Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Missionair jongerenwerk: doelen, uitgangspunten, dimensies

Al enige tijd staat het missionaire werk op de agenda van de kerk. Daarbij is het het winnen van jongeren voor het evangelie weer een specifieke taak, omdat jongeren vaak zich in eigen leefwerelden bevinden én de afstand tot de kerk vaak groot is. Dat vraagt dan ook weer om een specifieke doordenking en een specifieke aanpak.

Florian Karcher en Germo Zimmermann, die beiden als docent betrokken zijn bij de CJVM-Hochschule (een particulier Duits missionair opleidingsinstituut dat ook door de staat is erkend), hebben een handboek Missionair jongerenwerk geredigeerd. In het eerste hoofdstuk geven zij een aftrap door de doelen, uitgangspunten en dimensies van het missionair jongerenwerk te schetsen.

c5c0f1c6-7c50-464a-9574-82dfeb5e661c
I. DOELEN

In het beleidsstuk van de EKD waarmee beoogd werd de missionaire uitdaging kerkbreed op te pakken wordt gesteld dat het aanspreken van mensen om hen tot geloof te wekken behoort tot alle terreinen van de kerk. Het missionair jongerenwerk wil dat aanspreken met als bedoeling met geloof in aanraking te brengen of tot geloof bewegen oppakken met het oog op jongeren. Missionair jongerenwerk heeft verschillende doelen:

1.1 Verwerkelijking van de zendingsopdracht van de kerk
Missionair jongerenwerk is afgeleid van het zendingsbevel (Mattheüs 28:16-20). Een missie houdt in dat je gezonden wordt door iemand. In het geval van missionair jongerenwerk door Christus (de missio Dei). Bij een missie wordt je ook naar iemand toe gestuurd. In het geval van missionair jongerenwerk: naar jongeren toe. Missionair houdt in dat er aandacht voor geloof is en dat jongeren uitgenodigd worden om te geloven. Het evangelie hoeft niet achterwege te blijven.

1.2 Sociaal-pedagogische verantwoordelijkheid
Missionair jongerenwerk vindt plaats in een maatschappij die het van groot belang vindt dat jongeren zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige volwassenen, die hun eigen keuzes kunnen maken en voor hun eigen leven verantwoordelijk zijn. Missionair jongerenwerk heeft tot taak de jongeren in dit proces van subjectwording te steunen en uit te dagen. In het missionair jongerenwerk gaat het niet alleen om aandacht voor het evangelie, maar ook om een bijdrage te leveren aan de persoonlijke vorming en ontwikkeling van jongeren.

1.3. Christelijke opdracht tot vorming en toerusting
In theologisch opzicht vormt vorming en toerusting van jongeren geen bijzaak. Ook voor het missionair jongerenwerk is vorming en toerusting geen bijzaak, maar is vorming en toerusting onlosmakelijk met missionair jongerenwerk verbonden. Die vorming en toerusting gebeurt op veel manieren: door te ervaren, door relaties, door kennisoverdracht, enz. Veelal gebeurt het op een informele manier.

kinder

II. UITGANGSPUNTEN
Jongerenwerk wordt gekenmerkt door een uitnodigende openheid en toegankelijkheid, door vrijwillige deelname, door participatie van jongeren. Missionair jongerenwerk vormt daar geen uitzondering op. In het missionair jongerenwerk zijn in ieder geval de volgende uitgangspunten van belang:

2.1 Respectvolle houding
Missionair jongerenwerk gebeurt in een pluralistische en multireligieuze samenleving. Dat vraagt om:
– een respectvolle benadering van elke jongere, ook van de jongeren die andersgelovig zijn.
– het tegengaan van manipulatie. Jongeren mogen nooit gemanipuleerd worden om gelovig te worden.
– het helpen van de jongeren om ook kritisch op het christelijk geloof te kunnen reflecteren.
– jongeren te zien als subject (dat wil zeggen dat zij over hun eigen leven hun eigen beslissing kunnen nemen en dat zij bepaalde verantwoordelijkheden kunnen dragen).
– een begeleiding naar een eigen, zelfstandig geloof.
– de keuze bij jongeren te laten over wat zij voor zichzelf plausibel en relevant voor hun eigen leven vinden.

2.2. Aandacht voor de verschillende sociale milieus
Missionair jongerenwerk heeft als doel om jongeren te bereiken in hun eigen leefwerelden. Daarbij dient er rekening mee gehouden worden, dat recent onderzoek naar de sociale milieus ervan uitgaat dat er verschillende sociale milieus zijn waartoe jongeren behoren. Er is niet één jongerencultuur. Deze sociale milieus worden inzichtelijk gemaakt aan de hand van demografische kenmerken.
Deze inzichten in de verschillende sociale milieus waartoe jongeren behoren zijn niet alleen belangrijk om hen te bereiken in hun sociale milieu. Het is ook van belang om voor de jongeren inzichtelijk te maken wat het evangelie concreet voor het dagelijkse leven in dat sociale milieu inhoudt.

zie voor meer informatie: hier

2.3. Mogelijk maken van democratische participatie
In het jongerenwerk – en dus ook in het missionaire jongerenwerk – is van belang dat jongeren zelf mee kunnen werken en mee kunnen denken en bepalen.

2.4 Resource-geörienteerd en YouthEmpowerment
Wanneer we ervan uit kunnen gaan dat elk mens van God gaven en talenten heeft ontvangen, gaat het er in het missionair jongerenwerk erom de bekende gaven en talenten in te zetten (resource-geörienteerd). Daarnaast gaat het erom op het spoor te komen wat een jongere in potentie in zich heeft en dat verder te helpen te ontwikkelen (YouthEmpowerment).

2.5 Relatiegericht
In het missionair jongerenwerk zijn draagkrachtige relaties van belang, waarbij leiders authentiek en betrouwbaar zijn. Vaak zijn degenen die zich inzetten in het missionair jongerenwerk gedreven. Ze hebben een persoonlijke motivatie om het geloof door te geven. Ook al doen zij dat vaak als vrijwilligers, het vraagt wel om een professionele inzet. Zeker met jongeren uit precaire sociale milieus is een professionele houding van belang.
Uit onderzoek is gebleven dat persoonlijke relaties, de ervaring onderdeel te zijn van een gemeenschap, betrokkenheid op sociale milieus en het inzichtelijk maken van wat het evangelie voor iemand persoonlijk kan betekenen een belangrijke bijdrage leveren als iemand tot geloof komt.

III DIMENSIES
Alle dimensies van de kerk kunnen hun bijdrage leveren aan het missionaire werk. Deze dimensies moeten niet behandeld worden als verschillende sectoren binnen de kerk, die niets met elkaar te maken hebben.

3.1 Martyria:
in het missionair jongerenwerk wordt het evangelie van Jezus doorgegeven
Een belangrijke manier om het evangelie door te geven is door erover te spreken. Bijvoorbeeld door een preek in een missionaire dienst, in een overdenking tijdens een jongerenvakantie, in een toespraak tijdens een georganiseerde avond. Er zijn echter veel meer manieren om het evangelie door te geven.
Het doorgeven van het evangelie door middel van een preek, een overdenking of een toespraak gebeurt vaak door leken. Het gevaar is een eenzijdige inhoud of een manipulatieve insteek. Het pluspunt is dat degenen die hier spreken vaak dicht bij de leefwereld van de jongeren staan, die niet bekend zijn met de kerk en het geloof. Het zou jammer zijn als daar geen gebruik van gemaakt wordt. Een (eenvoudige) toerusting door middel van een cursus zou kunnen bijdragen aan de kwaliteit. (zie bijvoorbeeld de Juleica bij 3.5)
In didactisch opzicht is de preek of de toespraak wel eenzijdig. Er zijn veel andere manieren om het evangelie ook door te geven, bijvoorbeeld te leren door te ervaren (in een viering bijvoorbeeld), door gesprekken, door ervaring van gemeenschap.

3.2 Koinonia
missionair jongerenwerk schept ruimte voor relatie en gemeenschap
Door mee te doen ervaren de jongeren een gemeenschap, waarin ze opgenomen zijn en er helemaal bij horen. Volgens de ontwikkelingspsychologie is het voor jongeren van groot belang om tot een gemeenschap te behoren. Ook al moet ieder individu zelf de keuze maken om al dan niet in te gaan op de uitnodiging vanuit het evangelie, geloof gebeurt altijd in een gemeenschap. Het evangelie kan ook doorgegeven worden doordat jongeren weten dat ze geaccepteerd zijn, dat ze er helemaal bijhoren. Het gaat hier om de ervaring van welkom te zijn en helemaal geaccepteerd te worden zoals ze zijn. Het gaat om contact en aandacht zonder dat het benauwend wordt. Het gaat om betrouwbare relaties waarbij jongeren een voorbeeld hebben van hoe geloof werkt en bij wie ze terechtkunnen voor vragen over zichzelf, over het geloof en deze wereld.

Juki

3.3 Leiturgia
Missionair jongerenwerk biedt ruimte voor geestelijke ervaringen
Jongeren leren het evangelie nooit echt kennen en het christelijk geloof nooit echt begrijpen als het bij alleen maar kennis over het evangelie en over God blijft. Het is van belang om jongeren te helpen bij het ervaren van God. De christelijke traditie kent volop vormen waarin dat mogelijk is: een kerkdienst, een viering. Dat vraagt om aandacht voor rituelen, symbolen, hoogtijdagen, enz. Een viering kan groots, maar ook klein en intiem. Dat kan in een kerkzaal, in een sportkantine, aan een tafel waar samen gegeten wordt, enz. In de godsdienstpedagogiek is er de laatste jaren veel aandacht voor het in aanraking brengen met het geloof door jongeren te laten ervaren. Jongerenkerken en praiseavonden steken volop in op de dimensie van de leiturgia.

M3351M-T013

3.4 Diakonia
Missionaire jongerenwerk stelt zich belangeloos in deze wereld op
Diakonia is de naastenliefde die Jezus vraagt in praktijk gebracht. Voorheen werden een diakonale insteek en een missionaire insteek als concurrenten gezien. Tegenwoordig wordt gezien dat ze elkaar kunnen aanvullen in het bereiken van mensen en in het zich opstellen ten dienste van deze wereld om daarmee iets van Christus te laten zien. In het missionair jongerenwerk kan de diakonale insteek genomen worden door jongeren uit precaire sociale milieus huiswerkcursussen of cursussen voor sociale vaardigheden aan te bieden. Er kan de insteek genomen worden om jongeren uit de precaire milieus te helpen om een baan te vinden. Er kunnen projecten ontwikkeld om kinderen en jongeren uit deze milieus meer zelfvertrouwen en eigenwaarde te geven.

3.5 Paideia
Missionair jongerenwerk stimuleert informele vormingsprocessen
De dimensie van vorming ontbreekt niet in de andere dimensies. ‘Spiritualiteit heeft altijd vorming nodig om zich te kunnen ontvouwen.’ (G. Fermor) Vorming kan er zijn voor de jongeren die niets of weinig over het geloof of de kerk weten, bijvoorbeeld door een missionaire cursus als YouthAlpha. Vorming kan er ook zijn voor de degenen die in het missionair jongerenwerk actief zijn. In Duitsland is het mogelijk dat degenen die in het jongerenwerk actief zijn via scholing of cursussen een certificaat behalen: de Jugendleiter-Card (Juleica, zie voor meer informatie: hier). Ook in het missionair jongerenwerk zijn zulke cursussen te volgen om een Juleica te ontvangen. Daarmee zijn ze gekwalificeerd voor hun taak en kunnen ze zich steeds verder ontwikkelen.

home_2015

3.6. Instrumentarium om te analyseren
Deze vijf dimensies zijn bedoeld om te kijken wat een bepaalde vorm van missionair jongerenwerk goed heeft opgepakt. Daarnaast kan gekeken worden welke dimensies over het hoofd worden gezien.

978-3-7615-6286-4

IV AANDACHTSPUNTEN
Het handboek Missionair jongerenwerk is bedoeld als stimulans om het missionaire jongerenwerk verder te ontwikkelen. Karcher en Zimmermann zien de volgende uitdagingen:
– Meer aandacht voor de dimensie van de diakonia in de concrete vormen van missionair jongerenwerk.
– Het vinden van effectief aanbod en effectieve werkvormen. Daarvoor is het nodig dat missionair jongerenwerk leert van de recente ontwikkelingen en onderzoeken binnen de godsdienstpedagogiek en en de sociaal-pedagogische vakken.
– Betrekken van de ervaring die (partner)organisaties elders op de wereld hebben opgedaan.

Missionair jongerenwerk is geen concept dat werkt als er maar de juiste methode gevonden wordt. Missionair jongerenwerk vraagt om passie en enthousiasme voor zowel het evangelie als voor jongeren.

csm_Florian_Portrait_web_01_aea8ce03f7  csm_Germo_Zimmermann_09-2015_09cbb1be4a
Florian Karcher          Germo Zimmermann

N.a.v. Florian Karcher / Germo Zimmermann, ‘Was ist missionarische Jugendarbeit? Ziele, Leitlinien und Dimensionen’, in: Idem (Hg), Handbuch missionarische Jugendarbeit. Beiträge zur missionarischen Jugendarbeit, Bd. 1 (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Aussaat, 2016) 17-49.

Advertenties

Preek zondagmorgen 20 november

Preek zondagmorgen 20 november
Bediening Heilige Doop
Markus 10:13-31

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders, gasten in ons midden,

Dan ben je moeder, dan ben je vader.
Ja, niet ineens.
Je hebt er een aantal maanden voor om naar dat moment toe te groeien.
Dat kunnen mooie maanden zijn van zwangerschap,
een tijd waarin je ernaar uitkijkt om het kind dat je in je draagt
in de armen te houden en te kunnen zien.
Dat kunnen spannende maanden zijn,
omdat je beseft dat het niet vanzelfsprekend is
dat je zwanger raakt en dat het kind dat je draagt gezond geboren wordt.
De maanden van de zwangerschap kunnen heel dubbel zijn,
omdat je zelf heel blij bent, maar tegelijkertijd iemand hebt – een vriendin, een zus –
die je dit geluk ook zou gunnen.

En dan na 9 maanden, waarin je heel wat emoties hebt gehad,
is het moment gekomen dat je vader of moeder wordt.
Voor sommigen van jullie is het de eerste keer dat je dit mocht meemaken,
voor sommigen zelfs na een periode van heel wat jaren wachten.
Voor anderen van jullie is het niet de eerste keer.
Het is bijzonder: dat te mogen meemaken dat je moeder, vader wordt.
En het blijft bijzonder, dat weer opnieuw te mogen meemaken
dat je het kind dat je verwacht in de armen mag houden.
Wat je in de armen houdt is een geschenk van God.
‘Het hoort er gelijk helemaal bij,’ hoor ik ouders vaak zeggen.
‘Net of het er altijd is geweest; gelijk niet meer weg te denken.’
Dat is niet minder een geschenk van de Heere,
dat je die band gelijk voelt: dat je de moeder, de vader van dit kind bent.
Ook dat is bijzonder, dat de liefde hebt gekregen
om dit kind welkom te heten in je gezin en de liefde voor dit kind in je te voelen.

Toen ons eerste kind geboren werd – Jenske werd halverwege de avond geboren –
was de verloskundige er en de kraamzuster,
later kwam de familie langs om ons kind te bewonderen.
Ze bleven allemaal maar kort.
Daarna ging iedereen weg, tot de laatste de deur uitging.
We bleven met z’n drieën achter.
Op dat moment overviel mij een gevoel van verantwoordelijkheid
en Rianne had dat ook. Later zei ze: ‘Toen werd ik pas echt moeder.’
Voor dit kind zijn we nu verantwoordelijk. Dit kleine, kwetsbare kindje – ons kindje.
Heel wat keren ben ik er die nacht uit geweest om te kijken of ze nog wel ademde.
Vaak heb ik aan haar bedje gestaan of haar in de armen gehad
en bij mijzelf gedacht: Dit kind moet ik opvoeden.
Wellicht hebben jullie, doopouders, datzelfde gevoeld:
het besef, dat je voor dit kind vanaf nu verantwoordelijk bent.
Dat doet wat met je, dat je vader of moeder geworden bent:
Kon je nog eerder een tijd overwerken, nu ga je eerder naar huis.
Kon je voorheen nonchalant in het verkeer zijn, of juist heel impulsief,
nu rijd je beheerst en aandachtig – want je hebt iemand om voor thuis te komen,
Die van jou afhankelijk is en die jou als vader, als moeder wil meemaken.

Die verantwoordelijkheid – kun je dat wel?
Sinds ik zelf vader ben, kan ik het me goed voorstellen
dat ouders hun kinderen bij de Heere Jezus brengen,
zoals verteld wordt in het gedeelte uit de Bijbel, dat we gelezen hebben.
Als ouder kun je heel wat voor je kind betekenen,
maar je kunt niet alles doen.
Juist wat God belooft, dat kun je uiteindelijk niet bieden.
Jij kunt als ouder je kind niet beschermen voor al het kwaad dat er in de wereld is.
Je kunt je kind niet altijd bewaren voor een ongeluk,
je kunt je kind niet altijd beschermen voor een verkeerde keuze.
En als het een ongeluk heeft gekregen of een verkeerde keuze heeft gemaakt,
kun je het alleen maar bijstaan of begeleiden,
maar er niet voor zorgen dat hij of zij dit op een goede manier verwerkt.
Dat is wel wat God belooft:
Om het kwade van je kind te weren,
of als dat kwade toch komt, doen meewerken ten goede.
Daarom breng je als doopouder je kind nu bij de Heere Jezus door het te laten dopen.
Zodat God geeft, wat jij je kind niet kunt bieden.

Er zijn er die de kinderen bij Jezus brengen, zodat Hij hen kan aanraken.
Om de kracht die Hij heeft aan hen mee te geven,
om hen de bevestiging te geven dat ook zij erbij horen.
Als ouder ben je zo verbonden met je kind, je bent kwetsbaar in je kind.
Als je kind iets overkomt, raakt je dat nog veel meer
dan dat het met jezelf gebeurt.
Het mooie van de doop is, dat je kind erbij mag horen,
omdat je zelf bij Christus mag horen.
Omdat jij als vader, moeder gelooft, omdat jij leeft met Hem,
rekent God je kind erbij, bij het geloof, bij de kerk, bij de gemeenschap met Hem.
Dat noemen we verbond – een afspraak die voor altijd geldt,
Een verbond is meer dan een contract.
Er komt liefde en genegenheid bij kijken.
In een verbond geef je je als partner helemaal.
Jij als mens geef je helemaal en in de doop zegt God: ook Ik geef me helemaal.
Een afspraak die voor altijd blijft gelden.
Waar je altijd een beroep op mag doen – jij als ouder, maar ook je kind.
Ook als je kind er helemaal niets meer aan doet
en het begint na te denken over God en beseft dat hij of zij niet meer zonder Hem kan,
ook als het grote fouten heeft gemaakt, of nooit meer aan God heeft gedacht.
Zelfs dan blijft die afspraak van kracht.
Ook als wij niets met God doen, blijft God in ons aan het werk.
De Heilige Geest zal gaan werken in het hart van je kind –
zoals Hij dat ook bij jou heeft gedaan, ook toen je er helemaal niet mee bezig was.

Ouders die hun kinderen bij Jezus brengen om door hen gezegend te worden.
Dan zijn er ook discipelen die tegen die ouders zeggen:
Je mag niet bij Jezus komen. Daar hoor je niet met je kinderen.
Je kunt er nog lang over doorpraten over de vraag of dat nu nog gebeurt.
Maar ik zou willen stilstaan bij de vraag of de ouders krijgen
wat ze voor hun kinderen willen, als ze bij de Heere Jezus komen.
Want ze komen bij Hem, als Hij Zijn discipelen corrigeert
en de kinderen die aangebracht worden bij Zich roept.
De ouders komen bij Hem, zodat Hij hun kinderen aanraakt, hen de zegen meegeeft.
En dan zegt de Heere iets dat niet alleen voor dit leven betekenis heeft,
maar ook voor een leven dat nog komen gaat: het Koninkrijk van God.
Je moet het Koninkrijk van God binnengaan.
Dat is niet alleen iets van deze wereld en van dit leven, van deze tijd waarin wij leven,
maar het gaat ook om een leven dat komt.
Goed, het heeft ook te maken met hoe je nu leeft,
maar dan ook met het oog op wat komen gaat.
Als de Heere Jezus terugkomt uit de hemel
en de geschiedenis op aarde afgelopen is
en de aardse tijd voorbij is.
Het koninkrijk van God: dat is de wereld zoals God die bedoelde, toen Hij de wereld schiep,
een wereld waarin Hij alle eer krijgt,
Een wereld waarin geen zonde meer is:
We kunnen God geen verdriet meer doen en ook de mensen die er zijn.
Een wereld waarin er geen dood meer is, waarin niet meer geleden wordt.
Het zal goed zijn, vooral omdat God daar is.
Jullie, doopouders, hebt een kind ontvangen
en je wilt het voorbereiden op een leven hier op deze aarde
en tegelijkertijd heb je de taak om je kind voor te bereiden op het leven dat nog komt,
in Gods tijd, als Christus terugkomt.
Daar vroeg ik dinsdag naar: hoe jullie daarin staan.
Want juist als je een kind hebt, kun je alle aandacht weer hebben
bij het leven hier op deze aarde, dat je God hier in deze wereld geeft.
Een van jullie zei: ‘Ik sta met één been hier op deze aarde
en ik sta met één been in de wereld die komt, als Christus terugkomt. Zo leef ik.’

Jezus geeft de ouders, die met hun kinderen bij Hem komen,
meer dan ze verwacht hadden, meer dan waar ze rekening mee hielden voor hun kind:
Een toegang tot het Koninkrijk van God.
Hij houdt anderen zelfs hun kind tot voorbeeld.
Als je niet wordt als een kind – dan kun je Gods nieuwe wereld niet binnengaan.
Je komt daar alleen, als je wordt als een kind.
Waar een groot deel van onze kindertijd en jeugd erop gericht is om volwassen te worden
zegt Jezus dat we als een kind moeten worden.
Wat hebben de kinderen – de meesten zijn nu naar de kindernevendienst –
voor op ons als volwassenen?
Zijn ze onschuldiger en doen ze minder dingen verkeerd?
Nee, ook kinderen kunnen hard zijn naar elkaar en elkaar uitsluiten,
een vooroordeel hebben over een ander, dat misschien niet eens klopt.
Ze kunnen verkeerd handelen en ook in verkeerde gedachten hebben.
De kinderen worden bij Jezus gebracht
en dat is precies wat de Heere Jezus bedoelt:
de afhankelijkheid die kinderen hebben.
Ze hebben niet altijd wat te willen,
want ze moeten mee als ze niet willen
of ze moeten iets doen, ook al hebben ze er geen zin in.
Kinderen zijn ook afhankelijk van de zorg van volwassenen.
Wie niet wordt als een kind – kan het koninkrijk van God niet binnengaan.
Zoals de baby’s die gedoopt zijn en de kinderen van de oppas in de kerk gebracht worden.
Ze kunnen tegenstribbelen en protesteren en toch, ze moeten mee.
Kinderen neem je ook niet altijd serieus.
Ze mogen meedenken, hun gedachten hebben, maar uiteindelijk maak jij als ouder de keuze.
Worden als een kind.

Zijn we dat kwijtgeraakt, op deze manier kind zijn?
Ik kom het als predikant nog wel tegen.
Als je van een volwassene hoort, dat hij of zij de beide ouders verloren heeft
die dan zegt: ‘Ik kan geen kind meer zijn.’
Met andere woorden: ik moet het nu zelf doen,
niemand die – als het moet – de verantwoordelijkheid voor mijn leven overneemt.
Ik zie het veel bij de ouderen die ik bezoek:
de worsteling met het afhankelijk worden van de zorg, die anderen moeten bieden.
Kunnen we dat nog wel, als volwassenen – zo kind zijn als Jezus bedoelt
met die afhankelijkheid, je laten leiden, meegenomen worden en je moet maar gaan.
Je moet vragen als je iets wilt hebben.

Ontvangen, geleid worden, het zelf niet in de hand hebben,
dat geldt toch eigenlijk voor veel dingen in ons leven,
de meest belangrijke zaken van ons leven hebben we uiteindelijk niet in de hand.
Of we gezond zijn en gelukkig zijn,
ook of we kinderen geschonken krijgen hebben we zelf niet in de hand.
En juist dat maakt ons – denk ik – volwassen:
de tegenslagen die er kunnen zijn, de zorgen die je maakt,
de verantwoordelijkheden die je hebt voor jezelf, voor anderen om je heen.
Als je wel verlangt naar een kind te mogen ontvangen,
maar nooit dat verlangen vervuld ziet,
dat maakt dat je het leven anders kunt gaan bezien,
minder naïef, omdat je merkt – tot je eigen verdriet – dat je het leven niet in de hand hebt.
En je ziet dan om je heen anderen wel vader en moeder worden
en je ziet dat ze op een andere manier behandeld worden;
het lijkt wel of ze meer meetellen dan jezelf,
dat ze een vanzelfsprekende aandacht krijgen,
aandacht die je ook zou willen, niet omdat je je op de voorgrond zou willen plaatsen,
maar omdat je ook nodig hebt, dat je gezien wordt
en dat ook jij het gevoel wilt hebben er helemaal bij te horen,
ook al heb je geen leuke anekdotes te vertellen over je kind,
maar merk je dat anderen niet over hun kinderen durven te praten
omdat ze bang zijn je pijn te doen met hun verhalen.
Je wordt anders behandeld, zonder dat je dat wilt.
En toch geloof ik en ik merk dat ook in de ontmoetingen met mensen,
voor wie het leven anders loopt dan ze zich hadden voorgesteld,
toch iets van dat worden als een kind kunnen hebben, waar de Heere Jezus op doelt
de voorwaarde die nodig is om het koninkrijk van God binnen te gaan.
Worden als een kind: dat je naar Hem toegaat,
bij Hem je geborgenheid zoekt.
En dan niet alleen een omarming en een zegen,
waar het verhaal van de ontmoeting met de kinderen mee eindigt
maar meer: een toegang tot die nieuwe wereld, het koninkrijk van God.
En je beseft dat je die toegang nodig hebt,
omdat je erachter komt, dat de wereld waarin wij leven
nog niet de volmaakte wereld is, zoveel dat ontbreekt,
zoveel dat mis gaat,
Als iemand die graag kinderen zou willen krijgen,
kan het je zoveel pijn doen als ouders achteloos met hun kinderen omgaan,
niet de tijd nemen om voor hun kinderen te zorgen, hen met zorg en aandacht op te voeden
of hen zelfs te verwaarlozen.

Een toegang tot die nieuwe wereld, die je mag ontvangen,
als Christus je mee mag nemen.
Jezus is op weg naar Jeruzalem, om daar aan het kruis te sterven.
Om daar aan het kruis voor ons te sterven.
Er is zoveel in ons leven wat we niet voor elkaar kunnen krijgen.
Ook de toegang tot Gods nieuwe wereld niet.
Die toegang loopt alleen via dat kruis van Christus op Golgotha.
Jezus zegt tegen de discipelen, tegen de kinderen en die ouders:
Jezus laat tussen de regels door schemeren
dat je die toegang tot Gods Koninkrijk mis kunt lopen.
Dat is niet wat Hij wil. Juist niet.
Hij is juist gekomen, om zoveel mogelijk mensen mee te nemen
door die toegang naar Zijn koninkrijk.
Hij wil u, jou, Hij wil de gedoopte kinderen meenemen.
Dat is Zijn wens, dat er velen zullen zijn in dat koninkrijk, bij Hem in de hemel.
Daarom zegt Hij: er is een weg,
je hoeft alleen maar te worden als een kind,
Te ontvangen, aan te nemen wat Hij je geeft.
Dat vind ik het mooie van de doop:
Je mag je kind meenemen naar de Heere Jezus.
Omdat jij het leven in Hem gevonden hebt,
omdat jij gelooft dat Hij ook voor jou gestorven is
en dat daardoor de weg naar God en Zijn koninkrijk open is.
Je mag je kind meenemen, naar Hem toe.
Je mag antwoord geven voor je kind,
totdat je kind, als het later zelf volwassen geloof is, zelf verantwoordelijk wordt,
je nazegt, jouw ja tegen Christus overneemt.
Daar mag je als ouders over vertellen, steeds weer opnieuw:
dat er ook voor hem, voor haar een weg is naar dat Koninkrijk van God is,
een weg die je zelf gaat, die je voorleeft aan je kind
en je wilt niets liever dat je kind die weg ook gaat.
Ook dat is een hele verantwoordelijkheid.
Deze verantwoordelijkheid hoef je niet alleen te dragen:
Je hebt een gemeente om je heen, die getuige is,
Die voor jou en voor je kind bidt, van wie ook verwacht mag worden, dat zij het voorleven.
Je hebt de Heilige Geest aan je kant, die vandaag beloofd heeft
aan jou en aan je kind, dat Hij zal gaan werken in het hart van je kind,
totdat het gelooft, totdat het ook ja zegt tegen Christus.
Misschien als kind heel onbevangen, als puber wat aarzelend, als jongere zoekend,
maar uiteindelijk een ja, dat niet anders kan dan Gods liefde en genade aan te nemen
omdat de liefde van God zo groot is dat die niet geweigerd meer kan worden.
Zo bidden wij als gemeente met jullie als doopouders mee:

Geef mij uw wijsheid, uw woorden van eer,
dat ik in U blijf en U in mij, Heer.
U als mijn Vader en ik als uw kind
dat in uw armen geborgenheid vindt.
Amen

Geloven in deze tijd

Geloven in deze tijd
Lezing Vrouwenbond Oosterwolde, 21 september 2016

Hartelijk dank voor de uitnodiging om hier te mogen spreken. Wanneer ik voor zulke gelegenheden uitgenodigd wordt om te spreken, wil ik graag ingaan op iets wat de aanwezigen, wat u bezighoudt. Toen ik  gevraagd werd, heb ik met iemand van het bestuur overlegd, wat er eventueel zou kunnen spelen en zijn we uitgekomen het thema: Geloven in deze tijd.
We zijn samen op dit thema uitgekomen, omdat het van ons samen de gedachte was, dat het niet eenvoudig is voor jongeren, voor kinderen om te geloven. En ik voeg daar aan toe: misschien voor uzelf ook wel. Ook al bent u nu nog in een kerkelijke omgeving, maar heeft u voor uzelf wel moeilijk om in deze tijd staande te blijven.

Ik wil met u eerst gaan kijken in wat voor een tijd wij leven en dan kijken welke manier van geloven, welke houding van ons gevraagd wordt. In wat voor een tijd leven wij?

Onzekerheid
Ik denk dat voor veel christenen het een tijd is van onzekerheid, omdat wat je zelf vroeger hebt geleerd niet meer zo vanzelfsprekend is. Wat je zelf geleerd hebt over de kerk, over God, over geloof en wat je hebt willen doorgeven wordt door je kinderen niet zomaar meer overgenomen. U ging twee keer mee naar de kerk, omdat uw ouders ook gingen, maar u ziet bij uw kinderen dat ze maar één keer gaan, of zo af en toe, of helemaal niet. U bent opgegroeid binnen een bepaalde kerk, maar de kinderen kunnen in een heel andere kerk zitten, waar de diensten er heel anders aan toegaan,  er andere opvattingen over de doop zijn, een andere manier van preken. Nu kunnen we ons afvragen of de verschillen tussen de kerken  in Oosterwolde of Oldebroek wel zo groot zijn.

Andere wereld
Als ze naar de middelbare school gaan, in Elburg, Wezep, Kampen, kan de overgang groter zijn, omdat ze dan in aanraking komen met jongeren die veel minder bij de kerk betrokken zijn en wanneer ze gaan doorleren en gaan studeren  en naar Zwolle gaan, of Groningen, Utrecht, Amsterdam, is de overgang helemaal groot. 
Ooit gaf ik enkele maanden catechisatie op Marken. De kinderen bleven tot hun 12e op het eiland, omdat er een christelijke basisschool was. Vanaf hun 12e gingen ze naar Monnickendam of Volendam en kwamen ze echt in een heel andere wereld terug en die overgang had ook effect voor hun band met de kerk: Het was niet makkelijk om ze met 13 jaar nog te interesseren voor kerk of geloof. 
Tegenwoordig hoef je niet meer een eiland of het dorp uit om met een heel andere wereld in aanraking te komen. Je hoeft alleen maar een computer of een mobieltje met internetverbinding te hebben: snapchat, instagram, facebook, twitter – met een verzamelnaam: social media. Uw zoon of dochter kan verkeren in een wereld, waar u geen zicht op hebt en misschien ook een wereld, die u helemaal niet kent. Dat kan onzekerheid met zich meebrengen: Wat krijgt mijn kind te zien, te horen, te lezen en welke invloed zal dat hebben op de band met God, met de kerk?

Keuze
Niets is meer vanzelfsprekend: 
Het is niet meer vanzelfsprekend dat ze in Oosterwolde blijven wonen, dat ze gaan trouwen, dat ze bij de kerk blijven, dat ze geloven. Daar kunnen ze voor kiezen, maar ze kunnen er ook voor kiezen om dat niet te doen. Ze kunnen hun eigen keuze maken; ze kunnen hun eigen leven uitstippelen. Dat kan iets bevrijdends hebben: Je hoeft geen boerderij meer over te nemen als je echt niet wilt. Ik heb wel boeren begraven, die liever iets anders geworden waren dan boer, maar er was geen andere keuze dan het overnemen van de boerderij. Ik heb vrouwen ontmoet die graag hadden willen doorleren, maar niet konden, omdat ze de zorg voor het gezin moesten overnemen, omdat een moeder jong overleed, of er geen geld was om door te leren. Als je nu een eigen keuze wilt maken, is die keuze vaak ook mogelijk.

Keuzedwang
Alleen we leven in een tijd, waarin die keuzes niet alleen mogelijk zijn, maar ook gemaakt moeten worden. Als je wilt doorleren, dan moet je een keuze maken voor een bepaalde richting: wil ik als meisje de zorg in, of kies ik een economische richting. Welke van de vele opleidingen past het beste bij mij? Die keuze is niet zo eenvoudig: Want wie helpt hen om de juiste keuze te maken? Mijn moeder kon mij nooit met mijn huiswerk helpen om de middelbare school, omdat ze maar enkele jaren huishoudschool had gedaan en mijn schoolwerk gewoon niet begreep. Mijn vader had wel gestudeerd, maar in een andere tijd. Voor de meeste jongeren is het toch voor een deel zelf de weg uit moeten zoeken, waarbij ze door onervarenheid ook de verkeerde keuze maken en blijkt halverwege een andere keuze nodig. Zo’n zoektocht en verandering kan soms best ingrijpend zijn voor de jongeren. Op veel terreinen moeten ze kiezen en steeds meer hebben ze daardoor de druk om hun eigen leven ‘vorm te geven’. Ze kunnen niet zomaar terugvallen op de keuzes die u gemaakt heeft.

Druk
U moet niet onderschatten hoe groot de druk is. Want het lijkt mooi: een grote keuzevrijheid  en voor bepaalde groepen is het ook een verademing dat die keuzevrijheid er is. Maar die keuzevrijheid heeft ook een schaduwkant: namelijk de gedachte dat je een verkeerde weg kunt inslaan: de verkeerde vervolgopleiding kiest, de verkeerde partner, de verkeerde baan.
Dat de druk om te kiezen toegenomen is, heeft ook als oorzaak dat de normen hoger geworden zijn: Vervolgopleiding is nu niet meer voor een beter inkomen, een hoger salaris, maar de keuze voor een studie, baan, partner, enz. moet bijdragen aan het geluk.  De suggestie wordt gewekt dat het geluk binnen handbereik ligt. Dat komt door de toegenomen welvaart  (hoewel dat juist voor jongeren weer onder druk staat) en de verbeterde gezondheidszorg.

Niet mogen falen
Omdat de suggestie is dat het geluk binnen handbereik ligt, mag je niet falen: je mag niet vastlopen in je studie,  je mag niet depressief zijn. Het beste is niet goed genoeg. Mijn dochter gaf aan dat op sommige tieners op instagram de mooie foto’s die ze gemaakt hadden en geplaatst hadden, na enkele uren weer weghaalden, omdat ze te weinig reacties hadden opgeleverd waardoor ze gingen twijfelen of de foto’s wel mooi gevonden worden. Dat leidt tot een enorme spagaat: de druk om het beste van jezelf te laten zien en tegelijkertijd niet falen, niet tekort mogen schieten. Als het misgaat, hakt dat er enorm in. Het zou kunnen zijn, dat de jongeren van tegenwoordig minder weerbaar zijn en sneller van slag zijn bij een tegenslag, maar dat doet geen recht aan de complexiteit waarin jongeren zich bevinden. Ze moeten veel ballen in de lucht houden en in veel werelden actief meedoen.

Verschillende werelden
Tieners, twintigers en dertigers leven ieder persoonlijk in verschillende werelden. Ook dat heeft te maken met het moeten uitstippelen van de eigen levensweg. Er is niemand met wie ze al die verschillende werelden delen. Ze hebben de wereld van thuis, van school, vriendengroep, van games, social media, werk. 
In al die werelden kunnen ze een ander zijn. Op school kan iemand een grijze muis zijn, maar als gamer iemand die in een bepaalde game aan de top meedoet. Op school kan iemand een stille zijn, die nauwelijks buitenkomt, maar zeer actief op social media. Iemand kan in een heel degelijk gelovig gezin opgroeien, maar op school in een wereld terecht komen met medeleerlingen, medestudenten, die nauwelijks meer iets weten over geloof. Thuis een traditioneel gezin, waarin er geen tv is, of soms zelfs geen computer, maar op school of in de bibliotheek actief op internet. Jongeren kunnen vaak makkelijk schakelen tussen de verschillende werelden.
Dat leven in die verschillende werelden heeft iets positiefs en iets negatiefs: Het positieve is dat iemand in een nieuwe wereld een hele nieuwe kans heeft om zichzelf te ontwikkelen, zonder belemmerd te worden door het beeld dat anderen van hem of haar hadden in de kindertijd. Verlegen kinderen hebben door social media de gelegenheid om vriendschappen aan te gaan en te onderhouden en kunnen daardoor meer vrienden hebben dan ze zouden hebben zonder social media. Nadeel: dat niemand al die werelden kent. Soms werkt ook een akkefietje in de ene wereld door in de andere wereld(en): het pesten op school kan doorgaan op sociaal media, waardoor die wereld ook niet meer een veilige wereld is waarin ze zich kunnen terugtrekken.

Afhaken
Het gevaar kan zijn dat de kerk en de wereld van het geloof 
een wereld is die helemaal los komt te staan van de andere werelden waarin jongeren zich verkeren. Wat er in de kerk gebeurt in de kerkdienst, tijdens catechisatie, de clubs, dat heeft bijna geen betekenis voor de andere werelden. Dan haken jongeren af met 16 jaar of soms nog eerder: gaan ze niet meer naar de kerkdienst, naar catechisatie, naar de clubs. Ze zijn niet persé onverschillig, maar het geloof en de kerk heeft geen betekenis voor hen en ze kunnen er zonder, zonder dat ze voor hun gevoel echt iets missen.


Dit is een uitgebreide weergave van deze tijd:  
verschillende werelden, waarin iedereen zich bevindt, het eigen leven moeten uitstippelen, grote druk, omdat je dat leven moet uitstippelen, maar niet mag falen en weinig mensen om je heen die je kunnen bijstaan en helpen.
Wat betekent dan geloof in deze tijd? Wat kunnen wij voor elkaar betekenen? Wat kan de geloofsgemeenschap betekenen voor de tieners, twintigers, dertigers van nu? Is het een hopeloze zaak en kunnen we alleen maar hopen dat alles niet ineenstort? Of moeten we ons terugtrekken en alleen maar richten op diegenen die wel trouw blijven aan de kerk en aan het geloof?

Geen hopeloze zaak
Geloven in deze tijd is geen hopeloze zaak. Allereerst niet omdat God regeert. Ook in deze tijd. Dat is niet altijd makkelijk te zien, zeker niet als we om ons heen zien  dat de kerk en de manier van geloven die voor ons vertrouwd is onder druk staat of op bepaalde plekken helemaal dreigt te verdwijnen. Aan de gemeente van Korinthe schrijft Paulus:

Want Hij zegt: In de tijd van het welbehagen heb Ik U verhoord, en op de dag van het heil heb Ik U geholpen. Zie, nu is het de tijd van het welbehagen, zie, nu is het de dag van het heil! (2 Korinthe 6:2)

Ook deze tijd is een tijd waarin de Heere werkt. 
Daarom is deze tijd niet hopeloos.

Authentiek geloof
Er is een tijd waarin nieuwe kansen ontstaan, ook voor de kerk en voor het geloof. 
Wat deze tijd van verschillende werelden tegelijkertijd,  de dwang het eigen leven te moeten vormgeven, de grote druk vraagt is een authentiek leven en een authentiek geloof. Een geloof dat oprecht is en dat jezelf in je opstelling, in je antwoorden en belangstelling oprecht bent en dat ook de kerk authentiek is.
Als je geloof eerlijk en oprecht is, hoef je je daarvoor niet te schamen en mag je dat uitdragen op een manier die bij je past. Dat hoeft geen geloof te zijn waarin alle vragen en twijfels overwonnen zijn. Integendeel, het kan juist helpen als anderen zien en merken dat u ook uw twijfels hebt en toch vasthoudt aan een leven met de Heere God.

Oprechte belangstelling
Een authentiek geloof kijkt niet neer op iemand die nog niet zo ver is, maar staat er naast: vanuit oprechte belangstelling voor de ander, betrokken op de ander, maar ook oprecht onbevreesd:  durven meeleven, vragen durven stellen,  nieuwsgierig  naar wie de ander is en hoe de ander doet.
Het valt mij vaak op aan ouders van wie de kinderen niet meer naar de kerk gaan dat het gesprek over geloof en de kerk stilvalt: ‘We kunnen er niet meer over praten.’ Maar dan zijn er toch nog andere onderwerpen waarover je kunt praten: Is je kind gelukkig, hoe houdt hij of zij het vol, waar krijgen ze kracht door, waar worden ze enthousiast van, wat geeft hen moed? En durf je deze onderwerpen zelf ook te delen met je kinderen, niet in perfecte antwoorden. Laat maar doorschemeren dat je zelf ook moet zoeken. Want als je overal een antwoord op hebt en als je geen twijfel hebt en alles zo zeker weet,
leg je de lat voor anderen hoog: een geloof zonder twijfel zullen zij niet snel bereiken.

Vanzelfsprekendheid
Wat het lastige is aan een authentiek geloof 
is dat de meesten van u niet op die manier opgevoed zijn. Over geloof werd nauwelijks gepraat. Daar waren vooral vaste vormen voor:  kerkgang, catechisatie, bidden voor en na het eten (en dan vaak niet hardop), zondag was een andere dag dan de andere dagen. Er werd vaak geen uitleg gegeven over waarom de dingen zo gebeurden. Waarom zat de kerkdienst op deze manier in elkaar. Waarom werden er in de kerk alleen maar psalmen gezongen. Hoe je moest bidden, hoe je de Heere Jezus kon vinden, op welke manier je steun en kracht uit het geloof putte. Er was een bepaalde vanzelfsprekendheid van het geloof, waardoor het idee was dat uitleg over het waarom van de dingen niet nodig was. Dat gebeurde gewoon zo. Heel veel van die gewoonten spreken niet meer aan en worden daarom niet meer in praktijk gebracht. Het geloof kan echter niet zonder bepaalde goede gewoonten. Als er geen vaste tijden zijn voor Bijbel lezen en gebed gebeurt dat als je er aan toe bent, maar wanneer ben je er aan toe en wanneer heb je er tijd voor?

Aan zichzelf te wijten
De kerk heeft het ook wel aan zichzelf te wijten dat zulke vormen niet meer werken. Als er geen uitleg komt over waarom de dingen zo gedaan worden, worden het lege vormen, die een kooi worden in plaats van een bescherming voor het leven met de Heere. Als de kerk niet de harten van de mensen weet te vinden door preken die te moeilijk zijn, is het geen wonder dat een nieuwe generatie het ergens anders zoekt: buiten de kerk of in een andere kerk.
Ik vraag dat wel eens na bij de zestigers van nu: Hoe was dat samen te rijmen: op zaterdag de liederen van Johannes de Heer bij het orgel en op zondag alleen maar de psalmen statig op hele noten? Dat werd toen niet als tegenstelling ervaren. Zo deed men gewoon. Nu zou men gaan denken: als het op zaterdag kan, waarom niet op zondag? Waarom alleen maar psalmen, die vaak nogal moeilijk zijn en niet liederen die dichter bij het hart liggen. Als we in Oldebroek liederen uit de bundel van Johannes de Heer zingen, worden die uit volle borst gezongen, meer dan bij de meeste psalmen. 
Dat is overigens niet alleen van vroeger of van traditionele kerken. Ik kom dat zelf ook tegen. Afgelopen zondag in de consistorie vertelde een ouderling dat zijn zoon liever naar YouthAlpha gaat dan naar een kerkdienst. Daarop zei ik tegen deze ouderling:  Dan doen we als kerk iets niet goed. Probeer met hem eens te achterhalen wat hem in die YouthAlpha aanspreekt en wat kunnen we daarvan in de kerkdienst terug laten komen.

Luisteren
Daarmee zijn we bij een volgende belangrijk punt van geloven in deze tijd: 
dat er oog is voor hoe de mensen in deze tijd iets beleven. Niet meer een kerkleiding die weet hoe het zit en de lijnen uitstippelt en alleen maar zegt: zo hoort het.
Maar een kerk die bereid is om te luisteren, ook naar stemmen die iets anders beleven, een andere mening hebben. Niet om daarmee in discussie te gaan, maar uit oprechte belangstelling en interesse: Wat is jouw gedachte en hoe ben je daartoe gekomen? Vertel maar, ik luister naar je. Ik kom er steeds meer achter hoe belangrijk het is  dat mensen zich kunnen uitspreken, dat eigen visie naar voren kunnen brengen, zonder dat die van tafel wordt geveegd, maar vooral ook dat ze over zichzelf kunnen vertellen. Pastoraat wordt in toenemende mate belangrijker. En dan niet van die bezoekjes waarbij ik als predikant even binnenkom en na 10 minuten al mijn Bijbeltje pak om iets te lezen en afsluit met gebed en daarna weg, maar een open houding, luisterend naar het levensverhaal van de ander. ‘Tevoorschijn luisteren’ (Margriet van der Kooi)

Levensverhalen
Het leven van de ander doet ertoe en is de moeite waard om verteld te worden: living human documents .
Omgekeerd doet uw leven en uw biografie er ook toe. De jonge generatie is vaak benieuwd naar wie de ander is, wat iemand heeft meegemaakt, hoe iemand daardoor is gevormd. In verzorgingstehuizen wordt nogal eens het project levensboek uitgevoerd: Iemand die uitvoerig over zijn of haar leven wordt geïnterviewd. Daar wordt een boek van gemaakt, inclusief foto;s. Vaak waardevolle boeken: je komt erachter wie iemand is, wat iemand heeft doorgemaakt, hoe iemand geworden is, zoals hij of zij is. Vol levenswijsheid.  Wanneer iemand authentiek is en echt wijs en verstandig is, wil de jonge generatie daar vaak van leren. De jonge generatie zit echt te springen om van die levenswijsheid te leren. Dan niet in de vorm van geboden: dit moet je doen, dat mag je niet doen, maar in de vorm van verhalen: Dit heb ik meegemaakt, dit heeft me gevormd. En daardoor heen wevend hoe God aanwezig was, of juist niet.

Gemeenschap 
Dat brengt me ook bij een volgende punt: de relatie, de gemeenschap. In deze tijd is de gemeenschap van groot belang. En dan niet in de vorm dat de gemeenschap bepaalt wie iemand is, maar dat er in die gemeenschap een plek is waar om jou gegeven wordt: Het doet er toe dat je er bent, je wordt gezien, je naam is bekend, er is belangstelling voor je en je wordt gemist als je er niet bent. Als kerk moeten we meer onze best doen voor dit soort gemeenschap. In deze omgeving vind ik trouwens veel indrukwekkende vormen van meeleven. Ik probeer dat zelf ook steeds meer te doen: Een felicitatie als iemand jarig is, even langsgaan bij een overlijden, een berichtje via facebook, even een vraag bij het schoolhek. Het winterwerk starten we daarom met een bbq bij ons in de tuin en bij de catechisaties is er gelegenheid om daarna een kwartier met elkaar wat anders te doen: wat drinken, tafelvoetbal, een gezellig praatje: even vragen hoe het op school was, op voetbal, een plagerijtje.

Inwijding
Wat ook van belang in deze tijd is, is inwijding (vertrouwd maken). Uitleg geven over waarom we iets doen,  de nieuwe generatie helpen bij het bidden, het aanleren van liederen, leren hoe ze de Bijbel kunnen lezen, wat ze met hun geloof kunnen in hun dagelijks leven.
Inwijding is ook vertrouwd maken door iets te doenAls gezin proberen we onze kinderen met de doop vertrouwd te maken door de doopdag van de kinderen te houden, elk jaar opnieuw. Door van Kerst en Pasen echt een feest te maken en daarbij duidelijk te maken wat het met Christus te maken heeft. De christelijke feesten moeten echt beleefd worden. Beleving en emotie – ze kunnen goed gebruikt dienstbaar zijn aan de geloofsoverdracht. Diensten moeten zo persoonlijk mogelijk gemaakt worden en zeker bijzondere diensten als doop-, avondmaals- en huwelijksdiensten. Het wordt in deze tijd steeds belangrijker om Bijbelverhalen na te spelen of af te beelden,
zodat er een beeld bij te vormen is.

Gods aanwezigheid
Tot nu toe heb ik vooral ingezoomd op vormen, op de praktijk. 
Tot slot nog iets over de inhoud van het geloof. Ik denk dat het steeds meer van belang is om zicht te hebben
op welke manier de Heere nu, in het heden aanwezig is: tijdens de kerkdienst, tijdens het avondmaal, in gesprekken onderling,  in de schepping, in de dingen die gebeuren.
Hiervoor ben ik predikant geweest van twee kleine gemeenten in Noord-Holland. Ik heb die tijd niet altijd even makkelijk gevonden en heb me vaak afgevraagd of God nog wel werkte. Tot ik een verhaal hoorde over een priester uit de communistische Sowjetunie:
Deze priester ging elke zondag naar de kerk, alleen. Er kwamen geen kerkgangers. De priester werd erom uitgelachen: hoe houd je het vol om alleen in de kerk te zijn. Het antwoord van de priester: Ik ben niet alleen, maar God de Vader, de Zoon en de Heilige Geest zijn aanwezig, samen met alle engelen voor Gods troon. Iedere kerkganger zal die vreugde alleen maar meer doen toenemen.
We moeten oog ervoor krijgen dat de Heere vaak via hele gewone, onopvallende dingen werkt: de zon die opkomt, mensen die naar de kerk komen, iemand die groeit in geloof, iemand die zich opgeeft voor belijdenis, iemand die in een tijd van ziekte de kracht vindt om dit kruis te dragen. Ik heb moeten leren om te letten op deze tekenen van Gods werkzaamheid. Sinds ik dat kan zien, ben ik ook veel ontspannender in mijn geloven en kan ik meer uit vertrouwen leven: God zorgt echt wel voor deze wereld.

Verborgenheid of afwezigheid
Tegelijkertijd is het goed om oog ervoor te hebben 
dat God niet altijd vanzelfsprekend aanwezig is. De Heere kan afwezig zijn of zich verbergen en Hij kan op een pijnlijke manier gemist worden. Het is van belang om – net als in de psalmen – de klacht over Gods afwezigheid bij de Heere zelf te brengen. 
Dat vraagt om volharding. Meer dan voorheen is volharding van groot belang:  volhouden in het geloven, in het gebed, het bidden, ook als je geen direct resultaat ziet, niet ontmoedigd worden, maar hoop houden.

Kruis
Nog een laatste thema: het kruis op Golgotha en het lege graf. Steeds meer kom ik erachter, hoe belangrijk het is om dat kruis op Golgotha door te geven als een levende werkelijkheid, niet als iets dat ooit in het verleden gebeurde alleen,  maar als iets dat nog steeds tot ons spreekt: het spreken van het kruis. (avondmaal, liederen van Johannes de Heer) Het is voor de kerk van nu, voor de jongeren van nu van belang om te laten zien hoe dat kruis op Golgotha betekenis heeft voor ons vandaag met onze wereld, onze werkelijkheid.
Bram van de Beek, hoogleraar theologie, verbleef in Zuid-Afrika en liep dagelijks van de plek waar hij verbleef naar de universiteit langs de sloppenwijken. Daardoor ontdekte hij, dat Christus God was die op aarde kwam om in onze misère en ellende af te dalen. God maakt vuile handen om ons te reinigen, te redden van een verloren bestaan.
Jan Muis, mijn hoogleraar dogmatiek, vertelde 15 jaar geleden kort na de aanslagen van 11 september hoe die aanslagen in verband gebracht kunnen worden met God: In een van de gebouwen die was neergestort werd door de afgebroken constructie een kruis gevormd, helemaal onbedoeld en ook niet opvallend: een herinnering van Christus, die ons laat weten: Ik ben afgedaald in het rijk van de dood, tot in de hel. Hij is opgestaan, en is de Levende.
Hij leeft niet alleen in de verhalen die verteld worden, maar leeft nu en omdat Hij leeft, kunnen wij leven. Omdat Hij leeft is ons leven nooit meer zinloos, nooit zonder doel, nooit zonder hoop. Omdat Hij leeft, kunnen wij geloven. Hij is gisteren en heden dezelfde en tot in eeuwigheid. We beginnen elke kerkdienst met die machtige belijdenis:
Onze hulp is in de naam van de Heere,  Die hemel en aarde gemaakt heeft
Die trouw houdt en eeuwig leeft
en niet prijsgeeft wat Zijn hand begon.

Lezing Vrouwenbond Oosterwolde, 21 september 2016







Preek zondagmorgen 11 september 2016

Preek zondagmorgen 11 september 2016
Bediening Heilige Doop
Deuteronomium 6:4-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Het is bijzonder om een kind te mogen ontvangen en ouder te worden.
Dat is de eerste keer bijzonder,
maar het bijzondere wordt niet minder,
als het om een tweede kind gaat.
Soms kun je bij de komst van een tweede kind nog meer dan bij de komst van de eerste
beseffen hoe bijzonder het is om een kind te mogen ontvangen.
Als je een kind mag ontvangen,
ontvang je een bijzonder geschenk uit Gods hand.
Hij, de Schepper van hemel en aarde, onze Vader in de hemel
vertrouwt aan jullie een kind toe,
dat van jullie samen is en bovenal van Hem!

Vanmorgen zijn jullie als ouders hier in de kerk
en hebben jullie je kind, dat de Heere aan jullie heeft toevertrouwd, weer bij Hem gebracht.
Ze hebben de doop ontvangen.
Door de doop mogen zij weten, dat Gods liefde en zorg er ook voor hen is.
Die liefde en zorg is niet uitsluitend voor degenen die gedoopt zijn.
Tot onze gemeente behoren ook gemeenteleden die niet gedoopt zijn.
Ze zijn voor ons als gemeente niet minder en ze zijn voor God niet minder.
In de doop wordt die liefde en zorg van de Heere wel zichtbaar gemaakt.
Zo zeker als het water is uitgegoten over de hoofden van deze kinderen
– we hebben dat allemaal mogen zien vanmorgen: de ouders, de familie, de gemeente –
zo zeker mogen we zijn dat de Vader in de hemel voor hen wil zorgen,
zo zeker mogen we weten, dat ook zij een beroep op de Heere Jezus mogen doen:
‘Heere, wilt U mijn zonden vergeven? U bent ook voor mij aan het kruis gestorven.’
Ook als je de doop niet hebt ontvangen, mag je op de Heere een beroep doen,
mag je vragen om Zijn leiding,
mag je vragen om vergeving van je zonden, om de Heilige Geest.
De Heere wil het je dan ook geven.
De doop is daarin een extra steun: we mogen naar de Heere toe.
Hij heeft het zelf beloofd! Het geldt ook voor mij!

Je zou het als ouders willen, dat ze het bij de Heere zoeken.
Toch? Dat is toch het mooiste wat je als ouders kunt merken?
Dat ze naar de Heere toegaan.
Als ze nog heel klein zijn op een heel eenvoudige manier, zoals dat bij een kind past.
En als ze opgroeien, dat ze dan steeds meer leren over de Heere
en dat dat kinderlijke geloof ook meegroeit,
als ze puber worden en kritisch worden op jou als ouder, op alle gebruiken die er zijn
(moet dat nou echt zo),
dat die band dan bewaard blijft en meegroeit tot een volwassen geloof.
Misschien door een moeilijke periode heen,
omdat ze voor zichzelf uit moeten zoeken, hoe je dat nou doet:
vertrouwen op God en tot Hem bidden
en wat gebeurt er als je om vergeving van je zonden vraagt.

Ik kijk de jongeren vanmorgen even aan:
Het kan best zijn, dat het voor jou op dit moment op zoek bent naar de Heere God,
dat je wat meer duidelijkheid zou willen
en dat je iemand had die het voor jou uitlegt.
De afgelopen week was ik op cursus,
waarbij elke deelnemer zijn eigen biografie moest vertellen.
Ik moest vertellen over hoe mijn leven was verlopen van toen ik geboren werd tot nu toe.
Over wie mijn ouders waren, wat ik had meegemaakt.
Ik moest ook vertellen wat ik van God had ervaren
en of ik daar ook een ontwikkeling in heb doorgemaakt,
of dat mijn geloof altijd hetzelfde is gebleven.
Ik heb verteld dat toen ik een jaar of 16 was ik geloven steeds moeilijker vond.
Ja, ik deed wel belijdenis en ik wilde God ook graag dienen,
maar ik merkte zo weinig van Hem.
Ik heb verteld dat ik – nu ik terugkijk – iemand had gehad
die naar mij geluisterd had
en bijvoorbeeld tegen mij gezegd had: God ervaar je niet altijd,
maar het wil niet zeggen dat als je God niet ervaart, dat Hij er dan niet is.
Ik zou dankbaar geweest zijn met een volwassene
die mij had uitgelegd hoe ik God kon vinden toen ik zo naar Hem op zoek was.

Dat is een taak van jullie ouders
en vanmorgen heb je daar ook je ja-woord aan gegeven.
Je hebt beloofd om je kind te vertellen over God.
Dat is niet alleen een taak van de ouders alleen,
maar dat is een taak van u als gemeente als geheel.
De doop is niet alleen maar een familiegebeuren.
Natuurlijk is het mooi om de familie erbij te hebben
en het is bijzonder als alle ouders de doop van je kind kan meemaken.
Als je moeder er niet meer is, dan zal ze juist op dit moment zo worden gemist.
En dan merk je hoe belangrijk je moeder nog voor je had kunnen zijn.
En je hebt misschien ook wel dat nu met de doop
jouw band als vader of moeder met je kind nog wel veel meer intens beleefd wordt.
Maar je staat er niet alleen voor.
Iedereen hier in de kerk is getuige
en is medeverantwoordelijk dat jouw kind iets van de Heere meekrijgt.
U als gemeente hier in de kerk hebt het gezien
en u bij de kerkradio hebt het wellicht alleen maar gehoord,
u hebt een taak voor deze kinderen
– en dat geldt bij elk gedoopt kind, ook al was u er niet bij toen dat kind werd gedoopt.
Bijvoorbeeld door te bidden voor deze kinderen
en hen en hun ouders bij de Heere te brengen.
Dat kan een taak zijn, voor degenen die zelf de zegen van kinderen niet hebben ontvangen.
Geloof gebeurt in een gemeenschap,
een individuele gang kan gebeuren, soms kun je een zoektocht moeten afleggen
en toch is dat niet goed.
Mozes spreekt heel het volk aan: Luister Israël.
We horen bij elkaar en we horen er voor elkaar te zijn
en elkaar te helpen de weg van God te gaan en samen te luisteren naar Zijn wil.
Die woorden hebben vast bij jullie bruiloft in de kerkdienst geklonken,
ook al weet je die woorden niet meer:
Vergeet daarbij niet, dat uw gezin deel uitmaakt van een grotere gemeenschap. U draagt ook een bredere verantwoordelijkheid: voor de medemens in nood, voor de kerk en voor de maatschappij.

Mozes zegt tegen het volk Israël er over de Heere gesproken moet worden
en dan op zo’n manier over de Heere gesproken wordt
dat er bij de kinderen liefde voor God begint te groeien.
Die taak geeft de Heere ook aan ons, dat we over de Heere vertellen
zodat er bij deze dopelingen als ze iets ouder zijn er liefde voor God groeit.
Wat is er voor nodig dat zij die liefde leren?
In de afgelopen week moest ik mijn eigen leven nagaan:
welke mensen waren er voor mij belangrijk, waardoor ik ben gaan geloven in de Heere?
Ik herinnerde mij mijn moeder weer, hoe zij elke dag op de knieën ging
om voor haar kinderen te bidden. Dan was ze wel een tijdje bezig.
Ik herinnerde de mensen aan wie ik die liefde voor God kon merken,
de ouderlingen die bij ons op huisbezoek kwamen bijvoorbeeld
en die het heel fijn vonden om ook met ons als kinderen over de Heere te praten.
Ik hoop dat u als u uw leven nagaat en als jij nadenkt over jezelf,
dat je ook kunt vertellen van mensen, die met jou hebben gedeeld hoe zij leefden met God.
Jullie als ouders hebben die verantwoordelijkheid naar je kind toe.
Wat deel je van je eigen leven met de Heere?
In de afgelopen week, omdat ik veel met mezelf bezig was
en tegelijkertijd met de voorbereiding van deze doopdienst,
Was ik er voor mijzelf mee bezig: wat deel ik aan mijn eigen kinderen?
Ik kreeg van de week van een van de collega’s op de cursus de vraag:
Wat voor vader ben jij? Ja, wat voor een vader ben ik?
Wat merken zij thuis van mijn leven met God?
Ik ben een vader, die vooral informatie deelt, feiten vertelt
Wat de hoofdstad is van een bepaald land, in welk jaartal een land oorlog had,
maar wat laat ik doorschemeren over dat intieme leven met de Heere
en hoe help ik hen om de weg van de Heere Jezus te gaan?
Als ik dat niet doe, als wij als ouders dat niet doen, wie doet het dan?
En is het juist niet als kind fijn om te merken hoe je ouders ermee bezig zijn,
zodat je juist van je ouders kunt leren.
Mozes zegt: Die woorden moeten in je hart zijn
en dan pas kun je je kinderen iets aanleren.
Ik had eerst over deze tekst, vers 6, heen gelezen en was gericht op het inscherpen.
Maar Mozes heeft gelijk: kinderen leren vooral iets,
als ze daarin iets van hun vader of moeder, van hun meester of juffrouw,
van de mensen in de kerk zien, van hun hart, van hoe zij God beleven.

Maar dan die vraag: Hoe doe je dat en op welk moment van de dag?
Er wordt gesproken over het binnengaan in een bepaalde ruimte,
vanuit de gang naar de kamer, of juist door de voordeur naar buiten,
van buiten een nieuw gebouw binnen.
Ik bedacht me hoe graag ik iets van informatie deel: als ik het weet, de achtergrond van een gebouw, de architectuur, de tijd waarin het werd gebouwd,
maar om zo over de Heere te vertellen?
Waar komt die schroom vandaan?

Tegenwoordig is het bij ons vroeg dag
en voor zevenen zat ik beneden aan tafel en Imke – ook vroeg wakker – op de bank.
Er kwam een vraag: ‘Waarom zijn we eigenlijk in Oldebroek komen wonen?’
Eerst was mijn antwoord: ‘Omdat de kerk van Oldebroek dat gevraagd heeft.’
Maar dat was niet genoeg, want er kunnen wel meer kerken vragen dat te doen
en ik bedacht: als ik nu niet iets vertel – in enkele zinnen – over mijn roeping
om hier in Oldebroek te werken, wanneer doe ik dat dan?
Ik heb het op een korte, eenvoudige manier geprobeerd.
Mozes zegt: laat het op alle mogelijke manieren zien.
Hang het desnoods op als een spreuk in de woonkamer of de gang,
schrijf het desnoods voor op je huis boven de deur.
Terwijl ik deze woorden opschreef,
bedacht ik me dat er voorop de pastorie een bepaalde steen zit.
Als jullie, jongeren komen voor de bbq, moet je er maar eens naar kijken.
Het is een steen met x en daardoor heen een p.
Ik denk dat dominee Voordijk daar wel eens om gevraagd zou hebben.
Die x staat voor Christus, in het Grieks de letter van Xristos en de p dat is in het Grieks een r
Die x met de p erdoor heen staat voor Christus Rex – Christus is koning.
Dat is waarschijnlijk bedoeld voor de mensen die door de straat lopen
en als ze nieuwsgierig zijn naar binnen willen kijken: Christus is koning,
in dit huis, over de wereld en ook over jouw leven.
Voor de mensen die aanbellen – voor collecte, voor een pastoraal bezoek:
Christus is koning – vergeet dat niet. (Hoor, Israël, de HEERE, onze God, is één)
Maar ook voor de bewoners van het huis:
Als je thuiskomt en de sleutel omdraait: x – p: Christus is koning.
Een herinnering ook voor de bewoners.
Een belijdenis en een herinnering.
Om de ander en jezelf te bepalen bij de Heere.
Zodat zij herinnerd worden aan de liefde van God voor hen
en dat zij er ook aan herinnerd worden dat God onze liefde vraagt
en Hem belijden.
De doop is ook een belijdenis,
een belijdenis die de ouders alvast geven voor hun kind,
in de hoop dat dit kind het later zal overnemen.
Vandaar dat we hier in de kerk openlijke belijdenis van het geloof hebben.
Wat mij opvalt, is dat veel gemeenteleden het makkelijker vinden
om iets te belijden met het oog op de kinderen.
Als ik tijdens doopzitting of een huisbezoek vraag,
zou je ook belijdenis willen doen, dan is het antwoord nogal eens:
dan ben ik er niet aan toe.
Ze zijn er niet aan toe om zelf belijdenis te doen,
maar kunnen wel voor hun kind het ja-woord geven.
Blijkbaar doe je dat voor een kind makkelijker.
Als je dat voor je kind kunt zeggen,
dat zijn / haar zonden vergeven worden, dat de hemelse Vader er ook voor hem/ haar is,
waarom zou je dat over jezelf niet kunnen.
Zoals je ouders jou hebben laten dopen, in de hoop dat jij zou gaan geloven,
zo laten jullie ook je kinderen dopen, in de hoop dat zij gaan geloven.

Er is nog iets, zegt Mozes, waarin je iets van God kunt doorgeven.
Dat zijn de geboden die God gegeven heeft.
Dat is nou juist meestal niet de makkelijkste opdracht.
Ik neem waar dat veel ouders in deze tijd op zoek zijn:
Hoe kunnen zij in hun gezin in deze tijd die geboden in praktijk brengen.
Bijvoorbeeld als het gaat om de regels voor de zondag:
Welke kleren heb je aan: zondagse kleren of dezelfde kleren als doordeweeks?
Wat mag wel en wat niet: Mag je op zondag buiten spelen?
Als kind mocht ik nooit voor op straat spelen, wel achter in de tuin.
De computer ging niet aan, Donald Ducks mochten niet gelezen worden.
De zondag was bij ons een bijzondere dag, vaak gevuld met lezen, praten, spelletjes, kerk.
Dat de zondag een bijzondere dag was heeft mij trouwens geholpen in het geloof,
al hebben wij in ons gezin nu andere regels.
Mozes zegt tegen Israël: die regels moeten iets van de Heere laten zien
en het kan zo zijn, dat je kind ernaar vraagt naar het nut van die regels.
Ik kwam in een commentaar op Deuteronomium een mooi voorbeeld tegen,
die hij gaf vanuit zijn eigen gezin:
Tijdens een maaltijd ging het over de regels die van toepassing kunnen zijn
in een christelijk gezin.
Een van de zoons, een tiener, riep uit:
‘Waarom moeten we eigenlijk zo’n prehistorische familie zijn?’
Dit is eigenlijk geen vraag die om een antwoord vraagt,
meer een uitroep: we zijn niet meer van deze tijd.
Zijn vader, de auteur van het commentaar, vond het juist een mooie vraag:
We zijn niet van deze tijd – onze wortels liggen in de prehistorie,
namelijk de geschiedenis van God met de wereld,
de geschiedenis van de Heere met Zijn volk Israël.
Mozes zegt tegen de vaders en moeders in Israël:
als je kinderen vallen over de regels, als ze die regels niet begrijpen,
zeg dan niet: dat doen we nou eenmaal, gewoon,
maar vertel over God.
Vertel over de bijzondere weg die de Heere met Israël is gegaan,
vertel dat je slaaf was in Egypte en dat de Heere je heeft bevrijd
en dat die regels die je hebt,
je er steeds aan herinneren: Ik heb een God die mij heeft gered,
dat is de enige God die er is.

De stap naar ons is niet zo groot:
Als ze naar je komen met de vraag: waarom doen we zo ouderwets, zo niet van deze tijd.
Vertel dan over God, die in de hemel woont,
die het ziet als we in ellende zijn, die onze gebeden hoort, die ons vanuit de hemel zegent
en eens vanuit de hemel op aarde kwam
om voor ons aan het kruis te gaan.
Dat is iets wat we nooit mogen vergeten.
Dat is iets waar we steeds aan moeten denken, elke dag opnieuw,
bij elke stap die we zetten.
Die regels die we hebben – en het is best goed in het komende jaar nog meer in te verdiepen
hoe wij in deze tijd met zulke regels kunnen omgaan, zodat ze ons herinneren
aan de Heere en aan Zijn werk
moeten ervoor zorgen, dat we Hem nooit vergeten,
Dat in ons liefde groeit, vertrouwen, overtuiging die uitmondt in de belijdenis:
De Heere, de God van Israël, die wij als gemeente ook willen dienen, is mijn God.
Vertel daarom over de Heere,
vertel daarom over de doop
en laat vooral je hart spreken over hoe de liefde voor God in jouw leven gekomen is.
Dat zeg ik niet alleen tegen de doopouders, maar tegen u allemaal.
Vertel daarom over de Heere,
vertel daarom over de doop
en laat vooral je hart spreken over hoe de liefde voor God in jouw leven gekomen is.
Zodat we met elkaar naar de Heere luisteren, er voor Hem liefde komt en groeit
en ons leven van Hem wordt.
Amen

Preek zondagmorgen 26 juni 2016

Preek zondagmorgen 26 juni 2016
Bediening Heilige Doop
Schriftlezing: Psalm 105: 1-15

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders,

Vanmorgen hebben jullie een belofte afgelegd,
namelijk de belofte om je kind met de Heere God bekend te maken.
Je hebt die belofte om over God te vertellen voor God en Zijn gemeente afgelegd.
Een hele verantwoordelijkheid,
want als je deze belofte aflegt, betekent ook dat je die belofte moet waarmaken:
dat je dan ook steeds weer opnieuw vertelt over de Heere,
de enige God die er is – Vader, Zoon en Geest,
Die leeft en regeert tot in eeuwigheid.

In deze belofte sta je er niet alleen voor:
je hebt deze belofte afgelegd in het midden van de gemeente.
Wij zijn allen getuige van de belofte die jullie hebben afgelegd,
maar tegelijkertijd is er ook voor ons de verantwoordelijkheid,
dat ook wij naar jullie kinderen toe
niet verzwijgen dat God ook hun God wil zijn
en dat wij de verantwoordelijkheid hebben om het geloof voor te leven,
zodat jullie kinderen ook van ons kunnen leren
hoe zij kunnen geloven
en hun leven in dienst van de Heere kunnen stellen.
Het is onze taak als overige aanwezigen om voor hen een voorbeeld in het geloof te zijn.
Jullie staan  met deze belofte om te vertellen over God er niet alleen voor.
Je mag ook van ons als overige aanwezigen verwachten,
dat wij jullie helpen om je belofte waar te maken
om als ouders in de opvoeding ook het geloof door te geven.

Dat kan alleen als wij zelf doen waartoe Psalm 105 oproept:
om heel dicht bij de Heere te leven:
vraag naar de HEERE en Zijn kracht, zoek Zijn aangezicht voortdurend.
De belofte die jullie gegeven hebben
– en iedereen die de belofte bij de doop van een kind gegeven heeft
wordt ook weer aan die belofte eens gegeven herinnerd –
vraagt dat je hele leven bepaald wordt door het leven met de Heere.
Daar kan je elke dag weer en ook heel praktisch mee bezig zijn.
Als je bij het wakker worden, beseft: dit is weer een dag die ik van God ontvang.
Hoe mijn dag ook zal zijn: deze dag heeft Hij mij gegeven.
Ik moet Hem er voor danken en moet er op een verantwoordelijke manier mee omgaan.
Tegelijkertijd mag ik vragen of Hij erbij is deze dag
en of Hij mij op deze dag bij alles wat ik doe wil zegenen.
Heel praktisch: dat je de dag begint met zoeken van de Heere – elke morgen weer opnieuw
en te vragen of Hij meegaat en Zijn kracht aan je geeft.
om Zijn nabijheid en Zijn kracht.

Maak hier een gewoonte van,
want met een goede gewoonte is niets mis.
We hebben baat bij goede gewoonten:
een huwelijk en een gezin kunnen niet zonder de goede gewoonten
van het samen aan tafel zitten tijdens het eten, vertellen wat je hebt meegemaakt,
bij het weggaan even elkaar gedag zeggen.
Zo kan ons leven met de Heere niet zonder vaste gewoonten:
vaste momenten om te bidden en te lezen in de Bijbel, naar de kerk gaan,
er met elkaar over praten, zingen niet te vergeten.
Al die goede gewoonten zijn voor ons van belang,
want zij helpen ons om dicht bij de Heere te leven
– voortdurend Zijn aangezicht te zoeken, zoals Psalm 105 dat verwoordt.
Stel dat je dat achterwege zou laten: het bidden, het lezen uit de Bijbel, kerkgang,
hoe zou je leven er met de Heere er dan uit zien?
Je zult veel minder vaak met Hem bezig zijn:
alleen nog maar op de momenten waarop je aan Hem denkt.
Hoe vaak is dat dan per dag, in de week?
Dan kan de Heere zo ongemerkt uit je leven verdwijnen.

De Psalm roept ons om het tegenovergestelde te doen:
om aan de Heere en ook aan Zijn wonderen te denken.
Dat denken aan de wonderen houdt in
dat je je daar elke dag van je leven van bewust bent.
Weet je nog dat God de hemel en de aarde geschapen heeft?
Vergeet je dat niet als je weer een dag hebt,
waar je tegenop ziet, dat God de dag geschapen heeft
en als het nacht is, Hij het ook weer dag kan laten worden.
Vergeet je niet dat diezelfde God ook met jou bezig is, elke dag weer opnieuw?
Weet je nog van Abram, die geroepen werd?
Zo kan de Heere ook jou roepen om een bepaalde weg te gaan.
Weet je nog dat het volk Israël in Egypte was
en dat het toen een hele moeilijke tijd had – een diensthuis, een slavenbestaan
en dat de Heere, jullie God Egypte raakte met plagen
waardoor ze jullie moesten laten gaan, eerst door de Rode Zee, naar de Sinaï
en dan door de woestijn naar het beloofde land Kanaän.
Dat is wat de Heere, jullie God, voor jullie deed
en dat moet je steeds in herinnering houden.

Waarom is dat van belang om dat steeds te blijven bedenken?
Waarom moeten jullie deze verhalen aan je kind doorvertellen?
Omdat die verhalen niet alleen maar over vroeger gaan.
De God over wie deze verhalen vertellen is dezelfde God
en kan wat Hij toen gedaan heeft opnieuw doen.
Als je die verhalen doorverteld over de schepping, over Abram, over Israël
moet je je zo vertellen, dat je kind het idee heeft alsof hij, zij er zelf bij is.
Misschien heb je ook wel zo’n meester of juffrouw gehad,
die zo mooi kon vertellen dat je zelf meeliep door de woestijn
en die verhalen mee beleefde.
Misschien ook wel dat Abraham, Mozes, de profeten, de Heere Jezus
in deze omgeving, hier in Oldebroek rondliepen.

Door de verhalen levendig te vertellen, als verhalen die over nu gaan,
kan het geloof van je kind gevoed worden:
de God van Abram is ook nu nog God en wil ook mijn God zijn.
Binnen het Joodse volk worden die verhalen doorgegeven tijdens gezinsmomenten,
als het gezin met elkaar de grote feesten vieren,
die herinneren aan wat de Heere heeft gedaan voor Israël:
de uittocht wordt steeds weer opnieuw gevierd
en dan op zo’n manier dat de aanwezigen zelf ook de ervaring hadden
dat zij op dat moment bevrijd werden.
Er zijn verhalen bekend van Pesachvieringen uit Auschwitz en de ghetto’s
dat de Joden het Pesach daar zo vierden.
Door een loofhut te bouwen steeds herinnerd te worden aan de herkomst:
We hebben als volk een reis door de woestijn gemaakt.
Dit land is ons gegeven door de Heere.
Dat schept verplichtingen om de Heere niet te vergeten.
We kunnen van de Joden leren om ook binnen ons eigen gezin
met ons gezin stil te staan bij alles wat de Heere heeft gedaan:
door de maaltijden met Kerst, in de week van Goede Vrijdag met Pasen,
met Hemelvaart en met Pinksteren in het teken te zetten van die feestdag.
Of om de doopdag van je kind op de kalender te zetten
en op te zoeken wanneer jijzelf gedoopt bent
om op die datum stil te staan bij je doop.
Door bijvoorbeeld aan je eigen ouders te vragen, als ze nog in leven zijn,
naar de dag van de doop, hoe dat ging
en waarom ze jou gedoopt hebben
en wat ze in de loop van de jaren gezien hebben van de belofte die de Heere gegeven heeft.
Kunnen zij vertellen dat de Heere Zijn belofte als Vader, Zoon en Geest waarmaakt?
Het is goed om van de doopdag een speciale dag te maken,
waarop je tijdens het eten tijd hebt voor elkaar,
tijd hebt om stil te staan bij de doop, jaren terug
en dan te vertellen hoe die dag verliep en welke beloften de Heere gegeven heeft,
te vertellen hoe de Heere God de beloften die Hij gedaan heeft
waar gemaakt heeft.
Je moet dan natuurlijk niet vergeten te vertellen
dat de doop ook betekent dat jouw kind ook bij de Heere God mag horen
door de doop,
maar dat de doop ook betekent dat zij zelf een antwoord moeten geven op God.
In onze kerk is daar de belijdenis onder andere voor bedoeld:
Dat je de Heere dankt voor je ouders, voor hun opvoeding in het geloof
en dat je tegen de Heere zegt – en ook tegen je ouders, tegen de gemeente –
ik wil nu zelf gaan in het spoor van de Heere Jezus.
Ik geloof nu zelf, ik kan niet meer zonder de Heere Jezus
als mijn redder, mijn verlosser
en ik merk dat de Heilige Geest in mij werkt
en ik wil niets liever dan dat ik deze weg ook ga.
Vertel dan hoe zij dat kunnen doen en hoe jij dat zelf hebt gedaan.
Niet iedereen van jullie heeft nog belijdenis gedaan.
Wees naar je kind open over de aarzelingen die er zijn geweest
maar vergeet ook niet te vertellen hoe de Heere jou geholpen heeft
om meer over Hem te weten,
om elke dag met Hem te leven,
om te kunnen bidden,
om de Bijbel te lezen, zodat je dan ook de stem van God hoort
of – zoals in de Psalmen een antwoord dat gegeven kan worden op de Heere
een antwoord dat ook ons antwoord wil zijn:
Loof de Heere, roep Zijn naam aan,
Maak Zijn daden bekend onder de volken.
Zing voor Hem, zingen Psalmen voor Hem.
Spreek met aandacht over Zijn wonderen.

De geschiedenis van Israël kent veel wonderen.
Voor de kerk komt dat nog een wonder bij.
Dat ook wij mogen spreken over een verbond dat de Heere met ons maakt.
Verbond – een afspraak die de Heere maakt, die voor altijd blijft gelden.
Voor eeuwig denkt de Heere aan Zijn verbond.
Voor altijd zal Hij zich er bewust van zijn en er naar handelen.
Hij zal wél zich aan Zijn verbond houden.
Een belofte voor duizend generaties: er zal geen generatie zijn
voor wie die belofte niet zal gelden.
De doop geeft aan dat de deur naar dit verbond is opengegaan
ook voor ons, die niet tot het volk Israël behoren.
Daarmee vervangen we Israël niet – ook dat verbond van God blijft voor altijd van kracht
en wordt zelfs vernieuwd.
Toch krijgen wij een plek in dat verbond, we mogen delen in wat Israël ontving:
in de verhalen, in de liederen, in de liefde en het verbond, dezelfde God.
Dat heeft alles te maken met wat er op Golgotha gebeurde:
Gods eigen Zoon die stierf daar in onze plaats.
De doop laat ook zien, dat Christus daar voor ons moest sterven.
De doop is meer dan een stempeltje dat we op ons kind plaatsen
en daarmee zeggen: jij hoort er ook bij.
Nee, er moet eerst wat gebeuren.
Het doopformulier spreekt over een onreinheid binnen in ons, in ons hart
een onreinheid die afgewassen moet worden
En alleen afgewassen kan worden door het bloed van Christus.
En in het gebed over een doortocht door de Rode Zee,
een beeld dat aangeeft dat de doop aangeeft
dat we een land achter ons hebben te laten: het land van de zonde.
In de doop mag je je kind meenemen uit het land van de zonde,
omdat de doortocht al is betaald: met het bloed van Christus.
Dat is het mooie van de doop, van Gods genade die zo overweldigend, zo uitnodigend, zo gul is, dat is ook Zijn verbond: dat Hij het ons gunt.

Als ik het zo zeg, dan is de reactie: dat is toch wel erg makkelijk.
Ik begrijp die reactie eerlijk gezegd nooit zo goed.
Want ik geloof dat Gods genade zo ruim is.
Daarom kan ik predikant zijn en de verhalen vertellen en kinderen dopen.
Maar makkelijk is het niet,
dat laat de geschiedenis van Israël tijdens de woestijnreis
en bij aankomst in het beloofde land zien:
Steeds de heimwee naar Egypte, de keuze voor andere goden.
Als onze kinderen niet zelf ook gaan geloven in God en in Zijn grote daden,
dan kiezen ze er weer voor om terug te lopen, door de Rode Zee
naar dat oude leven, van Egypte, van de zonde, weg van God.
Van de week kozen de Engelsen voor een brexit.
We zouden kunnen zeggen dat kinderen die niet dat geloof eigen willen maken,
zelf willen geloven ook kiezen voor een leave, een vertrek uit Gods gemeenschap.
Net als het brexit van de Britten kan het een ondoordachte keuze zijn.
Daarom is die opvoeding in het geloof van de Heere zo van belang.
Om te doen wat wij kunnen om onze kinderen bij de Heere Jezus te houden.
Door hen voor te leven dat alleen bij Hem leven te vinden is
en hen te waarschuwen dat leven niet op het spel te zetten.
Wellicht hebben we onze eigen ervaringen van een leave, een weggaan
en zijn we nu weer teruggevonden door de Heere.
Vertel over die ervaringen van een leven zonder God
om duidelijk te maken dat zo’n leven niet te verkiezen is.
De EU stuurde er gelijk aan dat de Britten dan ook maar weg gaan.
Gelukkig is onze God zo niet.
Hij is barmhartig en zet ons niet zomaar uit het verbond.
En als Hij ons eruit zet, is dat om ons door de schok duidelijk te maken
dat we zonder Hem niet kunnen, dat we verloren gaan en verloren zijn.
Niet alleen maar later, als ons einde gekomen is, maar nu al.
God blijft Zijn verbond voor eeuwig gedenken,
Maar niet als wij ervoor kiezen weer terug te gaan.
Dat we gedoopt zijn, betekent nog niet dat we niet verloren kunnen gaan.
Dat is dan onze eigen keuze om uit het verbond te stappen
en bij God weg te gaan.
Maar God is oneindig genadig en geduldig.
Misschien heb je zelf van die genade ook wel gemerkt,
omdat je weer terug mocht komen, welkom was bij de Heere – tot je eigen verrassing.
Dat is de hoop voor degenen die nu niet meer met de Heere leven.
We kunnen voor hen een beroep doen op Gods verbond:
Heere, vergeet hen niet.
Wil voor hen ook uw verbond gedenken.
Ook daarom moeten we Gods grote daden doorvertellen
en vertellen hoe jezelf er weer bij gekomen bent.
Als ik terugkijk op mijn leven is er ook een tijd geweest,
Dat ik had kunnen afhaken.
Ik ging wel naar de kerk, maar van binnen geloofde ik niet altijd meer in God.
Ik geloofde niet meer in Zijn grote daden
en had het idee dat God onbereikbaar was
en dus niet meer naar Hem hoefde te vragen, te zoeken.
Als de Heere mij, u, jou het geloof kan geven, teruggeven,
dan is Hij ook in staat om anderen, die nu niet geloven, het geloof te geven, terug te geven.
Daarom: gedenk Zijn wonderdaden, ook die je zelf heb meegemaakt.
Om voor jezelf, voor je gezin, voor anderen om je heen vertrouwen te hebben
dat de Heere ook nu nog werkt en morgen en over honderd jaar.
Tot in duizend geslachten – heel de geschiedenis, tot aan de wederkomst
zal dit verbond overeind staan
en zal God bezig zijn Zijn beloften te vervullen: voor u, voor jou, voor de kinderen.
Daarom: Loof de Heere, roep Zijn naam aan,
maak Zijn daden bekend onder de volken
Zing voor Hem, zing psalmen voor Hem,
spreek aandachtig van Zijn wonderen.
Beroem u in Zijn heilige Naam.
Laat het hart van wie de Heere zoeken zich verblijden.
Amen





Dagboek

Dagboek

Dagboeken kunnen helpen om elke dag in de Bijbel te lezen. Onze ervaring als gezin is dat er weinig dagboeken zijn die geschikt zijn voor kinderen. Of ze zijn te moeilijk. Of ze gaan steeds over dezelfde thema’s, zoals dat je door God geliefd bent.
Daarom ben ik begonnen om een soort dagboek bij de Bijbel te maken. Voor elke week een eigen persoon, thema of Bijbelboek. Zodat als je enkele dagen mist, niet steeds het gevoel hebt dat je achterloopt. Voor elke zondag een overdenking uit een Psalm, die bij het thema van die week past. Voorlopige opzet:

Week Thema Week Thema
1 Abraham 27 Jaloezie / Tiende gebod
2 Wonderen van Jezus 28 Inkeer
3 Bidden 29 Leven als christen
4 Gelijkenissen van Jezus 30 Negende gebod
5 Vriendschap 31 Kerk
6 Mozes 32 Job
7 Op weg naar Jeruzalem 33 Petrus, brief van
8 Goede Vrijdag 34 David
9 Pasen 35 Psalmen – 2
10 Sterven en opstanding 36 Spreuken
11 Avondmaal 37 Verloren zoon
12 Openbaring 38 Jozef
13 Psalmen -1 39 Doop
14 Hemelvaart 40 Brief van Paulus
15 Heilige Geest 41 Woestijnreis
16 Pinksteren 42 Efeze
17 Zending 43 Intocht
18 Romeinen 12 (en omgaan met anderen) 44 Jakobus
19 3e gebod 45 Jeremia
20 Kruistheologie 46 Schuld belijden en vergeving
21 Paulus (Handelingen) 47 Koningen
22 Ouders / 5e gebod 48 Hemel
23 School, leren 49 Wederkomst
24 Schepper van hemel en aarde 50 Jesaja
25 Beeld van God 51 Kerst
26 Zonde 52 Oudjaar / nieuwjaar

Voorbeeld:

Maandag: Lukas 15:11-14
En de jongste van hen zei tegen zijn vader: Vader, geef mij het deel van de goederen dat mij toekomt. (Lukas 15:12)

Een vader heeft twee zonen. Deze twee zonen heeft hij goede opvoeding willen geven. Want als hij er niet meer is, moeten deze twee zoons het bedrijf voortzetten. Hij wil dat zijn jongens dan een goede baas zullen zijn: eerlijk, betrouwbaar en rechtvaardig.
Bij de jongste zoon is dat niet gelukt. De vader merkt het als de jongste zoon door het bedrijf loopt meer geïnteresseerd is in wat alles kost dan wat er in het bedrijf gebeurt. Die zoon denkt bij zichzelf: ‘Als ik dat geld nu eens had, zou ik een leuk leven kunnen leiden. Dan zou ik nooit meer hoeven te werken.’
Op een dag krijgt hij een idee. Hij gaat naar zijn vader toe: ‘Pa, later als je er niet meer bent, krijg ik toch een deel van dat bedrijf? Kan ik dat deel niet nu al krijgen? Ik heb er later toch recht op!’

Om over door te praten
1) Wie leert jou om eerlijk, betrouwbaar en rechtvaardig te zijn?
2) Zou jij die vraag van de jongste zoon ook aan je vader stellen? Hoe zou jouw vader reageren?

Dinsdag: Lukas 15:14-16
En toen hij er alles doorgebracht had, kwam er een zware hongersnood in dat land en begon hij gebrek te lijden.

De vader luistert naar zijn jongste zoon. Hij verdeelt zijn bedrijf. De jongste zoon wordt directeur van het ene deel van het bedrijf. Misschien heeft zijn vader gedacht: ‘Mijn zoon moet een kans krijgen om zich te bewijzen. En als hem het niet lukt, spring ik wel bij om hem te helpen.’
Maar zijn zoon wil helemaal geen directeur zijn. Hij wil niet werken, maar genieten en elke dag feestvieren. Het bedrijf van zijn vader interesseert hem helemaal niet. Zodra hij directeur is, verkoopt hij dat deel van het bedrijf waar hij nu eigenaar van is. Als hij dat geld heeft, wil hij ook niet bij zijn familie blijven. Hij gaat zo ver mogelijk weg. Hij heeft nu zoveel geld. Hij kan elke dag feestvieren.
Dit verhaal vertelt Jezus om te laten zien dat er mensen zijn, die van het leven willen genieten en daarom niet aan God willen denken.

Om over door te praten
1) Stel dat jouw vader directeur is en dat jij zijn opvolger wordt, wat doe je dan: verkoop je dat bedrijf of blijf je voor dat bedrijf werken? Waarom?
2) Als je later volwassen bent, blijf je dan bij je familie wonen? Of ga je juist heel ver weg wonen.
3) Zou jij zonder God kunnen?

Woensdag: Lukas 15:16-20
Ik zal opstaan en naar mijn vader gaan en tegen hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen de hemel en tegenover u.

Zolang hij geld heeft, heeft die jongste zoon vrienden. Die vrienden komen graag op zijn feestjes. Het interesseert hen niet dat zijn vader hard heeft moeten werken om dat geld te verdienen. Aan zijn vader denkt hij niet.
Maar dan komt er een economische crisis. Alles wordt steeds duurder: eten, drinken, kleding en feestjes. Zijn geld raakt op. Daar had hij niet op gerekend. Hoe moet hij nu verder? Bij anderen om geld vragen? Daar piekert hij niet over. Dan gaat hij nog liever werken. Het enige werk dat hij vindt, is werk dat in die tijd alleen maar door slaven werd gedaan: zorgen voor de varkens. Hij heeft honger, maar mag het eten van de varkens niet eens opeten.
Nu hij zo’n honger heeft, beseft hij opeens dat hij verkeerd is geweest. Hij moet terug naar zijn vader, om te zeggen: ‘Vader, ik ben verkeerd bezig geweest. Ik heb gezondigd.‘

Om over door te praten
1) Zou jij het doorhebben als je iets verkeerds hebt gedaan?
2) Zou je durven toegeven aan als je iets verkeerds hebt gedaan?
3) Zou je dat ook aan God durven toe te geven? Hoe zou Hij reageren?

Donderdag: Lukas 15:20-24
Want deze, mijn zoon, was dood en is weer levend geworden. En hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vrolijk te zijn.

Hoe ver hij ook bij zijn vader vandaan is, zijn vader merkt op dat hij terugkomt. Stond hij misschien al op de uitkijk? In de verte herkent hij de man die aan komt lopen direct als zijn zoon. De jongen krijgt niet eens kans om te zeggen dat hij verkeerd is geweest. Zijn vader rent op hem af en omhelst hem: ‘Welkom, jongen, ik ben zo blij dat je er weer bent!’ De jongen probeert nog wel om zijn excuus aan te bieden, maar de vader luistert er niet naar. Hij geeft zijn knechten de opdracht: ‘Haal een mantel, haal een ring, want iedereen moet kunnen zien dat hij mijn zoon is. Geef een feest voor heel het dorp. Want mijn jongen was dood, maar is levend teruggekomen.’
Wanneer je ziet dat je verkeerd hebt gedaan en naar God teruggaat om dat te erkennen, is Hij blij met jouw komst.

Om over door te praten
1) Geloof je dat God ook op jou staat te wachten?
2) Zou jij blij zijn als iemand, die verkeerd deed, de weg naar God terugvindt?
3) Waarom zegt de vader over de jongen dat hij eerst dood was? En waarom zegt hij dat hij weer levend is geworden?

Vrijdag: Lukas 15:25-30
Maar hij werd boos en wilde niet naar binnen gaan. Toen ging zijn vader naar buiten en spoorde hem aan. (Lukas 15:28)

De oudste zoon is er ook nog. Hij heeft toegekeken hoe zijn vader het bedrijf opdeelde. Hij kreeg zijn deel. Maar het werd harder werken omdat het bedrijf nu kleiner geworden was. En zijn jongere broer verkocht direct zijn deel van het bedrijf direct en ging weg om feestjes te houden. Als zijn jongere broer thuiskomt, is hij niet bij zijn vader. Hij is buiten in het veld. Aan het werk. Verbaasd hij bij thuiskomst de muziek en de feestvreugde. Als hij de reden van het feest hoort, wordt hij boos. Zijn broer heeft alles weggegooid en een slecht leven geleid. Waarom zou hij dan blij moeten zijn dat zijn broer thuisgekomen is? Maar zijn vader wil hem niet buiten laten staan: ‘Doe mee. Ik heb een reden om blij te zijn. Je broer was dood. Nu is hij levend thuis gekomen. Dan kunnen we toch niet anders dan feestvieren?’

Om over door te praten
1.) Kun je uitleggen waarom die oudste zoon niet blij is dat zijn broer weer terug gekomen is?
2.) Begrijp je de reactie van die oudste zoon? Waarom wel/niet?
3.) Waarom wil de vader die oudste zoon erbij hebben op het feest?

Zaterdag: Lukas 15:28-32

En hij zei tegen hem: Kind, jij bent altijd bij mij en al het mijne is van jou.

Geluk hoef je meestal niet ver weg te zoeken. Wie goede ouders heeft, kan al gelukkig zijn. Maar de oudste zoon heeft dat niet door. Als hij aan zijn vader denkt, is er een boosheid in hem: ‘Mijn vader laat mij nooit eens een feestje geven voor mijn vrienden. Hij weet niet wat ik nodig heb. Hij kent mij niet.’
Hij is zo vol boosheid dat hij nooit de liefde van zijn vader heeft gezien. ‘Jij bent altijd bij mij,’ zegt zijn vader. ‘Mijn jongen, besef je niet hoe gelukkig ik met jou ben? En weet je waarom ik zo zuinig ben? Omdat dit alles van jou is. Maar nu mijn kind weer levend is geworden, heb ik geen andere keus. Ik moet dat feest wel geven!’
Daarmee is het verhaal van Jezus uit. Hoe loopt het af? Begrijpt de oudste zoon zijn vader? Of blijft hij toch buiten staan?

Om over door te praten
1) Bedenk hoe dit verhaal verder zal gaan: Wat doet de oudste zoon? Hoe gaat de jongste zoon verder met zijn leven?
2) Kennen jouw vader en jouw moeder jou goed? Waarom wel/niet?
3) Wat wil de Heere Jezus ons met dit verhaal duidelijk maken?

Vorming van kinderen tot navolgers van Christus in een post-christelijke maatschappij

Vorming van kinderen tot navolgers van Christus in een post-christelijke maatschappij

Is de christelijke gemeenschap nog in staat om kinderen te vormen als navolgers van Christus? Of is de invloed van de postchristelijke maatschappij op het denken en handelen van de kinderen, die bij de christelijke gemeenschap horen, te sterk?

Marva J. Dawn, theologe, auteur en spreekster, maakt zich grote zorgen over de geloofsopvoeding. Niet alleen omdat de geloofsopvoeding in een postchristelijke maatschappij niet zo gemakkelijk is. Ze maakt zich vooral zorgen, omdat ouders de geloofsopvoeding verwaarlozen en de vorming van hun kinderen aan de maatschappij overlaten, waardoor ze niet de christelijke waarden en normen meekrijgen. Daarom schreef ze het boek Is It a Lost Cause? voor ouders en de gemeenschap, zodat zij leren het belang hiervan in te zien. Ze wil waarschuwen, alternatieven aanreiken en het gesprek op gang brengen.

ResizeImageHandler

Machten en wereldbeheersers
Dawn kon door lichamelijke beperkingen zelf geen kinderen krijgen, maar is juist daardoor erg begaan met de kinderen van de christelijke gemeenschap. Ze trekt veel met jongeren op, geeft cursussen aan jongeren en spreekt hen op bijeenkomsten toe. Zij promoveerde op het werk van de Franse socioloog Jacques Ellul. Van hem heeft ze geleerd dat een christelijke opvoeding ook inhoudt, dat je je kinderen leert niet onder de invloed te laten komen van de ‘machten en wereldbeheersers’  (Efeze 6:12).


Geschenk
Kinderen zijn een geschenk van God. Daarom zijn ouders aan God verplicht de kinderen een goede, christelijke opvoeding te geven, waarbij de normen en waarden gestempeld zijn door de Bijbelse normen en waarden en niet door de opvattingen van wat in onze cultuur gebruikelijk is.

Gemeenschap
Ouders staan er niet alleen voor. Zij hebben de christelijke gemeenschap om zich heen. Kinderen maken onderdeel van die gemeenschap uit. De opvoeding en de vorming van kinderen tot navolgers van Jezus is een taak voor heel de gemeenschap. Het is de ervaring van Dawn dat kinderen het beste worden gevormd door de liturgie van de eredienst en door een christelijke gemeenschap die ook echt een gemeenschap is. In die gemeenschap hebben kinderen een eigen plaats, maar worden ze ook gevormd en krijgen ze bagage voor hun levensreis mee.

Geestelijke bagage
Elk hoofdstuk wordt daarom voorafgegaan door een lied, waarin iets verwoord wordt van wat voor de vorming en geloofsopvoeding van kinderen van groot belang is. Het is haar eigen ervaring dat liederen een enorm vormend effect hebben. Zij vindt het daarom van groot belang dat kinderen liederen aangeleerd krijgen als geestelijke bagage.

Post-christelijke tijd
Deze tijd is volgens Dawn niet de makkelijkste tijd om kinderen op te voeden: we leven in een post-christelijke tijd. De maatschappij leert de kinderen geen christelijke waarden en normen meer aan. De normen en waarden van deze maatschappij staan in veel gevallen juist haaks op deze maatschappij.

Media
Bezorgd is Dawn over de invloed van televisie en internet. Ze snapt niet waarom ouders hun kinderen afschepen met wat ze op televisie te zien krijgen in plaats van zelf tijd en energie te steken in het aanleren van goede, christelijke waarden en normen:

  • Door de televisie worden kinderen overspoeld met informatie. Met die informatie kunnen ze heel weinig. Daardoor ontwikkelen kinderen een passiviteit. Ze noemt dit in navolging van Neil Postman de Low Information-Action Ratio (L.I.A.R. = leugenaar). Deze passiviteit is dodelijk voor het engagement van kinderen op de nood van deze wereld. Deze passiviteit is ook dodelijk voor het geloof van Gods betrokkenheid op deze wereld.
    In plaats van de kinderen tv te laten kijken, is het beter om hen de waarde van verhalen te leren ontdekken. Of om hen mee te nemen in de sociale betrokkenheid op mensen die minder hebben. Tegenover de overkill aan informatie van de media zou de christelijke gemeenschap de kinderen levenswijsheid moeten aanleren.
  • De tv leert kinderen om consumenten te zijn. Daardoor leren ze dat ze wat ze hebben willen gelijk kunnen krijgen. Samen met de welvaart die er is, leren ze niet meer te wachten op iets wat van waarde is. Doordat ze niet meer kunnen wachten en sparen, zijn ze niet goed in volharding en geven ze bij het minste of geringste op. Daardoor leren ze ook niet, dat lijden en ascese wezenlijke onderdelen van het leven zijn.
  • Door tv en internet leren christelijke kinderen waarden en normen, die niet streven bij de christelijke ethiek. Ze leren dat geweld gewoon is. Ze leren niet dat trots en egoïsme verderfelijke eigenschappen zijn. Ze leren dat seks verkrijgbaar zou moeten zijn op het moment dat je er behoefte aan hebt.


De christelijke gemeenschap is geroepen om in deze wereld een andersoortige gemeenschap te zijn, die Jezus als model heeft. Om de kinderen tot voorbeeld te zijn dienen alle leden van de gemeenschap te leven uit die normen en waarden.

Zuigkracht
De zuigkracht van deze wereld is sterk. Dat komt, omdat de wereld waarin wij leven, ook probeert om het verlangen dat er is naar verdieping, naar leven, naar ervaring ook wil vervullen, maar dan zonder een leven met God. In navolging van C.S. Lewis noemt ze dat Sehnsucht. De machten en wereldbeheersers willen via die Sehnsucht invloed uitoefenen op ons denken, onze ervaring, op ons handelen. Dat doen ze door een snelle bevrediging van die Sehnsucht te beloven. Daarmee gaan ze de concurrentie aan met God.

Hart van God
De regels die God gegeven heeft zij er echter niet voor niets. Ze zijn er ter bescherming. Ze zijn er om werkelijk leven te vinden. In Hem. De christelijke gemeenschap moet het hart van God hebben voor kinderen. Wanneer men dat alleen met de mond belijdt en dat geen handen en voeten geeft in de liturgie, in de gemeenschap en de opvoeding zijn de kinderen verloren voor de kerk. Om de kinderen te bewaren bij Christus wordt er inspanning gevraagd van ouders en de gehele gemeenschap:

  • Door de machten en wereldbeheersers en hun verleidelijke trucjes te ontmaskeren.
  • Door op tijd ‘nee’ te zeggen tegen media, series, films en andere invloeden wanneer de invloed te schadelijk is.
  • Door de gemeenschap een gemeenschap van liefde, vriendschap, verantwoordelijkheid en betrokkenheid te laten zijn.
  • Door de ene, ware God (Vader, Zoon en Heilige Geest) te dienen in de eredienst
  • Door als gemeenschap afstand te doen van alle afgoderij, die het vervullen van de Sehnsucht buiten God om belooft.
  • Door als ouders en gemeenschap zich te laten vormen door Christus, door Gods Woord.

N.a.v. Marva J. Dawn, Is It a Lost Cause? Having the Heart of God for the Church’s Children (Grand Rapids / Cambrigde: William B. Eerdmans Publishing Company, 1997)

Zie de website van Marva J. Dawn