Ademnood en vitaliteit

Ademnood en vitaliteit.
Terugblik op de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond

In veel gemeenten binnen de Gereformeerde Bond zijn veranderingen aan de gang. De liturgie verandert: naast de Psalmen uit de Oude Berijming wordt nu gebruik gemaakt van Op Toonhoogte en Weerklank. Een misschien nog wel veel grotere verandering is dat het bezoek aan de kerkdienst terugloopt, zeker in de middag- of avonddienst. Omdat gemeenteleden overstappen naar een andere gemeente of het belang van kerkdienst niet meer inzien en makkelijker wegblijven. In veel gemeenten zijn ook spanningen rondom de koers van de gemeente. Of conflicten tussen gemeente en predikant.

Secularisatie?
Zijn dat tekenen dat de secularisatie nu ook in de kringen van de Gereformeerde Bond is aangekomen? Afgelopen donderdag en vrijdag was er door de Gereformeerde Bond daarom een conferentie belegd om ervaringen uit te wisselen en elkaar toe te rusten. We lazen ter voorbereiding een artikel uit 1996 over Godsverduistering en ademnood. Op de eerste dag werd Godsverduistering nog wel genoemd, maar ik kreeg de indruk dat het vooral de sfeer van de jaren-’80 opriep en dat daarom het woord niet door iedereen werd overgenomen. Het woord ademnood raakte wel meer een snaar. Al werd niet uitgelegd wat er met die ademnood werd bedoeld en kon iedereen zijn eigen ervaring er aan koppelen.

Kwetsbaar voor nostalgie
De opzet, waarbij er nogal eens teruggeblikt werd op de afgelopen decennia, maakte de aanpak kwetsbaar voor een vorm van nostalgie. Al werd ons voorgehouden dat het voor de Gereformeerde Bond nu echt tijd is om de secularisatie te gaan verwerken en de gevolgen niet weg te lakken onder een vroom vernis. Er werd teruggegrepen op de discussie dr. H. Berkhof – ds. G.  Boer, waarbij deze keer gezegd werd, dat ds. Boer het punt van Berkhof over de opkomende secularisatie niet aanvoelde.

Grote woorden
Om de tijd te duiden werd er een grote lijnen getrokken en grote woorden gebruikt. Persoonlijk had ik liever gezien dat navraag gedaan werd in hoeverre de verschijnselen die door godsdienstsociologen en cultuurfilosofen werd opgemerkt ook in de gemeenten spelen. Kun je er vanuit gaan dat die verschijnselen, zoals transcendentieverlies, onttovering van de wereld, natuurwetenschappelijk wereldbeeld echt ook impact hebben op de gemeenten? Er zullen gemeenten zijn, waarbij die effecten gemerkt worden.

Ongelijktijdigheid
Door mijn rol als voorzitter van de classis Hattem en betrokkenheid bij de Generale Raad van Advies heb ik gemerkt dat er een grote ongelijktijdigheid is: wat in de ene regio speelt, speelt in een andere regio helemaal niet. Sinds ik predikant ben iets ten oosten van het midden, valt mij op dat vanuit dit deel van het land (en ik vermoed dat het voor het noorden niet anders is) er een andere kijk op Nederland is. Ik krijg de indruk dat dit ook voor kerkelijk Nederland geldt. Ontwikkelingen in het oosten van Nederland zouden wel eens anders kunnen zijn dan in het westen.

Ik bedoel niet persé rooskleuriger: in de Achterhoek hebben de gemeenten het net zo moeilijk als in Noord-Holland. Toch is in bepaalde streken van het oosten God onderdeel van het dagelijks leven. Hij hoort er gewoon bij. Net als kerkgang. Al ga je zelf dan misschien niet meer, je ouders gaan nog wel. Al zijn je kinderen misschien niet meer gedoopt, ze gaan nog wel naar een christelijke basisschool. Mijn ervaring is dat in het oosten er nog volop een structuur is om naar de kerk terug te keren als je afgehaakt bent. In het westen van Nederland is die structuur voor een groot deel verdwenen, waardoor mensen die kerkgang weer op zouden willen pakken niet weten waar ze moeten beginnen.

Ademnood
In de afgelopen dagen heb ik me ook de vraag gesteld: wat zegt het over ons als predikanten dat we ademnood krijgen in deze tijd? In de lezingen en in de wandelgangen werd er vooral gekeken naar de cultuur die verandert en de gemeenteleden die zich door die veranderingen in de luren laten leggen. Een enkele collega gaf aan: die secularisatie werkt ook in mij. Houden we onszelf niet teveel buiten schot als we bepaalde ontwikkelingen in de cultuur en in de kerk duiden als ademnood of zelfs als Godsverduistering? We lazen een artikel van Herman Oevermans van tevoren, waardoor de toon eigenlijk al somber was ingezet.

Teveel menselijke zekerheid
Wat was er gebeurd als we een artikel gelezen hadden van A.A. van Ruler over God en de chaos? In dat artikel zegt Van Ruler, dat God onze zekerheden omver kan werpen omdat het menselijke zekerheden zijn. Zou er in de kerk in de afgelopen decennia ook niet teveel menselijke zekerheid zijn geweest? Bijvoorbeeld door te denken dat de secularisatie ons niet kan raken, omdat we de Schrift en de Belijdenis hebben, omdat we orthodox genoeg zijn? Is dat niet eerder een vorm van struisvogelpolitiek geweest? Waarom hebben we in onze kringen niet geleerd van de achteruitgang in gemeenten met een heel andere ligging? Waar was de betrokkenheid op de classis of in de werkgemeenschap op gemeenten, die het in de afgelopen decennia reeds zwaar te verduren hadden?

Niet op voorbereid
In de 12,5 jaar dat ik nu predikant ben, heb ik veel gepreekt in kleine gemeenten, waarbij de jongste kerkganger in de 60 was. Daarbij heb ik altijd het besef gehad, dat deze ontwikkeling ook in kringen van de Gereformeerde Bond zou kunnen komen. Wat me vooral als vraag bij bleef, is waarom zijn we daar niet op voorbereid?
Dat geldt ook voor mijzelf. Ik kwam uit het kerkelijke Veenendaal in Noord-Holland terecht, waar de kerk anders was. Dat gaf een grote cultuurschok, waar ik niet op voorbereid was. Daarnaast begon ik net na de fusie van de PKN, waardoor alle structuren eigenlijk zo goed als weg waren. Omdat ik net uit een andere kerk kwam, had ik ook niet zelf een netwerk waar ik op kon terugvallen. Dat gebrek aan netwerk en die cultuurschok waar ik niet op voorbereid was, deden mij enorm twijfelen.

Twijfel
Nu had ik al een enorme twijfel, maar die werd behoorlijk versterkt. Achteraf heb ik die twijfel leren duiden als eenzaamheid. Niet dat ik binnen de gemeente geen contact had. Gelukkig genoeg fijne contacten en ik heb er een mooie tijd gehad en veel beleefd. Het vrije paste me meer dan een strakke structuur in een plaats met vaste kerkelijke kaders, maar had ook duidelijke schaduwkanten voor mij.

Predikant in zo’n context
Wat mij in die tijd had kunnen helpen, was een duidelijke visie op de rol van predikant in zo’n context: bezig met de Schrift, sensitief voor de omgeving, serieus luisterend naar de aanvechtingen, maar toch ook een geloof dat het alles in Gods hand ligt en dat ik daar niet voor niets ben. Eugene Peterson had me kunnen helpen. Al leerde ik die later pas kennen. Monastieke gewoonten, zoals een gestructureerd geestelijk leven had me kunnen helpen: gewoon doorgaan, al stormt het in je hart vanwege alle aanvechtingen. Wat me ook had kunnen helpen is een visie op wat gemeente en liturgie: hoe kun je een kerkdienst houden als je met 10 – 20 mensen bij elkaar bent in een oude, monumentale kerk? Wat betekent dat voor het zingen en voor de preek? Hoe maak je kinderen vertrouwd met kerkliederen en psalmen als ze dat niet op school leren?

Zwaarmoedigheid als ongeloof
Een theoloog die mij in die tijd hielp was Christian Möller. Hij hielp mij om gewoon als predikant mijn taak te doen en de kerk, hoe klein ook, kerk te laten zijn. Hij hielp mij ook om kritisch naar mijzelf te kijken. Hij leerde mij, dat Schwermut scheert langs het ongeloof. Voor mijzelf heb ik geleerd dat zwaarmoedigheid zelfs ongeloof is: je vergeet dat er een God is die alle dingen nieuw kan maken. Ten diepste wantrouwen: je gelooft niet dat God het kan of zal doen. Een van de pijlers van het werk van Möller is de zondeleer en de vraag van Anselmus: besef je wel hoe ernstig de zonde is?

Van nature geneigd
Daarbij kijk je niet naar anderen maar naar jezelf. Je hebt anderen nodig, die je op de zonde in jezelf te wijzen, omdat je voor jezelf de schijn ophoudt dat je gelovig bent. Daardoor heb ik geleerd om de Catechismus op mijzelf toe te passen: Ik ben van nature geneigd om God en mijn gemeente te haten. Dat ik dat niet doe, is genade. Ik mag het ook niet doen, want dan komt de oude mens boven. Het moet een gevecht zijn als ik kritisch zou zijn op de gemeente om eerst naar mijzelf te kijken: kijk ik wel goed? Duid ik wel goed? Want als onze beste werken met zonde bevlekt zijn, geldt dat ook voor mijn duiding van de tijd en voor mijn kijk op de gemeente.

Verwachting dat God er zal zijn
In de loop van de jaren dat ik rondpreek heb ik een hoge waardering voor de kerk gekregen. Op onverwachte plekken komen mensen bij elkaar in verwachting dat God er ook zal zijn. Ik deed in Purmerend diensten in verzorgingstehuizen. Er waren er tien aanwezig, waarbij de jongste aanwezige 86 was. Als 28jarige predikant ging ik voor in die diensten op donderdagmiddag. Ik nam een cd met koormuziek mee, zodat de dienst niet afhankelijk was van de ielige stemmen. Bij een andere verzorgingstehuis kwam ik aan en bleek er op een rooms-katholieke viering gerekend te zijn. Er kwam echter geen pastoor, maar een predikant. De viering gebeurde toch maar op de katholieke manier. De hostie werd in de wijn gedoopt en uitgedeeld, waarbij ik zei tegen de aanwezigen: Dit is het lichaam van Christus voor u. In het rondpreken heb ik gemerkt, dat er zelden meer iemand uit gewoonte naar de kerk komt. Mensen die komen willen iets van God gewaarworden. In de liederen die ze zingen. In de preek die ze horen.

Op zoek naar gereformeerde bevinding
Sinds enige tijd ben ik bezig met K. Schilder, K.H. Miskotte en O. Noordmans. Schilder en Noordmans waren in hun tijd op zoek naar een gereformeerde bevinding, een eigentijdse gereformeerde mystiek. Ook Noordmans gaf aan, dat het niet meer op de traditionele manier kon en dat men weer moest beginnen bij de Schrift. Ik denk dat het eigen is aan gereformeerde bevinding: dat je steeds opnieuw moet beginnen. Geloof, Bijbel, aanwezigheid van God, bevinding – dat is niet iets dat je ‘hebt’, je moet het steeds ontvangen en zoeken. En vormen hebben, die dat zoeken vormgeven. Vormen die de aanvechting een plek geven, maar wel op zo’n manier dat je door die aanvechting groeit naar een tweede naïviteit. Ik ben nooit echt zonder twijfel geweest. Ik heb me geregeld afgevraagd waarom juist ik predikant moet worden. Soms denk ik dat het is juist omdat ik steeds besef dat ik het niet ‘heb’. Alleen heb ik wel moeten leren, dat ik daarin niet moet blijven steken. Dat is niet mijn roeping, niet mijn taak.

Ontzaglijk ruime wereld
Als ik mijn exegese doe, betreed ik in een ontzaglijk ruime wereld, waarin mijn hart niet altijd mee kan komen, maar waarin ik wel merk dat God daar is. Aanvechting heeft de neiging om je hart daarvoor te sluiten, maar wekt ook een sterk verlangen naar God. Vanuit de exegese, waar je soms net als Petrus, Johannes en Jakobus mag zien hoe Christus van gedaante verandert, moet je weer naar beneden, met je preek de gemeente in. Dat blijft wel behelpen. Want welke woorden kunnen weergeven wie Christus is?

Vitaliteit
Terugkijkend op de conferentie denk ik, dat voor mij in ieder geval aanvechting weer op de agenda staat. Samen met volharding. En zelfonderzoek. Al zijn die thema’s nooit echt weg geweest. En dan vooral: wat betekent het om als predikant, die de aanvechtingen kent, toch oog te blijven houden voor wat God in deze tijd doet? Welke vormen heb ik, die mijn aanvechting serieus nemen, maar ook weer verder leiden? Welke mensen zijn mij voorgegaan en gaan mij die weg mee? In de afgelopen jaren ben ik me steeds meer bewust geworden van de gereformeerde traditie, omdat die zowel de aanvechting en de volharding, als het zelfonderzoek en het oog voor de mensen, die God je geeft om je heen, leert.

Preek zondagmorgen 26 augustus 2018

Preek zondagmorgen 26 augustus 2018
Bevestiging van ds. I. Pauw tot predikant van de Hervormde Gemeente Wezep-Hattemerbroek

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Op een middag in mei dit jaar de klokken van de Vredeskerk en de Hoeksteen
om aan te geven dat er mooi nieuws te melden was
voor de Hervormde Gemeente Wezep-Hattemerbroek:
de beroepen predikant, ds. Pauw, heeft het beroep aangenomen!
En als consulent heb ik ook mogen zien, dat er door het beroep op ds. Pauw
en vooral doordat hij het beroep aannam, er binnen deze gemeente
veel enthousiasme en dankbaarheid kwam.
Bijzonder voor mij om dat als consulent dat van dichtbij mee te mogen maken.
Tegelijkertijd heb ik mij – omdat ik zelf predikant ben – er ook wel over verbaasd.
Waarom zoveel enthousiasme voor de overkomst van één gezin,
terwijl er in de afgelopen jaren toch wel meer gezinnen hier lid geworden zijn?
Zoveel enthousiasme over de komst van één persoon die hier de gemeente komt dienen,
terwijl er toch zovelen zijn die hier dienstbaar zijn aan de gemeente
als ambtsdrager, als koster, organist, als bezoekbroeder of zuster, als catecheet?
Natuurlijk, een predikant kan meer tijd besteden aan de gemeente
dan een gemiddelde kerkganger
en gaat ook voor in diensten: de zondagse erediensten, rouwdiensten, trouwdiensten.
En toch: wat wordt er allemaal niet verwacht van een nieuwe predikant?
Misschien is dat ook wel tegen je gezegd, Sjaak:
We hopen dat je komt, want er is een frisse wind nodig, een opleving.
Als er zoveel loskomt, dan word ik altijd wat wantrouwend:
Wat komt een predikant doen in de gemeente?
Komt hij iets doen, wat u zelf nalaat, of vergeet te onderhouden?
Namelijk dat je weer enthousiast wordt voor Christus,
dat je weer met plezier naar de kerk gaat, dat je zelfs weer uitkijkt naar de diensten
om als gemeente bij elkaar te zijn, omdat er wat met je gebeurt.
Bent u, ben jij daar niet zelf verantwoordelijk voor?
Moet je daar zelf niet wat voor doen, dat je je vreugde in Christus niet kwijtraakt,
dat je geniet van het gezamenlijk optrekken van de gemeente op de weg van Christus?
Is het niet te makkelijk om voor de groei en diepgang, ontwikkeling van je geloof
naar anderen, in dit geval ds. Pauw te kijken?

Ik moest deze kritische noot even kwijt,
want natuurlijk begrijp ik ook wel, waarom er zo naar een predikant wordt gekeken
en waarom een nieuwe predikant zoveel enthousiasme teweeg brengt.
Een predikant is een voorganger, iemand die vooropgaat en de gemeente meeneemt:
in de preken die gehouden worden en de diensten die geleid worden,
in het beleid dat ontwikkeld wordt, waar deze predikant ook zijn stempel op zal zetten,
(ik begreep dat een van de voorwaarden was om het beroep aan te nemen
dat de gemeente ook serieus werk zou maken van de missionaire roeping),
maar ook de gemeente voorgaan in het verlangen naar de grote Dag
dat Christus terug naar deze aarde, naar Zijn gemeente.
Een predikant doet dat niet alleen door woorden te spreken,
of door beleid te ontwikkelen,

maar ook door zelf het voorbeeld te geven.
Misschien is er daarom wel een enthousiasme omdat er behoefte is aan iemand
die zichtbaar maakt hoe het geloof werkt, zie het voorleeft, laat zien
wat je bent en wie je bent als je van Christus bent.
Ooit mocht een klasgenootje van mijn dochter voor het eerst mee naar de kerk.
Nadat ik naar voren kwam voor stil gebed en om de kansel op te gaan
zei hij teleurgesteld tegen zijn moeder:
Dat is niet de Heere Jezus, dat is de vader van Imke.

Hebben niet veel gemeenteleden dat: dat ze naar een dominee kijken en luisteren
om daardoor heen iets te merken van Christus, zijn en hun Heer.
Je blijft Sjaak Pauw en tegelijkertijd proeven ze iets van Christus,
zien ze iets in jou van Hem, die je naar hier geroepen heeft.
Ik bedoel dat niet als last, maar juist als voorrecht, geroepen naar hier,
om hier iets van jouw en onze Heer te laten zien.
Je maakt Zijn stem hoorbaar door jouw woorden,
je maakt Hem zichtbaar door hoe je bent en wie je bent.
Zo ben je een steun voor de gemeente. – Troost schrijft Paulus.

Hoe belangrijk steun is, zul je in je werk in Eindhoven hebben ervaren,
rondom tegenslag in het leven van gemeenteleden, of in het gemeentewerk.
(Ik begrijp dat de Kruispuntgemeente spannende perioden heeft gehad
en nu best weer eens een spannende periode kan doormaken).
Steunen en troosten is niet alleen maar opbeuren en bemoedigen.
Ik weet niet of je al kennis gemaakt hebt met het woord ‘ril’.
Je hebt hier in Wezep mensen die nogal ‘ril’ kunnen zijn. In Oldebroek trouwens ook.
Zulke mensen hebben meer nodig dan alleen maar een arm om de schouder,
natuurlijk, dat ook, maar ze hebben het ook nodig dat ze zien hoe het werkelijk zit,
zodat ze weten dat hun zenuwachtigheid, paniekerigheid niet nodig is.
Als je met mensen te maken hebt, die ‘ril’ zijn, kun je bij jezelf denken:
Waarom is iemand niet iets stabieler, heeft iemand niet wat meer vertrouwen?
Sommigen kunnen ook in hun geloof heel ‘ril’ zijn.
Als er iets gebeurt, dan komen gelijk de vragen op: Waarom?
Of dan raken ze in paniek en zien ze niet meer dat Christus werkt.
Dan hebben ze troost nodig.
Troost is hier een van de mogelijke vertalingen.
Je kunt ook vertalen met aansporen, bemoedigen, corrigeren, terechtwijzen.
Een breed spectrum van een positieve, bemoedigende aanpak
tot een behoorlijk confronterende aanpak, waarin je echt terecht gewezen wordt.
Bij al die aspecten gaat het om één ding: bij Christus gehouden worden.
De één heeft daarvoor de troost nodig, omdat er heel wat is gebeurd.
Een ander een aansporing, omdat hij nogal gemakzuchtig is in het geloof
En onderhouden in het geloof.
Weer een ander stimulans, omdat zij niet gedoopt is en steeds maar afvraagt
wanneer het juiste moment is om alsnog gedoopt te worden.
Iemand heeft tot je verbazing nog geen belijdenis gedaan – dat komt hier nogal voor.
en je spreekt iemand er op aan en nodigt diegene uit om belijdenis te komen doen,
maar die houdt de boot af: ik heb nog te weinig kennis, nog niet aan toe.
Als je dat denkpatroon doorbreekt en zo iemand bij Christus weet te brengen,
omdat je de blokkades die iemand zelf heeft opgeworpen,
dan is dat ook hetzelfde als hier gebeurt met troost.

Het bijzondere in dit gedeelte
– en daarom zal er ook voor troost als vertaling gekozen zijn

is dat Paulus zelf ook met een crisis te maken had.
Ik weet niet of je dat in Eindhoven overkomen is
en ik weet niet of je dat in Wezep/Hattemerbroek bespaard blijft.
En ik weet ook niet of je dat moet willen, dat zo’n crisis je bespaard blijft.
Als je voor het kiezen hebt, dan zullen de meeste mensen zeggen:
Laat deze drinkbeker aan mij voorbijgaan.
Paulus heeft, toen hij heel diep ging – hij ging heel diep want zag de dood in ogen,
en dat was voor hem een huiveringwekkende ervaring,
waarin hij dacht dat hijzelf afgebroken werd
en misschien ook wel dat van het werk dat hij deed er niets meer overbleef.
Juist toen hij zo diep ging, leerde hij Christus nog meer kennen dan hij al deed.
Hij werd zelf getroost – getroost in de diepe betekenis van bij Christus bewaard.
Die ervaring dat – op het moment dat alles je uit de handen glipt
en van je eigen werk niets meer overblijft
en dat je je vertwijfeld afvraagt: God, hoe moet het nu met Uw kerk –
dat op dat moment Christus er wel degelijk is, niet in de vorm van succes,
maar in de vorm van genade – Mijn genade is u genoeg,
Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht,
Mijn glorie zichtbaar gemaakt door mensen die helemaal niet perfect zijn
En soms alleen maar bezig zijn met hun eigen belangen,
hun eigen richting binnen de kerk.

Paulus leerde dat wat hem overkwam bij Christus bracht.
Wel op een confronterende manier, want het was delen in het lijden van Christus,
afgebroken worden, zoals Christus afgebroken werd.
Maar dat was niet voor hemzelf alleen,
maar ook om de gemeente in Korinthe iets te leren,

een les voor ons vandaag de dag, in Wezep en in Hattemerbroek,
in Oldebroek niet minder

dat kerk-zijn niet altijd een stijgende lijn is,
maar samen kan gaan met teleurstellingen, crises.

Was het net zo ervaren als Gods hand die leidt, wanneer ds. Pauw had bedankt
en u als gemeente zelf al die taken van een predikant had moeten oppakken?
En ervaart de Kruispuntgemeente van Eindhoven het als Gods leiding
dat hun predikant wordt weggeroepen naar een andere plek?
Gelukkig zit er veel geloof hier in de gemeenschap
en ik hoop dat je net ik geregeld verrast wordt door ontmoetingen,
waarin gemeenteleden en niet-gemeenteleden de ervaring verwoorden
ook door de tegenslagen bij God gebracht te worden.
Ik hoop dat je als predikant zelf ook door de gemeente getroost mag worden.

In de liturgie hebt u kunnen zien, dat ik niet alleen de predikant als steunpilaar zie,
maar ook de gemeente.
Daarbij dacht ik niet zozeer aan dat de gemeente voor de nieuwe predikant tot steun is,
maar dat u als gemeenteleden voor elkaar tot steun bent
en dat uw nieuwe predikant deze gemeenschap,
waarin ieder elkaar steunt en bemoedigt

– omzien naar elkaar! Als je missionair werk wilt uitbouwen, begin dan met deze gedachte
die hier diep in de volksaard zit, omdat Wezep gegroeid is uit buurtschappen
(Je zult zien hoeveel contacten je opdoet door begrafenissen en bruiloften,
door de gesprekken vooraf en de gesprekken bij de maaltijd na de begrafenis,
of tijdens het feest omdat er zoveel mensen komen
en de betrokkenen en andere aanwezigen het waarderen dat je er bent
– de missionaire plekken bij uitstek – vgl VOETBAL en andere sportclubs,
waarbij het jammer is dat je kinderen eerder naar WHC zullen gaan dan naar Owios) –
De gemeente als steun –
Paulus heeft de gemeente ook steeds gewaardeerd en er hoog van opgegeven,
zelfs de gemeente van Korinthe waarmee er eigenlijk geen klik was,
in ieder geval vanuit Korinthe niet.
In de beide brieven kunnen we tussen de regels door kritiek op Paulus vernemen,
zelfs de vraag of Apollos niet kon komen in plaats van Paulus.
Nogal wat misstanden en zonden, waardoor hij de gemeente had kunnen bekritiseren:
Jullie hebben nooit wat van mijn onderwijs en lessen willen aantrekken.
En toch: Gemeente van God in Korinthe, heiligen in Achaje.
Stelt u zich eens voor: de gemeente van God in Wezep-Hattemerbroek
en de heiligen hier op de Noord-Veluwe.
Hoe je ook over de gemeente denkt, welke band je ook krijgt – ik hoop een heel goede
het gaat hier wel om Gods gemeente
en hoe je ook over de mensen denkt, welke ervaringen je met hen opdoet,
het zijn wel heiligen – door God apart gezet, middel in Zijn hand.
Hij werkt niet alleen door jou, maar ook door hen.
Ik hoop dat je zo mag zien, dat je getuige mag zijn, hoe de gemeente op deze manier
tot steun is en zo werkelijk gemeente Gods is, omdat ieder die er is,
bewaard wordt, door de diensten, door de pastorale bezoeken, door de catechese,
door de kindernevendienst, door de missionaire contacten, bewaard bij Christus.
Dat je mag zien: de Geest werkt hier op deze plaats.
– samen met de andere kerken en gemeenten die hier in Wezep/Hattemerbroek zijn.

De gemeente als steun, als plek waar God werkt, waar je Christus kunt vinden
en bij Christus bewaard blijft, dat mag volgende week nog eens extra zichtbaar worden
als hier het avondmaal wordt bediend – ik spreek liever over vieren.
Als hier gevierd wordt, dat Christus zichzelf gaf, aan het kruis op Golgotha,
Hoe Hij daardoor ervoor zorgde, dat onze zonden vergeven worden
en u en jij apart gezet bent, tot heilige gemaakt.
Daar wordt de troost, de ontferming,
de barmhartigheid van Christus gezien en geproefd.

Christus de gastheer, die jou en u het brood en de wijn aanreikt, daarmee zichzelf.
Er zijn er die er naar uitkijken, naar de ontmoeting met Christus
En deze keer bijzonder met een nieuwe predikant, een nieuwe herder en leraar.
Er zijn er ook die er tegenop zien, of niet komen,
niet vanwege deze predikant, maar die van zichzelf vinden dat het niet voor hen is.
Ik kan u niet over de streep trekken.
Ik kan alleen maar zeggen, dat volgende week daar Christus zal staan
om u en jou te roepen tot hem – om Zijn barmhartigheid te ontvangen in brood en wijn.
Het is de stem van ds. Paus die spreekt,
het zijn de handen van ds. Pauw
die het brood zullen breken en de wijn zullen doorgeven,

maar hij is wel een middel, een instrument in Gods hand,
om Christus in uw midden aanwezig te laten zijn.
Natuurlijk, het is niet ds. Pauw die dat voor elkaar krijgt – het is de Heilige Geest.
Hij mag het u wel aanreiken: het middel van het avondmaal,
waarmee Christus u bij Zichzelf bewaart
Vaste grond – een eeuwig anker – geen storm kan mij losrukken,
geen zonde of aanklacht kan mij bij Christus wegslaan,
Steeds weer vind ik daar die barmhartigheid, het hart van de hemelse Vader,
omdat Christus daar stierf op Golgotha, ook voor u, voor jou en voor mij.
Daarop wil ik gelovig bouwen
getroost, wat mij ook wedervaart
Amen

Dubbele geesteshouding

Dubbele geesteshouding

Op 2-3 juni werd de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond gehouden. Deze conferentie ging over het boek van Stefan Paas, Vreemdelingen en priesters.

Op de tweede dag was er een lezing van collega C.M.A. van Ekris. Hij pleitte voor een houding van parrhesia: met een vrijmoedig geloof midden in de seculiere cultuur staan (zonder geïmponeerd te raken door de seculiere cultuur). Dat houdt voor hem een dubbele geesteshouding in:

  • Een geesteshouding van mystiek: afgekeerd van de wereld en nauw in contact met God, een leven uit de Schrift en het gebed.
  • Tegelijkertijd een houding waarbij we midden in onze eigen tijd en eigen cultuur staan en ons daar helemaal aan geven: een delen in de mooie kanten van onze cultuur maar ook in het lijden van deze cultuur. (aangedaanheid).

Het gaat hem om een geestelijk leven dat niet afdingt aan een van deze beide zijden. De parrhesia kan alleen als je midden in de cultuur staat en daarin ‘verantwoordelijkheid voor God neemt’ (Rowan Williams). Parrhesia is dan in de seculiere cultuur wandelen in de vrijheid God.

https://www.youtube.com/watch?v=CQnLl1aRdVI

Deze dubbele geesteshouding is voor ons als predikanten van belang. Het is ook van belang om deze geesteshouding de gemeente aan te leren. Deze geesteshouding is niet een bedoeld als een optimistische houding die al het negatieve wegwuift. Wel een houding die rekening mee houdt dat God in elke samenleving en elke tijd – ook de meest seculiere – kan ingrijpen.
Als de gemeente deze dubbele geesteshouding geleerd wordt, is het van belang zowel de ervaring van God als het gemis aan God door te geven. De dubbele geesteshouding is dan een vorm van volharding, die volhoudt in het geloven als de ervaring van God achterwege blijft.

Het viel Van Ekris op dat veel van zijn generatiegenoten niet geleerd is om weerbaar in het geloof te zijn. De kerk moet die weerbaarheid gaan aanleren. Hij doelde niet op een apolegetische houding, waarbij men de discussie niet schuwt, maar een innerlijke houding om niet geïmponeerd te raken door deze cultuur of door het gemis aan God.

Reflectie
1) Van Ekris raakt een belangrijk punt m.b.t. de weerbaarheid en de ervaring van Gods afwezigheid.
Het valt mij op dat deze ervaring nooit in methoden van (belijdenis)catechisatie aan de orde wordt gesteld. In Hou(d)vast komt het wel even aan de orde, maar dan op een theoretische manier. Het is van belang om in de catechese (en helemaal in de belijdeniscatechese) te leren wat aanvechting is en kan doen en welke houding daarbij nodig is.

Enkele jaren geleden kreeg ik een flink aantal jaargangen uitgeschreven preken (Genade voor genade, Uit de levensbron). Ik schat in dat het aantal preken die de aanvechting serieus neemt op één hand te tellen is. Van de preken die ik zelf gehoord heb, ging zelden een preek over de ervaring van aanvechting en het uithouden van de aanvechting. Meestal werd de aanvechting óf uit de weg gegaan óf weggeredeneerd.

2) Van Ekris pleit voor een dubbele geesteshouding. Het valt mij in de praktijk van de gemeente dat velen de mystiek of de verborgen omgang met God ontzettend ingewikkeld vinden. In het afgelopen seizoen van de belijdeniscatechisatie kwam steeds de vraag terug hoe in een druk leven toch tijd voor God gevonden kan worden en hoe we de signalen die God op ons afzendt kunnen waarnemen.
Daarnaast valt het me ook voortdurend op dat veel gemeenteleden eigenlijk niet kunnen bidden. Bijbel lezen gebeurt wel als praktijk. Maar ik schat in dat de meeste gemeenteleden niet goed weten hoe ze de Bijbel moeten lezen als versterking van hun geloof of als een luisteren naar Gods stem.
Naast het aanleren van de weerbaarheid is het ook van belang de gemeente in te wijden in de omgang met God.

3) Het is bij de dubbele geesteshouding van belang om midden in deze tijd te staan. Zelf kom ik uit de traditie waarin een combinatie was van een mijden en een antithese. De cultuur moest gemeden worden of er moest een verantwoord alternatief geboden worden.

Onlangs kreeg ik de vraag of ik iets wilde schrijven over het gebruik van films op catechisatie of tijdens de kerkdienst. Mijn eerste reactie was: dat kan alleen vanuit die dubbele geesteshouding. Films (of andere voorbeelden) kunnen in de kerkelijke praktijk alleen maar gebruikt worden als je films kijkt omdat je houdt van het kijken naar films. Niet omdat je op zoek bent naar illustraties. Want dan instrumentaliseer je een middel zoals een film. Dat geldt ook voor het lezen van literatuur, gebruik van songs, enz.

Ik merk dat ik slechts voor een deel midden in de cultuur sta. Ik kijk wel films maar bewust weinig tv en volg het nieuws slechts op beperkte schaal. Ik heb een bepaalde afstand nodig naar media en nieuws toe om de mystiek, de verborgen omgang met God niet in het gedrang te laten komen. Wanneer ik teveel opga in deze cultuur ben ik te onrustig voor Bijbel en gebed. De monniken hebben goed begrepen: je trekt je af en toe terug uit deze wereld om je aan God toe te wijden. Door deze toewijding kunnen ze dan weer zich beter toewijden aan hun dienst in de wereld. Het zou voor de gemeente goed zijn om bepaalde monastieke gebruiken te integreren in het dagelijks leven.

Waarom word je geen dominee?

Waarom word je geen dominee?

In memoriam prof. dr. G.G. de Kruijf

Ik heb de vraag nog nooit aan iemand gesteld. Ik wil de vraag nu al jou stellen: waarom word je geen dominee?
Je zult er wellicht nooit over nagedacht hebben. En als je al wel over deze vraag hebt nagedacht, heb je vast gedacht: dat is niets voor mij. In de eerste jaren dat ik theologie studeerde, zei ik er altijd bij: “Maar ik word geen dominee!”
Het is ook niet altijd gemakkelijk. In de 6 jaar dat ik predikant ben, ben ik steeds de jongste van de kerkenraad geweest. Het is werk met lange dagen met veel schakelen en onregelmatigheid. Er is veel tijdsdruk en vaak ben je terwijl je vrij bent nog met je hoofd bij het werk.
Toch is het mooi werk. Ik mag bij veel mensen binnenkomen. Als ik binnenkom, delen ze hun levensverhaal. Geregeld worden dingen verteld die nooit aan anderen verteld worden. Vaak voel ik mij bevoorrecht om zulke verhalen aan te horen. Zulke ontmoetingen kunnen al een reden zijn om dominee te worden. Maar er is nog een groter voorrecht: je mag het met mensen over God hebben. En mensen verwacht dat ook van je. Of ze nu ongelovig zijn of heel gelovig. Ik heb vaak de indruk dat wat mensen tegen mij zeggen, zij eigenlijk tegen God zeggen.
Als je dominee hebt, heb je het voorrecht en de roeping om te preken. Nu zijn vele mensen van mening dat de preek achterhaald is. Mijn ervaring is een andere. Ik heb in verschillende omstandigheden gepreekt: In een zaaltje in een verzorgingstehuis met 10 ouderen, waarvan de jongste 86 was. In een kerkdiensten met soms 10 – 20 kerkgangers. In begrafenisdiensten, waarbij de nabestaanden soms geen besef meer hadden van wat een kerkdienst is. Daar heb ik gemerkt dat luisteraars veel aan een preek kunnen hebben. Natuurlijk, de andere kant is er ook: de kritiek op preken. “Het gaat langs mij heen!” “Ik raak u aan het begin van de preek al kwijt!” Soms is het geloof van gemeenteleden bijna uitgedoofd en hopen ze dat de preek hun geloof weer aanwakkert en hen meeneemt en in vuur en vlam zet.
De preek is een spreken van God. Als je dominee zou worden, worden jouw woorden gebruikt door God om de gemeente aan te spreken. En bij alle kritiek die er op preken kan komen, hopen gemeenteleden ook dat zij aangesproken worden. Door God. Als dat gebeurt, als een preek slaagt omdat je merkt dat de luisteraars de stem van God horen in hun eigen leven, zijn dat momenten waarop je gelukkig zult zijn.
Het is een roeping om dominee te worden. Het vraagt om een leven in nederigheid en dienstbaarheid. Wellicht bij jij ook geroepen. Denk niet te snel dat het niet voor je is weggelegd! Daarom aan jou de vraag: Waarom word je geen dominee? Het is een mooie roeping om Christus en Zijn kerk te dienen.

Deze woorden schreef ik om prof. dr. G.G. de Kruijf te gedenken. Hij was een leraar van de kerk. Niet alleen als hoogleraar, maar vooral ook omdat hij velen gestimuleerd heeft om predikant te worden. Moge zijn gedachtenis tot zegen zijn.

Geschreven voor HWConfessioneel