Preek zondag 17 juni 2018

Preek zondag 17 juni 2018
Schriftlezing: Handelingen 6:1-7

Gemeente van onze Heere Jezus,

Peter wil graag iets voor de ouderen van de kerk doen.
Hij heeft als diaken gemerkt dat er in de zomer heel wat ouderen zijn,
Die zich alleen voelen, omdat de kinderen op vakantie zijn
en veel activiteiten van de kerk een aantal maanden stil liggen.
Hij heeft het er met een paar andere gemeenteleden over.
Ze denken mee en er ontstaat tijdens een avondje nadenken
het idee om in de zomer voor de ouderen een maaltijd klaar te maken.
De ouderen van de gemeente krijgen een uitnodiging om te komen
en de maaltijd zal door het groepje klaar gemaakt worden.
Ze bedenken wat ze allemaal zullen klaarmaken voor die avond.
Omdat het een avond is die met de kerk te maken heeft,
wordt er ook gekeken naar een paar liederen die ze samen kunnen zingen die avond.
Peter en de anderen hebben er steeds meer zin in
en ze hopen dat het een mooie avond zal worden,
een avond waarop de ouderen de gemeenschap ervaren
en weten dat er in een tijd waarin zij zich alleen voelen ook aan hen gedacht wordt
en dat ze de avond een verrijking voor hun leven met Christus vinden.
Als die avond er is, blijkt het inderdaad een mooie avond te zijn.
Er hebben best wat ouderen zich opgegeven.
De organisatoren en de ouderen genieten zichtbaar van deze avond.
De kater komt enkele dagen later, als Peter benaderd wordt door een oudere,
die hem nogal boos aanspreekt en vraagt waarom hij niet uitgenodigd is.
Peter schrikt als hij op deze manier aangesproken wordt
en weet even niet wat hij moet zeggen.
Hij stamelt maar wat: ‘We hebben niemand bewust overgeslagen.
Het moet een vergissing zijn geweest. Ik zal nakijken wat er mis is gegaan.’
Als ze bij elkaar komen voor de evaluatie blijken de anderen ook aangesproken te zijn.
Ze denken na over wat er mis is gegaan
en dan komen ze erachter dat ze vooral de ouderen hebben uitgenodigd die ze kenden,
van wie ze zeker waren dat ze bij de kerk hoorden.
De gemeenteleden, die klaagden dat ze niet waren uitgenodigd,
hebben ze niet bewust gepasseerd. Daar was geen opzet bij.
Ze denken samen erover na,
hoe ze in het vervolg kunnen voorkomen dat ze gemeenteleden passeren.

In de gemeente van Jeruzalem gaat het ook mis,
waardoor er gemeenteleden klagen over de gang van zaken.
Lukas vertelt niet helemaal duidelijk waar we aan moeten denken.
Het gaat om weduwen, die alleen maar Grieks spreken
en niet het Aramees of het Hebreeuws beheersen.
Waarschijnlijk vrouwen die uit het buitenland waren teruggekeerd
en in Jeruzalem – voordat ze over Christus hoorden – hun eigen synagogen hadden.
Het is alleen niet duidelijk of deze vrouwen worden gepasseerd bij het uitdelen
en dat zij minder voedsel uitgereikt krijgen dan de vrouwen die Hebreeuws spreken.
Een vrouw van wie de man overleden was, was vaak aangewezen op de steun
van familie of van de mensen om haar heen
en dan kon ze vanuit de kerk gesteund worden.
Of gaat het er juist om dat ze bij het uitdelen van de gaven worden overgeslagen
en dat niemand hen gevraagd heeft om een taak op zich te nemen?
Het NT wordt ook gemeld dat weduwen een taak binnen de gemeente kunnen hebben.
Waarom zouden we gelijk moeten denken aan vrouwen die hulp moeten krijgen
en niet aan vrouwen die mee doen in het bestrijden van de nood die er is.

Er is ook onduidelijkheid over wat de oorzaak is dat deze vrouwen niet gezien worden.
Lukas lijkt de nadruk meer te leggen op de oplossing van het probleem,
zodat de eenheid binnen de gemeente niet verbroken
wordt door onenigheid tussen twee groepen.
De reden waarom ik toch wat langer wil stil staan bij de mogelijke oorzaken
is dat in vers 1 wordt gesproken over het aantal leerlingen van Jezus Christus dat toeneemt.
Er komen mensen bij de gemeente die over Jezus hebben gehoord,
Die in hun hart openstellen voor Christus.
Dat is voor hen niet alleen iets van hun hoofd, iets waar ze over nadenken,
het is niet alleen iets van hun hart, een soort innerlijk gevoel,
maar het heeft effect op hun hele leven.
Ze willen in alles leerling van Jezus zijn: ze willen hun geloof ook in praktijk brengen.
We zagen dat de afgelopen weken hoe verschillende leerlingen van Jezus Christus
geraakt waren door het evangelie, door de woorden en de daden van Christus,
Dat ze akkers en huizen verkochten om de armere gemeenteleden te kunnen steunen,
zodat zij geen gebrek zouden hebben.
‘ Bovendien is het door die Geest dat wij als leden van één lichaam met elkaar
in ware broederlijke liefde verbonden worden, zoals de heilige apostel spreekt:
Omdat het brood één is, zijn wij, die velen zijn,  één lichaam,
want wij allen hebben deel aan het ene brood.’  (avondmaalsformulier)
Ze willen naar het evangelie leven. Elke keer weer opnieuw.
De Heilige Geest werkt in hun hart en dat komt in hun handelen naar buiten.
Het zijn geen opportunisten of mensen die slechts in naam christen zijn,
maar er ook echt naar willen leven.

In de gemeenschap van mensen die echt willen leren van Jezus,
die Zijn woorden willen bewaren in hun hart en ernaar willen leven,
worden vrouwen over het hoofd gezien, vrouwen die weduwe zijn en alleen Grieks spreken.
Ik dacht altijd dat dit komt, omdat de gemeente groter werd,
dat het een gebrek aan organisatie was en de apostelen daar gewoon niet aan toe kwamen.
Nu ik er zo mee bezig was in de afgelopen week denk ik dat er iets anders speelt.
Heeft het met de taalbarrière te maken dat ze niet worden betrokken?
Of heeft te maken met een ander netwerk, waarbij ze de juiste connecties missen,
waardoor ze over het hoofd worden gezien?
Komen ze niet in beeld omdat ze onbekend zijn?
Dat kan ook in de kerk nu nog gebeuren: je kijkt al gauw naar de mensen die je kent.
Hen benader je en betrekt ze erbij, hen nodig je uit voor activiteiten,
zoals dat gebeurde bij de activiteit die Peter had georganiseerd.
Zonder dat je er van bewust bent, sla je mensen over die er wel bij horen,
omdat je ze niet kent, omdat je geen connectie met ze hebt.
Misschien gaat het nog wel dieper en hebben de vrouwen die Grieks spreken
met hun achtergrond in het buitenland wel een minder strakke manier van leven,
zoals christenen in Nederland in gebieden waar weinig christenen zijn
vaak heel andere regels hebben over wat je wel en niet doet, bijvoorbeeld op zondag.
Dan was de gedachte: laten we deze vrouwen maar niet inzetten,
want stel dat er gezinnen zijn die een heel strikte manier van leven hebben,

dan kunnen zij zich storen aan de vrouwen met minder strikte regels
of kunnen die vrouwen, zonder dat ze het weten, voor anderen een bron van ergernis zijn.
Wat er ook aan de hand is, voor de apostelen gaat het om iets heel fundamenteels,
om iets dat de identiteit van de gemeente op het spel zet.
Als ze dit door laten gaan, dan is de gemeente geen gemeente van Jezus Christus meer.
Ze geven de vrouwen die klagen gelijk,
niet om ervan af te zijn, maar omdat ze merken door de klacht die de vrouwen hebben
Dat er iets grondig mis dreigt te gaan in de gemeente van Christus,
Waardoor de gemeente zou ophouden te bestaan.
De gemeente kan dan nog wel bij elkaar komen, maar kan dan niet meer zeggen
dat ze zich door Jezus laten leren en dat ze van Hem zijn.
Het is een zaak die de hele gemeente aangaat en daarom wordt iedereen erbij geroepen.
Dit gaat iedereen aan.
‘Het is niet goed als wij ons met de tafels bezig moeten houden,’ zeggen ze.
Je kunt dat zo opvatten dat ze bedoelen dat ze te druk zijn met wezenlijker zaken
en dat zoiets kleins als tafelschikking, bepalen wie welk eten mag krijgen
en wie ingeroosterd wordt voor het bedienen en opscheppen aan tafels minder is
dan het werk dat de apostelen doen.
Maar ik denk dat het juist niet om iets minderwaardigs gaat.
Hoe het aan de tafel toe gaat, is een praktische uitwerking van het geloof.
Als je aan tafel gaat, naast wie je plaats neemt, wie ingeroosterd worden voor het bedienen,
wie er allemaal eten krijgen – dat heeft allemaal te maken met de band met Christus.
Het is helemaal niet minderwaardig om daarmee bezig te zijn.
De 7 mannen die gevraagd worden zijn nodig om juist toe te zien
Dat de leer van Jezus niet alleen maar iets van het hoofd is of van het hart,
onzichtbaar voor anderen, een leer die geen betekenis heeft voor je omgang met anderen.

Integendeel: juist daar aan de tafel komt het christenzijn tot uitdrukking.
Zoals je op een dorp niet alleen door op zondagmorgen of op zondagavond laat zien
dat je christen bent door naar de kerk te gaan,
maar op maandag ook hoe je met je buren omgaat en je collega’s,
hoe je op het voetbalterrein je christenzijn niet in de kleedkamer achterlaat bij je tas,
maar meeneemt het veld op in respect voor de tegenstander en de scheidsrechter,
oog voor de mensen die daar zijn, voor de supporters die wat achteraf staan
en er zo te zien niet bijhoren niet te negeren maar hen ook te betrekken.
Dat over het hoofd zien, dat vergeten anderen te betrekken kan heel onbewust gebeuren.
Daarom zijn er 7 wijze mannen nodig, die meer zien, die zien hoe het tussen mensen werkt,
hoe relaties functioneren, die aan de manier waarop mensen aan tafel gaan
merken wanneer er iemand wordt overgeslagen en daar wijs op kunnen reageren.
Wijsheid is in de Bijbel altijd iets praktisch, iets dat je doet vanuit je geloof,
dat je in praktijk brengt wat je geleerd hebt van Christus.
Je bent opgenomen in Gods gemeenschap, als een schaap dat afgedwaald was,
Teruggebracht en daarom krijg je een scherp oog voor degenen die dreigen af te haken
omdat ze het idee hebben dat er voor hen geen plek is in de gemeente.
Al is dat wellicht een gevoeligheid van hun kant.
Er zijn mannen nodig die niet gelijk beledigd raken als deze vrouwen klagen
Dat ze gepasseerd worden, maar beseffen dat het echt om iets wezenlijks gaat.
Ze hebben de Geest ontvangen die hen helpt om situaties in te zien en te handelen.
Zodat de gemeente weer gemeente is.
Want als deze mannen hun taak niet op zich nemen, kunnen de apostelen niet werken.
Het blijft alleen maar theorie dat aan de buitenkant blijft, het bereikt je hart niet,
je gaat er niet naar leven. Het evangelie van Christus verandert je niet.
Deze mannen worden aangesteld om de gemeenteleden te helpen om Christus’ woorden
in praktijk te brengen en ernaar te leven.
Als je naar de namen kijkt, zijn het mensen die vertrouwen genieten van de vrouwen}
die eerder hebben geklaagd dat zij niet gezien zijn.

Omdat vroeger gedacht werd dat het in dit gedeelte ging om een probleem bij het uitdelen
en er arme gemeenteleden werden overgeslagen, zag men hier het begin van de diakonie.
Dat was ook de reden waarom ik dit gedeelte had gekozen voor de preek.
Om ook na te denken over onze diaconale roeping als gemeente.
Dat is niet alleen een taak voor diakenen, maar voor elk gemeentelid
en het is de taak van diakenen om die roeping te stimuleren.
Alleen is het de vraag of hier het begin van de diakonie ligt.
Het heeft wel iets moois om hier het begin van de diakonie te zien.
Want dan zou de diakonie begonnen zijn bij de tafel,
je zou zelfs kunnen zeggen bij de avondmaalstafel, bij het gedenken van Christus’ dood.
Elke keer als het avondmaal is, hebben ook diakenen dienst.
Dat is niet alleen maar omdat het praktisch is, maar dat is omdat de diaken aan de tafel
ons eraan herinnert dat het leven met Christus altijd een praktische kant heeft,
naar de mensen om ons heen.
In het trouwformulier: Vergeet daarbij niet, dat uw gezin deel uitmaakt
van een grotere gemeenschap.
U draagt ook een bredere verantwoordelijkheid:
voor de medemens in nood, voor de kerk en voor de maatschappij.

Vanavond komt het evangelie tot ons als een opdracht:
om het leven met Christus in praktijk te brengen, in relatie tot de mensen om ons heen.
Het evangelie is nooit alleen maar een opdracht.
We kunnen deze opdracht nooit uitvoeren zonder de kracht van God, zonder Zijn Geest.
Als je leest in Handelingen 6 kun je je afvragen of God wel aan het werk is.
Er wordt niets gezegd over wat God doet.
Er gebeurt wel van alles, maar heeft dat met God te maken?
Allereerst kunnen we zien dat de Heere werkt door de groei van de leerlingen,
niet alleen in aantal, maar ook in diepgang, in hoe levens veranderd worden.
Zouden we ook niet in de klacht van de weduwen Gods hand mogen zien,
die de gemeente herinnerd aan haar roeping?
Moeten we als gemeente niet meer open moeten staan voor wat God ons te zeggen heeft?
Vanmorgen was ik in de gemeente(n) waarin ik bevestig ben als predikant.
De predikant die zij wilde beroepen, had aangegeven niet beroepen te willen worden.
Dat was een teleurstelling. De gemeente moet weer verder zoeken naar een predikant.
Tegelijkertijd hoorde ik hoe gemeenteleden zelf bepaalde taken opgepakt hadden
en dat gemeenteleden zelf op pad gingen om ouderen van 75 jaar en ouder te bezoeken.
Ze kwamen bij mensen, die op papier nog wel lid waren, maar al lang niet meer kwamen.
Ik hoorde het verhaal dat iemand die bezoek ontvang graag wilde dat er gebeden werd
En dat ze graag het krantje Lichtspoor weer wilde krijgen,
want dat gaf ze weer door aan een zus en die gaf het ook weer door aan een ander.
Wanneer het in de gemeente niet loopt, zoals wij graag zouden willen zien
kan het zijn dat de Heere ons iets wil leren en de ogen wil openen voor wat onze roeping is.
De apostelen laten zien dat ze die les van God oppikken
en ze betrekken de gemeente erbij en ook in de keuze van deze 7 mannen
kunnen we Gods hand zien.
In onze kerkelijke traditie word je niet zozeer geroepen door een uitzonderlijke ervaring
maar is het appèl dat de gemeente op je doet om een taak te vervullen al Gods roepstem
die je niet zomaar naast je neer mag leggen zonder erover na te denken.
Er zijn 7 mannen te vinden die wijs zijn en die de Geest hebben – ook Gods hand!
Nadat deze mannen zijn gezegend – ook Gods hand – en zijn aangesteld
gaat de groei van de gemeente weer verder: Het woord groeit.
Mensen die de woorden horen, nemen die woorden ter harte
en veranderen hun levens – hun levens worden veranderd door de woorden van Christus.
Dat levens veranderen, wordt ook voor de buitenwereld zichtbaar.
Buiten de kerk wordt gemerkt dat er binnen de kerk een andere omgang is met elkaar.
Een band van liefde, openheid, betrokkenheid op elkaar, omzien naar elkaar.
Geloven is niet alleen iets van de zondag of iets dat onzichtbaar is,
maar het effect wordt zichtbaar.
Anderen zien dat Gods Geest hier in deze gemeenschap werkt.
Ze willen er meer van weten, ze komen en gaan geloven.
De gemeente die groeit is de gemeente die bereid is te luisteren,
bereid is om op zoek te gaan naar wat er mis gaat en dat laat corrigeren
omdat ze merkt dat de Heere Zelf daarin een weg wijst.
Zo wordt ze een instrument in Gods hand,
de liefde van God die ontvangen wordt, wordt doorgegeven,
maar niet zonder dat die liefde ons veranderd.
We worden andere mensen – anders naar God toe en anders naar elkaar.
Daarmee worden we weer, zoals we geschapen zijn: beelddragers van God.
Anderen kunnen aan ons zien wie God is, niet dat wij dat wel even doen,
maar Hij gebruikt ons om Zijn liefde en genade uit te stralen op anderen te nodigen. Amen

 

Advertenties

Preek zondagavond 10 juni 2018

Preek zondagavond 10 juni 2018
Handelingen 4:32-5:11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De Bijbel kent een aantal aangrijpende verhalen.
Ook het plotselinge sterven van Ananias en Saffira is zo’n aangrijpend verhaal
dat de Bijbel aan ons doorverteld.
Het is een gedeelte uit de Bijbel dat je niet zomaar even leest uit de Bijbel,
maar een verhaal dat indruk maakt, waar je wel over na moet denken,
omdat het confronteert,
confronteert met God, Wiens heiligheid hier in het geding is.
Dat het plotselinge overlijden van Ananias en Saffira, direct nadat hun leugen bekend wordt,
zorgt voor diep ontzag voor God bij de aanwezigen kunnen we goed indenken.
Welke boodschap er uit te halen valt voor de komende week is nog niet zomaar duidelijk,
of het moet de waarschuwing zijn, dat God niet met zich laat spotten,
dat je God niet kunt bedriegen.

Er komen gelijk wel vragen als je het gebeuren van Ananias en Saffira leest:
Waarom zo’n zware straf, dat ze direct overlijden,
een plotselinge dood die blijkbaar door de aanwezigen wordt gezien
als een ingrijpen van God die deze misstap van deze twee mensen niet door de vingers ziet.
En waarom krijgen zij geen mogelijkheid om tot inkeer te komen,
terwijl eerder in het Bijbelboek Handelingen voor degenen van wie Petrus zegt
dat ze Jezus aan het kruis hebben gebracht wel een mogelijkheid is om te bekeren
En hun zonden vergeven te krijgen.
Waarom is er voor deze twee mensen geen tweede kans, geen bekering, geen vergeving?

Een van de boeken die ik er met preken maken op na sla, zegt:
Probeer altijd in een preek evangelie te brengen.
Deze man heeft zelf een voorbeeld gegeven van hoe je toch evangelie kunt brengen
als er in een gedeelte het evangelie ontbreekt of lijkt te ontbreken
met een preek over Genesis 3.
Maar hoe je hier in het gebeuren van Ananias en Saffira evangelie kunt vinden
dat vraagt wel het nodige aan denkwerk, aan zoeken. Wat heeft het ons te zeggen?

Wat mij opviel bij het lezen, is dat er het steeds om hart gaat en om voeten.
Als in hoofdstuk 4 vers 32 gesproken wordt over de eenheid die er in de gemeente is,
Wordt er gesproken over een éénheid van hart en ziel.
Ik denk dat het niet zomaar is.
In de Bijbel is het hart meer dan als wij over hart spreken.
Bij ons heeft hart vooral te maken met liefde voor iemand,
of met compassie, betrokkenheid op iemand.
Als de Bijbel spreekt over ons hart, dan is dat breder.
In je hart gebeuren ook alle beraadslagingen die je hebt, alle overdenkingen en gedachten,
De beslissingen die je neemt, worden altijd vanuit het hart genomen.
Hart dat is welke innerlijke gevoelens je hebt, emoties,
Je hart, dat is wie je van binnen bent.
Ziel lijkt daar trouwens op –  ziel dat is de gesprekken die je in jezelf hebt:
Hart en ziel, dat is ook waar God de mens aanspreekt.
Dat is niet alleen maar een innerlijk gebeuren, dat ben je helemaal.

Nu wordt van de eerste gemeente gezegd dat ze één van hart en één van ziel zijn.
De Heilige Geest werkt zo in de gemeenteleden dat er een verbondenheid groeit.
Niet alleen een verbondenheid waarbij ze elkaar opzoeken,
maar er ook een diepe verbondenheid groeit, een innerlijke betrokkenheid op elkaar.
Hier is geen gemeentelid die van een ander zegt: Ben ik mijn broeders hoeder?
Hier zien we de kracht van de Heilige Geest: mensen die elkaar voorheen niet kenden,
groeien samen, worden één van hart en één van ziel.
Mochten er mensen zijn, die voorheen heel erg met zichzelf bezig waren,
egocentrisch gericht, zichzelf in het middelpunt zetten: de Geest geeft hen een nieuw hart
en opent de deuren van hun hart voor de ander.
Dat het hart opengaat voor Christus is al een hele bekering,
maar dat het hart van iemand voor een ander opengaat, dat je bekeerd wordt
van een houding waarbij je alleen maar op jezelf gericht bent, is niet minder ingrijpend.

Dat is, zoals we hier zien, gevolg van een hart dat open gaat voor Christus,
dan gaat het hart ook open voor anderen.

Er ontstaat een sfeer van een open hart voor elkaar, een sfeer van verbondenheid,
omzien naar elkaar, zoals je dat in elke gemeente graag zou zien.
Er is niemand die iets tekort heeft.
Als er iemand in de gemeente is, die iets tekort heeft,
dan is er een gemeentelid dat het financieel goed heeft.
Hij verkoopt een stuk land, of verkoopt zelfs een huis,
zodat degene die in de knoei komt te zitten, geen eten meer heeft, geholpen wordt.
Het verschil tussen rijk en arm valt weg.
Ze hebben alles gemeenschappelijk, schrijft Lukas.
Dat wil niet zeggen dat iemand zomaar kan beschikken over de bezittingen van een ander
of dat je bij lidmaatschap van de gemeente al je bezittingen moet afgeven.
Maar het is een delen in elkaars noden en zorgen, bijspringen wanneer dat nodig is.
Weten van elkaar, wanneer je iets nodig hebt.
dat hoeft niet verborgen te blijven uit angst voor schaamte er niet meer bij te horen.
Hier blijkt dat het geen theorie is, niet alleen een mooi verhaal
dat de gemeente één van hart en één van ziel is, maar praktijk, werkelijkheid.
Zo had God het bedoeld.
Het is steeds weer een terugkerend patroon: Als het nodig is, laat iemand in de gemeente
zijn of haar hart spreken, verkoopt iets binnen de gemeente de nood te lenigen.
Het gebeurt helemaal vrijwillig, niemand wordt gedwongen.
Het gaat Lukas niet om hoeveel, om wie er allemaal meedoen,
maar om het gebaar van vrijgevigheid – liefde van Christus die het hart opent voor anderen.


In het hart van Ananias en Saffira gaat het mis.
Hoe kan dat gebeuren dat in een hart dat aan Christus toebehoort het zo mis kan gaan?
Het is ook de vraag die Petrus aan Ananias en Saffira stelt:
Hoe heeft de duivel jullie hart weer terug kunnen veroveren?
Ananias en Saffira – ze lijken op iemand die de sfeer niet goed aanvoelt,
niet ziet wat er echt in een groep gebeurt, niet merkt dat het om het hart gaat,
hoe je je van binnen opstelt.
Ze zien alleen maar wat er aan de buitenkant gebeurt.
Blijkbaar heeft het gebeuren van Barnabas iets bij hen losgemaakt.
Barnabas die een stuk land verkoopt en de opbrengst van het land bij de apostelen brengt.
Hij legt het geld aan de voeten van de apostelen – daar zijn de voeten.
Steeds als er geld aan de gemeente wordt gegeven wordt dan aan hun voeten gelegd.
Dat hebben ze gezien, Ananias en Saffira.
en wat ze ook hebben gezien – of misschien dachten ze dat bij de anderen te zien,
want alleen God kan in het hart van anderen kijken,
en hoe vaak zitten wij niet mis in het beoordelen van anderen?
Wat ze hebben gezien is dat Barnabas een speciale plek innam
omdat hij een bijzondere naam van de apostelen gekregen heeft: zoon van vertroosting.
Iemand die in staat is om anderen op te beuren,
of een ander zo kan aanspreken dat de ander zegt: Je hebt gelijk, ik moet het anders doen.
Iemand die met gezag een ander kan corrigeren
en op het juiste spoor kan brengen: het spoor van Christus.
Met ernst en bewogenheid. Met humor als dat nodig is.
Iemand die je in het hart kan raken en daar integer en zorgvuldig mee omgaat.
Deze Barnabas heeft gemerkt dat er weer behoefte is aan een bijdrage aan de gemeente
en hij verkoopt een stuk land.
Er wordt niet bij vermeld welk stuk land – of het een stuk land is op Cyprus of in Israël,
er wordt ook niet verteld hoe hij aan het stuk land kwam,
terwijl in de Bijbel wordt gezegd dat een Leviet geen grondbezit mag hebben.
(Maar vanaf de 1e eeuw voor Christus zien we vaker dat een Leviet een stuk land heeft,
Vooral Levieten in de diaspora, Levieten die buiten Israël wonen)
Er wordt ook niet gezegd dat hij geloofde dat de Wederkomst zo dichtbij was
dat hij het stuk land niet meer nodig heeft.
Hij verkoopt en legt de opbrengst bij de voeten van de apostelen neer.

Daarna gaat het gelijk door naar Ananias en Saffira.
Het wordt niet gemeld, maar je krijgt de indruk dat ze zien wat Barnabas doet.
Dat ze zien welk effect dat op de andere gemeenteleden heeft:
hoe Barnabas in achting stijgt, hoe er met waardering over hem gesproken wordt.
Er zijn uitleggers die vinden dat dit gedeelte op Genesis 3 lijkt:
Na de paradijselijke toestand binnen de gemeente, de eenheid, nu de zondeval.
Hoe ze – net als Adam en Eva – zich vergrijpen.
Er is een spreekwoord: Het bederf van het beste is het slechtste.
Maar het verschil is dat het anderen er niet in meegesleurd worden in deze val.
Er wordt ook een vergelijking gemaakt met Achan, die na de val van Jericho
een kleine schat vindt en dat niet afdraagt aan Jozua, maar het voor zichzelf houdt.
In ieder geval bij alles wat ze gezien hebben aan de handeling van Barnabas,
Ze hebben niet de reden gezien, ze hebben niet gezien dat zijn hart open ging,
dat hij anderen binnen de gemeente wilde troosten, bemoedigen, aansporen met zijn gift.
Het lijkt erop dat ze een gebaar willen maken, waardoor zij ook dat aanzien kijken.
Hoe mensen hen meer bewondering en respect behandelen:
Dat zijn Ananias en Saffira – zij hebben er ook een akker voor over gehad
en dat geld brengt Ananias bij de apostelen.
Hij doet Barnabas na, legt het ook aan hun voeten neer.
Hij heeft alleen een deel achtergehouden, met medeweten van zijn vrouw Saffira.
dan gebeurt hij waar hij niet op gerekend had:
Niet de eer en de bewondering: zo, Ananias, heb je dat allemaal voor de gemeente over.
Maar een scherpe vraag naar zijn hart, naar het waarom van zijn daden.
Waarom doe je zo, Ananias?
Het is een scherpe, verdrietige Petrus:
Ananias, waarom heb je je hart weer uitgeleverd aan de satan.
Je was door Jezus’  kracht toch bevrijd?
Het is de tactiek van de satan: eerst door druk van buitenaf de gemeente uiteen te drijven.
Tegenstand die er door de leiders van het volk is, apostelen die gevangen genomen worden.
Nu is het de tijd voor de tweede stap: als de gemeente één van hart is,
Wil de satan verdeeldheid brengen, zodat de eenheid van Christus verdwenen is
en hij vindt de zwakke schakel in het hart van Ananias en SAffira.
Niet het geld dat Ananias met medeweten van Saffira achterhoudt is het eerste probleem
dat door Petrus aangekaart wordt, maar Petrus raakt gelijk dieper:
Ananias, je hart is niet meer van Christus, er is een ander in je hart gekomen
en hij maakt nu de dienst uit – Ananias, waarom toch?
Petrus rekent het zwaar aan: bedriegen van de Geest.
Als we niet zien wat de ernst is van je hart weer opnieuw openstellen voor satan,
wat het aangrijpende is van de Geest bedriegen, dan begrijpen we dit verhaal niet.
Dan is het vooral verbijsterend en geeft het een vraag waarom God bedrog zo zwaar straft.
Het is in ieder geval niet dat Ananias het kan afschuiven:
Hij wordt verantwoordelijk gehouden. Waarom heb je dat gedaan?
Moet je nu zeggen dat Ananias niet echt heeft geloofd?
Dat zijn geloof maar voor een tijd was? Een schijngeloof? Dat het was voor anderen?
Om gezien en geprezen te worden?
Petrus gaat die kant niet op, maar roept hem wel ter verantwoording: Waarom?
Waarom ben je weer teruggevallen in dat oude leven? Waar is je hart dat vernieuwd was?
Waar brengen je voeten je?
Als je je door de duivel laat meenemen, dan kom je op de verkeerde weg.
Als je naar de apostelen toegaat om daar waardering en aanzien te verdienen,
een plek in de gemeente te hebben doordat je een aanzienlijk bedrag afstaat,
dan heb je daar niets aan als je niet werkelijk arm kunt worden.
Dan niet arm in de zin dat je geen geld meer hebt, maar arm van geest.
dat je merkt dat je de Heilige Geest nodig hebt,
zo nodig dat je die niet kunt bedriegen
en dat het nodig is jezelf te onderzoeken: welke Geest of geest laat in mijn leven toe?
Is het de Heilige Geest of is het juist een geest die mij van Christus afbrengt?
Ananias wil zijn hart niet afgeven, wil zijn leven niet verliezen.
wil wat verliezen – misschien wel een flink bedrag – maar niet zichzelf.
Het is niet het geld dat het probleem is.
Het is het hart, wat daarin omgaat en wat uit je hart naar buiten komt,
welke keuze er gemaakt wordt.
Het gaat om je voeten, naar wie je toe gaat en met welke reden.
Of je gaat om te winnen, of dat je gaat om iets te verliezen en daarmee alles te winnen.

Het hart van Ananias was niet voor anderen open.
Ja, hij hunkerde wellicht naar bewondering, naar hoe mensen tegen hem opkeken,
maar zag de gemeenteleden niet als gelijken, gelijkgestemden,
met dezelfde behoeften als hij, dezelfde worstelingen wellicht.
De gemeente is voor hem niet één hart en één ziel,
maar meer een podium, een plaats om applaus te krijgen,
gemeenteleden publiek die voor hem en zijn vrouw klappen.
Gemeenteleden zijn geen mensen, geen medemensen, een kinderen van God.
Ananias verbreekt de eenheid van hart,
niet vanwege het onrecht dat er binnen de gemeente is, niet vanwege een misstand.
Dan mag de eenheid verbroken worden voor het hogere doel,
Dat de gemeente weer op de weg van Christus komt.
Hier wordt de eenheid verbroken voor het pad dat hij voor zichzelf had uitgestippeld.
De gemeente is heilige grond, laat de Heere zien.
Het gaat om het werk wat de Geest doet – dat is het evangelie
en hier zien we een kant van hoe mensen daar aan voorbij gaan
of hoe ze dat werk van de Geest graag hun eigen kant om buigen
om er zelf van te profiteren.
Zo ver laat God het niet komen. Ananias sterft.
Als Saffira komt om het verhaal van haar man te bevestigen,
Te volharden in het kwaad, in de zonde
– zoals de gemeente volhardt in het breken van het brood, in de gebeden, in het omzien –
dan zijn de voeten van degenen die haar man begraven hebben, reeds te horen.
Het zijn niet de voetstappen van de vreugdeboden, die met de boodschap komen
Hoe lieflijk op de brengen de voeten van degene die het goede nieuws brengt
Geen boodschap van vrede, maar van oordeel.
Dat er grote vrees in de gemeente komt is goed te begrijpen.
Het is alleen geen vrees die op verbijstering lijkt, maar diep ontzag,
bewondering voor Gods heiligheid.
Ik heb ooit college gehad van een hoogleraar OT uit Zuid-Afrika,
die had voorgesteld om de vreze des Heren te vertalen met liefde, diepe liefde, vol ontzag
zoals een christen opkijkt naar de gemeente.
Hier wordt de groep mensen in Jeruzalem voor het eerst gemeente genoemd:
Ekklesia – bij elkaar gebracht om Christus heen, door de Geest,
Bewaard bij Christus – door diezelfde Geest. Mensen die het gemeen hebben
dat ze geloven, dat ze vertrouwen, dat ze hun leven overgeven, hun hart,
alles wat ze hebben aan Christus, omdat Hij hen alles geeft:
Getrouwe Heer’, Gij wilt mijn goed, mijn God, Mijn erfenis en ’t deel mijns bekers wezen. Amen

Les 17 De kerk

Les 17 De kerk

Als Maria een tijdje ziek is, geeft ze het door aan haar predikant. Hij komt op bezoek, neemt haar naam mee in de voorbede van de zondagse dienst en schrijft iets over haar situatie in het kerkblad. Nadat ze is genoemd in de voorbeden, komen de kaarten en als haar naam en adres in het kerkblad staan, worden haar nog meer kaarten toegestuurd. Ze is blij dat ze het doorgegeven heeft, want de kaarten doen haar goed.

André en Esther zitten samen op een Bijbelkring. Het is een fijne Bijbelkring. Ze hebben altijd fijne gesprekken. Iedereen is heel open en vertelt wat hem of haar bezighoudt. Ze vinden het mooi dat er ook steeds een stukje uit de Bijbel samen wordt gelezen en dat er met elkaar over wordt doorgepraat. Het bezoeken van deze Bijbelkringen is goed voor de groei van hun geloof.

Vraag 1: Kun jij een ervaring vertellen, waardoor je de waarde van de kerk ontdekt hebt?



Vraag 2: Gelovig ben je niet in je eentje. Wat betekenen de andere gemeenteleden voor jou?


Vraag 3: Wat heb jij andere gemeenteleden te bieden?


Gelovig ben je niet in je eentje. Je hoort bij een kerk, een gemeente. In deze gemeente vind je mensen met wie je goed kan opschieten en mensen met wie het minder klikt. Soms passen onderdelen van een kerkdienst niet bij je en dan weer wel. De perfecte gemeente bestaat niet.
De perfecte gemeente bestaat ook niet, omdat de kerk uit zondaars bestaat. Van die zondaars doet een deel de best om tegen de zonde te strijden, maar is niet volmaakt. Een ander deel strijdt minder hard. Ook in een kerk kunnen spanningen en conflicten zijn. Die spanningen en conflicten kunnen soms heel diep gaan, omdat gemeenteleden zich vaak persoonlijk betrokken voelen. Een conflict binnen de kerk kunnen ze daarom niet zakelijk afhandelen. Bovendien kan er een verwachting zijn dat er binnen de kerk op een liefdevollere manier met elkaar omgegaan wordt dan buiten de kerk. Omdat kerkmensen niet volmaakt zijn, is de kerkelijke gemeente ook niet vrij van spanning en conflict.
Ook al zijn de mensen niet volmaakt, Christus wil die onvolmaakte mensen gebruiken in Zijn dienst. Samen vormen ze het lichaam van Christus. Dat wil zeggen: al die gemeente zijn verbonden met Christus en daarom horen ze bij de gemeente. Daarom is de kerk niet alleen een gemeenschap van zondaren, maar ook een gemeenschap van heiligen. Zo belijden we dat ook in de geloofsbelijdenis: Ik geloof de gemeenschap der heiligen. Daar hoor jij ook bij. Samen met degenen die met jou in de kerk zitten en met jou aan het avondmaal aangaan.

Vraag 4: Hoe vind jij dat mensen in de kerk met elkaar om horen te gaan? Waar baseer je dat op?


Een kerk is altijd verbonden aan een plaats. De kerk heeft verantwoordelijkheid voor de mensen die bij deze plaats horen. Ook al zijn ze niet bij de kerk betrokken. Een plaatselijke gemeente heeft altijd ook eigenschappen die bij de lokale gemeenschap horen. Een kerk in Amsterdam is anders dan in Kamperveen. Zelfs tussen Oldebroek en Elburg kunnen verschillen zijn. Het is goed om respect te hebben voor die plaatselijke gewoonten. Behalve als die gewoonten botsen met het Evangelie.
Een plaatselijke kerk maakt ook altijd deel uit van de kerk wereldwijd. Zoals er geen perfecte kerk is, is er ook een ware kerk. De verschillende kerkgenootschappen vormen samen het lichaam van Christus. De Hervormde Gemeente Oldebroek is onderdeel van de Protestantse Kerk in Nederland. Deze Protestantse Kerk in Nederland zegt dat zij niet de ware kerk is, maar een van de gestalten waarin het evangelie vorm krijgt. Onze kerk erkent andere kerken. Dat houdt in dat een doop of een belijdenis van een andere kerk geaccepteerd wordt en omgekeerd: als je hier belijdenis doet, wordt dat bij overgang naar een andere kerk ook geaccepteerd.

Vraag 5: Welke kerken zijn er in Oldebroek? Wat weet je van de andere kerken die er in Oldebroek zijn?



De plaatselijke kerk is ook verantwoordelijk voor de gemeenteleden die aan deze kerk verbonden zijn. Door kinderclubs, jeugdgroepen, huisbezoek, ouderenmiddagen wordt geprobeerd om iedereen aandacht te geven. Het mooie van de kerk is dat er verschillende leeftijden bij elkaar in een gemeenschap zijn. Binnen de kerk kun je van verschillende leeftijden leren: je kunt als jongere leren van een oudere. Een oudere geeft vaak aan te leren van de openhartigheid waarmee jongeren over hun geloof kunnen spreken. In die zorg voor elkaar gaat het erom, dat je elkaar bij Christus houdt en dat je geloof levend blijft.

Wat heb je nodig om kerk te zijn? Stel: je wilt een nieuwe kerk oprichten, wat heb je daarvoor nodig? Allereerst een goede verkondiging van het evangelie, zodat er geen gekkigheid wordt verteld. In onze kerken is dat geregeld door degenen die predikant worden tijdens hun opleiding steeds te toetsen, bijvoorbeeld op hun geschiktheid en op hun geloof. In onze kerken is het ook geregeld door de ambten. Ambtsdragers hebben een verantwoordelijkheid voor de gang van zaken in de kerk.
Wat ook nog nodig is, is dat de sacramenten op de juiste manier worden bediend. Doop en avondmaal mag in onze kerk alleen maar iemand die bevestigd is als predikant. Daarmee laten we zien dat sacramenten ook iets heiligs hebben en niet zomaar gedaan kunnen worden.
Er is nog een derde kenmerk van wat een kerk is. Deze is wat lastiger. Dat is namelijk dat alles wat botst met het evangelie geweerd wordt. De bedoeling is dat gemeenteleden hun relatie met Christus serieus nemen en dat wanneer het mis gaat, wanneer zij die relatie verwaarlozen, dat zij daar op aangesproken worden. In het ergste geval kunnen ze, in het geval er echt iets mis is, uit de kerk worden gezet. Dat zijn ingrijpende maatregelen, die je niet zomaar in praktijk brengt, omdat zo’n maatregel lang niet altijd tot gevolg heeft dat iemand tot inkeer komt. Sterker nog: het komt vaker voor dat iemand verbitterd raakt en kwaad en teleurgesteld afscheid neemt van de kerk.

Vraag 6: Wat heb jij nodig om te voorkomen dat je geloof afzwakt?



Vraag 7: Wanneer luister je wel als je ergens op aangesproken wordt en wanneer niet?



We geloven dat de kerk een schepping van God is. Hij is het ook die de kerk in stand houdt. Als er een tijd is, waarin de kerk het moeilijk heeft, kan Hij de kerk nieuw leven inblazen. Als ergens geen kerk is, kan Hij daar een kerk brengen, zoals Hij de aarde ook uit niets geschapen heeft. Christus bewaart en onderhoudt de kerk. Tot Zijn wederkomst zal er een kerk op aarde zijn, waarin God wordt geprezen en gediend.

BIJBEL: Lees Handelingen 14:21-28

Vraag 8: De zielen van de aanwezige gemeenteleden worden versterkt. Waarom zullen Paulus en Barnabas dat hebben gedaan?



Vraag 9: Hoe zal dat gebeurd zijn: dat versterken van de zielen?


Vraag 10: Ze worden aan Gods genade opgedragen. Wat betekent dat?


Vraag 11: Ze vertellen over wat God heeft gedaan in de gemeenten die zijn bezocht. Wat zou je over Gods werk in Oldebroek kunnen vertellen?

 

Preek zondagavond 3 september 2017

Preek zondagavond 3 september 2017
Romeinen 1:1-20
Tekst: vers 11-12
Nabetrachting Heilig Avondmaal

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In het avondmaal worden we versterkt in onze band met Christus
en in onze band met elkaar.
We kunnen onze band met Christus niet versterken
als daar ook niet de onderlinge band in wordt meegenomen.
Ik word niet in mijn eentje opgebouwd en niet alleen mijn geloof wordt versterkt.
Daar aan de tafel zijn we een gemeenschap
en niet alleen als we aan de tafel zitten.
Zij die niet konden aangaan, zijn niet buitengesloten van deze gemeenschap.
Steeds weer kom ik onder de indruk van het bijzondere van de kerk als gemeenschap.
Het is makkelijk om te zeggen dat we als kerk geen een geheel zijn, geen gemeenschap,
maar ik kom daar steeds weer iets van tegen:
dat we als kerk bij elkaar horen, een gemeenschap met elkaar, om Christus heen.
Je hoeft maar in het ziekenhuis te komen bij een gemeentelid en de kaarten te zien.
Je hoeft maar een seizoen mee te draaien op de belijdeniscatechisatie
of een aantal jaar op de Bijbelkring om te zien hoe waardevol het is
om met elkaar het geloof te beleven, te belijden.
Steeds weer ontdek ik dat juist in dat samen optrekken zoveel genade gegeven wordt.
Je kunt bijvoorbeeld van elkaar leren,
van hoe iemand in zijn geloof staat,
bemoedigd worden door wat iemand vertelt over wat er is gebeurd in zijn of haar leven.
je kunt van elkaar leren hoe je omgaat met de dingen die je niet goed afgaan,
je worstelingen die je steeds het idee geven dat je niet verder komt
en dan hoor je een ambtsdrager of een ouder gemeentelid vertellen
dat zij die worstelingen maar al te goed kennen en daar soms nog wel te maken hebben.
Dat zijn de dingen die je ziet en die je hoort.
Er is ook een kant van de gemeenschap die je niet ziet, soms wel ervaart,
maar er wel degelijk is.
Bijvoorbeeld in het gebed voor elkaar.
Ik hoor dat wel eens terug dat er gemeenteleden zijn,
die in de week voor mij bidden of op zaterdagavond.
Dat is trouwens niet altijd makkelijk te aanvaarden,
want als ik in een slechte bui ben, denk ik:
je vertelt aan God dan ook hoe ik zou moeten preken.
Maar daarbij ga ik er aan voorbij dat zij voor mij bidden
en dat zij op hun eigen manier meewerken aan de preek
door mij bij God te brengen.
Het zou best eens een vorm van trots kunnen zijn
om de gebeden van een ander niet te kunnen verdragen.
Wat dat betreft kunnen we heel wat leren van Paulus.
Ik ben steeds weer onder de indruk van Paulus,
zo’n intelligente theoloog, zo’n grootse denken, zo’n harde werker.
Zijn grootheid, zo ontdek ik steeds meer, is dat hij voor zich laat bidden,
dat gebed nodig heeft
en omdat hij weet dat hijzelf dat gebed nodig heeft,
Steeds weer voor de gemeente bidt
vol dankbaarheid voor wat de Heere in de gemeente werkt.
Hij heeft daar oog voor; hij staat daar bewust bij stil.
En dat vind ik ook het bijzondere aan Paulus:
Dat hij zich niet verheven voelt boven anderen, meer dicht bij Christus,
maar dat hij andere mensen om zich heen nodig heeft,
een gemeenschap die voor hem bidt,
een groep mensen in wie hij kan zien hoe God bezig is.

Dat met elkaar bezig zijn met de dingen van de Heere – dat is het mooie aan de kerk.
Ik weet niet of in de afgelopen week in de voorbereiding van het avondmaal
alleen maar bezig geweest bent met uzelf.
Het kan zijn dat u de handen vol hebt aan uzelf, of u wel aan zou kunnen gaan.
In de week voor het avondmaal bid ik extra voor de gemeente,
voor degenen die naar het avondmaal uitkijken
en mijn gebed is dat die gemeenteleden, dat u, dat jij, sterker in het geloof wordt.
Ik bid voor degenen die aarzelen, die de worsteling kennen
en mijn gebed is dan dat u de ruimte ervaart om de uitnodiging aan te nemen
en dat u weet dat er ook voor u, voor jou bij de Heere aan de tafel een plek is.
En ook voor degenen die niet aan kunnen gaan,
of die op die zondagmorgen niet naar de kerk komen bid ik.
Het is bijzonder om zo voor bij de tafel te staan om te zien, hoe gemeenteleden opstaan
en de gang naar de tafel maken, naar voren komen.
Dan merk je de verbondenheid, ook omdat je van een aantal de achtergrond weet
of hebt mogen zien hoe ze in de afgelopen tijd zijn gegroeid,
bijvoorbeeld door belijdeniscatechisatie te volgen,
door mooie dingen die gebeurden: een huwelijk, een geboorte, of juist door tegenslag.
Het is bijzonder om te zien welke manieren de Heere gebruikt
om iemand verder te laten groeien in het geloof.
Ik kan me goed voorstellen dat het Paulus’ verlangen is om naar Rome te mogen gaan.
Want het is een voorrecht om te zien hoe de Heere werkt.
Dat zou ik ook willen meegeven aan de broeders
die door de kerkenraad op de lijst zijn geplaatst voor de verkiezing ambtsdragers
en ook tot degenen die opgelucht zijn, omdat zij juist niet op de lijst geplaatst zijn.
Ambtsdrager zijn is niet alleen een last, een opgave, natuurlijk dat kan het ook zijn,
maar ambtsdrager zijn is ook een genade en een voorrecht:
Het voorrecht om getuige te mogen zijn van wat God in een mensenleven doet.
Het is een extra voorrecht, omdat je zelf ook weer bemoedigd wordt
als je ziet hoe iemand verder komt in het geloof.
Hoeveel de gemeente voor Paulus betekent, blijkt wel in zijn gebed
en in de vele praktische aanwijzingen aan het einde van elke brief voor de gemeente.
Geloven heeft voor Paulus alles te maken met hoe je in de gemeente met elkaar omgaat,
hoe je je naar elkaar opstelt, of je bereid bent om een stapje terug te doen,
juist om de ander dichter bij Christus te brengen,
om de ander in staat te stellen God te leren kennen of beter te leren kennen.

Je bent nooit uitgeleerd, niet als beginnend gelovige, niet als ambtsdrager,
als ouderling of als predikant en ook niet als apostel.
Steeds weer heb je die gemeenschap om je heen nodig,
om meer te leren van de weg die Christus met mensen gaat.
Paulus schrijft dat graag naar Rome wil komen om zelf ook bemoedigd te worden.
Er zit iets wederzijds in – samen, we bemoedigen elkaar.
Geloven doe je niet alleen, maar met elkaar in een gemeente
en wanneer je wegblijft houd je iets wezenlijks achter voor je gemeenteleden,
namelijk hoe de Geest in jou bezig is
en laat je de mogelijkheid onbenut dat je voor een ander tot voorbeeld bent,
dat jij er aan mag bijdragen dat je het geloof van een ander versterkt.
Bemoedigd worden gaat voor Paulus niet één kant op, maar gaat twee kanten op:
Ik bemoedig de ander en de ander bemoedigt mij
en uiteindelijk komt die bemoediging van de Heere vandaan
– we worden bemoedigd samen, namelijk door God
en daar gebruikt Hij mensen voor, zoals Paulus, zoals een ouderling of een predikant,
iemand op de Bijbelkring of iemand die catechese geeft
of meedoet met de kindernevendienst of een morgen op zondagsschool leiding geeft,
maar ook degenen die maar een hele kleine taak heeft
of zelfs helemaal geen taak binnen de gemeente, maar alleen op zondag aanwezig is.
God gebruikt ons allemaal om elkaar te bemoedigen.
Daarom hoop ik trouwens dat er aanmeldingen zullen zijn
voor de belijdeniscatechisatie – om de Heere beter te leren kennen.
Juist als u voor uw gevoel niet zoveel te brengen hebt, dan bent u welkom.
Want juist het er open voor staan, het op zoek gaan om meer te weten
de bereidheid om te leren – maakt steeds weer indruk op mij
en het is mooi om te zien hoe iemand groeit in geloof,
van een aarzelend geloof, een geloof met misschien wel weinig kennis
naar een geloof dat bereid is om van Christus te zeggen: U bent mijn Heer, mijn Redder.
Bovendien: geloof is nooit een prestatie van onszelf, niet iets dat wij zelf moeten doen
en geloof is dus ook nooit een niveau dat we kunnen bereiken uit onszelf.
Geloof is voor Paulus een geschenk – en hij heeft dat zelf ervaren
toen hij op de weg naar Damaskus stil gezet werd.
Misschien is het wel een voordeel als u er weinig van weet,
en als u er niet zo goed in bent om het geloof in praktijk te brengen,
want dan staat u er misschien meer voor open om het geloof te ontvangen.
Veel kennis kan ook een belemmering worden, als het gepaard gaat met een trots,
een belemmering als je te trots bent om te buigen, omdat je het zo goed weet.
En ook dat kan een bemoediging zijn, als je ziet dat iemand die te trots is om te geloven
nederig wordt en bereid is om neer te knielen en zich over te geven aan God.
Laat het in ieder geval geen trots zijn, waardoor u niet verder komt in het geloof.
Want trots is nooit zo goed voor het geloof, eerder een belemmering.
Ik las in deze week bij een schrijfster die geregeld kloosters bezoekt,
dat deel uit maken van een klooster een oefening is in nederigheid.
Deze schrijfster was protestants opgevoed, maar van de kerk afgehaakt
omdat ze haar eigen weg wilde volgen, zichzelf ontwikkelen.
Als ze vastloopt in haar leven begint ze kloosters te bezoeken.
Juist om die wereld vreemd voor haar is, vallen de dingen op.
Als ze een keer het ontbijt klaar maakt voor een monnik, met wie ze bevriend raakt,
vraagt ze hem hoe hij zijn ei bij het ontbijt wil.
Hij kijkt haar verbaasd aan en weet eigenlijk niet goed wat hij moet zeggen.
Hij is dat niet gewend dat die keuze aan hem gevraagd wordt.
Hij krijgt zijn eten steeds voorgeschoteld zonder een keuze te kunnen maken.
De behoefte van de gemeenschap gaat voor het individu.
Ze voegt daar de waarneming aan toe dat het juist in deze tijd zo moeilijk is
om gelovig te leven, omdat alles in onze maatschappij erop gericht is
om je eigen keuze te maken, zelfs als dat ten koste gaat van de gemeenschap.
Eerst mijn eigen behoefte bevredigen en wat dat met de ander te maken heeft
dat zoekt die ander maar uit, dat is niet mijn pakkie-an.
Ik las dat gisteren in twee columns in Trouw terug:
de ene column ging over de politiek,
over de presidentsverkiezingen in de VS en de verkiezingen voor de Tweede Kamer.
Hoe je in die verkiezingen kunt zien, dat de ontwikkelingen in de afgelopen 50 jaar
ertoe hebben bijgedragen aan de vrijheid van het individu,
maar dat dat wel ten koste gaat van de gemeenschap en
dat zowel Trump als Clinton geen visie hadden hoe de gemeenschap gediend kan worden.
En dat we dat ook bij de kabinetsformatie kunnen zien
dat er steeds minder partijen bereid zijn om te denken aan het geheel van ons land
en alleen nog maar in achterbannen.
De ander ging over voetbal, dat je in de huidige generatie niet meer de bereidheid ziet
om jezelf dienstbaar te stellen in het bredere geheel.
Ik noem dit alleen om aan te geven, hoe kostbaar het evangelie is
en hoe zuinig we moeten zijn op de kerk als gemeenschap
en dat het niet iets vanzelfsprekends is dat we binnen de kerk elkaar dienen
en dat we daar steeds weer aan moeten werken
dat we steeds moeten beseffen dat we kwetsbaar zijn
als eigenbelang en trots vrij spel krijgen en niet bestreden worden.

Als ik de brieven van Paulus lees, voelt hij het haarscherp aan,
dat trots en eigenbelang haaks staan op het dienen van Christus.
Het moet wel dat hij dat zelf heeft herkend dat trots met je aan de haal kan gaan.
Paulus houdt mij daarom steeds weer een spiegel in – om te strijden tegen die trots,
Paulus die zelf gedwongen werd om te knielen,
omdat hij vanuit zijn trots tegen God streed in plaats van voor God werkte.
Paulus is dienaar geworden, je zou het ook kunnen vertalen als slaaf:
Hij heeft Christus een Meester gekregen die over zijn leven bepaalt.
Als hij schrijft dat hij niet kan komen, is dat niet omdat er geen financiën waren
en ook niet omdat hij een te volle agenda is, of dat het bezoek er bij in geschoten is,
Nee, Paulus heeft verscheidene keren plannen gemaakt,
maar hij kreeg geen groen licht van zijn Meester, hij mocht niet gaan,
omdat hij elders nodig was, waarschijnlijk op plekken waar het evangelie nog niet gebracht was, en Rome was minder nodig, want daar was al een gemeente ontstaan.
Groeien in geloof is voor Paulus groeien in gehoorzaamheid, in overgave,
groeien in nederigheid en niet meer denken vanuit je eigen belang,
en niet meer je laten leiden door je trots, maar Christus op de eerste plaats stellen.
Dat is groei in geloof.
Gebed voor de gemeente, voor elkaar is na de avondmaalszondag niet voorbij.
Het gaat er nu om te leven uit wat u gekregen hebt.
Vergeving van zonden is heel mooi, een kostbaar geschenk,
maar je verwaarloost dat geschenk ook weer als je die vergeving niet ziet
als een aansporing om in de komende tijd wel weer te proberen te leven in gehoorzaamheid.

laat ieder zijn of haar geweten onderzoeken of u ook gezind bent voortaan met uw hele leven waarachtige dankbaarheid aan God de Heere te bewijzen en oprecht te wandelen voor Gods aangezicht. En eveneens of u, terwijl hij van harte alle vijandschap, haat en afgunst aflegt, zonder enig huichelen, een ernstig voornemen heeft voortaan in waarachtige liefde en eensgezindheid met uw naaste te leven.


Ondanks dit alles, omdat wij door de genade van de Heilige Geest van harte bedroefd zijn over zulke gebreken en wij verlangen tegen ons ongeloof te strijden en naar alle geboden van God te leven,

Ook daarom hebben we elkaar nodig,
om elkaar hierbij te helpen de weg van Christus te gaan,
om te strijden voor wat we kunnen, met hulp van de Heilige Geest
Zo word je door elkaar bemoedigd in het geloof.

Samen te strijden in woord en in werk.
Eén zijn in U, dat alleen maakt ons sterk.
Delen in vreugde, in zorgen, in pijn,
als uw kerk, die waarachtig wil zijn.

Zo samen in liefde te gaan, schouder aan schouder te dienen in Gods wijngaard,
is een voorrecht, die ons door God wordt gegeven,
want zo met elkaar kunnen we bij elkaar zien wie God is.

Heer, wat een voorrecht om in liefde te gaan,
schouder aan schouder in uw wijngaard te staan,
samen te dienen, te zien wie U bent.
Amen

Preek Tweede Pinksterdag 2017

Preek Tweede Pinksterdag 2017
Schriftlezing: Kolossenzen 1:1-11
Tekst: vers 8-9

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

‘Er komt een schip uit Kolosse in de haven aan!’
Bij dat bericht kijkt Paulus vol verwachting op.
Zou Epafras op dat schip aanwezig zijn?
Dat zou mooi zijn, want dan kan hij eindelijk weer eens horen,
hoe het in de gemeente van Kolosse gaat.
Paulus gaat naar de haven toe, om te kijken wie er allemaal op het schip zijn meegekomen.
En inderdaad, fijn!, daar ziet hij Epafras ook op het schip.
Hij is naar hem toegekomen om voor overleg
en Paulus bij te praten over hoe het met de gelovigen in Kolosse gaat.
Als Epafras van het schip komt, volgt er een hartelijke begroeting
en Epafras wordt door Paulus meegenomen naar zijn huis,
Waar hij ervoor zorgt dat Epafras van eten en drinken wordt voorzien.
Ondertussen brandt Paulus van nieuwsgierigheid:
hoe gaat het met Epafras zelf, hoe gaat het in de gemeente waarin hij werkzaam is.
Epafras vertelt hoe de reis verlopen is, hoe het met hemzelf gaat
en over de gemeente kan hij veel goede dingen vertellen.
Ik stel het me zo voor, dat Epafras vertelt over hoe de gemeente bij elkaar komt.
‘Paulus, je weet dat we in Kolosse maar met een kleine groep zijn,
maar je moest eens weten hoe moedig ze zijn, zonder dat ze dat zelf zo zouden zeggen.
Ken je Patricius nog? Weet je nog dat zijn familie niets meer van hem moest weten?
Dat is nog steeds zo, maar hij heeft in de gemeente een nieuw thuis gevonden.
De gemeente is voor hem als een nieuw gezin geworden.
Het is mooi om te zien hoe ze met z’n allen klaar staan om hem op te vangen.
Had je al gehoord Felix overleden is?
Zijn vrouw en kinderen worden door de gemeenteleden opgevangen.
Het is best een offer dat de gemeenteleden moeten brengen, maar ze doen het met alle liefde.
En weet je wat ook zo mooi is, Paulus?
Elke keer als we met elkaar avondmaal vieren, nemen alle gemeenteleden iets extra’s mee.
Als ze een mantel over hebben of een paar schoenen, nemen ze het mee.
En dat wordt dan nog steeds uitgedeeld aan de mensen in de stad die niets hebben.
Ook de mensen die het niet zo breed hebben, dragen hun steentje bij.
Ze nemen wat eten mee om dat ook door te geven.
Je zou hun gezichten eens moeten zien, als ze dat meebrengen.
Daarmee laten ze hun dankbaarheid zien, voor wat Christus aan het kruis heeft gedaan.
Er zijn sinds je weg bent, best wat mensen bij gekomen.
Sommigen hebben van ons gehoord, doordat we uitdelen aan de armen
en anderen worden door gemeenteleden meegenomen.
Ze worden met open armen ontvangen in de gemeente.
Een aantal van hen heeft ook al bezoek vanuit de gemeente ontvangen
om hen meer te over Christus.
Paulus, en weet je wat Filemon gedaan heeft, toen hij van jou die brief kreeg
de brief die jij hem schreef over zijn slaaf die weggelopen was en bij jou was aangekomen?
De eerstvolgende keer dat we als gemeente bij elkaar kwamen
stond hij tijdens de dienst op, om aan te geven dat hij iets wilde vertellen.
Hij zei: “Ik heb een brief gekregen van Paulus en die brief gaat over een slaaf van mij.
Jullie weten daar vast iets van, dat mijn slaaf Onesimus is weggelopen.
Ik heb een brief van Paulus gekregen waarin hij vertelt
Dat Onesimus bij hem is aangekomen
en dat Onesimus, op wie ik zo gemopperd heb omdat hij weggelopen was,
voor Paulus van grote betekenis is. Ik ben nu blij dat ik dat weet
en ik dank God er in Christus voor dat het zo heeft moeten lopen.’

Ik stel me zo voor, dat terwijl Epafras aan het vertellen is over de gemeente in Kolosse,
Dat zijn ogen steeds meer gaan glinsteren en dat hij blij en dankbaar is
voor het verslag dat Epafras over de gemeente van Kolosse vertelt.
Die ogen glinsteren, omdat de gemeenteleden de boodschap goed begrepen hebben,
die Paulus hen had verteld,
Dat geloven niet alleen maar iets van het hoofd is, maar ook van de handen,
dat het niet alleen voor de zondag is, maar ook voor de doordeweekse dagen.
Dat geloven ook betekent dat je naar elkaar omziet
en in je daden iets van de liefde van Christus laat zien.
De ogen van Paulus glinsteren helemaal, omdat hij weet,
dat wat er in de gemeente gebeurt, het werk van de Heilige Geest is.
‘Weet je, Epafras,’ zegt Paulus, ‘we moeten onze Heere daarvoor danken.
Want ik hoor, dat de Heilige Geest in hen de liefde wekt.
Wat je vertelt, dat is liefde door de Geest.
Daar moeten we de Heere voor danken.
En weet je, Epafras, ik zal elke dag danken voor de gemeente in Kolosse
en dan steeds danken dat de Heilige Geest in de gemeente werkt
en de gemeente gebruikt om Christus uit te stralen.’
En Paulus doet dat ook elke dag.
Er gaat geen dag voorbij, of Paulus dankt de Heere
voor het werk van de Heilige Geest in de gemeente van Kolosse.
Als hij voor de gemeente dankt, dan ziet hij de mensen weer voor zich:}
Patricius, de weduwe van Felix en haar kinderen, Filemon.
Hij ziet het voor zich hoe de gemeente avondmaal viert
en na afloop de goederen uitdeelt onder de armen
en hoe er daardoor een vreugde in de gemeente is.
Paulus moet wel danken en elke dag opnieuw doet hij dat.
De week gaat voorbij, de maand gaat voorbij:
er gaat geen dag voorbij zonder dankgebed voor de gemeente in Kolosse,
geen enkele keer vergeet hij te danken voor wat de Heilige Geest daar doet.
Na een tijd zegt Paulus tegen Epafras:
‘Ik wil dat de gemeente dat weet, dat ik elke dag voor hen dank.
Ik wil dat er enkele mensen naar hen toe gaan.
Jij blijft hier, maar ik zal Tychicus sturen, die ons hier zo trouw helpt.
Dan kan hij vertellen dat ik elke dag voor hen dank.
Weet je wat ik ook zal doen? Ik zal Onesimus meesturen,
dan kunnen ze met eigen ogen zien, hoe hij is gegroeid in zijn geloof.
Hij is er één van hen. Wat zullen ze opkijken, als ze zien wat hij nu betekent.
Ze zullen zijn komst als een bemoediging ervaren.
Ik wil hen nog meer laten weten.
Ik wil hen ook laten weten, dat ik voor hen een speciaal gebed heb:
dat zij helemaal vol worden van Gods wil,
en dat ze alle wijsheid van de Heilige Geest ontvangen,
die ze nodig hebben om als gelovige daar in die grote stad Kolosse te leven
en dat ze van de Geest wijsheid ontvangen om kerk te zijn daar in Kolosse.
Ze moeten weten dat ik daar elke dag bij God om vraag
en elke dag weer opnieuw aan de Heere vraag, of Hij die wijsheid wil geven
en of Hij hen steeds duidelijk wil maken,
wat ze daar moeten doen in Kolosse, wat Gods wil voor hen is,
Dat ze die wil te weten mogen komen.’
Zo gaan Tychicus en Onesimus op pad.
Wat een vreugde zal dat geven in de gemeente van Kolosse.
Wat zullen ze zich bemoedigd en gesterkt voelen.
Denkt u niet?

Weet u, wat ik zo mooi vind aan dit gedeelte?
Die verbondenheid.
Paulus, die elke dag voor de gemeente dankt en bidt.
Paulus die geen enkele dag overslaat.
Het is een vast ritueel geworden, een vast onderdeel van zijn dag.
Paulus, die zoveel te doen heeft.
Kolosse is niet de enige gemeente die zijn aandacht vraagt.
En toch, hij neemt de tijd om aan deze gemeente te denken,
om deze gemeente bij God te brengen
om te bidden om de Heilige Geest voor deze gemeente,
om te bidden of deze gemeente Gods wil mag leren kennen
en dat ze die wil ook in praktijk gaan brengen.
Paulus schreef ooit dat de gemeente een lichaam was: Christus was het hoofd

en iedere gelovige was een deel van dat lichaam, dat niet gemist kon worden.
Nu begrijp ik, dat dit bij Paulus niet alleen maar een mooi beeld is,
maar dat hij door middel van dat beeld wil uitleggen, hoe hijzelf de gemeente ervaart
en hoe hijzelf omgaat met de gemeente.
Hij voelt zich verbonden met de gemeente, in welke plaats die ook is.
Hij is net zo verbonden met de gemeente van Laodicea als met de gemeente van Kolosse,
Terwijl in die tijd Laodicea de stad Kolosse aan het voorbijstreven was.
Hij is net zo verbonden met de gemeente van Filippi, die hem steeds ondersteunt,
Als met de gemeente van Korinthe, met wie hij steeds overhoop ligt
en die vinden dat hij te weinig charisma heeft.
Met de gemeente van Rome is hij verbonden, ook al is hij er nog nooit geweest.
Voor Paulus is dat niet een sentiment, een gevoel alleen,
Dat is voor hem een principieel punt: want het is het werk van de Geest,
die gemeenteleden met elkaar verbindt, omdat ze aan Christus verbonden zijn.
Wie van Christus is, leert dat het leven niet om jezelf draait,
niet om je eigen belangen of prioriteiten, niet om alles uit jezelf te halen,
maar dat je leven om Christus draait en daarmee ook om andere mensen.
Dat laat de samenvatting van de wet ook zien:
God liefhebben boven alles en de naaste als jezelf.
Dat is wat God vraagt
en Paulus vraagt steeds in zijn gebed of God het duidelijk wil maken
wat het in Kolosse betekent om God lief te hebben boven alles
en wat het betekent om je naaste lief te hebben als jezelf.
Dat kan in Kolosse iets anders betekenen dan in Efeze.
Dat heeft in Korinthe andere consequenties dan in Rome.
Maar wat in alle plaatsen hetzelfde is, dat het de Geest is,
Die ervoor zorgt dat het liefhebben van God en het liefhebben van de naaste
in praktijk wordt gebracht, heel praktisch wordt gemaakt
in de zorg voor mensen die het moeilijk hebben,
in het uitdelen aan mensen die niets hebben,
in dankgebed en voorbede voor gemeenteleden.D
De Geest verandert daarvoor het hart, zodat er liefde komt
en we vanuit de liefde die God heeft voor ons in het leven staan
en dat die liefde door ons heen naar anderen toegaat,
zodat de mensen die deze liefde niet kennen, via ons Gods liefde leren kennen.
Wij zijn Gods visitekaartje – Paulus gebruikt het beeld van de leesbare brief:
De mensen die helemaal onbekend zijn met God
kunnen aan ons gedrag, onze houding zien wie God is,
wat Christus op aarde kwam doen en dat Christus ook voor hen gekomen is.
Verbondenheid en zorg voor elkaar – dat is de gemeente.
Onderling, binnen de gemeente, maar ook naar andere christenen over de wereld.
Ook al kennen wij die niet persoonlijk.
Christenen die in gebieden leven, waar we misschien nog niet eens van hebben gehoord.
De Geest verbindt ons hier in Oldebroek en ‘t Loo met gelovigen
die in Kirgizië leven en Bangladesh, op de Filippijnen en in Noord-Siberië.
Of wij hun taal spreken, of wij hun gewoonten begrijpen, of wij hun omstandigheden kennen,
dat maakt niet uit,we zijn met elkaar verbonden
en dat is niet alleen iets dat we zeggen, maar ook in praktijk hebben te brengen.
Door een zendingskrant te lezen, door de gebedskalender van Open Doors te gebruiken,
door voor bepaalde zendelingen te bidden en de nieuwsbrieven te lezen.
Door zendingswerk ook financieel te steunen.
dat je met de ogen van een zendeling naar je eigen plaats gaat kijken.
Wat kan ik heel praktisch doen, om het evangelie hier uit te dragen,
om hier iets van Christus te laten zien, niet alleen in woorden, maar ook door mijn houding
en mijn manier van leven, door hoe ik ben,
dat het evangelie mijn hart en mijn leven verandert, dat andere mensen merken
dat er in mij een andere Geest is: de Heilige Geest.

Paul Phillipi, een hoogleraar theologie die lesgaf over diaconaat deed een klein experiment.
Hij vroeg de mensen, wat de belijdenis over de kerk zei.
Hij was een Luthers theoloog en vroeg naar de Augsburgse Confessie.
Aan mensen die hun eigen traditie redelijk kenden vroeg hij:
‘Wat vertelt de Augsburgse Confessie over de kerk.‘
Ze kregen weinig bedenktijd, want dan zeiden ze wat ze zich levendig kunnen herinneren.
Het antwoord kwam: ‘De kerk is daar waar het evangelie zuiver geleerd wordt
en de sacramenten op de juiste wijze worden bediend.’
Dat was bijna goed: er waren enkele woorden overgeslagen:
De kerk is de gemeenschap der heiligen waar het evangelie zuiver geleerd wordt
en de sacramenten op de juiste wijze worden bediend.’
Met het antwoord dat uit het geheugen gegeven werd, draaide de kerk alleen om de eredienst
in de geloofsbelijdenis is de kerk meer dan dat.
De eredienst is wel het hart, de zondagse en ook de eredienst in huis,
maar de kerk is ook een gemeenschap.
We zijn geen losse individuen, maar aan elkaar verbonden, aan elkaar gegeven door Christus.

In de Heidelberger Catechismus is de kerk ook die gemeenschap.
Wat gelooft gij aangaande de heilige katholieke kerk?
Antwoord: Dat de Zoon van God van het begin tot aan de wereld zich uit de gehele mensheid
een gemeente, die tot het eeuwige leven is uitverkoren, door Zijn Geest en Woord in de eenheid van het ware geloof vergadert, beschermt en instandhoudt; en dat ik daarvan een levend lid ben.

Paulus gaf het voorbeeld, het voorbeeld dat hijzelf van de Heilige Geest leerde.
En de gemeente van Kolosse nam dat voorbeeld over,
niet alleen omdat Paulus dat voorbeeld gaf, maar omdat de Geest hen dat leerde,
in hun hart de liefde wekte.
Paulus ziet het werk van de Geest in dankbaarheid in de gemeente van Kolosse.
We mogen vandaag ook danken voor wat de Geest allemaal in onze gemeente doet,
hoe Hij hier liefde wekt en verbondenheid met elkaar.
Wij zijn hier niet de ideale gemeente.
Dat zal pas in de hemel zijn.
Hier op aarde zijn we onvolmaakt en niet altijd gericht op Gods wil.
Daarom dat gebed van Paulus: om Gods wil heel concreet in Kolosse kenbaar te maken.
En Paulus kan er gelijk ook voor danken.
Als we bidden om hier Gods wil te mogen verstaan,
Hoe wij hier God kunnen dienen, mogen wij onze ogen niet sluiten
voor wat de Geest reeds doet, en daar net als Paulus elke dag weer opnieuw voor danken.
Dankbaarheid voor wat de Geest doet
en gebed, zodat de Geest steeds weer opnieuw duidelijk maakt wat God vraagt
gaat samen op, horen bij elkaar.
zodat u wandelt op een wijze de Heere waardig, Hem in alles behaagt, in elk goed werk  vrucht draagt en groeit in de kennis van God terwijl u met alle kracht bekrachtigd wordt, overeenkomstig de sterkte van Zijn heerlijkheid, om met blijdschap in alles te volharden en geduld te oefenen. (vers 10-11) Amen

Preek zondag 16 juni 2013

Preek zondag 16 juni 2013
2 Korinthe 1:8-18.
Tekst: vers 11

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Meeleven
Meeleven is van groot belang. Ik hoor geregeld van gemeenteleden die genoemd worden bij de voorbeden dat zij kaarten van gemeenteleden ontvangen. Soms van gemeenteleden die zij zelf niet kennen. Door die kaarten worden ze bemoedigd: ze beseffen dat er anderen zijn die aan hen denken. Niet alleen bij moeilijke omstandigheden wordt meeleven op prijs gesteld, maar ook bij mooie gebeurtenissen, zoals een huwelijks jubileum of het behalen van het examen.
Het zou zo maar kunnen dat u vanmorgen in de kerk zit en ondertussen aan iemand anders denkt. Meeleven betekent immers dat je geregeld aan de ander denkt: hoe gaat het er mee? Zal zij het redden? Wat maakt zij nu op dit moment door?
Zeker als er zorgen zijn kunnen de gedachten helemaal vol zijn met de ander, met vragen over hoe het gaat, met angst of spanning. Dat is vaak een goed teken: wie veel met een ander bezig is, heeft vaak een ruim hart. Ruim genoeg om veel aan de ander te denken, om mee te leven of mee te helpen.
Dat houdt ook in dat u de ander overal mee naar toe neemt: Tijdens een verjaardag kunnen de gedachten tijdens een gesprek zomaar afdwalen naar die ander. Of je zit nu in de kerk en omdat je stil zit, kunnen je gedachten zo de hele tijd bij die ander zijn.

Voorbede
De Heere heeft ons dan een mooi middel gegeven, om niet machteloos te zijn: de voorbede. We hebben de mogelijkheid om iemand anders in onze gebeden te gedenken en door het gebed kunnen wij een ander voor Gods troon brengen en zo onder de aandacht van de Heere brengen.
Als we die mogelijkheid niet hadden, om degenen die in onze gedachten zijn, degenen waar we ons zorgen om maken, degenen die ons dierbaar zijn, bij de Heere te brengen, hoe vaak zouden wij dan niet met lege handen staan en machteloos, niet in staat om te helpen? Dan is voorbede een uitkomst, een bijzondere weg die de Heere ons schenkt.

Voorbede voor Paulus
Ook voor de gemeente in Korinthe was het een manier om toch nog iets voor Paulus te kunnen betekenen.
De berichten over Paulus waren in Korinthe doorgedrongen. In de contacten die er waren tussen de verschillende gemeenten en tussen de verschillende medewerkers van Paulus was ook dit bericht over Paulus doorgekomen Hij beschrijft er in deze brief iets over, we kunnen het nalezen in vers 8 en 9: hij beschrijft daar hoe hij het zwaar te verduren heeft gekregen, zelfs zozeer dat hij dacht dat het einde van zijn leven was aangebroken. Hij wanhoopte aan zijn leven, Paulus dacht dat hij het er niet meer levend vanaf zou brengen.
We weten niet precies wat er zich heeft afgespeeld: Het kan zijn dat Paulus gevangen genomen was en dat hij al te horen had gekregen dat hij de gevangenis niet meer levend zou verlaten, omdat zijn doodvonnis al was uitgesproken. Of wellicht dat Paulus door een ernstige ziekte geveld was en dat hij zo ziek was dat hij niet meer verwachtte er boven op te komen.
In de gemeente van Korinthe kwam het bericht ook en ook al waren de verhoudingen tussen Paulus en de gemeente gespannen, de gelovigen in Korinthe konden maar één ding doen, het enige juiste: ze gingen op de knieën en brachten Paulus bij de Heere. Ze deden dat vanuit het geloof dat de Heere in staat was om het Paulus weer terug te brengen.
Ze geloofden dat de Heere daarvoor de macht had: God heeft immers Zijn eigen Zoon uit de dood opgewekt, dan kon Hij Paulus toch ook redden? Ook al was voor hen als mensen en ook voor Paulus de situatie hopeloos en leek het er op dat er niets meer te doen was dan af te wachten tot het bericht van Paulus’ dood hen zou bereiken en hen verslagen zou maken, want Paulus had wel veel voor de gemeente betekend.

Er is een God die hoort
Dat laat zien dat bidden niet alleen iets passiefs is, waarbij we de omstandigheden over ons heen laten komen, vanuit de gedachte dat wij ons erbij neer moeten leggen, want er is toch niets meer aan te doen. Bidden is actief: het opzoeken van de Heere, naderen voor Hem en pleiten, een beroep doen.

Het is wel een verleiding om bij bidden te denken dat het geen zin heeft.
Een collega vertelde mij dat hij eens in het ziekenhuis had gestaan bij iemand die in coma lag. Hij vroeg of hij een gebed mocht uitspreken, waarop de verpleegster antwoordde: “Dat heeft geen zin meer.” De collega antwoordde: “Maar Hij wel!”

Is het niet zo, dat we soms in vertwijfeling kunnen bidden, dat we moeten bidden, maar dat de overtuiging ontbreekt, dat de Heere hoort en de Heere nog kan ingrijpen om te veranderen. Daarom is het goed dat hier dat lied zo graag gezongen wordt: Er is een God die hoort. We hebben dat als gemeente ook nodig om dat elkaar steeds weer te herinneren: dat de Heere ook daadwerkelijk hoort en er iets mee doet.
Het voorbeeld van mijn collega hoorde ik enkele jaren geleden en heeft mij gestimuleerd om te bidden, ook waarin ik het gevoel had dat het toch geen zin meer had.

Niet kunnen bidden
Paulus had zich er al bij neergelegd dat zijn aardse weg tot een einde gekomen was. Hij dacht dat hij het niet meer zou redden. Zou hij dan zelf nog gebeden hebben om herstel of om bevrijding? Ik weet het niet, maar het zou zo maar kunnen dat Paulus daar niet meer om gebeden had omdat hij zich er bij neer gelegd heeft. Veel vertelt Paulus niet over wat hij heeft doorgemaakt, maar wel dat het voor hem een crisis was, waarin hij alle zekerheden kwijtraakte. Alleen ontdekte hij aan het einde van die crisis dat God er is, de Heere die de doden opwekt en ook mensen kan redden van de naderende dood. Meer vertelt hij niet over de crisis die hij doormaakte.
Ik kan alleen maar proberen in te denken door vanuit de verhalen die ik hoor na te gaan hoe het voor Paulus geweest moet zijn. Dan denk aan de vrouw die te horen kreeg dat zij ernstig ziek was, een boodschap die hard aankwam en haar stuurloos en verslagen maakte. De ouderling was er al geweest en vertelde mij hoezeer het bericht haar van slag had gemaakt. De vrouw kon het niet bevatten. De ouderling vertelde mij hoezeer zij lamgeslagen was en vertelde mij ook: Zij kan niet bidden. Daarom kwam ik geregeld langs om te horen hoe het ging, maar vooral ook elke keer voor haar te bidden, zodat zij toch mocht ervaren dat er voor haar gebeden werd. Al zal ik niet de enige geweest zijn die voor haar gebeden zal hebben. Ook haar familie zal aan haar hebben gedacht in hun gebeden.
Als je zelf niet meer kunt bidden, is het een hele steun als er anderen zijn die dat wel kunnen en die dat voor je doen. Die aan je denken als ze bidden en je meenemen naar de Heere toe. Zoals Paulus dat schrijft: het is een grote steun geweest en hij is er de gemeente erg dankbaar voor. Alleen daarom al is de voorbede een noodzaak, omdat er gemeenteleden zijn die zelf niet meer in staat zijn om te bidden, die geen woorden meer hebben, die zich te machteloos voelen, te verslagen.

Redenen waarom gebed niet gaat
Er kunnen jongeren zijn, die al veel hebben meegemaakt. Misschien is deze dag wel een moeilijke dag voor je, omdat je al een hele tijd een slechte band hebt met je vader. Of je hebt al helemaal geen contact meer met hem en op deze dag wordt je eraan herinnerd. Die pijn over een vader die er niet was kunnen een belemmering zijn om te geloven dat God jouw vader wil zijn.
Misschien is het voor u wel lang geleden dat u gebeden hebt omdat u al vanaf uw kindertijd een moeizaam leven hebt, waardoor u zich afvraagt: wil God aan mij laten zien welke afstand er is tussen Hem en mij – een afstand die niet te overbruggen is.

Misschien is het al lang geleden dat er voor u gebeden is. Uw man en uw kinderen hebben niet veel meer met geloof en hebben ook het bidden opgegeven en zou u wel willen dat er iemand kwam om voor u te bidden.

Voorbede van Christus
Ik kan u zeggen dat er voor u gebeden wordt. Wellicht niet hier op aarde, maar dan wel in de hemel. Paulus geeft dat hier in dit gedeelte niet aan, omdat hij hier de gemeente bedankt voor hun gebed, maar er is niet alleen een God die hoort, er is ook Eén die voor ons bidt. De Bijbel vertelt op andere plaatsen, dat de Heere Jezus in de hemel is om voor ons te bidden.
Zoals een hogepriester vroeger het offer in het allerheiligste bracht, waar niemand mocht komen, zo brengt de Heere Jezus als hemelse hogepriester ons, ons leven, onze zorgen, onze behoeften op de heiligste plaats die er is: voor de troon van God. Er wordt dus altijd voor u en voor jou gebeden, door niemand minder dan de Heere Jezus zelf. Hij brengt u en jou allemaal voor Gods troon en onder de aandacht van de Heere: Vader, denkt u ook aan hem, aan haar. In de hemel wordt uw, jouw naam genoemd.
Calvijn beschrijft dit gebed van Christus in de hemel als een veilige haven. Waarin de gelovige rust en geborgenheid kan vinden. (Commentaar op Johannes 17). We kunnen er aan de kade liggen, om uit te rusten, niet meer bang om te hoeven vergaan, nieuwe krachten op doen, nieuwe voorraad inslaan.

Gemeenschap met Christus
In de afgelopen weken hebben we stilgestaan bij de gemeenschap met Christus: de kerk is een gemeenschap van en met de Heere Jezus. In Zijn gebed voor ons kunnen we zien wat die gemeenschap inhoudt, wat de Heere zelf doet in die gemeenschap. Verbonden zijn met Hem houdt dus in dat Hij voor ons bidt.
Door de Heere Jezus zijn we ook gemeenschap met elkaar. Omdat de Heere voor ons bidt, bidden wij voor elkaar worden wij opgeroepen en opgedragen om voor elkaar te bidden. Door voor elkaar te bidden gaan we op de Heere Jezus lijken, worden we zoals Hem. Wij missen Zijn kracht, maar we kunnen anderen wel bij Hem in die veilige haven brengen. We gunnen die veilige haven ook aan anderen. In die veilige haven kunnen we niet alleen aan onszelf denken.
Als de Heere Jezus voor ons bidt, dan kunnen we in ons gebed niet alleen aan onszelf denken. We worden ruimhartig, omdat we beseffen dat Hij voor ons bidt en we worden ruimhartig gemaakt door de Geest die ons steeds meer vormt en ervoor zorgt dat we steeds meer op de Heere Jezus gaan lijken, Zijn beeld vertonen, ook in ons gebed. Gemeentezijn maakt medeverantwoordelijk

Met de ogen van Christus
Het mooie van voorbede is ook dat gebed ons ook met nieuwe ogen leert kijken. Als we voor anderen bidden, leren wij ook door de ogen van de Heere Jezus naar hen te kijken. Als we bidden voor de zieken, dan zien we niet alleen hen als mensen die geen gezondheid hebben, maar we zien hen zoals de Heere Jezus hen zag. Hij zag hen als mens. Hij ging hen niet uit de weg, maar zocht hen op.
Door te bidden sluiten we onze ogen om ons af te zonderen, maar we ontvangen wel een scherpere blik, we leren anderen beter zien. Door onze handen te vouwen, betuigen wij onze machteloosheid: wat kunnen wij vaak weinig voor anderen doen, maar tegelijkertijd leren wij hoe wij onze handen wel uit de mouwen kunnen steken. Zijn er daarom ook geen gemeenteleden actief voor de voedselbank, in het rondbrengen van het eten, in het bezoeken van mensen die eenzaam zijn. Gebed maakt van een biddende gemeente ook een diaconale gemeente.

Voor mensen die gezond en gelukkig zijn
Omgekeerd leren wij van hoe de Heere Jezus met anderen omging ook voor ons bidden. In 1999 kwam de Reformierter Bund, een organisatie in Duitsland, met een nieuw boek over de liturgie, voor de kerkdienst. Daar gaat veel werk aan vooraf: er worden commissies ingesteld die op zoek gaan naar gebruiken bij andere kerken, in andere landen, in het verleden en die worden weer met elkaar besproken. Tijdens een van de vergaderingen deed men een eigenlijk wel onthutsende ontdekking: Er bestonden nauwelijks voorbeden voor mensen die gezond en gelukkig waren. Alle voorbeden die gevonden waren, gingen over mensen in moeilijke omstandigheden, zoals ziekte, rouw, crisis, echtscheiding, of over mensen die iets voor de boeg hadden, maar voor mensen van wie het leven zijn gangetje gaat waren er nauwelijks voorbeden. Zou de Heere Jezus hen niet opgezocht hebben, zal de Heere Jezus hen in zijn gebeden niet gedenken? (Dit voorbeeld kwam ik tegen bij Peter Bukowski)

Meewerken van God
Het was voor Paulus niet alleen bemoedigend dat er aan hem gedacht werd, dat hij niet vergeten was maar dat hij ook onder de aandacht van de Heere gebracht werd. De uitredding die Paulus mocht ervaren kon wel eens te maken hebben met de voorbede die de gemeente in Korinthe heeft gedaan. Er is een God die hoort – het is waar: God hoort ook de gebeden die wij voor een ander tot Hem opzenden. Waar Hij besloten heeft dat het beter is om iemand tot zich te nemen, kunnen wij als mensen blijkbaar de Heere op andere gedachten brengen. Wij bidden niet alleen voor onszelf, om onszelf of anderen bij de Heere te brengen. De Heere gebruikt ons gebed ook om Zijn plan met deze wereld, met ons en anderen te volbrengen.

Een vrouw van in de 80 klaagde dat ze steeds minder kon: doordat haar ogen verslechterden durfde ze niet naar buiten en haar wereldje werd steeds kleiner, vaak niet groter dan de oppervlakte van haar flat. Ze vroeg zich af waarom ze er nog was. Ze was anderen alleen maar tot last, want die moesten haar opzoeken in haar appartement.
Ja, wat moet je zo iemand als antwoord geven, waarom ze er nog is? Omdat ze in de gesprekken steeds aangaf dat ze voor anderen bad, steeds als ze aan anderen dacht, aan de zieken van de gemeente, aan haar familieleden, Dan ging ze op de knieën. “Ik lijk wel een moslim, zo vaak ga ik op de knieën,” zei ze. Ik zei tegen haar: misschien bent u er daarom nog wel, want wie neemt uw taak over als u als bidder wegvalt?

Voorbede vragen
Het gebed voor de ander is een taak voor de christelijke gemeente. Ook al dankt Paulus hier voor de voorbede die is gedaan, het gebed in Korinthe is wel in lijn met wat Paulus de gemeente heeft voorgehouden. Samen gemeente zijn betekent ook voor de ander bidden. Voor Paulus houdt dat ook in, dat hij kan vragen om voorbede: “Wilt u als gemeente voor mij bidden?” is een vraag die in zijn brieven gesteld wordt. Paulus voelt zich niet te groot om te vragen om voorbede.

Ook dat hoort bij het christenleven: niet alleen het gebed voor anderen, maar ook het vragen om voorbede aan anderen. Dat verzoek houdt namelijk in dat wij niet leven uit eigen kracht, maar dat ons leven en ons geloof ons geschonken wordt door de Heere. Zoals Paulus het in deze brief aangeeft: door uw voorbede leef ik en word ook ik er weer aan herinnert, dat God hoort en dat Hij regeert, Hij die de doden opwekt.
Daarom hebben we het gebed van de ander ook voor onszelf nodig: omdat wij ook daar steeds weer aan herinnerd moeten worden. Een gemeente bestaat niet alleen uit bidders, maar ook uit gelovigen die weten dat zij kwetsbaar en zwak zijn uit zichzelf en niet zonder die gemeenschap kunnen en daarom het gebed nodig hebben, van elkaar en van Christus!
Amen.

Preek zondagmorgen 26 mei 2013

Preek zondagmorgen 26 mei 2013
Voorbereiding Heilig Avondmaal
2 Korinthe 1:1-11

Tekst: vers 1b: aan de gemeente van God die in Korinthe is, met al de heiligen die in heel Achaje zijn

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hoort u hoe u aangesproken wordt?
Als gemeente van onze Heere Jezus Christus.
Dat houdt in dat u en jij met elkaar een gemeenschap vormen, die van Christus is.
Met z’n allen bent u van Christus.
Een gemeenschap waarvan onze Heere de leider van is, de eigenaar ook.
Vanmorgen, toen u de drempel van de kerk overstapte en binnenkwam,
werd u eraan herinnerd:
Wie u ook bent, u bent van Mij.
Hoe jij ook over jezelf denkt, één ding is zeker waar: je bent van Christus!
Toen het eerste gebed klonk, zei de Heere daarin tegen u, tegen jou:
Jij bent van Mij en Ik, Ik ben je God.
Dat is toch wat! – vind u niet?
U bent er wellicht helemaal aan gewend, omdat elke preek door mij op deze manier begonnen wordt, door u op deze manier aan te spreken.
Wellicht bent u er ook niet altijd bij, nog bezig met de snoep doorgeven
of even ontspannen gaan zitten, omdat de preek eraan komt
en na de aanspraak gemeente van onze Heere Jezus Christus dan begint de preek pas goed.
Het zou anders zijn wanneer u aangesproken werd met zondaars voor Gods aangezicht!
Als ik u zo zou aanspreken, zou óf schrikken óf zou u vast rechtop gaan zitten
en denken: wat is er in vredesnaam in de afgelopen week gebeurd dat de preek zo begonnen wordt?
Toch is het waar: als gemeente zijn we ook een gemeenschap van zondaren.
Het maakt nogal uit of u aangesproken wordt als gemeente van Christus of als gemeente van zondaars voor Gods aangezicht, voor Zijn troon gedaagd.
Dat eerste (als u aangesproken wordt als gemeente van Christus) is dat een bemoediging.
Als u aangesproken wordt als zondaar wordt u aangesproken
met het oordeel dat over uw leven ligt.
Het is het verschil dat door Christus gemaakt is.
In de Bijbel wordt de gemeente vaak aangesproken als gemeente van Christus.
Zo kijkt God naar de gemeente, zo – vanuit Christus – spreekt God haar aan.
Kijk maar hoe Paulus deze brief begint: aan de gemeente van God.
Nu we het toch over de aanspraak hebben, waarmee de gemeente aangesproken wordt.
Een enkele keer wordt de gemeente wel aangesproken op de verkeerde weg die is ingeslagen.
Zo spreekt de profeet Amos het volk een keer aan als: koeien van Basan!
Moet u zich eens voorstellen dat een predikant u als gemeente aanspreekt:
Geen gemeente van Christus, maar: koeien van Basan!
Dat klonk in die tijd zoiets als: koeien van de moffen!
Nee, vanmorgen bent u de gemeente van onze Heere Jezus Christus.
Ook niet: dat behoort u te zijn, nee: u bent het.
Dat is nogal wat, hè?
Misschien dat u ondertussen al bij uzelf denkt:
Wij – alle mensen hier om mij heen – gemeente van Christus?
Daar is zoiets groots, dat nauwelijks te bevatten is.
Ik zal u zeggen: juist omdat u gemeente van Christus bent, kan ik preken maken.
Tot voor kort schreef ik de preek nog uit met een pen.
Dan schreef ik als eerste op mijn blaadje: Gemeente van onze Heere Jezus Christus
Als ik dan geen begin nog kon bedenken, dan keek ik naar dat opschrift
en dacht ik bij mijzelf: dat is al een hele verkondiging op zichzelf,
dat de gemeente die komende zondag naar mijn preek luistert, van Christus is.
Niet van mij, niet van de kerkenraad, niet van de gemeenteleden – van Christus!
Dat gaf mij rust en ook moed om aan de preek te beginnen,
want het belangrijkste werk is al gebeurd.
Ik hoef de gemeente, ik hoef ú er alleen maar op aan te spreken dat u van Christus bent!
En als ik de preek verscheurde, omdat het begin toch niet goed was,
was het niet omdat de aanhef niet goed was, omdat ik er niet mee eens was
dat u aangesproken zou worden als gemeente van onze Heere Jezus Christus.
Nee, gelukkig niet. God zij dank niet!
Elke nieuwe poging begon weer met die aanhef.
Soms schreef ik dat wel verscheidene keren achter elkaar op bij het maken van een preek.
De gemeente is gemeente van Christus!
Vanmorgen wordt het u voorgehouden, word jij eraan herinnerd
en volgende week vieren wij met het Heilig Avondmaal dat wij een gemeente van Christus zijn.
Dan wordt zichtbaar dat de aanhef waar en terecht is: gemeente van Christus.
Dat wil zeggen: u bent een gemeente die door Christus is begonnen,
door Zijn werk is ontstaan, door Zijn offer aan het kruis.
Daar ligt uw oorsprong, uw begin, gemeente van Christus hier in Oldebroek in de dorpskerk bijeen!
Dat is uw basis: dat Christus voor uw zonden aan het kruis is gegaan
om aan u, aan jou het nieuwe leven te geven.
U, gemeente in Oldebroek, bent een gemeente van Christus, omdat Christus voor u gestorven is.
Volgende week wordt dat ook zichtbaar en tastbaar als de tafel voor in de kerk staat klaargezet.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, dat is nogal wat!
Misschien dat u ondertussen wat onrustig geworden bent en het allerlei vragen oproept.
Kan dat zomaar over ons als gemeente gezegd worden?
Geldt dat voor ons allemaal, voor de mensen voor mij en achter mij?
En voor mijzelf – geldt dat ook voor mijzelf?
Hoe kunt u dat zomaar zeggen? pfoe, het mag wel iets minder.
En denkt u bij uzelf: ik zou dat niet zo van onze gemeente zeggen
en zeker niet van mijzelf.
Daarvoor moet toch eerst iets gebeuren?
Als ik naar mijzelf kijk, zoals ik in de afgelopen week heb geleefd.
Of gisteravond nog, of vannacht.
U moet eens weten wat ik toen gedaan heb.
Als u dat wist, had u voor mij wel een uitzondering gemaakt.
Of denkt bijzelf: ik onderdeel van de gemeente van Christus?
Ik zit hier wel, maar ik ben er alleen omdat ik van mijn ouders moet.
En ik ben hier wel, maar u moest eens weten wat ik gisteravond – vannacht – heb gedaan.
Gemeente van Christus, wat een hoge aanspraak!
Dan moet u maar niet verder lezen hoe Paulus verder gaat: met al de heiligen.
Stel dat deze brief aan u als gemeente gericht was:
aan gemeente van God samen met al de heiligen op de Noordoostveluwe…
Heiligen… Voor Paulus geen verschil met die eerste aanspraak.
Maar dan moet u ook weten wat gemeente betekent:
Dat woord dat door Paulus gebruikt wordt betekent: ergens uit geroepen zijn.
U bent een gemeente, omdat u uit de wereld geroepen bent,
u, jij hebt de stem van God vernomen en hebt daarnaar geluisterd en u bent naar God toegegaan.
Uw oude leven hebt u achtergelaten, omdat u dat in die stem hoorde.
U, jij leeft wel hier op deze wereld, misschien ook wel tussen allemaal mensen die God niet kennen,
die anders leven, maar je bent niet van de wereld.
Je doet volop mee, je hebt gisteren de finale van de Champions Leage gevolgd,
of op gevoetbald, je paard verzorgd.
Je hebt in de afgelopen week je werk gedaan,
omdat het moest (voor sommigen kan het werk een last zijn), de ander met veel plezier.
Daarin ben je niet anders dan je collega die niet gelooft,
je bent anders, omdat je allereerst van Christus bent en door Christus weer van God.
Omdat God in je leven gewerkt heeft.
Misschien via een bijzondere ervaring, of misschien wel op een heel onopvallende manier,
omdat je ouders hebt ontvangen die je bij de Heere brachten en je erin opvoedden.
Het kan bij u en bij jou allemaal op een andere manier gegaan zijn.
Er zijn er ook die een tijd lang niet meer naar de kerk gegaan zijn,
maar de kerkgang nu weer hebben opgepakt.
De gemeenteleden in Korinthe waren over het algemeen heidenen,
Grieken die de God van Israël niet kenden,
die de goden van de Grieken hadden gediend: Zeus, Hermes, Apollos,
zoals zij van hun ouders hadden geleerd.
Zij hadden de boodschap van Paulus gehoord en er was in hun leven een verandering gekomen.
Zij maakten de keuze voor Christus als hun Heer, zij werden gedoopt
en wilden in dienst aan Christus hun leven verder inrichten.
gemakkelijk hebben zij het niet gehad.
We hebben gelezen, dat Paulus spreekt over het mee-lijden met Christus,
zo was het voor de gemeente van Korinthe:
een moeizaam leven, omdat zij de keuze hadden gemaakt.

En dan zegt u: ja, dan kan ik mij wel voorstellen dat Paulus hen aanspreekt
als gemeente van Christus, want zij hebben het laten zien.
Nou nee, we zullen het in de komende weken ook zien
in de serie over deze brief: in de gemeente is er van alles aan de hand.
In de gemeente is er iemand die in openlijke zonde leeft, waarbij de kerkenraad wel van de omstandigheden op de hoogte is, maar niet beseft dat het om een zonde gaat.
De gemeente ligt met Paulus overhoop: zijn preken, zijn verschijning stellen weinig voor.
ze hebben liever iemand anders, Apollos bijvoorbeeld.
Gemeente van Christus?
Wanneer de gemeente van Korinthe het zelfonderzoek in aanloop naar de viering van het Heilig Avondmaal serieus zou nemen, zou het moeten zeggen:
Wij kunnen geen avondmaal vieren.
Wij leven onder de maat – onder de maat van Christus.
wij zijn van Christus, maar wij leven hier niet naar.
En u?
Hebt u er in de afgelopen week uit geleefd?
Was je in de afgelopen week ook echt van Christus?

De gemeente is in Korinthe wordt door Paulus gemeente van God genoemd,
niet omdat deze gemeente zo geweldig is, of omdat deze gemeente het zo goed doet,
maar om Christus, om de keuze van God voor deze gemeente.
Het is ook voor de gemeente van Korinthe louter genade dat zij zo genoemd mag worden.
Dat ook voor hen de genade en vrede van God is.
En ook voor u geldt: gemeente van Christus bent u – omwille van Christus,
Omdat de Heere u geroepen heeft en nu ook weer roept,
omdat de Heere trouw en genadig is, daarom mag u deze naam dragen: gemeente van Christus
Zijn eigendom !
Daarom kan in deze week het Heilig Avondmaal worden voorbereid.
Niet als bewijs van goed gedrag, niet als bevestiging dat wij het zo goed doen.
Maar als geschenk – als teken van Gods barmhartigheid.
Tot onze troost, om u houvast te geven, omdat het voor u ook niet altijd gemakkelijk is om volgeling van Christus te zijn.
Hier in deze wereld, met zoveel verleidingen die u steeds van Christus willen wegtrekken
en je vol wilt laten zijn van wat deze wereld te bieden heeft.
Omdat het niet gemakkelijk is om werkelijk van Christus te zijn, omdat wij geregeld verkeerde keuzes maken en ons toch weer laten meenemen – van God vandaan.
Omdat wij toch weer aan Christus voorbij hebben geleefd.
En toch – gemeente van Christus:
dat zegt niet alleen iets over ons verleden, maar ook over ons heden.
Over wat wij zijn in het hier en nu, op dit moment, en vanavond en morgen als wij weer aan het werk zijn of als wij koffievisite hebben, onze boodschappen doen,
met anderen spreken, over anderen spreken.
Gemeente van Christus,
en daarom vieren wij volgende week: om het weer in te prenten van wie zijn – van Christus
Om op nieuw te ontvangen wat wij zijn: gemeente van Christus
Telkens weer een geschenk – onverdiende genade.
Als bemoediging: de weg die u insloeg is door God geleid.
U komt bij Hem uit, want Hij riep u.
Als bemoediging als u er in uw gezin alleen voorstaat: God houdt u vast en zal u kracht en troost geven om in uw gezin uit Hem te leven.

Maar ook als aansporing: want het woord troost dat Paulus gebruikt
betekent ook aansporing en vermaning.
Betekent: bewaard blijven in de gemeenschap van Christus.
Gemeente van Christus, dat is uw roeping – om uit Hem te leven.
Maar die oproep, vermaning is ook troost. Hetzelfde woord.
God bewaart ons in die gemeenschap, zegt Paulus
Hij mag het uit eigen ervaring zeggen. En ik hoop dat u dat ook mag zeggen: Hij bewaart mij in die gemeenschap.
Zo niet, dan wordt u in deze week aangespoord en geroepen om weer met Hem te leven.
Dan klinkt Zijn stem om u te roepen, stil te zetten:
Het leven ligt alleen maar in Mij, in Christus.
Alleen dat geeft houvast.
Dat andere leven, dat lijkt mooi en dat lijkt nu ook veel te bieden,
maar vergis je niet.
Dit leven duurt maar kort, er komt een einde aan.
Soms al hier in dit leven. Het leven is hier niet altijd gemakkelijk!
Maar ook als we voor God komen, waar gaat het dan heen?
God wil ons troosten, houvast geven, eeuwig leven, gemeenschap met Hem.

Geprezen zij God om wat Hij mij, wat Hij u als gemeente geeft!
Amen