Preek zondagmorgen 26 augustus 2018

Preek zondagmorgen 26 augustus 2018
Bevestiging van ds. I. Pauw tot predikant van de Hervormde Gemeente Wezep-Hattemerbroek

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op een middag in mei dit jaar de klokken van de Vredeskerk en de Hoeksteen
om aan te geven dat er mooi nieuws te melden was
voor de Hervormde Gemeente Wezep-Hattemerbroek:
de beroepen predikant, ds. Pauw, heeft het beroep aangenomen!
En als consulent heb ik ook mogen zien, dat er door het beroep op ds. Pauw
en vooral doordat hij het beroep aannam, er binnen deze gemeente
veel enthousiasme en dankbaarheid kwam.
Bijzonder voor mij om dat als consulent dat van dichtbij mee te mogen maken.
Tegelijkertijd heb ik mij – omdat ik zelf predikant ben – er ook wel over verbaasd.
Waarom zoveel enthousiasme voor de overkomst van één gezin,
terwijl er in de afgelopen jaren toch wel meer gezinnen hier lid geworden zijn?
Zoveel enthousiasme over de komst van één persoon die hier de gemeente komt dienen,
terwijl er toch zovelen zijn die hier dienstbaar zijn aan de gemeente
als ambtsdrager, als koster, organist, als bezoekbroeder of zuster, als catecheet?
Natuurlijk, een predikant kan meer tijd besteden aan de gemeente
dan een gemiddelde kerkganger
en gaat ook voor in diensten: de zondagse erediensten, rouwdiensten, trouwdiensten.
En toch: wat wordt er allemaal niet verwacht van een nieuwe predikant?
Misschien is dat ook wel tegen je gezegd, Sjaak:
We hopen dat je komt, want er is een frisse wind nodig, een opleving.
Als er zoveel loskomt, dan word ik altijd wat wantrouwend:
Wat komt een predikant doen in de gemeente?
Komt hij iets doen, wat u zelf nalaat, of vergeet te onderhouden?
Namelijk dat je weer enthousiast wordt voor Christus,
dat je weer met plezier naar de kerk gaat, dat je zelfs weer uitkijkt naar de diensten
om als gemeente bij elkaar te zijn, omdat er wat met je gebeurt.
Bent u, ben jij daar niet zelf verantwoordelijk voor?
Moet je daar zelf niet wat voor doen, dat je je vreugde in Christus niet kwijtraakt,
dat je geniet van het gezamenlijk optrekken van de gemeente op de weg van Christus?
Is het niet te makkelijk om voor de groei en diepgang, ontwikkeling van je geloof
naar anderen, in dit geval ds. Pauw te kijken?

Ik moest deze kritische noot even kwijt,
want natuurlijk begrijp ik ook wel, waarom er zo naar een predikant wordt gekeken
en waarom een nieuwe predikant zoveel enthousiasme teweeg brengt.
Een predikant is een voorganger, iemand die vooropgaat en de gemeente meeneemt:
in de preken die gehouden worden en de diensten die geleid worden,
in het beleid dat ontwikkeld wordt, waar deze predikant ook zijn stempel op zal zetten,
(ik begreep dat een van de voorwaarden was om het beroep aan te nemen
dat de gemeente ook serieus werk zou maken van de missionaire roeping),
maar ook de gemeente voorgaan in het verlangen naar de grote Dag
dat Christus terug naar deze aarde, naar Zijn gemeente.
Een predikant doet dat niet alleen door woorden te spreken,
of door beleid te ontwikkelen,

maar ook door zelf het voorbeeld te geven.
Misschien is er daarom wel een enthousiasme omdat er behoefte is aan iemand
die zichtbaar maakt hoe het geloof werkt, zie het voorleeft, laat zien
wat je bent en wie je bent als je van Christus bent.
Ooit mocht een klasgenootje van mijn dochter voor het eerst mee naar de kerk.
Nadat ik naar voren kwam voor stil gebed en om de kansel op te gaan
zei hij teleurgesteld tegen zijn moeder:
Dat is niet de Heere Jezus, dat is de vader van Imke.

Hebben niet veel gemeenteleden dat: dat ze naar een dominee kijken en luisteren
om daardoor heen iets te merken van Christus, zijn en hun Heer.
Je blijft Sjaak Pauw en tegelijkertijd proeven ze iets van Christus,
zien ze iets in jou van Hem, die je naar hier geroepen heeft.
Ik bedoel dat niet als last, maar juist als voorrecht, geroepen naar hier,
om hier iets van jouw en onze Heer te laten zien.
Je maakt Zijn stem hoorbaar door jouw woorden,
je maakt Hem zichtbaar door hoe je bent en wie je bent.
Zo ben je een steun voor de gemeente. – Troost schrijft Paulus.

Hoe belangrijk steun is, zul je in je werk in Eindhoven hebben ervaren,
rondom tegenslag in het leven van gemeenteleden, of in het gemeentewerk.
(Ik begrijp dat de Kruispuntgemeente spannende perioden heeft gehad
en nu best weer eens een spannende periode kan doormaken).
Steunen en troosten is niet alleen maar opbeuren en bemoedigen.
Ik weet niet of je al kennis gemaakt hebt met het woord ‘ril’.
Je hebt hier in Wezep mensen die nogal ‘ril’ kunnen zijn. In Oldebroek trouwens ook.
Zulke mensen hebben meer nodig dan alleen maar een arm om de schouder,
natuurlijk, dat ook, maar ze hebben het ook nodig dat ze zien hoe het werkelijk zit,
zodat ze weten dat hun zenuwachtigheid, paniekerigheid niet nodig is.
Als je met mensen te maken hebt, die ‘ril’ zijn, kun je bij jezelf denken:
Waarom is iemand niet iets stabieler, heeft iemand niet wat meer vertrouwen?
Sommigen kunnen ook in hun geloof heel ‘ril’ zijn.
Als er iets gebeurt, dan komen gelijk de vragen op: Waarom?
Of dan raken ze in paniek en zien ze niet meer dat Christus werkt.
Dan hebben ze troost nodig.
Troost is hier een van de mogelijke vertalingen.
Je kunt ook vertalen met aansporen, bemoedigen, corrigeren, terechtwijzen.
Een breed spectrum van een positieve, bemoedigende aanpak
tot een behoorlijk confronterende aanpak, waarin je echt terecht gewezen wordt.
Bij al die aspecten gaat het om één ding: bij Christus gehouden worden.
De één heeft daarvoor de troost nodig, omdat er heel wat is gebeurd.
Een ander een aansporing, omdat hij nogal gemakzuchtig is in het geloof
En onderhouden in het geloof.
Weer een ander stimulans, omdat zij niet gedoopt is en steeds maar afvraagt
wanneer het juiste moment is om alsnog gedoopt te worden.
Iemand heeft tot je verbazing nog geen belijdenis gedaan – dat komt hier nogal voor.
en je spreekt iemand er op aan en nodigt diegene uit om belijdenis te komen doen,
maar die houdt de boot af: ik heb nog te weinig kennis, nog niet aan toe.
Als je dat denkpatroon doorbreekt en zo iemand bij Christus weet te brengen,
omdat je de blokkades die iemand zelf heeft opgeworpen,
dan is dat ook hetzelfde als hier gebeurt met troost.

Het bijzondere in dit gedeelte
– en daarom zal er ook voor troost als vertaling gekozen zijn

is dat Paulus zelf ook met een crisis te maken had.
Ik weet niet of je dat in Eindhoven overkomen is
en ik weet niet of je dat in Wezep/Hattemerbroek bespaard blijft.
En ik weet ook niet of je dat moet willen, dat zo’n crisis je bespaard blijft.
Als je voor het kiezen hebt, dan zullen de meeste mensen zeggen:
Laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan.
Paulus heeft, toen hij heel diep ging – hij ging heel diep want zag de dood in ogen,
en dat was voor hem een huiveringwekkende ervaring,
waarin hij dacht dat hijzelf afgebroken werd
en misschien ook wel dat van het werk dat hij deed er niets meer overbleef.
Juist toen hij zo diep ging, leerde hij Christus nog meer kennen dan hij al deed.
Hij werd zelf getroost – getroost in de diepe betekenis van bij Christus bewaard.
Die ervaring dat – op het moment dat alles je uit de handen glipt
en van je eigen werk niets meer overblijft
en dat je je vertwijfeld afvraagt: God, hoe moet het nu met Uw kerk –
dat op dat moment Christus er wel degelijk is, niet in de vorm van succes,
maar in de vorm van genade – Mijn genade is u genoeg,
Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht,
Mijn glorie zichtbaar gemaakt door mensen die helemaal niet perfect zijn
En soms alleen maar bezig zijn met hun eigen belangen,
hun eigen richting binnen de kerk.

Paulus leerde dat wat hem overkwam bij Christus bracht.
Wel op een confronterende manier, want het was delen in het lijden van Christus,
afgebroken worden, zoals Christus afgebroken werd.
Maar dat was niet voor hemzelf alleen,
maar ook om de gemeente in Korinthe iets te leren,

een les voor ons vandaag de dag, in Wezep en in Hattemerbroek,
in Oldebroek niet minder

dat kerk-zijn niet altijd een stijgende lijn is,
maar samen kan gaan met teleurstellingen, crises.

Was het net zo ervaren als Gods hand die leidt, wanneer ds. Pauw had bedankt
en u als gemeente zelf al die taken van een predikant had moeten oppakken?
En ervaart de Kruispuntgemeente van Eindhoven het als Gods leiding
dat hun predikant wordt weggeroepen naar een andere plek?
Gelukkig zit er veel geloof hier in de gemeenschap
en ik hoop dat je net ik geregeld verrast wordt door ontmoetingen,
waarin gemeenteleden en niet-gemeenteleden de ervaring verwoorden
ook door de tegenslagen bij God gebracht te worden.
Ik hoop dat je als predikant zelf ook door de gemeente getroost mag worden.

In de liturgie hebt u kunnen zien, dat ik niet alleen de predikant als steunpilaar zie,
maar ook de gemeente.
Daarbij dacht ik niet zozeer aan dat de gemeente voor de nieuwe predikant tot steun is,
maar dat u als gemeenteleden voor elkaar tot steun bent
en dat uw nieuwe predikant deze gemeenschap,
waarin ieder elkaar steunt en bemoedigt

– omzien naar elkaar! Als je missionair werk wilt uitbouwen, begin dan met deze gedachte
die hier diep in de volksaard zit, omdat Wezep gegroeid is uit buurtschappen
(Je zult zien hoeveel contacten je opdoet door begrafenissen en bruiloften,
door de gesprekken vooraf en de gesprekken bij de maaltijd na de begrafenis,
of tijdens het feest omdat er zoveel mensen komen
en de betrokkenen en andere aanwezigen het waarderen dat je er bent
– de missionaire plekken bij uitstek – vgl VOETBAL en andere sportclubs,
waarbij het jammer is dat je kinderen eerder naar WHC zullen gaan dan naar Owios) –
De gemeente als steun –
Paulus heeft de gemeente ook steeds gewaardeerd en er hoog van opgegeven,
zelfs de gemeente van Korinthe waarmee er eigenlijk geen klik was,
in ieder geval vanuit Korinthe niet.
In de beide brieven kunnen we tussen de regels door kritiek op Paulus vernemen,
zelfs de vraag of Apollos niet kon komen in plaats van Paulus.
Nogal wat misstanden en zonden, waardoor hij de gemeente had kunnen bekritiseren:
Jullie hebben nooit wat van mijn onderwijs en lessen willen aantrekken.
En toch: Gemeente van God in Korinthe, heiligen in Achaje.
Stelt u zich eens voor: de gemeente van God in Wezep-Hattemerbroek
en de heiligen hier op de Noord-Veluwe.
Hoe je ook over de gemeente denkt, welke band je ook krijgt – ik hoop een heel goede
het gaat hier wel om Gods gemeente
en hoe je ook over de mensen denkt, welke ervaringen je met hen opdoet,
het zijn wel heiligen – door God apart gezet, middel in Zijn hand.
Hij werkt niet alleen door jou, maar ook door hen.
Ik hoop dat je zo mag zien, dat je getuige mag zijn, hoe de gemeente op deze manier
tot steun is en zo werkelijk gemeente Gods is, omdat ieder die er is,
bewaard wordt, door de diensten, door de pastorale bezoeken, door de catechese,
door de kindernevendienst, door de missionaire contacten, bewaard bij Christus.
Dat je mag zien: de Geest werkt hier op deze plaats.
– samen met de andere kerken en gemeenten die hier in Wezep/Hattemerbroek zijn.

De gemeente als steun, als plek waar God werkt, waar je Christus kunt vinden
en bij Christus bewaard blijft, dat mag volgende week nog eens extra zichtbaar worden
als hier het avondmaal wordt bediend – ik spreek liever over vieren.
Als hier gevierd wordt, dat Christus zichzelf gaf, aan het kruis op Golgotha,
Hoe Hij daardoor ervoor zorgde, dat onze zonden vergeven worden
en u en jij apart gezet bent, tot heilige gemaakt.
Daar wordt de troost, de ontferming,
de barmhartigheid van Christus gezien en geproefd.

Christus de gastheer, die jou en u het brood en de wijn aanreikt, daarmee zichzelf.
Er zijn er die er naar uitkijken, naar de ontmoeting met Christus
En deze keer bijzonder met een nieuwe predikant, een nieuwe herder en leraar.
Er zijn er ook die er tegenop zien, of niet komen,
niet vanwege deze predikant, maar die van zichzelf vinden dat het niet voor hen is.
Ik kan u niet over de streep trekken.
Ik kan alleen maar zeggen, dat volgende week daar Christus zal staan
om u en jou te roepen tot hem – om Zijn barmhartigheid te ontvangen in brood en wijn.
Het is de stem van ds. Paus die spreekt,
het zijn de handen van ds. Pauw
die het brood zullen breken en de wijn zullen doorgeven,

maar hij is wel een middel, een instrument in Gods hand,
om Christus in uw midden aanwezig te laten zijn.
Natuurlijk, het is niet ds. Pauw die dat voor elkaar krijgt – het is de Heilige Geest.
Hij mag het u wel aanreiken: het middel van het avondmaal,
waarmee Christus u bij Zichzelf bewaart
Vaste grond – een eeuwig anker – geen storm kan mij losrukken,
geen zonde of aanklacht kan mij bij Christus wegslaan,
Steeds weer vind ik daar die barmhartigheid, het hart van de hemelse Vader,
omdat Christus daar stierf op Golgotha, ook voor u, voor jou en voor mij.
Daarop wil ik gelovig bouwen
getroost, wat mij ook wedervaart
Amen

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Op 7 oktober 1938 verschijnt er voor het eerst bij De Reformatie, een weekblad dat door Klaas Schilder wordt gerund, een bijlage van acht pagina’s over de Heidelbergse Catechismus. Schilder bedoelde dat als een groots project, dat twintig jaar in beslag zou nemen en in tien delen zou uitkomen. In augustus kwam het project stil te liggen vanwege het publicatieverbod dat Schilder van de Duitsers opgelegd kreeg. Na de oorlog kon de publicatie niet direct ter hand genomen worden, omdat het papier nog erg schaars was.

Zeven jaar lag het project stil. In die zeven jaar was heel wat gebeurd. Zoals vier oorlogsjaren en de voor Klaas Schilder traumatische ervaring van een kerkscheuring, waarbij hij buiten de Gereformeerde Kerken kwam te staan. Op het moment dat Schilder zijn werk met de Heidelbergse Catechismus weer oppakt, is het commentaar tot en met zondag 6 afgerond. Uiteindelijk zullen er vieren delen komen en is bij het overlijden van Schilder enkele jaren later de uitleg van zondag 10 nog niet afgerond.

Schilder vindt het voor de kerk nodig dat er een goede uitleg van de Heidelbergse Catechismus verschijnt. Hij gaat niet mee in het onderscheid dat Kuyper maakt tussen confessie en catechismus. Volgens Kuyper is de confessie binnenkerkelijk te gebruiken en de catechismus voor buiten de kerk.

Goede kennis van de belijdenis – en dus ook van de Heidelbergse Catechismus – is nodig om in begripsmatig opzicht onderscheid te maken tussen wat goed en kwaad is. Discretie noemt Schilder dat en hij ontleent deze term aan artikel 8 van de Dordtse Kerkorde. Discretie is nodig om de inhoud van het kerkelijk geloof en de kerkelijke belijdenis te kunnen onderscheiden van die van secten en ongelovigen. De publicatie van dit commentaar op deze catechismus staat in het teken van dit onderscheid maken, deze discretie.

Ook als het gaat om troost – de inzet van de Heidelbergse Catechismus – is deze discretie nodig, vindt Schilder. Dat lijkt een vreemde gedachte, want troost lijkt toch eerst iets van het gemoed en discretie lijkt meer iets van het verstand te zijn. Troost is echter meer dan een in het gemoed geraakt zijn. Om troost te kunnen ontdekken is het ook nodig om met het verstand onderscheid te maken tussen wat waar is en wat niet.

De gedachte dat troost vooral iets van het gemoed is, heeft voor Schilder iets positiefs: door dit bezwaar in te brengen, laat men zien dat men niet vatbaar is voor het rationalisme. Het rationalisme is een doorgeschoten gebruik van het verstand. In het rationalisme wordt de menselijke rede als enige kenbron gezien (en heeft de openbaring geen enkele mogelijkheid om een rol te spelen in het opdoen van kennis). Het probleem van dit rationalisme is voor Schilder dat het zich losgemaakt heeft van God en autonoom wil zijn ten opzichte van God.

In verzet tegen het rationalisme moet men echter niet doorschieten in het andere uiterste, waarbij het verstand buiten werking wordt gesteld en de menselijke rede geen enkele rol mag spelen. De rede blijft nodig om onderscheid te kunnen maken tussen wat waar is en wat niet. Volgens Ursinus is er om troost te kunnen ontdekken consideratie en ratiocinatie nodig. Consideratie betekent (aandachtige) overweging. Ratiocinatie betekent sluitrede, syllogisme. Ratiocinatie – een sluitrede, een syllogisme dus – maakt gebruik van wat reeds voorhanden is. Een sluitrede verzint die gegevens niet zelf; die gegevens zijn er al. Net zoals de posten debet en credit niet door een boekhouder (ratiocinatie) verzonnen zijn, maar reeds voorhanden zijn. Ratiocinatie is geen rationalisme, maar gaat de confrontatie aan tussen twee werkelijkheden: de werkelijkheid van het geloof en die van het ongeloof. Deze twee werkelijkheden bestaan. Met discretie worden deze twee werkelijkheden tegen elkaar afgewogen.

Een voorbeeld van zo’n discretie met behulp van een syllogisme kunnen we vinden in Prediker 7:25 en 27. In zijn eerste periode maakte hij zijn afwegingen op basis van zijn eigen ervaringen. In zijn tweede periode maakte hij zijn afwegingen op basis van Gods openbaringswoord. De eerste afweging stond in dienst van de zonde. De tweede afweging stond in dienst van God. Het tweede gebruik is goed gebruik van het syllogisme.

Het christelijk geloof dat gebaseerd is op Gods openbaringswoord heeft meer kennis dan de filosofie die gebaseerd is op menselijke ervaring en afweging. Filosofie kent niet de wet van God, die de menselijke ellende aanwijst. Filosofie heeft ook geen weet van het evangelie en kan daarom geen troost bieden. Omdat de kerk wel én de wet én het evangelie heeft, kan de kerk wel troost aanbieden. Dit verschil tussen filosofie (gestoeld op menselijke ervaring en gedachten) en kerkelijke belijdenis (gestoeld op Gods openbaringswoord) mag niet uit het oog worden verloren. Er is een christelijke logica nodig (zoals D.H.Th. Vollenhoven voorstelde); algemene logica houdt geen rekening met de zondeval.

Ursinus, degene die het meest heeft bijgedragen aan de Heidelbergse Catechismus, gaat van dit onderscheid tussen filofosie en kerkelijke belijdenis uit. Schilder kan niet in alles Ursinus volgen. Hij vindt dat Ursinus een onderscheid zou moeten maken tussen natuurlijke theologie en openbaring. Hij valt daar Ursinus niet te hard op aan, omdat de gereformeerde theologie in die tijd nog in de kinderschoenen staat en niet alle onderscheidingen al helder heeft. Kuyper heeft Ursinus op dit punt terecht gecorrigeerd in zijn E Voto dordraceno. Alleen voerde hij weer een verkeerde visie in: de algemene genade (gemeene gratie). Zie: hier.

Mogelijk heeft Ursinus gedacht aan De troost van de filosofie van Boëthius. Er zijn behoorlijke verschillen tussen de Catechismus en dit werk van Boëthius. Boëthius schreef voor geleerde mensen; de Catechismus is voor gewone mensen, werklui, kinderen bedoeld. Boëthius gaf de heidense filosofen teveel stem; de Catechismus ontzegde die ruimte terecht aan de heidense filosofen. Boëthius maakt een onderscheid tussen theorie en praktijk. Theorie is contemplatie en de praktijk is het actieve, concrete leven. Bij dat onderscheid is de contemplatie belangrijker dan het actieve, concrete leven. De Heidelbergse Catechismus maakt dat onderscheid niet en ziet theorie en praktijk gelijkwaardig. Theorie en praktijk staan in elkaars dienst en helpen elkaar. Discretie tussen filosofie, gestoeld op heidense kennis, en christelijk geloof, gestoeld op geopenbaarde kennis, is niet alleen noodzakelijk, maar heeft ook betekenis voor het actieve, concrete leven.

N.a.v. dr. K. Schilder, De Heidelbergsche Catechismus, deel I (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1949) 1-14 (§ 1)

Preek zondag 23 november 2014

Preek zondag 23 november 2014 – eeuwigheidszondag
1 Thessalonicenzen 4: 13-18

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus schrijft over degenen die ontslapen zijn,
kan iedereen daar wel een gezicht of een naam bij bedenken
van iemand die er niet meer is.
Voor de een is dat een opa die dit jaar overleden is,
voor de ander een zus met wie de band heel hecht was,
of een moeder die al langer geleden begraven werd.
Als je aan diegene denkt die ontslapen is,
kan er van alles boven komen,
zoals mooie herinneringen.
Je herinnert je hoe je opa zijn uiterste best deed om je bruiloft mee te maken
en hoe gelukkig hij was dat hij jouw bruiloft nog mee kon maken.
Je herinnert hoe je moeder er steeds was voor jou,
nooit deed je tevergeefs een beroep op haar.
Je denkt aan je vriendin, die zo jong nog ziek werd,
maar haar ziekte dapper heeft gedragen
en voor jezelf een voorbeeld is geweest van wie je veel hebt geleerd.
Op aarde kan een hechte band geweest zijn,
waar je nog steeds in dankbaarheid op terug kan kijken,
maar er is een moment gekomen
waarop er afscheid genomen moest worden
en je alleen verder moet
zonder opa, moeder, broer, vriendin.

Dat kan soms best moeilijk zijn
om het leven weer op te pakken, alleen, zonder de vriendin met wie de band zo hecht was.
Om zonder moeder verder te leven,
Degene die je op de wereld heeft gebracht, die je steeds met raad en daad bijstond.
Maar je leven gaat wel verder.
Er komen momenten, die je voor het eerst alleen meemaakt:
een verjaardag, een bruiloft, een geboorte.
Ze zijn er niet meer bij, ze maken het niet meer mee,
maar vergeten ben je ze niet
en juist op zulke dagen kun je aan hen denken:
‘Dit moest opa eens weten.’ ‘Had ik dit maar kunnen delen met mijn vriendin.’
‘Wat zou mijn moeder hier blij mee geweest zijn.’

Wat merk je dan weer opnieuw hoe hard de dood is
en je kunt dan binnenin in je ziel, of zelfs in je lijf, het verdriet voelen
en met je meedragen.
Het verzachten van de dood helpt niet, want de dood is afschuwelijk en maakt kapot.
De dood is de laatste vijand, zegt Paulus.
Diezelfde Paulus zegt hier over degenen die overleden zijn, dat zij ontslapen zijn.
Paulus gebruikt het beeld van de slaap.

Soms kun je staan bij de kist waarin de overledene ligt
en dan net lijken of de overledene slaapt,
zo rustig ligt hij of zij erbij.
Dan kan het zo bij je boven komen: straks wordt hij zo wakker en is alles een nare droom.
Soms kan het zijn of iemand slaapt
en je zou willen dat je oma wakker wordt.
Of heeft je kleine broertje of zusje tegen je gezegd:  ‘Wanneer wordt opa weer wakker?’
Dan  weet je: dit is geen slaap, dit is de dood.

Toch spreekt Paulus, die weet hoe hard en ruw de dood kan zijn, over ontslapenen.
Zou hij dat hier gebruiken om toch verzachtend over de dood te spreken?
Dat gebeurt nogal eens, om niet onder ogen te hoeven zien
dat sterven confronterend is voor degenen die blijven leven.
Soms wordt er van iemand gezegd: hij heeft een mooie dood gehad,
vaak wordt dan een sterven bedoeld zonder een lijdensweg die voorafgegaan is.
Maar hoe kan de dood nu ooit mooi zijn?

Paulus heeft een reden om te spreken over degenen die ontslapen zijn.
Hij doet dat niet om de dood te verzachten
om een soort troost te bieden
of omdat hij niet de harde, ruwe werkelijkheid van de dood onder ogen wil zien.
Nee, Paulus gebruikt dat beeld vanuit een rotsvast vertrouwen op God,
vertrouwen op God die Zijn Zoon uit de dood heeft geroepen
tot het leven.
Want slaap betekent dat je weer wakker geroepen wordt
als een nieuwe dag begint.
Daarom spreekt Paulus over ontslapen.
Een kind kan soms zo diep in slaap zijn dat het uit zichzelf niet wakker wordt.
Dan komt zijn moeder bij zijn bed en roept het kind bij zijn naam wakker:
‘Peter, wakker worden, het is al dag!’
Zo houdt Paulus ons voor dat er een moment komt
waarop God aan ons graf zal staan en ons bij onze naam zal roepen:
‘Wakker worden, Mijn dag is aangebroken!’
Zoals de wekker afgaat en iemand die in nog slaapt wakker maakt,
zo zal op die dag van God de bazuin klinken
om alle doden te wekken uit de slaap, zodat ze zullen opstaan.
Paulus heeft niet de bedoeling om de dood te verzachten.
Hij zegt niet: de dood valt wel mee, troost je daar maar mee.
Nee, Paulus gelooft dat er aan de dood een einde komt
op die geweldige dag als Christus vanuit de hemel neerdaalt
en iedereen zal opstaan en de dood iedereen moet laten gaan.

Als wij slapen, doen wij dat om uit te rusten.
Maar ook dat is niet de reden voor Paulus de reden om over de dood als een slaap te spreken.
Het is voor Paulus geen zoete, zachte dood.
Want de dood is een macht, zoals de slaap ook een macht is
die over ons kan komen waartegen we niet bestand zijn.
Zo is de dood een macht die over ons komt en ons meeneemt,
Waartegen we niet bestand zijn, als een vijand die ons mee wil roven.
Maar… maar … houdt Paulus ons voor:
aan die macht komt er een einde, zoals er aan de macht van de slaap een einde komt,
omdat God ons wekt.
Dat is de troost die Paulus heeft.

Daarom kan Paulus tegen de gemeenteleden in Thessalonica zeggen:
weest niet bedroefd!
Het is een mooie, bemoedigende tekst, maar tegelijkertijd ook een scherpe tekst
waarmee we zo maar nog niet klaar zijn:
Maar ik wil niet, broeders, dat u onwetend bent ten aanzien van hen die ontslapen zijn,
opdat u niet bedroefd bent, zoals degenen die geen hoop hebben
.
Degenen die geen hoop hebben, die hebben reden om bedroefd te zijn.
Paulus verwijst daarmee naar de opvoeding die zijn gemeenteleden in Thessalonica hebben gehad.
Bijna iedereen in die gemeente was opgegroeid in een ander geloof,
ook met andere gedachten over wat er na de dood gebeurt
dan wat Paulus hen voorgehouden had.
Ze waren opgegroeid met een geloof, waarbij degenen die overleden waren
naar het dodenrijk gingen en vandaar niet meer terug konden komen.
De overledenen kwamen niet meer terug, bleven in het rijk van de dood als gevangenen.
Dat geloof was hen van jongsaf aan bijgebracht.
Maar toen kwam Paulus en vertelde hun een heel ander verhaal
over een God die Zijn Zoon naar de aarde zond,
die aan het kruis stierf vanwege de zonden
en de straf van de zonde droeg en daarmee ook de oorzaak van de dood wegdroeg.
Deze Jezus werd door God uit het graf geroepen,
waarmee God liet zien: de macht van de zonde én de macht van de dood is gebroken.
Ze gingen inzien dat hun eigen goden dood zijn
en de verhalen niet kloppen.

Paulus zal hen vast verteld hebben wat er in Jesaja 44 staat.
Op een aantal Bijbelkringen is dit hoofdstuk al aan de orde gekomen.
Je hebt iemand die een stuk hout heeft.
Dat stuk hout breekt hij in tweeën.
Met het ene stuk steekt hij de kachel aan en van het andere stuk maakt hij een beeld van zijn god.
Met zulke verhalen zijn ze opgegroeid, in zulke goden hebben ze geloofd
totdat ze de verhalen en de boodschap van Paulus hoorden
en ze gingen in Jezus geloven.
In Jezus die aan het kruis voor hen gestorven was, voor hun zonden, voor hun schuld.
Maar ze wisten ook: Hij komt eens terug!
Ze hadden Paulus er vol enthousiasme over horen vertellen:
over de grote dag van Christus’ wederkomst.
Dat sloeg over op de gemeente, ze keken naar die dag uit!
Ze zullen er over gezongen hebben, ze zullen er met elkaar over gesproken hebben.
Ik kom dat ook hier in de gemeente tegen,
het uitzien naar die dag, de dag dat Christus zal wederkomen.
O welk een dag zal dat wezen!
Mooi is dat , als dat met elkaar gedeeld wordt,
als je met elkaar naar die dag uitziet, naar de ontmoeting met de Heere.
Want daar ging het de gemeenteleden in Thessalonica om.
Ze hadden al zoveel over Christus gehoord!
Ze wilden bij Hem zijn!
De dag dat Christus terugkomt, zal de dag zijn waarop ze hun Heer mogen ontmoeten,
dat ze aan Zijn voeten mogen neerknielen, uit eerbied en overgave,
uit liefde en dankbaarheid: Heer, hier zijn we. We zijn van U! Dankzij Uw genade!
Gemeente, dat houdt ons een spiegel voor.
Hoe kijkt u naar die dag uit? Houd u daar ook rekening mee
en dan niet uit angst, maar uit verlangen?

Maar ze merkten nog wel, dat ze op aarde leefden.
Dat ze nog niet bij Christus zijn.
Want er waren gemeenteleden, die hen heel dierbaar zijn,
die ze moesten begraven.
Hoe zit dat dan met hen? Zouden zij die grote dag meemaken?
Of zou die dag, van de ontmoeting met de Heere, aan hen voorbij gaan
omdat ze nog gevangen zijn in het dodenrijk,
omdat de dood hen niet wil laten gaan?
Nee, zegt Paulus, de dood heeft een einde,
want Christus kwam uit de dood, zo zullen allen uit de dood komen
die van Christus zijn.
Troost elkaar met deze woorden.
Gemeente, dat mogen we tegen elkaar zeggen
als we aan het graf staan:
de dood is hard en ruw, maar de dood heeft niet het laatste woord.
Wij zaaien het lichaam in de aarde
en vertrouwen het daarmee toe in de handen van de levende God
in de verwachting van de opstanding op de Jongste Dag!

Gemeente, dat is de troost.
Maar je kunt ook die troost missen, zegt Paulus.
Wie niet in die verwachting leeft om later bij de Heere te zijn,
die heeft geen troost.
Die heeft als de dood komt alleen het gevoel
dat de dood een sterke golf is die alles stukslaat en veel kostbaars meesleurt
en niets prijsgeeft.
Natuurlijk, je kunt elkaar dan wel proberen te troosten, als achterblijvers.
Dat gebeurt vaak, bijvoorbeeld in de songs van Marco Borsato:

Afscheid nemen bestaat niet
Ik ga wel weg maar verlaat je niet
Lief, je moet me geloven
Al doet het pijn…

Ik wil dat je me los laat
En dat je morgen weer verder gaat
Maar als je eenzaam of bang bent
Zal ik er zijn..

Kom als de wind die je voelt en de regen
Volg wat je doet als het licht van de maan
Zoek me in alles dan kom je me tegen
Fluister mijn naam,
en ik kom eraan

Zie, wat onzichtbaar is
Wat je gelooft is waar
Open je ogen maar
En, dan zal ik bij je zijn
Alles wat jij moet doen
Is mij op m’n woord geloven

Afscheid nemen bestaat niet

Was dat maar waar, dat afscheid nemen niet bestaat.
Je kunt elkaar nog zo troosten met deze woorden en ze maken vaak indruk,
maar waar zijn ze niet,
want er is wel degelijk een afscheid.
Die grens komt – onherroepelijk, voor iedereen.
We kunnen met elkaar ons zo druk maken over het leven voor die grens,
dat korte stukje,
terwijl we soms die eeuwigheid uit het oog verliezen.

Paulus spreekt hier trouwens niet over de eeuwigheid en ook niet over de hemel.
Ik denk dat hij dat bewust doet.
Niet omdat hij er niet in gelooft, maar omdat dat niet de kern is van het leven na de dood.
De kern is niet het eeuwige, niet het paradijselijke.
De kern, het mooie, de troost: is dat we van Hem zijn en bij Hem zijn,
onze Heere, dat onze Heere ons ophaalt en meeneemt naar Zijn heerlijkheid
om bij Hem te zijn.
Gemeente, dat is de troost, de enige troost in leven en sterven: van Hem te zijn.
De hemel is mooi om naar uit te kijken, omdat Hij, Christus onze Heer er is.
De eeuwigheid zal nooit vervelen en is om naar te verlangen
omdat we dan nooit meer gescheiden zullen zijn van onze Heer
en voor altijd bij Hem mogen zijn.
Een hemel zonder God – ze is er niet en al zou die er zijn, zou een lege troosteloze hemel zijn,
Waar we hooguit schimmen zijn, gevangen in de macht van de dood.
Maar omdat Christus de levende is en onze God de levende God
zal er een dag komen, waarop de dood allen moet laten gaan
die van Hem zijn, die geleefd hebben, die gestorven zijn in dat geloof.
Gemeente, troost elkaar met deze woorden,
zodat we met elkaar naar onze Heer verlangen, die in de dood geweest is, voor ons
om ons thuis te halen, om ons voor eeuwig bij Hem te laten zijn.

Jezus leeft en ik met Hem!
Dood waar is uw schrik gebleven?
Hem behoor ik en zijn stem
roept ook mij straks tot het leven,
opdat ik zijn licht aanschouw,-
dit is al waar ik op bouw

Amen