Waarom Klaas Schilder de gedachte van algemene genade afwijst.

Waarom Klaas Schilder de gedachte van algemene genade afwijst.
(N.a.v. zijn boek Christus en cultuur)

De gedachte van algemene genade (gemeene gratie) is afkomstig van Abraham Kuyper. Daarmee gaf hij een antwoord op de vraag hoe de bijdrage van niet-gelovigen aan de maatschappij, kunst en cultuur door gereformeerde christenen moet  worden gewaardeerd. Klaas Schilder heeft steeds fel verzet tegen de gedachte van een algemene genade. De gedachte van algemene genade botste met zijn visie op het werkverbond en op wat Christus op aarde kwam doen.

Gemeene gratie
Volgens Kuyper heeft God na de zondeval ons nog de mogelijkheid gelaten om toch een bijzondere bijdrage te leveren aan de cultuur en aan de kunst. Dat is een genade die aan ieder mens – gelovig of niet-gelovig – gegeven kan worden, want we hadden deze gave door de zondeval niet verdiend. De bijdrage van niet-gelovigen mogen we zien als een overblijfsel van het natuurlijk licht dat aan de schepping is meegegeven.

Werkverbond
De gedachte van algemene genade botst allereerst met Schilders visie op het werkverbond. Het werkverbond neemt een belangrijke plaats in de theologie van Klaas Schilder in. Dit verbond sloot God met de eerste mensen in het paradijs. De mensen kregen de plicht om de hof te bebouwen, de aarde te bewonen en zich te vermenigvuldigen. In het paradijs worden de mensen aangesteld als representanten, ambtsdragers, medewerkers van God. In het werkverbond krijgen de mensen een culturele opdracht. In deze opdracht zijn religie en culturele opdracht, zoals werk en kunst, één: alles staat in dienst van God en zijn eer. Dagelijks werk en geestelijke bezigheden zijn geen gescheiden werelden of concurrenten. Het gewone werk is net zo waardevol in de dienst aan God als geestelijke bezigheden.

Ontwikkeling
Bij de schepping is de aarde nog niet af. Als de wereld af was, zou er geen mogelijkheid om in zonde te vallen. Er is weerhouding. De aarde is geschapen met het oog op een geschiedenis die volgt. De aarde is geschapen met het oog om nog verder te ontwikkelen. Evolutie ná creatie noemt Schilder dit. De mens mag als medewerker van God helpen bij de ontwikkeling van de aarde naar de staat van de volgroeidheid. De bijdrage van de mens bestaat uit het ontwikkelen van wat er reeds in de schepping aanwezig is. Het werk van de mens is niet scheppen maar ontvouwen en ontdekken van wat reeds in de schepping ingeschapen is. Een ‘terugvinden en doen vinden van God in het uit-vinden van de toekomst’, noemt Schilder dit.

Koinoonia
De mens is geschapen met het oog op gemeenschap met God en met het oog op gemeenschap met de andere mensen. Deze gemeenschap met God en mensen onderling noemt Schilder koinoonia.

Storing
Met de zondeval komt alles overhoop te liggen. De zondeval is een storing van de door God bedachte geschiedenis. Door de zonde wordt de eenheid die God door het werkverbond in de schepping meegegeven heeft verbroken. De zonde zorgt voor schisma, scheuring, fragmentarisatie. De bijdrage van de mens aan de cultuur staat niet meer in dienst van God, maar in dienst van eigen ontwikkeling en ontplooiing. De mens wil wat er in de schepping is meegeschapen wel verder ontwikkelen, maar dan zonder onderdanigheid aan God. De mensen zijn daardoor gedwongen om te kiezen tussen óf de religie óf de cultuur. Kaïn koos voor de cultuur en offerde de religie op. Hij laat het einddoel van Gods voltooide wereld schieten en richt zich op de cultuur in het hier en nu. In deze wereld schept Kaïn een Babel. Seth had aan de religie genoeg en liet de cultuur schieten. Beiden zijn een vorm van zonde, omdat beiden een deel van Gods opdracht opgeven: Kaïn de dienst aan God; Seth de opdracht om op de aarde in Gods naam bezig te zijn met de cultuur. Seth trekt niet alleen uit Babel weg, maar uit de hele cultuur. De culturele opdracht is immers na de zondeval niet komen te vervallen. Het materiaal wordt niet vervloekt en blijft aan de schepselmatige structuren onderworpen. De opdracht om te bouwen en mee te werken aan de ontwikkeling blijft staan als goddelijke opdracht. Culturele uitingen zijn geen genadegaven, die na de zondeval worden toegekend, maar scheppingsgaven die in de schepping reeds besloten liggen en door de zondeval niet ongedaan gemaakt worden. Maar zowel Kaïn als Seth gaan er in mee de leefwereld onder te verdelen in verschillende gebieden, die niets meer met elkaar te maken hebben. De gedachte van de gemeene gratie is voor Schilder niets anders dan een excuus om aan de culturele opdracht te ontkomen en daarmee een leer die aanzet tot zonde. Als er gesproken wordt over algemene genade dient men in één adem ook algemene vloek of algemeen oordeel, algemene toorn te noemen.

Sunousia
Door de zonde is niet alleen de eenheid tussen culturele opdracht en religie verbroken, maar ook de eenheid tussen mensen onderling. Echte koinoonia is op de aarde niet meer mogelijk, omdat het gezamenlijk doel van het leven in dienst stellen van God niet meer door iedereen nagestreefd wordt. Eenheid is niet meer mogelijk. Gelovigen en ongelovigen leven wel op dezelfde wereld. Hun werelden zijn niet gescheiden. Voor het samenleven van gelovigen en ongelovigen heeft Schilder de term sunousia.
Een gemakkelijk samenleven is dat niet altijd. Vanuit de kant van de ongelovigen kan er tegenwerking komen: ongelovigen die de kerk en de religie dwarsbomen. Of verleiding doordat gelovigen onder de indruk raken van de culturele prestaties van ongelovigen. Dat is gevaarlijk, omdat elke cultuur in deze wereld sinds de zondeval en het uiteenvallen van doel en opdracht altijd moet eindigen in zonde, opgeven van religie en verzet tegen God. Elke godloze cultuur draagt de decadentie en verval reeds in zich.

Komst van Christus
Na de zondeval is direct een tegenzet van God gekomen: de komst van Christus (Jezus alleen is niet genoeg! De naam Christus mag niet weggelaten worden!) is aangekondigd. Zijn komst op aarde heeft een dubbele betekenis: Hij komt om zowel de wereld te redden als de veroordelen, als Heiland-Redder en als Heiland-Wreker. Dit oordeel wordt al in de geschiedenis ontvouwd.  Christus komt aan de ene kant om het werkverbond te herstellen als tweede Adam, maar Hij komt ook om de tegenstanders van God te ontbinden. Zijn komst in de geschiedenis is nodig om het doel van de schepping weer terug te brengen. Met de aankondiging van Zijn komst in de moederbelofte (Genesis 3:15) is de dubbele geschiedenis van verkiezing en verwerping begonnen. De geschiedenis is daarna niet meer een rustig kabbelend gebeuren, maar door de komst van Christus catastrofaal, omdat Zijn komst ook het oordeel met zich meebrengt. De komst van Christus markeert een definitief verschil. We leven sindsdien in het interim, de tussentijd tussen schepping en herschepping, tussen eerste schepping en herstel. In dit interim is de zonde er nog wel, maar overwonnen. Met de komst van Christus is het Duizendjarig rijk reeds aangebroken en leven wij in dat Rijk. In Christus zelf in de eenheid van het dienen van God en de culturele opdracht wel een éénheid. Die eenheid zal in de hemel worden hersteld. De nieuwe schepping is vooral een herschepping, een gezuiverde schepping. Deze nieuwe schepping was al in de eerste schepping aanwezig.

Actieve toelating
De zonde wordt wel overwonnen, maar niet van de wereld verbannen. Dat komt omdat de verwerping eerst nog vorm moet krijgen in de geschiedenis. Mensen zijn door hun keuze tegen God zelf verantwoordelijk voor hun verwerping. Was er geen geschiedenis geweest, dan hadden ze kunnen aandragen dat ze zelf niet verantwoordelijk zijn voor hun verwerping en dan lag alle verantwoordelijkheid voor de verwerping bij God. De geschiedenis moet wel uitlopen op een hemel en een hel. (Geen wonder dat twee andere belangrijke boeken van Schilder gaan over Wat is de hemel?  en Wat is de hel?)
Doordat ook de verwerping in de geschiedenis wordt ‘uitgerold’, krijgt de zonde een plek in de wereld. De zonde wordt actief toegelaten door God. Ook in de geschiedenis na het paradijs is er weerhouding. Nu heeft weerhouding een dubbele betekenis: aan de ene kant is nog niet alle kennis van de schepping volledig, aan de andere kant wordt Gods werk tegengewerkt. De zondige weerhouding heeft overigens ook weer twee kanten: God die tegengewerkt wordt en God die zich laat tegenwerken.

Temperantie
Naast de weerhouding van God is er ook een andere weerhouding: de weerhouding van de zonde. Schilder noemt dat temperantie. In tegenstelling tot de genade is de temperantie wel algemeen: zowel de redding als het oordeel zijn nog niet volledig. Hemel en hel zijn nog toekomst. In het interim zijn zowel God als Satan actief. Hoe dichterbij het eindpunt van de geschiedenis komt, hoe sterker de strijd wordt. Met de komst van de Antichrist is de laatste fase aangebroken. Dan is er voor de gelovige helemaal geen kans meer om cultureel bezig te zijn, omdat de Antichrist zich het alleenrecht van cultuur heeft toegeëigend. De grens tussen kerk en wereld is vervaagd.In die laatste dagen is de temperantie van de zonde minimaal. Er is een éénheid bereikt in de zonde. De bijdragen van degenen die van Christus zijn, die wedergeboren zijn, worden niet meer opgemerkt. Alleen de gelovige zal nog in staat zijn om in de cultuur de sporen van het paradijs te ontdekken. Degenen die bij de antichrist horen kunnen en willen dat niet meer zien. In het laatste der dagen zal er alleen maar stukwerk zijn, fragmenten, een afgeknotte pyramide. De gelovige ziet daarin het oordeel over de wereld en weet dat Babel eens door God vervangen zal worden door het nieuwe Jeruzalem. De gelovige weet: echte bijdrage kan alleen vanuit de mystieke unie van Christus. De bijdrage van een wedergeborene is cultureel altijd waardevoller dan welke andere culturele bijdrage dan ook.

Consequenties voor de culturele opstelling:
(1) Over cultuur kan niet meer gesproken worden, omdat met de zondeval de eenheid verbroken is. Daarom blijft elke cultuur in het interim fragmentarisch. Alleen in Christus wordt die eenheid hersteld.
(2) Elke culturele opstelling die de eenheid buiten Christus zoekt is een bedreiging. Een van de grootste bedreigingen is het pantheïsme: God als onderdeel van de ontwikkeling in de schepping en niet daarboven. (In feite ziet Schilder bij bijna al zijn opponenten – tot in het Barthianisme toe – dit pantheïsme opduiken.) Gelovigen hebben de taak om in deze sunousia (het samenzijn van gelovigen en ongelovigen) koinoonia (gemeenschap van gelovigen met Christus) te stichten.
(3) Het afzien van een bijdrage aan de cultuur is zonde. Culturele onthouding is Christus-verzaking. Doordat ongelovigen hun culturele plicht niet nakomen, ligt de plicht onevenredig zwaar bij gelovigen. Vanwege die onevenredige verdeling stellen de culturele uitingen van christenen niet altijd wat voor.
(4) De gedachte van gemeene gratie botst volgens Schilder op het gereformeerde geloof. Daarom is de gedachte van gemeene gratie geen antwoord op de vraag naar Christus en cultuur of van de bijdrage van de gelovige in de cultuur.
(5) Christus brengt alles samen (Efeze 1:10). In de verhoogde Heiland voert God het regiment over deze wereld, ten zegen en ten oordeel. Na het interim van het Duizendjarig Rijk en de tijd van de Antichrist komt de voltooiing van de geschiedenis. Omdat Christus het hoofd van de kerk is, is de kerk de meest relevante bijdrage aan de cultuur.
(6) In Christus krijgt ook de persoon die de culturele bijdrage levert waarde. Zowel de geboden als het heil is op het individu gericht. Alleen degene die op Christus is gericht behoudt in een tijd waarin de cultuur van Babel een zuigende werking heeft de persoon zijn eigenheid. Deze persoon wordt niet geroepen om weg te trekken uit de sunousia. Babel en de sunousia vallen niet samen. Daarom is de opdracht om uit Babel weg te trekken niet hetzelfde als de culturele arbeid te staken.
(7) De christen dient uit te gaan van de opdracht die meegegeven werd in het werkverbond. De belangrijkste bijdrage is om medewerker van God te zijn, midden in de sunousia ambtsdrager. De hoogste culturele bijdrage is daarom niet wat de kunstwereld voor norm aanhoudt. Het gewone alledaagse werk, gedaan als roeping vanwege het werkverbond, is van veel groter culturele waarde.

Evaluatie
Als theologische theorie vind ik Schilders visie erg waardevol. Vooral de robuuste theologie en zijn visie op de komst van Christus als redding én oordeel die zich in de tijd voltrekt scherpt mijn gedachten. Vooral de waardering van Schilder voor het gewone leven en de waardering voor het dagelijks werk waarin de mens medewerker van God mag zijn is in mijn ogen een heel waardevol inzicht.
Het zwakke punt van het betoog is de praktijk: het vraagt veel geloof en sterke retoriek om van culturele uitingen van niet-gelovigen te zeggen dat wat gelovigen doen waardevoller is.
Mij overtuigt de visie van Schilder niet. De gedachte van algemene genade helpt mij meer om de bijdrage van niet-gelovigen te kunnen waarderen.
Een nadeel is ook dat Schilder wel heel snel culturele uitingen en filosofische of theologische stemmen die anders zijn wel heel snel schaart onder de noemer pantheïsme en daarmee een bedreiging zijn voor de kerk en de gelovige. Een kwetsbaar punt is ook de positie van de gelovige of de wedergeboren. In de tijd waarin Schilder actief was, was er binnen en buiten de Gereformeerde Kerken niet voor niets een langlopende, intense discussie over wie nu wedergeborenen genoemd mogen worden.

N.a.v. Klaas Schilder, Christus en cultuur. Zesde druk, van verklarende aantekeningen voorzien door Prof. Dr. J. Douma (Franeker: Uitgeverij Van Wijnen, 1988)

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google photo

Je reageert onder je Google account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s