: 22-37

Een preek over dit gedeelte zal met de nodige pastorale gevoeligheid geschreven. In dit gedeelte gaat het namelijk over een confrontatie van de Here Jezus met mensen van wie hun hart is verhard. Zij weigeren om in Jezus het werk van God te zien en schrijven Zijn werk zelfs toe aan de duivel. In dat kader spreekt Jezus over het dragen van vrucht.
De vruchten, die iemand draagt, hebben te maken met de grond waarin iemand geworteld is. Een herkenbaar beeld, want een boom die in vervuilde grond geworteld is, draagt andere vruchten dan een boom in een gezonde bodem. Wat Jezus met het spreken over de vruchten wil bereiken, is dat de tegenstanders van Jezus nadenken over de vraag in welke grond zij staan.
Nu kan het een heel mooi gegeven zijn om te spreken over Jezus als fundament van ons leven. Onlangs heb ik gepreekt over Jezus, die Petrus over de golven deed lopen. Toen Petrus’ vertrouwen weg was, zakte hij de afgrond in. Deze ervaring kan heel gemakkelijk naar het heden worden gehaald, door te spreken over ervaringen van onszelf: de ervaringen waarin wij het gevoel hebben dat we meegesleurd worden (vgl Psalm 69:2-4).
Dit is echter niet de enige manier om te spreken over Christus als fundament. In dit gedeelte laat Jezus zien, dat het fundament waarop iemand staat, doorwerkt. Het hart van iemand, de kern van iemands persoonlijkheid wordt gevoed door de grond waarin iemand geworteld is. Wie in Christus is geworteld, draagt goede vrucht. Maar wie niet in Christus is geworteld, kan geen goede vruchten dragen. Het maakt nogal uit wat de basis van je leven is.
Dat maakt niet alleen voor dit leven uit, maar ook voor het leven na dit leven. Voortdurend spreekt Jezus over het oordeel. Het oordeel van de Mensenzoon aan het einde van de tijden. Wie in de verkeerde grond is geworteld, zal in dit oordeel van Christus worden gescheiden. Daarmee krijgt dit gedeelte een ernst van eeuwigheidswaarde. Daarmee wordt dit gedeelte tegelijkertijd ook een gedeelte waarover niet te gemakkelijk gepreekt mag worden.
Wil een boodschap overkomen, dient het volgende worden vermeden:
* De ernst die dit gedeelte heeft, moet bij de juiste mensen aankomen. Degenen van wie het hart is verhard, die geen ruimte geven om zich aangesproken te voelen door de Geest van God worden geconfronteerd met hun eigen hardheid.
* In de gemeente zullen er echter ook mensen aanwezig zijn, die zich hierdoor onterecht aangesproken zullen weten. Zij moeten juist bemoedigd worden om hun heil in Christus te vinden.
De preek bevindt zich dus tussen uitersten: voor degenen die hun hart hebben afgesloten, mag de boodschap niet te gemakkelijk zijn. Tegelijkertijd moet voorkomen worden, dat degenen voor wie die boodschap niet bedoeld is, zich wel aangesproken voelen.
In beide gevallen gaat het om de liefde en genade, die alleen door Christus te verkrijgen is. In beide gevallen gaat het ook om de consequentie van het al dan niet in Christus geworteld zijn. Wie niet in goede grond geworteld is, dient zich te bekeren. Alleen dan kan hij het koninkrijk van God binnengaan. Wie dat toch weigert en zich verzet tegen Gods Geest, zal uiteindelijk buitengesloten worden. Wie in de goede grond geworteld is, zal vruchtdragen en mag het koninkrijk van God binnengaan.

Christian Möller heeft in zijn boek, Seelsorglich predigen een paragraaf gewijd aan paraklese als noodzakelijk gebod. Het woord parakalein heeft de betekenis van zowel “troosten” als “erbij roepen”. In oudere vertalingen wordt vaak het woord “vermanen” gebruikt. Möller benadrukt dat de nieuwtestamentische vermaning te maken heeft met de barmhartigheid van God. De Goede Herder, die Zijn schapen weer tot de kudde roept. De gemeente wordt geconfronteerd met de autoriteit van de vragende Christus: laat u met God verzoenen. De vermaning is gericht aan het door de zonde verharde hart. Dat hart wordt (dagelijks) weggeroepen uit de zonde in het “heden” van Gods genade (vgl. Hebr. 3:12vv).
Vanwege de noodzaak om uit de zonde te komen, kan het evangelie ook de vorm van een gebod (oproep, bevel) krijgen. Dat bevel is bedoeld om de dode zondaar tot het leven in Christus op te wekken (Ef.5:14). Een bevel dat niets anders dan de belofte, die als bevel klinkt: Ik leef en u zult leven. Een gebeuren dat overigens ook niet losgemaakt kan worden van het met Christus afsterven aan de oude mens en in Hem opstaan tot een nieuw leven.

ds. M.J. Schuurman