Valse en ware mystiek -4 (Gedachten bij Klaas Schilder -4)

Valse en ware mystiek -4: de fronten van Schilder
(Gedachten bij Klaas Schilder -4)

Wie had Schilder op het oog, toen hij de valse mystiek veroordeelde? Daar komen verschillende groeperingen en stromingen voor in aanmerking:

(1) Niet-christelijke religiositeit
Toen de beweging van de Tachtigers opkwam, werd Nederland voor het eerst weer geconfronteerd met een elite van schrijvers en kunstenaars, die wel religieus was maar zich distantieerde van het christelijk geloof. Deze schrijvers keerden zich af van de christelijke traditie, maar werden geen atheïst. Zij hielden zich bezig met theosofie, spiritisme en parapsychologie. (Enkele van deze schrijvers werden later katholiek.)
Schilder verdiepte zich in deze religiositeit, omdat hij een liefhebber was van de literatuur en schilderkunst. Schilder verhield zich antithetisch tot de wereldbeschouwing en de religiositeit, maar wees hun kunst niet bij voorbaat af.
Schilder verdiepte zich ook in deze buitenkerkelijke religiositeit, omdat hij van mening was dat veel jongeren binnen de Gereformeerde Kerken zich hiermee inlieten en daarmee het gereformeerde spoor en vooral ook Christus verlieten. Schilder stond hierin niet alleen. In 1920 werd door verschillende classes op de synode van Leeuwarden gerapporteerd dat men behoefte had om een hernieuwd gereformeerd belijden met het oog op deze buitenkerkelijke spiritualiteit. Hoewel de synode beloofde hiermee aan de slag te gaan, is er van dit hernieuwd belijden is niets terecht gekomen.
Bepaalde stromingen binnen vrijzinnigheid, die door Schilder werden bestreden, kunnen ook tot deze categorie worden gerekend. Zij lieten zich meer inspireren door de niet-christelijke religiositeit dan door de eigen traditie.

(2) Christelijke stromingen

Gemeenteleden begonnen zich te interesseren voor groeperingen en stromingen buiten de kerk. De beweging van Johannes de Heer had grote invloed op de leden van de Gereformeerde Kerken. Daarnaast begon de Pinksterbeweging en kwamen de Darbisten in beeld.

(3) Bevindelijkheid
In de jaren tussen de beide Wereldoorlogen gingen gemeenteleden uit de Gereformeerde Kerken geregeld over naar de Christelijke Gereformeerde Kerk of naar de Gereformeerde Gemeenten. Hoe groot die uitstroom was, is nog nooit in beeld gebracht. Wie de vroege kerkbodeartikelen leest, krijgt de indruk dat het hier niet om een kleinschalig gebeuren ging.
Schilder heeft hier het hier om verschillende redenen moeilijk mee gehad: Hij vond dat de bevindelijkheid het gereformeerde spoor verliet. De bevindelijkheid was vooral gevoel en vaagheid, maar kon weinig met Christus. De overgang van gemeenteleden naar andere kerken heeft Schilder als verraad ervaren: de fronten lagen bij de kerkverlating naar de wereld en tegelijkertijd lieten trouwe gemeenteleden zich in met een geloofsbeleving die niet-gereformeerd was en naar zijn mening  te weinig met Christus ophad.

(4) Irrationalisme
Vanaf de jaren-’20 komt er een nieuw front bij: de paradoxale theologie. Th. L. Haitjema en A.A. van Ruler lieten zich inspireren door het irrationalisme: een systeem kan niet kloppend zijn, daarvoor is de werkelijkheid te weerbarstig. Een theologie kan alleen paradoxaal zijn. Haitjema en Van Ruler waren direct enthousiast over Barth, toen hij in Nederland werd geïntroduceerd, omdat Barths theologie naar hun idee overeenkwam met hun paradoxale theologie. Schilder heeft al voor de komst van Barth de paradoxale theologie bestreden en richtte na de komst van Barth zijn kritiek op Barth.
Schilder heeft de paradoxale theologie met veel hoon bestreden. Barth vond hij zelfs gevaarlijk. Hij was van mening dat als de theologie van Barth consequent werd doorgedacht deze theologie niet verschilde van Boeddhisme. De paradoxale methode was in zijn ogen een escape om deze consequenties niet te hoeven trekken. Door de paradoxale methode konden Haitjema, Van Ruler en Barth hun (in zijn ogen) halfslachtige theologie handhaven.

(5) Ethische theologie
Er is verrassend genoeg één stroming die door Schilder niet bestreden werd, maar op zekere hoogte juist bewonderd werd: de ethische theologie. Schilder was bevriend met de kerkhistoricus prof. dr. A. Eekhof, schreef positief over prof. dr. A.H. den Hartog (die samen met hem de theologie van Barth bestreed) en had goede connecties met J.H. Gunning (die het blad Pniël uitgaf).[1]

Beoordeling
Bij Schilder is het altijd de vraag of hij fair is in zijn beoordelingen. Veel van zijn opposanten voelden zich niet recht gedaan zijn conclusies. Dat zal met zijn manier van werken te maken hebben: hij redeneerde zelf de uitgangspunten door en trok op basis van deze uitgangspunten conclusies die zijn tegenstanders niet trokken.[2] Dat vraagt wel van de hedendaagse lezer dat hij zich niet alleen maar met Schilder bezig moet houden, maar ook met degenen die door hem bestreden werden (als een vorm van wederhoor).

Bij Schilder is het de vraag of hij door de splinter in de oog van de ander de balk in eigen oog niet zag. De kritiek op valse mystiek slaat ook op hemzelf terug. Hoe indrukwekkend Christus in Zijn lijden bij tijden ook kan zijn, Schilder leest de evangelieverhalen vanuit een gereformeerd-dogmatisch raster (het drievoudig ambt). Bovendien doet hij ook iets wat hij de valse mystiek verwijt: hij knipt eigenhandig de lijn uit de evangeliën, omdat hij zijn eigen lijnen zag.

Wanneer Schilder spreekt over de strijdende kerk (als de kerk die voortdurend struikelt over de steen des aanstoots) is het goed om te beseffen dat hij zichzelf tot deze kerk rekende. Hij kende de belijdenis en wist ook dat de strijd niet alleen tegen de wereld en de duivel is, maar ook tegen ons eigen ik. Gezien Schilders existentiële omgang met de belijdenis, zal hij zich ook hierin herkend hebben.
Schilder rekent zichzelf tot de strijdende kerk, die struikelt en soms zelfs als een satan zich tegen haar Christus keert. Deze houding van Schilder is authentiek en existentieel geweest. Dat maakt zijn theologie geregeld sympathiek en indrukwekkend.


[1] Ik heb ooit een blog geschreven met de stelling, dat de Christelijke Geformeerde Kerken meer door de ethische theologie van deze Pniël-Gunning zijn beïnvloed dan door de traditie van de Nadere Reformatie: https://mjschuurman.wordpress.com/2009/12/12/de-cgk-en-de-ethische-theologie/

[2] Deze methode paste in die tijd. Zie bijvoorbeeld het fascinerende boek van Ewout Kieft, Het plagiaat, waarin Kieft de polemiek tussen Anton van Duinkerken en Menno ter Braak reconstrueert.