Christus in Zijn lijden (Gedachten bij Schilder – 5)

Christus in Zijn lijden
(Gedachten bij Schilder – 5)

Voor Schilder was Christus als plaatsbekleder van groot belang. De trilogie Christus in Zijn lijden is een felle en existentiële exegese van de lijdensverhalen, vol contrasten en spanningen. Dit wordt gecombineerd met inzichten uit de gereformeerde traditie die ook weer zeer existentieel worden verwerkt.
Waarom eigenlijk op deze felle, geladen en existentiële manier? De trilogie Christus in Zijn lijden moet gelezen worden tegen de culturele achtergrond van de jaren-’20. Toonaangevende schilders als Jan Toorop  en schrijvers als Albert Verwey (kunstenaars door wie Schilder erg geboeid was) adoreerden een bleeke Christus, een soort boeddhistische Christus die aan het lijden ontstegen was: 

Christus aan het kruis

O Man van Smarte met de doornenkroon,
O bleek bebloed gelaat, dat in den nacht
Gloeit als een groote, bleeke vlam, – wat macht
Van eindloos lijden maakt uw beeld zoo schoon?

Glanzende Liefde in eenen damp van hoon,
Wat zijn uw lippen stil, hoe zonder klacht
Staart ge af van ’t kruis, – hoe lacht gij soms zoo zacht, –
God van Mysterie, Gods bemindste Zoon!

O Vlam van Passie in dit koud heelal!
Schoonheid van Smarten op deez’ donkere aard!
Wonder van Liefde, dat geen sterfling weet!

Ai mij! ik hoor aldoor den droeven val
Der dropplen bloeds en tot den morgen staart
Hij me aan met groote liefde en eindloos leed.

Albert Verwey

  Jan Toorop, Christus (1912)

Schilder had met deze bleke Christus moeite, omdat het wegpoetsen van het lijden het wegpoetsen van de plaatsbekleding is. Christus was meer dan de Man van smarten, de onze deesnis oproept. De trilogie Christus in Zijn lijden is een grootse poging geweest om te laten zien, dat de Christus als plaatsbekleder het lijden op zich genomen heeft. Het lijden ondergaan was een daad van Jezus in gehoorzaamheid.

Wat mij opvalt bij het lezen van deze overdenkingen, is dat de lezer in de rol van toeschouwer wordt geplaatst. De lezer moet zien, op zich in laten werken, soms beven. Jezus is een voorbeeld van gehoorzaamheid (en dat kunnen wij van Hem leren). Maar Jezus is vooral de plaatsbekleder die de toorn van God droeg en staande bleef in alle pogingen om Hem van dat plaatsbekledende optreden te weerhouden. De lezer krijgt van Schilder steeds te zien dat met betrekking tot Jezus geen neutraliteit mogelijk is: Hij is óf de Christus of de anti-Christ. Of wij geloven in Hem of wij struikelen over de steen des aanstoots. Het optreden van Jezus brengt alles in de crisis.
Mij als predikant, die de roeping heeft om te preken over Christus, houdt deze vraag al geruime tijd bezig: op welke manier kan over Jezus (bijvoorbeeld als plaatsbekleder) gepreekt worden? Dat kan alleen met de luisteraar of de lezer in de rol van toeschouwer, die ziet dat in de weg van Jezus God Zijn heil openbaart? Dat vraagt wel van de preek dat er een vonk overspringt en de luisteraar of lezer gegrepen wordt.  Kan er wel op een gemoedelijke manier over Jezus gepreekt worden? Misschien heeft Schilder wel gelijk dat dit niet kan en hebben wij vandaag de dag nodig dat de prediking over Christus ons in de crisis brengt.

Dit is (voorlopig) mijn laatste blog over Klaas Schilder. Voor wie zich afvraagt, waarom ik mij bezig houdt met Klaas Schilder, verwijs ik door naar K.H. Miskotte en G.C. Berkouwer.
Miskotte zei  eens op een college: ‘Ik kan er niet tegen als mensen op Schilder afgeven. Je kunt het niet met hem eens zijn, maar het was een geniale man.’
Berkouwer heeft steeds bij zijn leerlingen geprobeerd om er een over te halen om te promoveren. Tot zijn spijt is het niet gelukt om iemand te laten promoveren op de grondstructuur van Schilder (bijvoorbeeld aan de hand van Zondag 10).

E.P. Meijering schrijft in zijn boek Een eeuw denken over christelijk geloven, dat de theologie van Schilder niet verklaarbaar is zonder Karl Barth. Dat is geen fair oordeel. Schilder had zijn (originele) theologie al grotendeels gevormd voor Barth zijn intrede deed. Vanuit deze theologie reageerde hij voortdurend op Barth, omdat hij Barth als een bedreiging zag.
Het portret van Meijering is eenzijdig: doordat Meijering niet heeft geanalyseerd wat de moeite van Schilder was met de paradox, heeft hij ook niet begrepen waarom Schilder zich voortdurend zo fel verzette tegen de theologie van Barth.

Het verzoeningsoffer van Christus: identificatie met de zondige mens

Het verzoeningsoffer van Christus: identificatie met de zondige mens

Het Nieuwe Testament geeft aan dat Jezus voor ons gestorven is: Hij is in onze plaats gestorven. De schrijvers van het Nieuwe Testament, zoals Paulus in 2 Korinthe 5:14-21, leggen de plaatsvervanging uit door het gebruik te maken van de metafoor van het verzoeningsoffer (Sühnopfer).

Dat offer is in onze cultuur niet meer bekend. Een van de redenen is dat het offer van Christus aan het kruis zoenoffers overbodig heeft gemaakt. In onze Europese cultuur kennen wij alleen nog maar offers in ethische betekenis, niet meer in cultische betekenis. Dat maakt het moeilijk om het verband tussen het verzoeningsoffer en de kruisdood van Jezus te zien.

Offer als belijdenis van zonde
Wie offert, laat zien dat er een tweespalt is tussen het eigen bestaan en dat van de gemeenschap waarin hij leeft. Wie offert is geen heilige en kan de heilige God niet onder ogen komen. Door te offeren wordt de onreinheid opgeheven. Het offer zorgt dus voor de mogelijkheid van vergeving.
Het gevaar bestaat, dat het offer wordt gezien als een prestatie. Dat degene die offert weer rein wordt is niet zijn eigen prestatie, maar wordt door God geschonken.

Verzoeningsoffer
De achtergrond van een verzoeningsoffer is de overtreding, die niet meer ongedaan gemaakt kan worden. Degene die de overtreding begaan heeft, kan zich niet vrijmaken van zijn schuld.
Bij een verzoeningsoffer neemt de ander de plaats in van de schuldige. De plaatsvervanging gebeurt vanuit een identificatie van de schuldige en de onschuldige. De onschuldige neemt de plaats in van de schuldige. De onschuldige wordt geofferd als ware hij de schuldige. De schuldige wordt niet aan de kant gezet, maar in het offer gaat hij mee. Plaatsvervanging betekent dus niet een aan de kant schuiven van de schuldige, maar een volstrekte identificatie. K. Schilder spreekt daarom over plaatsbekleding en niet over plaatsvervanging (Heidelberger Catechismus II, p. 47).
Door handoplegging wordt de eenheid tussen de schuldige en diegene die zich offert (of het dier dat geofferd wordt) benadrukt. Niet alleen de schuld wordt overgedragen, maar het gehele bestaan.
De kern van het verzoeningsoffer is dat God de schuldige verzoent. Men maakt nogal eens de fout door te denken, dat met dit offer er iets aan God moet veranderen. Alsof Hij veranderd, tevredengesteld moet worden. Nee, in het offer wordt de schuldige mens veranderd: rein verklaard.
De dood van het offer(dier) schenkt aan de schuldige mens het leven. Het verzoeningsoffer betekent dus dat de schuldige een nieuw leven ontvangt van God, een met God en door God verzoend leven. De mens ontvangt de vrede van God.

Geen vervanging
Deze gedachte is de basis ook van de kruisdood van Christus. Hij is degene die zich als offer geeft om aan de mensen een nieuw leven te geven dat met God en door God is verzoend. Als Hij sterft, doet Hij dat in gemeenschap met de zondige mens. Hij maakt zichzelf identiek aan de zondige mens. In zijn plaats gaat Hij. Hij identificeert zich met ons. Wij worden niet aan de kant geschoven, maar in Zijn offerdood worden wij meegenomen.
Christus is aan het kruis eenheid tussen God en de mensen. Zo weet Hij de zondige mens met de heilige God te verbinden. In Zijn dood vindt er verzoening plaats.
Dat betekent dat het kruis van Christus geen mensenoffer is, maar een identificatie van Christus (die een is met de heilige God) met de zondige mens. Aan deze verzoening tussen God en mens komt de mens niet aan te pas. Dit heilsgebeuren aan het kruis is enkel en allen handelen van God. Hij offert in Christus zichzelf en doet de schuld en onreinheid van de mens weg.
Dit offer is het definitieve offer van verzoening. Na dit offer van Christus is er geen verzoeningsoffer meer nodig. Het sterven van Christus aan het kruis heeft alle verzoeningsoffers tot een einde gebracht. Daarom kan alleen Christus de middelaar zijn tussen God en mens. Een andere middelaar is er niet.

NB: De betekenis van Christus’ dood wordt versterkt door het tijdstip van overlijden: na de 9e ure, het tijdstip waarop het verzoeningsoffer (tamid-offer) in de tempel werd gebracht.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Eberhard Jüngel, Das Evangelium von der Rechtfertigung des Gottlosen als Zentrum des christlichen Glaubens (Tübingen: Mohr Siebeck, 19993) 127-146.