Rechtvaardiging

Rechtvaardiging

Rechtvaardiging: basiswoord
Rechtvaardiging is een specifieke onderdeel van de christelijke heilsleer. De mens die zich van God verwijderd heeft, heeft rechtvaardiging door God nodig om voor God te kunnen bestaan. Rechtvaardiging geeft het proces aan, waarbij uit de zondaar een gerechtvaardigde wordt – een mens die gemeenschap met God kan hebben.

Specifieke onderdelen van de christelijke heilsleer
De christelijke heilsleer omvat meer: het gaat om bevrijding uit de macht van de zonde en het kwaad, om verlossing van het lijden en van de macht van de dood en om redding van Gods oordeel en het ontvangen van het eeuwige leven. Deze verlossing heeft te maken met de (weder)komst van Christus, die door christenen wordt verwacht.
Rechtvaardiging is een specifieke onderdeel van de christelijke heilsleer. Maar in de eerste eeuwen kon men zonder deze begrippen en vandaag de dag geldt dat voor de orthodoxe kerken ook. In tegenstelling tot Paulus sprak Jezus niet over rechtvaardiging, maar hij leefde wel de rechtvaardiging (zie bijvoorbeeld Lukas 19:1-10).

Inwisselbaar?
Dat roept de vraag op, of de terminologie van rechtvaardiging nog wel gebruikt moet worden. In een seculiere context roepen deze woorden veel misverstanden op en vragen ze om veel uitleg. Beintker is hier voorzichtig, omdat de begrippen een reikwijdte hebben die niet gemakkelijk door andere woorden is te vervangen.
Vanuit het denken over de rechtvaardiging is het inzicht ontstaan dat al het heil een soevereine daad van God is en dat ons geschonken wordt. Dit inzicht raakt ook alle andere vormen van heil. Het leerstuk van de rechtvaardiging wordt niet voor niets gezien als ‘protestants basisbeginsel’ (Martin Kähler) of als ‘beginsel waarmee de kerk staat of valt’ (Luther – en Jüngel vult aan: waarmee de kerk en de wereld staat of valt) of als ‘criterium’ voor alle andere uitspraken en onderdelen van de geloofsleer.
Deze opmerkingen geven aan dat aan de rechtvaardiging van de goddeloze de eigenlijke basisstructuur van Gods omgang met de wereld en met mensen is af te lezen. Ook in de christologie kan de rechtvaardigingsleer de matrix zijn om het handelen van God in de geïncarneerde, gekruisigde en opgewekte Christus te begrijpen.

Rechtvaardiging en de vraag naar de gerechtvaardigde mens
Gerechtvaardigd worden, rechtvaardiging en oordeel zijn woorden uit de rechtsspraak. Hoe komen deze woorden terecht in de christelijke heilsleer?
In de Bijbel wordt iemand een rechtvaardige (tzaddiek) genoemd die leeft in overeenstemming met Gods wil en Gods geboden (vgl. Psalm 1:3). Griekse filosofen, zoals Aristoteles zagen gerechtigheid als kern van alle deugden: hoe leef ik op een rechtvaardige manier in deze samenleving?
In de Bijbel wordt deze vraag meegenomen in de verhouding tot God. Daarbij ontstaat er een duidelijk contrast tussen de gerechtigheid die de rechtvaardige God verlangt en het vermogen van mensen die steeds neigen tot ongerechtigheid.
Dat probleem speelt niet pas bij Paulus.
Ook in het Bijbelboek Job speelt de rechtvaardigheid ten opzichte van God een cruciale rol. Job begrijpt niet waarom God uitgerekend hem, de rechtvaardige Job, in ellende stort. Zijn vrienden twijfelen aan zijn rechtvaardigheid: Hoe kan een mens rechtvaardig zijn voor God? De verontrustende en beangstigende vraag naar de rechtvaardigheid van mensen ten opzichte van God kan alleen maar beantwoord worden vanuit Gods perspectief: gemeten aan wat God verlangt kan geen enkel mens rechtvaardig zijn voor God. Zelfs de meest vrome en meest deugdzame mens blijft aangewezen op Gods barmhartigheid. Misschien is dat wel Jobs moeilijkheid, dat hij niet inziet dat hij ook afhankelijk is van Gods barmhartigheid. Wanneer God Zich naar hem toewendt, wordt Job bevrijd uit zijn fixatie op zijn eigen rechtvaardigheid. Jobs bevrijding begint met een schuldbelijdenis: Job 42:5-6. In het oordeel van God houdt geen enkele aardse rechtvaardigheid stand. Alleen door de crisis van boete, het verbijsterende inzicht van eigen schuld en de afhankelijkheid van vergeving worden wij geleid naar God de ontfermer.

N.a.v. Michael Beintker, “Rechtfertigung und Heiligung”, in: Ernstpeter Maurer (Hg.), Grundlinien der Dogmatik (Rheinbach: CMZ-Verlag, 2005) p. 203-222

Selfie

Selfie

Selfie werd onlangs verkozen tot het woord van het jaar 2013. Meestal heeft een selfie een ludiek karakter: even met een knipoog laten weten dat je ergens bent geweest. Tegelijkertijd is het selfie een mooi symbool de cultuur waarin onze kinderen en jongeren opgroeien.

Een selfie is een foto die iemand van zichzelf neemt. Dit selfie wordt met anderen gedeeld, bijvoorbeeld via facebook. Zo’n selfie wordt gedeeld om te laten zien, dat je ergens bent geweest: op een feestje met vrienden, op een bijzondere plaats. Of dat je in een gekke bui was.
Het selfie kwam in het nieuws toen paus Franciscus bij een ontmoeting met jongeren een selfie nam en toen Obama van zichzelf en enkele andere regeringsleiders bij de begrafenis van Mandela een selfie nam.

Vastleggen
Bij een selfie gaat het vaak om zelfspot. Tegelijkertijd laat het selfie ook iets anders zien. In onze cultuur moet tegenwoordig alles op de foto worden gezet. Daarvoor hoeven we niet alleen naar de jongeren te kijken, die bij elk uitstapje hun iPhone in de hand hebben en overal een foto van nemen.
Daar doe ik zelf aan mee: bijvoorbeeld met de afsluiting van de schaatstraining van mijn dochter stond ik – net als alle andere ouders – met een fototoestel in de hand.
Ik vergat daarbij dat het belangrijker was dat ik er was om te kijken naar het schaatsen van mijn dochter en dat ik genoot van het schaatsen van mijn dochter dan dat het op de foto werd vastgelegd om het met familie te kunnen delen.

De behoefte is er om alles vast te leggen. En dat niet alleen bij jongeren. Wij hebben vandaag de dag blijkbaar behoefte aan iets dat meer vastigheid biedt en meer uit het verleden vasthoudt dan onze herinneringen.

Zelfprofilering
We leven in een tijd van zelfprofilering. Een goed imago is van groot belang. Je moet goed voor de dag komen. Met een selfie dat gedeeld wordt, kun je zelf je imago creëren en in de hand houden. Zelfprofilering heeft een problematische kant, want er is sprake van een norm.
Deze norm wordt niet uitgesproken, maar moet je aanvoelen. Die norm kan behoorlijk hoog zijn. Zeker voor degenen die onzeker zijn over zichzelf. Zij hebben de neiging om vooral hun goede en sterke kant te presenteren en de zwakke kant weg te laten.

Mijn indruk is dat wij als mensen vaak ook een selfie maken om ons imago naar God toe overeind te houden. We willen dat God ons ziet, zoals wij zelf willen dat Hij ons ziet. Niet altijd willen we zijn, zoals we echt zijn. Maar anders: overeenkomstig de norm die wij onszelf opleggen of opgelegd voelen.

Beeldverbod
In deze tijd van zelfprofilering en van selfies krijgt het beeldverbod weer een actuele betekenis: beelden kunnen aan de ene kant heel scherp iets laten zien, maar aan de andere kant een (impliciete) norm kunnen voorhouden die een appèl op ons doen. En daarnaast wint ook de rechtvaardiging van de goddeloze aan betekenis. God bepaalt wie wij zijn. Het gaat om Zijn oordeel over ons leven en niet het selfie dat wij God voorhouden. Zijn oordeel is reddend en vol genade. Zijn liefde is onvoorwaardelijk en niet afhankelijk van de likes die wij krijgen.

We weten dat wel, maar soms moet dat ook weer gezegd worden omdat we dat vergeten.

Geschreven voor: HWConfessioneel

Über Rechtfertigung

Über Rechtfertigung

Ondertussen ben ik ook bezig met Martin Walser – ‘Über Rechtfertiging’. De Duitse schrijver houdt zich bezig met een van de centrale thema’s van het protestantisme. En eindigt met een fictief werkcollege over Nietzsche en Barth (Eerst Römerbrief en daarna zijn Evangelische Theologie)

Volgens Ulrich HJ Körtner een van de spannendste theologische boeken van de afgelopen tijd. Zie zijn bespreking: http://www.theologie-und-kirche.de/koertner-walser-furche.pdf

Een interview met Walser: http://www.theeuropean.de/martin-walser/9984-rechtfertigung-religion-und-atheismus

Ik lees dit boek ivm Reformatieherdenking komende zondag (en vanwege mijn interesse voor het thema ‘rechtvaardiging’).
De preek van komende zondag zal gaan over 2 Korinthe 5:10:
Want wij moeten allen voor de rechterstoel van Christus verschijnen, zodat ieder van ons krijgt wat hij verdient voor wat hij in zijn leven heeft gedaan, of het nu goed is of slecht.

Opgestaan omwille van onze rechtvaardiging

Opgestaan omwille van onze rechtvaardiging
Preek 1 mei 2011
Romeinen 4:25

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1) Introdctie
Wat wij als christelijke gemeente vieren met Pasen is de opstanding van Christus. We vieren dat Hij de dood overwon.
Er is ook een andere betekenis van de opstanding van Christus. Die verwoordt Paulus in de brief aan de Romeinen: Christus is niet alleen uit de dood opgewekt, maar ook opgewekt omwille van onze rechtvaardiging.
Opgewekt omwille van onze rechtvaardiging – dat is een uitdrukking die wij, denk ik, niet zomaar begrijpen. Het is nodig om uit te leggen wat dat betekent: onze rechtvaardiging. En ook wat de opwekking van Christus uit de dood daarmee te maken heeft.
Het kan dus zijn dat deze preek veel uitleg bevat, maar ik ben van mening dat het ook een meerwaarde heeft om te weten wat Paulus bedoelt met onze rechtvaardiging. Wat Paulus bedoelt met onze rechtvaardiging heeft te maken met de kern van het christelijk geloof.

(2) Uitleg rechtvaardiging
Gisteren deed mijn vrouw boodschappen en had ze de kinderen bij zich. Onze middelste staat in de supermarkt over het algemeen bij een spelcomputer. Dit keer rende hij echter hard naar buiten om op onderzoek uit te gaan in het winkelcentrum. Onze oudste ging achter hem aan. Het was voor haar niet gemakkelijk om te kiezen: moest ze haar broertje achterna of moest ze haar moeder in de gaten houden? Ik weet niet of u zich iets bij deze situatie kunt voorstellen, maar u zult begrijpen dat dit voorval thuis het nodige gespreksstof opleverde. Mijn vrouw had niet alleen de behoefte om alles te vertellen, maar ze had ook de behoefte om de eigen verantwoordelijkheid te nemen. Zeker ook naar onze oudste toe, die oplettend handelde en daardoor in een spagaat terecht kwam. ‘Had ik nou maar…’ Dat is rechtvaardiging: bezig zijn met de eigen rol in het geheel, met onze eigen verantwoordelijkheid. Tijdens het gesprek zij mijn vrouw: ‘Ik reken het mijzelf aan…’ Ze gebruikte een woord dat sterk lijkt op een woord dat Paulus gebruikt in de brief aan de Romeinen: toerekenen, aanrekenen. Rechtvaardiging: wat reken ik mijzelf aan én wat rekent God mij aan?

(3) Oordeel over jezelf
Wanneer je jezelf iets aanrekent, vel je een oordeel over jezelf. Je bekijkt jezelf als het ware van een afstandje en je beoordeelt of je in een bepaalde situatie juist hebt gehandeld.
Mijn ervaring in gesprekken is dat bijna iedereen wel bezig is met een oordeel over zichzelf. Dat gebeurt op verschillende manieren. De een kijkt naar een ander en vraagt zichzelf af: Hoe doet die ander dat? Een drukke baan, een gezin met kinderen en dan ook nog tijd voor de kerk? Nooit wordt er tevergeefs een beroep op hem of haar gedaan. Zo zou ik het ook wel willen, maar op de een of andere manier red ik het niet. Je moet sterk in je schoenen staan om niet het gevoel van falen te hebben.
Omgekeerd: iemand met een drukke baan, een gezin en tijd voor de kerk, waarom doet iemand dat? Van wie moet dat? Is de reden: als ik het niet doe, doet niemand het? Er is van alles in de kerk en dat moet toch gedaan worden?
Onbewust kunnen we de druk opvoeren en bepaalt die druk ons leven. Wie wij zijn, dat heeft dan te maken met wat we doen, welke prestatie wij leveren. Aan de hand van deze prestatie beoordelen wij onszelf: schiet ik niet tekort? Faal ik niet?
Een oordeel over onszelf. Mijn ervaring is dat de meesten nogal hard kunnen zijn in een oordeel over zichzelf. Zeker als ze zichzelf vergelijken met een ander. ‘Ik moet mijzelf groot houden, want die ander kan ook allerlei ballen in de lucht houden.’ ‘Ik moet niet zitten kniezen, want mijn moeder wist ook van aanpakken.’ Zo vellen wij een oordeel over onszelf. We rekenen ons van alles aan.

Ook God velt een oordeel over ons leven.

(4) Gods oordeel over ons leven
Ik heb wel eens het idee dat we als mensen denken, dat God op dezelfde manier oordeelt als wij dat zouden doen.
Als ik aan catechisanten vraag of ze belijdenis willen doen, krijg ik te horen: ‘Ik weet nog te weinig van de Bijbel.’ ‘Ik weet niet of ik mijzelf gelovig mag noemen.’ Alsof er eerst iets aan onze kant moet gebeuren, voor wij onszelf gelovig mogen noemen: als we meer kennis hebben, meer tijd besteden aan Bijbellezen en gebed, als we meer doen voor de kerk.
Als we nogal kritisch zijn op ons zelf (en zeker iemand met een laag zelfbeeld of iemand die van zichzelf perfectionistisch is) vinden we onszelf al snel tekortschieten. We denken dat God net zo’n streng oordeel over ons leven velt als wij zouden doen.
Begrijp me goed: kennis is natuurlijk nooit weg. Het is ook niet verkeerd om geregeld tijd te besteden voor de Here.
Het oordeel dat God velt, gaat niet over onze prestaties. Het oordeel gaat dieper: het gaat over wie wij zijn. Ook al zijn we nogal kritisch op onszelf, wat in Gods oordeel over ons wordt uitgesproken, zullen wij vanuit onszelf niet snel over onszelf zeggen. Het gaat er niet om of wij naar God toe falen, of wij te weinig presteren, maar dat wij lijnrecht tegen over God staan, als goddeloze, als zondaar.

Wij hebben onze oudste dochter een aantal avondgebeden aangeleerd. Een van die gebeden was Ik ga slapen, ik ben moe. Het tweede couplet zingt:

’t Boze dat ik heb gedaan,
zie het, Here, toch niet aan.
Schoon mijn zonden vele zijn,
maak om Jezus’ wil mij rein
.

Op een avond vroeg zij zich af, hoeveel zonden zij die dag gedaan had. Een keer zei ze tijdens het middageten: ‘Gelukkig heb ik vandaag nog geen verkeerde dingen gedaan.’
Zonde heeft wel ergens te maken met de dingen die wij verkeerd doen, maar zonde gaat nog veel dieper.
Om het uit te leggen wil ik naar het voorbeeld dat ik eerder noemde: iemand die van alles doet voor zijn of haar werk, voor het gezin en ook nog eens voor de kerk. Stel, dat iemand als reden aangeeft: ‘Ik doe het, omdat niemand anders dat doet.’ Dat is een oordeel over anderen, die hun verantwoordelijkheid niet willen nemen. Die lui zijn, laks of zelfs koud. Wie zo denkt, hangt zijn identiteit echter vast aan de activiteiten die iemand doet. Volgens Paulus is het geen taak voor ons om te bepalen wie er lui of laks zijn. Dat oordeel komt alleen God toe (Rom. 14). Het is tegelijk een oordeel over onszelf: ‘Wíj doen het tenminste wel. Ze moesten ons eens druk bezig zien.’ Als je zo denkt, verhef je je boven een ander en geef je aan dat je het beter doet dan een ander.
Het is ook een oordeel over God. In de kerk belijden wij dat God zelf er ook een hand in heeft. Hij roept mensen tot hun taak. Als wij vinden dat er niemand is om activiteiten op te pakken, geven we eigenlijk God een motie van wantrouwen. Hij heeft er nog niet voor gezorgd dat er mensen zijn in zijn dienst. En omdat God het niet doet, moeten wij het doen.
Dat is zonde: de omkering van de rollen van God en ons. Dat we diep in ons hart denken dat wij het beter weten en beter zouden doen dan God.
Zonde heeft niet alleen met arrogantie te maken, maar ook met ongeloof. Het ongeloof dat we denken dat God niet werkt. We gaan de dingen doen, die God hoort te doen. Omdat Hij niet op onze manier handelt, kan het in onze ogen niet goed zijn, dus moeten we het op onze manier doen. Het oordeel van God brengt het wantrouwen naar God, dat er in ons zit, aan het licht. Veel mensen vinden geloven te simpel: er moet toch  ook nog iets gedaan worden?

(5) geloof
Geloof betekent: ontvangen wat God ons geeft. Het oordeel over onze goddeloosheid wordt Christus toegerekend. God rekent ons falen, ons tekortschieten, onze goddeloosheid niet toe, maar rekent ons Christus’ zuiverheid, Zijn gerechtigheid aan.
Met het ons aanrekenen van Christus’ gerechtigheid heeft de opstanding van Christus te maken. Door Christus uit de doden op te wekken, liet God zien dat Hij onze goddeloosheid ons niet toerekent. De opstanding van Christus uit de dood is een daad van God. Dat hebben wij niet bedacht. Het gaat buiten ons om.
Opstanding van Christus laat tegelijkertijd zien wat er van ons wordt als Christus’ ongerechtigheid ons wordt toegerekend: wij worden (in dit leven al) opgewekt uit de dood. We worden van dood levend, een nieuwe schepping.
Het oordeel van God over ons leven is geen oordeel dat ons afbrandt, maar een oordeel dat ons tot leven wet. Met Pasen vieren wij de voltooiing van onze bevrijding van alle machten die ons gevangen houden. Pasen maakt ons menselijk: we zitten niet meer op de stoel van God.

(6) Toepassing
Als Christus de macht van de dood overwon, als Zijn zuiverheid ons wordt toegerekend, waarom zouden wij dan nog onder de indruk raken van wat anderen van ons vinden? Het gaat er om hoe God over ons oordeelt. Waarom zouden wij dan voldoen aan normen die de maatschappij ons opdringt als deze normen ons opnieuw knechten en een leven in onvrijheid bezorgen? Waarom zouden wij onze identiteit dan aflezen aan wat wij presteren? Onze rechtvaardiging ligt in Christus. Wie wij zijn dat hangt niet af van onze prestaties.
Onze identiteit aflezen aan onze prestaties heeft een heel hardvochtige kant. Een jongen van 19, die in de puberteit een zeer moeizame relatie had met zijn ouders en die geen enkele opleiding had afgemaakt en geen werk kon vinden, verongelukte toen hij met zijn brommer tegen een boom reed.
Wie wij zijn dat hangt niet af van onze prestaties, maar van onze band met Christus, de levende, die dood was en in de dood ons oordeel op zich nam en dat wegdroeg, maar opstond omwille van onze rechtvaardiging.
Amen

ds. M.J. Schuurman

Christelijke literatuur: kan dat wel?

Christelijke literatuur: kan dat wel?
Enkele voorlopige gedachten

In VWO-3 maakte ik kennis met de literatuur. Sinds die tijd heb ik mij ook een tijd bezig gehouden met christelijke literatuur. Ik abonneerde me op Woordwerk en later ook op Bloknoot en Icarus. Toen Liter werd opgericht, nam ik daar ook een abonnement op. Af en toe bezocht ik een CLK-literatuurdag. De roep om christelijke romans leidde zelfs een tijdje tot de wensdroom om er zelf een te schrijven. Ergens in mijn bureaula liggen nog enkele opzetten of mogelijke onderwerpen daarvoor. Een verhaal van mijn hand is gepubliceerd in het laatste nummer van Icarus. Zelfs vorig jaar heb ik nog meegedaan aan een werkdag op de Driestar over het schrijven van (historische) verhalen. Uiteindelijk heb ik er geen geschreven.
Na verloop van de tijd is de was aandacht christelijke literatuur verdwenen. Op de themanummers na deed ik mijn exemplaren van Woordwerk, Bloknoot en Liter weg. Een van de redenen is dat er in die tijd nauwelijks iets noemenswaardigs is verschenen. Bovendien had ik genoeg van die voortdurende roep om christelijke romans, de klaagzangen dat de christelijke romans die verschenen steevast door de seculiere pers werden genegeerd (terwijl boeken van minder niveau wel werden gerecenseerd), de voortdurende wens om mee te tellen en niet over het hoofd te worden gezien. Maar vooral de behoefte om schrijvers die aangaven te geloven (Willem Jan Otten, Vonne van de Meer, Pieter Nouwen) te annexeren heeft mij doen afhaken.
Een verloren periode was het niet helemaal. Ik heb door oude literaire bladen gebladerd, kennisgemaakt met het Liedboek voor de kerken, de dichter en essayist Jan Willem Schulte Nordholt (al is het merkwaardig dez schrijver op deze plaats te noemen) en met dichters als Hein de Bruin en Willem Hessels.
De aandacht verslapte. Niet alleen voor christelijke literatuur, maar ook voor literatuur in het algemeen. Er zijn weinig Nederlandse schrijvers die mij boeien. In mijn herinnering zijn dat vooral Leo Pleysier, Ward Ruyslinck, F. Springer en Hellema geweest. Geen auteurs die veel werden gelezen. Dus had ik ook weinigen om mij heen met wie ik over deze boeken kon praten. Om toch literatuur te lezen, ben ik mij gaan richten op andere talen en heb daardoor kennisgemaakt met de Zuid-Afrikaanse letterkunde (Karel Schoeman) en de Duitse (Werner Bergengruen, Heinrich Böll, Alfred Döblin, Franz Werfel). Maar het lezen heeft niet meer de drive en de ervaring die het voorheen had. Daarom lees ik zelden nog een roman.
Dat de aandacht verslapte, had ook een andere reden. Ik verdiepte steeds meer in de reformatorische rechtvaardigingsleer. Dit leerstuk, dat in het kort zegt dat mensen zondaren zijn en alleen door het oordeel van Christus rechtvaardig verklaard kunnen worden, zou veel impact moeten hebben op hoe een roman (en ook een biografie) geschreven zou worden. Ik noem er enkele: het verbod op een menselijk oordeel over een ander, het onderscheid tussen persoon en werk en de orde van het heil.
Het verbod op menselijk oordeel wordt, hoewel het een aantal keer wordt genoemd in de Schrift, niet echt serieus genomen. Kan mag een auteur, die zichzelf christen noemt, wel een boek schrijven waarin een (moreel) oordeel over de hoofdpersoon of bijpersonen in een boek wordt geveld? Kan een auteur die zichzelf christen noemt, een hoofdpersoon tot bekering laten komen? In de geloofsleer wordt de bekering toch als werk van God gezien, waar mensen geen invloed op hebben?
In zijn boek Nederlandse schrijvers en religie 1960-2010 wijst Jaap Goedegebuure op de (in zijn ogen reeds clichématige) gedachte dat veel schrijvers zich beschouwen als een schepper of herschepper. Wie de reformatorische rechtvaardigingsleer kent, zou hier een waarschuwend belletje moeten horen rinkelen. Voor Luther ligt de oorsprong van de rechtvaardigingsleer in het serieus nemen van het  eerste gebod.
Nu kan ter verdediging van de christelijke literatuur worden aangedragen dat het hier om fictie gaat. Echter, de rechtvaardigingsleer zorgt er niet alleen voor dat er een grens is aan wat een zichzelf christen noemende schrijver zich allemaal kan permitteren, maar stelt ook de mogelijkheid van christelijke literatuur als zodanig ter discussie. Want wat betekent het voorvoegsel christelijk en wat zegt dat over literatuur als het er aan vast wordt gekoppeld? Betekent christelijk uit een bepaalde zuil afkomstig? Betekent het dat de schrijver andere thema’s kiest? Betekent het dat de auteur andere invalshoeken kiest? Vanuit een bepaalde levensovertuiging werkt?
Wie op deze manier het bijvoeglijk naamwoord christelijk invult, vergeet dat de rechtvaardigingsleer allereerst een zelfkritische functie heeft. Een christen is simil iustus et peccator. Een christen is niet alleen een gerechtvaardigde, maar ook nog steeds een zondaar. Iemand die gevoelig is om door anderen erbij gerekend te worden, die hunkert naar menselijke waardering, die zijn identiteit afleest aan zijn prestaties. Een christelijke schrijver weet dat hij ook in fictie geneigd is om God in de greep te hebben en te bepalen wat God doet – ook al is het fictief. Christelijke literatuur kan dus ook niet een boodschap hebben: want namens wie is die boodschap bedoeld? En is een opgelegde boodschap niet de doodsteek voor literatuur? Waarom geen streven naar ‘gewone’ literatuur?
Christelijke literatuur is alleen mogelijk als de rechtvaardigingsleer serieus genomen wordt. Niet alleen als grens voor de inhoud, maar ook als grens voor de schrijver zelf.

 

De ethische relevantie van verhalen

De ethische relevantie van verhalen

Onlangs zag ik de film A Courageous Heart, over een Poolse verpleegster die 2500 Joodse kinderen wist te redden uit het getto van Warschau. Volgens de achterflap zou worden getoond hoe de verpleegster steeds inventievere manieren moest bedenken om de kinderen uit het getto te smokkelen. Daar zat in de film echter nauwelijks ontwikkeling in. De film liet zien, hoe deze verpleegster tot haar keuze kwam. Op het einde na was het een goede film, die de kijker laat nadenken over de eigen keuzes. Zou ik mijn kinderen afstaan? Wat zou ik doen als in de rol van deze verpleegster zou zijn?
De situatie is nu denkbeeldig. Toch is het van belang om deze verhalen te zien en te verfilmen. Een verhaal heeft namelijk de kracht om na te laten denken over de eigen keuze. Verhalen hebben een ethische relevantie.
Deze postmoderne tijd wordt wel eens getypeerd als ethisch onverschillig. Dat is een halve waarheid. Wanneer de postmoderniteit vooral wordt gezien als belevenismaatschappij (G. Schulze) of als een samenleving van het dikke ik (H. Kunneman) zou dat wel eens kunnen. Voor belangrijke postmoderne filosofen als Derrida of Lyotard gaat dat niet op. Hun pleidooi voor een postmoderniteit, waarin de grote verhalen hun geloofwaardigheid hadden verloren, heeft zijn oorsprong in de Tweede Wereldoorlog en de bloedige Onafhankelijkheidsoorlog van Algerije. Het pleidooi voor een postmoderniteit heeft juist een ethische oorsprong. De grote verhalen (eigenlijk geen goed woord: beter zou zijn de overkoepelende theorieën of systemen) hadden juist geleid tot de Tweede Wereldoorlog of die onafhankelijkheidsoorlog.
Op veel terreinen kwam er aandacht voor het ‘kleine verhaal’: de eigen biografie, de verhalen van de gemarginaliseerden, de verhalen van slachtoffers. Aandacht voor die verhalen is volop ethiek.
De kerk zou in verkondiging en pastoraat meer aandacht kunnen hebben voor de ethiek van levensverhalen. Dat gebeurt al – vooral in de kringen van (post)moderne theologie. Denk bijvoorbeeld aan het contextueel pastoraat, dat expliciet aandacht vraagt voor de ethiek in de relaties met de eigen ouders en kinderen. Denk ook aan een ethicus als Stanley Hauerwas.
In veel theologische disciplines (bijbelse theologie, systematische theologie, praktische theologie) wordt de verbinding al gelegd. Voor de reformatorische theologie valt hier nog genoeg winst te behalen. Door de ethische kant van (levens)verhalen komt er meer ruimte om de betekenis van de rechtvaardiging van de goddeloze te laten zien voor de biografie. Niet als een systeem, maar als een hulpmiddel bij uitstek om de biografie te begrijpen en spanningen bloot te leggen. Volgens Jüngel is het kenmerk van de zonde zelfbedrog (Lebenslügen). Het oordeel van God prikt door dat zelfbedrog heen.
Ethiek heeft ook te maken met (be)oordelen. Juist het oordeel van God is het meest rechtvaardige en het meest genadige oordeel over ons leven. Vanuit dat oordeel kan de ethiek van een levensverhaal op waarde worden geschat.

ds. M.J. Schuurman

Wie meer wil lezen over de ethiek van verhalen: Marco Hofheinz / Frank Mathwig / Matthias Zeindler (Hg.), Ethik und Erzählung. Theologische und philosophische Beiträge zur narrativen Ethik (Zürich: Theologischer Verlag, 2009).

Geen ander beeld van God

Geen eigen beeld van God. Een uitleg van het thema “Rechtvaardiging van de goddeloze”

 Geplaatst in: Kontekstueel jaargang 22, nummer 1 (oktober 2007).

 Inleiding

De rechtvaardiging van de goddeloze maakt van het christelijk geloof een moeilijk geloof.

Waarom is dat nodig? Waarom kunnen wij zelf niet onze gedachten laten gaan over God, maar onze gedachten corrigeren door de Bijbel? Waarom kunnen we niet zonder de rol van Christus? Dat zou het toch makkelijker maken om anderen te overtuigen van geloof? Het is immers makkelijker te geloven in (een) God, dan in Christus?

 God als God serieus nemen

De rechtvaardigingsleer begint niet bij de mens. Ook niet bij de zonde, maar begint bij God.

Luther ontdekte de rechtvaardigingsleer door het eerste gebod: gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben. Hij ontdekte het evangelie, de belofte van dit gebod: God wil ook mijn God worden. Luther legde het eerste gebod christocentrisch uit: Christus liet hem zien, dat God ook zijn God wilde zijn. Dat had een bevrijdende werking. Hij worstelde sterk met de vraag of God hem wel genadig wilde zijn. In die worsteling kon zijn geweten hem niet helpen. Zijn biechtvader beval hem om niet op zijn eigen gedachten te vertrouwen, maar op de belofte van het eerste gebod. Dit gebod om te geloven heeft Luther geholpen. Sindsdien ervoer hij het eerste gebod als een middel tegen aanvechtingen.

Luther ontdekte door dit gebod hoe God werkelijk is. De wezenstrek van God is, dat Hij uitdeelt van wat Hij heeft. Dat begint al met de schepping: Hij laat ons delen in Zijn bestaan. Alles wat wij zijn is een geschenk van God. Ook na de zondeval laat God de mensen delen in Wie Hij is. Hij schenkt Zichzelf door Christus. Dit uitdelen behoort tot het wezen van God.

Als mens geloven wij dat echter niet. Wij hebben hele andere voorstellingen van God. Wij maken van God een projectie van ons onvermogen. Het levert ons een beeld op van God die op een onbarmhartige manier van ons eist. Wij hebben het idee dat wij voor God moeten presteren.

Wij maken van God een rechter, die recht zal spreken op een manier zoals wij dat zouden doen: zonder barmhartigheid. Wij beoordelen onszelf en anderen onbarmhartig: wij overvragen anderen en onszelf.

 Zonde: wantrouwen van God

Hierachter gaat een bepaalde visie op zonde schuil. Zonde is wat men verkeerd doet, een verkeerde daad,  een morele overtreding. Men heeft de wet van God overtreden. En overtreding roept om compensatie (straf, genoegdoening).

Dit is een hardnekkig misverstand over zonde. Niet alleen de katholieke moraal heeft hier last van, maar ook de gereformeerde traditie. ‘Waaruit kent gij de ellende?’ ‘Uit Gods wet’. Dan denkt men aan het 3e tot het 10e gebod. Dan vervalt men in moralisme. Wie tegen het 7e gebod zondigt, moet dan voor in de kerk boetedoen. En in een moderne kerk wordt verantwoord burgerschap het ultieme christelijke ideaal.

Maar men slaat de belangrijkste geboden over: het gebod om geen andere houvast te hebben dan God de Here en geen eigen beeld van God te scheppen.

Luther ontdekte, dat alle zonde begint met het wantrouwen van Gods belofte. De zondaar kan God niet serieus nemen, omdat God anders is. Omdat wij God niet vertrouwen, zoeken wij naar andere gronden om op te kunnen bouwen. Dat verwoordt hij in zijn Grote Catechismus: ‘Een God noemt men dat, waarvan men alle goeds verwacht en waarheen men vluchten kan in alle noden. Daarom betekent ‘een God hebben’ niets anders, dan dat men van harte op Hem vertrouwt en in Hem gelooft, zoals ik al zo dikwijls gezegd heb, dat alleen het vertrouwen en het geloof van het hart beide God en afgod maakt.’[1] Geloven heeft dus alles met vertrouwen te maken. Wie niet op de levende God vertrouwt, maakt een afgod. En dat kan heel wat zijn: geld, goed, geleerdheid, wijsheid. Alles wat men maar vertrouwt om niet op God te hoeven vertrouwen.

 Onderscheid Wet – Evangelie

Door dat wantrouwen willen wij het liefst zelf God zijn. Dan hebben we alles in de hand. Maar als zondaar denken we dan alleen aan God als de strenge rechter. We  worden dan onze eigen rechter. Maar het is uiteindelijk een inhumane wens, want we vergeten dat God als rechter ook barmhartig oordeelt. In de rol van God overvragen wij daarom onszelf. Wij kunnen niet als God zijn, ook al zouden wij dat willen.

Een belangrijk onderdeel van de rechtvaardigingsleer is dat zonde leidt tot een verkeerde visie op de wet. De wet is van oorsprong goed, omdat het Gods wil is. Als wij iemand wantrouwen, wantrouwen we alles van die ander – ook zijn goede bedoelingen. Zo wantrouwen wij ook al Gods goede bedoelingen. De wet wordt als een strenge eis opgevat, een eis die niet te volbrengen is. Tegelijkertijd gaat de zondaar wel een poging doen om de wet te vervullen – om zichzelf voor God te rechtvaardigen.

Daarom is de zonde niet in de eerste plaat een morele overtreding, maar begint de zonde met het negeren van de  eerste twee geboden. Dat uit zich in het niet willen vertrouwen van Gods beloften: niet willen geloven, dat God ook mijn God wil zijn.

Door ons wantrouwen kunnen wij niet aanvaarden dat God het goede met ons voorheeft. Uit de wet van God leren wij onze zonde kennen. Het is echter niet de eisende wet, die ons de zonde leert kennen, maar de wet als evangelie: de belofte van het eerste gebod.

Wantrouwen kan alleen maar verdwijnen door aanvaarding van liefde. Het offer van Christus,Gods liefdedaad doorbreekt onze zonde. Het evangelie, de liefde van God voor mensen, laat onze tekortkomingen zien.

Zonder het evangelie kunnen wij niet over zonde spreken. Buiten het kader van het geloof kunnen wij iets niet als zonde duiden. Zonde bestaat niet op een seculiere manier! Want zonde bestaat alleen in de relatie tussen God en de mens.

 De rol van Christus

Deze interpretatie van zonde kan alleen maar binnen het kader van het christelijk geloof. Deze visie op zonde en redding is ontleend aan de komst van Christus naar de aarde en aan Zijn offer aan het kruis. Schrap de rechtvaardiging, schrap het offer van Christus en je hebt geen christelijk geloof meer over. Het christelijk geloof heeft een ongelofelijke claim als het gaat om God: er is geen andere God dan de God die in Christus op aarde aan het kruis stierf en zo de zonde van Zijn eigen schepselen op zich nam. Het christelijk geloof is de kern dus onverzoenlijk met andere godsdiensten. Het christelijk geloof is dus ook niet te verzoenen met jodendom of islam.

Deze claim heeft ook gezorgd voor de breuk tussen jodendom en christendom. Deze breuk is echter ontstaan binnen het jodendom zelf. De eerste christenen waren joden, die net als Jezus Zelf het eerste gebod serieus namen. Deze joden, die in Jezus Gods aanwezigheid herkenden, moesten in het reine komen met het hoor Israël (Deut. 6:4). Wie zegt, dat Jezus geen God kan zijn omdat dat niet past binnen het jodendom van die tijd, doet aan geschiedvervalsing. De joodse auteur van het Johannesevangelie poogt net zoals de andere joodse auteurs van het Nieuwe Testament te komen tot een verbinding van het Sjema en het geloof in Christus Jezus als Mensenzoon, als Zoon van God.[2] Ook al komt de drie-eenheid als begrip niet in de Bijbel voor, de zaak waar het om gaat wel. [3] Daarom is Luthers christocentrische interpretatie van het eerste gebod een bijbels-theologisch verantwoorde interpretatie.

 Bevrijding uit de macht van duivel, zonde en do.

Wie God wantrouwt, wil niet bij God zijn en duldt ook niet Gods aanwezigheid. Alles liever dan God. Door onszelf God te wanen, dachten wij de gevolgen van de zonde in de hand te hebben. Dachten wij eigen heer en meester te zijn. Dat is echter de illusie van de zonde. Als mens zijn wij echter altijd onderdaan. Behoren wij niet aan God toe, dan behoren wij toe aan de werkelijkheid die God ontkent: aan de duivel, aan de zonde, aan de dood (vgl. H.C. zondag 1). Door tegen God te kiezen, kwamen we terecht in het gebied waarin de duivel en de dood heersen.

Alverzoening is in dit verband discutabel. Waarom zou het wantrouwen van God na de dood wel voorbij zijn?

Daarom moet de zonde ernstig serieus genomen worden, omdat goddeloosheid uiteindelijk ertoe leidt dat de mens gevangen komt in kwaadwillende, mensvijandige macht. De mens kan zich niet zelf bevrijden. Het is onze aan de zonde ontsproten zelfoverschatting dat wij bij kunnen dragen aan onze redding.

Echter, de dood van Christus betekent ook bevrijding uit die macht (Rom. 8:2). Daarom zijn de belangrijke woorden uit het evangelie: verlossing, bevrijding en redding. Deze redding plaatst ons over vanuit dit doodsgebied in het vreugdevolle werkelijkheid van God. De doop markeert deze overgang (Rom. 6:4).

Rechtvaardigverklaring

God blijft wel rechter. Zonde kan Hij immers niet gedogen. Hij veroordeelt het menselijke wantrouwen, maar het oordeel heeft Christus aan het kruis voor ons weggedragen. God velt wel een oordeel, maar dat houdt voor de gelovige vrijspraak in. Voor ons als zondaars, die God denken als een eisende persoon ondenkbaar. Maar het past bij Zijn barmhartige en royale karakter, dat Hij ons deze vrijspraak geeft. Door die vrijspraak dankzij Christus’offer worden zondaars, goddelozen met God verzoend.

Niet God moet verzoend worden, maar de goddeloze moet met God worden verzoend. Het offer van Christus is geen eerwraak. Het gaat niet om een God die bloed wil zien. God veroordeelt de zonde, maar spreekt de goddeloze vrij. Hij wreekt Zich niet op een ander, maar neemt Zelf de straf op Zich. Dat kan Hij, omdat Hij door Christus en door de Geest één met ons is geworden. Deze eenheid met Christus is onze redding, onze vrijspraak. Er is wel één voorwaarde: wij moeten deze gunst wel willen aanvaarden. Wij moeten deze gift van God wel willen ontvangen. En dat is nu geloven: het accepteren van die vrijspraak.

 Heiligmaking

Wantrouwen van God moet uit ons leven uitgedreven worden. Dat is een taak van de Heilige Geest. De Geest komt in ons wonen. Dat leidt het proces van de heiliging of heiligmaking in:  (1) wij leren Gods liefde aanvaarden, (2) wij worden één met Christus. En overeenkomstig Gods karakter mogen wij delen in al het goede van Christus. In de heiliging is het dus opnieuw God die als eerste handelt.

De valkuil van de heiliging is dat deze weer moralistisch wordt ingevuld. In de heiliging gaat het in de eerste plaats om dankbaarheid (overwonnen wantrouwen) naar God toe. Dus niet om een bepaalde (christelijk-burgerlijke) moraal. Deze verleiding geldt voor elke modaliteit binnen de kerk. Zowel ter linker- als ter rechterzijde wordt de moraal eerder vanuit een ideologie ingevuld dan vanuit het evangelie.

Het kenmerk van de christelijke levensstijl is zelfverloochening: God erkennen als Heer. Dus niet als burgermansfatsoen, conservatisme of progressiviteit.

Heiliging is: leren te leven zoals God ons heeft bedoeld, vanuit Gods liefde voor ons. Een levenslange worsteling, waarin de Geest hard nodig hebben, waarin de aanvechting van het wantrouwen altijd op de loer ligt. Ook al is de goddeloze rechtvaardig verklaart, in dit leven blijft er altijd een spanning tussen de oude en de nieuwe mens. De gelovige is zondaar en rechtvaardige tegelijk.

 Actualiteit

Gerechtigheid kan alleen God schenken. Elk menselijk oordeel heeft onrechtvaardige kanten. Wij kunnen ook onze eigen rechter niet zijn. Alleen God kan een goed oordeel over ons vellen. De mens veroordeelt al snel onbarmhartig, door naar de eigen tekortkomingen te kijken. Menselijke maatstaven krijgen al snel inhumane trekken (minderwaardigheidsgevoel, BodymassIndex).

De mens heeft een waardigheid, omdat het God heeft behaagt om de gevallen mens te redden. Onze waardigheid is dus niet af te meten aan prestaties. Zeg dat maar eens in een maatschappij, waar betaalde arbeid de norm lijkt te zijn.

De rechtvaardigingsleer heeft dus betekenis voor de ethiek en de psychologie. Maar de rechtvaardigingsleer heeft vooral theologische actualiteit. Het gaat om het juiste beeld van God, die Zich in Christus ten offer gaf om zondaars te redden. Een andere God is er niet.

 ds. M.J. Schuurman


[1] Belijdenisgeschriften voor de Protestantse Kerk in Nederland. Ingeleid door dr. Klaas Zwanepol (Zoetermeer / Heerenveen, 2004) pag. 66.

[2] Alleen van de auteur van Lukas-Handelingen en van 2 Petrus wordt de mogelijkheid opengehouden, dat de auteur niet-joods was.

[3] Deze bijbels-theologische fundering van de triniteit laat de exegeet en voormalige evangelisch-lutherse bisschop Ulrich Wilckens op een overtuigende manier zien: Der Sohn Gottes und seine Gemeinde. Studien zur Theologie der Johanneischen Schriften. FRLANT 200 (Göttingen, 2002). Het is ook een rode draad in zijn Theologie des Neuen Testaments (Neukirchen-Vluyn, 2002vv).