Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Op 7 oktober 1938 verschijnt er voor het eerst bij De Reformatie, een weekblad dat door Klaas Schilder wordt gerund, een bijlage van acht pagina’s over de Heidelbergse Catechismus. Schilder bedoelde dat als een groots project, dat twintig jaar in beslag zou nemen en in tien delen zou uitkomen. In augustus kwam het project stil te liggen vanwege het publicatieverbod dat Schilder van de Duitsers opgelegd kreeg. Na de oorlog kon de publicatie niet direct ter hand genomen worden, omdat het papier nog erg schaars was.

Zeven jaar lag het project stil. In die zeven jaar was heel wat gebeurd. Zoals vier oorlogsjaren en de voor Klaas Schilder traumatische ervaring van een kerkscheuring, waarbij hij buiten de Gereformeerde Kerken kwam te staan. Op het moment dat Schilder zijn werk met de Heidelbergse Catechismus weer oppakt, is het commentaar tot en met zondag 6 afgerond. Uiteindelijk zullen er vieren delen komen en is bij het overlijden van Schilder enkele jaren later de uitleg van zondag 10 nog niet afgerond.

Schilder vindt het voor de kerk nodig dat er een goede uitleg van de Heidelbergse Catechismus verschijnt. Hij gaat niet mee in het onderscheid dat Kuyper maakt tussen confessie en catechismus. Volgens Kuyper is de confessie binnenkerkelijk te gebruiken en de catechismus voor buiten de kerk.

Goede kennis van de belijdenis – en dus ook van de Heidelbergse Catechismus – is nodig om in begripsmatig opzicht onderscheid te maken tussen wat goed en kwaad is. Discretie noemt Schilder dat en hij ontleent deze term aan artikel 8 van de Dordtse Kerkorde. Discretie is nodig om de inhoud van het kerkelijk geloof en de kerkelijke belijdenis te kunnen onderscheiden van die van secten en ongelovigen. De publicatie van dit commentaar op deze catechismus staat in het teken van dit onderscheid maken, deze discretie.

Ook als het gaat om troost – de inzet van de Heidelbergse Catechismus – is deze discretie nodig, vindt Schilder. Dat lijkt een vreemde gedachte, want troost lijkt toch eerst iets van het gemoed en discretie lijkt meer iets van het verstand te zijn. Troost is echter meer dan een in het gemoed geraakt zijn. Om troost te kunnen ontdekken is het ook nodig om met het verstand onderscheid te maken tussen wat waar is en wat niet.

De gedachte dat troost vooral iets van het gemoed is, heeft voor Schilder iets positiefs: door dit bezwaar in te brengen, laat men zien dat men niet vatbaar is voor het rationalisme. Het rationalisme is een doorgeschoten gebruik van het verstand. In het rationalisme wordt de menselijke rede als enige kenbron gezien (en heeft de openbaring geen enkele mogelijkheid om een rol te spelen in het opdoen van kennis). Het probleem van dit rationalisme is voor Schilder dat het zich losgemaakt heeft van God en autonoom wil zijn ten opzichte van God.

In verzet tegen het rationalisme moet men echter niet doorschieten in het andere uiterste, waarbij het verstand buiten werking wordt gesteld en de menselijke rede geen enkele rol mag spelen. De rede blijft nodig om onderscheid te kunnen maken tussen wat waar is en wat niet. Volgens Ursinus is er om troost te kunnen ontdekken consideratie en ratiocinatie nodig. Consideratie betekent (aandachtige) overweging. Ratiocinatie betekent sluitrede, syllogisme. Ratiocinatie – een sluitrede, een syllogisme dus – maakt gebruik van wat reeds voorhanden is. Een sluitrede verzint die gegevens niet zelf; die gegevens zijn er al. Net zoals de posten debet en credit niet door een boekhouder (ratiocinatie) verzonnen zijn, maar reeds voorhanden zijn. Ratiocinatie is geen rationalisme, maar gaat de confrontatie aan tussen twee werkelijkheden: de werkelijkheid van het geloof en die van het ongeloof. Deze twee werkelijkheden bestaan. Met discretie worden deze twee werkelijkheden tegen elkaar afgewogen.

Een voorbeeld van zo’n discretie met behulp van een syllogisme kunnen we vinden in Prediker 7:25 en 27. In zijn eerste periode maakte hij zijn afwegingen op basis van zijn eigen ervaringen. In zijn tweede periode maakte hij zijn afwegingen op basis van Gods openbaringswoord. De eerste afweging stond in dienst van de zonde. De tweede afweging stond in dienst van God. Het tweede gebruik is goed gebruik van het syllogisme.

Het christelijk geloof dat gebaseerd is op Gods openbaringswoord heeft meer kennis dan de filosofie die gebaseerd is op menselijke ervaring en afweging. Filosofie kent niet de wet van God, die de menselijke ellende aanwijst. Filosofie heeft ook geen weet van het evangelie en kan daarom geen troost bieden. Omdat de kerk wel én de wet én het evangelie heeft, kan de kerk wel troost aanbieden. Dit verschil tussen filosofie (gestoeld op menselijke ervaring en gedachten) en kerkelijke belijdenis (gestoeld op Gods openbaringswoord) mag niet uit het oog worden verloren. Er is een christelijke logica nodig (zoals D.H.Th. Vollenhoven voorstelde); algemene logica houdt geen rekening met de zondeval.

Ursinus, degene die het meest heeft bijgedragen aan de Heidelbergse Catechismus, gaat van dit onderscheid tussen filofosie en kerkelijke belijdenis uit. Schilder kan niet in alles Ursinus volgen. Hij vindt dat Ursinus een onderscheid zou moeten maken tussen natuurlijke theologie en openbaring. Hij valt daar Ursinus niet te hard op aan, omdat de gereformeerde theologie in die tijd nog in de kinderschoenen staat en niet alle onderscheidingen al helder heeft. Kuyper heeft Ursinus op dit punt terecht gecorrigeerd in zijn E Voto dordraceno. Alleen voerde hij weer een verkeerde visie in: de algemene genade (gemeene gratie). Zie: hier.

Mogelijk heeft Ursinus gedacht aan De troost van de filosofie van Boëthius. Er zijn behoorlijke verschillen tussen de Catechismus en dit werk van Boëthius. Boëthius schreef voor geleerde mensen; de Catechismus is voor gewone mensen, werklui, kinderen bedoeld. Boëthius gaf de heidense filosofen teveel stem; de Catechismus ontzegde die ruimte terecht aan de heidense filosofen. Boëthius maakt een onderscheid tussen theorie en praktijk. Theorie is contemplatie en de praktijk is het actieve, concrete leven. Bij dat onderscheid is de contemplatie belangrijker dan het actieve, concrete leven. De Heidelbergse Catechismus maakt dat onderscheid niet en ziet theorie en praktijk gelijkwaardig. Theorie en praktijk staan in elkaars dienst en helpen elkaar. Discretie tussen filosofie, gestoeld op heidense kennis, en christelijk geloof, gestoeld op geopenbaarde kennis, is niet alleen noodzakelijk, maar heeft ook betekenis voor het actieve, concrete leven.

N.a.v. dr. K. Schilder, De Heidelbergsche Catechismus, deel I (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1949) 1-14 (§ 1)

De tovenaar en de dominee – boekbespreking

De tovenaar en de dominee – boekbespreking

Sinds het lezen van De tovenaar en de dominee probeer ik te begrijpen, waarom ik Vreekamp niet begrijp. Vreekamp maakt het zijn lezers niet gemakkelijk. Het boek gaat over Vreekamps (voor)geschiedenis, maar ook over de verschijning van God in onze contreien. Is God er nog wel en waar dan?
Waar is Vreekamp zelf te plaatsen? Hij is afkomstig van de Veluwe, uit Hoevelaken. In contact met Joden kwam hij erachter wat het betekende om van de Veluwe te komen. Die ontmoeting was voor hem een existentiële ervaring, waardoor hij zijn theologie en zijn biografie opnieuw ging doordenken. Vreekamp ontdekte dat hij heiden was. 
Helemaal nieuw was die ontdekking niet. Onze heidense afkomst is ook een thema, dat Van Ruler (leermeester van Vreekamp) bezig hield. De Veluwse vroomheid werd volgens Van Ruler gestempeld door het heidendom. Het heidendom is van zichzelf zwaarmoedig.
Vreekamp heeft meer geleerd van Van Ruler. Ook al staat Van Ruler bekend als systematisch theoloog, zijn denken is niet vrij van spanningen en tegenstrijdigheden. Van Ruler is naar mijn idee veel meer een fenomenoloog: hij bestudeert verschijnselen zoals ze zich voordoen. Van Ruler was niet bezig met een systeem. Sterker nog: Th.L. Haitjema, de leermeester van Van Ruler, vond dat de mens kan alleen in paradoxen  over God kon spreken en niet in afgeronde systemen.
Vreekamp is wel fragmentarischer in  zijn denken. Dat heeft te maken met (1) het ontstellende feit van de Shoah en (2) een gedachte die voor Vreekamp heel fundamenteel is: dat we als mens geen beslag op God kunnen leggen. Van Ruler sprak over de betekenis van Israël. Vreekamp waagde zich in een ontmoeting met Israël. Van Ruler kon nog lyrisch zijn over de Europese cultuur als resultaat van het werk van de Heilige Geest. Vreekamp zegt een Jood na, dat het christendom stierf in Auschwitz. Daarom kan Vreekamp ook Van Rulers denken over de herkerstening niet overnemen. Van Ruler was dankbaar dat Willibrord kwam, want hij bracht een fundamentele verandering. Vreekamp kan zijn leermeester dat niet nazeggen, want wat door de zendelingen werd gebracht was niet bij machte om ons als heidenen te transformeren. Wij bleven heidenen. God verschijnt wel met de zendelingen, maar vestigt Hij zich hier ook?
De vraag naar zijn eigen afkomst en naar de herkomst van God hangen samen. Het boek gaat niet alleen over zijn eigen biografie, maar ook over de verschijning van God. Kunnen we aangeven waar God verschijnt? In bijzondere ervaringen of visioenen? In de bevindelijke prediking?  In opwekkingen? In toverkunsten? Kunnen we in een tijd van secularisatie zeggen dat God verdwijnt;  bijvoorbeeld uit Jorwerd? Het boek lezend neig ik ertoe te zeggen: doch de HEERE was daarin niet. In de genoemde verschijnselen wordt uiteindelijk toch beslag op God gelegd. God verschijnt uiteindelijk alleen in de Schrift, zoals deze wordt gelezen in het ritme van het kerkelijk jaar (en dus vrij van willekeur) en tijdens de maaltijd des Heren. Maar ook in dat Woord verdwijnt God uiteindelijk en wordt een mens: Jezus Christus.  In het avondmaal verschijnt Christus, maar als onze ogen open gaan voor de Levende, voor de Schriften, verdwijnt Hij.  Hij gaat verder. Ongrijpbaar voor mensenhanden. Het is om wanhopig van te worden. Onttrekt Hij zich aan onze waarneming? In ieder geval wel aan onze macht.
Nadat Haitjema zijn paradoxale theologie introduceerde, werd hij scherp bekritiseerd door de gereformeerde predikant Klaas Schilder.  Zo’n theologie vind hij onaanvaardbaar, omdat de paradoxale verschijning van God veronderstelt dat God zelf paradoxaal is. Men heeft –  volgens Schilder –  moeite met  Zijn verschijning (immanentie). Proef ik bij Vreekamp die moeite ook?
Een paradoxale theologie is ook in strijd met de waarheid, want er ontbreekt een deugdelijk criterium. De mythe is waar, volgens Vreekamp. Daar zit voor mij het grootste bezwaar. Want hoe kan Vreekamp dat zeggen? Is de waarheid niet alleen bij de God van Israël te vinden? Als er waarheid is in de mythen, waarom moest het evangelie bij ons komen? Is het evangelie niet een bevrijding van de mythe? Had de mythe over zijn overgrootvader (van wie gezegd werd dat hij tovenaar was) niet ontmaskerd moeten worden? Want wanneer komt dat verhaal de wereld in? Als zijn vrouw op jonge leeftijd overlijdt. De mythe is een roddel, die deze overgrootvader buiten de gemeenschap plaatst.
De waarheid van dit boek is gebaseerd op ervaring. Die waarheid staat echter op gespannen voet met de historische waarheid. Wij zijn geen heidenen. Dat is een uitgevonden traditie in de 19e eeuw. Soms ook met een anti-christelijk motief.
Staat ook de theologische waarheid in dit boek niet onder spanning? Want als God ergens verschijnt, blijft het dan bij het oude? Onderschat Vreekamp uiteindelijk niet de doop? Bij de doop wordt wel de naam van de Vader, de Zoon en de Heilige Geest over ons leven uitgesproken. In de doop worden we niet gekerstend. Dat is nog een te onschuldige visie op de doop. De doop markeert onze exodus. Niet uit het heidense bestaan, maar uit het zondige bestaan. Volgens Paulus zijn zowel Jood als niet-Jood aan dit bestaan onderworpen.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Henk Vreekamp, De tovenaar en de dominee. Over de verschijning van God. Uitgeverij Boekencentrum. € 19,90 (Als e-book  € 14,90)

Geschreven voor Confessioneel

K. Schilder – Wat is de hel (1e en 2e druk, 1919/1920)

K. Schilder, Wat is de hel? (19191, 19202)

De context
Op 1 mei 1919 houdt Schilder een lezing over Wat is de hel? Hij was niet van plan de lezing te publiceren. Anders had hij voor een andere opzet gekozen. Van verschillende kanten werd hij echter benaderd met de vraag, of zij de lezing nog eens op hun gemak kunnen doorlezen. Dit verzoek kan bepaalde betekenissen hebben: (1) de lezing heeft indruk gemaakt, (2) de lezing was bij eerste gehoor niet te begrijpen, (3) men heeft het verslag in de krant gelezen en is benieuwd naar wat er is gezegd.
Schilders biograaf J.C.C. Dee meldt (zonder onderbouwing), dat de ‘directe aanleiding voor de toespraak ‘Wat is de hel?’ waaruit het boekje onder dezelfde titel is ontstaan, is de rede geweest die de jonge  sociaal-democraat Koos Vorrink op de eerste 1-meidag na de november-revolutie van 1918 te Vlaardingen hield’[1]. Naar mijn idee kan dat niet, omdat Schilder en Vorrink hun rede en lezing op dezelfde dag hebben moeten gehouden. Bovendien verwijst Schilder op geen enkele manier deze gebeurtenis en heeft zijn lezing geen politieke ondertoon. Het thema heeft Schilder wel na aan het hart gelegen, omdat hij in andere publicaties ook over dit thema spreekt.

Levend in een apocalyptische tijd
Het ontstaan van de lezing heeft naar mijn idee meer te maken met het gevoel te leven in aan apocalyptische tijd. Voor deze apocalyptische stemming zijn vele publicaties aan te wijzen. Een van de meest bekende uit die tijd is die van Oswald Spengler, Untergang des Abendlands (1918-1923).
Van Schilder zijn uit deze periode 9 preken bewaard gebleven. Deze preken hebben (naar mijn overtuiging) een niet-gebruikelijke tekstkeuze.[2] Op basis van de titels en preekteksten[3] kan al worden vastgesteld, dat de thema’s satan, hel en het lot van de ongelovigen een plaats hebben[4].
Hij voelt zich betrokken in de strijd tegen het Beest: zijn taak is het om de kudde bij elkaar te houden, terwijl hij in zijn kerk ziet dat mensen afhaken (‘den grooten afval ziet in de gemeente van Christus’) en een gebrek aan trouw hebben.[5] Heeft hij het idee gehad dat hij in de eindtijd leefde?
Het thema speelt ook breder in de Gereformeerde Kerken van die tijd. Over het thema satan, antichrist en hel verschijnen in die tijd: een proefschrift aan de VU van M.J. van der Westhuizen over De antichrist in het Nieuwe Testament. Een exegetische studie (1916), V. Hepp, De antichrist (1919). Buiten de Gereformeerde Kerken: een publicatie van Johannes de Heer over De antichrist in zijn drievuldige openbaring (geschat op 1922), Een publicatie van de hervormde theoloog en oud-leerling van Kuyper A.H. de Hartog: Wie is godloochenaar? (1922).
In de filosofie was het thema van de Antichrist bekend, o.a. door Nietzsches publicatie hierover. In de eerste twee delen wordt niets over Nietzsche gezegd.
Nemen we het thema duizendjarig rijk en chiliasme erbij, dan krijgen we: Schilders brochure tegen de Darbisten, J. Waterink, Het chiliasme (‘duizendjarig rijk’) (1918), Het conflict in 1920 in de CGK rondom de  preek van A.M. Berkhoff over Opb. 20 en zijn latere publicatie De Christusregeering (1929). In 1930 volgt een publicatie van L. Holtriger. In de jaren’-30 blijft dit een heikel thema met publicaties van Joh. de Heer, Wm. Masselink, K. Dijk, H. Veldkamp.

Samenvatting van Wat is de hel?
Schilder begon zijn lezing met de vraag, wat de moderne mens zou antwoorden op deze vraag. De moderne mens zegt: ik geloof niet aan de hel. Geloof is projectie en de hel is alleen uitgevonden door bedriegers, zodat het gewone volk desondanks zou geloven in een godheid. Ook de occulte stromingen ontkennen het bestaan van de hel.
Daar tegenover laat Schilder zijn dat er een kentering is. Hij gebruikt daarvoor de literatuur en boeken van andersdenkenden. In Strindbergs Totentanz gelooft Kurt in de hel, omdat hij er middenin zit. Vrijzinnige theologen sluiten het bestaan van een hel niet meer uit.
Het verzet tegen de hel is ook veroorzaakt door de kerk. Officieel heeft de kerk zich er nooit over uitgelaten. Maar er waren wel fantasieën over de hel, terwijl de bijbel spaarzaam spreekt. Vervolgens wil Schilder dat laten zien aan de hand van de bijbel. In feite blijkt dit gedeelte een weergave te zijn van de gereformeerde visie, ondersteund met enkele bijbelgedeelten: de band tussen mensen en geesten, de oorsprong van de hel, de lokaliteit van de hel, het gebruik van beeldspraak, gradatie in de hel. De hel is niet alleen chaos, maar ook kosmos.[6]
Na de behandeling van het bijbelse spreken staat hij stil bij de actualiteit van het thema. Hij laat zien, dat het spiritisme en de theosofie elementen van de vergeldingsleer bevatten. In het spiritisme komt de plaatselijke gebondenheid van kwade geestelijke energieën voor, het geloof in de onsterfelijkheid van de ziel en het geloof dat het zedelijk leven hier een effect heeft op een leven in het hiernamaals. De theosofie raakt aan het thema van de hel, omdat men uitgaat van reïncarnatie, de sterfelijke ziel en de invloed van het leven hier op het leven in het hiernamaals. De theosofie gaat echter niet uit van een eeuwige straf. Zowel het spiritisme als de theosofie zijn ten opzichte van het bijbelse geloof volgens Schilder halfslachtig en tegenstrijdig.
Vervolgens gaat Schilder in op de bezwaren tegen het afreizen naar de hel. Sinds het copernicaanse wereldbeeld is de hel niet meer te lokaliseren. De vraag of er leven elders is, dat ook door de zonde is aangetast zinkt in het niet bij het existentiële probleem van de eigen zonde. God moet niet met menselijke maatstaven gemeten worden, aldus citaat van de vrijzinnige theoloog Girgensohn – en Schilder stemt met hem van harte in. Ook de wederherstelling van alle dingen is minder mooi dan deze theorie lijkt. Gods toorn maakt dan meer indruk dan Zijn liefde. Terwijl het leerstuk over de hel uiteindelijk een leerstuk over Gods liefde en verzoening in Christus is.
Schilder komt tot de conclusie dat er gekozen moet worden: tussen een bijbels geloof in de hel of het dicht laten van de bijbel. En daarmee ook tussen het erkennen van het bestaan van een hel of het ontkennen ervan.
Al in dit geschrift heeft Schilder kritiek op de eigen kerkelijke traditie. De kerk heeft zich nooit uitgesproken over de hel, maar wel voor een bepaalde karikatuur gezorgd. Deze karikatuur heeft de spotlust opgewekt en ertoe geleid, dat anderen afscheid namen van het idee van een hel.
Dee geeft in zijn biografie van Schilder terecht aan, dat de uitbreidingen in de tweede druk te maken hebben met Dante, het occultisme en de invoeging van Kierkegaard op een aantal plaatsen. Hij geeft daar geen duiding aan.
Vragen die nog nader onderzocht zullen worden: hoe worden Dantes De Hel en J.W. von Goethes Faust in die tijd gewaardeerd?
In de derde druk (1932) het boek nog meer uitgebreid. Een analyse volgt nog.

In gesprek met de moderne mens
De moderne mens, is een mens die onderdeel is van een grotere wereld. Schilder spreekt over de ‘modernen wereldmensch onzer dagen’.
In Wat is de hel? geeft Schilder enkele beschrijvingen van de moderne cultuur: het is een hypercultuur. Het materialisme, dat de cultuur in zijn greep hield, is voorbij. Het einde van dat materialisme wordt als een bevrijding gezien. Er komt daardoor ruimte voor occultisme, het spiritisme en theosofie. Daarnaast is er volop pessimisme, want de moderne mens gelooft dat hij in een hel terechtgekomen is: een grauwe wereld. Daarom is het thema ‘hel’ actueel. Deze tijd (1919) is bij uitstek de tijd om het over de hel te hebben, omdat hij zijn eigen tijd als een demonische tijd ziet.
Tegelijkertijd geeft Schilder aan, dat al deze stromingen het demonische ten diepste niet hebben gepeild. De tijd is ‘duizendmaal schrikkelijker’, omdat deze cultuur van zonde en bestialiteit niet in het hiernamaals stopt.
Schilder zet zijn lezing in met de vraag, hoe de moderne mens over dit thema denkt. Daarnaast wil hij wil zijn publiek helpen om met deze moderne mens in gesprek te zijn. Tenslotte blijkt hij zelf ook in de lezing gesprek te zijn met de moderne mens.
De manier waarop Schilder over de moderne mens spreekt en zich richt tot deze mens, doet vermoeden, dat Schilder zichzelf niet als modern ziet. Hij is wel van mening, dat de gereformeerde traditie en vooral de Schrift een antwoord heeft op de moderne crisis. De Schrift heeft alles dieper gezien dan de moderne mens.

M.J. Schuurman


[1] J.C.C. Dee, Klaas Schilder: zijn leven en werk. Deel I (1880-1934), p. 304 n85.

[2] Deze bewering moet nog uitgezocht worden. In ieder geval kan worden gezegd, dat er in de meeste teksten wel sprake is van een bepaalde (ook eeuwige) consequentie van de daden.

[3] De preken gaan over 1 Kon. 16:34 (‘Jericho door Hiël gebouwd’), Matteüs 2:17-18 (‘Het wenen van Rachel’), Matteüs 8:28-32 (‘De bezetene van Gadara’), Marcus 3:17 (‘De naamgeving Boanerges’), Marcus 6:27, 29 (‘De onthoofding van Johannes de Doper’), 1 Petrus 4:17 (‘Het oordeel begint bij het huis Gods’), Openbaring 12:7-8 (‘Michaël tegen den draak’)

[4] Dat de lot van de gelovigen en de ongelovigen in die tijd speelde, blijkt uit de K. Dijks dissertatie over het infra- en supralapsarisme (1912) en zijn latere boek over de predestinatie (Om ’t eeuwig welbehagen, 1924)

[5] Dee, Klaas Schilder, p. 82-83.

[6] Speelt hier op de achtergrond het boek van H. Gunkel (Schöpfung und Chaos in Urzeit und Endzeit : eine religionsgeschichtliche Untersuchung über Gen. 1 und Ap. Joh. 12, 1895) mee? Dat moet nog uitgezocht worden.

Vraagstelling mbt prof. dr. Klaas Schilder

Vraagstelling
Klaas Schilder opereerde als theoloog in de context van de moderniteit. In dit onderzoek wil ik nagaan op welke manier Schilder geworteld is in de moderniteit. Onderzocht wordt op welke manier Schilder is beïnvloed door de moderniteit. Ook wordt onderzocht op welke manier hij zich kritisch verhield met de moderniteit.
Dit onderzoek van Klaas Schilder als theoloog in de moderniteit wordt geconcentreerd op zijn gesprek met de “moderne mens”. Schilder is in zijn werk voortdurend in gesprek met deze moderne mens. Welke rol speelt deze moderne mens in het werk van Schilder? Wat zijn volgens hem zijn kenmerken? Wie is die moderne mens? Welke bronnen gebruikt hij om de moderne mens in het vizier te krijgen? Heeft Schilder zich herkend in die moderne mens? Was die moderne mens ook te vinden binnen de Gereformeerde Kerken van zijn tijd.
Schilder gaat het gesprek aan met deze moderne mens. Hoe voert hij dat gesprek? Op welke manier tracht hij die moderne mens te bereiken? Welke theologische thema’s spelen een rol in dat gesprek? Welke theologische thema’s worden niet in dat gesprek ingebracht? In hoeverre is zijn theologiseren bepaald door de moderniteit?
In het gesprek wordt de moderne mens ook gecorrigeerd. Wat wordt er bij de moderne mens gecorrigeerd? En op basis waarvan doet Schilder dat?
Schilder was als theoloog werkzaam binnen de Gereformeerde Kerken. Op welke manier heeft zijn gesprek met de moderniteit zijn positie binnen deze kerken bepaald? Hoe reageerde men binnen deze kerken op het theologiseren van Schilder? Op welke manier verhoudt hij zich tot de gereformeerde traditie?

Matthijs Schuurman

Belang van prof. dr. Klaas Schilder

Onderzoek
Sinds enkele maanden ben ik bezig met een onderzoek naar de theologie van prof. dr. Klaas Schilder (1890-1952). Dit onderzoek heb ik deze werktitel gegeven: Modern theoloog in een ‘veelszins andere tijd’. Het theologisch antwoord van Klaas Schilder op de crisis van zijn tijd.
In mijn onderzoek wil ik laten zien, dat Schilder een theoloog was, die volop in de moderniteit stond en die tegelijkertijd een gereformeerd antwoord wilde geven op die moderniteit.
Schilder is mijns inziens een theoloog, die vandaag de dag ten onrechte is vergeten. De moderniteit waarin Schilder leefde, was niet een heel andere tijd dan de onze. Omdat hij haast vergeten is, is ook vergeten dat zijn theologisch antwoord velen heeft geboeid. Hij heeft velen weten te behouden voor de Gereformeerde Kerke in Nederland en voor de gereformeerde traditie. De tijd waarin Schilder leefde, was een zeer onrustige tijd. Er stond veel op het spel in kerk en maatschappij.

Het belang van Schilder
Schilder is vergeten, omdat door de Vrijmaking buiten de Gereformeerde Kerken in Nederland terechtkwam. Het afzetten van Schilder heeft een groot trauma veroorzaakt. Zo gaat Berkouwer in zijn Dogmatische Studiën nauwelijks in op de theologie van Schilder. Terwijl er op veel terreinen een discussie mogelijk is: algemene openbaring, voorzienigheid, uitverkiezing.
Dat Schilder vergeten is, is te zien aan de uitgave van het werk van de grote hervormde theologen Noordmans, Miskotte en Van Ruler. Zeker in de annotatie van het Verzameld Werk van Van Ruler had Schilder vaker gezien de thematieken genoemd kunnen en moeten worden. Op deze manier ontstaat bovendien een onterecht beeld van de beide kerken in die tijd: alsof hervormde en gereformeerde theologen niet van elkaars werk op de hoogte waren. Wie zowel gereformeerde als hervormde theologen leest, weet wel beter.

Klaas Schilder en zijn theologie zijn vandaag de dag belangrijk:
Hij liet zien dat het mogelijk is om vanuit de gereformeerde traditie het mogelijk is om een originele theologie te bieden, die zowel insiders van deze traditie als buitenstaanders geboeid heeft.
De aantrekkingskracht zat in een aantal dingen: (a) de existentiële betrokkenheid, die tot uiting kwam in een bepaalde felheid, (b) zijn grote kennis van literatuur en filosofie (in een tijd waarin de Gereformeerden zich behoorlijk aan het emanciperen waren), (c) de robuustheid van zijn theologie, die tot uiting kwam in thema’s als hel, dubbele predestinatie, voorzienigheid.
Feitelijk gezien behoort Schilder tot de geschiedenis van de Protestantse Kerk in Nederland. Pas in 1944, acht jaar voor zijn dood, werd hij geschorst. De Protestantse Kerk in Nederland is een jonge kerk, die verschillende tradities in zich draagt. Naar mijn idee laat de Protestantse Kerk in Nederland teveel de theologische erfenis van de Gereformeerde Kerken in Nederland liggen.
Nu Noordmans, Miskotte en Van Ruler weer bestudeerd worden, dient er tegelijkertijd ook weer aandacht te komen voor theologen als Schilder en Berkouwer: juist vanuit het belang van een stevig theologisch fundament onder de Protestantse Kerk in Nederland. De nieuwe kerk moet ook recht doen aan de tradities waaruit zij is gevormd en niet teveel één bepaalde traditie, zoals de hervormde, laten overheersen.

Levensloop Klaas Schilder
Klaas Schilder wordt in 1890 geboren in Kampen in een eenvoudig gezin. Hij wordt hervormd gedoopt. Als hij 6 jaar is, overlijdt zijn vader en zijn moeder wordt lid van de Gereformeerde Kerk in Kampen. Schilder mag doorleren aan het Gereformeerd Gymnasium en studeert van 1909 tot 1914 in aan de Theologische School. De Gereformeerde Kerken van die tijd kenden twee stromingen: A – de traditie van de Afscheiding, B – de traditie van de Doleantie. Schilder was afkomstig uit de traditie van de Afscheiding.
Hij wordt vanaf predikant in Ambt-Vollenhove A, Vlaardingen A, Gorinchem, Delft, Oegstgeest, Rotterdam-Delfshaven. Vanaf zijn tijd in Vlaardingen schrijft hij in kerkbodes. Door deze artikelen begint hij bekendheid te krijgen. Wanneer in 1920 De Reformatie wordt opgericht wordt hij medewerker en later redacteur. Na een aantal conflicten is hij in 1935 de hoofdredacteur. In Delft besluit hij dat hij wil gaan promoveren. Zijn oorspronkelijke plan is om te promoveren op een nieuwtestamentisch thema. Dit plan ondervindt moeilijkheden: (a) de kleine gemeente Oegstgeest blijkt geen tijd te bieden voor promotieonderzoek, (b) er is aan de VU een nieuw promotiereglement: Schilder moet eerst zijn doctoraal halen.
Het is in die tijd al bekend dat A.G. Honig als hoogleraar Dogmatiek te Kampen in 1934 met emeritaat gaat. Als Schilder voor die post in aanmerking wil komen, moet hij gepromoveerd zijn. In de gemeente Rotterdam-Delfshaven krijgt hij op voorspraak van zijn collega’s bijna anderhalf jaar studieverlof. Omdat hij net in conflict is met V. Hepp (hoogleraar Dogmatiek aan de VU) en Kampen nog geen promotierecht heeft, gaat hij naar het buitenland. Hij komt in Erlangen terecht. Zijn begeleider Herrigel raadt hem aan, na de geschriften van Schilder te hebben gelezen, om te promoveren op de paradox (1933). Naar eigen zeggen promoveert Schilder cum laude, maar daar is op de bul niets van te merken. Zijn promotor wil Schilder in Duitsland hoogleraar laten worden, maar Schilder gaat terug naar Nederland. Hij wordt inderdaad de opvolger van Honig in 1934.
In 1935 wordt hij hoofdredacteur van De Reformatie. Hij begint met een stevige aanval op prof. dr. H.H. Kuyper, zoon van Abraham Kuyper en de meest invloedrijke figuur van de Gereformeerde Kerken uit die tijd. Door zijn voortdurende polemieken maakt hij zich binnen de Gereformeerde Kerken steeds meer onmogelijk. Hij wordt in 1944 geschorst, mede vanwege de vele felle polemieken die Schilder voerde.
In 1940 wordt Schilder nationaal bekend als hij na de Duitse inval oproept om tot (innerlijk) verzet over te gaan en de situatie niet te accepteren. Daarmee kiest Schilder een andere houding dan veel andere toonaangevende personen uit de Gereformeerde Kerken (o.a. Colijn, H.H. Kuyper). Deze oproep is een belangrijke inspiratiebron voor het verzet.

De moderniteit – een onrustige tijd
Meestal wordt de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) gezien als een breuk tussen de 19e en de 20e eeuw. Dat is alleen terecht wanneer meegenomen wordt, dat veel ontwikkelingen zich al voor 1914 te zien waren.
Zo heeft de ondergangsstemming van na 1918 wortels in het fin de siècle (1880-1900). In deze tijd heerste een karakteristiek levensgevoel: de beschaving loopt op zijn eind. De cultuur raakt uitgeput. Men verwees hierbij naar de decadentie en de immoraliteit.
Bepaalde negentiende-eeuwse filosofen met kritiek op de gebruikelijke filosofie werden populair (Kierkegaard, Nietzsche, Vaihinger).
Voor de kerk was het geen gunstige tijd. De culturele elite (kunstenaars en schrijvers) hadden gebroken met de kerk en gingen op zoek naar andere inspiratiebronnen: esoterie, boeddhisme, spinozisme.
Na WO I was de overheersende tendens niet alleen pessimistisch. Er was ook een bepaald optimisme: de Amerikaanse president die overal op de wereld de democratie wilde brengen, een verdrag tussen Duitsland en Frankrijk (1925), de Duitse lutherse bisschop die in deze eeuw een nieuwe taak ziet voor de kerk (Das Jahrhundert der Kirche).

De ontwikkelingen in kunst en literatuur.
In het fin de siècle begint de kunstenaar autonoom te worden (de beweging van de Tachtigers). De kunst heeft geen didactisch doel meer. Dat hielden deze kunstenaars niet lang vol. De geïndividualiseerde kunst hield het niet. De meeste schrijvers gingen uiteindelijk op zoek naar een religieuze of ideologische inspiratiebron. Van Eeden en Van Deyssel werden uiteindelijk katholiek (evenals de schilder Jan Toorop), Gorter werd socialist. Het traditionele christendom en de calvinistische traditie hadden voor de culturele elite afgedaan. Men haalde liever de inspiratie uit het oosten om de vermoeide westerse cultuur van het fin de siècle nieuwe levensmoed te geven, zoals het boeddhisme (Augusta de Wit, Orpheus in de dessa, 1903, J.A. dèr Mouw). Het gevolg dat de westerse rationaliteit in literatuur en filosofie onder verdenking kwam te staan.
Daarnaast is er een tegenstrijdige ontwikkeling, namelijk een fascinatie voor de ontwikkeling van de westerse wetenschap en het doorzetten van het kolonialisme. Binnen de literatuur leidt dat tot veel ambivalentie ten opzichte van de eigen cultuur.
Het zijn niet meer de filosoof en de dominee die de waarheid bepalen, maar de wetenschapper en de dichter die de waarheid het beste kunnen kennen. De wetenschapper door zijn wetenschappelijk instrumentarium, de dichter door zijn sensitiviteit voor de dingen.
Deze ambivalentie tussen optimisme en pessimisme, afkeer en fascinatie met betrekking tot de eigen cultuur, zal ertoe hebben geleid dat velen het de gebruikelijke logica afwezen en zich op de paradox stortten.

Een nieuwe kijk op de literatuur na 1918
In 2006 publiceerde Ewout Kieft een studie over de polemiek tussen Menno ter Braak en Anton van Duinkerken.[1] Voor mij betekende dat in ieder geval een andere kijk op de periode tussen 1918 en 1940. Ik had altijd gedacht dat het een vanzelfsprekendheid was, dat de kerk en het christendom afgeschreven was in die tijd. Alsof deze periode wel uit moest lopen op het (door Nietzsche geïnspireerde) nihilisme van Menno ter Braak.
Het blijk echter anders te liggen. Veel schrijvers zijn geboeid geraakt door het katholicisme. Een belangrijk dichter als Hendrik Marsman lijkt zich steeds meer te interesseren voor de katholieke kerk. Een schrijver als Anton van Duinkerken was in die tijd belangrijker dan men veelal aanneemt. En het nihilisme van Ter Braak is geen vanzelfsprekende overwinning. Uiteindelijk had hij met zijn nihilisme geen antwoord op het nazisme. Wanneer hij een antwoord zou willen hebben, zou hij moeten putten uit een bron als het katholicisme.
Cultureel gezien lijkt in die periode het christendom wel degelijk een antwoord te zijn op de moderniteit. Schrijvers en kunstenaars worden katholiek. Een beweging die in heel Europa is te zien.
Voor de bestudering van Schilder betekent dat, dat zijn theologische ontwerp niet achterhaald is. Het loont mijns inziens de moeite om te onderzoeken op welke manier Schilder een antwoord geeft op de moderniteit. Vanuit het huidige gezichtspunt, waarin de gereformeerde traditie binnen de kerken als binnen de maatschappij vaak als achterhaald gezien wordt, lijkt het alsof hij met zijn antwoord voorbijschiet aan de culturele vragen. Wanneer men de theologie van Schilder in de context van zijn tijd bekijkt, zou het wel eens kunnen zijn dat zijn theologisch antwoord ook werkelijk een antwoord zou kunnen zijn op de vragen van de moderniteit.

De moderniteit binnen de Gereformeerde Kerken na 1918
Zowel het pessimisme als het optimisme waren in de Gereformeerde Kerken aanwezig. Hepp, als hoogleraar dogmatiek de opvolger van Bavinck was geboeid door Kuypers visie op Het Calvinisme. Hij wilde een internationale calvinistische beweging. Vanuit een optimistische houding wilde hij ook de ‘gaten’ in de belijdenis opvullen.
Andere leiders wilden de Kuyperiaanse ontwikkeling bestendigen (H.H. Kuyper en A.G. Honig). Deze leiders waren beminnelijk en gericht op de harmonie binnen de kerken.
Jongere predikanten waren geraakt door de heftige ontwikkelingen in de cultuur. Zij vonden dat de gereformeerde belijdenis aangepast moest worden om aansluiting te vinden bij de cultuur, die steeds geseculeerder werd. Zij hadden de blik naar buiten. Deze predikanten waren over het algemeen leerling van Bavinck, die zelf zeer bezig was met de vragen van de moderniteit.[2] Deze predikanten namen geen genoegen met een vastomlijnde, intern georiënteerde kerk. Veel van deze predikanten kwamen in de problemen: J.B. Netelenbos werd in 1920 geschorst, omdat hij in een hervormde dienst was voorgegaan. J.G. Geelkerken veroordeelde de schorsing in een preek, die hij publiceerde. Deze kritische preek is een belangrijke reden geweest waarom Geelkerken werd afgezet. In 1926 was er een aanleiding gevonden om Geelkerken af te zetten: zijn uitspraken over de historiciteit van Genesis 3. Dor de afzetting van Geelkerken raakte de Gereformeerde Kerken een deel van haar elite kwijt (schrijvers, niet-theologische academici gingen over tot de Gereformeerde Kerken in Hersteld Verband). Veel van deze jonge predikanten waren geboeid door de theologie van Karl Barth, die in Nederland begon op te komen.
Om deze jongeren voor de Gereformeerde Kerken te behouden, werd De Reformatie, een weekblad dat de gereformeerde theologie wilde ontwikkelen tot een antwoord voor de moderniteit. Van dat blad werd Schilder later de hoofdredacteur (1935).
Ook aan de rechterflank was het onrustig: predikanten gingen over naar de Gereformeerde Gemeente of naar de Christelijke Gereformeerde Kerken (G. Wisse in 1922).

De vragen van de moderniteit
In het openingsartikel geeft dr. B. Wielenga (samengevat) de volgende analyse:
Er is een achterstand van de belijdenis in de Gereformeerde Kerken ten opzichte van de moderniteit. Het is dus noodzakelijk om het dogma verder te doordenken op het gebied van:
* De leer van de inspiratie en van het Schriftgezag.
* De kentheoretische kwestie van het geloof en de grond van het geloof.
* Intern-kerkelijke thema’s zoals liturgische hervormingen, catechese, prediking, pluriformiteit van de kerk.
* Maatschappelijke thema’s: cultuurvraagstuk, vrouwenbeweging, sociale vraagstuk, vraagstuk van de jeugd, kerk in de grote steden (arbeiders?).
* Reactie van de kerk op de maatschappelijke thema’s, zoals reorganisatie van de kerk in de grote steden, evangelisatie, studentenwerk.
* Er werd in toenemende mate een verschil ervaren tussen de moderniteit (‘de moderne mensch’) en het gereformeerde geloof.

Vanuit de secundaire literatuur is de analyse van Wielenga aan te vullen met:
* Emancipatie van de gereformeerden.
* Charismatische leidersfiguren Kuyper en Bavinck zijn overleden.
* Vraagstuk van de oorlog.

Schilder als theoloog van de moderniteit
Zowel de culturele als de kerkelijke ontwikkelingen zijn belangrijk om Schilder te begrijpen. In zijn werk verwerkt hij de literatuur van zijn tijd. Waarschijnlijk heeft hij ook het idee gehad om literator te worden. Hij was als medewerker aan enkele christelijke literaire tijdschriften verbonden. Hij publiceerde uiteindelijk slechts enkele essays.
In zijn schrijfstijl valt hij ook in de moderniteit te plaatsen. Zijn stijl heeft niet het afgewogene van Bavinck of H.H. Kuyper. Eerder het felle, doorleefde en vitalistische van een Hendrik Marsman. Het is een ontwikkeling die al vanaf de Tachtigers te zien is: zonder emoties en stemmingen geen literatuur. Het wordt ook gebruik om veel accenten te plaatsen. Schilder doet dat ook veelvuldig – zeker in zijn vroege werk. Bepaalde Tachtigers hebben in de neiging om een bepaalde impressionistische stijl te ontwikkelen. In de literatuur wordt dat woordkunst (écriture artiste) genoemd: veel nevenschikkingen, een lange reeks van bijvoeglijke naamwoorden, neologismen, een overdaad aan originele beeldspraak. De nadruk ligt niet op de begrijpelijkheid, maar op de hartstocht.
Hoewel Schilder een theologische voorkeur heeft voor helderheid, heeft zijn schrijfstijl wel veel van dat écriture artiste. Zijn stijl is in zijn vroege periode niet altijd begrijpelijk, maar bruist wel van hartstocht.
Ook in zijn verdediging van de calvinistische traditie is Schilder een modern theoloog. Hij verdedigt met hartstocht de besluiten van Assen (1926) en de belijdenisgeschriften. Zijn verdediging is anders dan die van H.H. Kuyper en V. Hepp. De laatste twee verdedigen de calvinistische traditie om de verworvenheden veilig te stellen en uit te bouwen. Schilder verdedigt de calvinistische traditie, omdat hij deze heeft ontdekt als levenswaarheid. Het gaat bij Schilder om een existentiële band.

Het theologisch antwoord van Schilder op de moderniteit
Wie het vroege werk van Schilder bekijkt, ziet dat hij een aantal van de door Wielenga aangedragen thema’s  verwerkt.
Hij is veel in de weer met het thema van de openbaring en het thema van het Schriftgezag. In 1920 publiceert hij een brochure waarin hij in gaat op de vermeende tegenstrijdigheden in de Bijbel. Het is voor hem een wezenlijk thema, dat de Schrift (zoals deze aan ons bekend is) duidelijk over God spreekt. Hij heeft het over de klaarblijkelijkheid van de openbaring. In zijn strijd om de openbaring komt hij op voor zowel de transcendentie als de immanentie van God.
In zijn strijd om de immanentie verzet hij zich tegen de paradox en tegen de theologie van Karl Barth. De paradox wil zeggen dat logisch gezien A en niet-A tegelijkertijd waar zijn. Dat irrationalisme en de liefde voor de paradox ziet Schilder terug in de (vroege periode van de) dialectische theologie (Karl Barth, Peter Brunner, Th. L. Haitjema) en bij Rudolf Otto en later bij Paul Volz, Das Dämonische in Jahweh (1929). Schilders probleem met de paradox is dat de paradox in de openbaring uiteindelijk teruggevoerd wordt op God zelf. Dit herleiden op God is voor hem in strijd met de klaarblijkelijkheid van de openbaring en de eenheid (eenvoud, eenvuldigheid) van God zelf. Zowel de dialectische theologie als Haitjema grijpen op Calvijn en Kierkegaard terug om de paradox te funderen. Volgens Schilder wordt daarmee aan Calvijn en Kierkegaard geen recht gedaan. Tussen de regels door proef ik, dat Schilder de aanhangers van de paradox uiteindelijk intellectueel lui zijn: (a) voortdurend wijst hij erop dat de voorbeelden van de paradox geen paradox zijn, (b) dat men enig doordenken de zaak wel kloppend te krijgen is.
Een ander kritiekpunt op de theologie van Barth is, dat Barth geen oog heeft voor de heilsgeschiedenis. De openbaring van God is in de theologie te actualistisch, te veel gericht op het heden. Ook dat is voor hem in strijd met de manier waarop God zichzelf openbaart.
Schilder heeft wel waardering voor de manier waarop Barth opkomt voor de transcendentie van God, maar vindt de manier waarop Barth dat doet niet afdoende.
Schilder komt ook op voor de transcendentie van God. Dat doet hij in gesprek met de cultuur (literatuur en kunst). In de literatuur en de kunst wordt het lijden van Christus symbool vooral het lijden van de wereld. Of men vindt – in navolging van het boeddhisme – dat Christus verheven is boven het lijden. Hij ziet dat terug in de schilderijen van Toorop, die Christus op een boeddhistisch-serene manier afschildert. Zijn monumentale werk Christus in het lijden (1930) is te zien als een antwoord op deze ‘Boeddhistische Christus’.[3] Schilder verzet zich tegen dit syncretisme, dat onrecht doet aan de manier waarop God zich openbaart.
Dit gebrek aan transcendentie ziet Schilder ook terug in de Religionsgeschichtliche Schule, die op dat moment zeer invloedrijk is in de bijbelwetenschap. Bepaalde aanhangers van deze stroming voeren de leer van Christus zelfs terug op Boeddha en de oosterse filosofie. Schilder is zeer geboeid door deze school, maar verzet zich er hevig tegen vanwege het syncretisme. Dat vermengen van godsdiensten is volgens hem ook een intellectuele luiheid. Hij wijst oosterse filosofen, die zelf aangeven dat de westerse traditie en de oosterse filosofie niet te combineren zijn. De ene wijst het christendom daarom af, de ander wordt christen.
De opkomst van het immanente denken en de voorkeur voor het boeddhisme doen Schilder zich ook extra sterk verzetten tegen de theologie van Karl Barth. Volgens hem heeft Karl Barth geen antwoord op het syncretisme en de interesse voor het boeddhisme: de paradox kan de waarheidsvraag niet beantwoorden. Schilder gaat zo ver, dat hij geen wezenlijk verschil ziet tussen het opheffen Gods transcendentie en het opheffen van Gods immanentie.

Logisch redeneren
Schilder heeft veel kritiek gekregen op zijn scholastieke manier van denken. Men heeft hem rationalisme verweten. Dat verwijt gaat voorbij aan de intentie van Schilder. Hij verzet zich zelf ook tegen het rationalisme. Zijn visie is dat de openbaring voorgegeven is. Voor ons als mensen is hebben wij genoeg kennis om God te kennen en Zijn handelen te zien.
Hij vergelijkt de theoloog als een boekhouder, die de balans opmaakt. Zoals een boekhouder alle feiten heeft om een balans op te maken, zo kent de theoloog ook alle feiten over God. De theoloog hoeft die feiten alleen maar met elkaar in evenwicht te brengen.
De rationaliteit van Schilder is niet los te zien van zijn visie op de openbaring. Wie Schilder rationalisme verwijt, moet zelf met een variant komen dat niet ten koste gaat van de openbaring of van het logische denken. Schilders visie op de rationaliteit is gegrond op Gods eenvoud.

Schilder in het breder kader van de theologiegeschiedenis
Ook al bestond de Gereformeerde Kerk naast de Hervormde kerk, men was wel van elkaar op de hoogte. Schilder trok ook veel aandacht van hervormde theologen, zoals van Miskotte, Haitjema, Noordmans en Van Ruler. In 1935 mocht Noordmans college geven aan de VU. Daar gaf hij stevige kritiek op Schilders visie van de algemene openbaring. Schilder nodigde Noordmans uit om zijn kritiek uiteen te zetten in zijn blad De Reformatie. Dat was een novum in die tijd.
De thema’s die Schilder bezighouden zijn ook de thema’s die (wellicht op een andere manier) ook Miskotte, Noordmans en Van Ruler bezig houden: Godskennis, openbaring, de paradox, christelijke logica, secularisatie van de cultuur.
Het thema van de logica had ook consequenties voor de VU. Zowel Bavinck als de filosofen Dooyeweerd en Vollenhoven hebben zich bezig gehouden met rationaliteit en christelijke logica.

Onderzoek
In mijn onderzoek ga ik de relatie na tussen Schilder en de moderniteit. Het is een ‘veelszins andere tijd’: de antwoorden van Kuyper voldoen voor Schilder en veel van zijn tijdgenoten niet meer. De tijden zijn gewoonweg veranderd.
Voor mijn onderzoek betekent dat ik de moderniteit in kaart wil brengen door (a) wat Schilder over zijn tijd zegt, (b) wat tijdgenoten melden over de moderniteit, (c) wat de secundaire literatuur over de moderniteit zegt.
Omdat naar mijn mening Schilder theoloog in en van de moderniteit is, wil ik onderzoeken op welke manier de moderniteit in zijn werk doorklinkt. Ik heb al iets over zijn existentiële schrijfstijl gezegd. Het werk van Schilder is sterk beïnvloed door de historisch-kritische methode: (a) als tegenreactie door zijn verzet tegen de godsdiensthistorische school en zijn pleidooi voor de betrouwbaarheid van de Schrift, (b) als onbewuste en onbewuste verwerking van gegevens van de historisch-kritische methode.[4]
Het is mijn veronderstelling dat de hele theologie van Schilder een antwoord is op de moderniteit. Ik wil daarom gaan onderzoeken, welke thema’s Schilder aan de orde stelt, waarom en of er een ontwikkeling is aan te wijzen. Schilder heeft al zijn boeken bij heruitgave uitgebreid. Van bepaalde boeken kan hij later zeggen dat het op hem overkomt als een jeugdwerk. Hij zal het nu niet meer zo zeggen.[5]
Thema’s die Schilder bezig houden zijn: openbaring, Schrift, heilsgeschiedenis, dubbele predestinatie, voorzienigheid, christologie, hel en hemel. Hij heeft zich ook bezig gehouden met de positie van de gereformeerde in het dagelijks leven: de mens als medearbeider van God, de cultuuropdracht, de christelijke organisatie. Bekend is zijn invloed op het synodebesluit (1936) om het lidmaatschap van de NSB én van de pacifistische CDU te verbieden.
Schilder bleef binnen het spoor van de gereformeerde traditie. Hij doet dat op een originele manier. Zijn theologie wijkt af van kritische gereformeerden als Netelenbos en Geelkerken aan de ene kant en meer traditioneel ingestelde theologen als H.H. Kuyper, A.G. Honig en K. Dijk. Ik wil Schilder gaan vergelijken met een van deze theologen.
Na dit onderzoek hoop ik te hebben aangetoond, dat (a) Schilder een antwoord gaf op de moderniteit en de crisis van de moderniteit, (b) dat zijn antwoord vandaag de dag nog relevant is en ons kan helpen een gereformeerd antwoord te geven op de vragen van onze moderniteit. Ik hoop te laten zien, dat juist klassiek-gereformeerde thema’s als uitverkiezing, voorzienigheid, e.d. juist in een multiculturele samenleving overtuigingskracht kunnen hebben.

Matthijs Schuurman

Primaire literatuur
Er is slechts een klein deel van de artikelen van Schilder uitgegeven in een verzameld werk (alleen de periode 1917-1919 en 1941-1945). Deze geschriften zijn te raadplegen via: www.dbnl.nl zoeken op auteur.
Belangrijke geschriften van Schilder zijn:
Wat is de hel (1e druk: 1919)
Kerktaal en kerkelijk leven (1923)
Licht in den rook (1e druk: 1923)
De openbaring van Johannes en het sociale leven (1e druk: 1924)
Bij dichters en schriftgeleerden (1927)
Tusschen ja en neen (1929)
Christus in zijn lijden (1e druk: 1930)
Zur Begriffsgeschichte des “Paradoxon”: mit besonderer Berücksichtigung Calvins und des nach-kierkegaardschen “Paradoxon”. (1933) – dissertatie
Wat is de hemel (1e druk: 1935)
Heidelbergsche Catechismus 4 dln. (1947vv).


[1] Ewout Kieft, Het plagiaat. De polemiek tussen Menno ter Braak en Anton van Duinkerken (Nijmegen: Uitgeverij Vantilt, 2006).

[2] Bavinck had zijn dogmatische bibliotheek verkocht en richtte zich na 1911 steeds meer op vragen van de moderniteit. Hij ging in gesprek met moderne theologen en met de psychologie. H.H. Kuyper vertrouwde deze ontwikkeling bij Bavinck niet en ontnam hem het vak symboliek.

[3] In zijn boek Bij dichters en schriftgeleerden gaat Schilder na zijn kritiek op het gebruik van de paradox in de dialectische theologie in op de boeddhistische Christus.

[4] Om een voorbeeld te geven: de manier waarop Schilder over de profeet schrijft en ook Christus als profeet ziet optreden kan niet alleen teruggevoerd worden op zijn kennis van Calvijn, maar is net zo goed beïnvloed door de manier waarop Wellhausen de mozaïsche wetgeving dateert ná de profeten. Door deze these kwam er meer oog voor de eigenheid van de profeet.

Om twee citaten als illustratie (die ook veel onthullen van Schilders drive) te geven uit Licht in de rook (3e druk): ‘De profeet neemt het woord. In dagen van crisis komt het antwoord op kwellende vragen meermalen niet van hiërarchische zijnde, niet van de kant der officiële voorlichters (…), maar van een profeet, wiens legitimatiebrief gelegen is in zijn conformiteit met het constante-Woord-der-profetie. (…) gelukkig de eeuw, die in zulke tijden desnoods één zo’n prediker hoort uitdragen de grondgedachte van het Woord, dat van God is uitgegaan, om die te appliceren op de actuele, concrete situatie.’ (p. 20) ‘Valse profeten vleien met koude ziel; echte profeten kunnen geselen hem, in wiens schuld hun liefde zelf het grootste aandeel neemt.’ (p. 21)

[5] Bijvoorbeeld in het voorwoord van de 3e druk van Licht in de rook.