Preek Dankdag 2019 avonddienst

Preek Dankdag 2019 avonddienst
Schriftlezing: Psalm 147

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Je kunt wel merken dat Psalm 147 bedoeld is voor de eredienst,
om door een koor gezongen te worden of als samenzang.
Want je start een gesprek niet snel met halleluja.
Zelfs een kerkdienst wordt niet begonnen met halleluja,
maar met “Goedenavond gemeente, hartelijk welkom in deze dienst…”
Zou je een gesprek of de afkondigingen beginnen met een halleluja,
dan frons je je wenkbrauwen en zet je je innerlijk schrap.
Deze persoon start wel gelijk op een hoogte waar je niet zomaar bij kan.
Wat in een gesprek of in een afkondiging niet kan, kan in een lied wel.
en je kunt er ook nog in meegenomen worden,
want dat is de bedoeling van halleluja,
dat je als luisteraar van dat lied ook mee doet in de lof op God.
Halleluja is een uitnodiging om mee te doen,
een oproep om ook in te stemmen in de lof op God.
Omdat je als mens je bestemming vindt in het loven van God.
Dat zou je kunnen aangeven als het doel waarvoor wij geschapen zijn:
We zijn geschapen om God te loven.
En als je mee doet in de lof op God, doe je dat samen met de engelen in de hemel,
samen met de dieren, de planten, de bergen, de zeeën
en al het andere dat God geschapen heeft.
In heel de schepping is dit halleluja te horen,
de vogels in onze tuin, de bomen die nu van kleur veranderen en hun blad verliezen,
de wolken die door de lucht drijven, de regen die naar beneden valt
– steeds is daar een lof op onze Heere, schepper van hemel en aarde te horen.
De ene keer uitbundig, dan weer intiem: De lofzang is in stilte tot U, o God.
Dan weer in een bulderende storm.
De schepselen die moeite hebben om zo’n halleluja direct aan te heffen zijn de mensen.
Gelukkig hebben we een kerkdienst en zijn er liederen waarin dat wel gebeurt,
die ons meenemen, die ervoor zorgen dat ook wij de Heere loven: Halleluja!

Het is immers goed, zo begint Psalm 147, om God te prijzen.
Goed voor onszelf. We worden er gelukkiger van,
meer mensen van God, mensen zoals God ze bedoeld heeft.
Lieflijk is het, zo gaat de psalm verder.
Als we de Heere loven, krijgt ons bestaan een bepaalde glans, een bepaalde waarde
die we zouden missen als we de Heere niet zouden loven.
Deze psalm begint en eindigt met halleluja,
om ons te laten weten dat alleen zo ons leven kan zijn,
Dat we alleen gelukkig zijn, echt mens zijn, het echte leven hebben als we God loven.

We zijn niet altijd in de stemming om de Heere te loven.
Dat weet de psalm ook.
In de psalm kunnen we iets lezen van de pijn van de verwoesting van Jeruzalem,
inwoners van die stad die weggenomen werden, gedwongen in een vreemd land te wonen.
Dat was zo’n diepe pijn, om de stad verwoest te zien, zelfs de tempel van God in puin
en dat zij zelf als ballingen in een vreemd land moesten wonen,
ook nog eens een land waar de goden en de mensen hen en de Heere uitlachten.
Zo’n diepe pijn en verdriet dat het hart brak – gebroken van hart, zegt de Psalm.
Uit andere psalmen weten we dat ze daar ver weg van de tempel
niet in staat waren om de Heere te loven.

Aan de rivieren van Babel, daar zaten wij, ook weenden wij als wij aan Sion dachten.

Wij hadden onze harpen gehangen aan de wilgen die daarbinnen zijn. 

Toen zij die ons gevangen hielden,
daar woorden van een lied van ons verlangden,

wie ons omvergeworpen hadden, blijdschap: Zing voor ons een van de liederen van Sion!

zeiden wij: Hoe zouden wij een lied van de HEERE zingen in een vreemd land?

Nu toch weer de oproep om de Heere te loven,
omdat Hij zich weer heeft laten zien aan het volk en Zijn eigen volk weer terug bracht
in de stad die Hij had uitgekozen om daar te wonen: Jeruzalem
Bijeengebracht, zoals een herder zijn schapen bij elkaar roept.
Daarin hebben ze mogen ervaren dat de Heere naar hen omzag,
vanuit de hemel liet weten dat Hij hun God was, door hen weer thuis te brengen.
Dat had hen de ogen geopend voor wie de Heere was:
Groot en machtig, die de sterren bij hun naam roept,
Al die sterren stuk voor stuk, ook de sterren die door ons mensen nog niet zijn ontdekt,
Onze God heeft ze geschapen en een plaats gewezen in het heelal.
In dat heelal dat zo onmetelijk groot is, kent Hij Zijn volk Israël, ook al is het in Babel.
En weet Hij wat iedereen in dat volk nodig heeft.
Als een persoonlijke arts, die de kwaal kent, weet hoe de wonden hersteld moeten worden
en die moeite en zorg doet om die wonden te laten genezen:
Hij geneest de gebrokenen van hart,

Hij verbindt hen in hun leed.
Persoonlijke betrokkenheid van deze grote God, die door niemand is na te rekenen,
met niemand te vergelijken.
Niemand kan de concurrentiestrijd aangaan met onze God,
Zelfs niet de goden van het machtige wereldrijk van Babel – ze kunnen niet tegen Hem op.

Nu is het bijzonder als je God kunt loven om Zijn grootheid
en dat gebeurt ook wel in deze psalm.
De psalm looft de Heere ook dat Hij ondanks Zijn grootheid onze God wil zijn,
zich aan mensen verbindt en al Zijn schepselen kent:
ieder mens, elk dier, elke plant, elke boom, elke golfslag en regendruppel.
Betrokken op al Zijn schepselen.
Al Zijn schepselen zijn uit Zijn hand voortgekomen
en als ze leven mogen ze steeds weten dat Hij hen niet uit het oog verliest,
maar hen steeds begeleidt en voor hen zorgt, hen eten geeft.
Als er regen nodig is, laat de Heere wolken door de lucht gaan,
zodat er neerslag kan komen en de regen neerdaalt op het land
en door het water dat neervalt gras kan groeien.
Je kunt dat als een natuurlijk proces analyseren.
Ik heb dat moeten leren bij aardrijkskunde en natuurkunde.
Ik weet nog dat ik in de brugklas aardrijkskunde van mijn vader kreeg,
– hij was aardrijkskundeleraar –
en dat we tijdens een repetitie de waterkringloop moesten uitleggen:
water van de zee dat verdampt, waardoor wolken ontstaan,
wolken die naar het land gingen en boven land hun regen lieten vallen
en dat water stroomt dan weer voor een deel terug naar zee.
We moesten het verschil weten tussen loefzijde en lijzijde van een berg.
Loefzijde was de kant waar de regen viel. Deze kant was begroeid.
De lijzijde was aan de andere kant, waar geen regen viel.
Aan deze kant groeide juist weinig, omdat er nauwelijks neerslag viel.
Het is een natuurlijk verschijnsel en toch kun je daarin ook de hand van God zien.
De betrokkenheid van de Heere op de aarde, die op die manier voor regen zorgt
en door de regen zorgt voor Zijn schepping en zorgt dat graan en groente verbouwd worden.
In deze psalm zet de regen aan tot een halleluja bij de mens:
Laten we de Heere loven om de regen die valt,
Want daarin zien we Zijn liefde, Zijn betrokkenheid op ons.
Elk dier dat er op de aarde is, Gods aarde, wordt door de Heere onderhouden.
Zo zorgt Hij voor de schepping van Zijn hand.
Zelfs dat kleine ravenjong in het nest, dat schreeuwt om gevoed te worden.
Raven stonden niet best bekend.
De meeste mensen hadden een hekel aan raven.
Het waren onreine dieren, dieren die je niet aan de Heere mocht offeren.
Ze aten van alles, zelfs kadavers van dode dieren.
Het waren een soort rovers, waar je je eigen eten voor moest opbergen.
Zelfs dat dier waarvan mensen al gauw zouden zeggen:
Laat maar roepen, ik hoop dat zo’n jong nooit groot wordt,
Want zo’n raaf zorgt alleen voor overlast en ellende.
Zelfs zo’n dier wordt door de Heere gehoord en van eten voorzien.
Als de Heere zo’n dier van eten voorziet, dat niet gewenst is,
zal Hij dan niet voor een ieder van ons zorgen,
Zelfs als iemand van ons zich ook niet gewenst voelt?

Het roepen van dat ravenjong – in het Hebreeuws is roepen en bidden vaak hetzelfde woord.
Dat kleine raafje roept
zonder dat dat kleine raafje misschien niet eens weet tot wie het roept.
Roept het om een van zijn ouders om hem eten te komen geven?
Of is het zonder dat het jonge raafje dat weet een roepen tot God.
OF een roepen in het wilde weg, help mij, geef mij eten,
een roepen zonder adres, dat toch door de Heere wordt opgepikt.
Zing voor de HEERE een beurtzang met dankzegging,
zing psalmen voor onze God met de harp,
Die aan het vee zijn voedsel geeft en aan de jonge raven wanneer zij roepen.
Dat raafje dat zo afhankelijk is van anderen, en zeker van God.
Het kan alleen maar roepen, zelf nog niet eens voor eten zorgen.
Dat is de voorwaarde om door de Heere geholpen te worden:
gevouwen handen, een roepen naar omhoog naar de Heere,
zoals dat jonge raafje maar roept en roept.
Je hoeft je leven niet op orde te hebben.
Je hoeft geen bijzondere kracht te hebben of iets bijzonders te presteren.
Hij vindt geen vreugde in de kracht van het paard,
Hij schept geen behagen in de spierkracht van de man.
Je kunt dat horen als een gewone mededeling over welke voorkeuren de Heere heeft.
In deze psalm is het echter meer.
Je moet er halleluja voor zetten, dan begrijp je het meer:
Halleluja, de Heere vindt geen vreugde in de kracht van het paard,
Halleluja, Hij schept geen behagen in de spierkracht van de man.
Hier wordt niet de kracht van een trekpaard bedoeld,
zoals hier paarden werden gebruikt voor er trekkers en machines waren.
Het zijn de paarden die in het leger worden gebruikt
en de spierkracht van de man is hier niet de boer die zijn land ploegt
of de bosarbeider die bomen omhangt,
Of het moet de boer zijn die niet kan buigen
of de bosarbeider die zich te sterk voelt om zijn handen te vouwen en de ogen te sluiten.
Als je op je eigen macht vertrouwt, als je het zelf wel redt,
Als je je te goed voelt om de Heere te danken, omdat je niet wilt zien dat Hij je dit alles geeft.
Dan heeft de Heere geen vreugde in je, zegt de psalm.
Alleen als je beseft: Ik krijg dit alles van de Heere, Ik ben niets zonder Hem.
Zonder Hem stel ik niets voor.
Dan ziet de Heere naar je om – goedgezind voor wie Hem vrezen.
Vrezen is: rekening houden met de Heere, zien dat Hij voor je zorgt,
zien dat in de regen die valt Gods vaderlijke hand te zien is,
in het gras dat groeit onze God, die hemel en aarde geschapen heeft,
dat gras laat groeien om voor jou en Zijn andere schepselen te zorgen.
Je kunt Zijn zorg heel concreet zien: dat we in vrede leven,
dat we leven in veiligheid,
Dat je ziet dat jezelf het goed hebt en je kinderen worden gezegend.
Dat er eten is.
Dat de Heere Zijn macht inzet om je te beschermen tegen gevaar.
Alles wat in de natuur gebeurt, is dienstbaar aan de Heere,
kan door Hem worden gebruikt om Zijn plan uit te voeren,
moet naar Hem luistert: zelfs de machtige winter
die met zijn kracht alles kan laten bevriezen, in bedwang kan houden.
Als de winter lang aanhoudt, kunnen zelfs grote rivieren die normaal krachtig zijn,
in bedwang gebracht worden door het ijs dat op de rivier komt te liggen.
Welke macht we ook in de natuur zien, het is geen vreemde duistere macht,
maar een macht die gehoorzaam is aan de Heere
en zich in dienst moet stellen om Gods plan uit te voeren
en dat grote plan is de zorg voor de schepping: voor de mens, voor elk dier.
‘Als God zo eventjes de winter kan veranderen en wegdoen en de zomer terugbrengen,
zodat wij de winter helemaal vergeten
en als Hij dat net zo makkelijk kan doen dat het Hem maar een woord kost,
hoeveel te meer moet je geloven dat Hij jou uit jouw winter en uit alle mogelijke nood
heel gemakkelijk met één woord helpen kan.’ (Luther, geciteerd bij G.Th. Rothuizen).

Die God is de God van Israël – Israël leerde deze God bij name kennen,
mocht een verbond sluiten met deze God.
Mocht de macht en de trouw van deze God ervaren, heel persoonlijk.
En ook wij mogen instemmen met de lof op deze God,
zoals deze psalm begint met Halleluja, mogen wij er ook mee eindigen.
Om daar mee aan te geven, dat heel ons leven omsloten is door dit Halleluja,
dat we tot onze bestemming komen als we instemmen met deze lof op onze God.

Zoals een bloem zijn kelk heft naar de zon,
een boom zijn armen uitbreidt naar de hemel,
ja zelfs het zaad, diep in de akkergrond
zoekt naar het licht en opstaat om te leven,
zo zoekt ons hart naar U, o eeuwig licht,
zo taalt ons lied naar U, o God van vrede.

Lof zij uw Naam die oplicht in de nacht,
uw luister staat geschreven in de sterren,
zo hoog van eer, een uitstraling zo zacht,
taal van genegenheid, tijding van verre,
Wij zien verwonderd naar de stille pracht,
zou ooit een mens die heerlijkheid verwerven?

In sierlijk schrift, hoog aan de hemeltrans
hebt Gij de nacht uw signatuur gegeven.
Wij zijn geschreven met dezelfde hand,
dezelfde gratie wekt ook ons tot leven.
De morgenster, zozeer aan U verwant,
Hij heeft het uur der duisternis verdreven.

God van ons hart, Gij die ons zingen doet,
uw mensen zijn wij, maaksel van uw handen,
uw adem geeft ons innigheid en gloed,
o leid ons uit het huis van schade en schande.
Gij schenkt de sterveling een vergezicht.
Uw stad van licht daalt neer over de landen.
Amen

 

Preek zondag 29 september 2019 – Avonddienst

Preek zondag 29 september 2019 – Avonddienst
Dankzegging Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 1 Korinthe 1:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Een apostel, die blij is dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt.
Hoe kan Paulus daar nu blij mee zijn, dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt?
Trouwens, de opluchting dat hij niet zoveel mensen heeft gedoopt,
zal in de tijd dat hij werkte een heel ander gevoel zijn geweest:
een gevoel van hard moeten ploeteren zonder veel resultaat te halen.
Een tijd lang daar in Korinthe moeten werken,
zonder te merken dat zijn boodschap zo veel had uitgewerkt.
Slechts een enkeling uit Korinthe die ging geloven.
Pas nadat Paulus na een lange tijd van bijna vruchteloos evangelisatiewerk verder trok
en na hem andere apostelen kwamen, zoals Apollos en Petrus,
begon de gemeente te groeien doordat mensen tot geloof kwamen
en zich lieten dopen in de naam van Jezus Christus.
Paulus moet wel een sterke persoonlijkheid geweest zijn met een ruim hart
als hij niet jaloers wanneer Apollos komt met enthousiaste verhalen
over hoeveel mensen er onder zijn prediking tot geloof komen en zich lieten dopen.
Paulus heeft alleen maar geplant en Apollos mocht begieten.
Paulus strooide het zaad van het evangelie en Apollos mocht oogsten
en mocht het water van de doop over de nieuwe gelovigen gieten.
Vanwege de ruime oogst, die Apollos mocht binnenhalen,
stond Apollos in hoger aanzien dan Paulus. Ze hadden liever dat Apollos kwam dan Paulus.
Ondanks alle kritiek die veel gemeenteleden hadden op Paulus
en duidelijk lieten blijken dat zij meer hadden met Apollos,
heeft Paulus wel een zwak voor deze gemeente
en is hij dankbaar voor wat er in de gemeente gebeurt,
voor wat de Heere in de gemeente doet.
Daar dankt Paulus elke keer de Heere royaal voor.
Als Paulus zegt, dat hij blij is dat hij zo weinig mensen heeft gedoopt,
is dat niet een zure opmerking, waarbij hij tussen de regels door
wil laten merken dat de houding van de Korinthiërs hem kwetst,
dat hij ook een mens is met gevoelens, die gekwetst kan worden.
Het gaat Paulus om het grotere doel: dat er in Korinthe een gemeente is ontstaan,
volwassenen en kinderen, die bij Christus zijn gaan horen,
die de doop hebben ontvangen,
waardoor zichtbaar werd dat ze het oude leven achter zich lieten
en een nieuw leven in Christus ontvingen.
Dat zijn bijdrage maar klein geweest is, dat houdt hem niet zo bezig.
Hij heeft gezaaid. Dat is voor hem genoeg geweest.
Hij is vooral dankbaar dat er nu een oogst mag zijn, dat er vrucht is, geloof in Christus.
Hij ziet daarin dat God in de gemeente werkt,
dat de genade van God ook in de gemeente van Korinthe ontvangen mag worden.
Vanavond zijn we bij elkaar gekomen om God te danken voor wat Hij gegeven heeft.
We kunnen dankbaar zijn voor wat wij zelf, persoonlijk hebben ontvangen.
We kunnen in deze dienst van dankzegging ook kijken
hoe Gods genade hier in de gemeente uitgedeeld mag worden.
Gemeenteleden die vanmorgen met ons hun zonden bij het kruis brachten
om bij Christus genade en vergeving te ontvangen.
Het is bijzonder om te zien dat ook in onze gemeente het kruis een kracht heeft
om gemeenteleden te roepen tot Christus, tot de gemeenschap aan Zijn tafel.
Steeds weer is het bijzonder om te merken dat de roepstem van het kruis
gehoor vindt in onze gemeente.
Daar mogen we de Heere voor danken, voor die genade die ons als gemeente gegeven is.
Die dank voor wat God in de gemeente doet gaat bij Paulus altijd voorop.
Hij kan heel wat aan te merken hebben op de gemeente – en dat blijkt ook wel,
maar het eerste wat Paulus doet als hij de gemeente een brief schrijft,
is om te laten merken dat hij dankt voor Gods werk.
Het avondmaal vieren helpt ons ook om te zien, dat de Heere hier in de gemeente werkt.
We kunnen heel wat op de gemeente aan te merken
en toch is het goed om allereerst de blik omhoog te doen en te zien hoe God hier bezig is.
We kunnen dat gemakkelijk uit het oog verliezen.
De neiging kan er zijn om eerst te kijken naar wat niet zo goed gaat,
Wat je als gemeentelid mist, wat je voor je geloof tekort komt aan gevoed worden.
Ik heb dat wel meegemaakt, dat in een bepaalde gemeente gevraagd wordt
naar één punt waar men dankbaar is  als het om de eigen gemeente gaat
en een punt van zorg of kritiek,
dat de lijst met zorg en kritiek al snel een hele waslijst werd,
maar dat het moeilijk werd om iets aan te dragen waarvoor men dankbaar was
in deze gemeente – alsof er niets was om dankbaar voor te zijn.
Danken betekent dat je oog krijgt voor wat heel gewoon lijkt
en toch heel bijzonder is omdat je dat kunt rekenen tot wat de Heere nu hier doet.
Dat uzelf naar voren kwam en dat u zag dat degenen die naast u zaten ook gingen.
Dat degenen, die niet naar voren kwamen, omdat ze de moed niet hadden,
stilletjes in hun eigen hart avondmaal gevierd hadden.
Ze zagen hoe gemeenteleden vooraan zaten aan de tafel van Christus,
Ze zaten weliswaar zelf niet aan,
maar brachten zelf ook hun zonden aan de voeten van Christus.
Daar kunnen we de Heere niet genoeg voor danken.
Die dank is ook belangrijk, want het helpt ons ook te zien hoe God in onze tijd werkt.
Er kan een behoefte zijn om te zien waar de Heere werkt.
Vaak wordt daarbij wat in onze ogen gewoon is over het hoofd gezien,
Want dat vinden we gewoon en zien het bijzondere er niet van.
Paulus ziet in de gemeente van Korinthe wel het bijzondere,
Wat voor de gemeenteleden van Korinthe zelf misschien niet eens bijzonder meer is.
Paulus is dankbaar voor iedereen, die in de gemeente betrokken is geraakt,
voor iedereen, die is gaan geloven en de doop mocht ontvangen,
al was de echte groei van de gemeente pas gekomen nadat hij was weggegaan
En zal hij bij de doop van veel gemeenteleden niet zelf aanwezig zijn geweest

en alleen van horen zeggen wie er bij de gemeente zijn gekomen
doordat ze gedoopt werden in de naam van Christus.

Danken voor de gemeente wil niet zeggen dat je geen kritiek mag hebben.
Paulus schrijft zijn brieven steeds uit bezorgdheid over hoe het in de gemeente gaat.
Die bezorgdheid heeft te maken met de dank voor de gemeente,
met de genade die aan de gemeente geschonken is,
aan het zichtbaar zijn van het werk van God in die gemeente.
De eerste brief aan Korinthe is een vrij lange brief, waaraan we kunnen merken
Dat er best wat in de gemeente heeft gespeeld
En wie de brief doorleest, zal merken dat de gemeenteleden of de kerkenraad
niet altijd onder ogen heeft willen zien welke problemen er zijn.
De gemeente, waar Paulus voor dankt,
de gemeente waar Paulus op een afstandje zoveel ziet van het effect van genade,
Van kracht dat het kruis heeft – een kracht tot behoud, schrijft hij in vers 18.
Een gemeente die onderdeel is van de gemeenschap met Christus.
Toch zorgt die dankbaarheid er niet voor dat Paulus de ogen sluit voor de misstanden.
We lazen over groepen in de gemeente:
De ene groep die naar Apollos trekt, de andere groep die Petrus op het schild heft,
Een andere groep die de voorkeur uitspreekt voor Paulus,
Een vierde groep die weer een heel andere keuze heeft
en zegt dat ze met de kerkleiding die er is niets te maken heeft,
niet met Paulus, niet met Petrus, niet met Apollos,
maar puur en alleen aan Christus verbonden is
en schermt met die verbondenheid met Christus,
alsof zij binnen die gemeente een exclusieve groep zijn,
die zich van anderen niets hoeven aan te trekken, met hen niet hoeven samen te komen,
en niet met de anderen hoeven mee te leven.
Ik ben van Christus
– dan niet in de zin van dankbaarheid dat ze gered zijn van een verloren bestaan,
en dat ze beseffen dat ze in het oordeel van God vrijgesproken kunnen worden,
maar als een groep die hen exclusief maakt en apart zet van andere gelovigen.
Als een soort elite binnen de gemeente, een speciaal niveau,
een hoog level dat je niet zomaar bereikt.
Dan maak je van genade een status
En redding van verlorenheid een exclusief gebeuren, waarin jij alleen speciaal wordt.
Dat is nu precies het omgekeerde.
Daarmee doe je als gelovige het kruis tekort en doe je de betekenis teniet.
Want Christus stierf niet voor onze zonden om ons nu eens op het schild te heffen,
Want dan zouden we zwak blijven voor de zonde van hoogmoed
en van neerkijken op anderen
en de zonde om toch uiteindelijk niet voor God te willen knielen.
Paulus heeft ontdekt dat het kruis je nederig maakt.
Dat was een harde, confronterende les, waarbij hij alles wat hij dacht te hebben,
kwijtraakte, zelfs zijn status als gelovige moest inleveren,
omdat het alleen maar buitenkant was, schijn.
Hij dacht God te hebben en God te dienen,
maar toen hij Christus ontmoette besefte hij dat het leeg was bij hem van binnen.
En toch was er ook voor hem genade
zelfs voor hem, die de gemeente van Christus vervolgde
En daarmee Gods werk dwarsboomde.
De genade ging zelfs nog verder: Hij werd geroepen om als apostel te dienen.
Om erop uit te gaan het verhaal te vertellen over Christus,
van het kruis en de opstanding, van de straf die Christus droeg
en de vrijspraak in het oordeel die is te ontvangen.
Misschien is het wel die eigen ervaring,
die intense ervaring, die heel zijn leven op zijn kop zette
wel die hem fijngevoelig maakt voor de genade die in de gemeente werkt
en waardoor hij haarscherp aanvoelt hoe die genade
binnen de gemeente onder druk kan komen te staan.

Zo komt de vreemde uitspraak van Paulus, dat hij blij is
dat hij er maar weinig gedoopt heeft in de gemeente in een ander licht te staan.
Het gaat er niet om wie er gedoopt heeft.
Natuurlijk, je mag een speciale band hebben met een predikant
die je kinderen doopte, bij wie je zelf belijdenis deed, met wie je in de kerkenraad zat.
Paulus zal met bepaalde mensen ook een speciale band gehad hebben.
Hij had in ieder geval contact met Chloë en degenen die bij haar hoorden,
haar huisgezin, of degenen die met of voor haar werkten.
En van hen krijgt hij informatie over hoe het in de gemeente gaat.
Het gaat er niet om, wie er doopt of bij wie je belijdenis doet.
Het gaat allereerst om Christus, wiens naam je belijdt, in wiens naam gedoopt wordt.
Dat je in Hem gelooft, dat je toetreedt tot de gemeenschap met Hem, onze Heere.
Dat je van Hem wordt – Jezus Christus mijn getrouwe heiland eigen ben.
Je kunt niet bij de hemelpoort komen en zeggen: Ik ben door die dominee gedoopt.
Of bij die predikant heb ik belijdenis gedaan.
Het gaat erom of je van Christus bent, dat je verbonden bent aan Hem,
die Zijn leven gaf op Golgotha, die vanmorgen brood en wijn aanreikte.
Die de genade in de gemeente laat werken.
DAt je op de dag waarop Christus terugkomt, voor Hem kunt verschijnen:
onberispelijk, zegt Paulus.
Dat er niets op je aan te merken is.
Dat kan allleen maar als je met Hem verbonden bent, van Hem geworden bent.
Als dat zo is, dan mag je aan het avondmaal,
dan is de toegang tot het koninkrijk van God open en mag je binnengaan
omdat Christus je binnenlaat: voor jou ben ik aan het kruis gegaan.
Dan mogen we voor eeuwig loven en prijzen.
Dat loven, die dankbaarheid, de lofprijzing begint nu al, omdat we nu al mogen merken
dat God werkt en Zijn genade geeft en dat die genade ontvangen wordt
opgenomen wordt met dankbaarheid en blijdschap, geloofd wordt.
Amen

De focus op Gods handelen in de Bijbeltekst

De focus op Gods handelen in de Bijbeltekst

Wie een preek voorbereidt, dient bij het bestuderen van de Bijbeltekst te focussen op het handelen van God. Dat is de stelling van Paul Scott Wilson. Hij noemt dat magnification.

Deze praktijk veronderstelt:
(1) dat een historisch-kritische methode niet persé leidt tot het ontdekken van Gods handelen of van openbaring,
(2) dat een van de doelen van de prediking om te spreken over God en over Zijn wil voor de mensheid en de schepping,
(3) dat niet elke Bijbeltekst zelf is gefocust op het handelen van God. De predikant dient dan trachten te achterhalen wat het handelen van God is (bijvoorbeeld: David die Goliath verslaat, 1 Samuël 17; het Bijbelboek Esther).

Magnification heeft voor Wilson een dubbele betekenis:
– een Bijbelse: het loven van God
– de hedendaagse Engelse: uitvergroten van de rol van God, zoals die beschreven is in het desbetreffende Bijbelgedeelte.

Tips:
(1) Maak het handelen van God (de grote daden van God; de magnalia Dei) tot het onderwerp van de zin, die het thema van de preek formuleert (theme sentence). Gods handelen is altijd van belang, maar niet elke Bijbeltekst en elke preek gaat spreekt hierover.
(2) Wanneer het handelen van God nauwelijks een rol speelt in de perikoop, vertel dan de perikoop op zo’n manier na dat duidelijk wordt wat God doet.
(3) Doordenk het Bijbelgedeelte op een theologische wijze en maak daarbij gebruik van de kerkelijke traditie op dit punt.
(4) Neem de gelegenheid te baat om verwijzingen naar God en Zijn handelen te formuleren als een korte lofprijzing (doxologie).

Het doel van magnification is niet om te onderhouden over de voortgaande ontwikkeling in de Bijbel, maar bedoeld om de wonderen van Gods handelen te proclameren.

N.a.v. Paul Scott Wilson, ‘Magnicifation’, New Interpreter’s Handbook of Preaching (Nashville: Abingdon, 2008) 193.

Lofprijzing?

Lofprijzing?

‘De preek had meer over de Heere Jezus mogen gaan. Nu ging het teveel over Anna.’ Het was een opmerking die ik gisteren hoorde n.a.v. de preek. Het was mijn bedoeling niet om de mensen met Anna naar huis te sturen. Hooguit met de houding van Anna: de vreugde en de lofprijzing om God die in Jezus bevrijding voor Jeruzalem gezonden had.

Zulke opmerkingen houden mij bezig. Want ik was me er al van bewust dat het een noodgreep was om Anna als voorbeeld te gebruiken.
Anna was in mijn preek een identificatiefiguur. Meestal grijp ik terug op identificatiefiguren (in preekjargon: exemplarische prediking) als het mij niet lukt om bij de werkelijke verkondiging te ‘komen’.
Als het mij niet lukt om met de boodschap die ik te verkondigen heb bij de lofprijzing uitkom of de gemeente weet mee te nemen in de lofprijzing.

Peter Bukowski gaf eens als tip voor een paaspreek: bouw de preek op met een paaslied als voorbeeld. Gisteravond – toen ik de preek over Anna nog eens hield – moest ik aan deze tip denken. En toen viel het me ook op, dat er meer doxologie (lofprijzing) in mijn preek had mogen zitten.
Ik kwam tot de ontdekking (niet voor het eerst): de modus van de lofprijzing is voor mij als prediker een van de moeilijkste die er is.
Dan denk ik: was ik maar organist, want dan was het mij wel gelukt. Of had ik maar de opdracht om er een lied over te maken.

Voorheen had dat te maken met mijn twijfel en was dat de belemmering om bij de lofprijzing uit te komen. Nu denk ik dat het vooral mijn eigen onmacht, een gebrek aan woorden en misschien ook wel een gebrek aan een ‘doxologische levensstijl’.
En overstem ik mijn onmacht door exemplarische prediking. (Dat laatste is niet verkeerd en kan – goed uitgevoerd – ook een weg naar de lofprijzing toe zijn.)

Misschien moet ik dat toch maar eens echt gaan doen: een lied als voorbeeld voor de preek – vanuit de lofprijzing of op weg naar die lofprijzing toe.

Preek Jesaja 12:1a (Herdenking bevrijding)

Zondag Cantate & herdenking Tweede Wereldoorlog
Zondag 2 mei 2010
Jesaja 12:1aEn gij zult te dien dage zeggen: Ik loof U, HERE

(1) Vooruitgrijpen: op die dag zult gij zeggen
Jesaja 12 is een onbekend gedeelte uit de bijbel. Dat is u bij het meelezen of aanhoren wel opgevallen. Wellicht zit u voor uzelf dat gedeelte nog eens door te lezen.Wat stond er ook al weer in het hoofdstuk, want het was wel erg nieuw, dit hoofdstuk? Zo’n gedeelte zou u wellicht niet zo snel uitkiezen als u op zoek bent naar troost of tijdens een bijbelkring als u iets in de bijbel wilt opzoeken.
Als iets nieuw is, blijft het niet zo gemakkelijk hangen. Ik loop het risico, dat ik u al kwijt ben vóór ik begonnen ben, terwijl u nog prakkiseert over het onbekende. Ons hart is vaak nog trager van begrip. We moeten eerst begrijpen – dan pas dringt het tot ons hart door. Dan pas kan ons hart de tonen van dit loflied bereiken.
Er kunnen allerlei redenen zijn waardoor dit loflied te hooggestemd is. Ons hart, onze ziel moet eerst tot rust komen – op adem komen bij de Here, tot rust komen (drukte van de afgelopen week – dagelijkse beslommeringen – zorgen) of u bent al bezig met wat er vandaag (nl: beslissing van het kampioenschap) gaat gebeuren of volgende week. Bij een bekende boodschap, een bekend gedeelte gaat het makkelijker.
Het zou jammer zijn als u het niet mee kon maken. Want Jesaja 12 is hele mooie tekst  – een loflied en heeft tegelijkertijd ook een hele mooie boodschap. Een boodschap waar u de rest van de week op kunt teren. Of: zoals deze tekst het zegt: u zult met vreugde water scheppen uit de bron. Want dat is nog wel eens een probleem –  op zondag kun je je opladen – ben je er mee bezig, maar je kunt het vanmiddag (bijzondere zondag;-)) al weer kwijt zijn en morgen vergeten.

En gij zult te dien dage zeggen: Ik loof U, Here. Je leest er gemakkelijk overheen – zeker als je niet weet wat er aan de hand is. Toch is het bijzonder wat er gebeurt. Stel, we zouden midden in de oorlog zitten. Deze week herdenken we, vieren we dat voor ons de oorlog 70 begon en 65 jaar bevrijding. Stel, dat we midden in de oorlog zouden zitten, 1941 of 1942, of de oorlog zou nog moeten beginnen en dat er in die periode iemand zou zeggen: ‘Op de bevrijdingsdag zullen we zingen: De Heer is mij tot hulp en sterkte.’ Middenin de oorlog al rekening houden met bevrijdingsdag. Middenin de oorlog al een gedicht maken over de herwonnen vrijheid. Op die dag zult gij zeggen. Jesaja neemt een voorschot op de toekomst.
Hij schrijft een loflied, terwijl er nog weinig te loven valt. Hij bezingt de volle glorie en luister van de Here, terwijl het koninkrijk Juda er nog ontluisterd bij ligt. Daar is wel moed voor nodig – geloofsmoed.
Het kan zijn dat de oorlog u niet zo bezig houdt, omdat u zoveel zorgen maakt over uw toekomst, dat dat alle aandacht opeist  – u kunt er gewoonweg niet meer bij hebben. Dat kan toch? U ziet de omstandigheden voorlopig niet anders worden. Op die dag zult u zeggen: ik loof de Here. Wat Jesaja hier namens de Here zegt, is: er komt een einde aan die periode en u mag nu alvast een loflied schrijven vanwege het einde dat in zicht is. U mag aan het begin van de onderzoeken, de chemokuren de Here al danken voor de verlenging van uw leven. Vooruitgrijpen op het einde. Dat er een dag aanbreekt, waarop de moeilijke periode voorbij is. Dat u weer lucht krijgt, dat uw leven openbloeit, zoals een boom vol bloesem – een nieuwe toekomst beloofd door de Here. In een moeilijke periode: op die dag dat ik eruit ben! Het einde is in zicht: hoop De onzekerheid voorbij.
De Here bepaalt de maat, de grens van alle dingen. Psalm 33 bezingt hoe de Here het dreigende water tegenhoudt door Zijn macht. Tot hier toe en niet verder (Job 38:11). De tijden zijn in Gods hand. Ook de tijden van zorg.

(2) Omstandigheden
Veranderen de omstandigheden daardoor? Lang niet altijd. En toch … met het einde in zicht: nieuwe hoop. Als je in een depressie zit of in een langdurige ziekte en je weet dat het einde in zicht is, dat je dan nieuwe kracht ontvangt om door te vechten. Het zijn de onzekere tijden – als je niet weet hoe het afloopt – die je de moed ontnemen. Je weet niet of je kunt hopen.
Met het einde in zicht – komt de hoop Je kunt aftellen … dan is het voorbij.
Zoals in de oorlog: elke nieuwe overwinning van de geallieerden: Slag om Engeland, 6 juni 1944! Hoop – er komt een einde aan die periode. En gij zult te dien dage zeggen: ik loof de Here.
Voor het volk Juda was het nog lang niet zo ver. Het koninkrijk Juda verkeerde in zorgelijke omstandigheden van zorg. Het is niet helemaal duidelijk welke periode. Het kan vergeleken worden met de periode van voor 10 mei 1940: het oprukken van de Duitsers. Zullen wij aan de beurt zijn? Worden we overgeslagen? Gaat het ons voorbij? Vijanden rondom: oprukkend Assyrië. Wat moest het volk doen? Zich overgeven? Coalities sluiten? Hebben ze genoeg aan de Here? Een andere mogelijkheid is dat het vergelijkbaar met de tijd na 10 mei  1940: het gevoel van overrompeling  overheerst nog: “Het is oorlog!” Een ander leven. Het leven  is ingrijpend veranderd. De vijanden reeds gekomen. Waar was de Here- bescherming? Het was duidelijk voor het volk: de Here is afwezig, verborgenheid. Hoe moet je in zo’n situatie opstellen? Moet je de nieuwe tijd accepteren als een oordeel van de Here? Moet je je aansluiten bij de NSB? Moet je in verzet komen?
Woorden om de band met de Here aan te geven zijn verleerd. Ze worden  in Jes 12 wel genoemd, maar ontbreken in het voorafgaande hoofdstukken:

  • vertrouwen – want weg
  • toevlucht zoeken bij de Here. Wel op zoek, maar niet meer in hun midden.
  • Vreugde – omstandigheden! Loflied verstomd!

Ipv daarvan: vrees! Wat brengt de toekomst mij? Mijn kinderen? Is er wel een toekomst?
Te dien dage zult gij zeggen: ik loof de Here. Vooruitgrijpen op het einde. Ongelooflijk! Terwijl iedereen om Jesaja ervaart dat God afwezig is, viert Jesaja de aanwezigheid van de Here.

(3) En toch loven
Vanuit de aanvechting loven – vooruitgrijpen. Dit is geen goedkoop optimisme, alsof alle spanningen aan de kant worden geschoven. Dit is geen overschreeuwen van de angst, zoals de soldaten in de oorlog tijdens het marcheren marsliederen zongen om hun eigen angst te overschreeuwen. Maar hoop op God, die van alles de maat en de grens bepaalt.  Ongelooflijk dat die woorden in de mond genomen worden!
Het loflied is ook geen eigen uitvinding van Jesaja, maar opdracht van de Here. Jesaja is daarvoor gezonden. Zodat het volk weer de Here gaat zoeken. De Here heeft de band niet doorgesneden. Geen onverschilligheid van de Here, maar hartstochtelijk zoeken. Ik hoop dat u zo ook naar uw omstandigheden kunt kijken als u in een moeizame periode zit. Dat de Here actief naar u op zoek. De profeet komt met de boodschap: te dien dag. We worden niet alleen getroost met de toekomst, maar vooral met de aanwezigheid van de Here. Nu ervaar je het nog niet, maar er komt een tijd. Het geloof is niet gevangen in het moment van het ogenblik.
Als christen leven we vanuit de wederkomst van onze Here Jezus Christus. De wetenschap van die komst sterkt ons in het heden.
Gij hebt mij een loflied in de mond gelegd! Midddenin – door de Here zelf. Dit loflied is de jubel van degenen die ontkomen zijn. Van degenen die het leven weer teruggevonden hebben,  teruggekregen uit de hand van de Here. Zo klinkt steeds weer opnieuw uit de aanvechting lofzang. Nieuw licht, nieuw hoop doordat het perspectief verandert: nieuwe kracht, de kracht van Christus opstanding, waardoor we kunnen volhouden. Niet individueel, maar als gemeente – profeet neemt de gemeente mee in de lofprijs. De profeet gaat zijn volk voor in vertrouwen op God. Hij laat ons instemmen met het koor van de profeten, de psalmisten, de engelen, van degenen die in 1945 (of daarna!) teruggekomen en de Here daarvoor hebben gedankt. Zoals Jesaja in dit gedeelte de woorden uit de psalmen en het lied van de Schelfzee (Ex. 15 aanheft). Hij neemt ons mee, zodat wij ook meegaan in de lof en zo  het vertrouwen in de Here weer herwinnen. Stijgen wij boven onszelf uit op vleugels van het geloof. De naam van God wordt geloofd. Dat betekent dat de onkunde voorbij is. Te dien dage zult gij zeggen: ik loof U, Here. Het gesprek met de Here wordt weer geopend en de profeet gaat er in voor. Mijn God! Mijn sterkte! De vergeten woorden klinken weer: sterkte, vertrouwen, vreugde.
Het loven van de Here heeft ook nog een ander effect. Wie de Here looft, belijdt alleen Hem als Heer. Die doet afstand van andere machten. Diens hart is vrij, zoals bij de mensen van het verzet in de Tweede Wereldoorlog. Wie de Here looft, kan de nieën niet buigen voor Baäl, als Mordechai niet buigen voor Haman – alleen voor de Here. Alle knie zal zich buigen (Fil 2). De lofzang is de taal van het verzet.

(4) ‘Zie!’ /  Here: bron
De macht van de Here is niet altijd zichtbaar. We moeten er op gewezen worden. Dove oren gaan open en blinde ogen zien. Daarom wordt de profeet gestuurd – boodschapper van God. ‘Zie!’
In Jeruzalem was destijds een bron, aangelegd door één van de koningen. Als de stad omsingeld zou worden, zou de bevolking van de stad toch te drinken hebben. Zo zichtbaar als die bron is de Here weer. Hij is de localiseren. Hij is weer op te zoeken. Hij is weer te vinden. We moeten er opmerkzaam op worden gemaakt. Vertrouwen op de Here begint met waarneming: “Zie!” Dat Hij er weer is. Dat Hij Zijn macht en glorie laat zien. God heeft zich weer tot ons gewend, zodat wij (weer) kunnen leven. [Water: in de eerdere hoofdstukken metafoor voor de vernietiging wordt metafoor van Gods goedheid.]
In het Nieuwe Testament sluit de Here Jezus hierbij aan. Water uit de bron wordt daar de Heilige Geest. De Here geeft leven, Hij geeft Zijn Geest. We mogen nemen van wat God geeft. Gelukkig met de God van Israël Vreugde! Het leven hier is goed, want de Here, de opgestane Heer, is in ons midden. Amen

ds. M.J. Schuurman