Preek zondag 14 januari 2018

Preek zondag 14 januari 2018

Bevestiging ambtsdragers
Schriftlezing: Mattheüs 14:13-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,
Broeders die afscheid nemen, die bevestigd of herbevestigd worden,

‘Geeft u hen te eten!’
Dat is nogal een opdracht! Jezus overvraagt Zijn leerlingen hiermee:
Zo’n grote menigte: 5000 man en dan de vrouwen en kinderen niet meegerekend,
hier in de woestenij waar niets te vinden, niets te halen is.
Dat kan Hij toch niet van ze verwachten?

En er is nogal niet wat gebeurd!
Deze zelfde dag nog hebben ze verschrikkelijk nieuws gehoord
over hoe Johannes de Doper werd onthoofd door Herodes.
Nadat Jezus dat te horen kreeg, trok Hij weg om alleen te zijn,
naar een gebied dat niet zo makkelijk toegankelijk was: afgelegen en onherbergzaam.
Hij kreeg echter niet de kans om alleen te zijn,
want zodra de menigte wist waar Jezus naar toe ging, gingen zij ook
en voor Jezus aan wal kwam, werd Hij al door een menigte opgewacht.
Tijd om na te denken over wat er gebeurd was met Johannes,
na te denken over het gevaar dat Jezus zelf liep en wat er moest gebeuren –  was er niet.
Hij moest weer aan de slag.
Hij wilde weer aan de slag toen Hij die mensen vroeg.
Terwijl Jezus zo bezig was met de menigte, met genezen, met onderwijs geven,
zullen de leerlingen niet zo snel vergeten zijn welke dreiging er boven hun hoofd hing,
waren ze vast niet vergeten wat de reden was, waarom ze hier waren.
De angst niet vergeten en weinig meegenomen:
We hebben niet meer dan 5 broden en 2 vissen
(in andere versies aangebracht door een jongen)
5 broden en 2 vissen – nog niet eens genoeg om Jezus en zijn 12 discipelen te voeden.
‘Geeft u hen te eten!’ – overvraagt Jezus hen niet?

Nu hebben we vanmorgen bevestiging van ambtsdragers.
Er wordt hen niet gevraagd om een menigte van 5000 mannen en nog meer te voeden.
Ze krijgen enkele taken binnen de diaconie of binnen het college van kerkrentmeesters,
of ze krijgen enkele straten toegewezen waar ze pastoraal verantwoordelijk voor zijn.
Ook bij u die (her)bevestigd wordt, kan dat gevoel leven
dat de Heere u wel deze opdracht geeft, maar dat u bij uzelf denkt:
Dat is teveel. Ik kan dat zelf nooit volbrengen.
De discipelen hadden 5 broden en 2 visjes, niet eens zoveel – en wat heb ik?
Ik vermoed dat er heel wat gemeenteleden blij zijn,
dat zij nu niet voor in de kerk zitten en in het ambt bevestigd worden,
ze zouden zich net zo overvraagd hebben als de discipelen
die een hele menigte moet voeden.

Voordat ik predikant werd, ben ik 2 jaar jeugdouderling geweest.
Enkele maanden nadat ik bevestigd was, kwam er een mail binnen van een gemeentelid:
De jongeren verlaten onze gemeente, je moet wat doen!
Daar werd een ingewikkelde problematiek op mijn bordje gelegd
met de gedachte erbij: los jij dat maar even voor ons als gemeente op.
Dat is nu toch jouw verantwoordelijkheid geworden?
Zo kan er ook naar de ambtsdragers gekeken worden, die (her)bevestigd worden:
jullie moeten ervoor zorgen dat de gemeente bloeit,
dat er geestelijke diepgang is, dat er belijdeniscatechisanten komen,
dat iedereen voldoende huisbezoek krijgt, de gemeente financieel er goed voorstaat.
dat de mensen die tekort komen niet over het hoofd worden gezien.
Het kan soms een patroon zijn om naar anderen te kijken: zij moeten het doen, oplossen.
‘Geeft u hen te eten!’
De vertrekkende broeders hebben dat misschien ook wel gehad:
dat er momenten waren dat je merkte:
er wordt van mij iets verwacht, dat ik niet kan waarmaken
en dat je stilletjes toch blij bent dat je periode erop zit en dat je niet meer hoeft.

‘Geeft u hen te eten!’
Zou de Heere Jezus dat zo bedoeld hebben?
Dat Hij hen een onmogelijke opdracht geeft, een opdracht die ze niet kunnen uitvoeren?
Ik denk dat Jezus hen iets wil leren.
Ze zijn leerling van Jezus.
Afgelopen week ging het op catechisatie over wat een discipel is.
De meeste catechisanten houden niet zo van leren.
School is saai, vervelend.
Een discipel is een leerling,
maar niet iemand die in zijn schriftje alleen maar aantekeningen maakt van wat Jezus zegt
zoals dat bij een docent op de middelbare school kan zijn:
‘Pak je schrift en schrijf op! En leer dit de volgende keer!’
Het is vooral leren door te doen,
zoals dat met trainen van voetbal is, met paardrijden, met muziek spelen.
Dat leer je door te doen. En steeds weer opnieuw te doen.
Het is meer een stage, waarbij je begeleider je steeds zelf iets laat uitproberen
Rij maar een ritje op de trekker, ga jij maar naar die klant, doe jij de volgende cliënt.
‘Geeft u hen te eten.’

Is dat een geruststelling? Dat het mag uitproberen? Dat u verantwoordelijkheid krijgt?
Je zou dan toch op weg geholpen willen worden,
even meelopen, de kunst afkijken, uitleg krijgen ondertussen, of begeleiding,
zodat je wel weet waar je mee bezig bent.
En dat is wat Jezus doet, juist op het moment dat er een crisis dreigt,
er groot gevaar zich aan de horizon aftekent: de dood van Johannes de Doper.
Een tegenslag voor het werk van Jezus, een grote dreiging zelfs:
je proeft er in dat er ook gevaar voor Jezus en degenen die bij hen horen.
Dan neemt Jezus hen mee, het schip in, naar de overkant.
Dat heeft iets weg van Mattheüs 2: het koningskind op de vlucht, Gods Zoon ongewenst
Er wordt al iets zichtbaar van het kruis van Golgotha hier in het leven van Jezus.
Een kruis dat ook Zijn volgelingen zullen dragen:
Wie achter Mij aan wil komen, moet zichzelf verloochenen en zijn kruis op zich nemen
en Mij volgen.
Er zijn heel wat broeders en zusters, die zo’n kruis te dragen hebben.
Afgelopen week presenteerde Open Doors een nieuwe ranglijst van landen,
Waarin christenen worden vervolgd.
Hier is er nog geen sprake van samen,
niet eens duidelijk of het van de leerlingen gewenst is dat ze meegaan en of ze meegaan
– want wilde Jezus niet alleen zijn?
en al gauw zijn de leerlingen in beeld en nog weer later een grote menigte.
Jezus zoekt een eenzame plaats op.
Dat is niet zomaar, niet voor niets.
Het roept de herinnering op aan het Oude Testament, de reis van het volk door de woestijn.
Ook die 5000 mannen (vrouwen en kinderen niet meegerekend)
is een herinnering aan de uittocht uit Egypte, het slavenhuis, onder Gods begeleiding.
Een moeilijke reis, waarop er vaak te weinig was: te weinig eten, te weinig drinken,
te weinig zicht op Gods leiding, te weinig zicht op aankomen in het land van belofte.
Is dat in het leven ook niet zo?
Dat je honger en dorst kunt hebben, naar God, naar antwoorden,
naar iemand die je bijstaat en ondersteunt, er voor je is, naar je luistert,
En dan kom je als ouderling bij iemand die een aangrijpend verhaal vertelt,
en je beseft: van mij wordt verwacht dat ik steun en troost geef
– geeft u hen te eten! –
maar wat heb ik in huis?
Je komt bij iemand die overhoop ligt met God en alleen maar kan zeggen: Waarom?
Je komt bij iemand thuis, je mag nog net binnenkomen,
maar interesse voor de kerk, voor God is er niet meer.
Je komt als diaken bij iemand thuis, die in de schuldhulpverlening zit,
een bijna leeg huis, je weet bijna niet waar je moet beginnen
en je vraagt je af of iemand uit de financiële zorgen kan komen.
Het grijpt je aan dat er hier in deze regio zoveel mensen naar de voedselbank moeten.
Of het is voor jezelf een woestijn.
Je hebt zelf zorg in je eigen gezin en je komt daardoor niet toe aan je bezoekwerk
of je gaat wel, maar innerlijk ben je er niet echt bij.
Jezus gaat Zijn leerlingen voor naar de eenzame plaats, naar de woestijn,
om te zorgen dat ze in Zijn Naam iets kunnen geven, kunnen uitdelen
waar op dat moment behoefte aan is: ‘Geeft u hen te eten.”

‘Geeft u hen te eten!’
Ik wist dat niet, maar dat is een regelrecht citaat uit het Oude Testament.
Het is niet het bekendste verhaal. Het gaat om iemand die Elisa de profeet opzoekt
en voor Elisa een klein geschenk meeneemt: 20 gerstebroden.
En dan zegt Elisa tegen zijn knecht: Geef iedereen die er is te eten.
Er waren 100 personen aanwezig en de knecht protesteerde: dit is niet genoeg.
Maar Elisa zei het nog eens: Geef hen te eten.
Want zo zegt de Heere: iedereen zal eten en je zult nog overhouden ook.
‘Geef hen te eten.’
Dat is niet alleen: Ga aan de slag,
maar ook: Ken je je Bijbel goed genoeg om te weten dat je het van God mag verwachten?
Sla Zijn Woord er maar op na, vergeet niet dat als Hij geeft, het genoeg is.
Je hoeft het niet alleen te doen, maar je mag terugvallen op God
die het weinige dat je bij je hebt zal vermenigvuldigen, zal aanvullen,
zodat je in ruime mate hebt, genoeg hebt, zelfs overhoudt.

‘Geeft u hen te eten.’
Dat is dus helemaal niet: los het alleen maar op, je kunt het!
Maar: vergeet je niet dat God je beloofd heeft, dat je voldoende zult hebben?
Dat als je in de woestijn komt, of dat nu dat je zelf in de woestijn komt
of dat je bij iemand komt die in een woestijn is,
dat God ook daar voor manna zal zorgen, elke dag weer opnieuw,
Dat je te eten hebt, dat je op krachten kunt komen, dat je niets tekort zult komen
ook al sta je op dat moment met lege handen, of maar zo’n klein beetje.
Ik stuur je niet de lege plaats in, de eenzaamheid, om daar vast te lopen,
om daar niet meer uit te komen, omdat je het niet meer weet en niet meer ziet,
maar omdat je dan juist herinnerd wordt aan je Heer, die er is, in de woestijn.

De Heer is mijn Herder! / In ’t hart der woestijn/  verkwikken en laven / zijn hemelse gaven;

Hij wil mij versterken / met brood en met wijn.

Zo mag je in vertrouwen gaan, dat de Heere zal voorzien, als u het antwoord niet hebt,
omdat God er is in de woestijn en Hij Zijn gaven geeft.
Dit gedeelte kan ook verbonden worden met het avondmaal: Er is brood dat Jezus geeft.
Ik heb in al die jaren gemerkt vooraf in de consistorie, tijdens en na afloop van de dienst,
dat het door de diakenen werd gezien als een van de mooiste taken:
het ronddelen van de schalen, het vullen van de bekers met wijn,
en misschien is dat wel de taak die het meest tot verdieping van het geloof leidde
en die het meest wordt gemist.
dienst doen aan de tafel, om iets namens de Goede Herder te mogen uitdelen

Herder – in het Oude Nabije Oosten is herder het beeld voor de koning.
Een koning hoort een herder te zijn.
Kijk nog eens hoe dit verhaal begint, met Jezus op de vlucht voor Herodes.
Twee koningen van Israël: Herodes en Jezus.
De een met zijn drinkgelag, zijn orgie, een feest in kleine kring van vrienden.
en zijn dronkemanspret kent een gruwelijk verloop: Johannes de Doper wordt gedood
en zijn hoofd wordt op een schaal de zaal binnengedragen, als een trofee.
Johannes de Doper die opriep tot bekering, het volk gereed maakte voor de messias,
die waakte over de ziel van de Israëlieten, die hen waarschuwde voor het verloren gaan.
En dan Jezus, die als Hij de menigte ziet geraakt is en Zijn hart laat spreken:
Genezing biedt en vertelt over het Koninkrijk van God
En van dat Koninkrijk iets laat zien door de mensen, Zijn onderdanen, eten te geven,
Een herder die voor Zijn volk zorgt, met hart voor Zijn mensen.
Dat is de les voor de leerlingen: Wees zo’n herder! Zie de nood van het volk
en haal het niet in je hoofd om zo’n heerser te worden als Herodes
die wel regeert, maar niet echt om het volk geeft.
‘Geeft u hen te éten.’
Jezus die ons leerde bidden: Geef ons heden ons dagelijks brood.
Het dagelijks brood, je gewone werk, het onderhouden van je gezin
dat is niet minderwaardig ten opzichte van het werk als ouderling of als diaken.

En tegelijkertijd spreekt er ook iets in van een andere wereld: Waarin geen honger meer is.
Het is een thema dat in het evangelie van Mattheüs steeds terugkomt:
Zalig die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid
Als je in je werk als diaken, als ouderling, als kerkrentmeester moeite krijgt
met hoe het in deze wereld is geregeld,
bijvoorbeeld in de regelgeving, in hoe het in families toegaat, de gewoonten op een dorp,
je zou het willen veranderen, maar je weet: het is haast onbegonnen werk.
Als je in je werk als ambtsdrager merkt wat de gevolgen zijn
dat deze wereld niet meer de wereld is waarin God op de eerste plaats staat,
maar velen aan zichzelf denken.
en je bijdrage kan maar klein zijn en toch:
Als de Zoon des Mensen in al Zijn heerlijkheid komt, met de engelen
en het oordeel er is en zal zeggen: Ik had honger en jij hebt Mij te eten gegeven.
Je hebt Mij de schaal met gebroken brood bij het avondmaal gegeven.
Je hebt Mij geholpen met bonnen voor de voedselbank,
ervoor gezorgd dat ik weer uit de schuldhulpverlening kwam.
Je hebt dat gedaan voor Christus, in naam van Christus, de koning die de Goede Herder is.
Je wist troost te bieden, of met een juiste opmerking waardoor ik weer verder kon.
Of door juist weinig te zeggen en vooral te luisteren, door er te zijn

en op die manier te laten zien dat in mijn eenzaamheid Christus toch kan komen.

Ze aten en werden verzadigd
– het heeft al een klein beetje iets van de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.
In de woestenij is eten te vinden, is Christus te vinden
En ambtsdrager zijn is net als de leerlingen uitdelen van wat Christus geeft.
Het is een wonder, maar niet eens zo groots verteld:
Jezus kijkt op naar de hemel, zoekt contact met Zijn Vader, bidt en looft God als Schepper
en dat kleine beetje brood en die twee visjes – het blijkt genoeg te zijn.
Als ambtsdrager hoef je nooit te klein van God te denken
– geeft u hen te eten. Dat is niet wat je zelf in huis hebt,
maar God die zich toont, in de lege plaats, die het kleine beetje wat je hebt
vermenigvuldigt zodat je genoeg hebt om te delen,
om uit te delen van wat God geeft
En zo niet alleen te vertellen over God, maar Christus mag uitdelen. Amen

Kun je vandaag de dag nog wel in wonderen geloven?

Kun je vandaag de dag nog wel in wonderen geloven?

De wonderen die Jezus verrichtte roepen in onze tijd veel scepsis op. Moeten we het geloof in wonderen dan maar opgeven? Nee, zegt Kurt Erlemann, hoogleraar Nieuwe Testament en Vroege Kerkgeschiedenis aan de Bergische Universiteit van Wuppertal, de wonderen hebben met een aantal hoofdpunten van het christelijk geloof te maken. Als het geloof in wonderen opgegeven wordt, heeft dat ook consequenties voor die hoofdpunten van het christelijk geloof.

Erlemann is bezig met een serie boeken over thema’s uit het Nieuwe Testament, die hij voor op een begrijpelijke manier wil uitleggen voor geïnteresseerden die niet thuis zijn in de discussies binnen de nieuwtestamentische wetenschap: Nauwelijks te geloven. Wonderen in het Nieuwe Testament. Het boek over wonderen is het zesde deel in deze serie. Eerder publiceerde hij al over hoe het Nieuwe Testament spreekt over God, Christus, de Heilige Geest, triniteit en toekomstverwachting. Het volgende deel over de gelijkenissen heeft hij al aangekondigd.

41yn8vd4oml-_sx327_bo1204203200_

Christelijk geloof kan niet zonder geloof in wonderen. Het is een rode draad door heel de Bijbel heen dat God wonderen verricht. De geschiedenis van Israël, die in het Oude Testament verteld wordt, is in feite één groot wonderverhaal: God leidt het volk Israël uit de slavernij in Egypte en laat het volk door de woestijn trekken totdat het in Kanaän aankomt.
In het Oude Testament wordt de macht van God verteld en bezongen. Bijvoorbeeld de macht die Hij als schepper heeft over de chaosmachten, die het leven op aarde bedreigen, en de macht die God als Heer over de hele wereld heeft over de volkeren op deze aarde. De Heer kan vijandige volken die op Israël afkomen tegenhouden of juist die volken sturen om zijn volk te laten kennismaken met zijn toorn. In de wonderen die Jezus verricht wordt deze lijn uit het Oude Testament doorgetrokken.

een tijd van wonderen?
Nu kan men tegenwerpen dat het niet vreemd was dat er in de tijd van Jezus geloof in wonderen was. Iedereen in die tijd geloofde immers in wonderen? Volgens Erlemann is dat helemaal niet zo, in dat iedereen de tijd van de Antieke Oudheid in wonderen geloofde. Er was in die tijd geregeld scepsis met betrekking tot de wonderen, waarover verteld werd. Scepsis ten aanzien van wonderen komt niet pas met de Verlichting op, maar is ook al in de Antieke Oudheid aanwezig. In het Nieuwe Testament komt de scepsis voor bij de tegenstanders van Jezus, die zijn bevoegdheid om wonderen te doen niet willen erkennen.

soorten wonderen
Erlemann loopt verschillende soorten wonderen na die Jezus verricht. Die wonderen kunnen te maken hebben met zijn eigen verschijning en identiteit als Zoon van God: de verheerlijking op de berg en de verschijningen in een verheerlijkt lichaam na zijn opstanding. Jezus dreef demonen uit en genas zieken.Hij wekte overledenen op uit de dood. Hij voorzag grote meningten van brood. Hij bracht de storm tot bedaren. De wonderen wijzen vooruit naar het koninkrijk van God dat komen zal, een nieuwe wereld waarin deze nood afwezig zal zijn. Daarom gaat de genezing in sommige gevallen ook gepaard met het geschenk van vergeving van zonden.

kernthema’s
De verhalen over de wonderen zijn verbonden met andere belangrijke thema’s uit de Bijbel: God die reddend ingrijpt, de hoop dat God gebeden hoort, de hoop op een betere toekomst, de macht van God over alles, de betrokkenheid van God op deze wereld, de concrete nood op aarde die Gods bewogenheid oproept, het terugbrengen van degenen die de gemeenschap met God zijn kwijtgeraakt, God die de zonden vergeeft. Dat laat zien dat de wonderen van Jezus geen marginale verschijnselen zijn, die zonder ingrijpende consequenties geschrapt kunnen worden.

niet te bewijzen, maar ook niet te weerleggen
Sinds de Verlichting hebben kerk en theologie te maken met een sterke scepsis ten aanzien van wonderen. Omdat de gebeurtenissen in deze verhalen niet op een rationele manier verklaard kunnen worden, kunnen ze nooit echt gebeurd zijn.
Om toch iets van de wonderverhalen te kunnen maken worden deze verhalen op een psychologische, sociologische of symbolische manier uitgelegd. Volgens Erlemann laat zo’n uitleg echter zien dat het uiteindelijke wonder, dat verteld wordt, wegverklaard wordt. Erlemann stelt dat wonderen weliswaar niet bewezen kunnen worden, maar ook niet weerlegd. Of wonderen geaccepteerd worden, hangt af van het wereldbeeld dat iemand heeft: is er in dat wereldbeeld ruimte voor God die verrassend ingrijpt?

provocatie van onze wereldbeeld
De wonderen waarover in het Nieuwe Testament verteld wordt en die vandaag de dag nog gebeuren zijn een provocatie voor ons wereldbeeld. Deze wonderen laten zien dat er verschillende manieren van waarneming nodig zijn om onze wereld te kunnen begrijpen. Erlemann komt in zijn boek met een model van verschillende vormen van waarneming die elkaar aanvullen, maar ook op elkaar botsen. Naast de waarneming, die binnen de natuurwetenschappen gebruikelijk is, is er bijvoorbeeld ook een esthetisch-poëtische waarneming: de manier waarop kunstenaars naar deze werkelijkheid kijken. De religieus-mystieke waarneming is een geheel eigen manier van waarnemen, die deze wereld ziet als schepping van God. Deze manier van waarnemen heeft oog voor heilige tijden en plaatsen en religieuze ervaringen.

Wonderen onthullen in onze aardse werkelijkheid iets van de onzichtbare werkelijkheid van God. Wonderen kunnen nu nog steeds gebeuren, al is dat wel minder dan in de bijzondere tijd van Jezus. Wonderen zijn niet te verklaren, maar ook niet te weerleggen. Wonderen voeden de hoop op het ingrijpen van God en wakkeren de hoop aan op Gods nieuwe wereld: de verlossing van deze gebroken wereld. Wonderen houden ons voor: Gods koninkrijk komt.

N.a.v. Kurt Erlemann, Kaum zu glauben. Wunder im Neuen Testament (Neukirchen-Vluyn: Neukirchener Verlag, 2016)

Markus 1:29-39

 

Markus 1:29-39

29. En toen zij uit de synagoge gegaan waren, gingen zij meteen naar het huis van Simon en Andreas, met Jakobus en Johannes. 30. En de schoonmoeder van Simon lag met koorts op bed, en zij spraken met Hem over haar. 31. En Hij ging naar haar toe, pakte haar hand op, en meteen verliet de koorts haar; en zij diende hen.

Jezus is Messias in woord en daad (Ernst Fuchs): op de sabbat houdt hij een indrukwekkende verkondiging en toont Zijn macht door genezingen en het uitdrijven van demonen. Omdat Jezus toont wie Hij is, wordt dit gedeelte in bepaalde leesroosters voorgesteld als evangelielezing in de tijd van Epifanie. Het Common Revised Lectionary heeft dit gedeelte bijvoorbeeld in jaar B op de 5e zondag van Epifanie.
Jezus is op de sabbat in de synagoge geweest. De synagoge zal belangrijk geweest zijn voor Jezus. De evangeliën vertellen dat Jezus hij het woord voert in de synagoge. Ook wordt er melding gemaakt van genezingen in de synagogen. Wie gaat nazoeken, vindt het woord synagoge echter niet zo vaak terug. Daarom de vraag: waarom wordt hier wel melding gemaakt van de synagoge. Heeft Markus ons daarmee iets willen doorgeven over het optreden van Jezus (als Messias in woord en daad)?
Na de synagoge gaat Jezus met Petrus mee naar zijn huis. Dat laat zien dat Petrus voor het volgen van Jezus meer heeft achtergelaten dan zijn boot en zijn netten. Hij heeft ook zijn gezin achtergelaten.  De enige andere keer dat Jezus met Petrus, Andreas, Johannes en Jakobus is, is in 13:4. Hierdoor loopt er een lijn van deze genezing naar de toespraak over de laatste dingen. In beide hoofdstukken wordt duidelijk dat het volgen van Jezus ook de gezinnen raakt. In hoofdstuk 13 gaat het namelijk om de vervolging, die ook vanuit het eigen gezin kan worden aangewakkerd. Volgens Klaus Berger, die mij op deze lijn attent maakt, geeft de genezing van de schoonmoeder van Petrus aan dat Jezus niet tegen gezinnen is.
De schoonmoeder van Petrus ligt ziek op bed. Werd in die tijd de koorts gezien als een demon, een onreine geest die je aangreep? Markus plaatst deze genezing in ieder geval na het uitdrijven van een onreine geest. Het wordt Jezus meegedeeld dat Petrus’ schoonmoeder ziek is.
Jezus maakt contact met haar: hij gaat naar haar toe en raakt haar aan. Markus vertelt vaker dat Jezus in zijn genezingen de mensen aanraakt. Dit is niet alleen een gebaar van tederheid, maar ook een gebaar waarmee hij grenzen overschrijdt: een man die de hand pakt van een vrouw, een gezonde man die de hand pakt van een zieke en dus onreine vrouw. Is het ook een gebaar waarmee Jezus zijn kracht naar deze vrouw over doet gaan? In de beschrijving van Markus doet het oprichten denken aan een wederopstanding uit de dood. De vrouw wordt opgewekt.
Als zij is opgericht, dient zij Jezus en de andere aanwezigen: ze wordt een diaken in de gemeenschap van Jezus. Ook dat is een overschrijden van een grens. Rabbijnen geven namelijk aan dat het niet goed is om je door een vrouw te laten dienen. Hij die gekomen is om te dienen wordt nu gediend, zoals de engelen dat deden na de verzoeking en vrouwen rondom het kruis dat later ook zullen doen.

32. Toen het nu avond geworden was en de zon onderging, brachten ze bij Hem allen die er slecht aan toe waren, en hen die door demonen bezeten waren. En heel de stad had zich verzameld bij de deur. 34. En Hij genas er velen, die er door allerlei ziekten slecht aan toe waren, en dreef veel demonen uit, en Hij liet de demonen niet toe te spreken, omdat zij Hem kenden.

Als de zon is ondergegaan, is de sabbat voorbij. Dan kunnen ook de anderen gebracht worden, die beheerst worden door een onreine geest. In het eerste hoofdstuk laat Markus zien dat Jezus gekomen is om het koninkrijk van God te brengen en dat koninkrijk bestaat ook uit het verdrijven van de onreine geesten. Ze waren er slecht aan toe, degenen die bij Jezus worden gebracht. Bij Jezus vinden ze heling en worden weer mens zoals de Schepper hen had bedoeld. Was het vorige wonder, waarbij de schoonmoeder van Petrus genezen werd, een ‘interne aangelegenheid’ (in huis), nu is zijn optreden (voor de deur) publiek.
Uit zijn daden moet blijken wie Jezus is. Maar als de demonen en de onreine geesten willen spreken over Jezus, verbiedt Jezus dat. Wanneer de demonen over Jezus spreken, is dat geen goed teken. (Zie vers 24). Ze kenden Hem, schrijft Markus.
Jezus is sterker dan de demonen en kan hen het zwijgen opleggen. Als Markus vertelt over Jezus die de demonen niet toelaat om over Hem te spreken, heeft dat ook te maken met het (beruchte) Messiasgeheimenis: in Markus laat Jezus ook mensen niet toe om te vertellen wie Hij is. Niet alleen zijn genezingen en zijn daden laten zien wie Hij is. Vooral na kruis en opstanding wordt duidelijk wie Jezus is.

35. En ’s morgens vroeg, nog diep in de nacht, stond Hij op, ging naar buiten en begaf Zich naar een eenzame plaats,  en bad daar. 36. En Simon en die bij hem waren, gingen Hem achterna, 37. en toen zij Hem gevonden hadden, zeiden zij tegen Hem: Iedereen zoekt U! 38. En Hij zei tegen hen:  Laten wij naar de naburige plaatsen gaan, opdat Ik ook daar predik,  want daarvoor ben Ik uitgegaan. 39. En Hij predikte in hun synagogen door heel Galilea en dreef de demonen uit.

Op een vroeg tijdstip kunnen cruciale gebeurtenissen plaatsvinden: zo wordt in alle vroegte besloten om Jezus over te leveren aan Pilatus (15:1) en gaan de vrouwen in alle vroegte op weg naar het graf (16:2). Als de vrouwen bij het graf komen, schijnt dan reeds de zon. Nu is het nog nacht. Vertaald kan ook worden met: ‘in duisternis gehuld’. Vroeg, in de duisternis, gaat Jezus bidden. Wil Markus hiermee laten zien, dat Jezus’  optreden zich afspeelt in de context van het uitdrijven van demonen? De duisternis wordt ook nog eens benadrukt: nog diep in de nacht.
In die duisternis gaat hij naar buiten. Hij begeeft zich buiten de bescherming van de stad en gaat naar de eenzaamheid, waar hij alleen is en kwetsbaar. Jezus gaat vaker de eenzaamheid in. Ook als hem het bericht wordt gegeven van de dood van Johannes de Doper, neemt Hij zijn leerlingen de eenzaamheid in. Wanneer de mensen Hem als bijzonder gaan zien, trekt Hij zich terug. Na een wonder geeft Hij de opdracht om te zwijgen: het beruchte Messiasgeheimenis. In Markus is Jezus pas echt te kennen na kruis en opstanding en tot die tijd trekt Hij zich geregeld terug.
In de eenzaamheid was hij reeds 40 dagen geweest. De Geest had Hem toen naar buiten gedreven, om door de satan verzocht te worden. Nu nadat Hij de demonen uitgedreven had en hen het zwijgen opgelegd heeft, komt opnieuw in de eenzaamheid, de woestijn. Zal Hij hier opnieuw worden verzocht door de satan?
Bij de verzoeking in de woestijn meldt Markus geen gebed. Deze keer in de eenzaamheid is Jezus wel in gebed. Markus vertelt vaker dat Jezus bidt. Soms in afzondering (6:46), dan weer in gezelschap (in Gethsemané). Is het in Markus 1:35 een rust zoeken bij de Vader? In dat geval een rust na het gezag over de demonen. De gebeden in Markus geven aan, dat Jezus zijn gezag en macht niet uit zichzelf heeft. Op basis van het gedeelte over Gethsemané kunnen we zeggen: Jezus zoekt de eenheid met de wil van Vader, een weg in gehoorzaamheid aan Zijn Vader. Midden in de duisternis heeft Hij die eenheid. De eenheid die Hij er in de duisternis aan het kruis voor Hem niet is, als Hij zich verlaten weet door God. Die duisternis uit Markus 14:33 is een ander woord dan uit 1:35. Terwijl Jezus aan het kruis hangt, wordt Hij bespot: anderen heeft Hij verlost, zichzelf verlossen kan Hij niet. Waar Hij bij anderen de onreine geesten, die voor een duisternis en de afwezigheid van God zorgden, ondergaat Jezus nu zelf die duisternis. Waarbij er voor Hem geen uitredding is.
Als Hij in gebed is, wordt Jezus opgezocht door Petrus en de andere leerlingen. Dat opzoeken is geen positief gebeuren. Kwam in de woestijn de verzoeking door de satan, nu komt de verzoeking door Petrus. Jezus had ze opgedragen om Hem te volgen. Maar ze volgen Jezus niet. Ze jagen op Hem. (Het gebruikte woord komt in Markus alleen in negatieve betekenis voor.) Willen ze dat Jezus volop in de belangstelling staat? ‘Iedereen zoekt u!’ Kan het nog mooier?
Vanuit zijn gebed weet Jezus dat dit een verzoeking voor Hem is, die nu in de persoon van Petrus tot Hem komt. Waar ligt Jezus’  taak? In het openbaar? Of in het verborgen? Af en toe in het openbaar, waarbij heel het volk de gelegenheid krijgt om de zieken en bezetenen te brengen. In het openbaar vertelt Hij over het koninkrijk van God. En toch, geregeld trekt Hij zich terug. Aan het kruis en bij het graf wordt zichtbaar dat zijn werk ook in het verborgene zich afspeelt. Het wordt zichtbaar voor wie dat wil zien. Niet voor de menigte die om het kruis heen staat. Slechts een hoofdman bij het kruis (waarbij het nog de vraag is of deze hoofdman zijn opmerking niet ironisch bedoelde) en enkele vrouwen die op een afstand kijken. Ook de opstanding gebeurt in het verborgen. Daar is niemand bij. Slechts enkele vrouwen zien iets, waardoor ze in een opstanding gaan geloven.
Als iedereen naar Jezus op zoek is, is het Zijn taak om weer verder te gaan. Zoals Hij in die nacht opstond en naar buiten ging, de eenzaamheid in. Zo verlaat Hij Kapernaüm weer en trekt verder. Na enkele dagen zal Hij overigens weer in Kapernaüm aankomen. In Markus is Jezus steeds onderweg. Als ik ooit een uitleg over het evangelie van Markus zou schrijven, zou Onderweg een mooie titel zijn voor een uitleg van het evangelie van Markus. Jezus blijft niet in Kapernaüm. Ook niet in de wildernis. Het doel waarvoor Hij gekomen is, is om overal het goede nieuws van Gods koninkrijk te brengen. en Hij zei: De tijd is vervuld en het Koninkrijk van God is nabijgekomen;  bekeer u en geloof het Evangelie. (1:15) Daarvoor is Hij gekomen. Hij gaat verder met zijn missie. Eerst in Galilea en later in Jeruzalem.

 

Preek 30 oktober 2011 (Reformatieherdenking)

Preek 30 oktober 2011 (Reformatieherdenking)
Markus 2:1-12

Tekst: En toen Jezus hun geloof zag, zei Hij tegen de verlamde: Zoon, uw zonden zijn u vergeven.  (Vers 5)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

Wat het is om verlamd te zijn, weet ik niet uit eigen ervaring. Wat het is om verlamd te zijn, ik heb dat alleen gezien bij anderen. Bij een vrouw, die al eens getroffen was door een herseninfarct waarbij de ene helft van het lichaam gedeeltelijk uitviel. ‘Haar slechte helft’, zo noemde ze dat. Deze vrouw werd enkele jaren later nogmaals getroffen door een herseninfarct waarbij ‘de goede helft’ nog meer uitviel dan haar slechte helft.
Wat ik mij uit deze ontmoetingen herinner was de worsteling met haar lichaam. Haar lichaam dat niet meer deed wat zij graag wilde. Dat gevecht met haar lichaam zag ik als ik bij haar op bezoek was
en soms liet ze ook iets van haar machteloosheid blijken en wat die machteloosheid met haar deed. Moedeloos werd ze van haar lichaam, dat niet meer deed wat zij wilde en niet meer kon wat zij wilde. Ze wist niet meer of ze moest vechten om weer terug te komen of dat ze zich gewonnen moest geven. Zij die altijd behulpzaam was en klaar stond om voor anderen te zorgen, was nu afhankelijk van de zorg van anderen. Gedwongen tot afhankelijkheid was ze en daardoor voelde ze zich nutteloos. Ze kon zich niet voorstellen dat ze hier nog iets kon betekenen. Overbodige ballast – zo zag ze zichzelf.
Wat ik mij uit deze ontmoetingen ook herinnerde, was hoe confronterend deze ontmoetingen voor mijzelf waren. Ik werd me ervan bewust hoe vrij ik mijzelf kon bewegen. Dat ik gaan en staan kon waar ik wilde. Een beklemmende ervaring.
En dan preken over de genezing van een verlamde man. Met deze ervaring in het achterhoofd merk ik pas hoe vreemd deze gebeurtenis is. In de ontmoetingen met deze vrouw kon ik vaak geen woorden vinden. Ook geen woorden vinden om deze vrouw te troosten. Zo merk ik dat ik niet op de woorden kan komen om deze preek te maken. Deze gebeurtenis rondom Jezus en met de verlamde man maakt mij sprakeloos.
Ik hoop dat u mij goed begrijpt: Het is geen twijfel aan de macht van God. Het is niet het wonder dat hier gebeurt, maar het wonder dat in onze tijd vaak uitblijft voor degenen die zo naar verlangen dat zij weer zich kunnen bewegen zoals voorheen. Verlangen om bevrijd te worden uit de machteloosheid waarin zij gevangen zijn.
Vanmorgen ben ik geroepen – niet om deze machteloosheid met u te delen, maar om het evangelie te verkondigen. Om midden in de machteloosheid, die ons bevangt en die verlamde mensen nog meer bevangt dan ons, de stem van Christus te laten horen die ons bevrijd van alle banden die ons gevangen houden. Om te laten zien wat er gebeurt als Christus in ons leven komt, juist ook als we gevangen zitten in de machteloosheid. Zijn komst, Zijn Woord, Zijn optreden bevrijdt uit machteloosheid en gevangenheid.
Dat het om machteloosheid gaat en om niet meer kunnen, is op voorhand niet duidelijk. Er is nogal wat activiteit. Je kunt het alleen maar beschrijven in dynamische woorden: er gebeurt wat, mensen komen. Dat moet een rep en roer gegeven hebben, toen al die mensen dat huis binnen wilden gaan. De komst van Jezus in de stad brengt de mensen in beweging.
Allemaal mensen met hun eigen leven, hun eigen verhalen, hun eigen zorgen en vreugden. Mensen die elkaar wellicht niet eens kenden of van elkaar het verhaal niet wisten, zij worden bij elkaar gebracht in een gemeenschap rondom Jezus. Dat is het mooie van Jezus’ komst. Dat is al evangelie vóórdat Jezus Zijn mond opendoet en met woorden spreekt. Dat er een gemeenschap ontstaat rondom Hem. Mensen die elkaar niet hadden uitgezocht, die van elkaars bestaan niet op de hoogte waren, worden in de Here Jezus aan elkaar verbonden.
In een verdeelde samenleving, we kunnen er in de Bijbel over lezen, al die verschillende groeperingen: Schriftgeleerden, farizeeërs, priesters, aanhangers van Herodes, mensen uit Jeruzalem en Judea die neerkeken op dat volk daar in Galilea. In hedendaagse woorden: mensen die elkaar de maat nemen, die twijfels hebben bij de politieke keuze van de ander. Eén gemeenschap rondom Jezus.  Jezus brengt mensen bij elkaar die wij niet bij elkaar zouden uitzoeken. En dat is het koninkrijk van God, waar Jezus over spreekt. Gemeenschap rondom Christus. Sinds de eenheid met God verbroken was, was ook de eenheid onderling verbroken. Door het wantrouwen naar God toe was er ook onderling wantrouwen gekomen.
Jezus spreekt het woord tot hen. Hij zal hebben gesproken over degenen die bij God vandaan zijn, die ver bij God vandaan leven, geroepen worden om naar Hem toe te gaan. Getrokken worden om te leven met God.
Wellicht heeft hij een voorbeeld gebruikt dat kinderen ook begrijpen. De tafel, misschien weet je het nog, de tafel van God die zo vol stond, zo boordevol dat er vanaf viel.  De honden konden het van de grond opeten, zonder dat iemand er iets van de rijkdom miste. Genoeg voor iedereen. Teveel zelfs, want er zal overblijven. De Here Jezus had vast verteld dat Hij gekomen was om ook anderen uit te nodigen diegenen die voor zichzelf dachten dat ze er niet bij hoorden. Niet bij God, niet bij Zijn koninkrijk, misschien een beetje door te luisteren naar de Here Jezus. De Here Jezus zal verteld hebben, dat Hij gekomen is om ook degenen uit te nodigen die niet naar deze tafel, naar deze overvloedige maaltijd, dit grandioze feest durfden te komen. Ze durfden niet, omdat zij hier op aarde er ook niet bij hoorden. Ze werden uit de weg gegaan, ze werden genegeerd, bewust of onbewust bemerkten zij dat zij er niet bij hoorden en niet welkom waren. Voor hen is de Here Jezus gekomen.
Dat zal Hij vast hebben verteld. En deze boodschap maakte indruk op de mensen. Ze geloofden het of ze wilden het geloven.
Het is ook deze boodschap, die vier mensen in beweging brengt. Let maar eens op, hoe Markus vertelt dat deze vier mensen aankomen, nadat Jezus Zijn woorden sprak. Markus vertelt het zo, dat de woorden van de Here Jezus direct effect hebben, direct in vervulling gaan. Vier mannen komen eraan met een verlamde man. Of ze aanwezig waren bij wat Jezus vertelde of niet, ze merken dat deze verlamde man er ook bij hoort. Want er zijn veel mensen te bedenken die vanuit zichzelf niet bij Jezus kunnen komen, die buiten de gemeenschap hier op aarde vallen, bewust of onbewust buitengesloten worden. Dan zijn het ook de verlamden, de blinden, de zieken. De verlamde man, die voortdurend afhankelijk is van anderen. Zonder de hulp van anderen niet van bed afkomt, niet naar de wc kan gaan, niet op de hoeken van de straat neergelegd kan worden om te bedelen. Zonder de hulp van anderen niet meer thuis kunnen komen.
Hoe vaak gebeurt het niet, dat juist zij vergeten worden als er een grote groep aanwezig is. Waar mensen bij elkaar komen, die dat uit zichzelf kunnen. Het is de verkondiging van Jezus dief effect heeft,  die deze vier mannen –  Het woord van God keert niet leeg terug…
In de verhalen wordt gedaan of zij vrienden van de man waren, maar dat is nog maar de vraag. Het zou ook nog zo kunnen zijn dat hij tegen zijn zin bij Jezus werd gebracht. Maar dat deze vier mannen gegrepen werden door de verhalen over Jezus. Want wat waren de verhalen die over Jezus de ronde deden? Mensen die er niet meer bij hoorden, die zich niet meer onder de mensen konden begeven, met de duivel bezeten, melaats, zij kwamen bij Jezus en nadat ze door Jezus waren genezen, konden ze weer worden opgenomen in de gemeenschap. Door die verhalen gegrepen, geraakt, komen ze in beweging. Dan hoort hij, die verlamde man, er ook bij. En ze brengen hem, met bed en al, bij die Jezus die over die Gods barmhartigheid, Gods ontferming vertelt als een overvolle tafel, zoveel uitgestald. Hij hoort er ook bij. Als hij niet uit eigen beweging kan komen, dan brengen ze hem. Zo brengen deze vier mannen op hun manier wat God had aangekondigd: van alle einden der aarde zullen ze komen, van alle uithoeken om het heil te ontvangen.
Zij brengen de man, die dat uit zichzelf niet kan, tot de gemeenschap met Christus. Ze kunnen hem gewoonweg niet laten liggen. Door deze man bij Jezus te brengen, maken zij de naam van het dorp waar. Kapernaüm: dorp van de troost. Dorp waar God zich ontfermt over mensen, en waar mensen door die ontferming bewogen anderen bij God brengen. Een dorp dat wordt gestempeld door Gods ontferming, de bewogenheid waardoor mensen geraakt zijn en hun ogen opengaan voor degenen die erbuiten vallen.
Een huis vol – een volle kerk rondom de woorden van Jezus. Dat klinkt mooi en dat is het ook. Tegelijkertijd zien we hier ook dat een grote menigte,  een volle kerk ook wel eens een belemmering kan zijn om binnen te komen. Om in aanraking te komen met de woorden van Jezus. Maar deze vier mannen laten zich niet weerhouden. Ze haken niet teleurgesteld af, ze vragen zich niet af of wat ze doen correct is. Ze zijn maar met één ding bezig: deze man bij Jezus brengen. Dat is het geloof van deze vier mensen en Jezus ziet het geloof van deze vier mensen. Ze laten zich door niets weerhouden
Ze geloven dat deze man bij Jezus moet zijn.  Voor wat…? Om wat te ontvangen…? Wat hoopten deze mannen aan de verlamde te geven door hem bij de Here Jezus te brengen? Jezus ziet hun geloof. Wat Jezus ook doet met deze verlamde man, hij doet dat vanwege die vier vrienden. Vanwege het geloof van deze vier vrienden. Ik denk dat we dat ook wel herkennen. Hoe vaak gebeurt het niet dat wij meegenomen worden door anderen, door het geloof van anderen? Op momenten dat wij het niet meer zien zitten, dat er dan anderen zijn die er ons er door heen helpen en houden bij het geloof.
De verlamde man krijgt niet direct wat wij zouden verwachten. Hij krijgt geen genezing. Nog niet. Hij krijgt iets anders. Jezus spreekt hem aan en in de woorden klinkt de bewogenheid door en gaan de deuren van Gods koninkrijk open en stroomt het licht hem tegemoet. ‘Kind, je zonden zijn vergeven.’
Zonden?  Ik merk dat bij die poort die voor deze man wagenwijd open gaat, mijn bedenkingen heb: Waarom de zonden van deze man? Wat heeft deze man verkeerd gedaan? Want alleen concrete zonden kunnen toch vergeven worden? Waarom niet de zonde van de Schriftgeleerden, de farizeeën, de anderen die alleen voor zichzelf naar Jezus toegekomen zijn? Die geen anderen hebben meegenomen. Maar is er wel sprake van veroordeling in dit gedeelte? Of ben ik het die de Schriftgeleerden, de farizeeën, de menigte veroordeelt? Sluit ik de Schriftgeleerden, de farizeeën, de menigte uit, omdat ik niet kan geloven dat ook voor hen vergeving van zonden is.
De vergeving van zonden heeft altijd iets wat ons irriteert. De vergeving is ook voor degenen voor wie wij het niet bestemd hadden. Ook voor de ander. De mogelijkheid die de verlamde man krijgt, de open poort, die mogelijkheid wordt ook de farizeeën, de Schriftgeleerden voorgehouden. De verlamde man wordt genezen om te laten zien dat de woorden van Jezus macht hebben.
Dat Jezus niet zo maar wat spreekt, maar dat het woord dat Hij spreekt, effect hebben. Wat Jezus spreekt is waar. Wat Jezus belooft, dat doet hij. Elke keer als de Schriftgeleerden deze man zien lopen, worden zij er aan herinnerd dat ook voor hen de poort van Gods koninkrijk kan open gaan.
Van de kerkenraad heb ik voor mijn verjaardag een bon gekregen van de fietsenmaker. Hoe weet ik dat deze handgeschreven bon echt is? Hoe weet ik dat ik deze bon kan inleveren om mijn fiets te laten maken? Door het logo, door de handtekening. Zo is deze man de garantie voor de Schriftgeleerden dat Jezus ook hun zonden kan en wil vergeven.
Wat is gemakkelijker?Wij kunnen geen van beiden. Door deze vraag wijst Jezus erop dat wij niet zonder het handelen van God kunnen. Alleen Hij kan dat doen.  Hij kan genezen en vergeven.

Blijf ik nog zitten met de vraag waarom vandaag de dag vaak niet genezen wordt. Ook niet na aanhoudend gebed. Ik heb hier geen antwoord op. Tot de gemeenschap van Christus behoren, betekent ook dat we met elkaar delen in het lijden. Dat we degene die ziek, verlamd of machteloos is niet uit de weg gaan, maar hem of haar bij Christus brengen.
Deze gebeurtenis, die Markus vertelt, wekt in ons wel het verlangen naar een wereld van heelheid en eenheid, verlangen om rond die tafel van het koninkrijk van God verzameld te worden. Naar dat koninkrijk en naar de komst van Christus zien wij uit.
Amen

Het koninkrijk van God bestaat niet alleen uit woorden

Het koninkrijk van God bestaat niet alleen uit woorden
Over de hedendaagse moeite om over genezingswonderen te preken

Het Oude en Nieuwe Testament staan vol genezingswonderen. Maar juist deze verhalen roepen veel vragen op. In de preek kan men niet, zoals op zondagschool, volstaan met het navertellen van het verhaal. Hoe kan men vandaag de dag over genezingswonderen preken? Ik vat hier een artikel van Werner Thiede samen. Deze samenvatting bevat niet mijn eigen standpunt, maar helpt mij wel om na te denken over dit verschijnsel.

Verlegenheid in het verleden
De hedendaagse moeite met (preken over) genezingswonderen is niet nieuw. Reeds in de Vroege Kerk had men hier moeite mee. De vroege Augustinus was van mening dat het charisma van de genezing met de apostelen was uitgestorven, omdat sinds die tijd het evangelie duidelijk genoeg geklonken heeft. Na zijn pastorale ervaring als bisschop was hij een andere mening toegedaan. In de Middeleeuwen werden de kloosters een plaats waar genezing en heil kon worden gevonden. Met het afschaffen van de kloosters keerden de reformatoren terug tot de vroege Augustinus. In polemiek met Rome werd door de protestantse scholastiek nadrukkelijk de noodzaak van actuele wonderen ontkend.
Dat de Verlichting moeite had met de wonderverhalen zal niet verrassen. In de Verlichting kon met niet overweg met gebeurtenissen die de natuurwetten buiten werking stelden. Schleiermacher gaf aan dat wonderen niet kunnen, omdat wonderen een verandering van de vastgestelde loop van de natuur betekende. Deze verandering zou een duiden op de onvolkomenheid van de schepping en de almacht van God in twijfel trekken. De argumentatie van Schleiermacher werkt door in de theologische doordenking in de 20e eeuw (Rudolf Bultmann, Wolfgang Trillhaas). Zelfs Karl Barth, die in contact gekomen was met Christoph Blumhardt, gaf aan dat wonderen tot de uitzonderingen behoorden.

Genezingswonderen zijn er ook vandaag de dag
De theologie heeft het verlangen en de drive om mee te doen met de actuele discussie. De theoloog moet zich dan op de hoogte stellen van de discussie binnen de medische wetenschap. De wereldwijd befaamde kankeronderzoeker en hoogleraar Walter Gallmeier schrijft: ‘Wie niet in wonderen gelooft, is geen realist. (…) Wie niet waarneemt wat iedereen kan zien, kan niet meer volhouden dat hij een wetenschapper is, want hij wil de realiteit niet onder ogen zien.’
Daarnaast zijn er duizenden genezers actief die bij elkaar miljoenen patiënten hebben. Deze genezers zijn in twee groepen te verdelen: (1) degenen die uitgaan van kosmische energie en (2) zij die uitgaan van media, zoals geesten of engelen, die genezing doorgeven.
Mogen deze genezers zich ophouden in de esoterische hoek, dat geldt niet voor alle wonderen die gebeuren. Als moderne theologie claimt dat zij zich bezighoudt met hedendaagse ervaring, moet zij ook de ervaring van wonderen serieus nemen. Veel kerkelijk betrokkenen interesseren zich steeds meer voor wonderen. . Uit een onderzoek van de Evangelische Kirche (EKD) bleek dat 3% van de ondervraagden ervaring had met concrete ervaring met genezers. Binnen en buiten de kerk is er aandacht voor (gebeds)genezing. Aan de ene kant kan dat de invloed zijn van esoterische interesse. Aan de andere kant kan het de opkomst zijn van evangelicale spiritualiteitIn de Rooms-Katholieke Kerk is de openheid voor genezingswonderen veelvuldig aan te treffen. Neem als voorbeelden het bedevaartsoord Lourdes en de heiligverklaring van Pater Pio in 2005.

Preken over genezingswonderen – een homiletische kans
Hoe kan in de preekvoorbereiding worden omgegaan met verhalen over wonderlijke genezingen?

(a) Exegese is belangrijk, want daardoor komen we in aanraking met ervaringen van wonderen. De exegese maakt ons ook bewust van het gevaar van individuele vooroordelen.

(b) Bijbelse verhalen over genezingswonderen hebben altijd een boodschap. In deze verhalen gaat het over God als schepper en verlosser. Deze theologische boodschap is gebaseerd op een concrete gebeurtenis, een feit. De verkondiging van deze boodschap mag er niet toe leiden dat het feit of de gebeurtenis wordt ontkend.

(c) In de dogmatiek zijn veel ontoereikende verklaringen:
symbolische uitleg die men voorstaat, omdat wonderverhalen niet passen in de wereldbeschouwing van de uitlegger.
naturaliserende uitleg: Jezus was een soort sjamaan, hij bezat een natuurlijke kracht waardoor hij mensen kon genezen. (Gerd Theissen, Eugen Drewermann) Deze natuurlijke kracht is niet direct voorhanden en is gegeven aan bepaalde charismatische personen.
spiritualiserende uitleg: kracht om te genezen is een kracht die in de schepping aanwezig is (Paul Tillich). Bij Tillich gaat deze spiritualiserende uitleg gepaard met kritiek op de bijbelse wonderverhalen. Hij heeft moeite met de bijbelse wonderverhalen, omdat hier geloofsuitspraken worden gebaseerd op natuurwetenschappelijke absurditeiten.
Ekklesiologische uitleg: de wonderen worden verbonden met de sacramenten die de kerk toedient. Vooral binnen de Rooms-Katholiek Kerk wordt deze weg gekozen. Gevolg van deze traditie is dat de leer over de kerk het summum wordt van het nadenken over de Heilige Geest. Voor protestanten een onbegaanbare weg.

(d) Noodzakelijke systematisch-theologische oriëntatie:

– Op welke manier is het handelen van God te verbinden met de hoop op het voltooide Koninkrijk van God? Jürgen Moltmann: in de herschepping van alles gaat het niet om wonderen, maar om het natuurlijke. In het lijden en sterven van Jezus heeft God het zieke, kwetsbare, zwakke en beperkte menselijke leven aangenomen. De Gekruisigde is zowel een bron van genezing als een bron van troost (Geist des Lebens, 1991, p. 203).

– Op welke manier kan de passiviteit van God worden verbonden met Zijn voltooide Koninkrijk? Jezus kon in zijn geboorteplaats geen wonderen doen. Hij was dus een magiër. Waarom worden veel gebeden om genezing niet verhoord? Waarom laat God alle ziekte toe? Het antwoord op deze theodicee-vraag kan niet beantwoord worden zonder het spreken over het kruis van Christus. Jezus is de gekruisigde genezer. Hij identificeerde zich niet alleen met ons lijden, maar ook met onze schuld. Genezingswonderen zijn vaak gericht op lichamelijke genezing, terwijl Jezus ook kwam om innerlijke genezing te brengen.

– De eenheid van heil en genezing wordt alleen duidelijk vanuit Pasen: in de opwekking van Christus wordt de dood overwonnen en het leven dat in de dood gevangen was bevrijd. Het kruis staat in het teken van Gods koninkrijk en de daarmee gegeven heerlijkheid van God. Genezingswonderen zijn afkomstig van dezelfde Geest die Jezus op weg hielp door Zijn lijden. Het is de Geest van de gekruisigde en opgestane Christus die ook vandaag de dag werkzaam is. Zelfs Paulus, de grote theoloog van de kruistheologie, kon als genezer werkzaam zijn. Volgens Paulus kan een theologie van het kruis niet beperkt worden tot een theologie van alleen het woord: ‘Want het koninkrijk van God bestaat niet uit woorden, maar uit kracht.’ (1 Korinthe 4:20) Deze uitdaging kan men in de verkondiging niet uit de weg gaan.

(e) Naar de gemeente toe:
Een prediker heeft te maken met een gemengd publiek. De een staat open voor elk wonderverhaal, de ander is rationeel ingesteld, een derde weet niet wat hij er van moet denken. Een zorgvuldig voorbereide preek met juiste informatie kan heel behulpzaam zijn.
In de verkondiging kan de prediker niet alleen voldoen aan wat mensen verwachten te horen. De verkondiging gaat ook verder dan wij kunnen verwachten en hopen. Tot die mogelijkheid en werkelijkheid die onze verwachting te boven gaat, behoren ook de genezingswonderen. Tegelijkertijd is de wereld om ons heen vol verwachting van wonderen, die hun heil niet van Christus verwachten, maar op een andere manier hopen te bereiken. De preek over genezingsverhalen bevat genoeg uitdagingen en kansen, maar heeft ook met moeilijkheden te maken. Beide kanten zijn nodig om te bedenken. Thiede hoopt dat zijn artikel ertoe aanzet om in theorie en praktijk open te staan voor wonderen die gebeuren.

[Ik ben er zelf niet helemaal uit. Tot nog toe ben ik terughoudender en zou ik wat meer aandacht willen voor degenen voor wie genezing uitbleef. Ik zou daarbij de vraag willen stellen: op welke manier is dat verbonden  met het komende koninkrijk van God?]

N.a.v. Werner Thiede, ‘Gottes Reich steht nicht nur in Worten. Zur Schwierigkeit heutiger Predigt über Heilungswunder’, Göttinger Predigtmeditationen 63 (2009) 295-305.

Werner Thiede is predikant en hoogleraar Systematische Theologie aan de Universiteit van Erlangen-Nürnberg. Zie zijn persoonlijke website: www.werner-thiede.de