Preek zondagavond 3 september 2017

Preek zondagavond 3 september 2017
Romeinen 1:1-20
Tekst: vers 11-12
Nabetrachting Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het avondmaal worden we versterkt in onze band met Christus
en in onze band met elkaar.
We kunnen onze band met Christus niet versterken
als daar ook niet de onderlinge band in wordt meegenomen.
Ik word niet in mijn eentje opgebouwd en niet alleen mijn geloof wordt versterkt.
Daar aan de tafel zijn we een gemeenschap
en niet alleen als we aan de tafel zitten.
Zij die niet konden aangaan, zijn niet buitengesloten van deze gemeenschap.
Steeds weer kom ik onder de indruk van het bijzondere van de kerk als gemeenschap.
Het is makkelijk om te zeggen dat we als kerk geen een geheel zijn, geen gemeenschap,
maar ik kom daar steeds weer iets van tegen:
dat we als kerk bij elkaar horen, een gemeenschap met elkaar, om Christus heen.
Je hoeft maar in het ziekenhuis te komen bij een gemeentelid en de kaarten te zien.
Je hoeft maar een seizoen mee te draaien op de belijdeniscatechisatie
of een aantal jaar op de Bijbelkring om te zien hoe waardevol het is
om met elkaar het geloof te beleven, te belijden.
Steeds weer ontdek ik dat juist in dat samen optrekken zoveel genade gegeven wordt.
Je kunt bijvoorbeeld van elkaar leren,
van hoe iemand in zijn geloof staat,
bemoedigd worden door wat iemand vertelt over wat er is gebeurd in zijn of haar leven.
je kunt van elkaar leren hoe je omgaat met de dingen die je niet goed afgaan,
je worstelingen die je steeds het idee geven dat je niet verder komt
en dan hoor je een ambtsdrager of een ouder gemeentelid vertellen
dat zij die worstelingen maar al te goed kennen en daar soms nog wel te maken hebben.
Dat zijn de dingen die je ziet en die je hoort.
Er is ook een kant van de gemeenschap die je niet ziet, soms wel ervaart,
maar er wel degelijk is.
Bijvoorbeeld in het gebed voor elkaar.
Ik hoor dat wel eens terug dat er gemeenteleden zijn,
die in de week voor mij bidden of op zaterdagavond.
Dat is trouwens niet altijd makkelijk te aanvaarden,
want als ik in een slechte bui ben, denk ik:
je vertelt aan God dan ook hoe ik zou moeten preken.
Maar daarbij ga ik er aan voorbij dat zij voor mij bidden
en dat zij op hun eigen manier meewerken aan de preek
door mij bij God te brengen.
Het zou best eens een vorm van trots kunnen zijn
om de gebeden van een ander niet te kunnen verdragen.
Wat dat betreft kunnen we heel wat leren van Paulus.
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus,
zo’n intelligente theoloog, zo’n grootse denken, zo’n harde werker.
Zijn grootheid, zo ontdek ik steeds meer, is dat hij voor zich laat bidden,
dat gebed nodig heeft
en omdat hij weet dat hijzelf dat gebed nodig heeft,
Steeds weer voor de gemeente bidt
vol dankbaarheid voor wat de Heere in de gemeente werkt.
Hij heeft daar oog voor; hij staat daar bewust bij stil.
En dat vind ik ook het bijzondere aan Paulus:
Dat hij zich niet verheven voelt boven anderen, meer dicht bij Christus,
maar dat hij andere mensen om zich heen nodig heeft,
een gemeenschap die voor hem bidt,
een groep mensen in wie hij kan zien hoe God bezig is.

Dat met elkaar bezig zijn met de dingen van de Heere – dat is het mooie aan de kerk.
Ik weet niet of in de afgelopen week in de voorbereiding van het avondmaal
alleen maar bezig geweest bent met uzelf.
Het kan zijn dat u de handen vol hebt aan uzelf, of u wel aan zou kunnen gaan.
In de week voor het avondmaal bid ik extra voor de gemeente,
voor degenen die naar het avondmaal uitkijken
en mijn gebed is dat die gemeenteleden, dat u, dat jij, sterker in het geloof wordt.
Ik bid voor degenen die aarzelen, die de worsteling kennen
en mijn gebed is dan dat u de ruimte ervaart om de uitnodiging aan te nemen
en dat u weet dat er ook voor u, voor jou bij de Heere aan de tafel een plek is.
En ook voor degenen die niet aan kunnen gaan,
of die op die zondagmorgen niet naar de kerk komen bid ik.
Het is bijzonder om zo voor bij de tafel te staan om te zien, hoe gemeenteleden opstaan
en de gang naar de tafel maken, naar voren komen.
Dan merk je de verbondenheid, ook omdat je van een aantal de achtergrond weet
of hebt mogen zien hoe ze in de afgelopen tijd zijn gegroeid,
bijvoorbeeld door belijdeniscatechisatie te volgen,
door mooie dingen die gebeurden: een huwelijk, een geboorte, of juist door tegenslag.
Het is bijzonder om te zien welke manieren de Heere gebruikt
om iemand verder te laten groeien in het geloof.
Ik kan me goed voorstellen dat het Paulus’ verlangen is om naar Rome te mogen gaan.
Want het is een voorrecht om te zien hoe de Heere werkt.
Dat zou ik ook willen meegeven aan de broeders
die door de kerkenraad op de lijst zijn geplaatst voor de verkiezing ambtsdragers
en ook tot degenen die opgelucht zijn, omdat zij juist niet op de lijst geplaatst zijn.
Ambtsdrager zijn is niet alleen een last, een opgave, natuurlijk dat kan het ook zijn,
maar ambtsdrager zijn is ook een genade en een voorrecht:
Het voorrecht om getuige te mogen zijn van wat God in een mensenleven doet.
Het is een extra voorrecht, omdat je zelf ook weer bemoedigd wordt
als je ziet hoe iemand verder komt in het geloof.
Hoeveel de gemeente voor Paulus betekent, blijkt wel in zijn gebed
en in de vele praktische aanwijzingen aan het einde van elke brief voor de gemeente.
Geloven heeft voor Paulus alles te maken met hoe je in de gemeente met elkaar omgaat,
hoe je je naar elkaar opstelt, of je bereid bent om een stapje terug te doen,
juist om de ander dichter bij Christus te brengen,
om de ander in staat te stellen God te leren kennen of beter te leren kennen.

Je bent nooit uitgeleerd, niet als beginnend gelovige, niet als ambtsdrager,
als ouderling of als predikant en ook niet als apostel.
Steeds weer heb je die gemeenschap om je heen nodig,
om meer te leren van de weg die Christus met mensen gaat.
Paulus schrijft dat graag naar Rome wil komen om zelf ook bemoedigd te worden.
Er zit iets wederzijds in – samen, we bemoedigen elkaar.
Geloven doe je niet alleen, maar met elkaar in een gemeente
en wanneer je wegblijft houd je iets wezenlijks achter voor je gemeenteleden,
namelijk hoe de Geest in jou bezig is
en laat je de mogelijkheid onbenut dat je voor een ander tot voorbeeld bent,
dat jij er aan mag bijdragen dat je het geloof van een ander versterkt.
Bemoedigd worden gaat voor Paulus niet één kant op, maar gaat twee kanten op:
Ik bemoedig de ander en de ander bemoedigt mij
en uiteindelijk komt die bemoediging van de Heere vandaan
– we worden bemoedigd samen, namelijk door God
en daar gebruikt Hij mensen voor, zoals Paulus, zoals een ouderling of een predikant,
iemand op de Bijbelkring of iemand die catechese geeft
of meedoet met de kindernevendienst of een morgen op zondagsschool leiding geeft,
maar ook degenen die maar een hele kleine taak heeft
of zelfs helemaal geen taak binnen de gemeente, maar alleen op zondag aanwezig is.
God gebruikt ons allemaal om elkaar te bemoedigen.
Daarom hoop ik trouwens dat er aanmeldingen zullen zijn
voor de belijdeniscatechisatie – om de Heere beter te leren kennen.
Juist als u voor uw gevoel niet zoveel te brengen hebt, dan bent u welkom.
Want juist het er open voor staan, het op zoek gaan om meer te weten
de bereidheid om te leren – maakt steeds weer indruk op mij
en het is mooi om te zien hoe iemand groeit in geloof,
van een aarzelend geloof, een geloof met misschien wel weinig kennis
naar een geloof dat bereid is om van Christus te zeggen: U bent mijn Heer, mijn Redder.
Bovendien: geloof is nooit een prestatie van onszelf, niet iets dat wij zelf moeten doen
en geloof is dus ook nooit een niveau dat we kunnen bereiken uit onszelf.
Geloof is voor Paulus een geschenk – en hij heeft dat zelf ervaren
toen hij op de weg naar Damaskus stil gezet werd.
Misschien is het wel een voordeel als u er weinig van weet,
en als u er niet zo goed in bent om het geloof in praktijk te brengen,
want dan staat u er misschien meer voor open om het geloof te ontvangen.
Veel kennis kan ook een belemmering worden, als het gepaard gaat met een trots,
een belemmering als je te trots bent om te buigen, omdat je het zo goed weet.
En ook dat kan een bemoediging zijn, als je ziet dat iemand die te trots is om te geloven
nederig wordt en bereid is om neer te knielen en zich over te geven aan God.
Laat het in ieder geval geen trots zijn, waardoor u niet verder komt in het geloof.
Want trots is nooit zo goed voor het geloof, eerder een belemmering.
Ik las in deze week bij een schrijfster die geregeld kloosters bezoekt,
dat deel uit maken van een klooster een oefening is in nederigheid.
Deze schrijfster was protestants opgevoed, maar van de kerk afgehaakt
omdat ze haar eigen weg wilde volgen, zichzelf ontwikkelen.
Als ze vastloopt in haar leven begint ze kloosters te bezoeken.
Juist om die wereld vreemd voor haar is, vallen de dingen op.
Als ze een keer het ontbijt klaar maakt voor een monnik, met wie ze bevriend raakt,
vraagt ze hem hoe hij zijn ei bij het ontbijt wil.
Hij kijkt haar verbaasd aan en weet eigenlijk niet goed wat hij moet zeggen.
Hij is dat niet gewend dat die keuze aan hem gevraagd wordt.
Hij krijgt zijn eten steeds voorgeschoteld zonder een keuze te kunnen maken.
De behoefte van de gemeenschap gaat voor het individu.
Ze voegt daar de waarneming aan toe dat het juist in deze tijd zo moeilijk is
om gelovig te leven, omdat alles in onze maatschappij erop gericht is
om je eigen keuze te maken, zelfs als dat ten koste gaat van de gemeenschap.
Eerst mijn eigen behoefte bevredigen en wat dat met de ander te maken heeft
dat zoekt die ander maar uit, dat is niet mijn pakkie-an.
Ik las dat gisteren in twee columns in Trouw terug:
de ene column ging over de politiek,
over de presidentsverkiezingen in de VS en de verkiezingen voor de Tweede Kamer.
Hoe je in die verkiezingen kunt zien, dat de ontwikkelingen in de afgelopen 50 jaar
ertoe hebben bijgedragen aan de vrijheid van het individu,
maar dat dat wel ten koste gaat van de gemeenschap en
dat zowel Trump als Clinton geen visie hadden hoe de gemeenschap gediend kan worden.
En dat we dat ook bij de kabinetsformatie kunnen zien
dat er steeds minder partijen bereid zijn om te denken aan het geheel van ons land
en alleen nog maar in achterbannen.
De ander ging over voetbal, dat je in de huidige generatie niet meer de bereidheid ziet
om jezelf dienstbaar te stellen in het bredere geheel.
Ik noem dit alleen om aan te geven, hoe kostbaar het evangelie is
en hoe zuinig we moeten zijn op de kerk als gemeenschap
en dat het niet iets vanzelfsprekends is dat we binnen de kerk elkaar dienen
en dat we daar steeds weer aan moeten werken
dat we steeds moeten beseffen dat we kwetsbaar zijn
als eigenbelang en trots vrij spel krijgen en niet bestreden worden.

Als ik de brieven van Paulus lees, voelt hij het haarscherp aan,
dat trots en eigenbelang haaks staan op het dienen van Christus.
Het moet wel dat hij dat zelf heeft herkend dat trots met je aan de haal kan gaan.
Paulus houdt mij daarom steeds weer een spiegel in – om te strijden tegen die trots,
Paulus die zelf gedwongen werd om te knielen,
omdat hij vanuit zijn trots tegen God streed in plaats van voor God werkte.
Paulus is dienaar geworden, je zou het ook kunnen vertalen als slaaf:
Hij heeft Christus een Meester gekregen die over zijn leven bepaalt.
Als hij schrijft dat hij niet kan komen, is dat niet omdat er geen financiën waren
en ook niet omdat hij een te volle agenda is, of dat het bezoek er bij in geschoten is,
Nee, Paulus heeft verscheidene keren plannen gemaakt,
maar hij kreeg geen groen licht van zijn Meester, hij mocht niet gaan,
omdat hij elders nodig was, waarschijnlijk op plekken waar het evangelie nog niet gebracht was, en Rome was minder nodig, want daar was al een gemeente ontstaan.
Groeien in geloof is voor Paulus groeien in gehoorzaamheid, in overgave,
groeien in nederigheid en niet meer denken vanuit je eigen belang,
en niet meer je laten leiden door je trots, maar Christus op de eerste plaats stellen.
Dat is groei in geloof.
Gebed voor de gemeente, voor elkaar is na de avondmaalszondag niet voorbij.
Het gaat er nu om te leven uit wat u gekregen hebt.
Vergeving van zonden is heel mooi, een kostbaar geschenk,
maar je verwaarloost dat geschenk ook weer als je die vergeving niet ziet
als een aansporing om in de komende tijd wel weer te proberen te leven in gehoorzaamheid.

laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.


Ondanks dit alles, omdat wij door de genade van de Heilige Geest van harte bedroefd zijn over zulke gebreken en wij verlangen tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven,

Ook daarom hebben we elkaar nodig,
om elkaar hierbij te helpen de weg van Christus te gaan,
om te strijden voor wat we kunnen, met hulp van de Heilige Geest
Zo word je door elkaar bemoedigd in het geloof.

Samen te strijden in woord en in werk.
Eén zijn in U, dat alleen maakt ons sterk.
Delen in vreugde, in zorgen, in pijn,
als uw kerk, die waarachtig wil zijn.

Zo samen in liefde te gaan, schouder aan schouder te dienen in Gods wijngaard,
is een voorrecht, die ons door God wordt gegeven,
want zo met elkaar kunnen we bij elkaar zien wie God is.

Heer, wat een voorrecht om in liefde te gaan,
schouder aan schouder in uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Amen

Advertenties

Preek zondagmorgen 3 september 2017

Preek zondagmorgen 3 september 2017
Romeinen 1:16b –  Viering Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als we het eerste deel van het avondmaalsformulier lezen,
eindigen we altijd met een zin die niet zo makkelijk te begrijpen is:

wij zullen  er nochtans ten volle van verzekerd zijn dat geen zonde of zwakheid, die nog tegen onze wil in ons overgebleven is, ons kan verhinderen dat God ons in genade aanneemt en ons zo deze hemelse spijs en drank waardig en deelachtig maakt.

God maakt ons het brood en de wijn waardig en deelachtig.
Het is jammer dat die zin zo onbegrijpelijk is – ik moet die zin eens gaan aanpassen,
want juist die zin is de clou van de uitleg die over het avondmaal wordt gegeven.
Er wordt bedoeld dat God ons de waardigheid geeft om aan het avondmaal te gaan.
We hebben die waardigheid niet uit onszelf,
want de zonde heeft ons tegenover God geplaatst.
Door die zonde kunnen we niet meer bij God horen.
Maar er is iets gebeurd, waardoor God aan ons – ondanks onze zonde-
de waardigheid wil geven om te komen, om aan te gaan.
Niemand heeft uit zichzelf die waardigheid,
niemand kan zeggen: ik ben waardig genoeg, heilig genoeg, gelovig genoeg.
Niemand heeft die waardigheid, maar we kunnen die waardigheid wel krijgen.
Die waardigheid wordt gegeven.
Gegeven aan iedereen die gelooft, dat de Heere Jezus genoeg gedaan heeft,
iedereen die gelooft: Christus is ook voor mij gestorven,
Mijn zonden kunnen mij vergeven worden, van mij afgenomen worden,
want Christus stierf voor mijn zonden, in mijn plaats.
Aan het kruis nam Hij mijn zonden mee, Hij nam mijn zonden over.
Het is een ruil van Christus, eigenlijk een ongelofelijke ruil,
omdat Christus zoveel inlevert bij deze ruil.
Hij neemt onze zonden over – dat is wat Hij van ons krijgt,
en wat wij van Hem krijgen is zo ontzettend veel meer:
We krijgen Zijn heiligheid, Zijn waardigheid.
Wie aan het avondmaal zit daar alsof je Christus zelf bent
De waardigheid om aan de tafel te zitten wordt ons door Christus gegeven.
Hij geeft die aan ons, zonder dat we er recht op hebben
en we hebben er niet veel tegenover te stellen dan alleen onze zonden, een hele berg,
Maar Christus zegt: kom maar, geef maar, geef Mij maar je zonden,
want die heb ik meegenomen op Golgotha
en ik heb ook wat voor jou, dat veel beter is dan je zonden, veel beter dan je oude mens.
Geef die maar aan Mij en je krijgt er iets veel mooiers voor terug,
waardoor je bij Mij en bij Mijn Vader aan tafel mag zitten.
Het is als met de entree bij een feest: eigenlijk mag je er niet komen,
niet eens omdat je daar het geld niet voor hebt, maar ook omdat je een gebiedsverbod hebt:
je mag er niet komen – weggestuurd uit het paradijs,
maar daar is Christus en Hij komt op ons af:
Ik heb een uitnodiging voor jou, voor u.
Je had er wellicht helemaal niet op gerekend, maar je mag komen.
Ik zeg dit namens Mijn Vader en ik heb het in orde gemaakt
en Mijn Vader, die je ooit eens weg moest sturen, is het er mee eens,
het is zelfs Zijn idee om jou, om u uit te nodigen.
Hij wil niets liever dan dat je komt,
dat je komt om je zonden af te geven en mijn heiligheid te ontvangen,
de waardigheid te ontvangen om bij Mij aan tafel te zitten.
Ook je zonden niet, die je niet weg hebt kunnen krijgen in de afgelopen tijd,
waaraan je vast zat en waar je zo mee worstelde,
Waardoor je voelde: zo kan ik niet bij God komen
– kom maar, want die zonde kan die waardigheid niet wegnemen.
Ook als je beseft, mijn geloof schiet tekort – het maakt de uitnodiging niet ongedaan.
Kom maar, want het avondmaal is er juist voor
om je geloof te versterken,
om bij Mij te zijn – alleen dat al: bij Mij aan tafel, je hoort weer bij Mij,
je houdt weer van Mij – omdat ik van jou, van u houdt
en Mijn liefde heeft in jou, in u die liefde weer gevonden,
je hebt Mijn liefde beantwoord, misschien heel schuchter, of aarzelend.
Kom maar, want Ik ben het die je dat brood geeft – brood uit de hemel dat Ik je zelf aanreik.
En als je het aanpakt en proeft, denk er dan aan hoe Ik voor je gestorven ben.
Wijn dat je eraan herinnerd hoe Ik Mijn bloed gegeven hebt
Als je dat proeft, dan weet je weer: Mijn zonden zijn van me afgewassen. Ik ben van Hem!
Het evangelie is een kracht tot behoud,
want het zorgt ervoor dat je weer bij God kunt komen,
niet meer tegenover Hem, niet meer halfslachtig, op een afstand,
maar bij Hem aan tafel, omdat je bij Hem wilt horen van Hem wil zijn.
Het is een kracht die in je werkte, misschien heel klein begonnen,
omdat je iets ging missen in je leven, omdat er geloof voorzichtig begon te groeien
en het groeide door, omdat je ontdekt hebt: ik kan niet zonder Christus,
want zonder Christus ben ik zonder God en mis ik het belangrijkste
en kan ik God niet onder ogen komen, nu niet en ook niet als mijn leven ten einde is,
maar nu heb ik iets ontvangen, waardoor ik mag komen, nu
en ook straks als mijn leven voorbij is en ik voor God moet verschijnen,
ook dan kijkt Hij naar mij alsof ik Christus ben en mag ik komen,
niet omdat ik het zelf verdiend heb, maar omdat ik het gekregen heb.
Waardigheid ontvangen – en ook deelachtig gemaakt:
Dat betekent niets anders dan dat je het brood en de wijn ontvangt
van Christus zelf, dat ze je in gedachten meenemen naar Golgotha
en dat je het voor je ziet: Christus, die daar hangt, met je zonden.
Niet alleen bedoeld als een beeld dat je confronteert met wat er mis is, dat ook,
maar vooral ook om je te laten weten: Daar op Golgotha werden je zonden weggedragen.
Daar op Golgotha is het gebeurd, waardoor je nu mag komen,
bij Christus, bij Hem hier ook aan de tafel. Het wordt ons geschonken: Kom! Amen

Preek zondagmorgen 27 augustus 2017

Preek zondagmorgen 27 augustus 2017
Schriftlezing: Romeinen 1:1-20
Tekst: 1:5

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze preek gaat over genade, het mooiste, het diepste waar het in de kerk over kan gaan!
Genade betekent: iets dat je krijgt, zonder dat je er recht op hebt of verdient,
sterker nog: je verdient het helemaal niet, je hebt er geen recht op en toch krijg je het.
Voor Paulus heeft genade alles te maken met God, die deze genade geeft.
Hij geeft aan mensen, aan ons, aan jou, aan u, aan mij, iets
Waar we geen recht op hebben
– een goedheid die God laat zien, zonder dat Hij daartoe verplicht is.

Genade als een geschenk, een cadeau van God, is bijzonder,
omdat het een breuk herstelt,
een breuk die ontstaan is tussen God en ons door onszelf.
Die breuk is er niet door God gekomen, maar door ons.
Die breuk is er gekomen – tussen God en ons, doordat wij als mensen hebben gezegd:
Wat God geeft is op zich wel best, maar niet genoeg,
we hebben meer nodig om echt een keuze te kunnen maken
tussen wat verkeerd is en wat goed is.
Wij willen dat zelf kunnen bepalen, zelf een inschatting kunnen maken
en dat God aan ons die keuze niet gegeven heeft,
laat zien dat God eigenlijk geen hoge pet van ons op heeft.
Weet je niet, zei de slang, dat je om echt mens te zijn, zelf de keuze moet kunnen maken
tussen wat goed is en verkeerd, dat je de keuze kunt overzien – God kan dat ook.
God heeft dat alleen maar achter gehouden, omdat Hij dat jullie niet gunt.
Zo werd er twijfel in ons hart gezaaid over God, twijfel dat wantrouwen werd:
Hoe kunnen wij God nu vertrouwen als Hij iets wezenlijks achterhoudt,
waardoor we echt mens zouden kunnen zijn
en zonder die keuze zijn we maar half.
Het is misschien goed bedoeld, ter bescherming van ons, maar we kunnen het zelf.
De breuk die er kwam, tussen God en ons, had ermee te maken
dat we niet meer onbevangen naar God konden kijken
en niet meer onbevangen, als dankbare schepselen, zijn zegeningen konden aanvaarden.
Sindsdien is het: bedoelt God het wel echt goed, zit er niet iets achter,
of houdt Hij niet iets achter, wat Hij ons niet wil geven?
We willen wel van God aannemen, maar onszelf niet helemaal overgeven aan hem.
OF er kan ook het effect zijn, dat we ons helemaal van God afkeren,
Dat we niets van hem willen weten en dat je tegenover Hem staat,
niet meer als iemand die bij Hem hoort, maar als iemand die vijandig gezind is, een tegenstander.
Het ingewikkelde alleen is, dat we dat kunnen camoufleren met heel veel godsdienst:
in de brief aan de Romeinen zijn dat aan de ene kant de heidenen,
die hun vijandige houding naar God toe verbergen onder het dienen van afgoden.
Heel gelovig, heel vroom, maar niet de echte God, niet de enige God die er is:
Vader, Zoon en Heilige Geest, maar nepgoden.
Voor Paulus is dat een manier om te verbergen dat je met God eigenlijk helemaal niets wil.
een andere manier, die ook in deze brief naar voren komt is die van de Joden,
die hun vijandschap verpakken in een vroom en toegewijd leven,
maar een leven zonder Christus en daarmee zonder God.
Er is op deze hele wereld niemand die uit zichzelf bezig is met God, met hoe God echt is.
Niemand die uit zichzelf God zoekt.

En dan genade: met genade grijpt God in, in het leven van mensen,
om die vijandigheid weg te doen,
om mensen die zich tegenover Hem hebben gesteld, in afwerende positie, in verzet,
– of dat nu openlijk is of gecamoufleerd –
te openen voor Hem,
zodat ze bij Hem gaan horen, zodat ze naar Hem toe gaan komen,
in Hem gaan geloven, Hem wel vertrouwen.
Onverdiend is het, wij konden uit onszelf niet zeggen:
U moet ons weer terugnemen!
Als dat al bij ons op kwam, dan hadden we geen enkele recht om aan te kloppen.
Wij, mensen, wij hadden het contact verbroken, wij gingen onze eigen weg,
Als we dat van onszelf al bewust waren, dat het een verloren weg was,
een weg bij God vandaan.
Genade is juist dat God komt, dat Hij dat wantrouwen wegdoet,
dat Hij alles herstelt wat door ons kapotgemaakt is
– Hij maakt het weer goed, Hij herstelt – terwijl wij het hadden vergooid, verbruid.
Genade is dat God een diepe knieval maakt, om onze rotzooi, onze puinhoop weg te doen
En daar zelf de rekening voor te betalen,
dat zelf te dragen.

Genade heeft alles te maken met Christus, Jezus Christus de Zoon van God,
die naar de aarde kwam, naar de mens geboren uit het geslacht van David
Jezus Christus, die niet alleen maar mens was, maar God
en wie dat niet zag bij het kruis kon dat zien bij de opstanding,
toen Jezus uit het graf kwam, Hij die in de dood was, de macht van de dood verbrak,
weer levend werd, toen werd het helemaal zichtbaar wie Christus was: de Zoon van God.
Paulus spreekt hier nog niet over het kruis op Golgotha,
maar dat hoort er voor hem volop bij.
Dat Jezus opgewekt werd uit de dood, werpt wel een nieuw licht op het kruis.
Toen Jezus uit het graf kwam en de macht van de dood bleek te hebben overwonnen,
was het duidelijk dat het kruis op Golgotha geen mislukking is,
geen fatale afloop van wat iets moois had kunnen worden,
maar dat het kruis onderdeel was van het plan van God
om genade aan mensen te geven.
Al onze zonden zijn vergeven, zegt het avondmaalsformulier,
en dat is enkel en alleen gebeurd, doordat Hij stierf aan het kruis.
Het is helemaal betaald, de schuld is helemaal weg, er hoeft niets meer bij.
En dat wordt ons nu gegegeven: alsof u dat zelf voor elkaar had gekregen.
Genade is dat God niet naar ons oude leven kijkt, waar die breuk is,
een kloof tussen God en ons die wij zelf hebben veroorzaakt
en die wij zelf niet kunnen overbruggen,
maar dat God naar ons kijkt, alsof Hij naar Christus kijkt.
Hij kijkt naar ons en ziet Christus staan.
Hij ziet geen zondaren meer, geen mensen die Hem afwijzen of uit de weg gaan,
geen mensen die niet bij Hem horen,
maar Hij ziet mensen naar wie Zijn liefde uitgaat:
geliefden van God, zo worden de gemeenteleden in Rome genoemd.
En daarmee bedoelt Paulus niet dat God van hen houdt,
omdat deze mensen zijn gaan geloven,
nee Gods liefde was er eerst en deze mensen hebben gehoor gegeven aan Zijn liefde,
hebben zich laten winnen door de liefde van God
Geliefden van God, als er al iets van hun kant in zit, is dat die liefde in hun hart is gekomen,
dat ze vanuit die liefde zijn gaan leven,
dat Gods liefde in hun hart gekomen is,
dat hun hart door Christus wordt bewoond en niet meer door de zonde.
Bij deze mensen in Rome is gebeurd, wat er ook bij Paulus is gebeurd:
Genade – genade dat je bij God mag horen, dat je in Zijn dienst mag komen,
dat Zijn liefde in je hart komt,
dat je alleen van Hem nog wilt zijn en van niets of niemand anders.
Elke keer als Paulus daarover spreekt, is er verwondering, verbazing,
dat die genade er ook voor hem is,
Want als er iemand is, die deze genade niet verdiende, die tegen God inging,
die God tegenwerkte was hij dat wel en toch: ook voor hem genade.
En die verwondering heeft Paulus ook, als hij ziet dat in Rome
er ook mensen zijn die deze genade ontvingen, voor wie het ook was.
Ik hoop ook, dat u, dat jij die verwondering kent, dat je verbaasd bent,
op een positieve manier verrast, dat God ook in jouw leven wilde komen,
dat die genade er ook voor u is.
Al mijn zonden vergeven, alleen om het lijden en sterven van Christus.
Dat wordt mij geschonken!
En volgende week mag ik in alle verwondering aan de tafel gaan,
de tafel van Christus, de tafel waarop de genade zichtbaar wordt:
– in het brood dat gebroken wordt,
Het brood dat wij breken is de gemeenschap met het lichaam van Christus,
gedenkt en gelooft, dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus
is verbroken tot volkomen verzoening van al onze zonden.
– de wijn die wordt uitgegoten
De beker van de dankzegging, waarover wij de dank uitspreken
is de gemeenschap met het bloed van Christus,
gedenkt en gelooft, dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus
is vergoten tot volkomen verzoening van al onze zonden.
– in de vele plaatsen die er om die tafel zijn: ook voor u, voor jou de genade van Christus!

Om die genade te ontvangen zijn er geen voorwaarden.
Ja, het avondmaalsformulier noemt 3 voorwaarden:
dat je ziet hoe hopeloos het met je gesteld is zonder Christus,
dat je de genade wilt aannemen
en dat je je door die genade laat veranderen tot een nieuw mens,

Die voorwaarden laten alleen maar zien, dat het zo, zonder genade, zonder Christus
niet verder kan en dat er iets moet veranderen
en dat er ook iets kan veranderen, omdat God dat heeft gedaan,
omdat Christus op aarde is gekomen.

Soms kun je weten dat er iets met je mis is, omdat je dat zelf merkt.
Iemand die last van zijn gezondheid heeft, gaat naar de dokter toe,
voor een onderzoek, voor medicijnen, voor een behandeling.
zo gaan we naar Christus toe, voor die genade.
Maar niet altijd weet je dat er iets met je mis is,
omdat je op dat moment nog niet iets verneemt.
Ik heb dat wel gezien dat mensen met een onderzoek meededen
en verwachtten dat er niet zo veel zou uitkomen, want ze voelden zich goed
en dat er uit het onderzoek heel iets ingrijpends naar voren komt.
Dat is wat het avondmaal ook laat zien:
Het zit goed fout en als er niets gebeurt, gaat het de verkeerde kant op,
dan kom je, als je leven ten einde gaat niet door het oordeel heen
en is er geen plek in de hemel.
Maar die uitslag, dat inzicht is bedoeld om er wat aan te doen
om van Christus die genade te ontvangen,
het formulier bij het avondmaal is heel scherp, niet om ons weg te sturen,
maar juist om wat mis is aan het licht te brengen, zodat er wat aan gedaan kan worden,
zodat Christus, onze arts, ons kan genezen, Zijn medicijn kan geven: Zijn genade.

Als je inziet, dat het zo – zonder Christus  – niet kan,
dan wijst God je niet af, maar dan neemt Hij je aan, dan neemt Hij je in genade aan,
dan is er een plek aan de tafel,
om dat medicijn te ontvangen: brood waarin je de liefde van Christus proeft,
waarmee je het weer weet, weer proeft, hoe daar op Golgotha
Jezus zich gegeven heeft,
wijn waarmee je weer weet, dat alles wat verkeerd is, wat jij verkeerd gedaan hebt,
weggewassen kan worden doordat Jezus gestorven is, Zijn bloed heeft gegeven.
Het is een geschenk – een kostbaar geschenk, dat je mag ontvangen,
dat er voor u is, het wordt gegeven:
Neem het aan. Ontvang het!

Het is een kostbaar geschenk: God heeft er alles voor over gehad,
Christus heeft alles gegeven.
Er zijn cadeau’s, bijvoorbeeld met een verjaardag, of een afscheid,
die je niet gebruikt, die je hebt staan, waarmee je niets doet, staan in de weg,
maar als iemand zo’n groot geschenk geeft, als iemand zijn leven geeft,
om jou alles te geven, om je te redden van een verkeerde weg,
dan kun je dat toch niet anders dan aannemen,
dat kun je dan toch niet naast je neerleggen, daar niets mee doen?

Ja, kostbaar is het, genade is niet goedkoop.
Het wil ook effect op ons hebben: gehoorzaamheid.
We moeten gaan luisteren naar God, alleen maar van Hem zijn.
U alleen, U behoor ik toe.
In het avondmaal gaat het er niet om, dat we foutloos zijn,
dat we die gehoorzaamheid in praktijk kunnen brengen,
zonder dat we dan nog enige fout maken.
Het gaat om een verlangen, dat we gehoorzaam willen zijn.
Dat is al genoeg voorwaarde: dat je niets meer anders wilt
en dat wanneer je dat niet kunt zijn, gehoorzaam, dat je er dan aan lijdt,
omdat je weet: ik doe God tekort, ik doe mijn Redder, mijn Heiland tekort.
Gehoorzaam zijn is ook dat je komt naar het avondmaal,
ook al is je hart bezwaart en durf je het niet, omdat je al je zonden ziet.
want dan doe je alsof die genade er niet voor je is,
alsof er voor u geen vergeving is.
Uiteindelijk is dat een uit de weg gaan van God,
ook al neem je God heel serieus.
Avondmaal zegt: God wil ons niet uit de weg gaan,
Hij neemt ons serieus, ook in onze zonde,
want daarvan wil Hij ons juist bevrijden en reinigen.

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,

Die van de straf voor eeuwig is ontheven,

Welzalig is de mens, wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.

Amen

Preek zondagmorgen 25 juni 2017

Preek zondagmorgen 25 juni 2017
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Psalm 36

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Psalm 36 begint met een innerlijke stem:
De overtreding van de goddeloze spreekt binnen in mijn hart.
Er zijn heel wat stemmen in onszelf
als je op zondagmorgen stil zit in de kerk kunnen die stemmen zomaar in je gaan spreken.
Stemmen die te maken hebben met wat er vanmorgen gebeurde:
– ‘Als mijn man eerder uit bed was, hadden we niet zo hoeven haasten op weg naar de kerk.’
– ‘Heb ik er wel goed aan gedaan om mijn kind te laten slapen
ipv te wekken om mee naar de kerk te gaan?’
– ‘Ik zit hier nu wel in de kerk, maar ik heb deze week geen tijd genomen voor God.’

Het kunnen stemmen zijn die met het Avondmaal te maken hebben:
– ‘Dat wordt een intense week van piekeren of avondmaal wel iets voor mij is.’
Of juist: ‘Wat fijn dat het volgende week weer avondmaal is. Ik kijk er altijd naar uit.’
– ‘Nu moet ik er toch echt over nadenken of ik aanga.
Toen ik nog geen belijdenis had gedaan, kon ik die stap voor mij uit schuiven.
Hoe zal dat zijn om de eerste keer aan te gaan?’
Of: – ‘Volgende week ga ik niet, want avondmaal is niets voor mij.
Niemand in onze familie heeft ooit deelgenomen aan het avondmaal.
Dat is niet voor ons en voor mij ook niet.’

Tussen al die stemmen is er ook nog de stem van God,
die tussen al die stemmen ook gehoord wil worden
en van alle stemmen misschien wel het minst gehoord wordt
omdat andere stemmen harder roepen of eerder onze aandacht krijgen.
Zelfs op zondagmorgen wanneer je toch speciaal gekomen bent om naar Gods stem te horen
kunnen allerlei andere stemmen in onszelf om aandacht roepen
en ons afleiden om werkelijk te luisteren naar de stem van God.
Zelfs al laat de wereld om ons heen de trouw van God aan ons weten,
zoals Psalm 36 daarover zingt: HEERE, Uw goedertierenheid reikt tot in de hemel,
Uw trouw tot de wolken

kunnen we daar aan voorbij gaan
en ons afvragen waarom wij niets van God horen,
terwijl eerder de vraag zou kunnen zijn,
waarom we niet openstaan voor alle signalen om ons heen, ook in de schepping,
die tot ons spreken over de liefde, de goedheid en trouw van de Heere, onze God.
Omdat we de handen vol hebben aan onszelf,
allerlei stemmen die in ons iets over onszelf zeggen:
– ‘Wat zal je moeder ervan vinden?’
– ‘Ik kan dit plan zelf wel geweldig vinden,
maar als die ene collega daar een opmerking over maakt,
is mijn zelfvertrouwen gelijk helemaal weg en ben ik niet meer bezig met het plan,
maar met mijzelf, waarom ik er niet in slaag iets voor elkaar te krijgen.’
Er kan vaak een innerlijke onrust zijn, een heel gesprek in onszelf
waarin we met anderen over onszelf bezig zijn,
of waarin je jezelf vergelijkt met anderen,
soms met een bepaalde boosheid, waarom die ander het toch altijd weer voor elkaar krijgt
om over jouw grenzen heen te gaan, waarbij jij je moet schikken.
Zo veel innerlijke onrust, dat er geen aandacht uitgaat naar de stem van God,
terwijl die stem veel belangrijker is dan al die andere stemmen om ons heen.

Zou dat ook komen, zoals in Psalm 36, dat we naar anderen kijken
en daar een mening over hebben,
waarbij je de misstap van een ander ziet, de goddeloze:
Dat is toch erg dat zoiets gebeurt!
Iemand die zo leeft en zo handelt als die goddeloze doet, heeft geen gezag voor God.
De Nieuwe Bijbelvertaling geeft dat eerste vers trouwens anders weer.
Daar is het een stem, die in de goddeloze zelf spreekt,
iemand die je op het verkeerde pad wil brengen, maar je ondertussen wijs maakt
dat het niet zo erg is wat je doet.
Een stem die allemaal redenen weet op te sommen,
Waarom je een verklaring hebt voor je gedrag.
Dat je in de afgelopen week geen tijd voor God had, dat is toch niet zo erg,
je had ook zoveel andere dingen te doen.
Dat je er niet toe kwam om voor anderen te bidden, of geen giften hebt gegeven,
ja, je kunt ook niet aan alles denken – ik heb al zoveel om aan te denken.
Natuurlijk kun je van de goddeloze, zoals hij hier wordt afgeschilderd denken:
Dat staat wel heel ver van me af, daar hoef ik me gelukkig mijzelf niet in te herkennen.
Dat je, zoals de goddeloze, wanneer je oog in oog met God staat,
Dat je dan nog geen ontzag voor God hebt,
dat je dan nog geen reden ziet om iets in je leven te veranderen
en zo zonder God verder te leven – dat staat ver van ons af – gelukkig!
Psalm 36 noemt het gedrag van de goddeloze ook als aan afschrikkend voorbeeld:
wanneer je zo bent en zo leeft, dan is het echt slecht met je gesteld.
Maar ik denk niet dat de bedoeling is dat we daar verder laconiek verder leven,
onze schouders ophalen en denken: met ons zit het wel goed.
Dat extreme voorbeeld van de goddeloze, waarvan we kunnen zeggen:
zo zijn we niet – gelukkig, Goddank!
is er voor bedoeld om jezelf onder de loep te nemen, naar je zelf te kijken:
Hoe zit het dan wel?
In deze Psalm – en dat geldt ook voor de rest van de Bijbel –
gaat het niet alleen om wat we doen: goed of fout,
maar wordt er verder doorgevraagd – naar ons hart, dat wil zeggen:
de intentie waarmee we de dingen doen.
Voor de goddeloze is de intentie duidelijk: hij wil zonder God leven,
hij heeft lak aan God. Al zou God bestaan, dan wil ik daar geen rekening mee houden.
Een intentie heeft altijd effect op wat we doen, op onze daden:
De woorden van zijn mond zijn onrecht en bedrog,
hij laat na verstandig te handelen en goed te doen.
Op zijn slaapplaats bedenkt hij onrecht;
hij gaat op een weg die niet goed is, het kwaad verwerpt hij niet.

Wat er in het hart leeft, komt altijd in daden naar buiten.
Daarom is het altijd van belang om te weten wat er in je hart leeft.
Nou, dat hart van die goddeloze is niet de onze.
Maar wat leeft er dan wel in ons hart?
Passen wij helemaal in de andere wereld, die de Psalm als contrast schildert,
de wereld van Gods trouw, die over heel de wereld is, die hoger dan de wolken is,
machtiger dan de bergen waar je tegenop kunt kijken.
Zitten wij er niet tussen in? Niet helemaal bij de goddeloze – zo zijn we niet,
maar toch ook – als we eerlijk zijn – niet bij God.
We zitten er tussen in, met onze zo je kunnen zeggen huis-tuin-en-keuken-zonden
en daarmee bedoel ik, dat de zonden die we doen vaak niet extreem erg zijn,
daarom huis-tuin-en-keuken, onze zonden zijn vaak net zo gewoon als ons dagelijks bestaan
en tegelijkertijd zijn het wel zonden, die ons tegenhouden om helemaal van God te zijn.
Wat laten die huis-tuin-en-keuken zonden zien van wat er leeft in ons hart?
Het treft mij steeds weer, dat het avondmaal gaat om ons hart, wat daarin leeft.
Niet alleen om de dingen die zichtbaar zijn.
Ja, er worden wel steeds punten opgenoemd die voor anderen zichtbaar zijn:

Alle afgodendienaars,

allen die zich een beeld van God maken,

allen die de Naam van God lasteren en misbruiken,

allen die het Woord van God en Zijn heilige sacramenten verachten,

allen die tweedracht zaaien in de kerk en in ons volk, die weigeren gezag te aanvaarden in kerk en samenleving,

allen die in haat en nijd tegen hun naaste leven of lichtvaardig hun woord breken, die het leven, van God geschonken, verachten,

allen die het huwelijk moedwillig in gevaar brengen, van zichzelf of van anderen,

allen die stelen, die in de ban zijn van geld en bezit,

allen die liegen, bedriegen of kwaadspreken,

allen die zich aan verslaving overgeven en van het genot hun god maken.

Daarbij gaat het er niet om, dat je naar anderen kijkt,
maar je eigen hart erop na gaat: hoe sta ik tegenover God?
Kan ik zelf God met hoe ik leef zelf wel recht in de ogen kijken?
Of zal ik mijn ogen neerslaan, omdat ik besef dat het toch niet goed gegaan is,
dat ik het er weer bij heb laten zitten, dat er aan mijn trouw toch eea ontbrak,
dat mijn hart toch niet onverdeeld was, alleen op God gericht, alleen op Zijn stem,
maar dat ik toch geluisterd heb naar die andere stemmen in mij,
Die mij meenamen op een andere weg, die niet goed voor mij was,
waarbij mijn geloof schade opliep, omdat het niet Gods weg was.
En die terwijl ik me ervan bewust was, dat het een verkeerde weg was,
sussend in mij spraken: ach, het is helemaal niet zo erg, want iedereen doet het.
Wat geeft het als je Bijbel een week hebt dicht gelaten,
Want denk je dat al die andere gemeenteleden daar wel tijd voor hadden?
Wat geeft het als je met elkaar niet gesproken hebt thuis over wat je bezig houdt
en hoe jullie samen staan tegenover God en hoe je elkaar scherp houdt,
want denk je dat die andere echtparen in de gemeente ook niet elke avond voor de tv zitten
en ook niet samen doorspreken over wat goed voor hen is in hun leven met de Heere?
En denk je nou echt, dat het zo erg is dat je meer aan geld verdienen hebt gedacht
dan dat je de tijd hebt genomen om God te danken voor de luxe die je hebt,
van werk en een goed inkomen, een mooie klus of een goede winst,
want God zal toch ook wel begrijpen dat er brood op de plank moet komen
en dat de hypotheek moet worden afbetaald?
En is het echt zo erg om een roddel over een ander de wereld in te helpen,
want iedereen doet dat, op verjaardagen, tijdens het wandelen, in de app.
En denk je dat het zo erg is als je ‘s avonds terwijl je vrouw al bed ligt,
Dat je op de computer foto’s opzoekt van erotische beelden,
want een man is toch snel geprikkeld en kan zijn lust toch niet altijd beheersen?
Dat zijn allemaal stemmen in ons
en zijn dat niet allemaal stemmen, die net als in de goddeloze
ons geweten in slaap sussen en ons verder doen gaan op die verkeerde weg,
een weg die ons uiteindelijk verder bij God vandaan haalt.

Die zonde is niet alleen erg, omdat het ons bij God vandaan haalt,
maar ook omdat vaak anderen er de dupe van zijn, schade lijden door ons gedrag,
doordat wij liegen een ander de waarheid niet meekrijgt,
doordat je roddelt een beeld creëert van een ander, dat niet klopt,
doordat je naar erotische beelden kijkt, niet meer onbevangen van je vrouw kunt genieten,
en alleen maar op haar gericht bent.
Het gaat om ons hart, dat ons hart zuiver op God is gericht
geleidt wordt door zuivere gedachten, over God, over onszelf, over de mensen om ons heen

Ons hart – ook in het avondmaal gaat het om ons hart,
over wat er leeft in ons hart, en dat ons hart gereinigd moet worden,
steeds weer opnieuw.
Geijkt moet worden – net zoals meetinstrumenten geijkt moeten worden.
Voorbereiding avondmaal geeft aan, dat wij zelf in ons hart kijken: Hoe staat het ervoor,
en dat we weer bij God aankloppen, dat Hij ons hart reinigt,
dat Hij een grote schoonmaak houdt, ons hart zuivert
en die andere stemmen, die zo aan ons trekken het zwijgen oplegt en uit ons leven bant
zodat we alleen nog maar aandacht hebben voor de stem van de goede Herder,
zodat het waar is door God zelf, wat Christus zegt:
dat de schapen de stem van de goede Herder horen, omdat ze Zijn stem herkennen
en dat ze daarom niet naar andere stemmen luisteren,
omdat ze weten, dat ze daarmee op de verkeerde weg worden gebracht.

Nu kan er altijd nog een stem in ons klinken, die bij het avondmaal steeds sterker wordt:
Als je in je eigen hart kijkt, en ziet wat er allemaal mis is,
dan kun je alleen maar schrikken en kun je beter wegblijven bij God.
Denk je echt dat je Hem onder ogen kunt komen?
Denk je echt dat je zo aan het avondmaal kunt zitten?
Er moet eerst heel wat gebeuren.
Je moet maar niet gaan.
Maar dan begrijpt u niet, waar het avondmaal over gaat.
Dat daar de Heere Jezus staat, die zegt:
je hart kan weer schoon worden, kijk maar naar het kruis op Golgotha,
Daar ben ik voor jou gestorven, en kijk maar naar het brood,
kijk maar naar de wijn – die wijzen naar mijn lichaam, die voor jou verbroken werd,
jij met je verkeerde leven, met je zonden, met je ongehoorzaamheid,
jij die eerder luistert naar verleiding dan naar mijn stem.
Nu roep Ik je om je te reinigen.
Door het avondmaal wordt u door dit betrouwbare teken en onderpand herinnerd aan en verzekerd van Mijn hartelijke liefde en trouw voor u.
Christus die zich overgaf in de dood, om u weer terug te brengen.

In de psalm is er een kloof, een grote overgang
en daar zullen we volgende week uitgebreid bij stil staan:
een loflied op God, op Zijn goedertierenheid en trouw.
Heere, Uw goedertierenheid reikt tot in de hemel,
Uw trouw tot in de wolken.
Dat is niet om afstand te scheppen.
Hoe heilig het avondmaal ook is, de stem van Christus roept u en jou
om erbij te zijn en erbij te horen bij Zijn gemeenschap
om Zijn goedertierenheid te ontvangen, die zo hoog is en zo wijd,
maar niet te hoog voor jou, voor u, maar juist er voor u, voor jou is,
als je van jezelf weet: ik red het zelf niet om rein voor God te staan
al ben ik geen grote zondaar, een heilige ben ik ook niet.
Of misschien bent u juist wel die grote zondaar.
Hoe ongelooflijk dat ook klinkt, er is ook die ene stem, die roept
de stem van Christus, van de goede Herder, jouw redder, Zaligmaker,
die jouw hart wil reinigen en zal reinigen:
Kom bij mij en ik zal je de waardigheid geven, die jij zelf niet hebt,
maar die je van Mij mag ontvangen om bij Mij aan tafel te zitten
om te proeven van Mijn goedertierenheid die zo hoog als de hemel is, die er ook voor jou is
Mijn trouw, die zichbaar werd op Golgotha en volgende week in brood en wijn.

Je mag komen, om bij Mij onder Mijn vleugels te schuilen, ook jij.
JE mag komen om verzadigd te worden met de overvloed van Mijn huis.

Bij het zien
van al die brokjes
denk ik
het is vogelbrood

Kom maar
schuwe hippe vogel,
kom maar
oude tamme kraai
kom maar
postduif moegevlogen
kom maar
mussen uit de goot.

Bij het zien van al die brokjes
weet ik
het is vogelbrood.

Amen

Vaker avondmaal vieren? Of juist minder vaak?

Vaker avondmaal vieren?  Of juist minder vaak?

Gisteren was ik bij de presentatie van “Ontvouwen. Protestantse prediking in de praktijk” (Bert de Leede / Ciska Stark). Tijdens deze bijeenkomst werd er (weer) een pleidooi voor vaker avondmaal vieren. Dat pleidooi kom ik geregeld onder collega’s tegen. Zou dat een verlangen zijn naar meer impact van het geloof op het dagelijks leven? Naar meer de aanwezigheid van Christus ervaren in het dagelijkse bestaan? Duidt dat op een gemis aan vormen om in het dagelijkse bestaan in de werkelijkheid van Christus te komen?


Niet iedereen ging er trouwens in mee, in het pleidooi van theologen van meer avondmaal. Vooral als dat ten koste van de preek gaat. Waar komt de waardering van de preek vandaan? Is dat omdat er woorden worden gegeven worden voor wat er innerlijk gebeurt? Is het de stem van Christus die vernomen wordt door mensenwoorden heen? Maakt het meer vieren tot een mysterieus gebeuren waarbij toch de behoefte is om te weten wat er gebeurt?

Zelf zou ik eerder pleiten voor minder avondmaal dan meer: 2 keer per jaar. Avondmaal vieren vragen vraagt best wel wat van de gemeenteleden: de week van voorbereiding is vaak een heel intensieve week. Onder andere vanwege het ‘oordeel eten en drinken.’ Daarnaast blijft toch een behoorlijk aandeel van de kerkgangers weg. Ook weer vanwege dat ‘oordeel eten en drinken’. Of vanwege de heiligheid. Of vanwege de gedachte: ‘Het is niet voor mij. Ik ben nog niet goed genoeg.’ Vaker vieren zou dat eerder versterken dan wegnemen.

Er is een herwaardering van rituelen binnen de protestantse kerken. Terecht, want geloof bestaat uit meer dan woorden en God is vaak te groot om onder woorden te brengen. Tegelijkertijd is er ook een aarzeling: het ontbreken van woorden kan het vaker maken en onduidelijk. Een van de voordelen van de preek boven het avondmaal is dat er meer duidelijkheid geschapen wordt. Avondmaal is weliswaar zichtbaarder, maar het is niet bij voorbaat duidelijk wat er inhoudelijk allemaal in het ritueel van het avondmaal gebeurt. Rooms-katholieken en Lutheranen die de aanwezigheid van Christus sterker aan de elementen brood en wijn koppelen zijn in die zin in het voordeel.

De gereformeerde traditie is Calvijn kwijtgeraakt, klonk er gisteren ook. Calvijn is juist met de viering van het avondmaal rooms-katholieker dan zijn gereformeerde volgelingen. In ons lans is het meer de invloed van Zwingli die voor een bepaalde viering en beleving van avondmaal heeft gezorgd. Dat zal best zijn, die invloed van Zwingli. Maar er zal toch een reden voor geweest zijn, waarom Zwingli met deze visie op het avondmaal is gekomen. En er zal toch een reden zijn waarom Zwingli in de Nederlanden zo aansloeg. Een pleidooi voor meer vieren of een andere beleving kan niet om de vraag heen, welke snaar Zwingli toen raakte.

Naschrift:
Pleidooi voor minder avondmaal vieren is meer bedoeld voor de context van gesprekken tussen theologen onderling. Zo’n voorstel zou ik nooit in een gemeente inbrengen. Wel vind ik dat avondmaal vieren erg intensief is. Dat vind ik als voorganger al helemaal, maar dat had ik toen ik nog alleen gemeentelid was ook. Alleen daarom ben ik wat huiverig voor meer vieren.

Het heeft wel een achtergrond. Ik ben veel met praktische theologie bezig geweest en dan  kijk je ook naar hoe een gemeente er mee bezig is. Het is niet alleen de voorbereiding maar ook de heiligheid die een rol speelt. Ik denk dat de heiligheid ook wel afschrikt. 

Wanneer er dan weer een pleidooi gevoerd wordt voor meer avondmaal vieren, dan heb ik een dubbele gedachte: mooi, maar ga het dan ook doen en tegelijkertijd vraag ik me af of gemeenten daar wel op zitten te wachten. Ik denk dat daar te gemakkelijk over heen gestapt wordt. Wat gebeurt er bijvoorbeeld met gemeenteleden die niet komen? Hoe voorkom je dat de eerbied en de heiligheid langzaamaan naar de vergetelheid gaat? Hoe
voorkom je dat het onderlinge aspect meer aandacht krijgt dan de presentie van Christus?

Tegenwoordig benadruk ik sterk de werkelijke aanwezigheid van Christus. Dat doe ik in de dienst en dat toe ik op momenten waarop ik het avondmaal uitleg. Maar er moet wel veel uitgelegd worden. En dat wordt niet minder bij meer vieren.

Bij het schrijven bedacht ik opeens dat het werkelijke punt misschien wel niet het vaker  vieren is, maar het gebrek aan een leven in de werkelijke presentie van Christus, ook in het dagelijks leven.  Ik ben daar ook veel mee bezig, ook in catechetisch opzicht, maar ook voor mijzelf. Het valt me steeds meer op, hoezeer het besef van leven in tegenwoordigheid van God weg is. En het is voor mijzelf ook moeilijk om in het concrete bestaan vorm te geven. Ook daarom zou ik voorzichtig zijn met meer avondmaal vieren. Verbloemt dat niet de huidige secularisering van het alledaagse bestaan? Ik zou eerder beginnen bij meer besef van heiligheid en eerbied en leven voor God willen stimuleren en dan pas het over meer avondmaal willen hebben.

Wat ik bedoelde met Zwingli is niet dat ik daarnaar terug wil, maar wel dat het goed is om helder te hebben waarom Zwingli zo aansloeg en waarom Calvijn op dit punt minder gevolgd werd dan Zwingli. Wanneer dat niet helder is, ligt het ook niet om het besef van sacramentaliteit terug te krijgen.

Vragen – Heilig Avondmaal

Vragen –  Heilig Avondmaal
(Belijdeniscatechisatie 2017)

1) Vooraf aan avondmaal is er een week van voorbereiding. Houd voor jezelf bij:

  • Of je tijd hebt om aan het avondmaal te denken
  • Waar je het meest aan denkt als het om het avondmaal gaat
  • Lukt het om met Christus bezig te zijn? Of ben je veel met jezelf bezig?

2) Lees het avondmaalsformulier door.  (wel de hertaalde versie!)

  • Welke passages spreken je aan? Welke niet?
  • Het avondmaal wordt tot troost en hulp gegeven. Waar bestaat die troost en hulp uit?
  • Beproef jij je eigen geloof wel eens? Lijkt dat op de 3 stappen uit het avondmaalsformulier?
  • Zijn er voor jezelf redenen om niet te gaan? Hoe moet je daarmee omgaan? Welke redenen noemt het formulier om niet aan te gaan?
  • Wanneer mag je volgens het formulier aan het avondmaal aangaan? Voldoe jij daaraan?
  • Volgens het formulier gaat het om een dubbele band: met God en met de mensen om je heen. Kun jij uitleggen waarom?
  • Het formulier eindigt met dankzegging. Waar zou jij dankbaar voor zijn?
  • Hoe ziet je leven en je geloof er na het avondmaal uit?

2) Als je op 12 februari in de kerk bent:

  • wat spreekt je het meest aan? Wat het minst?
  • op welke manier is Christus voor jou aanwezig bij het avondmaal?
  • waar zou jij mee bezig zijn als je aan de tafel zit?
  • wat verwacht je dat het avondmaal met je doet?

 

Vragen bij Hoofdstuk 12: Christus als Gastheer

Vragen bij Hoofdstuk 12: Christus als Gastheer

1) Begin niet gelijk met het lezen van het hoofdstuk, maar denk eerst na over je eigen ervaringen en indrukken van het avondmaal. Schrijf ze daarna op.

a) Hoe heb je het avondmaal beleefd tot nu toe? Heb je het kind als anders beleefd dan als tiener? En maakt het uit of je nu belijdeniscatechisatie volgt?
b) Hoe werd/wordt er bij jullie thuis gesproken over het avondmaal?
c) Wat verwacht je dat het avondmaal met je zal doen als je mag aangaan?
d) Is het avondmaal iets waar je naar uitkijkt? Waar kijk je dan het meest naar uit? Of zie je er juist tegenop? Waar kijk je dan het meest naar uit?
e) Welke vragen heb je over het avondmaal?

2) Het hoofdstuk heeft de titel: ‘Christus als Gastheer’. Denk daarover na en schrijf je gedachten op:

a) Probeer het voor je te zien dat Christus gastheer is. Hoe stel je je dat voor? Wat doet Christus als gastheer? Wie zitten er aan tafel? Zit jij zelf aan tafel? Hoe is het om wel/niet bij Christus aan tafel te zitten?(Als je creatief bent, zou je het kunnen maken, door bijvoorbeeld uit te tekenen, te borduren of schilderen.)
b) Denk aan een maaltijd waarin je zelf te gast bent of gastheer/gastvrouw. Wat is er dan hetzelfde in vergelijking met wat je bij (a) bedacht? Wat is dan verschillend?
c) Ken je Bijbelverhalen waarin Christus gastheer is? Kun je een verband vinden met avondmaal?
d) Kun je bedenken waarom dit hoofdstuk de titel “Christus als Gastheer” heeft?

3) Lees het hoofdstuk rustig door. Wat raakt je? Wat begrijp je niet? Welke vragen van 1e worden beantwoord en welke niet?

4) Lees 1 Korinthe 11:17-31 door zonder uitleg te zoeken. (Dit Bijbelgedeelte wordt in het hoofdstuk aan de orde gesteld.)  Gebruik de volgende symbolen bij het Bijbelgedeelte:
! Spreekt me aan
? Begrijp ik niet
Roept ongerustheid / weerzin / boosheid op.


In dit Bijbelgedeelte wordt de gemeente van Korinthe kritisch aangesproken. Het gaat niet goed bij het avondmaal vieren: zoals zij het avondmaal vieren heeft Christus het niet bedoeld: de rijken gaan eerst en hebben een eigen ‘feestje’ van tevoren. Daarna mogen de armere gemeenteleden meedoen. Paulus zegt dan: op deze manier is de gemeente geen eenheid. Als je uitgebreid wilt eten en drinken doe je dat maar thuis. Want avondmaal is niet zomaar iets: je geeft daarmee aan, dat Christus voor jouw zonden gestorven is.

a) Probeer voor jezelf te bedenken waarom de eenheid van de gemeente voor Paulus van belang is. Waarom is die eenheid juist van belang bij het vieren van het avondmaal? Wat voor een effect heeft het als de gemeente verdeeld is?

Extra uitleg
In het gedeelte gaat Paulus in op wat de Heere Jezus zelf heeft verteld. Het is geen eigen idee van Paulus, maar grijpt terug op het onderwijs van Christus zelf. In de uitleg gaat het om verkondigen en gedenken (gedachtenis). In het boekje staat op p. 88: ‘Gedenken is meer dan terugdenken aan’. Het is opnieuw beleven; weer present stellen. Wat er gebeurde, is nu nog steeds realiteit.’ Als je gedenkt bij het avondmaal, gaat het er dus om dat je nu beleeft dat Christus voor je gestorven is. Avondmaal vieren zou dus die ervaring moeten geven: ik ervaar dat Christus voor mij gestorven is.
Met avond verkondig je dus en roep je dat het kruis in gedachtenis:
* Verkondigen: door naar voren te gaan en aan tafel te gaan zitten en brood te eten en wijn te drinken geef je aan: ‘Christus is ook voor mij gestorven!’
* Gedachtenis: dat Christus stierf, gebeurde lang geleden. Maar ik beleef het alsof ik er zelf bij ben.

Dit Bijbelgedeelte is bekend / berucht geworden door het eten van een oordeel. Paulus bedoelt daarmee, dat je niet begrijpt wat het effect voor jouzelf is dat Christus voor jou gestorven is. Er is een belemmering tussen jou en Christus. Hier in de gemeente van Korinthe betekent dat: ze hebben niet door dat het sterven van Christus de gemeente een eenheid maakt en dat het verschil tussen rijk en arm niet meer van belang is.

5) Als bij ons avondmaal wordt gevierd, gaat het ook om zelfonderzoek. Dat komt uit 1 Korinthe 11. Het gaat erom, dat je bij jezelf nagaat of er nog een belemmering is tussen jou en Christus.

a) Als je over jouw relatie met Christus nadenkt, is er dan een belemmering die weg moet? Hoe kan die belemmering weggenomen worden?
b) Het nadenken over jouw band met Christus is bedoeld om bij Christus uit te komen. Gebeurt dat ook? Of wordt de belemmering om naar Christus toe te gaan alleen maar groter?
c) Durf je het aan om opnieuw te beginnen met Christus?

6) Er had ook een ander Bijbelgedeelte gekozen kunnen worden. Zoals Lukas 24:28-32. Of Openbaring 3:14-22. Welk gedeelte zou jij kiezen?