Te veel antwoorden in Reinier Sonnevelds boek over geloofstwijfel

Te veel antwoorden in Reinier Sonnevelds boek over geloofstwijfel

In 2013 kreeg ik de vraag van het RD om het boek “De stilte van God” van Reinier Sonneveld te bespreken. Op 30 maart 2013 verscheen deze recensie in het RD: ”De stilte van God. Zie ook: https://mjschuurman.wordpress.com/2013/06/13/n-a-v-de-stilte-van-god-reinier-sonneveld/

“Waarom geloven moeilijk is”, is het nieuwste boek van Reinier Sonneveld, schrijver van onder meer populair-theologische werken.

De auteur heeft in zijn leven een tijd gehad waarin hij het geloof losgelaten heeft, maar kwam erachter dat hij geloviger was dan hij dacht. Vanuit die ervaring heeft hij dit boek geschreven over geloofstwijfel, waarin hij als een gids wil laten zien hoe twijfel opkomt. Daarbij gaat hij verschillende thema’s langs, zoals de vraag waarom God niet ingrijpt, groepsdruk, schuld.

”De stilte van God” is in heel populaire stijl geschreven, vol met anekdotes, voorbeelden en foto’s, waarschijnlijk bedoeld om twijfelende jongeren te overtuigen.

Het is niet gemakkelijk om er een recensie over te schrijven, omdat het een bizar boek is dat ik om verschillende reden met verbijstering heb gelezen.

Allereerst omdat Sonneveld niet doet wat hij toezegt. Hij geeft aan dat hij, anders dan andere apologeten, geen rationele oplossing wil bieden of een betere communicatie van het geloof, maar een boek dat het hart raakt. Maar op de laatste paar bladzijden na raakt hij nergens het existentiële niveau en blijft hij op het niveau van oppervlakkige redenaties. Zo beweert Sonneveld bijvoorbeeld dat wie zelf lijdt het geloof in God niet opgeeft. Dat is gewoonweg niet waar! Te vaak heb ik meegemaakt dat mensen juist door het lijden dat zij doormaakten hun geloof kwijt­raakten.

Steeds wanneer Sonneveld in de verschillende hoofdstukken de existentiële laag niet weet aan te boren, roept dat bij mij de vraag of hij wel twijfel gekend heeft. Hij is er zelf ambivalent over. Op het moment dat hij zich wilde laten uitschrijven, kwam hij erachter dat hij geloviger was dan hij zelf had willen toegeven. Ook al komen er teksten met existentiële diepgang in zijn betoog voor, zoals klaagpsalmen, gedichten en romanfragmenten – die worden slechts genoemd als illustratie.

De auteur weet niet aan te voelen waarom er zo veel mensen zijn die niet meer geloven of niet meer kunnen geloven. Een groot bezwaar tegen zijn boek vind ik dat hij te weinig de pijn, de verwarring en het gemis die twijfel meebrengt, peilt. Te gemakkelijk suggereert Sonneveld ook dat geloof en twijfel een keuze zijn, die gemaakt kan worden. God kwijtraken is vaak geen keuze, maar een onthutsende ervaring waarbij geen oppervlakkige antwoorden passen.

Sonne­velds betoog wemelt echter van de antwoorden. Hij maakt daarbij onderscheid tussen kort, eenzijdig, lang en complex. Ook al heeft deze laatste categorie met Jezus te maken, het zijn toch korte en eenzijdige antwoorden. Deze wekken ook de suggestie dat mensen God en Zijn handelen kunnen verklaren. Alsof God en Zijn wegen voor mensen begrijpelijk en navolgbaar zijn. Ik mis daarin het besef dat mensen de Heere niet kunnen narekenen en verklaren.

Sonneveld voelt niet alleen niet aan wat twijfel is, maar begrijpt ook niet waarom anderen niet meer geloven of niet meer kunnen geloven. Bovendien mist hij het respect voor mensen die anders denken. Op een pijnlijke wijze wordt dat duidelijk als hij spreekt over atheïsten. Sonneveld haalt de psycholoog Paul Vitz aan, die beweert dat alle bekende atheïsten een problematische relatie hebben met hun vader of een vaderfiguur in hun leven hebben gemist. Hier maakt de schrijver een denkfout: hij suggereert dat wat bij veel bekende atheïsten voorkomt, bij alle atheïsten het geval moet zijn. Bovendien wekt hij de suggestie dat een biografisch gegeven (het gemis van een vaderfiguur) bezwaren van atheïsten irrelevant maakt.

Dit boek helpt anderen niet in gesprekken met niet-gelovigen, omdat de suggestie gewekt wordt dat overal een antwoord op te vinden is. In deze tijd is een luisterende houding belangrijker, waarbij vragen over God en het geloof worden aangehoord zonder een antwoord te hebben.

In het boek mis ik het zwijgen in omstandig­heden waarin geen antwoorden zijn, omdat wat er gebeurd is te erg is en elk woord wat er gezegd wordt te veel is. Zelfs aan het einde van het boek, waar Sonneveld iets zegt over het zwijgen voor God, staat dat in het teken van de verklaarbaarheid van God.

Christenen zijn niet geroepen overal een antwoord op te hebben, maar om er te zijn voor de ander. Om te luisteren, en niet weg te vluchten uit situaties waarin alle antwoorden stukbreken. In zulke omstandig­heden hebben christenen de taak om het in de machteloosheid uit te houden en slechts te roepen naar God en te hopen op Zijn komst. Door met antwoorden klaar te staan, kunnen we God voor de voeten lopen.

Uiteindelijk haalt Sonneveld zijn titel onderuit: het boek eindigt met de oproep om de stilte van God niet te accepteren. De aansporing om God niet los te laten, is heel begrijpelijk, maar had er in het boek ook niet meer aandacht moeten zijn voor het respecteren en dragen van Gods zwijgen als een oefening in kruisdragen? Christenen moeten meer leren om de hand op de mond te leggen en te wachten op God.

De stilte van God. Waarom geloven moeilijk is, Reinier Sonneveld; uitg. Buijten & Schipperheijn Motief, Amsterdam, 2013; ISBN 978 90 5881 690 0; 383 blz.; € 17,90.

30-07-2013

Over het zwijgen van God

Over het zwijgen van God
Ervaring van aanvechting en aanwezigheid van God in verborgenheid

Het woord “God” is in onze tijd omstreden. Dat komt omdat het geloof in God en het nadenken over God in de moderniteit behoorlijk bekritiseerd is. Vooral de vraag waarom de almachtige God het kwaad kan toelaten (theodicee) is een reden om het geloof in God te bekritiseren. In de moderne filosofie wordt ook over gezwegen. Niet zozeer omdat het christelijk geloof bekritiseerd wordt, maar omdat de woorden om over God te spreken ontbreken.

Nihilisme
In de 20e eeuw zijn filosofie en literatuur voor een belangrijk deel gestempeld door het nihilisme. Het is te gemakkelijk om dit nihilisme af te wijzen als antichristelijk. Dit nihilisme kan in bepaalde opzichten ook gezien worden als een manier om het derde gebod (de naam van God niet zinloos gebruiken) serieus te nemen. Vooral de filosofie van de late Heidegger kan als een belangrijke aansporing vanuit het nihilisme om dit gebod serieus te nemen.

Godsdienst zonder God
Aan de andere kant ontwikkelde zich deels binnen en deels buiten de kerk een postchristelijke, syncretistische en pluralistische religiositeit. Deze religiositeit kan worden getypeerd als godsdienst zonder God.
Nieuw is deze ontwikkeling niet. Ook aan het begin van de 20e eeuw tendeerde de ontwikkeling van de christelijke theologie bij sommigen naar een godsdienst waarbij God als persoon verdwenen was. Bij Schleiermacher zijn hiervoor reeds de eerste aanzetten te vinden. Net voor de WO I ontstond een discussie over de vraag of de moderne theologie nog wel een christelijke inhoud had.

Existentieel antwoord
Deze discussie werd verhevigd door de gebeurtenissen in WO I en vroeg om een existentieel antwoord van de generatie die de Grote Oorlog had meegemaakt.
Door de vertegenwoordigers van de dialectische theologie werd deze vraag zo radicaal gesteld, dat het leidde tot een paradigmawisseling. Het uiteenvallen van het verbond tussen troon en altaar (scheiding van kerk en staat in 1918), van christendom en cultuur werd door velen ervaren als een goddelijk oordeel over het heden. Het heden was voor hen een eschatologisch ogenblik waarin een keuze tussen geloof en ongeloof viel.

Dialectische theologie
De dialectische theologie verwachtte de vernieuwing van de theologie en de kerk door zich met het Woord van God bezig te houden.
Het beroemde commentaar van Karl Barth op de Romeinenbrief ontstond doordat hij vastliep in zijn preken. Het Woord van God werd als zelfopenbaring van God de beslissende instantie van de theologie. De dialectische theologie vroeg om het Woord van God, omdat de eigen woorden krachteloos waren geworden of gebleken. Uit het goddelijk Woord moest een nieuwe taal, de taal van de verkondiging en de theologie, opnieuw geboren worden.
De dialectische theologie past goed in het tijdsbeeld van culturele onrust en verandering. De Romeinenbrief van Barth kan ook worden beschouwd als een literair document van het toenmalige Expressionisme.[1]
De theologie van Karl Barth was een kritiek op de taal. Ook wat betreft de kritiek op de taal past Barth in die tijd.[2]

De menselijke macht te boven
In zijn beginperiode verwoordde Barth dat het een onmogelijke mogelijkheid is om over God te moeten spreken. Als prediker was hij daartoe opgeroepen, maar als zondig mens was hij daartoe niet in staat. Het spreken over God is niet iets wat de mens in de vingers heeft als een feit, maar is een gebeurtenis dat steeds weer opnieuw plaatsvindt en plaats moet vinden. Het spreken van God gaat de menselijke macht te boven: het spreken van God is een geheimenis.
Hét Woord van God, Jezus Christus, is alleen beschikbaar door bemiddeling de heilige Schrift en door middel van de verkondiging die op de Schrift is gebaseerd. De enige zekerheid die de prediker heeft is de belofte van God en de verwachting dat God Zijn belofte (dat Hij komt door middel van Zijn Woord) zal vervullen.

Worsteling
Alleen is dat de grootste aanvechting uit de moderniteit: komt God wel? De moderniteit is te beschouwen als een worsteling met het uitblijven van Gods komst. Barth verwijst – ondanks zijn benadrukken van de zelfopenbaring – voortdurend op het omstredene en het uitblijven van Gods komst.

Zwijgen van God als ervaring
Ulrich Körtner, die zichzelf positioneert binnen de Wort-Gottes-Theologie, wil deze theologie verder aanscherpen: spreken over Gods openbaring kan niet zonder het spreken over Gods verborgenheid. Blijft het spreken over Gods verborgenheid achterwege, dan loopt de theologie, die zegt dat God door middel van Zijn Woord tot ons komt, uit op positivistische opvatting van de openbaring.[3]
De dialectische theologie, die nadruk legde op het spreken van God door middel van Zijn Woord, kan niet begrepen worden zonder oog te hebben voor de ervaring van het zwijgen van God. De ervaring van zwijgen van God is een onderdeel van het nadenken over het spreken van God.

Sprakeloosheid
De nadruk op het spreken van God door Zijn Woord kan niet los gezien van de taalverlies. De taalverlies is een essentieel onderdeel. Dietrich Bonhoeffer dat door op deze lijn: in de toekomst zou er een niet-religieuze taal nodig zijn om te spreken over God. De radicaliteit van deze uitspraak was, dat Bonhoeffer niet alleen uitging van de menselijke sprakeloosheid, maar dat het verstommen van de overleverde woorden een verstommen van God zelf inhield. De God die met ons is, is de God die ons verlaat. Deze God laat ons achter zonder god als werkhypothese (als gaatjesopvuller).

De gedachte van Bonhoeffer is een aanleiding om af te vragen hoe de ervaringen van het zwijgen van God in de 20e eeuw[4] in verband gebracht kunnen worden met een theologie van het Woord van God. Kunnen deze ervaringen van dit zwijgen doordacht worden binnen het kader van de christelijke theologie? Of stappen we met deze ervaringen en vragen buiten de christelijke theologie?

Zwijgen van God
Volgens Körtner kunnen deze vragen binnen de christelijke theologie doordacht worden. Het zwijgen van God kan doordacht worden vanuit de christologie. Vanuit dat perspectief kan het zwijgen van God worden geduid als een manier waarop God tot ons spreekt. God spreekt ook tot ons door te zwijgen. Hij openbaart zich ook door zich te verbergen.
Overigens is de gedachte dat God zwijgt niet een ervaring die beperkt is tot de 20e eeuw. Al is in deze eeuw het zwijgen van God op een radicale wijze aan de orde gesteld. Over het zwijgen van God is in de gehele kerkgeschiedenis nagedacht.
Het zwijgen van God is een ervaring van aanvechting, omdat God niet antwoordt op menselijke vragen en klachten. Het zwijgen van God heeft dus te maken met de kwestie van de theodicee.

Equivalent in de poëzie
In onze tijd is de theodicee verscherpt door Auschwitz. Volgens de filosoof P. Strasser is God vandaag de dag niet meer in staat om de menselijke taal te spreken. Het zwijgen is een voorwaarde voor Zijn bestaan. Wil God zich niet verontreinigen, moet Hij zich terugtrekken uit de menselijke taal. Ons alternatief is de zwijgende God of de sprekende duivel.[5]
Het antitheïsme in de filosofie correspondeert met de poëzie, waarin sprake was van een emigratie uit de taal, een terugtocht uit het woord (George Steiner). Sinds de Shoah is er in Duitsland een retoriek van het zwijgen. Het gewone spreken was al niet meer mogelijk. Laat staan het spreken van en over God.

Zwijgt God?
Het spreken over zwijgen van God met betrekking tot de Shoah is dubbelzinnig. Het maakt wel uit vanuit welk perspectief gesproken wordt over het zwijgen van God: vanuit de daders, de slachtoffers of de nakomelingen van de daders, de nakomelingen van de slachtoffers. Wiens ervaring was het dat God zweeg? Van de daders? In dat geval wordt de (schuld)last van de Shoah als nog op de schouders van de slachtoffers gelegd.

Zwijgen als protest
In de Bijbel is het zwijgen van God niet een terugtrekken uit het zijn, zoals Heidegger het verwoordt (Fehl Gottes), maar een protest van God tegen het geweld en de onrechtvaardigheid, die hoogtij viert.
Volgens de Bijbel is het ook niet de metafysica die bepaalt of God zwijgt of kan spreken. In de Schrift wordt de mogelijkheid opengehouden dat God nog gaat spreken d.m.v. een nieuwe openbaring. Wordt op basis van metafysica bepaalt of God zwijgt of spreekt, maken we ons schuldig aan menselijke hybris (Walter Mostert[6]).
Als er in de bijbel sprake is van het zwijgen van God gaat het om een resultaat van menselijke schuld: God is tot zwijgen gebracht.

Jezus als het spreken van God in persoon
Volgens het Nieuwe Testament komt Jezus als het Woord / het Spreken van God in persoon. God zelf spreekt zelden in de evangeliën. Wat Jezus te zeggen heeft, komt vaak niet overeen met wat mensen van God verwachten. Hij zegt degenen die volgens de godsdienstige kaders van die tijd buiten de boot vielen de vergeving van zonden toe.
Na verloop van tijd zwijgt Jezus: wanneer Hij geconfronteerd wordt met de machthebbers, die ook nog eens corrupt en onrechtvaardig zijn. Door die corrupte macht wordt Jezus ter dood gebracht. Waar is God? In de dood van Jezus, in de gekruisigde Christus wordt God zelf door de mens het zwijgen opgelegd. God is niet afwezig, maar omdat Hij aanwezig is in het gebeuren van het kruis, zwijgt Hij.

Daders
Het zwijgen van God en het aan Jezus opgelegde zwijgen is een aanklacht aan ons. Wij zijn geen slachtoffers van het gebeuren aan het kruis, maar daders.
Wat gebeurt er als vandaag de dag ervaren wordt dat God zwijgt? Staan wij soms op één lijn met de daders, bijvoorbeeld rondom de Shoah? Als wij ons afvragen, waarom God gezwegen heeft in Auschwitz, spreken wij dan geen oordeel uit over onze voorouders (namelijk dat zij schuldig waren)?
Het kruis was niet het einde. Gods zwijgen was niet definitief. In de opstanding van Christus schiep God een nieuwe werkelijkheid. Hij riep tot nieuw leven. Midden in de dood kwam Zijn herscheppend Woord.

Doorbreken van het zwijgen
Het zwijgen van God wordt doorbroken bij het kruis, waar uitgerekend een van de daders tot het inzicht komt: waarlijk, deze Mens was Gods Zoon. God voert Zijn gerechtigheid door – ook onder de schijn van het tegendeel. En dat is niet alleen een troost voor de slachtoffers, maar ook voor de daders. Alleen gebeurt dat wel ten koste van een radicale verandering van de daders. God laat niet toe dat de daders voor de tweede keer winnen van hun slachtoffers.

Geen goedkope genade
Dat is geen goedkope genade die het onderscheid tussen daders en slachtoffers uitwist, maar een dure genade. De ommekeer is zeer pijnlijk, een vernieuwing die met oprecht schuldbesef en berouw gepaard gaat. De oude mens die in deze wereld God het zwijgen op wil leggen en zich aan medemensen vergrijpt (of door zich aan medemensen te vergrijpen!) en zich alleen ten koste van anderen kan handhaven wordt zelf het zwijgen opgelegd. De oude mens sterft en een nieuwe mens staat op.

Verlossend
We kunnen alleen over God spreken, omdat Hij op een (ver)nieuw(d)e manier heeft gesproken. Dat God opnieuw zal spreken (verlossend en vernieuwend) is de belofte die de Bijbel ons geeft. Zijn stem zal opnieuw klinken: Oordelend en redden tegelijk.
Met dat doel, dat God opnieuw en oordelend en reddend kan spreken, verliezen wij onze mogelijkheid om te spreken over God. Opdat wij niet voortdurend God het zwijgen opleggen.

N.a.v. Ulrich H.J. Körtner, ‘Vom Schweigen Gottes. Ein Kapitel negativer Theologie’, in: Ulrich H.J. Körtner, Der verborgene Gott. Zur Gotteslehre (Neukirchen-Vluyn, 2000) 83-97.


[1] Parallellen zijn er in het toenmalige marxisme en de voorvechters van een conservatieve revolutie. Barth past in het rijtje van Oswald Spengler, Ernst Jünger, Franz Rosenzweig (Stern der Erlösung), Ernst Bloch (Geist der Utopie) en Martin Heidegger (Sein und Zeit).

[2] In de beroemde Brief van de Lord Chandos (1906) verwoordde Hugo von Hofmannsthal zijn persoonlijke crisis als dichter en het verval van de taal.

[3] Oftewel: openbaringspositivisme. Dit was de kritiek van Dietrich Bonhoeffer op de theologie van Karl Barth. Zie voor positivisme: http://nl.wikipedia.org/wiki/Positivisme

[4] Dit zwijgen van God kan met verschillende termen worden aangeduid: als Godsverduistering (Martin Buber) of als dood van God (Nietzsche).

[5] P. Strasser, Journal der letzten Dinge (Frankfurt a.M., 1998) 22-23.

[6] Walter Mostert, ‘Glaube – der christliche Begriff für Religion’, in: Idem, Glaube und Hermeneutik. Gesammelte Aufsätze (Tübingen, 1998) 186-198.