Preek biddag 2018

Preek biddag 2018
Schriftlezing: Mattheüs 6:5-18
Tekst: Geef ons heden ons dagelijks brood (Mattheüs 6:11)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hebt u er wel eens gemerkt hoe vreemd het is om in deze tijd te bidden:
Geef ons heden ons dagelijks brood.
Als we brood nodig hebben, gaan we naar de bakker of de supermarkt.
Wanneer daar het brood op is, kunnen we naar Elburg of Wezep
om daar naar een bakker of een supermarkt te gaan om brood te kopen.
Door de vriezer kunnen we ook nog eens brood in het voren kopen.
’s Morgens haal je het brood eruit en na een kwartiertje is het ontdooid
en als dat te lang duurt, ontdooi je het brood in de magnetron.
Dan bid je voordat je gaat eten: Geef ons heden ons dagelijks brood.
Wat is er nog aan geven door God bij als we leven in een tijd
waarin we volop brood kunnen krijgen
en waarin het brood dat niet verkocht is dezelfde avond nog wordt afgevoerd
naar bijvoorbeeld een hobbyboer, omdat het niet meer verkocht mag worden?
Hebben de broodfabrieken, de bakkers, de supermarkten en onze vriezers
dit gebed niet overbodig gemaakt?
Hebben we God eigenlijk nog wel nodig in een tijd van zoveel overvloed?
Als we dan toch deze regel bidden,
is het dan niet meer een soort gewoonte, dat we deze regel bidden,
omdat we nu eenmaal het Onze Vader hebben geleerd
en we daarom deze regel niet kunnen overslaan?
Zijn we er als mensen tegenwoordig niet heel goed in geslaagd
om God overbodig te maken op tal van terreinen
en geldt dat ook niet als het er om gaat om elke dag weer brood te kunnen eten?
Het moet wel heel raar lopen als er aan het einde van het groeiseizoen
het graan niet binnengehaald kan worden, de aardappels gerooid, de groenten geoogst.
De koeien kunnen gemolken worden, de melk verwerkt.

En toch, vandaag is het biddag voor gewas en arbeid.
U bent nu vanavond naar de kerk gekomen om te bidden voor het nieuwe groeiseizoen,
om te bidden voor de oogst, voor alles wat groeit en bloeit, voor de planten en de bomen,
voor het graan, voor het fruit en de groente.
En jij bent misschien wel heel speciaal vanavond naar de kerk gekomen,
omdat je weet, gelooft dat het helemaal niet vanzelfsprekend is dat er eten is,
al lijkt het wel zo,
maar dat er een God in de hemel is, die er voor zorgt
dat het brood dat je morgen bij het ontbijt kunt eten
en in je broodtrommel kunt stoppen om dat mee te nemen naar je school of je werk
door God gegeven wordt.

Alleen, je kunt het zo snel weer gewoon vinden, vanzelfsprekend vinden
dat er brood in huis is en in de winkel, dat je brood op voorraad kunt hebben
dat je over enkele dagen gewoon vinden dat er elke dag weer brood is.
Ja, je weet het wel en je bidt ook wel Geef ons heden ons dagelijks brood
maar het kan zo gedachteloos gebeuren,  maar je staat er niet echt meer bij stil.
Biddag voor gewas en arbeid houden betekent
dat je er weer bij stil staat, hoe bijzonder het is, dat de Heere eten geeft en werk
en dat het voor ons nodig is om daar elke keer weer om te bidden,
dat het steeds noodzakelijk is om elke dag weer opnieuw bij de Heere aan te kloppen
of hij ons eten en drinken wil geven, genoeg om van te leven.

Het is nodig om in een tijd waarin we zoveel hebben,
waarin je kunt kiezen uit allerlei soorten brood
en een ruime keuze hebt wat je op brood doet: vleeswaren, kaas, zoet
dat er een God is die je dit geeft
en daarmee wil laten merken dat Hij elke dag voor jou zorgt,
dat het goede gaven uit Zijn hand zijn.
opdat wij daardoor erkennen, dat Gij de enige bron van alle goeds zijt (Heidelberger Catechismus, antwoord 125; Zondag 50).
God is de enige die ons al dit goede geeft.
We hebben dat niet te danken aan het goede inkoopbeleid van de supermarkt,
niet te danken aan het salaris dat wij verdienen,
we hebben dat niet te danken aan onze bakkunsten
of aan zicht en grip op ons uitgavenpatroon,
waardoor we ons dit alles kunnen veroorloven.
Nee, God alleen is de enige bron van al dit goede.

Maar dat is wel iets dat we steeds ons moeten blijven bedenken,
dat is een geloof dat we steeds moeten onderhouden, levend moeten houden,
want het is een grote verleiding, steeds weer opnieuw,
dat je Gods zorg gewoon gaat vinden, dat je er niet van opkijkt, er niet dankbaar voor bent.
Want daarmee raak je God zelf kwijt.
Het luistert heel nauw wat dat betreft.
Want wat gebeurt er, als je niet meer bedenkt dat de Heere de enige bron is,
als je denkt dat je het zelf toch maar weer handig voor elkaar gekregen hebt,
dat het aan je mooie salaris te danken is, dat er eten is,
aan je eigen handigheid
of dat je gedachteloos brood koopt of brood uit de vriezer haalt en ontdooit.
Je raakt God kwijt.
We hebben dat niet gelezen, maar in het gedeelte hierna zegt de HEERE Jezus:
Je kunt niet én God dienen én de mammon.
Weten waar je brood vandaan komt is een kwestie van geloof of ongeloof,
van trouw aan de Heere zijn of afgodendienst.
Door te bidden of God ons elke dag opnieuw brood wil geven trainen wij onszelf
in het geloof dat God onze schepper is, dat Hij het is die voor ons zorgt,
Dat Hij het is, die dit ons allemaal geeft.

Door elke dag te bidden dat God ons brood wil geven,
gaan wij tegelijkertijd in onszelf de strijd aan met de neiging
om steeds weer God te vergeten en Hem in te ruilen voor iets anders,
Dat er iets anders is waar we op vertrouwen,
iets anders waarvan we denken dat dat ons gelukkig maakt.

Daarom is dit gebed elke dag nodig.
Het is ook een gebed voor elke dag.
In de versie van Mattheüs is dit gebed om dagelijks brood
een gebed voor het begin van de dag:
Heere, ik ga nu aan de dag beginnen, ik doe dat niet zonder U.
Vandaag heb ik eten nodig, ik kan niet zonder voedsel.
Wilt U ervoor zorgen dat ik voor vandaag genoeg heb?
Het is niet een gebed voor morgen, of voor het weekend, of voor volgend jaar,
maar voor nu, voor vandaag.
Het gaat erom, dat we in het nu leven
en dat het nu, het heden als tijd waarin God voor ons zorgt
en dat we ook zien, hoe God ons van eten en drinken voorziet.
Een van onze kinderen heeft wel eens bij Intravert (sociaalvaardigheidstraining op school)
moeten leren stil te staan bij wat ze eet.
Ze is zo vol met allerlei gedachten, die ratelen door haar hoofd,
maar daardoor vergeet ze wel eens dat er voor haar een bord staat, met eten erop
en kan ze met heel veel dingen druk zijn, waardoor ze niet aan eten denkt.
Het koelt af en het kan bij wijze van spreken nog een kwartier onaangeroerd zijn.
Zo kunnen we als mensen met allerlei dingen bezig zijn,
kunnen onze gedachten vooruit gaan,
naar het einde van de maand: is er dan nog wel genoeg geld op de rekening voor het eten?
naar over een half jaar: Wat als mijn éénjarig contract afloopt en er niet verlengd wordt?
Gedachten kunnen uitgaan naar de problemen in deze wereld,
terug naar de lastige tijd van de crisis, vooruit naar de tijd dat je kinderen opgroeien
en er een studie voor hen betaald moet worden.
Allerlei zorgen, die je in beslag kunnen nemen.
Begrijpelijke zorgen.
Het is ook geen verbod op zulke gedachten.
Maar de opdracht van de Heere Jezus om aan het begin van elke dag te bidden
of onze Vader in de hemel er voor wil zorgen dat er ook vandaag weer eten is,
is ook voor onszelf een les, een oefening om te zien dat God ervoor zorgt
om te geloven dat de Heere God dat morgen ook zal doen en overmorgen.
Aan het begin van de dag, als wij aan het begin staan, een planning hebben gemaakt
allerlei taken nog hebben te doen:
Hemelse Vader, er is er Eén die voor mij zorgt en dat bent U.
Wilt U dat ook vandaag doen?
Als je de Vader vraagt om een brood
Geeft Hij je zeker nooit een steen
Al je gebeden klein of groot heus
Hij vergeet er niet één
Als je dat vergeet, dat de hemelse Vader voor je zorgt,
Als je vergeet om bij Hem aan te kloppen,
als je de dag begint zonder je leven die dag in Gods handen te leggen
en ook je levensonderhoud van Hem te verwachten,
Hoe kun je dan christen zijn?
Hoe kan dan Gods naam worden geheiligd,
als Zijn kinderen het niet nodig vinden om bij Hem aan te kloppen
omdat ze denken dat er toch wel genoeg is en dat ze het zelf wel redden?
Hoe kan Zijn naam dan worden geheiligd, als we Hem niet meer zien
als de bron van al het goede, als Degene die ons dat alles geeft?
Hoe kan dan Gods koninkrijk komen, als degenen die Hem zouden moeten dienen
een leven kunnen leiden, waarin God niet echt een rol heeft,
een leven waarin Hij er niet echt is, zonder dat we Hem missen.
Hoe kan Zijn wil worden gedaan,
als we ons niet houden aan het gebed dat Hij ons leerde.
De bede Geef ons heden ons dagelijks brood is niet voor niets
een onderdeel van het Onze Vader, van het gebed dat de Heere Jezus ons leerde bidden.
Het zet ons apart van de wereld, die God niet nodig heeft,
die zichzelf wel redt, die alleen de weelde en de welvaart ziet,
zonder de Gever te zien, zonder Degene die het geeft te danken.

We bidden om brood.
Je zou net zo goed om beschuit of crackers kunnen bidden, om havermout of Brinta,
of bidden dat er vandaag groente op je bord ligt of er fruit is om te eten.
alleen je moet wel bedenken
Dat brood een herinnering is aan de weg die Israël ging door de woestijn.
Elke morgen lag er manna op de grond, een soort brooddeeg,
waarmee de Heere God liet zien dat Hij Zijn volk door de woestijn geleidde
tot het in het Beloofde Land was aangekomen en daar akkers zou hebben en weilanden,
waardoor ze zichzelf weer konden onderhouden.
Manna – God zorgt: brood uit de hemel.
Maar elke keer was er dat verlangen naar ander eten:
de vleespotten van Egypte.
Ze hadden niet genoeg aan wat God gaf, ze wilden meer, gevarieerder, rijker.
En alle ellende uit Egypte werd uit de herinnering weggeduwd
en alleen de herinnering aan het luxueuze van Egypte bleef in hun gedachten.
Dat was nog eens een leven, daar in Egypte.
We bidden om brood voor elke dag.
Niet om een driegangendiner, niet om een feestmaal elke dag.
Want dan zouden we ons alleen maar aan deze aarde hechten
en het leven hier op aarde voor ons een paradijs zijn
en dan zouden we vergeten dat we op weg zijn naar een ander thuis,
een Huis in de hemel, het Vaderhuis met de vele woningen.
Daar zal het altijd feest zijn, een feestmaaltijd, ter ere van Hem
die kwam en stierf en Zijn leven gaf voor ons om ons daar een plaats te bieden.
Brood voor elke dag, genoeg om van te leven. Meer hebben wij niet nodig.
Meer leidt alleen maar af.
Meer is een verleiding om hier te wortelen, om de hemel uit het zicht te verliezen,
daar waar onze Vader is, die over alles regeert.
Leven bij de dag en niet verder kijken, is een leven in afhankelijkheid van God,
in het besef dat God ons eens kan roepen tot hoger heerlijkheid,
Dat we mogen zijn daar in de hemel, waar onze Vader is,
die we steeds bidden om dat brood voor elke dag.
Dat is genoeg, want U geeft het en wat hebben we nog meer nodig dan U.
Niet voor niets spreekt de Heere Jezus ook over vasten:
Er zijn momenten waarop we niet eten, om juist te beseffen dat God dit geeft.

Nog één ding: We bidden niet alleen voor onszelf.
We bidden niet: Geef mij het brood dat ik nodig heb.
Nee, Geef ons heden ons dagelijks brood.
Ons – ik ben niet alleen.
Ik ga deze weg door het leven niet alleen.
Ik heb mensen om mij heen.
Medechristenen die ook die weg gaan.
En ik bid dat ook zij brood mogen krijgen, dat zij genoeg hebben om van te leven.
Of ze nu hier dichtbij wonen of ver weg in Afrika of Syrië.
Dan is het een gebed dat de Heere eten wil geven waar tekort is.
Het is een gebed voor de christenen die het goed hebben en welvarend zijn.
Dan is het een gebed om bewaring van hun geloof,
zodat ze niet in de verleiding komen God uit het oog te verliezen
en dat de welvaart en de goede omstandigheden hen niet laks maken in het geloof.
Ons brood – mijn gebed, ons gebed is ook voor de mensen die God niet kennen
of God niet willen kennen of belijden.
En daarmee voegen we ons in ons gebed in de lijn van de hemelse Vader,
die het laat regenen over mensen die eerlijk leven en de mensen die slecht leven,
die de zon laat schijnen over mensen die trouw zijn aan Hem
én over de mensen die kwaad in de zin hebben.
God sluit in Zijn zorg niemand uit, al sluit iemand anders zijn hart wel af voor God.
en daarom mogen wij in ons gebed ook niemand uitsluiten
en daarmee is het ook een gebed om bekering,
om de ogen te openen, om te zien dat er een God is die voor dit alles zorgt.
En wanneer die bekering achterwege blijft, blijven we bidden,
omdat God geduldig is én omdat we weten dat wij ook niet altijd zien
dat God voor ons zorgt, dat Hij het is die ons dit brood geeft,
en dat ook geeft als wij vergeten daar om te bidden en daar voor te danken.

Geef ons heden ons dagelijks brood:

Ons oog is op uw Zoon, die ons tot uwe troon
als Middelaar wil leiden. Al wat ons hart begeert,
gelijk zijn voorschrift leert, dat mag ’t geloof verbeiden. (Gezang 198:3 NH BUndel 1938)
Amen

Geloof in de voorzienigheid in de crisis

Geloof in de voorzienigheid in de crisis

Heeft God iets te maken met de wereldgeschiedenis? Het christelijk geloof gaat daar wel vanuit. God bestaat en handelt in onze werkelijkheid. Maar hoe doet Hij dat? Niet alles kan aan Gods handelen worden toegeschreven. De dogmatiek heeft de taak om gelovigen te helpen bij het verantwoord spreken over God en zijn handelen. In de dogmatiek wordt het nadenken over Gods handelen in onze werkelijkheid en Gods handelen in de wereldgeschiedenis de voorzienigheidsleer genoemd.
Volgens Christian Link kunnen we spreken over een crisis met betrekking tot de voorzienigheidsleer. Bij een (ingrijpende) gebeurtenis in het wereldgebeuren spreken christenen niet meer vanuit de voorzienigheidsleer. Het geloof dat God de wereld regeert en onderhoudt is volgens hem van ons afgegleden.

Bij zijn afscheid als hoogleraar Dogmatiek sprak Link over deze crisis. Hij wilde een poging wagen om deze crisis te boven te komen. Ook als men geen verband met God wil aanbrengen, is het volgens Link maar de vraag of er een sleutel is om deze werkelijkheid te duiden.
Voorzienigheid houdt in dat er geen enkel tijdperk in de geschiedenis is die onttrokken was aan de heerschappij van God (Deus operatur omnia in omnibus). Men deinsde er niet voor terug om gruwelijke episoden op God te herleiden. Waarbij men er niet vanuit moest gaan dat het vertrouwen in God gemakkelijker was dan nu.
Volgens Link is het zinvol om terug te gaan naar de klassieke vooronderstellingen van de voorzienigheidsleer. De klassieke voorzienigheidsleer was bescheiden in het spreken over Gods handelen. Men maakte een onderscheid tussen primaire oorzaken (het handelen van God) en secundaire oorzaken (het handelen van de mensen).

Voorzienigheidsleer
Het bijbelse fundament voor de voorzienigheidsleer is maar smal. Men komt dan bijvoorbeeld uit bij het boek Job, waarin aangegeven wordt dat het ontbreken van een plan onmenselijk zou zijn.
De Reformatie hield desondanks vast aan de voorzienigheidsleer. Het front waartegen men zich verzette, waren de antieke filosofen, zoals de Stoa en de Epicureërs (die door de Renaissance weer volop invloedrijk waren). In zijn Institutie zocht Calvijn bewust het gesprek met de intellectuelen van zijn tijd (I, 16-18): God heeft de wereld niet verlaten na de schepping. Deze opmerking is geen menselijke ervaring, maar een belijdenis. Spreken over Gods voorzienigheid is vooral een vorm van geloof: belijden van Gods handelen, waarbij de Geest Gods wil ten uitvoer brengt.
Belangrijke vraag daarbij is: Hoe moet men over deze God spreken? Welke eigenschappen heeft Hij (zodat men kan volhouden dat de schepping en de schepselen voorwerp van zijn zorg zijn)? Deze vraag kunnen we niet alleen door onze ervaring beantwoorden.
Omdat de bijbelse basis maar smal is, greep men terug op filosofie. De filosofie was vooral geïnteresseerd in het hoe en het waarom van de voorzienigheid. Voor de christelijke theologie was er een extra probleem, omdat vanuit de filosofie geen verbinding met Gods handelen in Christus (Christusereignis) tot stand gekomen is. In de oosters-orthodoxe traditie was deze verbinding er wel. In het westen maakte men onderscheid tussen schepping en onderhouding. Voorzienigheid werd vooral eschatologisch geïnterpreteerd (Augustinus, maar ook Thomas van Aquina, de Leidse synopsis, Gerhard Gloege).
Bij Calvijn staat het voorzienig handelen van God in dienst van de kerk: Gods handelen is betrokken op de concrete gemeente. De voorzienigheid is bij hem de uitvoering van Gods verborgen raadsbesluit. Het doel van dat handelen is de eer van God en het heil van de mens.
De verbinding met Gods verborgen raadsbesluit zorgde in de loop van de tijd voor een probleem: de soevereiniteit van God kan deterministisch uitgewerkt worden. Een ander probleem dat opkwam was de kloof die er groeide tussen het geloof in Gods voorzienende handelen en de ervaring van de werkelijkheid.

Op welke manier kunnen wij spreken over Gods handelen?
In de voorzienigheidsleer gaat het over handelen van God. Op welke manier kunnen wij als mensen op een verantwoorde manier spreken over Gods handelen? Ons voorstellingsvermogen is beperkt, omdat God ons begrip van ruimte en tijd overstijgt. Bovendien is spreken over handelen van God is een antropomorf beeld. Antropomorfe beelden kunnen alleen in het spreken over God alleen metaforisch worden gebruikt. Kan Gods handelen worden verbonden met ‘wereldlijke’ oorzaken? Maar Gods handelen is niet alleen causaal. Theologisch is het beperken van Gods handelen tot causale verbanden onhoudbaar. Ook de rol voor de mens wordt drastisch beperkt. De eigen rol van de mens wordt uitgeschakeld. In zo’n causaal model van Gods handelen wordt veronderstelt dat mensen slechts kunnen waarnemen en oordelen (en niet op eigen initiatief handelen).
In dat opzicht is de procestheologie aanlokkelijk: in dit model handelt God door middel van het overreden. Door te overtuigen is God betrokken in het proces van het verder ontwikkelen van de wereld. Het handelen van God is een aanbod: wat God doet, kan een oorzaak zijn. Het handelen van God hoeft ook niet per definitie een doorbreking van de natuurwetten te zijn.
Hoe ervaren wij deze realiteit? De macht van God is ervaarbaar: de presentie van het aangezicht van God dat over ons mensen licht. God opent zich voor zijn schepping. Als God zijn aanwezigheid terugtrekt, dreigt de geschapen werkelijkheid uit elkaar te vallen.

In het perspectief van de Geest van God
Als wij vandaag de dag willen spreken over Gods handelen in deze werkelijkheid dienen wij dat met terughoudendheid te doen.
In ieder geval dient er ruimte te zijn voor menselijke actoren. De geschiedenis gaat voor een groot deel tegen Gods wil en Gods gebod in. God heeft dat risico echter genomen. Er is goddelijke betrokkenheid aan het mislukken van de geschiedenis. Dr. H. Berkhof spreekt over weerloze overmacht.  Overmacht: God doordringt deze wereld met zijn Geest. Link wil daarom de voorzienigheid niet doordenken vanuit de schepping, maar – in navolging van D. Ritschl en R. Bernhardt – vanuit de aanwezigheid en werkzaamheid van de Heilige Geest (pneumatologie). Daardoor is er volgens hem meer ruimte voor het relationele van Gods handelen.
In de Bijbel is voorzienigheid steeds de ervaring van te moeten opbreken en te moeten zwerven. De rol van toeschouwer is voor de mens niet weggelegd. Abram had Gods voorzienigheid niet opgemerkt als hij niet naar Kanaän was gegaan. Als zwerver heeft hij het spoor gevonden van God, die verborgen de geschiedenis leidt. Abram werd door de stem van God aangesproken. Hij ging door Gods woord. Het woord van God, dat ons aanspreekt, is een kritisch tegenover van de wereld. Het woord van God dwingt ons tot een kritische interpretatie van de wereldgeschiedenis.  ‘Als Christus ons model is van God, zullen we over macht moeten denken in termen van de kracht van het Woord of de kracht van het kruis, de kracht van de Geest in plaats van almacht als dwingende kracht.’ (Ian Barbour)

En natuurrampen dan?
Hoe zit het dan met natuurrampen (die mede zorgden voor de kloof tussen het geloof in Gods handelen en onze ervaring)? Link geeft daarvoor enkele grenzen aan: We kunnen de schuld niet alleen bij de mens neerleggen. God moet ook meer zijn dan een werkhypothese. Link gaat uit van de kern van de voorzienigheid: niets kan ons scheiden van de liefde van Christus (Rom. 8). Vanuit dit geloof transformeert de betekenis van een gebeurtenis. Niet op die manier dat een zinloze gebeurtenis alsnog van een betekenis worden voorzien. Maar door te blijven geloven in Gods voortdurende zorg – ook  in, tijdens en na een ramp. Ook in, tijdens en na een ramp zijn we niet gescheiden van die liefde in Christus. Dat opent onze ogen niet alleen voor het verleden (waarom), maar ook voor de toekomst (waartoe).

Samenvatting van: CHRISTIAN LINK, ‘Die Krise der Vorsehungsglaube. Providenz jenseits von Fatalismus’, Evangelische Theologie 65 (2005) 413-428.