Preek zondag 23 april 2017

Preek zondag 23 april 2017
Bevestiging jeugdouderling.
Jeremia 16:14-18
Johannes 21:1-19 (tekst vers 15)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In heel de Bijbel zien we dat de Heere van mensen gebruik maakt voor Zijn dienst.
Er zijn profeten geweest, die Zijn boodschap verteld hebben.
Koningen, die namens God over Zijn volk regeerden.
Priesters, die in de tempel dienst deden om te offeren en te bidden voor het volk.
In het Nieuwe Testament komen daar de discipelen erbij en later diakenen en apostelen,
mensen die op pad gingen om het evangelie te verkondigen en gemeenten te stichten,
en als zo’n gemeente er dan was, een taak hadden om de gemeente intern op te bouwen.
Ook vandaag de dag maakt de Heere gebruik van mensen om Hem te dienen,
met bijvoorbeeld taken binnen de kerk: predikanten, ouderlingen en diakenen.
Dat zijn dan degenen die een ambt vervullen, maar zij niet de enigen.
Kijk alleen maar naar wat de koster doet, de organist, de leiding van de kindernevendienst.
Vandaag, bij de bevestiging, zien we dat weer opnieuw:
God maakt gebruik van mensen om Hem te dienen.
Wat een jeugdouderling mag doen, heeft wel iets weg van wat Christus tegen Petrus zegt:
Weid mijn lammeren!
Christus legt de zorg voor degenen die bij Hem horen bij mensen neer,
om in Zijn naam voor hen te zorgen, hen te weiden, hen te hoeden.
Dat is een eervolle taak dat je als mens iets mag doen in naam van je Heer.
Het is ook een spannende taak, want het is een hele verantwoordelijkheid:
Je doet het niet voor jezelf, maar voor je Heer
en wie zijn wij als mensen, dat wij dat kunnen doen?
Dat leeft hier in Oldebroek heel sterk:
Er zijn er die de eerste keer als ze benoemd of gekozen worden tot ambtsdrager
toch bedanken, omdat ze het idee van zichzelf hebben dat ze daarvoor niet geschikt zijn.
Die als ze de opdracht van Christus zouden krijgen: Hoed mijn schapen
daar nachten van wakker zouden liggen, van de verantwoordelijkheid
En zelfs als het zou gaan om het weiden van de lammeren, de kleintjes binnen de gemeente
dat nog niet durven aan te gaan,
misschien ook wel uit angst dat ze te weinig geloof hebben,
de moed niet hebben, omdat ze klein van zichzelf denken
en blij zouden zijn, dat zij niet als Petrus zijn gevraagd
en die blij zijn dat de vacature van jeugdouderling nu vervuld is,
zodat zij niet gevraagd hoeven te worden om iets te doen, om verantwoordelijkheid te nemen.
Weid mijn lammeren, hoed en weid mijn schapen
– daarin geeft Christus een verantwoordelijkheid aan mensen,
God maakt van mensen gebruik om Zijn koninkrijk te bouwen,
om Zijn gemeente te weiden en te beschermen.
Weid mijn lammeren, hoed en weid mijn schapen
Weiden en hoeden – dat doet een herder
en de herder, dat is allereerst de Heere Jezus.
Hij gebruikt ons als mensen, als gelovigen om iets van Hem te laten zien,
dat in wat we in de gemeente doen iets zichtbaar wordt van Christus zelf.
Dat mensen in de gemeente merken dat er een Herder is,
dat Christus de Herder is, omdat er mensen in de gemeente zijn met verantwoordelijkheid,
die ook als een herder zijn,
die de medechristenen, de andere broeders en zusters weiden en hoeden.
Voor een jeugdouderling, de taken binnen het jeugdwerk:
de kinderclubs, zondagsschool en kindernevendienst.

Hier wordt één leerling verantwoordelijk gemaakt voor het weiden en het hoeden lijkt wel,
maar dat is, denk ik, niet de gedachte.
Het gaat er niet om, dat de verantwoordelijkheid van één wordt neergelegd,
maar het is meer een aanwijzing van hoe wij binnen de gemeente met elkaar omgaan.
Voor elkaar een herder zijn, elkaar weiden,
meenemen naar de grazige weiden van Gods Woord,
meenemen naar de stille wateren, waar onze dorst naar God gelest kan worden,
waarin water de vinden is, bij Johannes beeld voor de Heilige Geest.
Weiden en hoeden, dat is andere gemeenteleden brengen bij Christus,
verantwoordelijk zijn voor elkaar.
Want klonk niet op een van de eerste bladzijden van de Bijbel die vraag:
Ben ik mijn broeders hoeder?
Ja, binnen de gemeente zijn we elkaars hoeder,
zijn we de hoeder van onze broeders en zusters,
en dat is niet alleen voorbehouden aan ambtsdragers,
al moeten ze wel zo hun taak invullen, dat ze niet voor zichzelf in de kerkenraad zitten,
maar om de gemeenteleden te weiden en te hoeden,
ook de lammeren van de gemeente, de kinderen en de jongeren.
Want zij zijn net zo goed onderdeel van de gemeente.
In de kerk tel je niet pas mee als je volwassen bent,
maar ook als je kind bent en jongere.
Vandaar dat er heel wat voor jullie gebeurt.
Dat doen we, zodat jullie Christus leren kennen als jullie herder
en dat je in de clubleiding of de leiding van de zondagsschool, van de jeugdouderlingen
iets zichtbaar ziet worden van Christus.
Dat je bij jezelf denkt: ik hoor verhalen over de Heere Jezus,
maar hoe ik kan geloven en wie de Heere Jezus voor mij is,
dat zie ik ook aan die jeugdouderling, aan die zondagsschoolleiders,
aan de andere mensen in de kerk.

Christus geeft die opdracht niet zomaar, je zou kunnen zeggen:
Er zit een voorwaarde aan vast om deze taak op je te kunnen nemen.
Een minimale eis, en dat is niet of je vergaderingen kunt leiden
en goed met kinderen en tieners kunt omgaan, of dat je goed in organiseren bent,
de vraag is of je van de Heere Jezus houdt.
Daar begint de Heere Jezus mee, voordat Hij deze taak aan Petrus toebedeeld:
Petrus, houd je van Mij?
Zou Jezus daar wel naar moeten vragen? Bij Petrus en bij ons?
Want had PEtrus nog niet zo heel lang geleden aangegeven
dat hij van Jezus niets moest weten, dat hij niet bij Jezus hoorde en zelfs Jezus niet kende.
Dat is een vraag, die je wel aan een kind zou kunnen stellen,
die daar heel spontaan: “Ja, natuurlijk!” op kan zeggen,
maar als je tiener bent, kun je daar soms al wat voorzichtiger op reageren,
en als volwassene kun je nog wat terughoudender zijn,
omdat je van jezelf niet altijd waar kunt maken, dat die liefde er altijd is
en dat je ook wel eens als Petrus bent, die de ene keer getuigt
en de andere keer wegloopt, omdat hij het niet ziet zitten bij Jezus te zijn in dat paleis.

Jezus vraagt aan Petrus niet naar zijn liefde voor Jezus als zodanig.
De Heere Jezus vraagt of de liefde die Petrus heeft sterker is dan die van de anderen.
Daarin klinkt iets door van concurrentie, jezelf met anderen vergelijken,
van jezelf vinden dat jouw liefde het sterkst is
en dat wat jij voor Christus doet meer is en gepassioneerder is
dan van andere mensen in de kerk.
Als ik het niet doe, dan staat er niemand op.
Zo heb ik het niet geproefd, eerder een bereidheid dat je iets wilt doen binnen de gemeente,
omdat je je verantwoordelijk voelt en je steentje wil bijdragen
en ik hoop, omdat je ook de mooie kant ziet van het weiden van de lammeren,
dat je dat graag, van harte voor Christus wilt doen.
Dat vergelijken kom ik wel eens tegen in de gemeente.
Dan zeggen de mensen: er is maar een handjevol mensen, die zich echt inzetten.
Het zijn steeds dezelfden.
Als je niet oppast, denk je van jezelf: Wat ik doe, is meer.
Mijn inzet overtreft die van anderen.
als dat je drijfveer is, om te laten zien wat jouw inzet is,
om te laten zien, dat jij niet beroerd bent om iets te doen, terwijl anderen het erbij laten zitten, voor je gevoel, dan heb je maar een beperkte basis en red je het niet
Want is dan de liefde voor Christus de basis, de zorg voor de gemeente
of uiteindelijk dat jij gezien wordt en jouw inzet echt op waarde wordt geschat?
Petrus, is jouw liefde groter dan die van de mede-leerlingen?
En liefde is hier ook praktisch: doe je meer, loop je harder?
Dat idee om te gaan vissen, wilde je daarmee iets laten zien naar de anderen toe?
Toen je overboord sprong, was dat echt om de Heer te ontmoeten
of zat daarin iets ook van: Kijk mij eens vol enthousiasme en spontaniteit zijn?
En toen ik vroeg om iets te halen, stond jij toen maar niet al te graag op
om de indruk te wekken dat die grote visvangst vooral aan jou te danken is?

Gemeente, ik heb zitten puzzelen, waarom de Heere Jezus vraagt naar het meer
van Petrus’ liefde, waarom Hij PEtrus dwingt om zich te vergelijken met de anderen.
Dat heeft met het paleis te maken, waar Petrus Jezus verloochende,
maar het zou ook wel eens te maken kunnen hebben, met het initiatief dat Petrus nam,
de avond ervoor: om te gaan vissen.
Ik was eerst van de gedachte, dat vissen betekent: je gewone werk weer oppakken,
maar in de afgelopen week kwam ik een verwijzing tegen naar het Oude Testament
waarin het beeld van vissen gebruikt wordt:
vissen die door een net uit zee, uit het meer worden gevist.
Dat is in Jeremia het beeld van de Joden die over heel de wereld zijn verspreid
en door God weer thuisgebracht worden.
Zoals een net veel vissen opvist, zo wordt door God elke Jood, waar hij of zij zich ook bevindt
opgehaald en thuisgebracht.
Zou Petrus van mening zijn, dat dat werk nu moet beginnen:
Niet terug naar huis, maar aan de slag, om overal vandaan de verstrooiden thuis te brengen?
Had Jezus dat niet gezegd: Als Ik aan het kruis verhoogd zal zijn,
zal Ik iedereen naar mij toe trekken, ook de Joden die in de diaspora zijn?
Zou Petrus de gedachte hebben gehad: nu moeten we daar maar mee beginnen?
We moeten wat gaan doen voor Jezus? Dat is onze taak?

Ze zijn bij elkaar aan de Zee van Tiberias.
Dat is niet zomaar, Johannes verbindt met eerder, ook aan de Zee van Tiberias,
toen er een grote menigte was, zonder eten.
Er was alleen een jongetje met 5 broden en 2 vissen
en Jezus maakte daar zoveel van, dat de hele menigte gevoed kon worden.
Op de plek hadden ze het kunnen weten: Jezus voorziet zelf in een ruime overvloed.
Maar als zij gaan vissen, de hele nacht door, vangen zij niets.
Wat zij voor Christus doen, dat levert niets op.
Dat is soms ook herkenbaar, en dat is soms ook heel pijnlijk,
dat je lang werkt, maar dat je aan het einde helemaal niets hebt: lege netten.
Dan staat er op die morgen een man aan de oever die vraagt om een kleinigheid.
Heb je niet een geslaagde clubavond, niet een goede vergadering,
een goed uitgevoerd actiepunt dat goed in de gemeente landde?
Kun je niet vertellen over één jongere die door jouw inzet is gaan geloven?
‘Wij hebben niets.’ Ze moeten het antwoord schuldig blijven.
Hadden ze misschien grootse verwachtingen gehad over wat ze Christus konden aanbieden?
Heere, in Uw afwezigheid hebben we deze oogst binnengehaald.
Kijk eens wat we U kunnen aanbieden?
Nee, niets – een teleurstellend antwoord, om machteloos van te worden.
De hele nacht gewerkt en niets gevangen.
Als je succes hebt, dan vergeet je soms ook wel hoe zwaar het was om te doen.
Maar als het niets oplevert, kun je daar erg ontmoedigd door worden.
Dan komt de teleurstelling des te harder aan.
‘Nee, ook al hebben wij de hele nacht hard gewerkt, wij kunnen U niets bieden.’
En dan zegt Jezus: werp het net aan de andere kant:
Zouden ze het niet geprobeerd hebben, die hele nacht door
als het niet lukte om het dan voor een andere boeg te gooien?
Zoals je ook als jeugdouderling of clubleiding van alles onderneemt,
als jij je doel niet bereikt en de opbrengst niet is wat je ervan verwachtte.
De andere kant: dat is vlakbij, dat is waar ze het allang hadden geprobeerd,
maar waar niets was te vinden, waar ze niets hadden gevangen.
De andere kant – dat is niet waar ze niet hadden gekeken,
maar dat is waar Jezus voorziet, binnen de gemeente, in de activiteiten die je onderneemt,
in je eigen geloofsleven – Jezus die voorziet en in grote mate schenkt.
Jezus verschijnt, waar de discipelen niets hebben, om hen te schenken,
niet een beetje, maar een overvloed, waarbij niemand tekort komt.
Jezus vraagt om iets erbij, toespijs, je hebt het niet, maar je ontvangt op Jezus’ bevel
een enorme zegen die je niet had verwacht en waar je niet meer op rekende.
En dan zitten ze aan een kolenvuur, net zo’n vuur er eerst was
in het paleis waar Petrus zich aan warmde, maar waar hij niet bij Jezus bleef.
Ze zijn al aan het eten en de vissen die binnengebracht zijn, zijn niet eens nodig.
Alles is al binnen, er is genoeg.
Is hun werk dan voor niets? zou je denken.
Maar nee, Jezus zegt: haal waar van wat jullie gevangen hebben.
Wat Hij daarmee bedoelt: eigenlijk hoeven jullie helemaal niets in te brengen,
want Ik breng alles al in.
Jullie werk is er alleen maar bij, als je het met mijn werk vergelijkt.
Maar dat mag er juist ook wel zijn.
Dat heeft zijn waarde, dat wordt gehonoreerd.
Hoe klein je bijdrage ook is en hoe schamel je oogst – Christus doet daar niet lacherig over.
Het mag meedoen, een bijdrage zijn aan die maaltijd.
Eigenlijk niet nodig, want alles is er al, maar het wordt niet weggeschoven.
Ons werk is er slechts voor erbij, eigenlijk is alles er al
en toch mogen we inbrengen, mogen we onze daden aanbieden:
Heer, dit hebben wij voor U gedaan.

En dan zitten ze aan de maaltijd, voor de tweede keer bij de Zee van Tiberias,
dat Christus hen eten geeft terwijl ze zelf niet hadden.
Ze durven niets te vragen, want ze zien hoe in hun eigen tekort Jezus geeft in Zijn volheid.
Ze worden gevoed, daar aan die maaltijd,
hongerig als ze zijn van een hele nacht hard ploeteren zonder resultaat,
hongerig als ze zijn van het binnenhalen van die zware last.
Ze worden verzadigd.
Dat is niet zomaar.
Dat zegt ook iets over het gemeentewerk.
Als Christus ons opdraagt, geeft Hij daarvoor al genoeg om te eten,
genoeg om het aan te kunnen, mogen we teren op wat Hij reeds aanreikte.
En die maaltijd is het beeld van het samenzijn, het samenleven met Christus,
dat we zijn waar Hij is.
Alleen vandaar uit kunnen we ook iets binnen de gemeente doen,
kunnen we medewerker van Christus zijn, als Hij ons eerst voedt en versterkt,
als Hij ons eerst weidt en hoedt.
Weiden en hoeden – dat is eigenlijk niet meer dan delen van de volheid van Christus,
uitdelen van wat je aan de maaltijd krijgt.
Waarbij het niet gaat of de een meer doet dan de ander,
maar of we het van die maaltijd vandaan halen,
Of wij zelf onze voeding bij Christus vandaan halen.
Petrus, heb jij Mij lief? Dat is de vraag of wij daar ook aan die maaltijd zitten,
Waar de opgestane Heer Zijn voedsel geeft om Zijn kerk te versterken.
Weid mijn lammeren en hoed Mijn schapen – dat is niet zomaar een losse opdracht,
Dat is een opdracht uit het gevoed zijn door Christus zelf,
een doorgeven van wat jijzelf van Hem ontvangen hebt.
Dat gaat niet in concurrentie, niet in vergelijken met elkaar,
maar dat gaat om de vraag of je wat je moet uitdelen wel van de goede plek vandaan hebt,
van die maaltijd, waar Christus is, waar je samen met Hem mag zijn
en je eigen geloof gevoed en gesterkt wordt.
Zelfs iemand die gezegd heeft Jezus niet te kennen en niet bij Hem te horen,
zelfs iemand die denkt te weten wat Hij voor Jezus moet doen,
mag aanzitten en zich eerst laten voeden en versterken en dan uitdelen.
Wat Jezus Petrus en ons wil leren is dat wat wij doen,
niets is als we het niet eerst van Hem krijgen.
Heeft dat ook niet met het kruis op Golgotha te maken,
dat daar, in de uitroep van Jezus “Het is volbracht!” dat daar onze liefde ontspringt
liefde die wij niet uit onszelf hebben, maar die bij Hem vandaan komt,
die door Hem in ons ontspringt
en naar anderen toegaat, om ook anderen te winnen voor Christus.
God maakt van mensen gebruik, mensen als Petrus, als deze jeugdouderling, als u en ik.
Hij geeft liefde – om vervolgens ons te bevragen op die liefde,
om vervolgens als wij kunnen belijden, misschien stamelend, dat wij van Hem houden,
die liefde mogen uitdragen aan anderen.
Aan kinderen en jongeren, aan mensen binnen en buiten de gemeente.
Zodat als Jezus aan hen die vraag stelt, zij mogen antwoorden:
U weet alle dingen, U weet dat ik van U houd.
Amen

Advertenties

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s