Preek zondag 22 maart 2020

Preek zondag 22 maart 2020
Schriftlezing: Lukas 22:7-30

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Veel dingen zijn in de afgelopen week niet doorgegaan.
School ging niet door en de kinderen en jongeren konden hun vrienden niet opzoeken.
Als je deze week een verjaardag had, kon je geen bezoek krijgen.
Het was niet mogelijk om iemand in een verzorgingstehuis.
Op De Hullen en op De Voord was geen bezoek mogelijk.
Ook wie iemand in een zorginstelling heeft kon niet op bezoek gaan.
En het lijkt erop dat de komende weken het zo doorgaat:
Geen school, geen verjaardag kunnen vieren, niet op bezoek gaan of bezoek ontvangen.
Je moet nu thuis je schoolwerk maken, als het kan met je werk thuiswerken.
Dat is vreemd om zo opeens niet meer naar school te kunnen, niet meer op bezoek,
niet meer spelen, niet meer naar je werk
en ook niet weten hoe lang het nog gaat duren.
Misschien ben je wel heel gespannen en merk je dat je zenuwachtig bent, of bang.
Of misschien heb je vooral last van verveling omdat je niet weet wat je moet doen.
We weten ook niet wat er komen gaat.
Blijft het rustig in Nederland en hier in Oldebroek
of staat ons net zo’n ingrijpende crisis te wachten als Italië?
We weten het niet.

In het Bijbelgedeelte dat we lezen, weet Jezus wel wat er komen gaat:
Waar wij ons schrap zetten voor de tijd die komen gaat:
de worsteling in Gethsemané, het verraad van Judas, het verhoor
en dan het kruis dat op zijn schouders wordt gelegd,
het kruis waaraan Hij gehangen wordt en waaraan Hij zal sterven.
De Heere Jezus weet dat het op Hem af komt. Hij kan daar niet aan ontkomen.
Nu viert Hij samen met Zijn leerlingen de Pesachmaaltijd.
Het is de laatste keer dat Hij deze maaltijd met Zijn leerlingen kan hebben.
Jullie hebben in de afgelopen week misschien ook wel iets bewust voor het laatst gedaan:
Toch nog even doen, omdat je niet weet wanneer je het weer kunt doen.
Wanneer er weer een tijd is dat je bij elkaar kunt komen.
Zo viert Jezus deze maaltijd van Pesach voor de laatste keer.
Er is trouwens ook een mogelijkheid dat voor Jezus het Pesach niet is doorgegaan.
Ik zal daar niet meer van eten, zegt Jezus,
en er zijn er die zeggen dat Jezus nu al niet meer aan deze maaltijd meedoet.
Niet eet van het brood of van de gerechten met de bittere kruiden, niet drinkt van de wijn.
Terwijl Jezus er wel naar uitgekeken heeft om dit feest nog met Zijn leerlingen te vieren.
Nog één keer samen zijn, zelfs met Judas erbij, de discipel die Hem zal verraden.
Ook met Petrus die niet veel later zal zeggen dat hij Jezus niet kent.
Samen met de leerlingen die allemaal op de vlucht zullen slaan
als Jezus wordt gevangengenomen en wordt meegenomen.
Nu nog een keer samen als groep, om Jezus heen verzameld.
Het is niet zomaar een feest: het is Pesach.
Pesach is het feest waarop gevierd wordt dat God redt.
Lange tijd zat het volk gevangen in Egypte, waar het hard moest werken, als slaven.
De jongetjes die geboren werden, werden met de dood bedreigd.
Een gevaarlijke tijd voor hen, omdat ze hun leven niet veilig waren.
Een harde tijd omdat ze hard moesten werken, zo hard dat ze bijna dood neervielen.
Als het zo door zou gaan, zou er van het volk Israël niets meer overblijven
En zou er niemand van dit volk hebben gehoord.
Ze riepen tot God om hulp, om bevrijding, om redding.
Mozes werd gestuurd om aan de Farao te vragen of het volk mocht gaan.
Op de avond, voordat het volk weg zou mogen gaan uit Egypte,
moest er een speciale maaltijd voorbereid worden,
een maaltijd waarmee ze afscheid namen van Egypte.
Ze waren nog niet bevrijd, nog niet gered – dat zou pas de volgende dag gebeuren.
En toch, die nacht vierden ze al dat God er was voor hen en hen zou redden
en een nieuw leven zou geven in hun eigen land.
Steeds weer moesten ze dat feest vieren – om te vieren dat ze bevrijd waren.
Om te vieren dat ze door God waren bevrijd
en bovenal om te weten, dat wanneer je zelf geen uitkomst ziet, God kan komen
om je te redden uit het gevaar dat je bedreigt.
Als ze Pesach vierden, was het alleen een terug denken aan vroeger,
maar als je Pesach vierde, dan deed je dat alsof je op dat moment zelf werd bevrijd.
Al leefde je in een tijd van vrede.
Maar ook als je leefde in een tijd van oorlog en onderdrukking,
dan vierde je dat God kan komen om uitredding te brengen
en dat je op dat moment gered wordt door God, al zie je op dat moment er nog niets van.

Dat zou je nu ook wel willen dat God redt, dat Hij bevrijding Zijn bevrijding nu laat zien.
Dat Hij ons land bewaart voor een ramp, die zou kunnen gebeuren.
Dat Hij jouw leven beschermt, die van je ouders, van je opa en oma en allen die bij je horen.
Dat Hij zorgt dat dit virus niet meer verder gaat en geen mensenlevens zal eisen.
We weten niet wat er op ons afkomt en juist dan kun je verlangen naar Gods redding.
Daarom hebben we kerk, als is het op een andere manier dan gebruikelijk.
Om de Heere God hierom te bidden,
om samen met elkaar te blijven geloven dat Hij het kan
Maar ook om sterk te blijven in het geloof als het allemaal spannend en moeilijk wordt.
Wij geloven in Jezus, die geleden heeft, die ook is opgestaan en de dood heeft overwonnen.
Maar voor Hij overwon moest Hij wel eerst een weg van lijden gaan.
Vlak voor Hij die weg van lijden daadwerkelijk inslaat, in de nacht waarop Hij verraden werd,
kwam Hij nog een keer met Zijn leerlingen bij elkaar, nog één keer samen
om dit feest van Gods redding te vieren:
God kan en wil en zal – zelfs bij het naderen van de dood – volkomen uitkomst geven.
Als Jezus aan tafel ligt met Zijn leerlingen, viert Hij nog eenmaal dat feest:
het feest dat God redt in de meest donkere tijd, dat Hij er is als je geen uitkomst ziet,
als je gevangen zit en geen enkele hoop, geen enkele uitzicht hebt.

Het wordt een bijzondere maaltijd, niet omdat deze maaltijd de laatste voor Jezus wordt,
maar om wat de Heere Jezus aan deze maaltijd laat zien.
Bij de eerste beker wijn die rondgaat, kijkt Jezus Zijn leerlingen, die bij hem aan tafel zijn
ernstig aan en zegt: ‘Denk bij deze beker niet alleen aan het verleden terug,
niet alleen hoe God onze voorvaderen bevrijdde uit Egypte.
Nemen jullie deze beker, drinken jullie deze beker leeg,
Want er komt een moeilijke tijd aan, waarop jullie het zonder Mij moeten doen,
maar wel aan Mij zullen denken.
Eerst moet ik een weg gaan en die weg zal pas voorbij zijn
Als Ik ervoor gezorgd heb dat het Koninkrijk van God is aangebroken.
Dat Gods macht weer zichtbaar wordt op aarde en God alleen over deze aarde heerst
en de macht van de duivel, de macht van de dood, de macht van de zonde is gebroken.’
Het is de vraag of de discipelen op dat moment begrepen wat Jezus bedoelde.
Eerst moest het Goede Vrijdag worden en Pasen.
Eerst moest Jezus sterven aan het kruis en weer opstaan,
Voordat ze konden begrijpen wat Jezus hier uitlegde.
Het gebeurt nogal eens dat je verder moet zijn
Voor je begrijpt welke kant het op gaat en wat de weg van God is,
wat Gods bedoeling is.

Als ze verder gaan met de viering van de Pesachmaaltijd,
vieren dat God hen bevrijd, ook uit de meest donkere periode die er kan zijn,
neemt Jezus het brood.
Hij breekt het brood en ook hierbij zegt Hij dat ze niet alleen aan vroeger moeten denken,
Aan hun voorouders en het harde leven in Egypte,
of aan de moeilijkheden die ze zelf hebben meegemaakt, hun eigen lijden.
Dit brood dat Ik hier nu breek, dat is Mijn lichaam
Zoals Ik jullie dit stukje brood geef dat ik van dit brood afbreek,
zo zal Ik ook Mijn lichaam geven.
In de komende weken zullen heel wat dokters en zusters zich volledig in moeten zetten
in het ziekenhuis, in de ambulance, in de thuiszorg wellicht
en vast ook wel meer werken dan ze anders doen
en daarbij ook nog met het risico dat ze zelf ziek kunnen worden.
Daar kunnen we iets zien van je volledig inzetten.
Dat is wat Jezus bedoelt, als Hij het brood breekt en het geeft en daarbij zegt
dat Hij ook zo Zijn lichaam geeft.
Hij zal niet achteruit deinzen als Hij moet gaan.
Jezus zal niet zeggen: laat het toch maar een ander doen.
Nee, Ik geef Mij voor jullie.
Een dokter of een zuster of broeder kan zich inzetten, maar moet bij tijden toch uitrusten.
Een dokter of een zuster of broeder kan zich helemaal inzetten en lang doorgaan
om iemand proberen te redden,
maar elke dokter en elke zuster or broeder zal de ervaring hebben
dat ze wel eens machteloos zijn, maar niemand kunnen redden.
Jezus geeft Zichzelf helemaal en zal niemand kwijtraken als Hij zich helemaal inzet.
Hij weet wel dat Hij zelf moet gaan sterven
en dat legt Hij nog een keer uit als Hij de beker rond laat gaan.
Dat is de beker die aangeeft dat Ik zal sterven.
Ik zal dat voor jullie doen: Mijn sterven zal voor jullie bevrijding zijn.
Zoals de maaltijd die Jezus had met Zijn leerlingen en het feest dat ze vierden
met de bevrijding uit Egypte te maken had,
zo geeft Jezus een nieuwe betekenis aan de maaltijd:
We gedenken en vieren dat Jezus wilde sterven voor ons.

Vandaag zouden er twee ouderlingen, een kerkrentmeester en een diaken worden bevestigd
maar doordat we vanwege het coronavirus niet bij elkaar mogen komen
is dat uitgesteld en zal hun bevestiging later plaats vinden.
Het leek mij mooi om aan de hand van deze maaltijd uit te leggen
wat hun taken binnen de kerk zijn en dan met de nieuwe maaltijd, het avondmaal,
De maaltijd om Jezus heen:
De kerkrentmeester die mogelijk maakt dat deze maaltijd gehouden kan worden:
Er moest een zaal zijn, het feestmaal moest worden voorbereid.
Ouderlingen helpen om gemeenteleden deel te laten nemen aan het avondmaal.
zodat de gemeenteleden net als de discipelen bij Jezus aan tafel zijn
en de tekenen van Zijn lichaam en Zijn bloed mogen ontvangen in brood en wijn.
Diakenen die laten zien in hun hulp dat Jezus kwam om te dienen
Om heel concreet in hulp zichtbaar te maken dat Jezus kwam om te dienen,
om in de hulp die geboden wordt de zegen van Christus heel concreet te maken.

Het lijkt een veilig eilandje in een wereld, waarin veel aan de hand is.
Misschien is het zo voor jullie in de afgelopen week ook geweest:
Je bent veilig thuis geweest, beschut, terwijl in de wereld heel veel aan de hand is.
Er kunnen ook, als je zoveel bij elkaar bent, irritaties komen,  dat je je aan elkaar ergert.
Ook hier bij de discipelen is dat zo.
Een van de leerlingen die er niet meer bij wil horen en zijn eigen gang gaat
en zelfs besluit om Jezus te verraden.
De andere leerlingen die ruzie hebben over de vraag wie nu de belangrijkste is
en dat aan de maaltijd, waar Jezus weer opnieuw aankondigt dat Hij zal lijden en sterven
en dat Hij dat zal doen voor hen en voor ons.
Je moet niet de baas willen spelen, zegt Hij.
Dat ga ik ook niet doen, al heb ik daar het recht wel toe.
Maar Ik ben gekomen om te dienen, om jullie namens God te dienen.
Dat zal op een bijzondere manier zijn.
Dat zal geen dienen zijn, zoals de leerkrachten gediend hebben
om het jullie mogelijk te maken dat jullie thuis jullie schoolwerk konden doen.
Ook geen dienen, zoals mensen bereid zijn om boodschappen te doen
voor hen die in deze dagen niet uit het huis kunnen.
Nee, het is een dienen aan het kruis, waar Hij onze zonden op zich nam.
Om ervoor te zorgen dat wij weer bij God mogen horen, aan God verbonden zijn.

Dat kan alleen als we aan Jezus verbonden zijn.
Nu zijn ze nog samen om Jezus en bij Jezus en met Hem verbonden.
Maar er komt een tijd, waarop ze Hem in de steek zullen laten.
Ze kunnen niet meer bij Hem horen.
Niet alleen omdat de weg voor hen te moeilijk is, maar ook omdat ze zelf niet willen.
Ze gaan zelf een andere kant op, bij Jezus vandaan.
Ze laten het leven met Jezus zo maar op.
Ze verbreken zomaar hun band met Jezus, uit teleurstelling.
Maar Jezus kijkt al verder, naar Zijn eigen weg: Ik blijf met jullie verbonden.
Jullie blijven bij Mij horen, al raak je Mij kwijt.
Ik ben gekomen om jullie te dienen.
Dat dienen van Jezus is het dragen van onze zonden aan het kruis.
Omdat Jezus stierf aan het kruis, kunnen wij bij God horen.
Dat heeft Hij voor ons voor elkaar gemaakt. Daar heeft Hij voor gezorgd.
En die band met God kunnen we niet meer kwijtraken.
Daardoor kunnen we deze tijd doorkomen, omdat we bij Jezus horen.
Voor de een betekent dat: dat je gezond en wel, beschermd er door heen komt.
Voor de ander dat je merkt dat hoe moeilijk het ook wordt je toch kracht krijgt
om verder te gaan.
We hopen dat we allemaal bewaard blijven en we geloven dat God dat kan.
We geloven, dat als onze tijd gekomen is om te gaan,
de Heere Jezus een weg gebaand heeft om bij God aan te komen in Zijn koninkrijk.
We hopen en bidden dat het voor ons allemaal nog een tijd mag duren

Deze bijzondere tijd helpt ons misschien wel om meer te begrijpen van de weg die Jezus moest gaan, voor ons, om voor ons te lijden en te sterven.

Leer mij, o Heer, uw lijden recht betrachten,
in deze zee verzinken mijn gedachten:
o Liefde, die, om zondaars te bevrijden,
zo zwaar woudt lijden!

‘k Zie U, God zelf, in eeuwigheid geprezen,
tot in de dood als mens gehoorzaam wezen,
in onze plaats gemarteld en geslagen.
de zonde dragen.
Amen





Preek zondag 1 maart 2020 middagdienst

Preek zondag 1 maart 2020 middagdienst
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Lukas 9:18-27

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Moet u zich eens indenken wat onze Heere Jezus Christus hier zegt.
Dat als je wakker wordt en je opstaat een kruis op je schouders neemt
en dat je dat kruis de hele dag meedraagt bij alles wat je doet.
Als je je aankleedt, als je ontbijt, als je naar je werk gaat of je kinderen naar school brengt,
tijdens de bezigheden die je hebt, heel de dag door bij alle gesprekken die je hebt,
draag je dit kruis bij je op de rug en tors je dat mee, omdat je Christus achteraan wilt gaan.
En ‘s avonds als je slapen gaat, leg je dit kruis van je af
of misschien draag je dit kruis ook wel in je slaap, omdat je het niet meer kunt afleggen
als je het eenmaal op je genomen hebt.
Als je het al ‘s avonds van je af kunt leggen, neem je het kruis de volgende morgen weer op
en draag je dat de hele dag door bij alle bezigheden.
Je neemt het zelf op je schouders.
Dat kruis is niet dat anderen op je schouders leggen, maar het is je eigen keuze,
want het hoort bij de weg die je wilt gaan: de weg achter Jezus aan.
Je hebt de keuze om dat kruis niet op te nemen,
maar dat is dan gelijk ook de keuze om niet achter Jezus aan te gaan,
om je leven te houden zoals het is, zonder dat God er een rol in speelt.
Dat je een kruis op je neemt, dat hoort bij het leven met Christus,
dat draag je uit eigen vrije wil, omdat je achter Christus aangaat, elke dag weer opnieuw.
Als je aan het avondmaal gaat, zeg je daarmee dat je bereid bent dit kruis te dragen,
omdat je achter Jezus aan wilt gaan en daarmee het kruis niet uit de weg wilt gaan,
dat je bereid was vandaag om je kruis op te nemen en dat morgen weer te doen
en steeds weer opnieuw, zoals je elke dag je bezigheden hebt ook dit kruis draagt.

Als Jezus over Zichzelf vertelt dat Hij een weg moet gaan van lijden,
een weg die zelfs eindigt in de dood aan het kruis,
voegt Hij eraan toe dat deze weg elke volgeling van Hem staat te wachten.
Zoals het brood vanmorgen gebroken werd
als heenwijzing naar hoe het lichaam van Christus werd verbroken,
zo heeft iedereen die gelooft ook een leven dat in het teken staat van het kruis.
Ook het leven van de gelovige wordt verbroken,
zoals dat aan het kruis ook met Christus gebeurde.
Dat verbroken worden heeft hier wel een hele speciale betekenis:
want Jezus betrekt het op zelfverloochening.
Elke dag je kruis op je nemen om achter Jezus aan te gaan betekent zelfverloochening.
Je kunt het ook omdraaien: zelfverloochening is elke dag je kruis op je nemen,
omdat je achter Jezus aan wilt gaan.
Want daar heeft het wel mee te maken: dat je achter Jezus aan wilt gaan, Hem volgen.
Dat kruis dat wij dragen is een ander kruis dan Jezus droeg.
Het kruis dat Hij droeg had een unieke betekenis: Hij droeg onze schuld
als de Knecht des Heeren uit Jesaja 53 die bereid was dit lijden te ondergaan in onze plaats.
Dat kruis kunnen wij niet dragen, omdat dat kruis voor ons is gedragen.
Ons kruis is een ander kruis, maar heeft wel iets gemeenschappelijk met dat andere kruis
dat er stond op Golgotha, dat door Jezus door Jeruzalem werd gedragen.
Namelijk de bereidheid om te dienen.
Christus was bereid om met Zijn leven anderen te dienen.
Zoals een liedje van Elly & Rikkert zingt:
Waarom bleef U zo stil  – toen ze U vroegen: bent U de koning der Joden
Waarom bleef U zo stil –  toen ze U sloegen en aan een kruis wilden doden
Dacht U aan ons?
Hij dacht niet aan Zichzelf.
Niet toen Hij in de hemel was en het duidelijk was dat Hij naar de aarde moest gaan.
Hij dacht niet aan Zichzelf toen Hij de Jordaan inging om gedoopt te worden.
Hij dacht niet aan Zichzelf toen Hij rondtrok door Galilea
en zelfs niet als Hij de eenzaamheid introk om in gebed te zijn.
Hij dacht niet aan Zichzelf in Gethsemané, toen Hij na Zijn worsteling toch besloot
om de drinkbeker die de Vader voor Hem bestemd had aan te nemen en leeg te drinken.
Hij had uit Gethsemané kunnen vluchten als Hij Zijn leven had willen behouden.
Hij had zelfs een heel leger aan engelen kunnen gebieden om Hem te beschermen

toen ze met stokken en zwaarden op Hem af kwamen om Hem gevangen te nemen.
Hij was bereid om deze weg te gaan, een weg van zelfopoffering, van zelfverloochening.
Door dat kruis te dragen uit eigen wil, liet Jezus zien dat Hij bereid was om te dienen,
om ons te dienen, om alles voor ons over te hebben.
En dat is wat Jezus ook bedoelt als Hij tegen ons zegt dat dit erbij hoort op Zijn weg:
dat je jezelf verloochent en elke dag weer je kruis opneemt.
Er gaat geen dag voorbij of je neemt dit kruis op.
Zelfverloochening betekent dat je niet jezelf op de eerste plaats zet,
maar dat je Christus op de eerste plaats zet – bereid om Hem te dienen
en dat je in navolging bereid bent om anderen te dienen.

Zo zullen wij allen, die door het waarachtige geloof in Christus ingelijfd zijn,
door broederlijke liefde samen één lichaam vormen,
omwille van Christus, onze geliefde Zaligmaker, die ons tevoren zo bijzonder heeft liefgehad. Dit zullen wij niet alleen met woorden, maar ook met daden aan elkaar bewijzen.

Jezelf verloochenen en elke dag je kruis op je nemen betekent dat je bereid bent
om God en je naaste dienen, bereid om dat te doen wat Christus deed.
Je volgt Hem na, je gaat dezelfde weg en je neemt die houding van Christus aan.
Dat is wat je beloofd hebt aan het avondmaal:
Wat ik van U, Heere, heb ontvangen, wil ik ook weer aan anderen geven.
Zoals U diende, wil ik ook dienen, zoals U zichzelf gaf wil ook ik mijzelf geven – in Uw dienst.

Hier in de gemeente zijn er heel wat die op die manier zichzelf verloochend hebben
en gediend hebben en zo iets van Christus hebben laten zien.
In de zorg voor een vader of een moeder, soms zelfs in huis genomen
in de zorg voor een oom of tante die geen kinderen had en op de familie was aangewezen.
Of in de zorg voor het gezin van je kinderen.
Vaak doe je op hen niet tevergeefs een beroep.
Als het moet, veranderen ze hun plannen voor die dag.
Ik kan genoeg verhalen vertellen van echtgenotes die hun eigen leven opgaven
omdat de zorg voor een zieke echtgenoot alles van hen vroeg.
Of een man die zijn eigen activiteiten en hobby’s beperkt,
omdat zijn vrouw het niet zo fijn vindt als hij van huis is omdat ze hem nodig heeft.
Het bijzondere is dat als je met hen in gesprek gaan, ze dit gewoon vinden.
Je hoort dat te doen. Dat heb je beloofd toen je trouwde.
Dat hoor je te doen als familie.
Wanneer je aan hen vraagt waarom ze dat doen zullen er niet veel zijn
die gelijk naar Christus verwijzen en zeggen dat Hij kwam om te dienen
en dat wij, omdat Hij ons diende met Zijn weg, wij ook geroepen zijn om te dienen.
Ze zullen zeggen: dat hoor je te doen.
En pas met doorvragen zullen ze aangeven dat ze op deze manier Christus dienen.
Zeg daarom niet te snel dat er te weinig zelfverloochening is
en zeker niet als we met elkaar avondmaal hebben gevierd.
Want daarin zijn de tekorten die we hebben, als we onszelf niet hebben verloochend,
als we alleen maar aan ons zelf hebben gedacht als hardnekkige egoïsten
op een wonderbaarlijke manier van ons afgenomen, omdat Jezus niet aan zichzelf dacht
maar Zijn leven gaf aan het kruis en Zijn bloed liet vloeien,
waardoor wij gereinigd kunnen worden van de zonde.
Avondmaal betekent dat als wij faalden in onze zelfverloochening,
op die dagen waarop we ons kruis niet op ons wilden nemen, omdat dat ons niet paste,
wij een nieuwe kans krijgen om weer die weg te gaan
en dat onze schuld van ons afgenomen is.
Avondmaal betekent ook dat als wij tekortgeschoten zijn in onze dienst aan anderen
dat de Geest in ons werkt, zodat we het verlangen krijgen ons leven in dienst te stellen
allereerst van Christus en voor Hem ook in dienst van onze naaste.
Wanneer Christus ons een opdracht geeft, geeft Hij daarbij ook altijd de kracht
om die opdracht in praktijk te brengen.
Als Hij ons opdraagt Zijn weg te gaan, laat Hij ons niet alleen gaan,
maar gaat Hij zelf mee, gaat Hij voorop en baant Hij de weg.
Bovendien geeft Hij de Heilige Geest, zodat we het volhouden op die weg.
Als Jezus ons opdraagt om onszelf te verloochenen,
dan hoeven we dat niet zonder de Geest te doen, die ons helpt om in te zien
wanneer wat we deden door egoïsme werd gedreven
en helpt de Geest ons in te zien wanneer ons leven alleen maar om onszelf draait.
Avondmaal versterkt ons in het geloof dat de Geest in ons aan het werk is
en niet stil zit om ons zover te brengen dat we bereid zijn om te dienen
en misschien moet u, moet jij niet te snel kijken naar hoe je gefaald hebt.
Al kan zo’n stevig woord als zelfverloochening je er wel toe brengen dat je denkt
dat je nog steeds niet genoeg doet, al heb geef je nog zoveel zorg aan anderen.
Zou je niet terug kijken naar hoe je gegroeid bent in je dienen
en dat je mag zien dat de Geest je inderdaad op de weg van Christus laat gaan.
Avondmaal is niet alleen bedoeld om de evaluatie op te maken,
Waarbij je alleen ziet wat er nog ontbreekt, op welke manier je nog faalt,
maar ook zien – in dankbaarheid – hoe je groeit in geloof
en hoe de Heere je aan de tafel heeft gevoed om deze reis verder te vervolgen
de reis achter je Heer aan, waarbij je Hem dient  en achter Hem aan gaat.
In het gebed bij het avondmaal vragen we aan God of we dagelijks mogen groeien
in de gemeenschap met Christus.
Dat is niet zo maar een formulering, maar dat is wat de Heilige Geest doet
en waarbij de Geest het avondmaal gebruikt: Om ons te laten groeien in die gemeenschap.
Dat je zo leeft, dat je leven niet alleen maar van jezelf is, maar van Christus
en dat je meer en meer voor Hem gaat leven.
Opdat zij die leven, niet meer voor zichzelf leven,
maar voor Hem die voor hen is gestorven en opgewekt.
Schrijft Paulus in 2 Korinthe 5, een hoofdstuk waarin de verzoening aan de orde komt.
Niet meer voor jezelf leven, niet meer jezelf op de eerste plaats zetten, maar onze Heer,
geen egoïsme, maar zelfverloochening.
Eerder in de preek koppelde ik dat aan voor een ander zorgen.
Voor een ander zorgen is slechts een voorbeeld van hoe wij anderen kunnen dienen.
Waar Jezus het zelf over heeft, is het evangelie uitdragen, voor Zijn naam uitkomen,
Zijn verhaal doorvertellen, ook al kun je daardoor meewarig aangekeken worden
of zelfs met lijden te maken krijgen omdat je van Hem bent en voor Hem uit komt.
Als je dat overkomt, kun je de neiging hebben om het kruis maar te laten voor wat het is
en het een poosje niet op je te nemen, omdat je die weg niet wilt gaan.
Je schamen voor je Heer noemt Jezus: er niet voor uit willen komen,
omdat dit geen glorieuze weg omhoog is, maar een moeilijke weg
van lijden, van spot en tegenstand, van twijfel en aanvechting,
waarbij anderen tegen je zeggen: Is dit nu je God? Ben je daarom gelovig geworden?
Makkelijk is deze weg niet zegt Jezus,
maar Hij geeft wel aan dat er aan deze weg een einde komt
en dat is geen dooddoener, zoals mensen kunnen zeggen:
dat aan het einde van een tunnel wel licht zal zijn.
Hij zegt dat omdat Hij de weg kent die Hij vooruit gaat.
Want Hij kondigt niet alleen aan dat er een kruis zal zijn, lijden zal zijn,
Dat Hij verworpen zal worden, maar Hij kondigt ook aan dat er drie dagen later
iets bijzonders gaat gebeuren: Dat God handelt door Zijn Zoon uit de dood te roepen.
Op de derde dag zal Hij worden opgewekt.
Wie dat kruis op zich neemt, omdat je achter Jezus aangaat en Hem wilt volgen,
Is niet alleen verbonden met Christus in het dragen van het kruis,
maar ook in wat er volgt: de opstanding uit de dood.
De weg gaan van Jezus betekent dat je hier op aarde een moeizame weg kunt gaan,
maar het einde zal bijzonder zijn: dan wekt Christus ons op uit de dood,
wie zijn leven zal verliezen door het kruis op zich te nemen, elke dag, zal het behouden.
Wie achter Jezus aangaat, volgt niet alleen de lijdende Knecht des Heeren,
maar volgt ook de Heer machtiger is dan de dood, de God van het leven,
die de macht van de dood verbrak en eeuwig leven kan geven.

Dat is geen verre toekomst, want Jezus besluit met een raadselachtige spreuk:
Dat er zullen zijn die de dood niet zullen smaken voordat het Koninkrijk van God komt.
Tijdens hun leven zullen zij nog mogen meemaken dat dat Koninkrijk komt,
waarvan Christus Heer is.
Heeft Jezus zich dan vergist? Want waar is dat Koninkrijk dan?
Dat koninkrijk van God is toch nog niet gekomen, want we bidden er toch om?
Uw koninkrijk kome.
Maar Jezus doelt niet op Zijn wederkomst.
Want dan zou het een raadselachtige tekst zijn,
maar Jezus doelt op Zijn opstanding, waarmee het kruis waar bleek zijn
en waar Zijn macht over de dood zichtbaar werd.
Vanaf Golgotha en door het geopende graf is dat koninkrijk gekomen.
We bidden er om,omdat we uitkijken naar Christus’ komst
en tegelijkertijd is het al waar: dat het koninkrijk er nu al is.
Nog wel verborgen en nog niet volledig en toch niet helemaal toekomstmuziek
maar ook heden.
Het avondmaal wijst niet alleen vooruit naar het koninkrijk van God dat komen zal,
de maaltijd in de hemel van onze Heer met alle verlosten,
maar laat ook zien dat dit koninkrijk er nu al is en dat wie gelooft
reeds is binnengegaan in dat Koninkrijk.
Wie in dat koninkrijk is binnengegaan is veilig voor de macht van de boze,
al kun je nog wel lijden, en een kruis moeten dragen,
je leven is zeker, geborgen, behouden, omdat je het al een keer verloren hebt.
In dat geloof kunnen we achter Jezus aan gaan, wetend dat we op de goede weg lopen
kunnen we onszelf verloochenen, wetend dat Hij onze Heer is en over ons leven waakt,
kunnen we ons kruis dragen, omdat we ons verbonden weten met onze Heer
en omdat we mogen geloven dat Zijn opstanding ook onze opstanding is.

Gij Hebt aan ’t kruis voor ons den dood zijn macht ontnomen,
zo baandet G’ ons de weg, om weer tot God te komen.

Gij kocht ons met uw bloed, blijf, Heiland, ons regeren,
blijf ons, uw erfenis, door uwe macht bewaren,
wil met uw heil’gen ons voor uwe troon vergaren!
Amen

Preek zondag 1 december 2019

Preek zondag 1 december 2019
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Jesaja 63: 7-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Dat zijn woorden die je niet snel uit de mond van een vrome profeet zou verwachten,
Een profeet die namens God erop uit gestuurd wordt
om het volk in naam van God aan te spreken op hun gedrag en hen terug te roepen.
Dat een profeet niet staat te springen om te gaan, dat kunnen we ons nog wel voorstellen.
Of dat een profeet eraan lijdt dat er naar zijn boodschap niet wordt geluisterd
en over de eigenwijsheid van het volk klaagt bij Degene die hem gezonden heeft.
Maar hier klaagt de profeet God aan vanwege nalatigheid.
HEERE, waarom doet U ons afdwalen van Uw wegen?
Waarom verhardt U ons hart, zodat wij U niet vrezen.

Zegt de profeet nu dat hij en alle anderen uit het volk Israël er niets aan kunnen doen
Dat ze voor een verkeerde weg kozen en bij God vandaan gingen
en dat het aan de Heere ligt dat ze weggegaan zijn, omdat Hij hen niet tegenhield?
Dan zou je dat in de komende weken, als je met de aansporing van het avondmaal,
om een oprecht voornemen te hebben om God te dienen
kunnen zeggen, dat als je er niet in slaagt, dat je er niets aan kunt doen
en kun je naar God wijzen: had Hij maar beter opgelet en meer gedaan.
Had Hij maar ingegrepen; ik kan er niets aan doen. Het is mij ook maar overkomen.
Hij weet toch dat wij het uit onszelf niet kunnen?
Waarom heeft Hij mij dan niet tegengehouden toen ik die verkeerde keuze maakte?
Waarom heeft Hij mijn gang laten gaan toen ik in mijn geloof verslapte?
Hij wist toch ook wel dat er dan ik dan niet de juiste weg opging?

Hier wordt God niet alleen aangeklaagd voor nalatigheid,
maar wordt Hij er ook nog eens voor aangezien dat Hij bewust in mensen werkte
en dan niet door Zijn Geest te geven en het hart te openen voor Christus,
maar zo te werken dat het hart dicht ging en er geen ruimte kwam voor Hem.
Dat ligt niet aan ons, maar dat ligt aan U.
Wij hadden het ook graag anders gewild, maar ja, U besliste anders over ons.
De klacht tegen God is dus ook dat Hij harten afsluit voor Zijn woord.

Kun je wel zo tegen God spreken?
Als er over God geklaagd wordt, schrikken kerkmensen nogal eens

en geven ze aan zo kun je niet over God praten.
Hoe aangrijpend het ook is als je ziek wordt, of als een geliefde verongelukt,
je mag er God de schuld niet van geven
en God al helemaal niet ter verantwoording roepen, waarom Hij dat liet gebeuren.
Want wij zijn maar mensen en kunnen het geheel niet overzien.
Wij kunnen niet zien welke bedoeling de Heere ermee had.

Hij kan iemand willen stilzetten, of door alle ervaringen willen vormen in geloof.
Je kunt maar beter zwijgen en het aan God overlaten.

Dat is nu net niet wat de profeet doet.
Ook hij zal geleerd hebben dat je niet zo tegen God in kunt gaan, omdat Hij te heilig is.
Ook hij zal geleerd hebben dat je als mens niet moet bedenken
dat je God kunt aanklagen omdat je niet eens bent met de koers die Hij gaat.
En toch laat hij zich er niet door tegenhouden
en slaat een toon aan tegen God waarvan zijn ouders wellicht zouden schrikken
en de omstanders als ze hem zouden horen zich bezorgd zouden afvragen wat hij deed.
De profeet stormt het heiligdom van God binnen en roept het uit: waarom dan?
De profeet wil echter niet dat God hem gaat uitnodigen om er even goed voor te gaan zitten
zodat de Heere de kans krijgt om Jesaja uit te leggen wat er allemaal speelt.
Jesaja zit niet te wachten op een verklaring van God, een antwoord in woorden.

De profeet wil dat de Heere iets doet.
Dat de Heere doet, wat Hij voor eerdere generaties ook heeft gedaan,
namelijk uit de hemel komen en voor hen strijden, met hen meegaan.
Hij deed dat toen ze vanaf de Sinaï weer verder gingen door de woestijn
op weg naar het Beloofde Land.
Toen bleef Hij daar niet achter op de berg en bleef Hij niet werkloos in de hemel,
maar daalde Hij af en ging mee met het volk, Hijzelf persoonlijk,
Hij ging voor hen uit en baande de weg en bracht hen in Kanaän.
Elke barrière die er was, werd door Hem uit de weg geruimd.
Als er honger nodig was, gaf Hij eten. Als er dorst was, gaf Hij water.
Als ze niet verder konden, omdat er een zee was of een rivier de weg versperde,
zorgde de Heere dat er een weg door het water kwam en Israël kon gaan.

Waarom kan dat nu niet, wat de Heere vroeger wel liet zien?
Waarom kon Hij hen toen wel als een herder voorgaan
en heeft Hij dat niet gedaan toen de zonde vat kreeg op het volk?
Als Hij hen toen had tegen gehouden, hadden ze nu niet in Babel gezeten.
Als Hij toen hun hart niet had afgesloten voor Zijn woorden,
was het niet nodig geweest dat de Heere de tempel liet verwoesten,
ja Zelf tegen die tempel optrok, met Israëls vijanden,
om Zijn eigen woning in puin te leggen, te veranderen in een ruïne.
De profeet kan er niet bij. De God, die een verbond sloot met Israël,
die aangaf: Jullie zijn mijn volk en Ik ben jullie God!

De profeet wil geen verklaring van God, maar wil dat de Heere verandert,
verandert van gedachten om Israël niet meer bij te staan
en zich niet meer afzijdig houdt, maar weer tot Zijn volk komt.
Wat de profeet hier tegen God uitroept, is allereerst een roep om hulp, een wanhoopskreet.
Om aan de Heere te laten zien hoe het met Zijn volk gaat
nu God het aan Zijn lot heeft overgelaten: er is niet meer veel van over.
Was dat het waard? Is hiermee het doel van God bereikt?


De profeet is niet overtuigd van de weg die God gaat en gaat tegen de Heere in:
Heere, ziet U dan niet dat deze weg de mensen niet bij U brengt,
maar verder bij U vandaan doen gaan?
Heere, als U Uw volk weer bij U terug wilt hebben – want daar is het U toch om te doen? –
dan moet U een andere benadering kiezen!
De profeet die gestuurd is om Gods boodschap te brengen en hen over God te vertellen
twijfelt niet alleen over het effect van Gods boodschap, maar over God zelf.
Is dit nog wel de God die hij wil dienen, de God die hij heeft leren kennen.

Zo kunnen er zomaar vragen zijn over de weg die God gaat, vragen die over God zelf gaan.
Dat zijn niet alleen vragen die de profeet toen had, maar u, jij ook nu kunt hebben.
Waarom? Waarom moest dat zo gebeuren?
Dat je merkt door wat er in je leven gebeurt er van alles gaat schuiven.
Als dit mij overkomt, wat heb ik dan nog aan God? Is Hij dan nog wel mijn God?
Die vraag hoef je niet eens hardop te stellen, maar kan wel leven in je hart.
Omdat je dochter ziek werd en overleed.
Of een kind, een kleinkind overleed en je ook het verdriet van je kinderen ziet.
Je eigen huwelijk is voorbij en je bent gescheiden en hebt de pijn er nog steeds van
en begrijp je niet waarom je dit overkomen is.
Je kunt het niet meer opbrengen om naar de kerk te komen.
Je weet het niet meer te rijmen met God die een herder zou zijn.
Waarom had God niet eerder in gegrepen om je deze weg te besparen.
Hij wist toch dat je op deze weg Hem meer en meer zou kwijtraken.

Kun je zo wel over God praten? Kun je zo wel tegen God ingaan zoals de profeet dat doet?
Het gevecht met God aangaan: Waarom?
Professor Van de Beek geeft in zijn boek Gemeente van Christus aan
dat de werkelijke crisis in de kerk gaat om de vervreemding:
dat veel mensen in de kerk God niet meer ervaren zoals ze dat vroeger deden
en dat het geloof langzaam van hen afglijdt. De vraag of God er wel is.
Voorheen een voorbeeldig gezin, kerkenraadslid, avondmaalsganger, predikant.
Maar de ervaring van het leven botst op wat je altijd geleerd hebt.
Waarom God gaat U met mij deze weg?
De vraag van Van de Beek is of een kerkenraad deze diepgaande vragen
onder ogen durft te zien, niet alleen als vragen van anderen, maar ook van jezelf.
Kerkzijn betekent niet deze vragen wegduwen,
omdat je bang bent dat je God tekort doet.
Omdat je bang bent dat het een vorm van ongeloof is, die je moet overwinnen.
Want in die vraag “Waarom God?” zit het geloof dat God anders kan,
dat Hij een Redder kan zijn, zoals Jesaja dat zegt
onze Verlosser van oude tijden af is Uw Naam.
Jesaja is in gevecht met God om God zelf.

Om de passie die God had, de bewogenheid van God die je in de Bijbel leest,
Waar je over hoorde van je ouders en grootouders,
het geloof dat Christus neerdaalde in onze ellende, zo diep ging als wij,
door God verlaten werd, zodat wij nooit meer door God verlaten hoeven te worden.
Om de naam van God waar te laten zijn: Heere – Ik ben er, Ik sta klaar, Ik kom er aan.
Immanuël  – God met ons. Zelfs op de weg bij Hem vandaan.
Zelfs op de weg bij Hem vandaan. Zelfs daar is God er.
Als Jesaja in gevecht met God is, begint het te dagen hoe het zit.
Dat God niet afwezig is op onze dwaalweg, maar dat God ons die dwaalweg liet gaan.
Om te ervaren hoe het leven zonder Hem is.
God straft de zonde met de zonde, zegt Luther.
Als je niet met God wil leven, dan laat Hij je ervaren hoe dat is.
Dan houdt Hij je niet tegen, maar laat Hij je gaan.
Maar Hij laat je niet los.

Bij alle diepe vragen die in Jesaja gesteld worden over God
en hoe er ook met God geworsteld wordt, komt er toch steeds een besef
dat God er ook is, op een manier die je niet verwacht.
Niet in zegeningen die je ontvangt, niet in een voorspoedig leven,
maar aanwezig in de nood die over je heen komt.
De avondmaalstafel staat niet in een wereld, waarin alles gladjes verloopt,
maar waarin er veel is dat God aanklaagt, staat te midden van de waaroms.
We zien dan hoe Jezus werd verbroken.
Hij onderging zelf het lijden, Hij daalde neer onze Godverlatenheid.
Niet alleen om medelijden te hebben, te ervaren hoe het voor ons is.
Maar om onze schuld weg te dragen, om de weg vrij te maken naar God.
We vierden avondmaal in de tijd van advent.
We zullen binnenkort weer lezen en horen hoe er voor Hem geen plaats was.
Vanaf het begin van Zijn menswording was Zijn leven lijden.

We zijn vandaag begonnen met de adventsperiode.
Advent is niet zozeer een periode waarin we ons voorbereiden op het Kerstfeest,
maar ons voorbereiden op de Wederkomst van Christus.
Advent is ook geen tijd om de kerk alvast vol te hangen met kerstversieringen,
om alvast in de stemming voor het kerstfeest te komen.
Advent is de nood van deze wereld onder ogen te komen, en ook onze eigen nood zien.
Om ook onze eigen machteloosheid onder ogen te zien
en die machteloosheid niet weg te redeneren, maar te erkennen
en ermee naar God gaan: hier ben ik, ik kom er niet meer uit.
Ik zie dat ik afdwaal, ik voel dat mijn hart verhard is
En ik merk aan mijzelf dat ik me niet kan veranderen.
Ook al heb ik avondmaal gevierd.
Ik heb juist avondmaal gevierd, omdat ik besefte dat ik er zelf niet uitkom
en dat ik zelf niet in staat ben om mij een ander, een beter mens te maken.
Dat kunt alleen U.
Alleen U kunt mij terugbrengen als ik afdwaal. Ik zit te vast in mijn oude leven.
Alleen U kunt mijn hart openen, want ik wil niet altijd dat U in mijn hart ben
want dan heb ik het gevoel dat ik zoveel van mij moet inleveren.

Het is een appèl op God om iets te doen, om te komen, om te redden,
om niet met de armen over elkaar te zitten, maar in actie komen!
Het is meer een smeekbede dan het afschuiven van de schuld.
Het is meer een roep om hulp dan boosheid op God.
Machteloosheid, omdat je zelf niet meer kunt , de nood is te groot.
en het alleen nog maar van God kunt verwachten.
Dat is advent: roepen op God, omdat je gered moet worden.
Machteloosheid is echter niet het enige dat God van ons vraagt.
Niet alleen open handen: Wij kunnen het niet meer, doet U het maar.
Niet alleen het gevoel van falen: Wij brengen er niets van terecht.
Van schuld, omdat we van de zonde niet loskomen.
Daarnaast ook geloof: dat God met ons bezig is,
Al zien we daar zelf niet alles van en is het vaak voor ons verborgen.
Toch is het zo.

We vieren niet voor niets avondmaal,
waarin we vieren dat God met ons verder gaat, ondanks onze eerdere weg.
Dat Christus ons niet opgeeft en niet als hopeloos beziet,
maar dat Hij in ons werkt, om dat vertrouwen te werken,
om ons steeds meer en meer in Zijn dienst te laten staan.
Dat gaat door de diepte heen, door afdwalen – al weten we niet altijd waarom.
Wel dat God komt – vaak niet op een imposante manier,
niet zo krachtdadig waar Jesaja om vraagt: dat de hemel opengescheurd wordt.
Eerder haast onzichtbaar, eerder intiem dan opzienbarend.
Aan een avondmaalstafel, in een preek, een lied, in een regel die door je heen gaat.
In kracht die je voelt als je een moeilijke weg gaat,
in iemand die er voor je is en die je kan bijstaan en dat doet in Gods naam.
En als de hemelen wel openscheurden, zoals boven de velden van Efratha
en de engelen het over de aarde uitbazuinen, is er maar een klein groepje herders
dat er van hoort, dat het gelooft en gaat om te aanbidden.
God kan zeeën splijten en rivieren droogleggen om een pad te banen,
maar kiest vaak een andere weg, zoals Hij die koos aan het kruis,
om verbroken te worden, om in onze diepte te stappen, onze nood,
de nood niet alleen van verdriet, pijn, lijden, machteloosheid,
maar ook van onze zonde.
Om te komen als Redder.
Hoe diep Jesaja ook gaat, hoe intens de vragen ook zijn,
dat geloof dat God redder kan zijn, is hij niet kwijtgeraakt,
al ziet hij niet hoe God in zijn tijd redder is.

Advent is een tijd van uitzien, van geloven al zie je er niet altijd iets van.
Dat Christus weer zal komen om definitief te redden.
In het avondmaal wordt dat geloof, dat uitzien gevoed

Daarom zingen we in advent ook steeds over de komst van onze Heer,
de ene keer als gebed – Kom tot ons Heer, de wereld wacht.
De andere keer als belijdenis, bemoediging voor elkaar.

Vat moed, bedroefde harten,
uw Koning nadert al.
Vergeet uw angst en smarten,
daar Hij u helpen zal.
Er is weer nieuwe hoop:
Hij noemt u Zijn beminden,
in ’t woord laat Hij zich vinden,
in avondmaal en doop.

Hoort toe gij zwaarbeproefden,
uw Koning is niet ver!
Voor wie in ‘t duister toefden,
rijst nu de morgenster.
De Heer geeft in de nood
zijn wonderbare bijstand;
Hij slaat de laatste vijand.
Hij overwint de dood.
Amen


Preek zondag 1 december 2019 – morgendienst

Preek zondag 1 december 2019 – morgendienst
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Jesaja 63:7-19

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Avondmaal vieren op de eerste zondag van advent heeft iets moois, vind ik.
De vier adventsweken zijn bedoeld om ons te versterken
in de verwachting van de Wederkomst van Christus.
Daar is avondmaal ook voor bedoeld, om ons te versterken in die verwachting.
Want vieren we avondmaal niet totdat Christus komt?
Daar kun je naar verlangen dat Christus terugkomt,
ook in weken waarin het geen advent is, of waarin je niet bezig bent met avondmaal.
Omdat je er zo naar kan verlangen Christus te ontmoeten.
Je kijkt daarom uit naar Zijn komst, je bidt erom.
Je kunt ook om heel andere reden verlangen naar de komst van Christus,
omdat je in jezelf zoveel meemaakt,
of je ziet in de wereld hoe er geleden wordt en dat kan heel dichtbij zijn.
Je zucht onder hoe het in deze wereld eraan toe gaat
En je kijkt uit naar de dag deze wereld verlost zal worden
en Christus naar de aarde komt om al het leed, het kwaad te verdrijven
en deze wereld te vullen met Zijn heerlijkheid.
Je bent aangedaan, in je hart huil je over deze wereld en is er een roep naar God.
Net zoals het appèl dat Jesaja op de Heere doet:
Kijk neer uit de hemel en zie uit Uw heilige en luisterrijke woning.
Zo’n appèl op God om te komen naar de aarde,
om niet in de hemel te blijven toekijken – dat is de klank van advent.
Advent begint in de diepte, waar de nood ervaren wordt,
– de nood dat we het zonder God niet redden,
omdat we aan onze verlorenheid overgeleverd zijn, gebonden in de macht van de zonde.
Uit diepten van ellende, roep ik met mond en hart, tot U die heil kunt zenden.
Daar begint advent.
Ook het avondmaal begint daar:
bij het besef hoe ons leven zou zijn, hoe diep we weggezonken zijn, als we God niet kennen.
Hoe hopeloos we eraan toe zijn als we Christus niet hebben als Heer, als Redder.
Hopeloos in Gods ogen.
In het formulier klinken op de voorbereidingszondag woorden als vervloeking, oordeel.
Hier in Jesaja kunnen we merken wat dat met je doet.
Het aangrijpende als dat werkelijk zo is en het klinkt als een appèl op God,
Waar zijn Uw na-ijver en Uw machtige daden,

Uw innerlijke bewogenheid en Uw barmhartigheid? Ze houden zich jegens mij in.

Het is een roep omhoog, zoals dat ook in Psalm 130 gebeurde, uit de diepte,
een roep om redding, dat God komt, dat Hij Zelf komt, hier op aarde om te redden.
Als U zelf niet komt, dan blijft er niets meer van ons over.
Zelfs in de wanhoop, als het besef doorklinkt dat die veroordeling terecht is
en dat het aan ons kan liggen dat God niet van zich laat horen,
wordt de Heere aangesproken, aangeklampt om Zijn barmhartigheid:
We hebben U toch leren kennen als onze Vader?
We hebben toch steeds gemerkt dat U als Vader voor ons wil zorgen?
Maak ons weer tot Uw kind, wees weer onze Vader.
Laat ons hier niet alleen in onze zonde, waar wij verder bij U vandaan gaan.
In die roep naar omhoog, dat intense gebed tot de Heere om te komen,
om weer als een Vader te zijn, klinkt het geloof door dat God wil komen
en dat Hij wil komen om te redden.
Over God werd steeds als redder gesproken, door de ouders, grootouders,
iedereen die over God sprak van eerdere generaties wist het, heeft het ervaren
dat God je niet in de diepte, niet in de ellende achterlaat,
Zelfs niet in de ellende waar je zelf voor koos, omdat je bij God wegging.
Ook dat is advent: dat je mag geloven dat God komt om te redden.
Ook dat is avondmaal, dat we mogen geloven dat Christus kwam om te redden
en dat we mogen uitkijken naar die dag dat onze Redder nog eens zal komen
om voorgoed de zonde uit de wereld te bannen en ons helemaal te bevrijden
van de zonde die nu nog in ons werkt.
God is niet in de hemel gebleven, maar kwam op aarde om Zijn volk te leiden
door de woestijn naar het Beloofde Land Kanaän: Hij ging voorop.
Christus is niet in de hemel gebleven, maar kwam op aarde,
als kind in de kribbe om de weg naar het kruis te gaan
en Zijn leven te geven om ons te redden.
Aan het avondmaal mogen we geloven dat Hij nu ook niet in de hemel blijft,
maar – door Zijn Geest – hier op aarde komt om bij de tafel aan te schuiven,
om zelf de Gastheer te zijn en door brood en wijn heen Zichzelf te geven.
Neemt, eet, gedenkt en gelooft dat Zijn lichaam verbroken is tot volkomen verzoening.
Waar in Jesaja nog de roep naar omhoog klinkt, mogen we geloven
met de komst van Christus naar deze aarde dat de Heere deze roep altijd gehoor geeft
en dat naar ons toekomt.
Zo ook vanmorgen met Zijn genade, met vergeving, met tekenen die op Hem wijzen.
Dat Hij inderdaad onze Vader wil zijn en wij Zijn kinderen weer mogen zijn.
Dat Hij inderdaad onze redder wil zijn en dat aan ons wilt laten weten.
Zo komt onze Heere zelf naar ons toe, om ons te nodigen, te roepen aan Zijn tafel.

Kunnen wij voor Hem verschijnen? Kunnen wij Hem ontmoeten?
Niet als we komen zoals we zijn.
Wel als we aannemen wat Christus ons geeft:
De waardigheid om God te mogen ontmoeten, om Hem te ontvangen in ons hart
ontvangen we van God zelf. Zo kunnen we Hem ontmoeten.
Omdat Hij dat wil. Omdat Hij wilde komen, gekomen is.
Waarom zou u dan nog wachten?
Wat heb je nog meer nodig om te weten dat het ook voor jou is?
Kom om je geloof te versterken.
Kom om te ontvangen wat je Heer je geeft.
Kom om uit te zien naar die andere dag dat je Hem mag ontmoeten, voor altijd.
Amen

 

Preek zondag 29 september 2019 – Avonddienst

Preek zondag 29 september 2019 – Avonddienst
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 1 Korinthe 1:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een apostel, die blij is dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt.
Hoe kan Paulus daar nu blij mee zijn, dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt?
Trouwens, de opluchting dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt,
zal in de tijd dat hij werkte een heel ander gevoel zijn geweest:
een gevoel van hard moeten ploeteren zonder veel resultaat te halen.
Een tijd lang daar in Korinthe moeten werken,
zonder te merken dat zijn boodschap zo veel had uitgewerkt.
Slechts een enkeling uit Korinthe die ging geloven.
Pas nadat Paulus na een lange tijd van bijna vruchteloos evangelisatiewerk verder trok
en na hem andere apostelen kwamen, zoals Apollos en Petrus,
begon de gemeente te groeien doordat mensen tot geloof kwamen
en zich lieten dopen in de naam van Jezus Christus.
Paulus moet wel een sterke persoonlijkheid geweest zijn met een ruim hart
als hij niet jaloers wanneer Apollos komt met enthousiaste verhalen
over hoeveel mensen er onder zijn prediking tot geloof komen en zich lieten dopen.
Paulus heeft alleen maar geplant en Apollos mocht begieten.
Paulus strooide het zaad van het evangelie en Apollos mocht oogsten
en mocht het water van de doop over de nieuwe gelovigen gieten.
Vanwege de ruime oogst, die Apollos mocht binnenhalen,
stond Apollos in hoger aanzien dan Paulus. Ze hadden liever dat Apollos kwam dan Paulus.
Ondanks alle kritiek die veel gemeenteleden hadden op Paulus
en duidelijk lieten blijken dat zij meer hadden met Apollos,
heeft Paulus wel een zwak voor deze gemeente
en is hij dankbaar voor wat er in de gemeente gebeurt,
voor wat de Heere in de gemeente doet.
Daar dankt Paulus elke keer de Heere royaal voor.
Als Paulus zegt, dat hij blij is dat hij zo weinig mensen heeft gedoopt,
is dat niet een zure opmerking, waarbij hij tussen de regels door
wil laten merken dat de houding van de Korinthiërs hem kwetst,
dat hij ook een mens is met gevoelens, die gekwetst kan worden.
Het gaat Paulus om het grotere doel: dat er in Korinthe een gemeente is ontstaan,
volwassenen en kinderen, die bij Christus zijn gaan horen,
die de doop hebben ontvangen,
waardoor zichtbaar werd dat ze het oude leven achter zich lieten
en een nieuw leven in Christus ontvingen.
Dat zijn bijdrage maar klein geweest is, dat houdt hem niet zo bezig.
Hij heeft gezaaid. Dat is voor hem genoeg geweest.
Hij is vooral dankbaar dat er nu een oogst mag zijn, dat er vrucht is, geloof in Christus.
Hij ziet daarin dat God in de gemeente werkt,
dat de genade van God ook in de gemeente van Korinthe ontvangen mag worden.
Vanavond zijn we bij elkaar gekomen om God te danken voor wat Hij gegeven heeft.
We kunnen dankbaar zijn voor wat wij zelf, persoonlijk hebben ontvangen.
We kunnen in deze dienst van dankzegging ook kijken
hoe Gods genade hier in de gemeente uitgedeeld mag worden.
Gemeenteleden die vanmorgen met ons hun zonden bij het kruis brachten
om bij Christus genade en vergeving te ontvangen.
Het is bijzonder om te zien dat ook in onze gemeente het kruis een kracht heeft
om gemeenteleden te roepen tot Christus, tot de gemeenschap aan Zijn tafel.
Steeds weer is het bijzonder om te merken dat de roepstem van het kruis
gehoor vindt in onze gemeente.
Daar mogen we de Heere voor danken, voor die genade die ons als gemeente gegeven is.
Die dank voor wat God in de gemeente doet gaat bij Paulus altijd voorop.
Hij kan heel wat aan te merken hebben op de gemeente – en dat blijkt ook wel,
maar het eerste wat Paulus doet als hij de gemeente een brief schrijft,
is om te laten merken dat hij dankt voor Gods werk.
Het avondmaal vieren helpt ons ook om te zien, dat de Heere hier in de gemeente werkt.
We kunnen heel wat op de gemeente aan te merken
en toch is het goed om allereerst de blik omhoog te doen en te zien hoe God hier bezig is.
We kunnen dat gemakkelijk uit het oog verliezen.
De neiging kan er zijn om eerst te kijken naar wat niet zo goed gaat,
Wat je als gemeentelid mist, wat je voor je geloof tekort komt aan gevoed worden.
Ik heb dat wel meegemaakt, dat in een bepaalde gemeente gevraagd wordt
naar één punt waar men dankbaar is  als het om de eigen gemeente gaat
en een punt van zorg of kritiek,
dat de lijst met zorg en kritiek al snel een hele waslijst werd,
maar dat het moeilijk werd om iets aan te dragen waarvoor men dankbaar was
in deze gemeente – alsof er niets was om dankbaar voor te zijn.
Danken betekent dat je oog krijgt voor wat heel gewoon lijkt
en toch heel bijzonder is omdat je dat kunt rekenen tot wat de Heere nu hier doet.
Dat uzelf naar voren kwam en dat u zag dat degenen die naast u zaten ook gingen.
Dat degenen, die niet naar voren kwamen, omdat ze de moed niet hadden,
stilletjes in hun eigen hart avondmaal gevierd hadden.
Ze zagen hoe gemeenteleden vooraan zaten aan de tafel van Christus,
Ze zaten weliswaar zelf niet aan,
maar brachten zelf ook hun zonden aan de voeten van Christus.
Daar kunnen we de Heere niet genoeg voor danken.
Die dank is ook belangrijk, want het helpt ons ook te zien hoe God in onze tijd werkt.
Er kan een behoefte zijn om te zien waar de Heere werkt.
Vaak wordt daarbij wat in onze ogen gewoon is over het hoofd gezien,
Want dat vinden we gewoon en zien het bijzondere er niet van.
Paulus ziet in de gemeente van Korinthe wel het bijzondere,
Wat voor de gemeenteleden van Korinthe zelf misschien niet eens bijzonder meer is.
Paulus is dankbaar voor iedereen, die in de gemeente betrokken is geraakt,
voor iedereen, die is gaan geloven en de doop mocht ontvangen,
al was de echte groei van de gemeente pas gekomen nadat hij was weggegaan
En zal hij bij de doop van veel gemeenteleden niet zelf aanwezig zijn geweest

en alleen van horen zeggen wie er bij de gemeente zijn gekomen
doordat ze gedoopt werden in de naam van Christus.

Danken voor de gemeente wil niet zeggen dat je geen kritiek mag hebben.
Paulus schrijft zijn brieven steeds uit bezorgdheid over hoe het in de gemeente gaat.
Die bezorgdheid heeft te maken met de dank voor de gemeente,
met de genade die aan de gemeente geschonken is,
aan het zichtbaar zijn van het werk van God in die gemeente.
De eerste brief aan Korinthe is een vrij lange brief, waaraan we kunnen merken
Dat er best wat in de gemeente heeft gespeeld
En wie de brief doorleest, zal merken dat de gemeenteleden of de kerkenraad
niet altijd onder ogen heeft willen zien welke problemen er zijn.
De gemeente, waar Paulus voor dankt,
de gemeente waar Paulus op een afstandje zoveel ziet van het effect van genade,
Van kracht dat het kruis heeft – een kracht tot behoud, schrijft hij in vers 18.
Een gemeente die onderdeel is van de gemeenschap met Christus.
Toch zorgt die dankbaarheid er niet voor dat Paulus de ogen sluit voor de misstanden.
We lazen over groepen in de gemeente:
De ene groep die naar Apollos trekt, de andere groep die Petrus op het schild heft,
Een andere groep die de voorkeur uitspreekt voor Paulus,
Een vierde groep die weer een heel andere keuze heeft
en zegt dat ze met de kerkleiding die er is niets te maken heeft,
niet met Paulus, niet met Petrus, niet met Apollos,
maar puur en alleen aan Christus verbonden is
en schermt met die verbondenheid met Christus,
alsof zij binnen die gemeente een exclusieve groep zijn,
die zich van anderen niets hoeven aan te trekken, met hen niet hoeven samen te komen,
en niet met de anderen hoeven mee te leven.
Ik ben van Christus
– dan niet in de zin van dankbaarheid dat ze gered zijn van een verloren bestaan,
en dat ze beseffen dat ze in het oordeel van God vrijgesproken kunnen worden,
maar als een groep die hen exclusief maakt en apart zet van andere gelovigen.
Als een soort elite binnen de gemeente, een speciaal niveau,
een hoog level dat je niet zomaar bereikt.
Dan maak je van genade een status
En redding van verlorenheid een exclusief gebeuren, waarin jij alleen speciaal wordt.
Dat is nu precies het omgekeerde.
Daarmee doe je als gelovige het kruis tekort en doe je de betekenis teniet.
Want Christus stierf niet voor onze zonden om ons nu eens op het schild te heffen,
Want dan zouden we zwak blijven voor de zonde van hoogmoed
en van neerkijken op anderen
en de zonde om toch uiteindelijk niet voor God te willen knielen.
Paulus heeft ontdekt dat het kruis je nederig maakt.
Dat was een harde, confronterende les, waarbij hij alles wat hij dacht te hebben,
kwijtraakte, zelfs zijn status als gelovige moest inleveren,
omdat het alleen maar buitenkant was, schijn.
Hij dacht God te hebben en God te dienen,
maar toen hij Christus ontmoette besefte hij dat het leeg was bij hem van binnen.
En toch was er ook voor hem genade
zelfs voor hem, die de gemeente van Christus vervolgde
En daarmee Gods werk dwarsboomde.
De genade ging zelfs nog verder: Hij werd geroepen om als apostel te dienen.
Om erop uit te gaan het verhaal te vertellen over Christus,
van het kruis en de opstanding, van de straf die Christus droeg
en de vrijspraak in het oordeel die is te ontvangen.
Misschien is het wel die eigen ervaring,
die intense ervaring, die heel zijn leven op zijn kop zette
wel die hem fijngevoelig maakt voor de genade die in de gemeente werkt
en waardoor hij haarscherp aanvoelt hoe die genade
binnen de gemeente onder druk kan komen te staan.

Zo komt de vreemde uitspraak van Paulus, dat hij blij is
dat hij er maar weinig gedoopt heeft in de gemeente in een ander licht te staan.
Het gaat er niet om wie er gedoopt heeft.
Natuurlijk, je mag een speciale band hebben met een predikant
die je kinderen doopte, bij wie je zelf belijdenis deed, met wie je in de kerkenraad zat.
Paulus zal met bepaalde mensen ook een speciale band gehad hebben.
Hij had in ieder geval contact met Chloë en degenen die bij haar hoorden,
haar huisgezin, of degenen die met of voor haar werkten.
En van hen krijgt hij informatie over hoe het in de gemeente gaat.
Het gaat er niet om, wie er doopt of bij wie je belijdenis doet.
Het gaat allereerst om Christus, wiens naam je belijdt, in wiens naam gedoopt wordt.
Dat je in Hem gelooft, dat je toetreedt tot de gemeenschap met Hem, onze Heere.
Dat je van Hem wordt – Jezus Christus mijn getrouwe heiland eigen ben.
Je kunt niet bij de hemelpoort komen en zeggen: Ik ben door die dominee gedoopt.
Of bij die predikant heb ik belijdenis gedaan.
Het gaat erom of je van Christus bent, dat je verbonden bent aan Hem,
die Zijn leven gaf op Golgotha, die vanmorgen brood en wijn aanreikte.
Die de genade in de gemeente laat werken.
DAt je op de dag waarop Christus terugkomt, voor Hem kunt verschijnen:
onberispelijk, zegt Paulus.
Dat er niets op je aan te merken is.
Dat kan allleen maar als je met Hem verbonden bent, van Hem geworden bent.
Als dat zo is, dan mag je aan het avondmaal,
dan is de toegang tot het koninkrijk van God open en mag je binnengaan
omdat Christus je binnenlaat: voor jou ben ik aan het kruis gegaan.
Dan mogen we voor eeuwig loven en prijzen.
Dat loven, die dankbaarheid, de lofprijzing begint nu al, omdat we nu al mogen merken
dat God werkt en Zijn genade geeft en dat die genade ontvangen wordt
opgenomen wordt met dankbaarheid en blijdschap, geloofd wordt.
Amen

Preek zondagmorgen 10 februari 2019

Preek zondagmorgen 10 februari 2019
Viering Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: Vers 24-27

Gemeeente van onze Heere Jezus Christus,

We moeten allemaal eens voor God verschijnen.
Als ons leven op aarde voorbij is, dan komen we voor Zijn troon te staan.
Hoe zal Hij dan over ons leven oordelen?
Mag je binnenkomen in Zijn heerlijkheid?
Of zal Hij aangeven dat er geen plaats voor je is?

Je kunt die vraag voor je uitschuiven,
maar er komt een dag waarop we daar staan voor Hem.
Niemand weet wanneer die dag zal komen
en niemand of hij of zij de tijd krijgt om daar alsnog over na te denken.
Als je niet wilt nadenken over hoe het straks zal zijn, als je voor Hem komt,
dan lijk je op iemand die een huis bouwt op het zand, een huis zonder fundament.
Een huis op zand bouwen, betekent dat je je niet zo druk maakt
over hoe het zal gaan als je voor God komt te staan.
Je komt er wel door en zult wel worden binnengelaten.
Je bent dan iemand die een huis bouwt, je eigen levenshuis,
zonder je druk te maken om het fundament,
zonder na te denken of je huis wel stevig staat.
Het is onverstandig, dwaas, als je ervan uit gaat dat het altijd mooi weer blijft,
dat de zon altijd in je leven blijft schijnen.
Als het zover is, blijft er weinig van overeind, want het had geen enkele vastigheid.
De storm, waar de Heere Jezus over spreekt,
de hevige regen en het water dat buiten de oevers treedt en zorgt voor een overstroming,
daarmee bedoelt Hij niet dat er over je aardse levens heel wat stormen kunnen komen.
Dat kan zeker – hier in de kerk zijn er heel wat bij wie het gestormd heeft in hun leven
en ook dan is het belangrijk dat het huis van je leven op Christus de rots is gebouwd.
Maar hier betekenen de storm die om het huis heen waait:
het oordeel van God over ons leven, dat Hij zal uitspreken
Als we aan het einde van ons aardse leven voor Zijn troon komen te staan.
Er is maar één manier waarop ons levenshuis in die storm overeind kan blijven staan,
Waardoor we ook geen zorgen hoeven te maken voor dat moment,
Waarop we voor Hem moeten verschijnen.
Als ons huis gebouwd is op Christus de rots
en het huis van ons leven is op Hem gebouwd
als we Hem in geloof aannemen, als we in vertrouwen op Hem leven
en dat niet alleen bij mooie woorden laten.
Ons levenshuis is op Hem gebouwd, als we Zijn woorden niet alleen horen,
maar ook in praktijk brengen.
Wanneer je dat doet, dan ben je verstandig
en dan weet je zeker dat je kunt verschijnen, dat je houvast hebt.

Wanneer je dat niet doet, wanneer je de woorden van Jezus wel hoort,
maar langs je heen laat glijden en er niets mee doet en ze niet in praktijk brengt
dan ga je er aan voorbij dat je leven hier op aarde eens zal eindigen
en dan ben je net zo dwaas bezig als iemand die een huis bouwt,
zonder voor een goed fundament te denken.
We komen niet alleen aan het einde van ons leven voor God,
maar ook als we in de kerk zijn, als we bidden of lezen in de Bijbel.
Dan komen we voor God te staan.
Omdat we Hem dan niet zien en niet altijd ervaren,
kunnen we er op dat moment aan voorbij gaan, dat we voor God zijn gekomen.
En als we het hier goed hebben, kunnen we het voor ons uitschuiven
dat het moment eens zal komen waarop de Heere vraagt
wat we met ons leven hebben gedaan.
We kunnen dat niet voor ons uitschuiven,
want als we ons levenshuis nu niet op Hem bouwen, dan staat ons huis op het zand
En zijn we onvoorbereid voor dat moment.
Het gaat er om dat ons levenshuis op Hem is gebouwd.
Als we naar de kerk gaan, dan is de vraag die steeds op ons afkomt:
Waar is ons huis op gebouwd?
Op zand omdat we denken dat we er zo wel komen en zelf genoeg doen?
Of is ons huis gebouwd op de enige Rots die er is: Jezus Christus?
Als we avondmaal vieren, dan zijn we bezig om ons levenshuis op Hem te bouwen.
We beseffen dat als Christus niet het fundament onder ons leven is
We niet overeind blijven als we voor Hem komen.
Als we avondmaal vieren, kijken we ook terug en beseffen we
Dat er heel wat momenten weer zijn geweest, waarop we eerder bouwden op het zand
Dan op de Rots, die God ons biedt, de stevigheid, het houvast dat God ons aanreikt.
Avondmaal vieren is de kans weer opnieuw krijgen,
om niet op zand te bouwen, maar ons levenshuis te bouwen op Christus.
Alleen dan heeft ons huis stevigheid en houvast.
Alleen dan blijft ons levenshuis overeind als de storm om het huis giert,
Als een zware regenbui tegen de ramen en de muren aanslaat.
De Heere Jezus vertelt het ons ook als uitnodiging om het te doen,
als aansporing om te komen tot Hem en ons leven niet zonder Hem te leven.
Als waarschuwing dat als we dat niet doen,
we niets anders hebben dan een huis zonder fundament, dat niet overeind blijft.
Als we avondmaal vieren, dan zoeken we onze houvast in Hem.
Dan zeggen we tegen de Heere: wij willen ons huis niet op zand bouwen,
maar ons levenshuis bouwen op het fundament dat U geeft, dat U zelf bent.
Als we avondmaal vieren, is dat een gebed: Bouwt U ons levenshuis,
legt U dat fundament onder ons leven,
want wijzelf zijn geneigd om op een verkeerde plek te bouwen.
Dat moeten we ook belijden, en vragen of U ons wilt vergeven
door het sterven van Uw zoon Jezus Christus
Door Zijn sterven is er fundament onder ons leven
En met dat fundament onder ons leven laat U ons bij U binnengaan. Amen

 

Preek zondag 3 februari 2019

Preek zondag 3 februari 2019
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: Mattheüs 7:13-27
Tekst: Mattheüs 7:13-14

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

(1) Introductie
Er zijn kinderen, jongeren en volwassenen die in deze tijd een keuze moeten maken.
Leerlingen in groep 8 hebben net de CITO-toetsen gemaakt
en denken nu samen met hun ouders na over de school die gekozen moet worden.
Leerlingen op de middelbare school in de 2e of de 3e denken na
over welk profiel er gekozen moet worden voor het volgende jaar.
Eindexamenkandidaten denken na over de vervolgopleiding of studie na het examen.
Er zijn gemeenteleden die een keuze hebben moeten maken
of ze door gingen met een ingrijpende behandeling of chemokuur of gingen stoppen.
In de komende week denken gemeenteleden ook na over de keuze
of ze wel of niet aan het avondmaal zullen aangaan.

Bij een keuze kun je het gevoel hebben, dat je op een kruispunt staat:
Je kunt uit twee of meerdere wegen kiezen,
maar je weet niet goed wat nu de juiste weg is om in te slaan,
omdat je niet goed weet hoe een bepaalde keuze gaat uitpakken.
Je kunt wel kiezen voor havo/vwo, maar je weet niet of je het aankunt.
En je kunt wel kiezen voor kwl of tl, maar je weet niet of het te makkelijk zal zijn.
Je kunt nu wel een bepaald profiel kiezen, maar je weet niet goed
of je met dit profiel wel goede cijfers haalt en zult slagen voor je examens.
Een keuze maken of je wel of niet moet doorgaan met een behandeling
is een ingewikkelde keuze, omdat je niet weet hoe je gaat reageren:
word je er heel ziek door of reageert je lichaam er heel goed op.
Zelfs bij de keuze om aan het avondmaal aan te gaan
of juist de keuze te maken om weg te blijven of om in de bank te blijven zitten
kun je nog de twijfel hebben of je er wel goed aan doet:
Zal deelname aan het avondmaal mij dichter bij Christus brengen?
Is het een goede keuze om weg te blijven of te blijven zitten?

Een keuze maken kan ook ingewikkeld zijn, omdat je niet goed weet
of je de keuze nog een keer kunt maken.
Bepaalde keuzes zijn zo belangrijk, dat je niet meer terugkunt.
Het is dan net alsof je voor verschillende deuren staat:
Bij een keuze ga je door een van deze deuren en je komt nooit meer bij de andere deur.
Als je kiest voor kwl of tl ga je een richting op, waarbij je voor sneller voor een beroep leert
en als je dan toch nog hogerop wil voor een opleiding of studie kan dat extra tijd kosten.
Als je in je examenjaar kiest voor een vervolgopleiding kun je niet zo makkelijk switchen
omdat de kosten te groot zijn voor het ruilen van studie.
Je moet daarom goed weten wat je van tevoren kiest, zodat je geen verkeerde keuze maakt.
Heb je gekozen, dan zit je voor een deel vast aan die keuze.
Ook als het gaat om stoppen met een behandeling of doorgaan, gaat het om een keuze
waarbij je waarschijnlijk niet meer de kans krijgt om nog een keer te kiezen,
of het moet zijn dat de behandeling je zwaar valt en weinig resultaten geeft,
zodat je alsnog wel moet stoppen met de behandeling.
Ook als je kiest om wel deel te nemen aan het avondmaal, kun je misschien niet meer terug
maar ook als je er voor kiest om niet aan te gaan
zal de keuze om ooit wel te gaan niet zo makkelijk genomen worden.

De Heere Jezus wil ook dat we een keuze maken
en gebruikt daarvoor het beeld van een poort (deur) en van een weg:
De poort is nauw en de weg is smal die naar het leven leidt,
en weinigen zijn er die hem vinden.
Je hebt twee keuzes: de ene is een hele brede poort en een ruime weg,
de andere is een klein deurtje en smal weggetje.
Moet u zich eens voorstellen wat dat betekent:
De manier van leven, zoals de Heere Jezus die voorschrijft, is geen makkelijke weg.
Het is een klein deurtje, een kleine poort.
Een kleine ingang, waar je zo maar aan voorbij kunt lopen, als je er niet op gericht bent
en als je er naar op zoek bent, om zo te leven als Jezus dat vraagt,
kan het zijn dat je er eerst aan voorbij loopt, omdat deze poort niet opvalt,
je moet door de straat waar je bent heen en weer lopen
en als je ervoor staat, vraag je je nog steeds af of je wel goed zit.
Voor de deur ligt alles nog onder het sneeuw,
geen enkele aanwijzing door voetstappen in de sneeuw dat iemand door die deur is gegaan.
Jezus vervolgt het beeld: een nauwe poort en een smalle weg.
Een smalle weg is een weg die je bijna niet ziet,
Waarbij je goed moet uitkijken of je inderdaad op de weg bent of er niet naast stapt.
Een weg waardoor je niet vordert.
Of een weg, zoals in de bergen, waarbij je voorzichtig moet lopen,
omdat de ruimte om erover te lopen niet zo breed is.
Het is een weg, waar je vooral alleen op loopt.
Het is stil, je ziet bijna niemand anders,
en daardoor ga je je afvragen of je wel op de goede weg zit.
Is dit wel de weg naar het beloofde einddoel?
De weg die Jezus aanprijst is een nauwe poort, een achterafweggetje,
waar je heel lang erover doet om de stad uit te komen.
Die weg waarop je allerlei verkeersdrempels tegenkomt,  verkeerslichten waar je voor stopt
een vrachtwagen die gelost moet worden die de weg blokkeert,
tegenliggers voor wie je aan de kant moet gaan en even moet stoppen.
Een weg die je veel tijd kost en waarop je na verloop van tijd je afvraagt of je wel goed zit
want je komt voor je gevoel nauwelijks vooruit.
De manier van leven die Jezus voorschrijft is niet als die gemakkelijke weg,
die door de massa genomen wordt,
De levensstijl die bij Hem hoort is niet als een weg waarop je zo weg komt en snel opschiet.
Bijna niemand die dezelfde keuze maakt.

Kun je bij de keuze voor een school nog laten meewegen wat je vrienden kiezen,
deze weg, die Jezus aanprijst, wordt door bijna niemand gegaan.
De meerderheid kiest die andere weg, en die andere poort:
Een brede poort met allure die uitstraalt dat je daar moet zijn.
Een brede, wijde poort geeft aan dat die ingang erg belangrijk is, die moet je hebben!
Dit is de hoofdweg, de meest belangrijke weg die er is, die weg moet je gaan.
Of in onze tijd een hoofdsnelweg van 3 of meer banen, een weg die bijna iedereen kiest
en niet dat achterafweggetje waar je heel lang erover doet, met veel oponthoud.
De ruime weg is een weg, waarop je mooi kunt opschieten
met een duidelijke bestemming en die je het gevoel geeft dat je bestemming belangrijk is.

Wat is dan die keuze, waar de Heere Jezus het over heeft?
Want dat is toch wel van belang om te weten welke keuze je moet maken,
Hoe je door die nauwe poort kunt gaan en welke weg je moet inslaan.
Als je een keuze maakt voor een school, ga je naar een open dag.
Als je een keuze moet maken voor een profiel vraag je het bij docenten na
Bij een keuze voor wel of geen behandeling laat je je voorlichten door het ziekenhuis.
Hoe zit dat met de nauwe poort, waarvan Jezus zegt dat we daar doorheen moeten gaan?
Je zou kunnen denken aan wat nodig is bij de voorbereiding voor het avondmaal:
Erover nadenken wat er mis is in je leven, wat er mis zit in de relatie met God
en bereid zijn om dat eerlijk aan God toe te geven dat het mis zit
En Hem te vragen of Hij opnieuw wil beginnen met je
en te vragen of Hij je de kracht wilt geven zelf ook opnieuw met God te beginnen.
Het is niet makkelijk om naar God toe eerlijk te zijn over jezelf,
al weet je dat Hij alles van je weet en alles gezien
en nog beter dan jijzelf weet hoe het ervoor staat met je.
We kunnen de neiging hebben om dat weg te stoppen en ons groot te houden voor God.
Of je kunt wat geprikkeld reageren: moet het steeds gaan over wat mis gaat?
Moet is steeds nadenken over mijn zonde?
Het eerlijk toegeven, aan God belijden en om vergeving vragen en ook een nieuw begin
kan een nauwe poort zijn, omdat je daar niet aan wilt
en je loopt door met zoveel anderen, die dat ook niet willen, verder over die ruime weg.

Of je wilt dat niet, omdat die keuze om door de nauwe poort te gaan veel van je vraagt
en je weet al dat je het niet vol kunt houden op die smalle weg.
Je weet dat je niet het vertrouwen in God hebt dat je zou moeten.
Je komt in je geloof zoveel tekort en je kent jezelf,
je weet van jezelf dat dit er – als het aan jezelf ligt – er niet beter op gaat worden.
Of er zit wat tussen jou en iemand anders in, onenigheid
en je weet dat je zo op deze manier niet aan het heilig avondmaal kunt komen,
omdat het niet goed zit, maar je wilt het niet goed maken,
omdat je eigen trots je tegenhoudt om de minste te zijn,
je wilt niet de eerste stap zetten om het goed te maken,
omdat je dan moet toegeven dat je zelf ook niet goed zat en er zelf ook een aandeel in had.

Om te weten wat de Heere Jezus bedoelt met die nauwe poort kunnen we ook lezen
in de toespraak die Hij hield daar op die heuvel bij het meer van Galilea.
Hij sprak over degenen die lijden aan deze wereld,
omdat deze wereld zo ver verwijderd is van hoe God deze wereld bedoelde.
Hij sprak over verleidingen die je naar de ondergang kunnen brengen
en dat het daarom beter is om een oog uit te steken of een hand af te hakken.
Hij sprak over voor iemand die je afdwingt om iets te doen het dubbele te doen.
Hij gaf aan dat als iemand je slaat je ook de andere wang moet toekeren
en als iemand je vijand is, dat je voor diegene moet bidden en zelfs moet liefhebben.
Dat je hen het goede toewenst en ook hen op een goede manier behandelt.
Hij gaf aan dat je je geen zorgen mag maken en dat wie dat wel doet kleingelovig is.
Als je die hele bergrede leest, gaat het steeds om een manier van leven
die we niet kunnen opbrengen.
Wij kunnen niet doen wat Jezus ons opdraagt.
En dan moeten we in deze week ons voorbereiden op het avondmaal.
Je weet dat het niet goed zit met God, omdat je steeds de fout in gaat
en je beseft: wat Jezus van mij vraagt kun je niet volbrengen.
Hoe kun je dan ooit nog aan het avondmaal gaan.
Want zoals je leeft, dat is dan toch de brede weg, de weg naar de ondergang?
Dan hebben de gemeenteleden die volgende week niet komen, omdat het niet voor hen is,
toch gelijk en kunnen we toch beter het avondmaal maar overslaan,
Want Jezus legt de lat zo hoog dat niemand die kan behalen.
Wees volmaakt, zoals onze Vader in de hemel volmaakt is.

Wat Jezus vraagt is in veel gevallen moeilijk op te brengen,
maar Hij doet dat niet om ons te ontmoedigen.
Ja, Hij weet dat het een moeilijke weg is en daarom noemt Hij dat ook zo:
Een smalle weg, waarop je soms kunt voortploeteren,
een weg waarop je de moed geregeld in de schoenen zinkt.
Het is een weg van jezelf verloochenen, kruisdragen.
Jezus vertelt er niet bij waarom die weg zo moeilijk begaanbaar is.
Het kan zijn dat we zelf veel willen vasthouden, wat we los moeten laten.
Dat we niet kunnen knielen voor Hem,
of bereid zijn om alles te geven.
Of dat we die keuze niet kunnen maken, omdat we kijken naar ouders of vrienden,
die de keuze om de weg van Jezus te gaan niet hebben gemaakt.
Als het gaat om niet aan kunnen gaan aan het avondmaal
wordt dat nogal eens aangedragen: mijn ouders gingen niet en ik ben niets beter dan zij.
Nee, inderdaad, maar het gaat niet om welke keuze zij gemaakt hebben,
maar het gaat om welke keuze jijzelf maakt, nu je voor de mogelijkheid staat.
Ga je door die nauwe poort, de weg van Jezus op of loop je door op die brede weg?
Zou de stap naar het avondmaal niet een manier zijn om door die nauwe poort te gaan
en met wat je daar krijgt aan vergeving en kracht in je geloof, vernieuwing
verder te gaan op de weg die je bent ingeslagen, de weg dicht bij Jezus
Dat is één manier.
Kinderen en jongeren en gemeenteleden die geen belijdenis hebben gedaan
Jullie vragen je misschien af, hoe je door die nauwe poort kunt gaan.
Want het is niet een poort die je ziet, net als je de weg niet ziet waar Jezus over spreekt.
Door die nauwe poort gaan is kiezen voor Jezus.
Bijvoorbeeld met je hart: ik wil bij U horen, ik wil met U meegaan, mijn leven is van U.
Maar wat de Heere Jezus hier bedoelt is dat het om meer gaat.
Dat je niet alleen met je hart zegt: ik geloof, ik wil van U zijn, U bent mijn Heer.
Maar dat je dat ook laat merken in hoe je doet,
een manier van leven, een levensstijl.
Als je verkering hebt, dan hoor je bij iemand en dat laat je vaak merken.
Je schrijft de naam van je vriend en vriendin op verschillende plaatsen op,
je versiert die naam misschien met allerlei hartjes.
Maar je laat dat ook zien door met die ander op te trekken
En als het echt serieus is, ga je ook rekening met elkaar houden.
Je laat dingen na, die de ander niet zo leuk vindt,
of je gaat je gedragen, zoals die ander graag wil.
Door de nauwe poort gaan, betekent:
dat je je gaat gedragen, zoals de Heere Jezus dat graag wilt
omdat je van Hem houdt, en Hem wil volgen in je leven.
Ik heb net een aantal voorbeelden genoemd en ik zal ze nu kort nog herhalen:
verleidingen uit de weg gaan en ertegen vechten,
als iemand je vervelend behandelt, dat niet gelijk beledigd doorvertellen aan anderen,
of gaat schelden of gaat ruziemaken of zelfs gaat vechten
maar dat je nadenkt: hoe kan ik goed zijn voor die ander.
Als ik nu eens voor die ander ga bidden,
dat is beter dan allerlei nare gedachten over die ander te hebben.
Dat doe je omdat Jezus graag wilt dat je zo wordt.

En in de komende week, waarin we nadenken over het avondmaal,
denken we of we wel zo geleefd hebben, zoals Jezus dat graag zou willen.
Dan kom je erachter, dat het veel beter kan,
Dat je je soms er wel makkelijk van af gemaakt hebt, of gewoon niet wilde.
Dat is niet goed, dat moet beter.
Het mooie van het avondmaal, is dat je weet: Christus vergeeft en begint met mij opnieuw
Ik mag het opnieuw proberen en steeds weer opnieuw proberen.
Soms vorder ik en doe ik het echt beter, geregeld stel ik mijzelf en Christus teleur,
Dat klinkt makkelijk maar is het niet, want je hebt spijt dat je verkeerd was, steeds weer.
maar dan mag ik weer opnieuw beginnen. Christus begint met mij opnieuw.
Dat is de smalle weg en die nauwe poort: de weg van spijt en opnieuw moeten beginnen,
maar Christus die steeds met mij opnieuw begint, telkens weer.
Want Hij wil dat ik op die smalle weg blijf lopen,
om bij Hem aan te komen in Zijn heerlijkheid.
Daarom geeft Hij het avondmaal als een middel om het vol te houden
in de strijd tegen verleiding, tegen zonde, tegen afhaken
om het vol te houden op die smalle weg. Die kracht hebben we nodig,
evenals de vergeving die we ontvangen. Ook die hebben we nodig.
Het avondmaal herinnert ons eraan dat we bij Hem moeten zijn.
Daarom word jij, wordt op genodigd, opgeroepen op te komen bij Hem
om brood en wijn te ontvangen.
Amen