Preek 21 juli 2019 avonddienst

Preek 21 juli 2019 avonddienst
1 Johannes 2:18-23, 1 Johannes 4:1-6

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de brief die Johannes schrijft gaat het steeds over het kennen van God.
Nu zijn er, schrijft Johannes ook mensen, die ons een verkeerd beeld van God willen geven.
Ze doen dat expres, bewust.
Want ze willen dat we het beeld dat we van God hebben wordt ingeruild
voor een ander beeld.
In het beeld dat ze willen schetsen, past Christus niet.
Als je aan God denkt, moet je Christus weg-denken.
Als je aan God denkt, moet je niet aan Christus denken
en helemaal niet aan een Christus die hangt aan het kruis,
Die daar voor jou hangt.
Ze willen ons doen geloven, dat het beeld dat Johannes ons schetst, een omweg is,
een overbodige omweg,
want voor Johannes kunnen we God alleen kennen als we via Christus gaan.
Wil je buiten Christus om bij God komen, dan is dat niet mogelijk.
Als Johannes schrijft, dat we moeten bidden in de naam van Jezus
– dat zeggen we vaak aan het eind van het gebed: om Jezus’ wil, om Christus’ wil –
is dat niet een beleefde zin, die je nu eenmaal hoort te zeggen.
Nee, we zeggen dat we dit gebed alleen maar kunnen bidden
omdat we dat via Christus doen, omdat Hij voor ons de weg is tot God,
omdat we Hem hebben leren kennen.
Nu schrijft Johannes over mensen, die dat onzin vinden, overbodig.
Je kunt wel zonder dat om-Jezus’-wil.
Er is een weg buiten Jezus om tot God.
Je moet Christus inruilen. In plaats van Christus moet je God nemen.
In plaats van is in het Grieks: anti.
Anti-Christ betekent: je ruilt Christus in voor iets of iemand anders.
Antichrist kan ook betekenen: iemand die de plek van Christus overneemt
en Christus aan de kant schuift.
De antichrist komt eraan en er zijn nu al veel antichristen gekomen, schrijft Johannes.
Eén persoon, of één macht die groter is dan één persoon
die komt om de plek van Christus over te nemen en Hem overbodig te maken.
En die ene persoon of die ene macht krijgt grote invloed,
omdat voor de komst van die macht er al velen zijn, die zich laten beïnvloeden
en de plek, die Christus in hun leven innam, ingeruild hebben
en daarmee een lege plek hebben gecreëerd
die door die ene macht zo ingenomen kan worden.
Johannes legt niet uit, wie of wat hij op het oog heeft met die macht.
Dat kan bewust zijn, zodat we niet naar één kant kijken
en daardoor niet het gevaar zien dat van de andere kant komt.
Je wordt in de rug aangevallen.
Of je wordt beïnvloed zonder dat je er op bedacht bent
omdat je de tactiek niet kent die nu gebruikt wordt
om Christus in jouw leven van Zijn plek te krijgen.

Met die macht (of die persoon) die komt om de plek van Christus in te nemen,
wordt nog helderder waarom het kennen van God voor ons zo belangrijk is.
Alleen als je God kent, ben je in staat om te zien wat echt van God is.
Alleen dan ben je in staat om te zien dat wat je hoort echt door God gezegd wordt.
Heb je nu echt God in je leven? Of heb je de verkeerde in je hart?
Dat maakt nogal uit.
en als gelovige moet je, zegt Johannes, dat verschil kunnen zien.
Je moet in staat zijn als gelovige om onderscheid te maken
tussen wat wel van God komt en niet van God komt.
Dat zou wel eens een aardig criterium kunnen zijn
om te zien of iemand belijdenis van het geloof kan afleggen:
kun je bij iets aangeven of je met God te maken hebt of niet?
En zeker van ambtsdragers mag je ervan uit gaan,
dat ze dat verschil kunnen aangeven.
Iemand vertelt op huisbezoek een stukje levensverhaal,
allerlei gebeurtenissen die iemand meegemaakt heeft
En als ambtsdrager moet je in staat zijn om te zien of daarin God aan het werk is
of juist niet.
En dat is belangrijk, want er is in deze wereld een macht aan de gang
die ons juist bij God vandaan wil hebben en ons zover brengt dat we Christus inruilen
of een macht die de plek van Christus in ons leven wil overnemen.
Iemand die je – om het plat te zeggen – beduvelt.
Of om het anders te zeggen: de duivel die nog één probeert om een slag te slaan.
Want bewust een verkeerd beeld over God neerzetten,
en willen dat je Christus inruilt en uit je leven wegdoet
en via valse boodschappen invloed op je leven willen krijgen,
moeten we dat niet herleiden op de duivel die God tegenwerkt.

Dat is niet iets om ons bang te maken,
Want juist als de duivel zich roert, zegt Johannes,
mag je weten dat de Wederkomst dichtbij is: de laatste uur.
Daarom moeten we niet onder de indruk raken,
maar scherp blijven: beproef de geesten of ze uit God zijn.
De toets op basis waarvan je kunt bepalen of je met God te maken hebt
is dat je het in verband kunt brengen met Christus.
Dat je het kunt verbinden aan de komst van Christus op aarde.
In de afgelopen dagen is er veel aandacht geweest voor de eerste landing op de maan.
Er zijn in totaal 6 maanlandingen geweest.
Op de vierde missie ging James B. Irwin mee,
Een astronaut die zich later een wedergeboren christen noemde.
Hij zei: Op de maan werd het mij duidelijk dat het belangrijker is dat Christus
een voet op de aarde heeft gezet dan dat de mens een voet op de maan zette.
We kunnen als mens nog zulke technologische hoogstandjes creëren,
maar het belang ervan haalt het niet bij de komst van Christus op aarde.
Dat Christus een voet op aarde zette en dat daarmee God mens werd
en uit de hemel kwam en in onze wereld en onder ons kwam,
zodat we Hem konden zien en konden aanraken,
dat we konden zien hoe Hij de tekenen deed en vooral Zichzelf gaf aan het kruis:
dat is God – daar kennen we God.
Als je dat niet kunt accepteren, als je dat niet kunt geloven,
dan heb je God zelf ook niet.
Geen God zonder Christus, hoe mooi de verhalen over God ook gebracht worden.
Niet alles wat over God gezegd wordt komt ook echt van God.
Kun je dat in onze tijd ook nog merken, dat er over God gesproken wordt
zonder dat je echt iets merkt van Christus,
gelovigen voor wie het niet nodig was dat Jezus naar de aarde kwam?
Je kunt dan naar hele moderne kerken kijken, waar nauwelijks over Jezus gesproken wordt.
Of naar juist hele behoudende kerken waar Christus zo ver weg is
en het kruis zo onbereikbaar, dat je er niet komt.
Ik denk alleen niet dat het goed is om naar anderen te kijken,
maar naar de gevaren die wij zelf lopen, hier in onze omgeving
en binnen de kerk zoals we die hebben.
Om te voorkomen dat we in slaap vallen
en zonder dat we er erg in hebben gevaar lopen.

Nu kun je denken dat in slaap vallen niet zo erg is.
Als dat achter je bureau is of in een luie stoel is dat misschien niet erg.
Maar wel als je in een auto zit en onderweg bent en je ogen vallen dicht.
Dan raak je van de weg en bots je tegen een ander op of duik je een greppel in.
Daar wil Johannes ons voor waarschuwen, zodat we wakker zijn,
net als die 5 wijze meisjes, die voorbereid waren op de komst van de bruidegom.

Houd ons gemoed voor U bereid,
Opdat het blij Uw komst verbeid’,
Daar ’t in een stil vertrouwen leeft,
Dat Gij ons onze schuld vergeeft.

Bescherm ons, in den bangen tijd
Van zielsverzoeking en van strijd;
Laat nooit den bozen vijand toe,
Dat hij ons enig’ hinder doe.
Amen

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Klaas Schilder over de Heidelbergse Catechismus – 1: Christelijke troost

Op 7 oktober 1938 verschijnt er voor het eerst bij De Reformatie, een weekblad dat door Klaas Schilder wordt gerund, een bijlage van acht pagina’s over de Heidelbergse Catechismus. Schilder bedoelde dat als een groots project, dat twintig jaar in beslag zou nemen en in tien delen zou uitkomen. In augustus kwam het project stil te liggen vanwege het publicatieverbod dat Schilder van de Duitsers opgelegd kreeg. Na de oorlog kon de publicatie niet direct ter hand genomen worden, omdat het papier nog erg schaars was.

Zeven jaar lag het project stil. In die zeven jaar was heel wat gebeurd. Zoals vier oorlogsjaren en de voor Klaas Schilder traumatische ervaring van een kerkscheuring, waarbij hij buiten de Gereformeerde Kerken kwam te staan. Op het moment dat Schilder zijn werk met de Heidelbergse Catechismus weer oppakt, is het commentaar tot en met zondag 6 afgerond. Uiteindelijk zullen er vieren delen komen en is bij het overlijden van Schilder enkele jaren later de uitleg van zondag 10 nog niet afgerond.

Schilder vindt het voor de kerk nodig dat er een goede uitleg van de Heidelbergse Catechismus verschijnt. Hij gaat niet mee in het onderscheid dat Kuyper maakt tussen confessie en catechismus. Volgens Kuyper is de confessie binnenkerkelijk te gebruiken en de catechismus voor buiten de kerk.

Goede kennis van de belijdenis – en dus ook van de Heidelbergse Catechismus – is nodig om in begripsmatig opzicht onderscheid te maken tussen wat goed en kwaad is. Discretie noemt Schilder dat en hij ontleent deze term aan artikel 8 van de Dordtse Kerkorde. Discretie is nodig om de inhoud van het kerkelijk geloof en de kerkelijke belijdenis te kunnen onderscheiden van die van secten en ongelovigen. De publicatie van dit commentaar op deze catechismus staat in het teken van dit onderscheid maken, deze discretie.

Ook als het gaat om troost – de inzet van de Heidelbergse Catechismus – is deze discretie nodig, vindt Schilder. Dat lijkt een vreemde gedachte, want troost lijkt toch eerst iets van het gemoed en discretie lijkt meer iets van het verstand te zijn. Troost is echter meer dan een in het gemoed geraakt zijn. Om troost te kunnen ontdekken is het ook nodig om met het verstand onderscheid te maken tussen wat waar is en wat niet.

De gedachte dat troost vooral iets van het gemoed is, heeft voor Schilder iets positiefs: door dit bezwaar in te brengen, laat men zien dat men niet vatbaar is voor het rationalisme. Het rationalisme is een doorgeschoten gebruik van het verstand. In het rationalisme wordt de menselijke rede als enige kenbron gezien (en heeft de openbaring geen enkele mogelijkheid om een rol te spelen in het opdoen van kennis). Het probleem van dit rationalisme is voor Schilder dat het zich losgemaakt heeft van God en autonoom wil zijn ten opzichte van God.

In verzet tegen het rationalisme moet men echter niet doorschieten in het andere uiterste, waarbij het verstand buiten werking wordt gesteld en de menselijke rede geen enkele rol mag spelen. De rede blijft nodig om onderscheid te kunnen maken tussen wat waar is en wat niet. Volgens Ursinus is er om troost te kunnen ontdekken consideratie en ratiocinatie nodig. Consideratie betekent (aandachtige) overweging. Ratiocinatie betekent sluitrede, syllogisme. Ratiocinatie – een sluitrede, een syllogisme dus – maakt gebruik van wat reeds voorhanden is. Een sluitrede verzint die gegevens niet zelf; die gegevens zijn er al. Net zoals de posten debet en credit niet door een boekhouder (ratiocinatie) verzonnen zijn, maar reeds voorhanden zijn. Ratiocinatie is geen rationalisme, maar gaat de confrontatie aan tussen twee werkelijkheden: de werkelijkheid van het geloof en die van het ongeloof. Deze twee werkelijkheden bestaan. Met discretie worden deze twee werkelijkheden tegen elkaar afgewogen.

Een voorbeeld van zo’n discretie met behulp van een syllogisme kunnen we vinden in Prediker 7:25 en 27. In zijn eerste periode maakte hij zijn afwegingen op basis van zijn eigen ervaringen. In zijn tweede periode maakte hij zijn afwegingen op basis van Gods openbaringswoord. De eerste afweging stond in dienst van de zonde. De tweede afweging stond in dienst van God. Het tweede gebruik is goed gebruik van het syllogisme.

Het christelijk geloof dat gebaseerd is op Gods openbaringswoord heeft meer kennis dan de filosofie die gebaseerd is op menselijke ervaring en afweging. Filosofie kent niet de wet van God, die de menselijke ellende aanwijst. Filosofie heeft ook geen weet van het evangelie en kan daarom geen troost bieden. Omdat de kerk wel én de wet én het evangelie heeft, kan de kerk wel troost aanbieden. Dit verschil tussen filosofie (gestoeld op menselijke ervaring en gedachten) en kerkelijke belijdenis (gestoeld op Gods openbaringswoord) mag niet uit het oog worden verloren. Er is een christelijke logica nodig (zoals D.H.Th. Vollenhoven voorstelde); algemene logica houdt geen rekening met de zondeval.

Ursinus, degene die het meest heeft bijgedragen aan de Heidelbergse Catechismus, gaat van dit onderscheid tussen filofosie en kerkelijke belijdenis uit. Schilder kan niet in alles Ursinus volgen. Hij vindt dat Ursinus een onderscheid zou moeten maken tussen natuurlijke theologie en openbaring. Hij valt daar Ursinus niet te hard op aan, omdat de gereformeerde theologie in die tijd nog in de kinderschoenen staat en niet alle onderscheidingen al helder heeft. Kuyper heeft Ursinus op dit punt terecht gecorrigeerd in zijn E Voto dordraceno. Alleen voerde hij weer een verkeerde visie in: de algemene genade (gemeene gratie). Zie: hier.

Mogelijk heeft Ursinus gedacht aan De troost van de filosofie van Boëthius. Er zijn behoorlijke verschillen tussen de Catechismus en dit werk van Boëthius. Boëthius schreef voor geleerde mensen; de Catechismus is voor gewone mensen, werklui, kinderen bedoeld. Boëthius gaf de heidense filosofen teveel stem; de Catechismus ontzegde die ruimte terecht aan de heidense filosofen. Boëthius maakt een onderscheid tussen theorie en praktijk. Theorie is contemplatie en de praktijk is het actieve, concrete leven. Bij dat onderscheid is de contemplatie belangrijker dan het actieve, concrete leven. De Heidelbergse Catechismus maakt dat onderscheid niet en ziet theorie en praktijk gelijkwaardig. Theorie en praktijk staan in elkaars dienst en helpen elkaar. Discretie tussen filosofie, gestoeld op heidense kennis, en christelijk geloof, gestoeld op geopenbaarde kennis, is niet alleen noodzakelijk, maar heeft ook betekenis voor het actieve, concrete leven.

N.a.v. dr. K. Schilder, De Heidelbergsche Catechismus, deel I (Goes: Oosterbaan & Le Cointre, 1949) 1-14 (§ 1)