Preek zondag 29 september 2019 – Avonddienst

Preek zondag 29 september 2019 – Avonddienst
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 1 Korinthe 1:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een apostel, die blij is dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt.
Hoe kan Paulus daar nu blij mee zijn, dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt?
Trouwens, de opluchting dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt,
zal in de tijd dat hij werkte een heel ander gevoel zijn geweest:
een gevoel van hard moeten ploeteren zonder veel resultaat te halen.
Een tijd lang daar in Korinthe moeten werken,
zonder te merken dat zijn boodschap zo veel had uitgewerkt.
Slechts een enkeling uit Korinthe die ging geloven.
Pas nadat Paulus na een lange tijd van bijna vruchteloos evangelisatiewerk verder trok
en na hem andere apostelen kwamen, zoals Apollos en Petrus,
begon de gemeente te groeien doordat mensen tot geloof kwamen
en zich lieten dopen in de naam van Jezus Christus.
Paulus moet wel een sterke persoonlijkheid geweest zijn met een ruim hart
als hij niet jaloers wanneer Apollos komt met enthousiaste verhalen
over hoeveel mensen er onder zijn prediking tot geloof komen en zich lieten dopen.
Paulus heeft alleen maar geplant en Apollos mocht begieten.
Paulus strooide het zaad van het evangelie en Apollos mocht oogsten
en mocht het water van de doop over de nieuwe gelovigen gieten.
Vanwege de ruime oogst, die Apollos mocht binnenhalen,
stond Apollos in hoger aanzien dan Paulus. Ze hadden liever dat Apollos kwam dan Paulus.
Ondanks alle kritiek die veel gemeenteleden hadden op Paulus
en duidelijk lieten blijken dat zij meer hadden met Apollos,
heeft Paulus wel een zwak voor deze gemeente
en is hij dankbaar voor wat er in de gemeente gebeurt,
voor wat de Heere in de gemeente doet.
Daar dankt Paulus elke keer de Heere royaal voor.
Als Paulus zegt, dat hij blij is dat hij zo weinig mensen heeft gedoopt,
is dat niet een zure opmerking, waarbij hij tussen de regels door
wil laten merken dat de houding van de Korinthiërs hem kwetst,
dat hij ook een mens is met gevoelens, die gekwetst kan worden.
Het gaat Paulus om het grotere doel: dat er in Korinthe een gemeente is ontstaan,
volwassenen en kinderen, die bij Christus zijn gaan horen,
die de doop hebben ontvangen,
waardoor zichtbaar werd dat ze het oude leven achter zich lieten
en een nieuw leven in Christus ontvingen.
Dat zijn bijdrage maar klein geweest is, dat houdt hem niet zo bezig.
Hij heeft gezaaid. Dat is voor hem genoeg geweest.
Hij is vooral dankbaar dat er nu een oogst mag zijn, dat er vrucht is, geloof in Christus.
Hij ziet daarin dat God in de gemeente werkt,
dat de genade van God ook in de gemeente van Korinthe ontvangen mag worden.
Vanavond zijn we bij elkaar gekomen om God te danken voor wat Hij gegeven heeft.
We kunnen dankbaar zijn voor wat wij zelf, persoonlijk hebben ontvangen.
We kunnen in deze dienst van dankzegging ook kijken
hoe Gods genade hier in de gemeente uitgedeeld mag worden.
Gemeenteleden die vanmorgen met ons hun zonden bij het kruis brachten
om bij Christus genade en vergeving te ontvangen.
Het is bijzonder om te zien dat ook in onze gemeente het kruis een kracht heeft
om gemeenteleden te roepen tot Christus, tot de gemeenschap aan Zijn tafel.
Steeds weer is het bijzonder om te merken dat de roepstem van het kruis
gehoor vindt in onze gemeente.
Daar mogen we de Heere voor danken, voor die genade die ons als gemeente gegeven is.
Die dank voor wat God in de gemeente doet gaat bij Paulus altijd voorop.
Hij kan heel wat aan te merken hebben op de gemeente – en dat blijkt ook wel,
maar het eerste wat Paulus doet als hij de gemeente een brief schrijft,
is om te laten merken dat hij dankt voor Gods werk.
Het avondmaal vieren helpt ons ook om te zien, dat de Heere hier in de gemeente werkt.
We kunnen heel wat op de gemeente aan te merken
en toch is het goed om allereerst de blik omhoog te doen en te zien hoe God hier bezig is.
We kunnen dat gemakkelijk uit het oog verliezen.
De neiging kan er zijn om eerst te kijken naar wat niet zo goed gaat,
Wat je als gemeentelid mist, wat je voor je geloof tekort komt aan gevoed worden.
Ik heb dat wel meegemaakt, dat in een bepaalde gemeente gevraagd wordt
naar één punt waar men dankbaar is  als het om de eigen gemeente gaat
en een punt van zorg of kritiek,
dat de lijst met zorg en kritiek al snel een hele waslijst werd,
maar dat het moeilijk werd om iets aan te dragen waarvoor men dankbaar was
in deze gemeente – alsof er niets was om dankbaar voor te zijn.
Danken betekent dat je oog krijgt voor wat heel gewoon lijkt
en toch heel bijzonder is omdat je dat kunt rekenen tot wat de Heere nu hier doet.
Dat uzelf naar voren kwam en dat u zag dat degenen die naast u zaten ook gingen.
Dat degenen, die niet naar voren kwamen, omdat ze de moed niet hadden,
stilletjes in hun eigen hart avondmaal gevierd hadden.
Ze zagen hoe gemeenteleden vooraan zaten aan de tafel van Christus,
Ze zaten weliswaar zelf niet aan,
maar brachten zelf ook hun zonden aan de voeten van Christus.
Daar kunnen we de Heere niet genoeg voor danken.
Die dank is ook belangrijk, want het helpt ons ook te zien hoe God in onze tijd werkt.
Er kan een behoefte zijn om te zien waar de Heere werkt.
Vaak wordt daarbij wat in onze ogen gewoon is over het hoofd gezien,
Want dat vinden we gewoon en zien het bijzondere er niet van.
Paulus ziet in de gemeente van Korinthe wel het bijzondere,
Wat voor de gemeenteleden van Korinthe zelf misschien niet eens bijzonder meer is.
Paulus is dankbaar voor iedereen, die in de gemeente betrokken is geraakt,
voor iedereen, die is gaan geloven en de doop mocht ontvangen,
al was de echte groei van de gemeente pas gekomen nadat hij was weggegaan
En zal hij bij de doop van veel gemeenteleden niet zelf aanwezig zijn geweest

en alleen van horen zeggen wie er bij de gemeente zijn gekomen
doordat ze gedoopt werden in de naam van Christus.

Danken voor de gemeente wil niet zeggen dat je geen kritiek mag hebben.
Paulus schrijft zijn brieven steeds uit bezorgdheid over hoe het in de gemeente gaat.
Die bezorgdheid heeft te maken met de dank voor de gemeente,
met de genade die aan de gemeente geschonken is,
aan het zichtbaar zijn van het werk van God in die gemeente.
De eerste brief aan Korinthe is een vrij lange brief, waaraan we kunnen merken
Dat er best wat in de gemeente heeft gespeeld
En wie de brief doorleest, zal merken dat de gemeenteleden of de kerkenraad
niet altijd onder ogen heeft willen zien welke problemen er zijn.
De gemeente, waar Paulus voor dankt,
de gemeente waar Paulus op een afstandje zoveel ziet van het effect van genade,
Van kracht dat het kruis heeft – een kracht tot behoud, schrijft hij in vers 18.
Een gemeente die onderdeel is van de gemeenschap met Christus.
Toch zorgt die dankbaarheid er niet voor dat Paulus de ogen sluit voor de misstanden.
We lazen over groepen in de gemeente:
De ene groep die naar Apollos trekt, de andere groep die Petrus op het schild heft,
Een andere groep die de voorkeur uitspreekt voor Paulus,
Een vierde groep die weer een heel andere keuze heeft
en zegt dat ze met de kerkleiding die er is niets te maken heeft,
niet met Paulus, niet met Petrus, niet met Apollos,
maar puur en alleen aan Christus verbonden is
en schermt met die verbondenheid met Christus,
alsof zij binnen die gemeente een exclusieve groep zijn,
die zich van anderen niets hoeven aan te trekken, met hen niet hoeven samen te komen,
en niet met de anderen hoeven mee te leven.
Ik ben van Christus
– dan niet in de zin van dankbaarheid dat ze gered zijn van een verloren bestaan,
en dat ze beseffen dat ze in het oordeel van God vrijgesproken kunnen worden,
maar als een groep die hen exclusief maakt en apart zet van andere gelovigen.
Als een soort elite binnen de gemeente, een speciaal niveau,
een hoog level dat je niet zomaar bereikt.
Dan maak je van genade een status
En redding van verlorenheid een exclusief gebeuren, waarin jij alleen speciaal wordt.
Dat is nu precies het omgekeerde.
Daarmee doe je als gelovige het kruis tekort en doe je de betekenis teniet.
Want Christus stierf niet voor onze zonden om ons nu eens op het schild te heffen,
Want dan zouden we zwak blijven voor de zonde van hoogmoed
en van neerkijken op anderen
en de zonde om toch uiteindelijk niet voor God te willen knielen.
Paulus heeft ontdekt dat het kruis je nederig maakt.
Dat was een harde, confronterende les, waarbij hij alles wat hij dacht te hebben,
kwijtraakte, zelfs zijn status als gelovige moest inleveren,
omdat het alleen maar buitenkant was, schijn.
Hij dacht God te hebben en God te dienen,
maar toen hij Christus ontmoette besefte hij dat het leeg was bij hem van binnen.
En toch was er ook voor hem genade
zelfs voor hem, die de gemeente van Christus vervolgde
En daarmee Gods werk dwarsboomde.
De genade ging zelfs nog verder: Hij werd geroepen om als apostel te dienen.
Om erop uit te gaan het verhaal te vertellen over Christus,
van het kruis en de opstanding, van de straf die Christus droeg
en de vrijspraak in het oordeel die is te ontvangen.
Misschien is het wel die eigen ervaring,
die intense ervaring, die heel zijn leven op zijn kop zette
wel die hem fijngevoelig maakt voor de genade die in de gemeente werkt
en waardoor hij haarscherp aanvoelt hoe die genade
binnen de gemeente onder druk kan komen te staan.

Zo komt de vreemde uitspraak van Paulus, dat hij blij is
dat hij er maar weinig gedoopt heeft in de gemeente in een ander licht te staan.
Het gaat er niet om wie er gedoopt heeft.
Natuurlijk, je mag een speciale band hebben met een predikant
die je kinderen doopte, bij wie je zelf belijdenis deed, met wie je in de kerkenraad zat.
Paulus zal met bepaalde mensen ook een speciale band gehad hebben.
Hij had in ieder geval contact met Chloë en degenen die bij haar hoorden,
haar huisgezin, of degenen die met of voor haar werkten.
En van hen krijgt hij informatie over hoe het in de gemeente gaat.
Het gaat er niet om, wie er doopt of bij wie je belijdenis doet.
Het gaat allereerst om Christus, wiens naam je belijdt, in wiens naam gedoopt wordt.
Dat je in Hem gelooft, dat je toetreedt tot de gemeenschap met Hem, onze Heere.
Dat je van Hem wordt – Jezus Christus mijn getrouwe heiland eigen ben.
Je kunt niet bij de hemelpoort komen en zeggen: Ik ben door die dominee gedoopt.
Of bij die predikant heb ik belijdenis gedaan.
Het gaat erom of je van Christus bent, dat je verbonden bent aan Hem,
die Zijn leven gaf op Golgotha, die vanmorgen brood en wijn aanreikte.
Die de genade in de gemeente laat werken.
DAt je op de dag waarop Christus terugkomt, voor Hem kunt verschijnen:
onberispelijk, zegt Paulus.
Dat er niets op je aan te merken is.
Dat kan allleen maar als je met Hem verbonden bent, van Hem geworden bent.
Als dat zo is, dan mag je aan het avondmaal,
dan is de toegang tot het koninkrijk van God open en mag je binnengaan
omdat Christus je binnenlaat: voor jou ben ik aan het kruis gegaan.
Dan mogen we voor eeuwig loven en prijzen.
Dat loven, die dankbaarheid, de lofprijzing begint nu al, omdat we nu al mogen merken
dat God werkt en Zijn genade geeft en dat die genade ontvangen wordt
opgenomen wordt met dankbaarheid en blijdschap, geloofd wordt.
Amen

Preek zondagmorgen 10 februari 2019

Preek zondagmorgen 10 februari 2019
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: Vers 24-27

Gemeeente van onze Heere Jezus Christus,

We moeten allemaal eens voor God verschijnen.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan komen we voor Zijn troon te staan.
Hoe zal Hij dan over ons leven oordelen?
Mag je binnenkomen in Zijn heerlijkheid?
Of zal Hij aangeven dat er geen plaats voor je is?

Je kunt die vraag voor je uitschuiven,
maar er komt een dag waarop we daar staan voor Hem.
Niemand weet wanneer die dag zal komen
en niemand of hij of zij de tijd krijgt om daar alsnog over na te denken.
Als je niet wilt nadenken over hoe het straks zal zijn, als je voor Hem komt,
dan lijk je op iemand die een huis bouwt op het zand, een huis zonder fundament.
Een huis op zand bouwen, betekent dat je je niet zo druk maakt
over hoe het zal gaan als je voor God komt te staan.
Je komt er wel door en zult wel worden binnengelaten.
Je bent dan iemand die een huis bouwt, je eigen levenshuis,
zonder je druk te maken om het fundament,
zonder na te denken of je huis wel stevig staat.
Het is onverstandig, dwaas, als je ervan uit gaat dat het altijd mooi weer blijft,
dat de zon altijd in je leven blijft schijnen.
Als het zover is, blijft er weinig van overeind, want het had geen enkele vastigheid.
De storm, waar de Heere Jezus over spreekt,
de hevige regen en het water dat buiten de oevers treedt en zorgt voor een overstroming,
daarmee bedoelt Hij niet dat er over je aardse levens heel wat stormen kunnen komen.
Dat kan zeker – hier in de kerk zijn er heel wat bij wie het gestormd heeft in hun leven
en ook dan is het belangrijk dat het huis van je leven op Christus de rots is gebouwd.
Maar hier betekenen de storm die om het huis heen waait:
het oordeel van God over ons leven, dat Hij zal uitspreken
Als we aan het einde van ons aardse leven voor Zijn troon komen te staan.
Er is maar één manier waarop ons levenshuis in die storm overeind kan blijven staan,
Waardoor we ook geen zorgen hoeven te maken voor dat moment,
Waarop we voor Hem moeten verschijnen.
Als ons huis gebouwd is op Christus de rots
en het huis van ons leven is op Hem gebouwd
als we Hem in geloof aannemen, als we in vertrouwen op Hem leven
en dat niet alleen bij mooie woorden laten.
Ons levenshuis is op Hem gebouwd, als we Zijn woorden niet alleen horen,
maar ook in praktijk brengen.
Wanneer je dat doet, dan ben je verstandig
en dan weet je zeker dat je kunt verschijnen, dat je houvast hebt.

Wanneer je dat niet doet, wanneer je de woorden van Jezus wel hoort,
maar langs je heen laat glijden en er niets mee doet en ze niet in praktijk brengt
dan ga je er aan voorbij dat je leven hier op aarde eens zal eindigen
en dan ben je net zo dwaas bezig als iemand die een huis bouwt,
zonder voor een goed fundament te denken.
We komen niet alleen aan het einde van ons leven voor God,
maar ook als we in de kerk zijn, als we bidden of lezen in de Bijbel.
Dan komen we voor God te staan.
Omdat we Hem dan niet zien en niet altijd ervaren,
kunnen we er op dat moment aan voorbij gaan, dat we voor God zijn gekomen.
En als we het hier goed hebben, kunnen we het voor ons uitschuiven
dat het moment eens zal komen waarop de Heere vraagt
wat we met ons leven hebben gedaan.
We kunnen dat niet voor ons uitschuiven,
want als we ons levenshuis nu niet op Hem bouwen, dan staat ons huis op het zand
En zijn we onvoorbereid voor dat moment.
Het gaat er om dat ons levenshuis op Hem is gebouwd.
Als we naar de kerk gaan, dan is de vraag die steeds op ons afkomt:
Waar is ons huis op gebouwd?
Op zand omdat we denken dat we er zo wel komen en zelf genoeg doen?
Of is ons huis gebouwd op de enige Rots die er is: Jezus Christus?
Als we avondmaal vieren, dan zijn we bezig om ons levenshuis op Hem te bouwen.
We beseffen dat als Christus niet het fundament onder ons leven is
We niet overeind blijven als we voor Hem komen.
Als we avondmaal vieren, kijken we ook terug en beseffen we
Dat er heel wat momenten weer zijn geweest, waarop we eerder bouwden op het zand
Dan op de Rots, die God ons biedt, de stevigheid, het houvast dat God ons aanreikt.
Avondmaal vieren is de kans weer opnieuw krijgen,
om niet op zand te bouwen, maar ons levenshuis te bouwen op Christus.
Alleen dan heeft ons huis stevigheid en houvast.
Alleen dan blijft ons levenshuis overeind als de storm om het huis giert,
Als een zware regenbui tegen de ramen en de muren aanslaat.
De Heere Jezus vertelt het ons ook als uitnodiging om het te doen,
als aansporing om te komen tot Hem en ons leven niet zonder Hem te leven.
Als waarschuwing dat als we dat niet doen,
we niets anders hebben dan een huis zonder fundament, dat niet overeind blijft.
Als we avondmaal vieren, dan zoeken we onze houvast in Hem.
Dan zeggen we tegen de Heere: wij willen ons huis niet op zand bouwen,
maar ons levenshuis bouwen op het fundament dat U geeft, dat U zelf bent.
Als we avondmaal vieren, is dat een gebed: Bouwt U ons levenshuis,
legt U dat fundament onder ons leven,
want wijzelf zijn geneigd om op een verkeerde plek te bouwen.
Dat moeten we ook belijden, en vragen of U ons wilt vergeven
door het sterven van Uw zoon Jezus Christus
Door Zijn sterven is er fundament onder ons leven
En met dat fundament onder ons leven laat U ons bij U binnengaan. Amen

 

Preek zondag 3 februari 2019

Preek zondag 3 februari 2019
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: Mattheüs 7:13-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Er zijn kinderen, jongeren en volwassenen die in deze tijd een keuze moeten maken.
Leerlingen in groep 8 hebben net de CITO-toetsen gemaakt
en denken nu samen met hun ouders na over de school die gekozen moet worden.
Leerlingen op de middelbare school in de 2e of de 3e denken na
over welk profiel er gekozen moet worden voor het volgende jaar.
Eindexamenkandidaten denken na over de vervolgopleiding of studie na het examen.
Er zijn gemeenteleden die een keuze hebben moeten maken
of ze door gingen met een ingrijpende behandeling of chemokuur of gingen stoppen.
In de komende week denken gemeenteleden ook na over de keuze
of ze wel of niet aan het avondmaal zullen aangaan.

Bij een keuze kun je het gevoel hebben, dat je op een kruispunt staat:
Je kunt uit twee of meerdere wegen kiezen,
maar je weet niet goed wat nu de juiste weg is om in te slaan,
omdat je niet goed weet hoe een bepaalde keuze gaat uitpakken.
Je kunt wel kiezen voor havo/vwo, maar je weet niet of je het aankunt.
En je kunt wel kiezen voor kwl of tl, maar je weet niet of het te makkelijk zal zijn.
Je kunt nu wel een bepaald profiel kiezen, maar je weet niet goed
of je met dit profiel wel goede cijfers haalt en zult slagen voor je examens.
Een keuze maken of je wel of niet moet doorgaan met een behandeling
is een ingewikkelde keuze, omdat je niet weet hoe je gaat reageren:
word je er heel ziek door of reageert je lichaam er heel goed op.
Zelfs bij de keuze om aan het avondmaal aan te gaan
of juist de keuze te maken om weg te blijven of om in de bank te blijven zitten
kun je nog de twijfel hebben of je er wel goed aan doet:
Zal deelname aan het avondmaal mij dichter bij Christus brengen?
Is het een goede keuze om weg te blijven of te blijven zitten?

Een keuze maken kan ook ingewikkeld zijn, omdat je niet goed weet
of je de keuze nog een keer kunt maken.
Bepaalde keuzes zijn zo belangrijk, dat je niet meer terugkunt.
Het is dan net alsof je voor verschillende deuren staat:
Bij een keuze ga je door een van deze deuren en je komt nooit meer bij de andere deur.
Als je kiest voor kwl of tl ga je een richting op, waarbij je voor sneller voor een beroep leert
en als je dan toch nog hogerop wil voor een opleiding of studie kan dat extra tijd kosten.
Als je in je examenjaar kiest voor een vervolgopleiding kun je niet zo makkelijk switchen
omdat de kosten te groot zijn voor het ruilen van studie.
Je moet daarom goed weten wat je van tevoren kiest, zodat je geen verkeerde keuze maakt.
Heb je gekozen, dan zit je voor een deel vast aan die keuze.
Ook als het gaat om stoppen met een behandeling of doorgaan, gaat het om een keuze
waarbij je waarschijnlijk niet meer de kans krijgt om nog een keer te kiezen,
of het moet zijn dat de behandeling je zwaar valt en weinig resultaten geeft,
zodat je alsnog wel moet stoppen met de behandeling.
Ook als je kiest om wel deel te nemen aan het avondmaal, kun je misschien niet meer terug
maar ook als je er voor kiest om niet aan te gaan
zal de keuze om ooit wel te gaan niet zo makkelijk genomen worden.

De Heere Jezus wil ook dat we een keuze maken
en gebruikt daarvoor het beeld van een poort (deur) en van een weg:
De poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt,
en weinigen zijn er die hem vinden.
Je hebt twee keuzes: de ene is een hele brede poort en een ruime weg,
de andere is een klein deurtje en smal weggetje.
Moet u zich eens voorstellen wat dat betekent:
De manier van leven, zoals de Heere Jezus die voorschrijft, is geen makkelijke weg.
Het is een klein deurtje, een kleine poort.
Een kleine ingang, waar je zo maar aan voorbij kunt lopen, als je er niet op gericht bent
en als je er naar op zoek bent, om zo te leven als Jezus dat vraagt,
kan het zijn dat je er eerst aan voorbij loopt, omdat deze poort niet opvalt,
je moet door de straat waar je bent heen en weer lopen
en als je ervoor staat, vraag je je nog steeds af of je wel goed zit.
Voor de deur ligt alles nog onder het sneeuw,
geen enkele aanwijzing door voetstappen in de sneeuw dat iemand door die deur is gegaan.
Jezus vervolgt het beeld: een nauwe poort en een smalle weg.
Een smalle weg is een weg die je bijna niet ziet,
Waarbij je goed moet uitkijken of je inderdaad op de weg bent of er niet naast stapt.
Een weg waardoor je niet vordert.
Of een weg, zoals in de bergen, waarbij je voorzichtig moet lopen,
omdat de ruimte om erover te lopen niet zo breed is.
Het is een weg, waar je vooral alleen op loopt.
Het is stil, je ziet bijna niemand anders,
en daardoor ga je je afvragen of je wel op de goede weg zit.
Is dit wel de weg naar het beloofde einddoel?
De weg die Jezus aanprijst is een nauwe poort, een achterafweggetje,
waar je heel lang erover doet om de stad uit te komen.
Die weg waarop je allerlei verkeersdrempels tegenkomt,  verkeerslichten waar je voor stopt
een vrachtwagen die gelost moet worden die de weg blokkeert,
tegenliggers voor wie je aan de kant moet gaan en even moet stoppen.
Een weg die je veel tijd kost en waarop je na verloop van tijd je afvraagt of je wel goed zit
want je komt voor je gevoel nauwelijks vooruit.
De manier van leven die Jezus voorschrijft is niet als die gemakkelijke weg,
die door de massa genomen wordt,
De levensstijl die bij Hem hoort is niet als een weg waarop je zo weg komt en snel opschiet.
Bijna niemand die dezelfde keuze maakt.

Kun je bij de keuze voor een school nog laten meewegen wat je vrienden kiezen,
deze weg, die Jezus aanprijst, wordt door bijna niemand gegaan.
De meerderheid kiest die andere weg, en die andere poort:
Een brede poort met allure die uitstraalt dat je daar moet zijn.
Een brede, wijde poort geeft aan dat die ingang erg belangrijk is, die moet je hebben!
Dit is de hoofdweg, de meest belangrijke weg die er is, die weg moet je gaan.
Of in onze tijd een hoofdsnelweg van 3 of meer banen, een weg die bijna iedereen kiest
en niet dat achterafweggetje waar je heel lang erover doet, met veel oponthoud.
De ruime weg is een weg, waarop je mooi kunt opschieten
met een duidelijke bestemming en die je het gevoel geeft dat je bestemming belangrijk is.

Wat is dan die keuze, waar de Heere Jezus het over heeft?
Want dat is toch wel van belang om te weten welke keuze je moet maken,
Hoe je door die nauwe poort kunt gaan en welke weg je moet inslaan.
Als je een keuze maakt voor een school, ga je naar een open dag.
Als je een keuze moet maken voor een profiel vraag je het bij docenten na
Bij een keuze voor wel of geen behandeling laat je je voorlichten door het ziekenhuis.
Hoe zit dat met de nauwe poort, waarvan Jezus zegt dat we daar doorheen moeten gaan?
Je zou kunnen denken aan wat nodig is bij de voorbereiding voor het avondmaal:
Erover nadenken wat er mis is in je leven, wat er mis zit in de relatie met God
en bereid zijn om dat eerlijk aan God toe te geven dat het mis zit
En Hem te vragen of Hij opnieuw wil beginnen met je
en te vragen of Hij je de kracht wilt geven zelf ook opnieuw met God te beginnen.
Het is niet makkelijk om naar God toe eerlijk te zijn over jezelf,
al weet je dat Hij alles van je weet en alles gezien
en nog beter dan jijzelf weet hoe het ervoor staat met je.
We kunnen de neiging hebben om dat weg te stoppen en ons groot te houden voor God.
Of je kunt wat geprikkeld reageren: moet het steeds gaan over wat mis gaat?
Moet is steeds nadenken over mijn zonde?
Het eerlijk toegeven, aan God belijden en om vergeving vragen en ook een nieuw begin
kan een nauwe poort zijn, omdat je daar niet aan wilt
en je loopt door met zoveel anderen, die dat ook niet willen, verder over die ruime weg.

Of je wilt dat niet, omdat die keuze om door de nauwe poort te gaan veel van je vraagt
en je weet al dat je het niet vol kunt houden op die smalle weg.
Je weet dat je niet het vertrouwen in God hebt dat je zou moeten.
Je komt in je geloof zoveel tekort en je kent jezelf,
je weet van jezelf dat dit er – als het aan jezelf ligt – er niet beter op gaat worden.
Of er zit wat tussen jou en iemand anders in, onenigheid
en je weet dat je zo op deze manier niet aan het heilig avondmaal kunt komen,
omdat het niet goed zit, maar je wilt het niet goed maken,
omdat je eigen trots je tegenhoudt om de minste te zijn,
je wilt niet de eerste stap zetten om het goed te maken,
omdat je dan moet toegeven dat je zelf ook niet goed zat en er zelf ook een aandeel in had.

Om te weten wat de Heere Jezus bedoelt met die nauwe poort kunnen we ook lezen
in de toespraak die Hij hield daar op die heuvel bij het meer van Galilea.
Hij sprak over degenen die lijden aan deze wereld,
omdat deze wereld zo ver verwijderd is van hoe God deze wereld bedoelde.
Hij sprak over verleidingen die je naar de ondergang kunnen brengen
en dat het daarom beter is om een oog uit te steken of een hand af te hakken.
Hij sprak over voor iemand die je afdwingt om iets te doen het dubbele te doen.
Hij gaf aan dat als iemand je slaat je ook de andere wang moet toekeren
en als iemand je vijand is, dat je voor diegene moet bidden en zelfs moet liefhebben.
Dat je hen het goede toewenst en ook hen op een goede manier behandelt.
Hij gaf aan dat je je geen zorgen mag maken en dat wie dat wel doet kleingelovig is.
Als je die hele bergrede leest, gaat het steeds om een manier van leven
die we niet kunnen opbrengen.
Wij kunnen niet doen wat Jezus ons opdraagt.
En dan moeten we in deze week ons voorbereiden op het avondmaal.
Je weet dat het niet goed zit met God, omdat je steeds de fout in gaat
en je beseft: wat Jezus van mij vraagt kun je niet volbrengen.
Hoe kun je dan ooit nog aan het avondmaal gaan.
Want zoals je leeft, dat is dan toch de brede weg, de weg naar de ondergang?
Dan hebben de gemeenteleden die volgende week niet komen, omdat het niet voor hen is,
toch gelijk en kunnen we toch beter het avondmaal maar overslaan,
Want Jezus legt de lat zo hoog dat niemand die kan behalen.
Wees volmaakt, zoals onze Vader in de hemel volmaakt is.

Wat Jezus vraagt is in veel gevallen moeilijk op te brengen,
maar Hij doet dat niet om ons te ontmoedigen.
Ja, Hij weet dat het een moeilijke weg is en daarom noemt Hij dat ook zo:
Een smalle weg, waarop je soms kunt voortploeteren,
een weg waarop je de moed geregeld in de schoenen zinkt.
Het is een weg van jezelf verloochenen, kruisdragen.
Jezus vertelt er niet bij waarom die weg zo moeilijk begaanbaar is.
Het kan zijn dat we zelf veel willen vasthouden, wat we los moeten laten.
Dat we niet kunnen knielen voor Hem,
of bereid zijn om alles te geven.
Of dat we die keuze niet kunnen maken, omdat we kijken naar ouders of vrienden,
die de keuze om de weg van Jezus te gaan niet hebben gemaakt.
Als het gaat om niet aan kunnen gaan aan het avondmaal
wordt dat nogal eens aangedragen: mijn ouders gingen niet en ik ben niets beter dan zij.
Nee, inderdaad, maar het gaat niet om welke keuze zij gemaakt hebben,
maar het gaat om welke keuze jijzelf maakt, nu je voor de mogelijkheid staat.
Ga je door die nauwe poort, de weg van Jezus op of loop je door op die brede weg?
Zou de stap naar het avondmaal niet een manier zijn om door die nauwe poort te gaan
en met wat je daar krijgt aan vergeving en kracht in je geloof, vernieuwing
verder te gaan op de weg die je bent ingeslagen, de weg dicht bij Jezus
Dat is één manier.
Kinderen en jongeren en gemeenteleden die geen belijdenis hebben gedaan
Jullie vragen je misschien af, hoe je door die nauwe poort kunt gaan.
Want het is niet een poort die je ziet, net als je de weg niet ziet waar Jezus over spreekt.
Door die nauwe poort gaan is kiezen voor Jezus.
Bijvoorbeeld met je hart: ik wil bij U horen, ik wil met U meegaan, mijn leven is van U.
Maar wat de Heere Jezus hier bedoelt is dat het om meer gaat.
Dat je niet alleen met je hart zegt: ik geloof, ik wil van U zijn, U bent mijn Heer.
Maar dat je dat ook laat merken in hoe je doet,
een manier van leven, een levensstijl.
Als je verkering hebt, dan hoor je bij iemand en dat laat je vaak merken.
Je schrijft de naam van je vriend en vriendin op verschillende plaatsen op,
je versiert die naam misschien met allerlei hartjes.
Maar je laat dat ook zien door met die ander op te trekken
En als het echt serieus is, ga je ook rekening met elkaar houden.
Je laat dingen na, die de ander niet zo leuk vindt,
of je gaat je gedragen, zoals die ander graag wil.
Door de nauwe poort gaan, betekent:
dat je je gaat gedragen, zoals de Heere Jezus dat graag wilt
omdat je van Hem houdt, en Hem wil volgen in je leven.
Ik heb net een aantal voorbeelden genoemd en ik zal ze nu kort nog herhalen:
verleidingen uit de weg gaan en ertegen vechten,
als iemand je vervelend behandelt, dat niet gelijk beledigd doorvertellen aan anderen,
of gaat schelden of gaat ruziemaken of zelfs gaat vechten
maar dat je nadenkt: hoe kan ik goed zijn voor die ander.
Als ik nu eens voor die ander ga bidden,
dat is beter dan allerlei nare gedachten over die ander te hebben.
Dat doe je omdat Jezus graag wilt dat je zo wordt.

En in de komende week, waarin we nadenken over het avondmaal,
denken we of we wel zo geleefd hebben, zoals Jezus dat graag zou willen.
Dan kom je erachter, dat het veel beter kan,
Dat je je soms er wel makkelijk van af gemaakt hebt, of gewoon niet wilde.
Dat is niet goed, dat moet beter.
Het mooie van het avondmaal, is dat je weet: Christus vergeeft en begint met mij opnieuw
Ik mag het opnieuw proberen en steeds weer opnieuw proberen.
Soms vorder ik en doe ik het echt beter, geregeld stel ik mijzelf en Christus teleur,
Dat klinkt makkelijk maar is het niet, want je hebt spijt dat je verkeerd was, steeds weer.
maar dan mag ik weer opnieuw beginnen. Christus begint met mij opnieuw.
Dat is de smalle weg en die nauwe poort: de weg van spijt en opnieuw moeten beginnen,
maar Christus die steeds met mij opnieuw begint, telkens weer.
Want Hij wil dat ik op die smalle weg blijf lopen,
om bij Hem aan te komen in Zijn heerlijkheid.
Daarom geeft Hij het avondmaal als een middel om het vol te houden
in de strijd tegen verleiding, tegen zonde, tegen afhaken
om het vol te houden op die smalle weg. Die kracht hebben we nodig,
evenals de vergeving die we ontvangen. Ook die hebben we nodig.
Het avondmaal herinnert ons eraan dat we bij Hem moeten zijn.
Daarom word jij, wordt op genodigd, opgeroepen op te komen bij Hem
om brood en wijn te ontvangen.
Amen







Preek zondagavond 9 september 2018

Preek zondagavond 9 september 2018
Nabetrachting Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u zichzelf wel eens als heilige gezien?
Ik denk dat niemand zo over zichzelf denkt,
ook niet degenen die vanmorgen aan het avondmaal zijn aangegaan.
Of misschien u juist dan niet, omdat u uzelf zondaar weet
en de genade van Christus nodig hebt, vergeving van zonden.
Als ik zou vragen of u uzelf als zondaar ziet,
dan zou het antwoord eerder instemmend zijn,
of omdat u dat herkent bij uzelf,
of omdat u dat zo vaak gehoord hebt dat u dat bent, dat u dat met moet geloven.

Paulus spreekt de gemeente in Korinthe wel zo aan:
De gemeente is gemeente van God,
dus niet zomaar een groep mensen, maar een groep bij elkaar gebracht door God,
waarin Hij met Zijn Geest werkt, vrijgekocht door het bloed van Christus,
apart gezet om voor Hem te leven.
Een gemeente van mensen die niet van zichzelf zijn, maar van God.
Een gemeente van heiligen – aan de heiligen in Achaje.
Kun je dat wel van een gemeente zeggen,
van de gemeente van toen in Korinthe en van Oldebroek nu,
een gemeente van God, heiligen in Achaje, in de omgeving van Oldebroek?
Zijn er niet onder ons die te weinig serieus geloven en er te weinig werk van maken?
In het verleden lag het ook gevoelig.
Toen ds. Noordegraaf hier in de jaren-’60 predikant werd,
kreeg hij ook met kritiek te maken toen hij zijn preek begon met: ‘Gemeente van Christus’.
Ad rem als hij altijd was, zei hij: ‘Ik kan toch moeilijk zeggen: “Gemeente des duivels”?’
De gemeente aanspreken als gemeente van God, of als gemeente van Christus
is een lofzang – niet zozeer op de gemeente zelf, maar op God,
de God die deze gemeente uitgekozen heeft, bij elkaar gebracht heeft en onderhoudt.
Wat de gemeente is, dat heeft de gemeente alleen maar aan God te danken,
de Vader van alle barmhartigheid, de God van alle vertroosting,
de Vader van onze Heere Jezus Christus.
Als u als gemeente van Christus aangesproken wordt,
is dat allereerst een dank aan de Heere:
Dank U, dat U Uw Zoon naar deze wereld zond, de dood in, om onze schuld te dragen.
Dank U wel, dat U hebt bent, die ons bij elkaar brengt
naar ons toe komt en ons aanspreekt, in ons midden wil zijn, onze God! mijn Vader!
Als de gemeente aangesproken wordt als gemeente van onze Heere Jezus Christus,
dan is dat ook een herinnering aan wat u bent, hoe jij hier zit.
Je bent hier, omdat God in je leven werkt, omdat Christus voor jou gestorven is,
omdat de Heilige Geest met jou bezig is, om in jouw hart te werken,
zodat jij ook gaat geloven in God, zodat je ook gaat beseffen: Ik hoor bij Hem.
Om zichtbaar te maken dat we gemeente van Christus zijn, wordt het avondmaal gevierd.
De tafel voor in de kerk een gewone tafel met gewone lakens er op,
wel met bijzondere schalen en bijzondere bekers,
en tegelijkertijd is het de tafel van Christus,
De koster heeft alles klaar gezet en toch: Christus is de gastheer.
Hij is aanwezig, Hij nodigt u, Hij reikt aan jou het brood aan en de wijn krijg je van Hem.
Met brood en wijn geeft Hij zichzelf: als herinnering aan wat Hij deed op Golgotha,
maar ook als bevestiging dat je nog steeds van Hem bent,
ondanks je fouten en tekortschieten, dat Hij je niet loslaat, al maak je er weinig van.
Hij reinigt je en begint met jou opnieuw.
Daarom: gemeente van God, daarom: heilig.
Je bent heilig.

Dat is niet om je een extra status te geven,
maar is bedoeld om je te laten weten: God is met je bezig.
Hij verandert je. Hij vergeeft en reinigt je van je zonden.
Heilig betekent: de Geest is in jou aan het werk, met jou aan de slag.
Heilig, dat betekent, zoals het avondmaalsformulier dat zegt,
dat je de waardigheid die je nodig hebt om bij Christus te komen aan tafel,
dat je die waardigheid ontvangt.
Die hebben we niet van onszelf.
Naar het avondmaal gaan is niet laten zien, hoe goed je het doet als gelovige,
nee, dat we daar kunnen zitten hebben we alleen aan Hem te danken.
We krijgen die waardigheid geschonken om het brood te mogen eten
en de wijn te kunnen drinken.
Als u vanmorgen niet kon aangaan, moet u dat eens voor uzelf bedenken.
De plek daar aan de tafel en de mogelijkheid om aan te gaan,
wordt u door Christus zelf aangeboden. Het is voor u betaald!
Maar misschien hebt u in de bank gezeten en gekeken en in uw hart meegedaan.
Of hebt u thuis bij de kerkradio de dienst gevolgd.
Soms hoor ik dat thuis op een eigen manier avondmaal meegevierd wordt.
De waardigheid om het avondmaal te vieren gaat niet pas in werking
als u naar voren loopt en aan de tafel aanschuift en brood pakt en wijn drinkt.
Nee, de waardigheid is er omdat Christus zichzelf gegeven heeft.
Vanaf het kruis op Golgotha stond wordt de waardigheid aangeboden.
U hoeft er alleen maar gebruik van te maken.
De enige voorwaarde is, dat u gelooft dat het ook voor u is,
maar dat betekent niets anders dan de waardigheid aannemen,
dat betekent niets anders dan u zichzelf door Christus met heiligheid te bekleden,
dat is niets anders dan accepteren dat de Geest ook met jou aan de slag is.

De gemeente waar Paulus aan schreef, daar in de havenstad Korinthe,
was echt niet de ideale gemeente, zodat ze van zichzelf konden zeggen
wij zijn nu echt het voorbeeld van hoe een gemeente van Christus moet zijn,
nee, ik denk dat ze zelf ook wel verbaasd waren dat Paulus hen aansprak
als gemeente van God, gemeenschap van heiligen.
Want ze hadden van Paulus gehoord dat er nogal wat aan te merken was
op hun geloof, te weinig vertrouwen in de opstanding van Christus.
op hun levenswandel, onder andere doordat een gemeentelid een relatie onderhield
die binnen een gemeente van God niet te accepteren was.
op hun omgang met elkaar, waar de liefde soms ver te zoeken was.
En toch: gemeente van God. En toch: heiligen in Achaje.
Dat bent u als gemeente en als gelovige ook: van God en heilig.
Niet om uzelf op de borst te kloppen: dat hebben we nu zelf bereikt,
nee: het is gegeven, niet omdat u, jij of ik daar recht op heb, niet zelf verdiend,
maar omdat Christus aan het kruis ging en onze schuld droeg
en het goed gemaakt is – verzoend met God: de breuk die er was, is geheeld.
Je bent weer van God en omdat God heilig is, wordt je ook weer heilig – heilig gemaakt.
Dat is een van de weldaden, waar het formulier over spreekt: gerechtigheid.
We ontvangen de gerechtigheid, die van Christus is.
Al blijft dat hier op aarde een proces, een werk dat nooit af is.
Zolang we hier op aarde zijn, heeft de Geest aan ons werk
om ons heilig te maken en heilig te houden.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan leggen we het aardse leven af
En ontvangen we een nieuw lichaam, een eeuwig lichaam, verheerlijkt,
bekleed met de heerlijkheid die Christus heeft en van Christus komt.
Ook weer zo’n weldaad van Christus, waar het formulier over spreekt.

 

Zover is het nog niet.
Moet je al verlangen naar een leven in heerlijkheid?
In de brief aan de Filippenzen schrijft Paulus: als ik leef, leef ik voor Christus,
en als ik sterf ga ik er alleen maar op vooruit, dat is voor mij winst.
Hij zou daar al willen zijn, daar bij Christus in Zijn heerlijkheid,
maar beseft dat hij dan de gemeente op aarde moet achterlaten
en zolang hij op aarde is, kan hij de gemeente dienen, het geloof versterken, bemoedigen.


Zo’n sterk geloof heeft Paulus niet altijd gehad.
In de verzen die we leven, kunnen we opmaken dat Paulus door een diepe crisis is gegaan.
We baden vanmorgen, voordat we het avondmaal vierden:
Schenk ons ook Uw genade dat wij getroost ons kruis op ons nemen

Als we ons kruis hebben te dragen, dan hebben we die troost nodig.
Alleen kunnen we het niet.
Voor de een is kruis dat gedragen moet worden dat je ziek geworden bent,
voor een ander ruzie en verdeeldheid binnen het gezin,
of de zorg die je hebt voor je man of vrouw,
Kruis dragen is een weg die God met je gaat, die je niet begrijpt en die veel kost,
een weg die je alleen met Gods kracht kunt gaan,
getroost door de Vader, de God van alle vertroosting.
In mijn jeugd hoorde ik een keer een preek, volgens mij ook over deze brief.
Het thema was: Maximaal laadvermogen.
En de preek ging erover, dat de Heere nooit een last op je legt die je niet kan dragen.
Hij overbelast je niet. Hij overvraagt je niet.
Paulus zal dat, na de ervaring die hij heeft gehad, niet meer nazeggen.
Hij overzag het niet meer. Hij dacht dat hij het niet meer zou overleven.
Hij kon het niet meer aan en al het vertrouwen dat hij had was hij kwijt.
Het is niet helemaal duidelijk of Paulus hier verwijst
naar een van de keren dat hij in de gevangenis zat
en dacht dat het vonnis uitgesproken was en dat hij ter dood veroordeeld was,
of dat we moeten denken aan een ingrijpende ziekte, die hij maar net overleefde.
Toen hij weer verder mocht leven, uit de gevangenis kwam of herstelde van zijn ziekte,
ontdekte hij dat hij gedragen was.
Hij mocht weer verder leven: leven in genadetijd.
Hij was als het ware uit de dood opgestaan
en dat hij weer mocht verder leven, dat de Heere met hem verder wilde,
heeft hem iets geleerd en dat heeft hem enorm in zijn geloof gesterkt:
God wekt de doden op.
Al had ik het niet overleefd, ik was in goede handen,
dan zal mijn toekomst alleen maar beter zijn.
Ik hoor dat familieleden nog wel eens zeggen, als ze waken
bij hun man of vrouw, bij hun vader of moeder: hij, zij kan er alleen maar op vooruitgaan.
Als mijn vader beter wordt, is dat een zegen van de Heere, tijd die geschonken wordt,
maar als hij het niet haalt, als zijn tijd is aangebroken om te gaan,
dan gaat hij naar een plek waar het beter is dan hier, waar geen pijn is, geen verdriet,
bovenal waar de Heere is.
Wat hij geleerd heeft, geeft Paulus aan de gemeente door:
We moeten leren om ons leven uit handen geven.
Dat Jezus is gestorven aan het kruis en daarna uit het graf is gekomen,
dat is niet alleen maar een mooi verhaal,
maar dat zegt ook iets over onszelf.
In de brief aan de gemeente in Rome, die hij waarschijnlijk later schreef,
Zal hij geloven ook omschrijven als sterven met Christus en opstaan met Hem.
We zijn verbonden met Christus.
Als je als gelovige het moeilijk hebt, een kruis hebt te dragen,
verbindt je dat met de Heere Jezus die ook een kruis droeg.
Kruis dragen betekent niet dat God je losgelaten heeft.
Dat je het allemaal niet meer begrijpt en dat je niets meer van God hoort,
dat betekent nog niet dat de Heere Zich terug getrokken heeft.
Het kan ook zijn dat Hij je wil leren om echt op Hem te vertrouwen,
om je leven in Zijn hand te leggen,
dat je zegt: wat er ook komt – mijn leven is in goede handen.
Als ik er morgen niet meer ben, dan hoef ik niet bang te zijn,
hoef ik niet in paniek te raken en te denken dat ik heel wat zal mislopen.
God wekt de doden op.
De dood is voor ons een macht waar we niet tegen op kunnen,
waar je ook bang voor mag zijn, het is de laatste vijand,
maar je mag ook weten dat die laatste vijand verslagen is door Christus.
Er is er Eén die bestuurt.
Paulus past dat ook toe op de gemeente: je kunt als gemeente een moeilijke tijd doormaken.
Een tijd met veel overlijdens, of een tijd waarin mensen afhaken,
een tijd waarin je weinig ambtsdragers kunt vinden en weinig vrijwilligers beschikbaar zijn,
dat het allemaal doods is, dat je verlangt naar een opleving
maar dat je het niet meer verwacht van deze gemeente, omdat het leven helemaal weg is.
Vertrouw niet op je eigen kracht, verwacht het ook niet van mensen,
maar vertrouw op de Heere, geloof dat Hij de doden opwekt
en ook een doodse gemeente tot leven kan wekken.

Het kan zijn dat je nu geen kruis te dragen hebt.
Wat heeft dit gedeelte je dan te zeggen?
Dat je je voorbereid bent voor het moment dat de tegenslag, de crisis wel komt.
Laat je je daar niet door overvallen.
In de vorige gemeente zat een jongen bij de marine.
Hij werd voorbereid op een oorlog, om dan als soldaat ons land te verdedigen.
Dan was hij weer een aantal weken niet in de kerk en op catechisatie
en vertelde hijzelf of zijn moeder dat hij naar Noorwegen was voor oefening.
Oefenen in de kou, om te leren om in moeilijke omstandigheden paraat te zijn
en de opdracht te kunnen uitvoeren.
Zo moeten we als christen ook voorbereid zijn,
je in een goede tijd voorbereiden op de tijd dat je geloof onder druk komt te staan.
Steeds vaker ging deze jongen op training en steeds zwaarder werd de opleiding.
Hij wilde een training gaan doen die nog specialer zou zijn
dan de trainig voor marinier al was.
Hij kreeg echter een ongeluk waarbij zijn duim verbrijzeld werd.
De nog zwaardere training mocht hij niet meer doen
en hij moest binnen defensie zelfs naar een andere functie omkijken
en liet zich omscholen en ging de medische tak in.
Wij kunnen ons voorbereiden, maar als de crisis komt, als aan ons geloof geschud wordt,
kan het zijn dat ondanks al je voorbereidingen je toch onderuit gaat.
Dan worden we niet afgekeurd of afgedankt.
Hij weet wat maaksel we zijn, dat we stof zijn – zongen we vanmorgen.
God vraagt van ons niet dat we helden zijn, die boven onszelf uitstijgen
En meer kunnen leveren dan we van tevoren hadden gedacht.
Nee, Hij vraagt geen helden.
Alleen gelovigen die bereid zijn zich te laten troosten, die de troost aannemen,
die niet naar zichzelf kijken en hun eigen kracht of zwakheid,
maar alleen maar kunnen denken aan Christus
en die daaraan genoeg hebben
en weten: Hij is niet alleen gestorven voor mij, maar ook voor mij opgewekt.
Wat er ook met mij gebeurt – Hij zal ook mij opwekken.
Of dat nu overeind helpen is als je na een crisis onderuit gaat
of overeind helpen uit het graf. Gij geeft ons vrede, vergeving van zonden,en uw nabijheid, die sterkt en die leidt: Kracht voor vandaag, blijde hoop voor de toekomst. Gij geeft het leven tot in eeuwigheid.Amen

Preek zondagmorgen 9 september 2018

Preek zondagmorgen 9 september 2018
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus de Heere prijst, wijst hij nadrukkelijk op het karakter van God:
Geprezen zij God (..) de Vader van alle barmhartigheid, de God van alle vertroosting.
Als er iemand barmhartig is, is dat God wel
en daarom hebben wij alle redenen om Hem te eren en te prijzen.
Vanmorgen in deze dienst van avondmaal wordt Gods barmhartigheid zichtbaar,
door de stoelen die om de tafel staan als nodiging om te komen tot Hem.
In het brood en de wijn die doorgegeven komt Zijn barmhartigheid tot ons.
Barmhartigheid, dat betekent dat de Heere met Zijn hart naar ons kijkt
en Zijn hart laat spreken.
Hij ziet dat wij tekortschieten in onze liefde voor Hem,

dat ons karakter zo afwijkt van Zijn karakter,
dat we ons zomaar mee laten slepen door verleidingen, omdat we er niet tegen bestand zijn.
Hij weet dat het komt, omdat er diep in ons, van nature, iets mis zit,
de zonde, waardoor wij Hem niet kunnen dienen zoals het behoort
en dat we daardoor niet bij Hem kunnen horen, de heilige God die geen zonde duldt.
God is niet alleen heilig, Hij is ook barmhartig: Hij laat Zijn hart spreken.
De barmhartigheid van God, waar Paulus hier over spreekt, komen we ook tegen in het OT:
Steeds is daar weer die ervaring dat God barmhartig is.
Dat Hij het volk niet wegstuurt en afwijst, achterlaat in de woestijn
als het een gouden kalf heeft gemaakt en dat beeld aanbidt als de Heere, hun bevrijder.
Hij gaat toch mee, verder de woestijn in naar het beloofde land.
Dan, als de Heere voor het volk uitgaat, op weg naar Kanaän,
roept Hij uit Wie Hij is en zegt Hij over Zichzelf:
HEERE, HEERE, God, barmhartig en genadig,
geduldig en rijk aan goedertierenheid en trouw
Steeds komt dat terug in het Oude Testament,
een ervaring die het volk door alle eeuwen heeft:
de ervaring dat de Heere hen niet laat zitten, niet in de steek laat
als het zelf wel bij de Heere vandaan gegaan is en andere goden ging dienen,
als het geen vertrouwen had in Israëls God en daarom steun zochten bij sterke landen.
Steeds kwam de Heere weer terug bij Zijn volk
– al kon het tijden duren en moest het volk erom bidden – uiteindelijk kwam de Heere
en vergaf de fouten, herstelde het volk en zorgde dat het volk weer kon leven.
De Vader van alle barmhartigheid – schrijft Paulus:
Als iemand barmhartig is, dan is dat de Heere wel.
Hij had het zelf ervaren, toen zijn verzet gebroken was op weg naar Damaskus
en het goed gemaakt werd tussen hem en Christus – de breuk geheeld, verzoend.
Zo is God inderdaad, zegt Paulus, ik heb het zelf ervaren.
Ik hoop dat u die barmhartigheid van God ook hebt mogen ervaren.
Dat Hij in uw leven kwam.
Daar hoeft het niet van af te hangen, want in de Bijbel wordt er steeds over verteld.
Ook als u dat zelf nog niet zo ervaren heeft, is het waar: God is barmhartig!
Dat betekent, dat Hij niet eerst naar uw zonden kijkt, maar u wil vergeven,
dat Hij u niet weg wil sturen, bij Hem vandaan, maar juist wil dat u komt tot Hem.
Het avondmaal laat niet alleen zien hoe wij tekortschieten, falen, zondigen,
maar ook hoe graag de Heere ons bij Zich wil hebben, bij Hem aan tafel, in Zijn gezin.
Als we ergens Zijn barmhartigheid kunnen zien, kunnen ervaren is dat bij het avondmaal,
want het avondmaal wijst op Christus, die alles volbracht heeft op Golgotha.
Gods barmhartigheid heeft een naam: Jezus Christus.
Paulus schrijft over God als de Vader van alle barmhartigheid.
Onze Vader in de hemel is de bron van alle barmhartigheid.
De liefde, de bewogenheid die er in Gods hart is, stroomt naar ons toe.
Vanmorgen in de tafel, waar u aan mag zitten, het brood en de wijn die u mag ontvangen,
die heenwijzen naar hoe deze barmhartigheid van God spreekt op Golgotha,
daar aan het kruis van Golgotha spreekt Gods barmhartigheid.
Het is dan ook niet voor niets dat Paulus spreekt over de Vader van alle barmhartigheid
en de Vader van onze Heere Jezus Christus – en dat in één zin.
Voor Paulus is dat gelijk: onze Heere Jezus Christus  en alle barmhartigheid.
In Christus wordt Gods barmhartigheid zichtbaar.
als je in het hart van God wilt kijken en als u wilt weten hoe Hij over u denkt,
kijk dan naar Christus, naar Christus aan het kruis
en Christus hier aan de avondmaal, die u uitnodigt om bij Hem te komen, bij Hem te zijn.
Als je over Christus nadenkt, kun je dat alleen maar verbinden met barmhartigheid.
Geen wonder dat Paulus de mond vol heeft over God en de Heere moet prijzen.
Hij nodigt ons uit om ermee in te stemmen en zo ook de Heere te loven:
Geprezen zij de God,
de Vader van onze Heere Jezus Christus, de Vader van alle barmhartigheid.
Dit is nu de Heer die wij dienen, over wie wij steeds horen.
Zo is Hij vanmorgen aanwezig in ons midden: Barmhartig, nodigend
kom hier bij Mij, het brood van genade halen, de wijn van barmhartigheid,
want Ik ben aan het kruis gestorven, voor jouw zonden, voor uw fouten
en al is er heel wat dat je aanklaagt, al kun je heel wat redenen bedenken
waarom er geen plek aan het avondmaal voor jou zal zijn:
Kom, je wijst Zijn barmhartigheid toch niet af?
Wat heb je meer nodig?
Kun je er dan niet mee instemmen, met de lof die Paulus aanheft:
Heere, U bent geprezen, ik loof Uw grote naam – U bent zo bijzonder goed voor mij.
Als je steeds over de barmhartigheid van de Heere hoort,
Als je elke zondag weer te horen krijgt, hoe God zich juist ook over u wilt ontfermen
En dat ook jij bij Hem mag horen, dat er ook voor u plaats is bij Hem,

dan kunt u toch niet uw plaats leeg laten hier aan de tafel.
Dan kan het toch niet anders dan dat er een verlangen is gegroeid,
dat je bij je Heer en Heiland wil zijn: Mijn Vader die barmhartig is, mijn Heere Jezus Christus
Amen


Preek zondagmorgen 2 september 2018

Preek zondagmorgen 2 september 2018
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 2 Korinthe 1:1-11. Tekst: vers 4.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als predikant heb ik al heel wat gezien van families hier in Oldebroek,
doordat ik een rol had bij een begrafenis, bij een trouwerij
of langs kwam tijdens een jubileum of een verjaardag.
Bijzonder vind ik het altijd als er onderling een hele hechte band is binnen de familie.
Als je merkt dat vader en moeder met de kinderen, of broers en zussen,
samen een hele hechte band hebben.
Als ze er echt voor elkaar zijn als het nodig is.
Bij een bruiloft zijn ze aanwezig op een receptie, of komen ze naar de kerk.
Bij condoleren of een begrafenis zijn ze er.
Het doet me altijd goed als je merkt dat iemand afkomstig is uit een hecht gezin,
een familie waarin je de warmte, de betrokkenheid op elkaar voelt.
Misschien weet je wel dat het bijzonder is als je tot zo’n fijn gezin behoort.
Misschien kun je je het helemaal niet voorstellen dat het niet voor iedereen geldt.
Dat er gezinnen zijn, waarin ouders geen contact hebben met een of meerdere kinderen,
families, waarin broers of zussen elkaar al jaren niet meer gezien hebben.
Zulke verhalen raken mij diep, als je verhalen hoort van zo’n breuk binnen de familie.
De pijn die over en weer aangedaan kan zijn,
de boosheid en onbegrip over de houding van de ander,
de onmacht dat er geen manier gevonden kan worden om weer bij elkaar te komen.
Dan moet er heel wat gebeuren om weer bij elkaar te komen.
Dan moet je elkaar weer zien, dan moet er heel wat bijgepraat en uitgepraat worden.
Daarom gebeurt het vaak ook niet
en zelfs met begeleiding van een buitenstaander komt men niet bij elkaar.

Wat is het geheim van een hechte familie?
Dat is niet dat je elkaar regelmatig opzoekt – het kan wel bijdragen aan de versterking.
Het geheim van een hechte familie is naar mijn idee,
dat wat je samen hebt en samen doet ook steeds weer bijdraagt aan de verdieping
van de onderlinge band die er is.
Je bent er voor elkaar, je waardeert elkaar, je stimuleert elkaar of steunt elkaar.
En wat je samen gedeeld hebt, is de volgende keer niet vergeten.

Ik begin hiermee, omdat het in het geloof ook om een band gaat: de band met Christus.
We kunnen dat bij het avondmaal zien: je komt aan de tafel van de Heere Jezus,
Waar Hij de gastheer is,
zoals kinderen hun ouders opzoeken op bepaalde momenten om samen te eten.
Ook al woon je ergens anders, je hoort nog wel bij elkaar
en door elkaar op te zoeken en samen te zijn, samen te eten, versterk je de band.
Nu doe je dat als gezin vaak, omdat de band al hecht is
en door samen te komen, vier je eigenlijk ook die hechte band.
Als de band niet goed is, dan werkt misschien eerder averechts.
In het avondmaal gaat het ook om het versterken van de band die er is met Christus,
maar daarbij is – zeker als we het formulier lezen – er aandacht voor
dat de band niet zo hecht is als die zou moeten en kunnen zijn
en dat er van alles is, dat er tussen God en ons in de weg staat
en als je daaraan voorbij gaat, dan kun je wel bij elkaar komen en bij elkaar zijn,
maar dan versterk je niet de band, maar dan voer je eigenlijk een toneelstuk op,

de toneelstuk van een hechte familie.
En je wordt pas iets hechter als je de tijd neemt om aan elkaar uit te leggen wat er mis is,
niet om dat alleen maar als verwijten te uiten, maar om te begrijpen wat er gebeurt.

Paulus, de apostel die de brief geschreven heeft, ziet het als zijn taak
om bij te dragen aan de band tussen de gemeenten van Christus en hun Heer.
De hele brief is er op gericht om de band weer hecht te krijgen
en Paulus doet dat onder andere door oog te hebben voor wat die relatie heeft verstoord.
Niet dat Paulus het zelf voor elkaar krijgt, maar hij ziet zich als instrument,
Hij weet zich geroepen en ingeschakeld om de gemeente weer bij Christus te brengen.
Hij gebruikt daar een bijzonder woord voor,
voor zijn taak een bijdrage te leveren aan het weer hechter worden
van de band van de gemeente met Christus.
Het woord dat Paulus gebruikt wordt hier vertaald met troost,
maar in de vertaling had ook voor een ander woord gekozen kunnen worden.
Het woord troost komt hier enkele keren voor: God troost ons
en die troost geven we aan elkaar door
en Paulus geeft de troost die hij van de Heere gekregen heeft door aan de gemeente.
Dat woord kan op verschillende manieren vertaald worden.
Troost is hier een van de mogelijke vertalingen.
Je kunt ook vertalen met aansporen, bemoedigen, corrigeren, terechtwijzen.
Een breed spectrum van een positieve, bemoedigende aanpak
tot een behoorlijk confronterende aanpak, waarin je echt terecht gewezen wordt.
Er had ook vertaald kunnen worden: God spoort ons aan en die aansporing geven we door,
onze hemelse Vader vermaant ons en wij geven die vermaning aan elkaar door.
Er kan vertaald worden dat God ons corrigeert, of juist bemoedigt
en dat we daarom elkaar weer corrigeren of juist bemoedigen.
Wat al die betekenissen gemeen hebben is dat het gaat om de band met Christus.
Bij al die betekenissen gaat het erom, dat we als gelovige bij Christus gehouden worden.
Bij al die aspecten gaat het om één ding: bij Christus gehouden worden.
De één heeft daarvoor de troost nodig, omdat er heel wat is gebeurd.
Een ander een aansporing, omdat hij nogal gemakzuchtig is in het geloof
Weer een ander stimulans, omdat zij niet gedoopt is en steeds maar afvraagt
wanneer het juiste moment is om alsnog gedoopt te worden.
Iemand heeft tot je verbazing nog geen belijdenis gedaan – dat komt hier nogal voor.
en je spreekt iemand er op aan en nodigt diegene uit om belijdenis te komen doen,
maar die houdt de boot af: ik heb nog te weinig kennis, nog niet aan toe.
Weer iemand zegt: ik kan niet aan het avondmaal, wat daar hoor ik niet,
of dat doen we binnen onze familie niet.
Als je dat denkpatroon doorbreekt en zo iemand bij Christus weet te brengen,
omdat je de blokkades die iemand zelf heeft opgeworpen,
dan is dat ook hetzelfde als hier gebeurt met troost.
Troost is hier dat je erop gewezen wordt, dat Christus er is.
Dat kan confronterend: hoe heb je nu kunnen vergeten dat je een Heer hebt?
Hoe heb je dat contact met Hem kunnen verwaarlozen?
Natuurlijk, je had het moeilijk, je overzag het niet en je kwam er niet uit,
maar wist je dan niet dat je een Heer hebt die jouw leven in Zijn hand heeft?
Troost kan ook in de vorm van een aanmoediging: maak nou gebruik van het avondmaal,
want daar zul je je Heer en Heiland vinden.

Aan het begin van het avondmaalsformulier werd het ook gezegd dat het avondmaal er is
tot onze troost – om ons weer bij Christus te brengen en ons bij Hem te houden.
En dan kan het best zijn dat er heel wat uit de weg geruimd moet worden,
omdat je nu niet zo close met Christus bent, maar dat er een afstand is, een verwijdering,
Dat kan openlijk, je doet er nu niet zoveel mee, je gaat wat minder naar de kerk
en je laat wat vaker je bijbel dicht,
maar dat kan ook van binnen, zonder dat iemand het ziet.
Je bent er wel, maar in je hart ben je aan het afhaken, het geloof glijdt van je af,
het doet je niet zoveel meer en het zegt je minder dan voorheen.
Dat kan heel wat oorzaken hebben:
drukte in je dagelijks leven, waardoor je er niet meer aan toe komt,
of je hebt het wat verwaarloosd en je ontdekt dat het weinig verschil maakt
en dat je zonder Christus het ook allemaal prima kunt redden.
Of je vindt dat het allemaal wel veel kost en je zoekt naar hoe het gemakkelijker kan.
Jezelf op het avondmaal voorbereiden betekent dat je naar jezelf kijkt
wat er op dit moment allemaal mis is in je relatie met Christus,
waarom de band niet zo hecht is als die zou moeten en hoe dat komt.
Het kan zijn dat er in het afgelopen half jaar, in de afgelopen drie maanden,
vanaf de vorige avondmaalsviering wat gebeurd is, waardoor de band anders is.
Het kan zijn dat er al langer wat is, waardoor er iets tussen jou en God staat.
Het avondmaalsformulier zegt tegen ons: Als je over jezelf nadenkt,
kom je bij uit dat er in de basis iets niet goed zit, niet goed is,
waardoor je geen hechte band met Christus kunt hebben:
we hebben als mens de band die er was met God op het spel gezet, verbroken,
door te kiezen voor een leven zonder God.
En misschien is dat in jouw leven nog steeds wel zo, dat je als je eerlijk bent
nog steeds leeft zonder God. Dat mag je niet zomaar accepteren!
Daar mag je het niet bij laten!

Nu spreekt Paulus tegen mensen die Christus hebben leren kennen en zijn gaan geloven.
Ze waren al bij Christus teruggebracht, als verloren schapen terug bij de kudde.
Als leden van een gezin die al tijden geen contact meer hadden met hun familie,
omdat ze op zichzelf waren geraakt en met wie de band weer is hersteld.
Maar het is net of ze de draai niet helemaal kunnen vinden, of er toch nog wat is.
Ze horen wel bij Christus, terug in het gezin van God, maar toch… er is iets.
Er gebeuren nogal wat ingrijpende dingen in hun gemeente,
Waardoor het vertrouwen dat er was gekomen in Christus toch was geschokt.
Ze waren eerst blij om bij Christus aangekomen te zijn, opgenomen in de gemeenschap.
Maar door die ingrijpende gebeurtenissen, die hen niet in de kouwe kleren waren gaan zitten

gingen ze toch weer twijfelen: hadden ze er wel goed aan gedaan, is dit wel de juist weg.
Ze raken de moed kwijt.
En juist in deze periode hadden ze weinig aan Paulus.
Want Paulus zat zelf in een crisis – hij moest nee verkopen aan de gemeente van Korinthe.
Paulus had zijn eigen worsteling, zijn eigen strijd
en de gemeente van Korinthe moest de eigen worsteling met Christus zelf maar alleen doen,
zonder dat ze daarbij begeleiding en perspectief van Paulus kregen.
Dat had de band die er was, die toch al niet zo denderend was, geen goed gedaan.
Een wantrouwen mbt Paulus, dat er op een gegeven moment gekomen was,
was sterker geworden en ze konden van Paulus weinig aannemen.
Hij was voor hen niet de juiste man om hen bij Christus te houden.
Ze hadden iemand anders nodig, die hun geloof kon stutten, kon ondersteunen,
die het enthousiasme, dat weggezakt was, weer kon terug brengen door preken
die je weer enthousiast maakte voor Christus,
waardoor je weer wist waarom je in Christus geloofde.
En dan zagen ze Paulus, dan dachten ze al zuchtend:
nee, van hem moeten we het niet verwachten. Hij is voor ons niet de juiste persoon.
Dan maar een ander.
In de eerste brief staat dat ze eens gevraagd hadden om Apollos maar te sturen.
Dan, terwijl de band met tussen Korinthe en Paulus niet zo denderend is,
en de band met Christus ook onder druk staat, schrijft Paulus weer een brief.
Hij schrijft over genade en vrede, over troost, over barmhartigheid en ontferming.
Hij zegt tegen de gemeente: Ik heb in de afgelopen tijd iets geleerd
en wat ik geleerd heb, mag ik aan jullie doorgeven, om jullie geloof te versterken.
Mijn ervaring mag jullie helpen, om zelf ook weer die band met Christus te ervaren,
mijn verhaal mag jullie helpen om zelf ook weer bij Christus uit te komen.
Ik heb troost gekregen en dat mag ik weer aan jullie doorgeven.

Het is bijzonder dat Paulus begint over de troost spreekt,
Want hij was het echt kwijt.
Paulus heeft, toen hij heel diep ging – hij ging heel diep want zag de dood in ogen,
en dat was voor hem een huiveringwekkende ervaring,
waarin hij dacht dat hijzelf afgebroken werd
en misschien ook wel dat van het werk dat hij deed er niets meer overbleef.
Juist toen hij zo diep ging, leerde hij Christus nog meer kennen dan hij al deed.
Hij werd zelf getroost – getroost in de diepe betekenis van bij Christus bewaard.
Die ervaring dat – op het moment dat alles je uit de handen glipt
en van je eigen werk niets meer overblijft
en dat je je vertwijfeld afvraagt: God, hoe moet het nu met Uw kerk –
dat op dat moment Christus er wel degelijk is, niet in de vorm van succes,
maar in de vorm van genade – Mijn genade is u genoeg,
Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht,
Mijn glorie zichtbaar gemaakt door mensen die helemaal niet perfect zijn,
zoals aan het avondmaal niet alleen maar perfecte mensen hoeven te zitten, zonder zonde,
maar juist zondaars die weten van hun zonde en daar zelf niet van los komen.
Afgebroken worden – dat kan ook als het echt tot je doordringt wat het betekent
om zondaar te zijn en dat je helemaal daar niet aan tafel kunt zitten volgende week
en dat – als God niets had gedaan er niemand had kunnen zitten.
Maar juist als je helemaal niets overhoudt, alleen maar de aanklacht voor jezelf
dat er van alles aan je geloof schort, dat er niets klopt, dat er geen plek is voor je
– juist dan is er die plek bij de Vader van alle barmhartigheden, de God van alle troost,
die je niet laat zitten als de zonde je aanvliegt, maar wijst op Golgotha:
daar heeft Mijn Zoon gehangen, ook voor jou.
Ik hoop dat we elkaar de komende week zo elkaar – in Christus’ naam kunnen troosten.

Vaste grond – een eeuwig anker – geen storm kan mij losrukken,
geen zonde of aanklacht kan mij bij Christus wegslaan,
Steeds weer vind ik daar die barmhartigheid, het hart van de hemelse Vader,
omdat Christus daar stierf op Golgotha, ook voor u, voor jou en voor mij.

Daarop wil ik gelovig bouwen

getroost, wat mij ook wedervaart
Amen




Preek zondag 17 juni 2018

Preek zondag 17 juni 2018
Schriftlezing: Handelingen 6:1-7

Gemeente van onze Heere Jezus,

Peter wil graag iets voor de ouderen van de kerk doen.
Hij heeft als diaken gemerkt dat er in de zomer heel wat ouderen zijn,
Die zich alleen voelen, omdat de kinderen op vakantie zijn
en veel activiteiten van de kerk een aantal maanden stil liggen.
Hij heeft het er met een paar andere gemeenteleden over.
Ze denken mee en er ontstaat tijdens een avondje nadenken
het idee om in de zomer voor de ouderen een maaltijd klaar te maken.
De ouderen van de gemeente krijgen een uitnodiging om te komen
en de maaltijd zal door het groepje klaar gemaakt worden.
Ze bedenken wat ze allemaal zullen klaarmaken voor die avond.
Omdat het een avond is die met de kerk te maken heeft,
wordt er ook gekeken naar een paar liederen die ze samen kunnen zingen die avond.
Peter en de anderen hebben er steeds meer zin in
en ze hopen dat het een mooie avond zal worden,
een avond waarop de ouderen de gemeenschap ervaren
en weten dat er in een tijd waarin zij zich alleen voelen ook aan hen gedacht wordt
en dat ze de avond een verrijking voor hun leven met Christus vinden.
Als die avond er is, blijkt het inderdaad een mooie avond te zijn.
Er hebben best wat ouderen zich opgegeven.
De organisatoren en de ouderen genieten zichtbaar van deze avond.
De kater komt enkele dagen later, als Peter benaderd wordt door een oudere,
die hem nogal boos aanspreekt en vraagt waarom hij niet uitgenodigd is.
Peter schrikt als hij op deze manier aangesproken wordt
en weet even niet wat hij moet zeggen.
Hij stamelt maar wat: ‘We hebben niemand bewust overgeslagen.
Het moet een vergissing zijn geweest. Ik zal nakijken wat er mis is gegaan.’
Als ze bij elkaar komen voor de evaluatie blijken de anderen ook aangesproken te zijn.
Ze denken na over wat er mis is gegaan
en dan komen ze erachter dat ze vooral de ouderen hebben uitgenodigd die ze kenden,
van wie ze zeker waren dat ze bij de kerk hoorden.
De gemeenteleden, die klaagden dat ze niet waren uitgenodigd,
hebben ze niet bewust gepasseerd. Daar was geen opzet bij.
Ze denken samen erover na,
hoe ze in het vervolg kunnen voorkomen dat ze gemeenteleden passeren.

In de gemeente van Jeruzalem gaat het ook mis,
waardoor er gemeenteleden klagen over de gang van zaken.
Lukas vertelt niet helemaal duidelijk waar we aan moeten denken.
Het gaat om weduwen, die alleen maar Grieks spreken
en niet het Aramees of het Hebreeuws beheersen.
Waarschijnlijk vrouwen die uit het buitenland waren teruggekeerd
en in Jeruzalem – voordat ze over Christus hoorden – hun eigen synagogen hadden.
Het is alleen niet duidelijk of deze vrouwen worden gepasseerd bij het uitdelen
en dat zij minder voedsel uitgereikt krijgen dan de vrouwen die Hebreeuws spreken.
Een vrouw van wie de man overleden was, was vaak aangewezen op de steun
van familie of van de mensen om haar heen
en dan kon ze vanuit de kerk gesteund worden.
Of gaat het er juist om dat ze bij het uitdelen van de gaven worden overgeslagen
en dat niemand hen gevraagd heeft om een taak op zich te nemen?
Het NT wordt ook gemeld dat weduwen een taak binnen de gemeente kunnen hebben.
Waarom zouden we gelijk moeten denken aan vrouwen die hulp moeten krijgen
en niet aan vrouwen die mee doen in het bestrijden van de nood die er is.

Er is ook onduidelijkheid over wat de oorzaak is dat deze vrouwen niet gezien worden.
Lukas lijkt de nadruk meer te leggen op de oplossing van het probleem,
zodat de eenheid binnen de gemeente niet verbroken
wordt door onenigheid tussen twee groepen.
De reden waarom ik toch wat langer wil stil staan bij de mogelijke oorzaken
is dat in vers 1 wordt gesproken over het aantal leerlingen van Jezus Christus dat toeneemt.
Er komen mensen bij de gemeente die over Jezus hebben gehoord,
Die in hun hart openstellen voor Christus.
Dat is voor hen niet alleen iets van hun hoofd, iets waar ze over nadenken,
het is niet alleen iets van hun hart, een soort innerlijk gevoel,
maar het heeft effect op hun hele leven.
Ze willen in alles leerling van Jezus zijn: ze willen hun geloof ook in praktijk brengen.
We zagen dat de afgelopen weken hoe verschillende leerlingen van Jezus Christus
geraakt waren door het evangelie, door de woorden en de daden van Christus,
Dat ze akkers en huizen verkochten om de armere gemeenteleden te kunnen steunen,
zodat zij geen gebrek zouden hebben.
‘ Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar
in ware broederlijke liefde verbonden worden, zoals de heilige apostel spreekt:
Omdat het brood één is, zijn wij, die velen zijn,  één lichaam,
want wij allen hebben deel aan het ene brood.’  (avondmaalsformulier)
Ze willen naar het evangelie leven. Elke keer weer opnieuw.
De Heilige Geest werkt in hun hart en dat komt in hun handelen naar buiten.
Het zijn geen opportunisten of mensen die slechts in naam christen zijn,
maar er ook echt naar willen leven.

In de gemeenschap van mensen die echt willen leren van Jezus,
die Zijn woorden willen bewaren in hun hart en ernaar willen leven,
worden vrouwen over het hoofd gezien, vrouwen die weduwe zijn en alleen Grieks spreken.
Ik dacht altijd dat dit komt, omdat de gemeente groter werd,
dat het een gebrek aan organisatie was en de apostelen daar gewoon niet aan toe kwamen.
Nu ik er zo mee bezig was in de afgelopen week denk ik dat er iets anders speelt.
Heeft het met de taalbarrière te maken dat ze niet worden betrokken?
Of heeft te maken met een ander netwerk, waarbij ze de juiste connecties missen,
waardoor ze over het hoofd worden gezien?
Komen ze niet in beeld omdat ze onbekend zijn?
Dat kan ook in de kerk nu nog gebeuren: je kijkt al gauw naar de mensen die je kent.
Hen benader je en betrekt ze erbij, hen nodig je uit voor activiteiten,
zoals dat gebeurde bij de activiteit die Peter had georganiseerd.
Zonder dat je er van bewust bent, sla je mensen over die er wel bij horen,
omdat je ze niet kent, omdat je geen connectie met ze hebt.
Misschien gaat het nog wel dieper en hebben de vrouwen die Grieks spreken
met hun achtergrond in het buitenland wel een minder strakke manier van leven,
zoals christenen in Nederland in gebieden waar weinig christenen zijn
vaak heel andere regels hebben over wat je wel en niet doet, bijvoorbeeld op zondag.
Dan was de gedachte: laten we deze vrouwen maar niet inzetten,
want stel dat er gezinnen zijn die een heel strikte manier van leven hebben,

dan kunnen zij zich storen aan de vrouwen met minder strikte regels
of kunnen die vrouwen, zonder dat ze het weten, voor anderen een bron van ergernis zijn.
Wat er ook aan de hand is, voor de apostelen gaat het om iets heel fundamenteels,
om iets dat de identiteit van de gemeente op het spel zet.
Als ze dit door laten gaan, dan is de gemeente geen gemeente van Jezus Christus meer.
Ze geven de vrouwen die klagen gelijk,
niet om ervan af te zijn, maar omdat ze merken door de klacht die de vrouwen hebben
Dat er iets grondig mis dreigt te gaan in de gemeente van Christus,
Waardoor de gemeente zou ophouden te bestaan.
De gemeente kan dan nog wel bij elkaar komen, maar kan dan niet meer zeggen
dat ze zich door Jezus laten leren en dat ze van Hem zijn.
Het is een zaak die de hele gemeente aangaat en daarom wordt iedereen erbij geroepen.
Dit gaat iedereen aan.
‘Het is niet goed als wij ons met de tafels bezig moeten houden,’ zeggen ze.
Je kunt dat zo opvatten dat ze bedoelen dat ze te druk zijn met wezenlijker zaken
en dat zoiets kleins als tafelschikking, bepalen wie welk eten mag krijgen
en wie ingeroosterd wordt voor het bedienen en opscheppen aan tafels minder is
dan het werk dat de apostelen doen.
Maar ik denk dat het juist niet om iets minderwaardigs gaat.
Hoe het aan de tafel toe gaat, is een praktische uitwerking van het geloof.
Als je aan tafel gaat, naast wie je plaats neemt, wie ingeroosterd worden voor het bedienen,
wie er allemaal eten krijgen – dat heeft allemaal te maken met de band met Christus.
Het is helemaal niet minderwaardig om daarmee bezig te zijn.
De 7 mannen die gevraagd worden zijn nodig om juist toe te zien
Dat de leer van Jezus niet alleen maar iets van het hoofd is of van het hart,
onzichtbaar voor anderen, een leer die geen betekenis heeft voor je omgang met anderen.

Integendeel: juist daar aan de tafel komt het christenzijn tot uitdrukking.
Zoals je op een dorp niet alleen door op zondagmorgen of op zondagavond laat zien
dat je christen bent door naar de kerk te gaan,
maar op maandag ook hoe je met je buren omgaat en je collega’s,
hoe je op het voetbalterrein je christenzijn niet in de kleedkamer achterlaat bij je tas,
maar meeneemt het veld op in respect voor de tegenstander en de scheidsrechter,
oog voor de mensen die daar zijn, voor de supporters die wat achteraf staan
en er zo te zien niet bijhoren niet te negeren maar hen ook te betrekken.
Dat over het hoofd zien, dat vergeten anderen te betrekken kan heel onbewust gebeuren.
Daarom zijn er 7 wijze mannen nodig, die meer zien, die zien hoe het tussen mensen werkt,
hoe relaties functioneren, die aan de manier waarop mensen aan tafel gaan
merken wanneer er iemand wordt overgeslagen en daar wijs op kunnen reageren.
Wijsheid is in de Bijbel altijd iets praktisch, iets dat je doet vanuit je geloof,
dat je in praktijk brengt wat je geleerd hebt van Christus.
Je bent opgenomen in Gods gemeenschap, als een schaap dat afgedwaald was,
Teruggebracht en daarom krijg je een scherp oog voor degenen die dreigen af te haken
omdat ze het idee hebben dat er voor hen geen plek is in de gemeente.
Al is dat wellicht een gevoeligheid van hun kant.
Er zijn mannen nodig die niet gelijk beledigd raken als deze vrouwen klagen
Dat ze gepasseerd worden, maar beseffen dat het echt om iets wezenlijks gaat.
Ze hebben de Geest ontvangen die hen helpt om situaties in te zien en te handelen.
Zodat de gemeente weer gemeente is.
Want als deze mannen hun taak niet op zich nemen, kunnen de apostelen niet werken.
Het blijft alleen maar theorie dat aan de buitenkant blijft, het bereikt je hart niet,
je gaat er niet naar leven. Het evangelie van Christus verandert je niet.
Deze mannen worden aangesteld om de gemeenteleden te helpen om Christus’ woorden
in praktijk te brengen en ernaar te leven.
Als je naar de namen kijkt, zijn het mensen die vertrouwen genieten van de vrouwen}
die eerder hebben geklaagd dat zij niet gezien zijn.

Omdat vroeger gedacht werd dat het in dit gedeelte ging om een probleem bij het uitdelen
en er arme gemeenteleden werden overgeslagen, zag men hier het begin van de diakonie.
Dat was ook de reden waarom ik dit gedeelte had gekozen voor de preek.
Om ook na te denken over onze diaconale roeping als gemeente.
Dat is niet alleen een taak voor diakenen, maar voor elk gemeentelid
en het is de taak van diakenen om die roeping te stimuleren.
Alleen is het de vraag of hier het begin van de diakonie ligt.
Het heeft wel iets moois om hier het begin van de diakonie te zien.
Want dan zou de diakonie begonnen zijn bij de tafel,
je zou zelfs kunnen zeggen bij de avondmaalstafel, bij het gedenken van Christus’ dood.
Elke keer als het avondmaal is, hebben ook diakenen dienst.
Dat is niet alleen maar omdat het praktisch is, maar dat is omdat de diaken aan de tafel
ons eraan herinnert dat het leven met Christus altijd een praktische kant heeft,
naar de mensen om ons heen.
In het trouwformulier: Vergeet daarbij niet, dat uw gezin deel uitmaakt
van een grotere gemeenschap.
U draagt ook een bredere verantwoordelijkheid:
voor de medemens in nood, voor de kerk en voor de maatschappij.

Vanavond komt het evangelie tot ons als een opdracht:
om het leven met Christus in praktijk te brengen, in relatie tot de mensen om ons heen.
Het evangelie is nooit alleen maar een opdracht.
We kunnen deze opdracht nooit uitvoeren zonder de kracht van God, zonder Zijn Geest.
Als je leest in Handelingen 6 kun je je afvragen of God wel aan het werk is.
Er wordt niets gezegd over wat God doet.
Er gebeurt wel van alles, maar heeft dat met God te maken?
Allereerst kunnen we zien dat de Heere werkt door de groei van de leerlingen,
niet alleen in aantal, maar ook in diepgang, in hoe levens veranderd worden.
Zouden we ook niet in de klacht van de weduwen Gods hand mogen zien,
die de gemeente herinnerd aan haar roeping?
Moeten we als gemeente niet meer open moeten staan voor wat God ons te zeggen heeft?
Vanmorgen was ik in de gemeente(n) waarin ik bevestig ben als predikant.
De predikant die zij wilde beroepen, had aangegeven niet beroepen te willen worden.
Dat was een teleurstelling. De gemeente moet weer verder zoeken naar een predikant.
Tegelijkertijd hoorde ik hoe gemeenteleden zelf bepaalde taken opgepakt hadden
en dat gemeenteleden zelf op pad gingen om ouderen van 75 jaar en ouder te bezoeken.
Ze kwamen bij mensen, die op papier nog wel lid waren, maar al lang niet meer kwamen.
Ik hoorde het verhaal dat iemand die bezoek ontvang graag wilde dat er gebeden werd
En dat ze graag het krantje Lichtspoor weer wilde krijgen,
want dat gaf ze weer door aan een zus en die gaf het ook weer door aan een ander.
Wanneer het in de gemeente niet loopt, zoals wij graag zouden willen zien
kan het zijn dat de Heere ons iets wil leren en de ogen wil openen voor wat onze roeping is.
De apostelen laten zien dat ze die les van God oppikken
en ze betrekken de gemeente erbij en ook in de keuze van deze 7 mannen
kunnen we Gods hand zien.
In onze kerkelijke traditie word je niet zozeer geroepen door een uitzonderlijke ervaring
maar is het appèl dat de gemeente op je doet om een taak te vervullen al Gods roepstem
die je niet zomaar naast je neer mag leggen zonder erover na te denken.
Er zijn 7 mannen te vinden die wijs zijn en die de Geest hebben – ook Gods hand!
Nadat deze mannen zijn gezegend – ook Gods hand – en zijn aangesteld
gaat de groei van de gemeente weer verder: Het woord groeit.
Mensen die de woorden horen, nemen die woorden ter harte
en veranderen hun levens – hun levens worden veranderd door de woorden van Christus.
Dat levens veranderen, wordt ook voor de buitenwereld zichtbaar.
Buiten de kerk wordt gemerkt dat er binnen de kerk een andere omgang is met elkaar.
Een band van liefde, openheid, betrokkenheid op elkaar, omzien naar elkaar.
Geloven is niet alleen iets van de zondag of iets dat onzichtbaar is,
maar het effect wordt zichtbaar.
Anderen zien dat Gods Geest hier in deze gemeenschap werkt.
Ze willen er meer van weten, ze komen en gaan geloven.
De gemeente die groeit is de gemeente die bereid is te luisteren,
bereid is om op zoek te gaan naar wat er mis gaat en dat laat corrigeren
omdat ze merkt dat de Heere Zelf daarin een weg wijst.
Zo wordt ze een instrument in Gods hand,
de liefde van God die ontvangen wordt, wordt doorgegeven,
maar niet zonder dat die liefde ons veranderd.
We worden andere mensen – anders naar God toe en anders naar elkaar.
Daarmee worden we weer, zoals we geschapen zijn: beelddragers van God.
Anderen kunnen aan ons zien wie God is, niet dat wij dat wel even doen,
maar Hij gebruikt ons om Zijn liefde en genade uit te stralen op anderen te nodigen. Amen