De laatste Van de Beek – 1

De laatste Van de Beek – 1

Mijn Vader, uw Vader is de laatste Van de Beek. Tenminste in de serie Spreken over God. Ik hoop dat het hem gegeven blijft om te blijven schrijven. Dit laatste deel van deze serie gaat over het spreken over God de Vader. Als ik het voorwoord goed interpreteer is er bij het begin van deze serie wel een planmatige opzet geweest, maar is er een ontdekkingstocht afgelegd door de unieke insteek. De serie begin namelijk met een insteek in de christologie (Jezus Kurios, 1998). Over God kun je niet spreken zonder te beginnen bij Jezus, de eniggeboren God (Johannes 1:18, een kerntekst voor Van de Beek). Jezus is de Gekruisigde, de gekruisigde Here (vgl. 1 Korinthe 2:8).

Beginnen bij de Geest had gekund, maar dan was er het risico dat de Geest te weinig onderscheiden zou worden van onze eigen Geest. In 1987 had Van de Beek reeds over de pneumatologie gepubliceerd: De adem van God. Tijdens deze ontdekkingstocht corrigeert Van de Beek zijn eerdere pneumatologie.

Van de Beek eindigt deze serie met het spreken over God de Vader. Eerst moest heel wat andere onderdelen van het spreken over God aan de orde komen voordat er ingegaan kon worden op hoe we kunnen spreken over God als Vader. God is ons meer verborgen dan de Zoon, spreekt Van de Beek al in het begin Noordmans na. Alleen via de Zoon kunnen wij God leren kennen. De Zoon gaat ons voor in het spreken over God de Vader. Daarom is dit de juiste volgorde: Mijn Vader, uw Vader.

Dit spreken over God de Vader eindigt met het spreken tot God de Vader, in navolging van het gebed dat de Zoon ons geleerd heeft: Onze Vader die in de hemelen zijt. ‘Het Onze Vader is geen gebed waarmee alles begint,maar waarmee alles eindigt. Het is het gebed van de eucharistie: de gemeenschap met het eeuwige leven. Na de beden spreekt de kerk de lofprijzing: “Want van U is het koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid. Amen.” Jezus, wiens dood wij gedenken en met wie wij de beker delen, is opgestaan uit de dood.’

Apart spreken over God de Vader is niet gebruikelijk in de dogmatiek. Er is geen aanduiding voor dit onderdeel van de dogmatiek, zoals er wel een christologie en een pneumatologie is. Zo’n patrologie (spreken over God de Vader) is hard nodig vanwege de relatie tussen de Zoon en de Vader.

Er zijn redenen waarom zo’n patrologie zich niet in de dogmatiek heeft ontwikkeld:
– Spreken over God de Vader werd gezien als de eigenlijke theologie. Volgens Van de Beek gaat dit in tegen het Credo dat de Vader, de Zoon en de Geest op gelijke hoogte plaatst. Het is eerder een vorm van subordinatiaanse triniteitsleer: de Zoon en de Geest die aan de Vader ondergeschikt zijn.
– Het achterwege blijven van een patrologie kan ook te maken hebben met een scheiding tussen een algemene godsleer en een christelijke inkleuring. Eerst wordt er een algemene godsleer geschetst. Bijvoorbeeld met behulp van begrips- of taalanalyse. Of wordt het wezen van God afgeleid uit de ontwikkeling van de geschiedenis. Wanneer het begrip van God helder was, kon er nagedacht worden over een christelijke inkleuring. In het christelijk spreken over God kan er echter niet uitgegaan worden van eerst een algemene inkleuring en dan een christelijke specificering.

Dit ontbreken van een patrologie zet de dogmatiek op een dwaalspoor, omdat er aan voorbijgegaan wordt dat God bestaat uit Vader, Zoon en Geest. Deze drie-enige God is de God van Abraham, Izaäk en Jacob. Deze drie-enige God kan niet afgeleid worden uit onze werkelijkheid. Er is maar één weg om Hem te kennen: Via de Zoon.

N.a.v. dr. A. van de Beek, Mijn Vader, uw Vader. Het spreken over God de Vader. Spreken over God 3.2 (Utrecht: Uitgeverij Meinema, 2017) 11-20 

Preek zondagmorgen 26 januari 2014

Preek zondagmorgen 26 januari 2014
Themadienst School & Kerk: “Water … dorst naar God”

Introductie: “Water”
De kinderen zijn deze week op school bezig geweest met het thema: “Water … dorst naar God”. Het ging over letterlijke dorst: het verlangen naar water. Er werden 3 bijbelverhalen verteld over dorst:
– Hagar
– Het volk Israël in de woestijn bij Mara
– Water uit de rots.
De dorst kan ook figuurlijk zijn: dorst hebben naar God. Zoals we water elke nodig hebben, hebben we God ook elke dag nodig. Soms kun je heel erg dorst hebben. Bijvoorbeeld na een partijtje voetbal op een warme zomerdag of na een gymles. Zo kunnen we soms ook heel erg verlangen naar God en Hem nodig hebben.

Preek
Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Kennen jullie dat: dorst naar God?
Iedereen weet wat dorst is.
Je weet vast ook wel wat er gebeurt als je de hele dag niets drinkt.
Dan droog je uit.
Sommige kinderen hebben dat wel eens meegemaakt,
dat zij naar het ziekenhuis moesten omdat zij bijna uitdroogden.
Zij waren een aantal dagen ziek en moesten steeds overgeven
en ook al het drinken kwam er steeds weer uit.
Dat is niet goed, want dan droog je uit.
In het ziekenhuis wordt dan een infuus ingebracht
en krijg je extra vocht toegediend.

Dorst naar God.
Kennen jullie dat?
Dat je soms zo heel erg naar de Heere, naar de Heere Jezus verlangt
en dat je bij jezelf denkt:
Ik zou wel willen dat Hij er nu was.
Ik verlang zo sterk naar Hem – net of ik dorst heb,
dorst naar God.
Als een hert verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar u.
Soms je kun zo’n dorst hebben, op zo’n warme zomerdag.
Je komt binnen en roept: “Drinken! Nu!”
Zo kan er ook een sterke dorst naar God zijn!
Dat we de hulp nodig hebben van de Heere.
Heere, help mij nu!
Als over enkele weken de SEO is en je bent gespannen
dan zou je aan de Heere willen vragen: “Wilt u mij helpen?
Dat ik niet zenuwachtig ben en alle antwoorden weet?”
Dorst naar God kun je ook hebben
als je het niet fijn vindt op school,
als je merkt dat de andere kinderen je uitlachen als je iets in de klas zegt
of als ze in de pauze steeds naar je toekomen
en als de meester of juffrouw die pleinwacht heeft even niet kijkt
gemeen tegen je doen.

Bij de Bijbelverhalen die jullie deze week gehoord hebben,
ging het ook om dorst.
Weten jullie het nog?
Hagar die wegliep bij Abraham en Sara,
terwijl zij in verwachting was.
Het verhaal over water uit de rots.
In die verhalen gaat het over dorst – naar water
In die verhalen gaat het ook over dorst naar God. (Hoe?)
Kijk maar naar het verhaal van Hagar.
Zij had de Heere nodig.
Niet alleen omdat ze anders zou sterven van de dorst
en ze God nodig had om water te geven.
Er was namelijk een reden waarom Hagar wegvluchtte bij Sara.
Er staat in de Bijbel dat Sara het voor Hagar zwaar maakte.
Misschien moest zij allerlei vervelende klusjes doen,
waardoor Sara aan Hagar wilde laten merken:
Je krijgt nu een kind en je denkt dat je heel wat bent
omdat je een kind van Abraham krijgt, maar ik ben toch echt wel je bazin.
Ze kreeg het zo moeilijk, dat ze alleen nog maar kon wegvluchten.
Als ze in de woestijn is en dorst krijgt, geeft de Heere haar water.
Hagar geeft aan de put een naam: Lachaï-Roï.
Deze naam betekent: de Heere heeft mij gezien.
En niet alleen mijn letterlijke dorst,
maar ook mijn figuurlijke dorst.
Hij heeft het gezien dat ik bij Sara moeilijk had,
met alle nare woorden die zij tegen mij zei,
met alle nare, vernederende klusjes die ik moest opknappen.
Ik had het niet gedacht, maar toch is het zo: de Heere heeft mij gezien
en daarom durf ik terug naar Sara.
Hagar had dorst.
Dorst naar water en dorst naar God.

We hebben God niet alleen nodig als we het moeilijk hebben.
Want als je pas water drinkt, als je het nodig hebt en je dorst hebt,
drink je veel te weinig.
aan het ontbijt zegt je moeder niet voor niets: ‘Nu je drinken nog opdrinken!’
Of je gaat van huis naar school: ‘Hé, je hebt helemaal nog niets gedronken!’
Zo hebben wij elke dag de Heere nodig.
Water is een eerste levensbehoefte, zo noemen wij dat.
Want als je geen water hebt, kun je niet leven.
Zo kunnen we zonder de Heere niet leven.
Zoals een hert verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar u, o God.
U alleen kunt mijn hart vervullen, mijn aanbidding is voor U.
Als een hert – waarom eigenlijk een hert?
Waarom zingen we niet Zoals een leeuw verlangt naar water,
of een olifant, of een hond, of een koe?
Of ’t Hijgend konijn der jacht ontkomen?
Dat heeft met het Hebreeuws te maken.
In het Hebreeuws lijkt het woord ‘hert’ heel erg op ‘sterk’ of ‘kracht’.
Maar het is het tegenovergestelde:
een hert is juist niet sterk of krachtig.
Aan een hert heb je ook niets: een hert kan geen kar of ploeg trekken,
zoals een paard, een koe of een hond.
Een hert is vooral een zwak en kwetsbaar dier.
Een dier waar ook nog eens op gejaagd wordt.
Als we zingen: Zoals een hert dat verlangt naar water
of ’t Hijgend hert, der jacht ontkomen,
dan is het een woordspel.
Wat zingen we: Zoals een ‘sterke’ verlangt naar water
of de hijgende sterke, ontkomen aan de jacht.
Nee, een zwak en kwetsbaar hert.
Mannen willen vaak sterk en stoer zijn. Toch?
Sterk als een … en toch: zonder de Heere zijn we niets.
Daarom een hert.
Er zijn momenten waarop we dat heel sterk voelen.
Als het niet goed gaat bijvoorbeeld, als je je helemaal niet sterk voelt.
Soms kun je aan de buitenkant heel sterk of stoer zijn,
maar ben je het helemaal niet.
Bijvoorbeeld in de klas, als ze je uitlachen omdat je in de klas iets zegt.
Of al grinniken als jij je vinger opsteekt.
Of het toefluisteren zonder dat de meester het hoort.
Dat gebeurt in Psalm 42 ook: Waar is God?
Ze zien het helemaal niet, dat ze zo zeer kunnen doen, zulke woorden
en daarom gaan ze er maar mee door,
omdat zij het leuk vinden.

Zulke opmerkingen die je pijn doen of waarmee je je uitlachen,
kun je van school mee naar huis nemen.
Of daardoor ertegen opzien om naar school te gaan.
Ik dorst naar God, want ik zou zo graag willen dat Hij mij helpt.
Ik bid maar en bid maar. Elke dag wel en zelfs op school.
Ik zou God wel willen zien! Dan weet ik dat ik er niet alleen voor sta!
Was het maar zoals vroeger, staat er in Psalm 42.
De dorst naar God is ook een heimwee, toen het nog goed was.
Toen ik gewoon mee kon doen.

Tegen wie zou ik dat nu kunnen zeggen?
In Psalm 42 gebeurt dat tegen 2 personen: tegen de Heere en tegen mijzelf.
In gesprek met mijn ziel:
Waarom, ziel, heb je die zorgen in je?
Veel mensen hebben zo’n gesprek in zich.
als ze ergens bijvoorbeeld heel erg tegen opzien.
Ik durfde vroeger nooit met de telefoon te bellen.
Als ik wilde spelen bij een vriendje durfde ik niet te bellen.
Want wie zou ik aan de lijn krijgen?
Misschien was het wel zijn moeder? Of zijn vader? Wat moest ik dan zeggen?
Ik kon wel een half uur om de telefoon heen draaien.
Ik nam de telefoon op, maar legde die weer neer.
Toetse wat nummers in en toen gauw de hoorn er weer op.
Ik vond het raar van mijzelf: kom op! Maar nee.

‘Waarom, mijn ziel, heb je zo’n dorst naar God?’
‘Omdat ik er zelf niet uitkom en ik Hem nodig heb.’
‘Merk je dan niet dat hij er is?’
‘Nee, ik merk niets van God. Het lijkt wel alsof mijn gebed niet door het plafond heen komt?
Zou het wel zin hebben om te bidden? Want zou God mijn gebeden wel horen tussen al die gebeden van alle andere mensen?’
‘Maar verlies je de moed! Hoop op God! God kan je dorst toch lessen? Want je moeder laat je toch niet buiten staan als je op een warme zomerdag roept: ‘Drinken!’ Dan laat de Heere je helemaal niet staan! Hagar: God hoort en ziet! Een aansporing voor ons om naar Hem te gaan, met onze dorst.’

In de zomer moet je genoeg drinken bij je hebben als je onderweg bent.
Als je een lange tocht maakt en je krijgt halverwege dorst
wordt elke stap steeds zwaarder, je sjokt vooruit.
Zou je dan water uit de sloot drinken? Of elk vocht dat je maar tegen komt?
Dan kan je dorst nog erger worden.
Zo moeten wij met onze dorst naar God alleen naar de Heere toegaan!
Omdat wij niet altijd merken dat de Heere helpt, kunnen wij op zoek gaan naar ander water,
dat even de dorst lijkt te lessen.

Het is een fijn gevoel als je dorst gelest wordt.
Als je weer drinken krijgt, je voelt je lichaam weer opknappen.
Jezus zegt: Ik ben het levende Water.
Wie tot Mij komt, hoeft nooit meer te dorsten.
Die mag weten, dat de Heere er altijd is.
‘Wanneer hebt u God nodig?’ vroeg vandeweek een meisje op school.
Wanneer heb ik dorst naar God? Verlangen naar de Heere Jezus?
Altijd of soms? En u? en jij?
Levend water: Wanneer water heel lang stil staat, gaat het stinken, wordt het vies.
Jezus zegt: ik ben levend, fris water.
Als je bij Mij komt, les ik je dorst naar God.
Hij wist trouwens zelf ook wat dorst is.
Aan het kruis riep hij het uit:
Ik heb dorst! Hij deed dat, zodat wij nooit meer dorst naar God hoeven te hebben.
De goede Herder: neemt ons mee naar stille wateren.
een oase, zoals Israël.
God lost niet altijd al onze problemen op.
Maar Hij hoort ze wel en ziet ze wel.
Nogmaals Hagar.
Psalm 42 geeft aan: de ene keer geloof je dat, de andere keer zou je wel uit willen roepen:
Heere, ik heb dorst naar U.
En toch is het waar, dat de Heere die dorst lest en dat de Heere Jezus het levende water is.
Er komt een dag, waarop onze dorst helemaal over zal zijn
en wij bij de Heere mogen komen en Hem mogen zien.
Als je dorst hebt, kun je daar zo naar verlangen.
Soms mag je het hier merken: jij Hij is er toch!
Kent u dat verlangen naar God?
Amen

Hoe kunnen wij op de juiste manier over God spreken?

Hoe kunnen wij op de juiste manier over God spreken?
Georg Plasger over “Geloven vandaag de dag met de Heidelberger Catechismus” – deel 1

In 2013 werd het jubileum van de Heidelberger Catechismus gevierd. In de aanloop van dit jubileum gaf Georg Plasger een boek uit: Geloven vandaag de dag met de Heidelberger Catechismus.

De titel laat al zien wat de bedoeling is van Plasger: een dialoog met deze catechismus met het oog op geloven vandaag de dag.
Want de Heidelberger Catechismus mag dan een belangrijke tekst uit de gereformeerde traditie, een tekst die door de oudere generatie uit het hoofd moest leren, Plasger betwijfelt of het wel geleid heeft tot een dialoog met deze vragen en antwoorden.
Hij is van mening dat zo’n dialoog ook vandaag de dag nog uiterst zinvol is: de Heidelberger Catechismus kan gelovigen helpen om hun geloof te begrijpen en onder woorden te brengen en zo mondig worden.
Omdat gelovigen vandaag de dag vaak niet in staat zijn om hun geloof onder woorden te brengen, zijn zij nauwelijks in staat om de dialoog te voeren met gelovigen met een andere confessie of met aanhangers van een ander geloof. Om christenen te helpen bij de verwoording van hun geloof gaat Plasger de dialoog aan met de Heidelberger Catechismus aan de hand van 14 basale thema’s. De eerste: God belijden. Ofwel: hoe kunnen wij op de juiste manier over God spreken?

Bewijzen van God?
Steeds weer is er geprobeerd om het bestaan van God objectief aan te tonen. Er zijn globaal gesproken 3 vormen van godsbewijzen:
* Een godsbewijs dat redeneert vanuit de oorzaak: de kosmos waarin wij leven is dermate intelligent dat er wel een Schepper aan ten grondslag moet liggen (kosmologisch of causaal godsbewijs).
* De schoonheid en de complexiteit van de kosmos laat zien dat er een plan of een doel aan ten grondslag ligt (teleologisch godsbewijs).
* God is het hoogste dat kan worden gedacht. Als dat zo is, moet God wel bestaan, omdat iets dat niet bestaat niet het hoogste is dat kan worden gedacht (ontologisch godsbewijs).
De godsbewijzen zijn radicaal bekritiseerd door de filosoof Immanuel Kant: de wereld waarin God zich bevindt, is niet toegankelijk voor het menselijk verstand. Daarom kan het bestaan van God niet bewezen worden.
Moet in een tijd waarin er steeds meer mensen zijn die atheïstisch zijn toch niet worden teruggegrepen op de godsbewijzen?

Kennis over God als belijden van God
Opvallend is dat de Heidelberger Catechismus in de eerste vraag en het eerste antwoord niet over God spreekt. Deze catechismus begint met een vraag, die laat zien dat de vraag naar God en Zijn bestaan niet een puur intellectuele bezigheid kan zijn. Niet Gods bestaan staat op het spel, maar dat van de mens staat op het spel. Niet onze keuze is bepalend, maar Gods keuze.
Dit is overigens een belijdenis, een geloofsinzicht. Maar die belijdenis laat zien, dat het – voor het christelijk geloof – niet mogelijk is om objectief over God te spreken. Dat wil niet zeggen, dat spreken over God puur subjectief is en alleen over onze eigen ervaringen gaat. Deze uitspraken gaan over God die de hemel en aarde gemaakt heeft, die in Jezus mens geworden is en deze wereld niet loslaat maar tot zijn doel leidt.

Kennis over God is altijd relationeel
Fundamenteel is dat de Heidelberger Catechismus spreekt over mijn Heer Jezus Christus. Daarmee staat deze catechismus in de lijn van de Reformatie, die aangeeft dat een boodschap over God alleen op de juiste manier wordt gehoord als ik ook hoor dat deze boodschap voor mij is. Belijden heeft een existentiële dimensie die mij aangaat. Kennis over God is daarom altijd relationeel.
Het bijzondere is dat de Heidelberger Catechismus in het eerste antwoord de mens plaatst in de relatie tot God. De eerste vraag luidt niet: Wat geloof je? Door deze inzet laat de Heidelberger Catechismus zien, dat het in de relatie tussen God en mens gaat om de activiteit van God. Karl Barh zei al: ‘Het beslissende zinnetje in deze lange zin is: Ik ben eigendom van Jezus Christus. Al het overige is uitleg van deze woorden.’
Ik ben overigens geen eigendom van een tiran, maar behoor toe aan mijn bevrijder.

Geschiedenis
In het eerste antwoord vertelt de Heidelberger Catechismus een geschiedenis, waardoor het spreken over het eigendom worden en het eigendom zijn van Christus niet als een statische situatie beschreven wordt, maar als een geschiedenis die mijn bevrijding bewerkstelligt: omdat Jezus Christus met zijn kostbaar bloed voor al mijn zonden volkomen heeft betaald en mij bevrijd heeft uit alle macht van de duivel.
Dit gevangenzijn in de macht van de zonde en de duivel is volgens de uitspraak van de Heidelberger Catechismus iets van het verleden. Degene die deze belijdenis uitspreekt, is niet meer gevangen, is niet meer van God verwijderd, maar bevindt zich in de nabijheid van God. Omdat God niet wilde, dat hij ver van God verwijderd was.

Handelen van God
Het eerste antwoord laat ook zien, dat de catechismus niet spreekt over het zijn van God. Het gaat niet over het wezen van God of over zijn liefde of almacht. Hier staan Gods daden centraal, zijn handelen in Jezus Christus. Wie God is wordt duidelijk uit zijn handelen, uit zijn doen. Gods wezen is uit zijn handelen af te leiden:
– Omdat God bevrijdt is Hij bevrijder.
– Omdat Hij bewaart is Hij de bewaarder.
De Heidelberger Catechismus kiest hier bewust niet de omgekeerde weg. Bewust wordt niet begonnen bij het wezen van God, bij de definiëring van God – om daarna te herleiden wat Zijn daden zijn of zouden kunnen zijn. De Heidelberger Catechismus heeft twee redenen om die andere weg te kiezen:
(1) De start bij het wezen van God zorgt voor problemen. De almacht van God roept gelijk de vraag op waarom er kwaad en duisternis in deze wereld.
(2) De Bijbel spreekt op deze manier ook over God: niet van het zijn van God, maar van Zijn daden. De Bijbel gaat ook uit van de Naam van God. God is geen algemeenheid. Niet de mens definieert wie en hoe God is. Maar God laat zelf zien, wie en hoe Hij is. Door Zijn naam bekend te maken en Zijn daden te laten zien.

God in Jezus Christus
Fundamenteel voor de Heidelberger Catechismus is dat wij eigendom zijn van Jezus Christus. Als deze catechismus over God spreekt, wordt ook altijd gesproken over Jezus Christus. In het eerste antwoord wordt duidelijk dat de opbouw van de apostolische geloofsbelijdenis wordt gevolgd: God als Vader, Zoon en Heilige Geest. Het eerste antwoord begint wel met Jezus Christus. Dat laat al zien, dat er geen algemeen beeld van God mogelijk is. Vanuit Jezus Christus wordt duidelijk wie God is. Over God valt pas iets te zeggen vanuit de kennis van Christus. Alle uitspraken over God die volgen in deze catechismus zijn hier een uitwerking van. De Heidelberger Catechismus zet in met het gebeuren van Chistus, maar verbindt het nauw met het handelen van de Vader en de Geest. God is drie-enig en het handelen van God kan niet eenvoudig over 3 personen worden uitgesplitst. Vader, Zoon en Geest handelen gemeenschappelijk. In Christus zien wij het handelen van de Vader en de Geest.
Vandaag de dag is dat een bijzondere manier van spreken over God. Men zou vandaag de dag de algemene kennis van God als schepper en bewaarder voorop plaatsen en de christologische invulling als een nadere verbijzondering zien.

Praktijk van het leven
Voor de Heidelberger Catechismus is het spreken over God en het belijden van God geen theoretisch gebeuren, geen intellectueel spel. Het spreken en belijden raakt het gehele leven van de bevrijde mens. Het gehele leven is vorm te geven als een antwoord op de bevrijding en bewaring door God. Deze kennis is om van te leven en om mee te sterven.

N.a.v. Georg Plasger, Glauben heute mit dem Heidelberger Katechismus (Göttingen: Vandenhoeck & Ruprecht, 2012) 13-26

Wie God is

Wie God is

De reformatorische traditie als theologie voor jongeren (5)

In de vorige bijdrage gaf ik aan: de gereformeerde traditie is samen te vatten als alleen aan God de eer (soli Deo gloria). Het centraal stellen van de eer van God heeft ook consequenties voor hoe wij over God denken. Als wij over God spreken, gaat het over God zoals Hij Zichzelf aan ons openbaart. In de gereformeerde traditie hebben de eerste twee geboden dan ook een belangrijke plaats gekregen in het spreken over God.
In het eerste gebod wordt aangegeven dat er maar één God is. Veel geloofsbelijdenissen zetten daarom ook in met de ene God die er is. Bijvoorbeeld de Nederlandse Geloofsbelijdenis, artikel 1:Wij geloven allen met het hart en belijden met de mond, dat er één God is… De NGB zet met het geloof in de ene God in, omdat de Schrift er over spreekt. God Zelf openbaart Zich aan ons als de enige God die er is. De eenheid van God staat voorop. Dat is het uitgangspunt. Pas daarna wordt er gesproken over de drie-eenheid. Tegelijkertijd geeft de Nederlandse Geloofsbelijdenis in de woordkeus aan, dat we bij God moeten denken aan de Vader van onze Heere Jezus Christus. De woordkeuze geloven met het hart en belijden met de mond is namelijk ontleend aan Romeinen 10:9. Het belijden van Christus behoort volgens de gereformeerde traditie tot het eerste gebod: er is maar één God en Hij heeft Zich ons geopenbaard als Vader, Zoon en Heilige Geest. De eenheid van God gaat voorop, maar het geloven in God als Vader, Zoon en Geest en toch één is een daad van gehoorzaamheid aan God Zelf. Onze kennis over God hebben we niet te danken aan onze ervaring, aan wat onze ouders over God vertellen, wat wij zelf vinden van God, maar is ontleend aan de Schrift (NGB zie artikel 2).
Nu raakt dit eerste artikel van de NGB ook aan het tweede gebod, het beeldverbod, dat in de gereformeerde traditie zo’n belangrijk spoor heeft getrokken. De manier waarop in art. 1 over God gesproken wordt moet op de Schrift terug te voeren zijn. Anders is het in strijd met het tweede gebod. Artikel 1 moeten we dan ook zien als een samenvatting van hoe de Schrift over God spreekt: God, Die deze wereld geschapen heeft door te spreken; de Heere, die Abram uitkoos en daarmee Israël; God, Die Zijn volk uit Egypte leidde naar Kanaän; God die in Christus mens werd. In artikel 1 wordt geen definitie gegeven van God, maar wordt in verwondering en dankbaarheid verteld wie God is. Artikel 1 is – conform het Soli Deo gloria – dan ook lofprijzing: Heere, U bent eeuwig, onbevattelijk, onzienlijk, enz.
Wezenlijk voor de gereformeerde traditie is wat over God beschreven wordt geen herinnering aan een roemrijk verleden is. God is nog steeds zo: nog steeds is Hij eeuwig, onveranderlijk, almachtig, rechtvaardig, enz. De gereformeerde traditie wordt gedragen door het besef dat God nog steeds werkzaam is.  De voorredes van de Nederlandse Geloofsbelijdenis en de Dordtse Leerregels zijn door dat geloof gestempeld. Christus is in de hemel, maar ook bij Zijn kerk op aarde aanwezig. Hij schept en bewaart Zijn kerk hier op deze aarde. Bijvoorbeeld tijdens de verkondiging en de viering van het Heilig Avondmaal, maar ook in moeilijke omstandigheden van vervolging. De eerste twee geboden zijn voor de gereformeerde traditie van groot belang, omdat we in de Schrift de enige God die er is leren kennen. Vandaag de dag is Hij geen ander dan in de tijd van Abram of van David. Christus is nog steeds – zoals Hij aan de apostelen beloofde – tot het einde van de wereld bij Zijn gemeente. God is de levende God. Hij is (vandaar de ruime aandacht voor gebed in de gereformeerde belijdenisgeschriften) en was (vandaar de aandacht voor het verbond en de heilsgeschiedenis) en zal komen (het was het waard om het eigen leven te geven voor het geloof in deze God).

In de volgende bijdragen wil ik verder uitwerken wat de betekenis is van deze twee geboden in de gereformeerde traditie én wat deze uitwerking kan betekenen voor jongeren.

ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor HWConfessioneel

Deel 1:https://mjschuurman.wordpress.com/2012/07/04/de-reformatorische-theologie-als-een-theologie-voor-jongeren-1/
Deel 2: https://mjschuurman.wordpress.com/2012/07/24/de-reformatorische-traditie-als-theologie-voor-jongeren-2/
Deel 3:https://mjschuurman.wordpress.com/2012/08/29/wat-is-reformatorisch/
Deel 4: https://mjschuurman.wordpress.com/2012/09/13/soli-deo-gloria-de-kern-van-de-gereformeerde-traditie/

God in de populaire cultuur

God in de populaire cultuur
Populaire cultuur en christelijk geloof (2)

Hoe wordt er in de populaire cultuur over God gedacht? Wie met deze vraag naar de populaire cultuur kijkt, zal zien dat er volop over God wordt nagedacht.

God kan als personage opduiken. Iedereen kan zich wel een cartoon herinneren, waarin God als een personage is afgebeeld. De reacties op zo’n afbeelding van God zullen verschillend zijn. De een zal de humor kunnen waarderen. Een ander zal zich door zo’n cartoon geraakt voelen, omdat het om iets heiligs gaat: God zelf.
Soms als persiflage op Gods almacht. In zijn boek neemt Reuter een cartoon op van een man op een wolk (de gebruikelijke voorstelling van God als personage in een cartoon!) met een joystick in de hand. Onderaan het plaatje is te zien hoe een auto uit de bocht is gevlogen tegen een telegraafpaal. De bestuurder had door de voorruit op de motorkap. De titel van deze cartoon is: De mens wikt – God beschikt. God heeft zich teveel  in zijn spel laten gaan. De cartoon laat open of dit een kritiek is op de manier waarop God de wereld regeert. Wel laat het alle clichés over God zien, die er in de populaire cultuur zijn: God als een man op een wolk vanwaar hij de wereld (in dit geval: letterlijk) bestuurt. Als God gepersifleerd wordt, wil dat zeggen: mocht God er zijn, dan hoef je hem niet serieus te nemen. Reuter concludeert: binnen de populaire cultuur kan men niets meer beginnen een God die almachtig is. Reuter wil daarom God niet meer zien als een Persoon die almachtig is. Voor hem is God veel meer de grond van het zijn.
Zelf vind ik dat Reuter hier teveel de christelijke traditie over God naar deze tijd verandert en wezenlijke eigenschappen van God opgeeft. In de christelijke traditie is er sprake van het beeldverbod. Dit verbod raakt niet alleen de afbeeldingen van God, maar gaat veel dieper en raakt ook de menselijke gedachten of fantasieën over God. In de traditie wordt dit verschil ook wel eens onder woorden gebracht als het verschil tussen de god van de filosofen en de God van de Bijbel. Neem bijvoorbeeld de bovengenoemde cartoon over de God met een joystick in zijn hand: gaat dit over de god van de filosofen of over de God van de Bijbel? Is dit een cartoon over God of over menselijke gedachten over God?
In de populaire cultuur wordt God niet alleen gepersifleerd of afgedaan als een fabeltje. Reuter laat zien dat er geworsteld wordt met de leiding van God over deze wereld. In veel songs gaan expliciet over God en het lijden. De ene keer is het antwoord in een song dat God het ook niet weet. De andere keer wordt Hij aangeklaagd, omdat Hij niets heeft gedaan. Wat we ook vinden van de populaire cultuur en de manier waarop God aan orde komt, het gaat wel om belangrijke vragen: Wie draagt de verantwoordelijkheid voor hoe het er in de wereld aan toe gaat? Heeft God invloed op gebeurtenissen op deze aarde? En zo ja, wat merken wij daarvan? Via de klaagpsalmen zou wel eens een belangrijke brug geslagen kunnen worden tussen de worsteling met God in de populaire cultuur en het bijbelse spreken over God.
Zelfs de persiflage van de almachtige God moeten we serieus nemen. Want het kan een aanleiding zijn om met jongeren erover door te praten op welke manieren de christelijke traditie heeft nagedacht over God. Waar jongeren afhaken op het christelijk geloof, omdat ze niet meer geloven in een god die op een wolk met een joystick de wereld bestuurt, is de christelijke traditie een bondgenoot, die er belang bij heeft dat dit beeld aan gruzelementen gaat. Want het is niet het beeld dat de Bijbel schetst.

N.a.v. Ingo Reuter, Der christliche Glaube im Spiegel der Popkultur (Leipzig: Evangelische Verlagsanstalt, 2012).

 NB: Een voorbeeld van een film met God als personage is Bruce Almighty (2003). Deze film heb ik niet gezien, dus kan er weinig over zeggen.
Een film die over God en het lijden en het kwaad in de wereld gaat, is de Deense film Adam’s Apple (2005). Ik ben er niet over uit of het een goede film is. Om er iets zinnigs over te zeggen, moet ik de film nog een keer zien. Deze film gaat over het boek Job.

‘Ik geloof dat iedereen zijn eigen God voor zichzelf moet definiëren’

‘Ik geloof dat iedereen zijn eigen God voor zichzelf moet definiëren’
Jongerentheologie (2)

Jongerentheologie gaat ervan uit dat jongeren, net als de meeste andere mensen, een voorstelling van God hebben. De veronderstelling is ook, dat zij er over nadenken. Soms uiten ze zich daar heel expliciet over. Soms hebben ze niet door, dat bepaalde uitspraken een bepaalde visie op God laten doorschemeren. In de vorige bijdrage stond ik stil bij de opkomst en de theoretische achtergrond van jongerentheologie. Ik deed dat aan de hand van een boek van twee volwassenen, die als beiden als godsdienstpedagoog onderzoek doen naar de theologische voorstellingen van jongeren.
In deze bijdrage wil ik stil staan bij enkele gedachten van een jongere, die in het boek worden geciteerd, om te laten zien, hoe Schlag en Schweitzer omgaan met jongerentheologie. Deze dialoog wordt wel enigszins aangepast.

Janine (J), een 17jarige leerling van het gymnasium wordt gevraagd door een onderzoeker (O) gevraagd of zij in God gelooft:
O: Geloof je in God?
J: Ik denk dat ieder mens door een hogere macht begeleid wordt, door deze hogere macht beschermd wordt en ook in bepaalde dingen gestuurd.
O: Is dat de God van de Bijbel?
 J: Ik zou niet willen zeggen dat er één God voor alle mensen is. Ik geloof dat iedereen zijn eigen God voor zichzelf moet definiëren. Maar als men dat gedaan heeft, weet ik niet of ik dat zo maar ‘God’ zou noemen. Iedereen heeft immers zijn eigen voorstelling. De gedachten over God kunnen zo verschillend uitpakken, dat ik niet denk dat één naam – of dat nu God is of Jahweh – daar nog recht aan doet. Ik geloof niet dat er één God is. Ik geloof niet in een God-in-het-algemeen, die de wereld en de mensen geschapen heeft en almachtig is, over iedereen waakt en voor iedereen gelijk is. Ik kan mij dat niet voorstellen. Wat ik niet goed vindt aan deze gedachte over God is dat er dan iemand is die mij leidt, die mij als een marionet in zijn hand heeft, mijn leven zo bepaalt dat ik er helemaal niets aan kan veranderen. Dat is een gedachte waar ik mij niet prettig bij voel.
O: Welke voorstelling past beter bij jou?
J: Ik ben van mening dat iedereen wordt begeleid door een individuele partner, die op zijn beurt weer onderdeel is van iets groters. Ik kan dus niet geloven dat er nu één God is, de over alle mensen waakt en alle mensen begeleidt. Hij zou dan voortdurend druk bezet zijn. Dat is mijn probleem met de Almachtige. Ik kan me niet voorstellen, dat er ergens iets is, een wezen, een macht, een energie, die almachtig is.
O: Hoe combineer je dat met je geloof? Is deze macht ver weg of dichtbij?
J: Zo’n almachtige, ik geloof niet dat deze macht naast mij staat. Dat hij voortdurend bij mij is waar ik ook ben. Ik geloof meer dat zo’n macht er eens was en mij geholpen heeft om te ontstaan. Misschien in dit leven, misschien in een vorig leven. Ik moet zeggen dat ik de gedachte van karma erg aantrekkelijk vindt. In moeilijke momenten, waarin ik het niet alleen red om de juiste weg te vinden en hulp nodig heb, wordt mij de weg gewezen. Dan geloof ik dat deze macht aan mijn zijde is en mij helpt om de weg te vinden. Wanneer er gevaar dreigt, houdt deze macht zijn hand beschermend boven iemand.

Schlag en Schweitzer wijzen erop, dat Janine een voorbeeld is van religieuze individualiteit, zoals in deze tijd veel bij jongeren voorkomt. Janine beseft dat de verschillen tussen de individuele ideeën over God groot kunnen zijn. Zij geeft aan dat ze niet allemaal onder hetzelfde begrip van ‘God’ kunnen vallen. Zij is ervan overtuigd, dat dit de normale situatie is en ook behoort te zijn. Zij kan zich geen God-in-het-algemeen voorstellen, omdat Hij haar autonomie zou inperken.
Jongerentheologie is niet alleen een theologie van jongeren, maar ook een theologie met jongeren. Janine kan verder uitgedaagd worden om na te denken over bepaalde vragen: Is er nog iets van gemeenschap mogelijk als iedereen zo’n verschillende God heeft? Waarom is de gedachte van karma voor Janine zo aantrekkelijk? Kan zij dit wel combineren met haar streven naar autonomie? Waarom is een onpersoonlijke macht voor haar aantrekkelijker dan de christelijke opvatting van een persoonlijke God?
Schweitzer en Schlag wijzen erop, dat de thema’s die door Janine zelf zijn aangedragen ook binnen de christelijke traditie voortdurend zijn doordacht: persoonlijke vrijheid, leiding, voorzienigheid, de almacht van God. Voor de theologie en de kerk ligt er dus de uitdaging om te laten zien deze traditie jongeren kan helpen en uitdagen om over God en hun eigen leven na te denken. Dat vraagt aan een volwassene ook weer de bereidheid om met jongeren in (een kritisch) gesprek te zijn over zijn eigen geloof. Jongerentheologie is ook theologie voor jongeren. Jongeren hebben behoefte aan gesprek over God en hun eigen gedachten over God. Een volwassene moet zijn eigen geloof niet opdringen, maar kan een jongere wel begeleiden in het vinden van een eigen geloof. Waarbij de ‘overname’ van het christelijk geloof helemaal niet uitgesloten hoeft te worden. Als het maar een authentieke keuze van de jongere is. Zoals het geloof ook voor de volwassene authentiek behoort te zijn.

ds. M.J. Schuurman

N.a.v. Thomas Schlag / Friedrich Schweitzer, Brauchen Jugendliche Theologie? Jugendtheologie als Herausforderung und didaktische Perspektive (Neukirchen-Vluyn, 2011).
http://www.neukirchener-verlage.de/index.php?action=artikel&subaction=zeige&var=602.529&sucheID=140825

Geschreven voor HWConfessioneel van 12 april 2012

Eerder blog over jongerentheologie: https://mjschuurman.wordpress.com/2012/02/09/jongerentheologie/

Voor God gemakkelijk

Middelbare scholier in een gesprek over het verhaal van Jezus en de overspelige vrouw (Johannes 8): voor God is het gemakkelijk om te zeggen dat wij moeten vergeven. Hij is slechts toeschouwer. Wij hier op aarde leven tussen de moordenaars en criminelen. Zij kunnen hetzelfde weer doen. Voor ons is vergeven moeilijker omdat wij het risico hebben zelf het slachtoffer te worden.
(Uit het boek over #jongerentheologie)