Preek zondag 21 juli 2019 morgendienst

Preek zondag 21 juli 2019 morgendienst
Schriftlezing: 1 Johannes 5:13-21

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Bij iets voor een ander vragen kunnen we denken aan enkele meiden uit groep 8,
die samen op een groepje jongens afstappen.
Een van de meisjes heeft laten merken dat ze verliefd is op een bepaalde jongen,
maar ze durft het zelf niet te laten merken en zeker niet te vragen.
De vriendinnen durven het wel voor haar te vragen.
Ze gaan naar het groepje jongens toe en spreken de bewuste jongen aan:
‘Wil je verkering met haar?’
Het meisje zelf durft het niet te vragen en daarom doen zij het.
En de jongen om wie het gaat? Dat hangt ervan af.
Als hij haar leuk vindt, kan hij ermee instemmen.
Het kan ook zijn dat hij helemaal nog niet toe is aan verkering
en niet goed weet wat hij met deze vraag moet.

Je kunt ook denken aan iemand die voor een ander een baan of een stageplaats regelt.
Als je de opleiding dierenverzorging wil doen,
moet je al stage gelopen hebben bij een dierenarts.
Als je zelf geen dierenarts kent, kun je een beroep doen op iemand die wel contact heeft.
Je gaat naar diegene toe en vraagt:
‘Zou jij niet wat voor mij doen? Jij kent die dierenarts?
Kun je niet zorgen dat ik daar stage kan lopen? Want ik wil die opleiding graag doen!’

Soms kun je iemand nodig hebben die iets voor je doet, iets voor je vraagt.
Omdat je het zelf niet durft, of omdat je niet hoe je dat moet doen of waar je moet zijn.

In zijn brief schrijft Johannes over iets vragen voor een ander.
Dat kan zonder dat die ander het weet dat je het vraagt.
Je vraagt dat ook aan Iemand die je kent, niet iemand hier op aarde, maar aan God.
Als je de brief van Johannes leest, is dat iets dat je niet zomaar even doet:
naar God toe gaan om iets voor een ander te vragen.
Daar is moed voor nodig – vrijmoedigheid, een onbevangenheid,
waarbij je je niet laat terugschrikken voor de grootheid van God, voor Zijn heiligheid,
maar dat je in gebed gaat om tot Hem te naderen.
Of misschien zeg je wel: moed? Ik mag toch tot God gaan en bidden?
Als ik bid in de naam van Jezus mag ik dat toch doen?
En ik mag Hem toch alles vragen?
Dat heeft Jezus toch zelf gezegd en dat schrijft Johannes toch?
Ook al is God groot en heilig, ik mag toch naar Hem toe gaan omdat Hij dat zelf aangeeft?

Hier geeft Johannes een specifieke reden aan om naar God toe te gaan.
Om voor iemand uit de gemeente, waarvan je weet dat die gezondigd heeft
naar God te gaan – om te bidden om vergeving,
om niet uit de gemeenschap met God gezet te worden, maar om vernieuwing van het hart.
Je ziet dat iemand uit je gemeente op de verkeerde weg is,
of iemand die je kent van wie je weet dat hij of zij met Christus wil leven.
Je weet dat zonde betekent dat iemand de band met God doorsnijdt, bij God vandaan gaat.
Je weet ook: God ziet het ook en de Heere kan er voor kiezen om die ander weg te sturen.
Als de Heere dat zou doen, staat Hij in het gelijk.
Maar wat moet er dan terecht komen van diegene? Die ernst weet God toch ook?
Mag je dan een beroep doen op God, ook al weet je dat iemand zo tegen God is ingegaan?
Iemand die de richtlijnen van God kent? Die het leven met de Heere kent?
Die heeft ontdekt dat Christus redding en bevrijding geeft?
Iemand die de liefde van Christus ervaren heeft en ook nog beaamd heeft: U bent mijn Heer.
Ik kies niets boven U, naast U – geen enkele afgod kan mij bij U vandaan krijgen.
Je weet wellicht ook nog wel het moment dat diegene belijdenis deed.
Of je hebt op bijbelkring iemand zoiets geweldigs horen vertellen over de Heere
en nu dit…

Waar je concreet aan moet denken? Johannes noemt: Een zonde niet tot de dood.
Hij zegt niet, wat hij daarmee bedoelt.
Een zonde – niet tot de dood, betekent: niet helemaal met God breken.
Je wilt niet helemaal van God af.
In je hart ben je nog verbonden, maar je manier van leven staat er haaks op.
Denk aan: vreemdgaan, fraude, diefstal, als baas je personeel uitbuiten.
Johannes zegt: je moet over geen enkele zonde licht denken.
Er is geen enkele zonde, waarbij je je schouders moet ophalen
en kan denken: ach, dat is zo erg niet.
Maar er is wel verschil: Er zijn zonden, waarbij je de band met God bewust doorsnijdt.
Als bijvoorbeeld je bewust afscheid neemt van het geloof en breekt met Christus.
Je wilt geen christen meer zijn. Je geeft je geloof op.
In veel gevallen is zo, hoe erg ook, niet altijd een bewuste breuk met God.
Hij kan dan wel op een afstand staan, je kunt op dat moment niet aan Hem denken.
Als je bijvoorbeeld penningmeester van een club bent
en je merkt dat je niet gecontroleerd wordt en je staat er financieel niet goed voor
en je gaat op een verkeerde manier om met het vertrouwen dat je hebt gekregen
door een deel van de rekening naar jezelf over te maken,
breek je dan op dat moment met Christus?
Je laat wel merken, dat Christus niet meer alles bepaalt in je leven
en dat er een macht is die sterker is: de macht van het geld
of wellicht de schaamte dat je bepaalde dingen niet meer kunt afbetalen.
Om die ene zonde te verbergen heb je meerdere zonden nodig.
Je begeeft je op de verkeerde weg
en de weg naar God toe wordt moeilijker.
Als je beseft wat de gevolgen zijn van je daad, dan kun je moeilijk meer naar God gaan.
Of je verbergt je fout naar de Heere toe en bent niet eerlijk, niet open.
Of je weet dat je verkeerd zit en je blijft daarom maar weg bij God.
Daarom is ons gebed voor zo iemand nodig,
omdat hij of zij dan helemaal kan afhaken en kan wegraken bij God
of denkt in gemeenschap met God te leven, maar buiten die relatie staat
En niet verbonden is met de Heere.
Een gebed om vergeving voor iemand anders,
net zoals Mozes en Samuël voor het volk baden – zoals we zongen in Psalm 99.
Mozes die van de berg kwam en hoorde dat het volk danste voor een afgodsbeeld.
Nadat de Heere aangaf niet verder met het volk te gaan,
ging Mozes in gesprek met de Heere en zei dat ze zonder Hem niet verder kunnen gaan.
Zoals vrienden onder elkaar in gesprek zijn, deed Mozes een beroep op God:
Wij kunnen niet zonder U. Gaat U alstublieft mee met ons.
Bid voor die ander, zegt Johannes, zodat je de Heere op andere gedachten brengt
En Hij die ander niet loslaat, niet prijsgeeft, maar terugkeert
en verder gaat met Zijn werk in zijn of haar leven
– ondanks de fout die hij of zij heeft begaan.

Wat Johannes hier schrijft is bijzonder.
Allereerst het zien van wat de ander doet.
Dat is geen nieuwsgierigheid, niet zien wanneer je de ander op een fout betrapt,
Zodat je van jezelf weet dat je het beter doet.
Zien betekent hier betrokkenheid op elkaar, je hoort bij elkaar, je houd elkaar in het oog,
omdat je niet wilt dat die ander de weg met God kwijtraakt.
Wanneer het gaat om de ander zien, om zien wat de ander doet,
moet ik altijd denken aan de kassacursus die ik moest volgen.
Ik werkte vanaf mijn 16e in een supermarkt en moest ook kassa kunnen draaien.
Tijdens die cursus liet de hoofdcassière mij een aantal klanten afrekenen.
Op een gegeven zei ze: Vertel me nu hoe de afgelopen 3 klanten eruit zagen.
Een cassière moet de klanten zien
– dat werd mij ook al geleerd toen ik aantrad bij de vulploeg.
Dat geeft allereerst binding, maar had ook een tweede reden:
Wanneer je klanten ziet, heb je ook eerder winkeldiefstal door.
Dat gebeurt juist, wanneer medewerkers niet oplettend zijn en je anoniem behandelen.
Bij alle taken die je hebt, zoals het scannen van de producten en vragen om de flessenbon,
moet je ook zien wie de mensen zijn die bij je afrekenen.
Ik heb dat altijd onthouden en ik denk dat het ook voor de kerk van belang is:
Om je mensen te zien, de schapen die aan je toevertrouwd zijn op te merken,
niet aan ze voorbij te kijken, omdat je druk bent met andere activiteiten.
Zodat ze gezien zijn en zich gekend voelen,
maar ook om te voorkomen dat ze een verkeerde kant op gaan.
Uit bescherming voor hen. Niet uit bemoeizucht, maar uit bescherming.
De ander zien: vorig jaar hebben we verschillende doelen gesteund.
Toen ze op catechisatie kwamen vertellen wat ze deden,
lieten ze filmpjes zien van verschillende mensen,
Waarvan we zeggen: ze leven aan de rand van de samenleving,
zoals mensen die op straat zwerven, mensen die verslaafd zijn
en de vraag was: hoe kijk je naar hen? Wat zie je in hen?
Kun je nog zien dat het schepselen van God zijn,
die ook door Christus thuisgebracht moeten worden
en ook – net als wij – aan een nieuw leven moeten beginnen,
het nieuwe leven in Christus.
Vandaag hebben we geld opgehaald voor Stichting Ontmoeting,
‘Vastgelopen mensen worden door Ontmoeting ondersteund om hun leven weer op orde te krijgen. We leren hen om weer op eigen benen te staan, relaties aan te gaan en te onderhouden en de juiste keuzes te maken. Zo krijgen ze weer perspectief in hun leven.’
Hulp verlenen en bij te staan door ze te ontmoeten,
in de ogen te kijken, te zien wie ze zijn en wat ze hebben meegemaakt.

Wat de ander doet gaat je aan – heeft ook met u te maken.
Daarvan kunt u niet zeggen: dat is voor een dominee, wijkouderling, bezoekzuster.
Daar kunt u op z’n minst voor bidden.
Als je iemand niet durft aan te spreken, kun je het bij de Heere brengen.
Moet je het zelfs bij de Heere brengen – als je bewogen met die ander bent.
Je bent niet voor niets broeder en zuster. Dat betekent ook dat je voor elkaar bidt.
In veel gevallen kunnen wij de zonde niet uit iemand krijgen:
We zijn lang niet altijd in staat om een misstap van een ander goed te maken.
Wij zijn vaak niet in staat om iemand die verslaafd is van zijn verslaving af te helpen.
Door te bidden gaan we wel de strijd aan met de verleiding die op de ander vat heeft,
het gevecht met de zonde, door diegene om wie het gaat, bij de Heere te brengen.

Ook om een andere reden is het bijzonder, dat Johannes opdraagt om te bidden.
Want als je een ander uit je kerk een misstap ziet maken, ziet zondigen,
kun je ook teleurgesteld in die ander raken.
als de teleurstelling gaat overheersen, dan kun je niet meer goed kijken naar die ander.
Dan is alles wat die ander doet verkeerd.
Overal zoek je iets achter. Je kunt niets meer van die ander hebben.
Je kunt je gaan afzonderen van die ander, die ander gaan ontwijken.
Nee, zegt Johannes, niet ontwijken en ook niet afschrijven.
Ga in gebed voor die ander, voordat die ander nog verder wegdrijft bij God vandaan.
In de gemeente, waar Johannes aan schrijft,
heeft zich mogelijk een kerkscheuring voorgedaan:
een groep mensen stapte eruit, omdat ze andere opvattingen hadden over Christus,
Dan kun je als groep die achterblijft, daar sterk door geraakt zijn.
Dan kun je het gevoel hebben, dat die ander op jouw manier van geloven neerkijkt
En een andere kant op gaat, zich te goed voelt voor jou.
Of je voelt je in de steek gelaten.
Dan is het niet gemakkelijk om voor diegene te bidden en die ander bij de Heere te brengen.
Je moet wat in jezelf overwinnen.
Je trots, of je gekrenkt-zijn, je frustratie, je gevoel dat de ander je in de steek liet.
Ook dat mogen we bij God brengen, zoals we onszelf bij God brengen,
ook als we er zelf niet uit komen en overhoop liggen met onszelf,
omdat we merken dat er in onszelf allerlei gedachten en emoties zijn,
die niet goed zijn voor onszelf en voor ons geloof.
Johannes zegt er in een kleine zin iets groots bij: door te bidden geef je die ander het leven.
Je behoudt die ander in het leven door te bidden.
Zoveel kracht kan je gebed hebben, dat het de Heere bereikt
en de Heere iets doet, ingrijpt, de ander terugbrengt bij Hem.
Onderschat het gebed niet – ook niet in de strijd tegen de verleiding,
die vat op een ander lijkt te krijgen of heeft gekregen.

Dat bidden voor die ander heeft ook gevolgen voor onszelf:
Lieve kinderen, wees op uw hoede voor de afgoden.
Dat kan overkomen als een wat onverwachte, abrupte afronding van de brief.
Maar het is hetzelfde als wat we doen in gebed voor die ander:
De strijd aangaan met de verleiding, die we tegen kunnen komen,
die vat op ons probeert te krijgen.
Lieve kinderen – Johannes spreekt ze aan op de band die ze met Christus hebben:
door Christus geliefd en door Zijn liefde kind van God geworden.
Als je die liefde kent, als je weet dat je kind van God geworden bent,
hoort daar ook strijd bij: strijd om jezelf te bewaren, te beschermen tegen verleiding.
Als je weet dat een weg niet goed voor je is, dan moet je die niet gaan.
Als je weet dat een keuze je bij de Heere vandaan brengt, moet je die tegengaan.
Je kunt je er niet achter verschuilen dat je ook maar een mens bent,
dat je ook je fouten maakt, want als je niet oppast, praat je je eigen fouten goed.
In de strijd tegen die verleiding, om onszelf te bewaren voor die afgoden,
hebben wijzelf ook gebed nodig.
Daar mag je best bij een medegelovige om vragen,
dat je broeder of zuster voor jou bidt en omgekeerd jij voor hem of haar.

Een paar weken geleden waren we als collega’s bij elkaar,
uitgenodigd door de IZB – ik heb volgens mij al eerder naar die ontmoeting verwezen
aan het einde van de morgen werden we gevraagd om degene met wie we in gesprek waren
in gedachten mee naar huis te nemen en een week voor die collega te bidden,
om volharding in het geloof, om vreugde in Christus, om te delen in de zorgen
En na een week eventueel op te bellen om te vragen hoe het gaat.
Het is een notie die in onze reformatorische traditie van groot belang is:
de zorg voor elkaar, voor elkaars geloof, elkaars zieleheil.
We zijn niet zomaar gemeente, maar als gemeente aan elkaar gegeven.
Broeders en zusters, die voor elkaar gaan – ook naar God gaan in gebed.
Zodat u, jij de mensen in de kerk om je heen draagt
en omgekeerd: jij ook wordt gedragen door de gebeden om je heen.
Het zou goed zijn als u, jij zo voor elkaar bidt
en niet wacht tot iemand gezondigd heeft,
maar al preventief bidt, zoals Jezus bad voor Simon:
Simon, Simon, zie, 

de satan heeft u allen opgeëist om te ziften als de tarwe.

Maar Ik heb voor u gebeden dat uw geloof niet ophoudt.
Amen

 

Ademnood en vitaliteit

Ademnood en vitaliteit.
Terugblik op de predikantenconferentie van de Gereformeerde Bond

In veel gemeenten binnen de Gereformeerde Bond zijn veranderingen aan de gang. De liturgie verandert: naast de Psalmen uit de Oude Berijming wordt nu gebruik gemaakt van Op Toonhoogte en Weerklank. Een misschien nog wel veel grotere verandering is dat het bezoek aan de kerkdienst terugloopt, zeker in de middag- of avonddienst. Omdat gemeenteleden overstappen naar een andere gemeente of het belang van kerkdienst niet meer inzien en makkelijker wegblijven. In veel gemeenten zijn ook spanningen rondom de koers van de gemeente. Of conflicten tussen gemeente en predikant.

Secularisatie?
Zijn dat tekenen dat de secularisatie nu ook in de kringen van de Gereformeerde Bond is aangekomen? Afgelopen donderdag en vrijdag was er door de Gereformeerde Bond daarom een conferentie belegd om ervaringen uit te wisselen en elkaar toe te rusten. We lazen ter voorbereiding een artikel uit 1996 over Godsverduistering en ademnood. Op de eerste dag werd Godsverduistering nog wel genoemd, maar ik kreeg de indruk dat het vooral de sfeer van de jaren-’80 opriep en dat daarom het woord niet door iedereen werd overgenomen. Het woord ademnood raakte wel meer een snaar. Al werd niet uitgelegd wat er met die ademnood werd bedoeld en kon iedereen zijn eigen ervaring er aan koppelen.

Kwetsbaar voor nostalgie
De opzet, waarbij er nogal eens teruggeblikt werd op de afgelopen decennia, maakte de aanpak kwetsbaar voor een vorm van nostalgie. Al werd ons voorgehouden dat het voor de Gereformeerde Bond nu echt tijd is om de secularisatie te gaan verwerken en de gevolgen niet weg te lakken onder een vroom vernis. Er werd teruggegrepen op de discussie dr. H. Berkhof – ds. G.  Boer, waarbij deze keer gezegd werd, dat ds. Boer het punt van Berkhof over de opkomende secularisatie niet aanvoelde.

Grote woorden
Om de tijd te duiden werd er een grote lijnen getrokken en grote woorden gebruikt. Persoonlijk had ik liever gezien dat navraag gedaan werd in hoeverre de verschijnselen die door godsdienstsociologen en cultuurfilosofen werd opgemerkt ook in de gemeenten spelen. Kun je er vanuit gaan dat die verschijnselen, zoals transcendentieverlies, onttovering van de wereld, natuurwetenschappelijk wereldbeeld echt ook impact hebben op de gemeenten? Er zullen gemeenten zijn, waarbij die effecten gemerkt worden.

Ongelijktijdigheid
Door mijn rol als voorzitter van de classis Hattem en betrokkenheid bij de Generale Raad van Advies heb ik gemerkt dat er een grote ongelijktijdigheid is: wat in de ene regio speelt, speelt in een andere regio helemaal niet. Sinds ik predikant ben iets ten oosten van het midden, valt mij op dat vanuit dit deel van het land (en ik vermoed dat het voor het noorden niet anders is) er een andere kijk op Nederland is. Ik krijg de indruk dat dit ook voor kerkelijk Nederland geldt. Ontwikkelingen in het oosten van Nederland zouden wel eens anders kunnen zijn dan in het westen.

Ik bedoel niet persé rooskleuriger: in de Achterhoek hebben de gemeenten het net zo moeilijk als in Noord-Holland. Toch is in bepaalde streken van het oosten God onderdeel van het dagelijks leven. Hij hoort er gewoon bij. Net als kerkgang. Al ga je zelf dan misschien niet meer, je ouders gaan nog wel. Al zijn je kinderen misschien niet meer gedoopt, ze gaan nog wel naar een christelijke basisschool. Mijn ervaring is dat in het oosten er nog volop een structuur is om naar de kerk terug te keren als je afgehaakt bent. In het westen van Nederland is die structuur voor een groot deel verdwenen, waardoor mensen die kerkgang weer op zouden willen pakken niet weten waar ze moeten beginnen.

Ademnood
In de afgelopen dagen heb ik me ook de vraag gesteld: wat zegt het over ons als predikanten dat we ademnood krijgen in deze tijd? In de lezingen en in de wandelgangen werd er vooral gekeken naar de cultuur die verandert en de gemeenteleden die zich door die veranderingen in de luren laten leggen. Een enkele collega gaf aan: die secularisatie werkt ook in mij. Houden we onszelf niet teveel buiten schot als we bepaalde ontwikkelingen in de cultuur en in de kerk duiden als ademnood of zelfs als Godsverduistering? We lazen een artikel van Herman Oevermans van tevoren, waardoor de toon eigenlijk al somber was ingezet.

Teveel menselijke zekerheid
Wat was er gebeurd als we een artikel gelezen hadden van A.A. van Ruler over God en de chaos? In dat artikel zegt Van Ruler, dat God onze zekerheden omver kan werpen omdat het menselijke zekerheden zijn. Zou er in de kerk in de afgelopen decennia ook niet teveel menselijke zekerheid zijn geweest? Bijvoorbeeld door te denken dat de secularisatie ons niet kan raken, omdat we de Schrift en de Belijdenis hebben, omdat we orthodox genoeg zijn? Is dat niet eerder een vorm van struisvogelpolitiek geweest? Waarom hebben we in onze kringen niet geleerd van de achteruitgang in gemeenten met een heel andere ligging? Waar was de betrokkenheid op de classis of in de werkgemeenschap op gemeenten, die het in de afgelopen decennia reeds zwaar te verduren hadden?

Niet op voorbereid
In de 12,5 jaar dat ik nu predikant ben, heb ik veel gepreekt in kleine gemeenten, waarbij de jongste kerkganger in de 60 was. Daarbij heb ik altijd het besef gehad, dat deze ontwikkeling ook in kringen van de Gereformeerde Bond zou kunnen komen. Wat me vooral als vraag bij bleef, is waarom zijn we daar niet op voorbereid?
Dat geldt ook voor mijzelf. Ik kwam uit het kerkelijke Veenendaal in Noord-Holland terecht, waar de kerk anders was. Dat gaf een grote cultuurschok, waar ik niet op voorbereid was. Daarnaast begon ik net na de fusie van de PKN, waardoor alle structuren eigenlijk zo goed als weg waren. Omdat ik net uit een andere kerk kwam, had ik ook niet zelf een netwerk waar ik op kon terugvallen. Dat gebrek aan netwerk en die cultuurschok waar ik niet op voorbereid was, deden mij enorm twijfelen.

Twijfel
Nu had ik al een enorme twijfel, maar die werd behoorlijk versterkt. Achteraf heb ik die twijfel leren duiden als eenzaamheid. Niet dat ik binnen de gemeente geen contact had. Gelukkig genoeg fijne contacten en ik heb er een mooie tijd gehad en veel beleefd. Het vrije paste me meer dan een strakke structuur in een plaats met vaste kerkelijke kaders, maar had ook duidelijke schaduwkanten voor mij.

Predikant in zo’n context
Wat mij in die tijd had kunnen helpen, was een duidelijke visie op de rol van predikant in zo’n context: bezig met de Schrift, sensitief voor de omgeving, serieus luisterend naar de aanvechtingen, maar toch ook een geloof dat het alles in Gods hand ligt en dat ik daar niet voor niets ben. Eugene Peterson had me kunnen helpen. Al leerde ik die later pas kennen. Monastieke gewoonten, zoals een gestructureerd geestelijk leven had me kunnen helpen: gewoon doorgaan, al stormt het in je hart vanwege alle aanvechtingen. Wat me ook had kunnen helpen is een visie op wat gemeente en liturgie: hoe kun je een kerkdienst houden als je met 10 – 20 mensen bij elkaar bent in een oude, monumentale kerk? Wat betekent dat voor het zingen en voor de preek? Hoe maak je kinderen vertrouwd met kerkliederen en psalmen als ze dat niet op school leren?

Zwaarmoedigheid als ongeloof
Een theoloog die mij in die tijd hielp was Christian Möller. Hij hielp mij om gewoon als predikant mijn taak te doen en de kerk, hoe klein ook, kerk te laten zijn. Hij hielp mij ook om kritisch naar mijzelf te kijken. Hij leerde mij, dat Schwermut scheert langs het ongeloof. Voor mijzelf heb ik geleerd dat zwaarmoedigheid zelfs ongeloof is: je vergeet dat er een God is die alle dingen nieuw kan maken. Ten diepste wantrouwen: je gelooft niet dat God het kan of zal doen. Een van de pijlers van het werk van Möller is de zondeleer en de vraag van Anselmus: besef je wel hoe ernstig de zonde is?

Van nature geneigd
Daarbij kijk je niet naar anderen maar naar jezelf. Je hebt anderen nodig, die je op de zonde in jezelf te wijzen, omdat je voor jezelf de schijn ophoudt dat je gelovig bent. Daardoor heb ik geleerd om de Catechismus op mijzelf toe te passen: Ik ben van nature geneigd om God en mijn gemeente te haten. Dat ik dat niet doe, is genade. Ik mag het ook niet doen, want dan komt de oude mens boven. Het moet een gevecht zijn als ik kritisch zou zijn op de gemeente om eerst naar mijzelf te kijken: kijk ik wel goed? Duid ik wel goed? Want als onze beste werken met zonde bevlekt zijn, geldt dat ook voor mijn duiding van de tijd en voor mijn kijk op de gemeente.

Verwachting dat God er zal zijn
In de loop van de jaren dat ik rondpreek heb ik een hoge waardering voor de kerk gekregen. Op onverwachte plekken komen mensen bij elkaar in verwachting dat God er ook zal zijn. Ik deed in Purmerend diensten in verzorgingstehuizen. Er waren er tien aanwezig, waarbij de jongste aanwezige 86 was. Als 28jarige predikant ging ik voor in die diensten op donderdagmiddag. Ik nam een cd met koormuziek mee, zodat de dienst niet afhankelijk was van de ielige stemmen. Bij een andere verzorgingstehuis kwam ik aan en bleek er op een rooms-katholieke viering gerekend te zijn. Er kwam echter geen pastoor, maar een predikant. De viering gebeurde toch maar op de katholieke manier. De hostie werd in de wijn gedoopt en uitgedeeld, waarbij ik zei tegen de aanwezigen: Dit is het lichaam van Christus voor u. In het rondpreken heb ik gemerkt, dat er zelden meer iemand uit gewoonte naar de kerk komt. Mensen die komen willen iets van God gewaarworden. In de liederen die ze zingen. In de preek die ze horen.

Op zoek naar gereformeerde bevinding
Sinds enige tijd ben ik bezig met K. Schilder, K.H. Miskotte en O. Noordmans. Schilder en Noordmans waren in hun tijd op zoek naar een gereformeerde bevinding, een eigentijdse gereformeerde mystiek. Ook Noordmans gaf aan, dat het niet meer op de traditionele manier kon en dat men weer moest beginnen bij de Schrift. Ik denk dat het eigen is aan gereformeerde bevinding: dat je steeds opnieuw moet beginnen. Geloof, Bijbel, aanwezigheid van God, bevinding – dat is niet iets dat je ‘hebt’, je moet het steeds ontvangen en zoeken. En vormen hebben, die dat zoeken vormgeven. Vormen die de aanvechting een plek geven, maar wel op zo’n manier dat je door die aanvechting groeit naar een tweede naïviteit. Ik ben nooit echt zonder twijfel geweest. Ik heb me geregeld afgevraagd waarom juist ik predikant moet worden. Soms denk ik dat het is juist omdat ik steeds besef dat ik het niet ‘heb’. Alleen heb ik wel moeten leren, dat ik daarin niet moet blijven steken. Dat is niet mijn roeping, niet mijn taak.

Ontzaglijk ruime wereld
Als ik mijn exegese doe, betreed ik in een ontzaglijk ruime wereld, waarin mijn hart niet altijd mee kan komen, maar waarin ik wel merk dat God daar is. Aanvechting heeft de neiging om je hart daarvoor te sluiten, maar wekt ook een sterk verlangen naar God. Vanuit de exegese, waar je soms net als Petrus, Johannes en Jakobus mag zien hoe Christus van gedaante verandert, moet je weer naar beneden, met je preek de gemeente in. Dat blijft wel behelpen. Want welke woorden kunnen weergeven wie Christus is?

Vitaliteit
Terugkijkend op de conferentie denk ik, dat voor mij in ieder geval aanvechting weer op de agenda staat. Samen met volharding. En zelfonderzoek. Al zijn die thema’s nooit echt weg geweest. En dan vooral: wat betekent het om als predikant, die de aanvechtingen kent, toch oog te blijven houden voor wat God in deze tijd doet? Welke vormen heb ik, die mijn aanvechting serieus nemen, maar ook weer verder leiden? Welke mensen zijn mij voorgegaan en gaan mij die weg mee? In de afgelopen jaren ben ik me steeds meer bewust geworden van de gereformeerde traditie, omdat die zowel de aanvechting en de volharding, als het zelfonderzoek en het oog voor de mensen, die God je geeft om je heen, leert.

Preek zondag 9 december 2018

Preek zondag 9 december 2018
Hebreeën 12:12-29
Tekst: vers 22

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn eerste jaar als predikant had ik een ervaren collega-predikant als mentor.
Met hem voerde ik een aantal gesprekken,
waarmee hij mij begeleidde in mijn eerste tijd als predikant.
Tijdens een van de gesprekken vertelde hij hoe hij onlangs in het ziekenhuis was geweest
om een gemeentelid te bezoeken.
Dat gemeentelid was niet meer aanspreekbaar, lag in coma of werd in slaap gehouden.
Terwijl hij daar aan het bed zat en wilde bidden,
zei een verpleegster: ‘Dat hoort ze toch niet.’
Waarop deze collega-predikant naar boven wees en zei: ‘Maar Hij hoort het wel!’
Ik heb vaak aan deze opmerking – ‘Maar Hij hoort het wel!’ – gedacht,
als ik zelf bij het bed van iemand stond, die niet aanspreekbaar was.
Ik dacht dan aan die opmerking omdat er tegenstrijdige gedachten door mij heen gingen:
Als ik nu bid, hoort God mij
en tegelijkertijd merkte ik dat het niet makkelijk was om te bidden
als ik in mijn eentje aan het bed stond van iemand die slapend gehouden werd.
Ik heb het dan vaak tegen mijzelf moeten zeggen: ‘Maar Hij hoort het wel!’
om mij eraan te herinneren dat je zelfs in een ziekenhuiszaal
waar iemand is die niets van je verneemt te beseffen dat je toch voor Gods aangezicht sta.

Ik merk wel vaker dat het besef er niet altijd is, dat je als gelovige voor Gods aangezicht sta
En dat je op de plek waar je bent te zien bent en te horen voor God
En dat je helemaal niet zo ver van Hem verwijderd bent, al is Hij in de hemel.
Ik merk dat bijvoorbeeld als ik op bezoek bij een gezin met kinderen over de vloer.
Als ik vertel dat ik ga lezen uit de Bijbel, kijkt zo’n kind dan heel vreemd op:
We hebben toch niet gegeten?
Ik merk het als het gesprek gaat over een kerk,
waar verwacht wordt dat je als vrouw een hoed draagt.
Als er dan gemopperd wordt dat er verwacht wordt dat je een hoed op hebt,
terwijl je dat in je eigen kerk niet gewoon bent om te doen,
vraag ik altijd: Is je ook verteld waarom je een hoed op zou moeten doen?
‘Ja het staat in de Bijbel.’
‘Waarom staat het in de Bijbel? Wat is daar de betekenis van?’
Alle keren dat het gesprek over dit onderwerp ging, heb ik gemerkt
dat wel de regel is verteld, maar dat nooit het waarom van die regel is verteld.
Een van de redenen is dat je daarmee laat zien: Ik kom voor een heilig God.
Nu is een hoed al lang niet meer voorgeschreven in onze wijk,
maar we kunnen niet zonder het besef dat we verschijnen voor God die heilig is.
Daar is eerbied en ontzag (vers 28) voor nodig.
In de kerkdienst komen we als zondige mensen voor een heilig God
Het stil gebed is bedoeld als voorbereiding, dat je weet: ik kom voor God te staan.
En het lezen van de Tien Geboden herinnert ons eraan
Dat we alleen voor de Heere kunnen komen, als onze zonden afgewassen zijn,
als we gereinigd zijn door het bloed van Christus en we vergeven hebben ontvangen.
De Amerikaanse schrijfster Annie Dillard schreef eens:
‘Waarom doen wij kerkmensen alsof we toerist zijn
en bezig zijn met een een georganiseerde busreis op weg naar de heilige God?
Ik kom geen christenen tegen, behalve christenen die met vervolging te maken hebben,
die voldoende beseft in wat voor een omstandigheden wij verkeren.
Heeft iemand ook maar het flauwste besef
van de soort macht die we zo blijmoedig aanroepen?
Het is dwaasheid dat vrouwen hoeden en hoofddeksels dragen naar de kerk.
We zouden er met z’n allen beter aan doen om valhelmen te dragen.’
Want onze God is een verterend vuur. (vers 29)

In de gemeente waaraan Hebreeën is gericht als brief of als preek
is ook het besef verdwenen dat ze hebben te maken met de grote, heilige God
en dat ze elke dag dag voor Zijn aangezicht leven, in Zijn nabijheid
En dat ze elke keer als ze als gemeente samenkomen voor Zijn troon in de hemel komen.
Ze zijn de indrukwekkende Griekse en Romeinse tempels gewend,
Waar ze naar toe gingen voordat ze tot geloof gekomen zijn
waar je als je daar binnenstapt onder de indruk raakt van de grootsheid
en dat je beseft: ik stap hier de wereld van de goden binnen.
Nu ze in de Heere Jezus Christus geloven komen ze bij elkaar in een huiskamer
waar hun bijeenkomst niet de grootsheid, de allure van zo’n tempel heeft.
Als er een feest was, die te maken had met een van de goden,
was de hele stad in rep en roer en werd er al dagen naar het feest uitgekeken
en was er tijdens dat feest een grote menigte op de been
en werd er met veel feestvreugde het beeld van die god door de stad gedragen.
Sinds ze afscheid hebben genomen van die goden en tot geloof zijn gekomen,
hebben ze niet zulke groots gevierde feesten
en komen ze in kleine kring bij elkaar, zonder dat het opvalt in de stad,
om stil te staan bij het kruis op Golgotha, de opstanding uit de dood
en zeggen ze tegen elkaar: ‘De dag is nabij waarop Hij terugkomt!’
Ze komen nog wel bij elkaar, al komt niet iedereen meer,
maar de passie van de eerste liefde is er lang niet altijd meer.
Het is een gemeente die crisis verkeert.
Ze zeggen het nog wel tegen elkaar: Hij komt terug, maar het duurt allemaal zo lang.
Zal Hij nog wel komen?
En ondertussen zien ze mensen afhaken.
Het zou best eens kunnen gaan om de jongeren van de gemeente,
die in de afgelopen jaren zijn opgegroeid binnen de gemeente
En die zo’n bekeringservaring missen, die hun ouders wel hebben gehad.
Die door de ouders meegenomen zijn naar deze kerk,
maar bij het opgroeien dachten: dit is wel van onze ouders, maar niet voor ons.
Geef ons maar dat vroegere leven, met die indrukwekkende tempels
waarbij je bij binnenkomst echt merkte dat je in de wereld van de goden kwam.
Geef ons maar die groots gevierde feesten, waaraan de hele stad meedoet,
behalve dat kleine groepje christenen dat niet mee kan doen
en hun eigen feesten hebben, die in kleine kring worden gevierd,
omdat niemand op de hoogte is van die feesten en omdat ze Christus niet kennen.

Als je ziet dat de eigen kinderen afhaken en je vrienden met wie je optrok wegblijven
dan moet je het wel heel hard tegen zichzelf zeggen: je komen toch voor God
elke keer als we als gemeente bij elkaar komen, als we bidden,
als we luisteren naar de woorden die uit de Schrift gelezen worden,
de enige God die er is
en de goden van die tempels en die feesten, ze zijn maar niets – wij hebben de levende God!
Al die bijzondere ervaringen in het geloof die je hebt gehad,
tijdens een kerkdienst, tijdens een catechisatie, tijdens een avondmaalsviering,
het kan zo maar weg zijn, het kan je zo maar niets meer zeggen, iets van vroeger zijn
als het niet meer gaat binnen de gemeente, als je ziet dat anderen wegblijven.
In plaats van tegen jezelf te zeggen: “Maar Hij hoort het toch!”
ga je denken: Ziet God mij nog wel en weet Hij wat ik doormaak.
In plaats van je voor te bereiden op de ontmoeting met de levende God, de heilige God,
Schepper van hemel en aarde, de enige God die er is,
De God die deze gemeente in het leven heeft geroepen en onderhoudt,
in plaats van je voor te bereiden op het verschijnen voor Gods troon in de hemel
ga je denken: komen ze nog wel? Hoeveel zullen er nu wegblijven?
Er moet wat gebeuren, want zo gaat het niet goed.
Als dat je gaat beheersen, dan ga je vergeten dat je met God te maken hebt
en dat het leven een reis is naar het hemelse Jeruzalem
en dan vergeet je jezelf aan te sporen (zoals dat klinkt net voor we avondmaal vieren):
Laten we onze harten opwaarts heffen in de hemel, waar Christus Jezus is
onze Voorspraak bij de hemelse Vader.
Hoe krijg je dat geloof weer terug, dat Hij je hoort en ziet?
Hoe komt dat vertrouwen weer terug, dat er een dag komt
waarop onze Heer verschijnt op deze aarde?

Bij de christenen die nog maar net tot geloof gekomen waren
gebeurde dat door middel van een brief, of wellicht een preek
die aan deze gemeente werd gericht,
een brief of preek waarin de stem van God zelf doorklinkt
en de gemeente aanspreekt: zowel aanmoedigend als confronterend.
Weet je wel waar je staat?
U bent genaderd tot de berg Sion, en tot de levende God, tot het hemels Jeruzalem.
Wat kijk je nu naar de tempels van de Griekse en Romeinse goden,
met de grootsheid die ze uitstralen, waarmee ze indruk willen maken?
Zie je niet dat je dicht bij een plek bent, die nog veel indrukwekkender en grootser is?
De stad waar God zelf woont?
Kijk vooruit, nog maar even, je kunt de stad van God in de verte liggen,
zo dicht bij is die stad.
Hou nog even vol, zet nog even door, want je bent er bijna!
En elke keer als je bidt of als gemeente samenkomt, dan sta je al even binnen in die stad,
waar God zelf is, waar Zijn troon staat.
Niet een aardse stad met een aardse tempel, maar de hemelse stad,
Waar je met de Heere zelf te maken hebt, je staat dan voor Hem!

Confronterend is de aanspraak ook: Als je nu opgeeft, raak je alles kwijt.
Als je weer terug verlangt naar dat oude leven, toen je God nog niet kende,
Wees niet als Ezau, die een mooie positie had:
De oudste zoon was hij en zou het grootste deel van de erfenis krijgen.
De meeste bezittingen van zijn vader zou hij erven en bovendien de zegen van God.
Maar die bevoorrechte positie als erfgenaam en ontvanger van Gods zegen
verkocht hij aan zijn jongere broer Ezau en raakte  daarmee alles kwijt.

Het is een aanspreken van de gemeente om de gemeente weer in beweging te krijgen
op de weg naar de eeuwige bestemming, naar de stad van God.
Het is nog niet te laat! Kom in beweging!
Hef de slappe handen en strek de knikkende knieën.
Hier wordt een beeld van een sporter gebruikt die geen geloof heeft in de eindoverwinning.
Iedereen die op een sport zit, of dat nu voetbal is of volleybal of tennis
weet dat als je van tevoren al geen geloof hebt dat je zult winnen
of als je tijdens de wedstrijd het geloof kwijt raakt dat je nog kunt winnen
dan ga je verliezen, want je speelt niet meer met overtuiging.
Het lukt niet meer, de energie is sneller op,
je voelt de pijn in je lichaam opeens, die je weg zou drukken als je geloofde
dat je de tegenstander toch nog zou kunnen verslaan, al is de tegenstander nog zo sterk.
Juist als je niet op je best speelt, je voetbalt, volleybalt zonder overtuiging
kun je jezelf blesseren, kun je de wedstrijd niet uitspelen, omdat je geblesseerd uitvalt.
Hoe krijg je het geloof weer terug? Hoe krijg je de passie weer in je?
Toegepast op het geloof in Christus: Hoe komt die eerste liefde weer in je boven?
De passie die je eerder in je voelde waardoor je voor Christus ging,
het vertrouwen waar je eerder door gedragen wordt?
Het lijkt erop dat je jezelf moet oppeppen: Geloof het weer!
Zoals een sporter zichzelf tijdens de wedstrijd onder handen moet nemen: Kom op, gaan!
Er klinken ook steeds oproepen: weer in de starthouding,
pak wel de goede weg, die naar het hemels Jeruzalem
en laat je niet verleiden van die weg af te gaan, want dan blesseer je je juist
en kom je niet bij de finish in het hemels Jeruzalem aan.
En toch, het is niet iets dat we alleen moeten doen.
Juist nu moet je je eraan vasthouden: “Maar Hij hoort het wel.”
De kracht die nodig is om in beweging te komen, komt van God
God geeft de kracht om in beweging te komen, om verder te gaan.
God geeft genade – je hoeft het niet alleen te doen
en het is niet alleen je eigen kracht en je eigen geloof,
waarmee je je voort moet slepen.
God geeft die kracht, waarmee je geloof vernieuwd wordt,
kracht om weer te gaan op de weg naar die eeuwige bestemming.
Tijdens belangrijke wielrenwedstrijden speelt het eten een belangrijke rol:
het eten voordat je aan de wedstrijd begint

Als ze opstaan begint hun dag met een goed ontbijt. Vaak bestaat dit uit havermoutpap met vruchten, rozijnen of noten. Vervolgens krijgen ze omelet, maar kunnen ook kiezen uit rijst en brood. Er zijn ploegen die hun eigen brood maken, dit is een heel droog brood dat veel energie oplevert.Tussen het ontbijt en de race blijven de wielrenners eten. Meestal zijn dit kleine snacks, dit kan variëren van winegums, noten, smoothies of groentesappen. Bij iedere ploeg of renner kan dit anders zijn.

Ook tijdens en na de race is het eten belangrijk
Want als je niet goed eet tijdens de race, kun je hongerklop krijgen, de man met de hamer.
Je kunt niet meer meekomen, je valt stil, omdat je geen energie meer hebt.
Als je na afloop van de race niet de juiste voeding eet, kun je de volgende koers niet aan.
Ook voor een pelgrim die onderweg is naar de hemelse bestemming
is het van belang om de juiste voedsel te krijgen.
Naast voeding is de juiste coaching vooraf en tijdens de wedstrijd nodig.
Dat zijn allemaal facetten die nodig zijn in het geloof:
De juiste voeding voor en tijdens de race naar het hemels Jeruzalem
om daar aan te komen bij de finish in de stad van God.
De kracht en de begeleiding komt van God
en Hij geeft mensen om je heen die je begeleiden en aansporen.
God is een verterend vuur
– als je afhaakt, als je niet verder kunt zijn de gevolgen aangrijpend,
maar als je gelooft en wilt gaan, dan is God in je het vuur dat je aandrijft om te gaan.
Om zo aan te komen bij het hemels Jeruzalem,
waar God, waar de duizenden engelen feest vieren
samen met degenen die hier op aarde geleefd hebben en reeds aangekomen zijn
na de aardse reis, die voor hen ook niet altijd makkelijk was,
maar waarbij ze steeds bedachten: “Maar Hij hoort het!”
“Hou vol, Hij komt er bijna aan!” “Het duurt niet lang meer voor Hij verschijnt!”

Ik zet mijn treden in Uw spoor,
– Het is een psalm die velen met hun belijdenis gezongen hebben –

Opdat mijn voet niet uit zou glijden.

Wil mij voor struikelen bevrijden,

En ga mij met Uw heillicht voor.

Ik roep U aan, ‘k blijf op U wachten
Amen

Preek jeugddienst – No more slaves

Preek jeugddienst – No more slaves
(nav Johannes 8:31-36)

Elke tiener droomt wel eens om het helemaal zelf voor het zeggen te hebben.
Tien dingen die je kunt doen, als je geen last hebt van ouders, een leraar, of…
Nee, laten we zo maar niet beginnen, want dan moet ik beginnen met “hey mensen…”

Maar je hebt er vast wel over nagedacht, wat je zou doen
als er geen regels waren, die volwassenen je opleggen.
Geen moeder die tegen je zegt dat je je mobiel weg moet doen,
of op tijd naar bed moet gaan.
Geen vader die je vraagt of je je huiswerk wel hebt gemaakt.
Geen school met regels, docenten en huiswerk,
maar zelf bepalen wat je doet.
Wat zou jij dan doen?

Je kunt laat naar bed, lang uitslapen, afspreken met wie je wilt,
gamen, hangen, werken wellicht. Niets moet, want je bent zelf de baas.
Of misschien was je vakantie ook zo en moet je er niet aan denken
dat over een week de school al weer begint,
voor de meesten van jullie toch een slavenbestaan.
Het hele seizoen door hoor ik jullie niets anders dan zuchten
als het over school gaat.
Zo zelf bepalen wat je mag, wat je doet: een heerlijk leven toch?

Het kan ook zijn dat je denkt:
Wat moet het heerlijk zijn als er geen regels zijn van God.
Als ik helemaal mijn eigen leven kan bepalen, zelf kan doen waar ik zin in heb,
zonder dat ik rekening hoef te houden met iemand anders, ook niet met God.
Zou je dat wat lijken, zo’n leven?
Misschien droom je ervan: lekker vrij zijn, geen gezeur aan mijn hoofd.
Ik wil niemands knecht zijn, zelfs niet van God, wat de kerk, wat mijn ouders ook zeggen.
Eigen baas over mijn eigen leven.

Is dat nou een vrij leven?
Stel dat je daarvoor kiest, om helemaal eigen baas te zijn
en van niemand iets aan te trekken en zelfs aan God niet en niet aan Zijn regels houdt.
Word je daar gelukkig van?
En wat zou je dan doen?
Misschien alles kijken op YouTube of Netflix, wat er ook maar te kijken valt
en vooral die filmpjes die je niet mag kijken, omdat er in gevloekt wordt,
of seks in voorkomt.

Of drinken, paor neemn, lekker dronken worden.

Of op een heel andere manier losgaan: een brommer opvoeren en lekker crossen
zonder dat je moeder bezorgd aan je vraagt of je wel voorzichtig zult doen?
Genieten, alleen maar genieten.
Wat al die dingen samen hebben, is dat je geniet van het leven op dit moment.
Niet nadenken aan straks als je je ouders ziet, of als je met een kater wakker wordt,
niet nadenken als je aangehouden wordt door de politie
of met een gevaarlijke manoeuvre op de brommer onderuit gaat.
Niet nadenken dat je je straks schaamt als je naar seks of porno hebt gekeken,
maar alleen aan  het spannende, opwindende gevoel dat je hebt als je kijkt.

Ben je dan wel echt vrij? Of is er iets anders in je dat de baas is?
Een soort stem in je die zegt: doe het.
Of een soort verslaving: je kunt het niet tegenhouden, daarom moet je het doen.

Soms kan een verslaving er zijn, omdat je voor iets wilt weglopen.
Je bent eigenlijk helemaal niet zo gelukkig, omdat je het idee hebt
dat niemand naar je kijkt en niemand echt om je geeft.
Je gaat dan drinken, in de hoop dat anderen je stoer vinden en zo jou aandacht geven.
Dan ben je niet vrij, maar dan is er iets anders sterker in je:
Een verlangen dat anderen je zien, je opzoeken, je opnemen in de vriendenkring.
Je bent dan ook niet jezelf, maar doet iets om erbij te horen.
Maak je je dan eigenlijk niet een slaaf?
Je denkt vrij te zijn, maar je bent niet vrij, een slaaf
omdat je dan niet meer echt jezelf bent
en je doet dingen, die je eigenlijk niet wil, waarvan je ook weet dat ze niet goed zijn,
maar doet om erbij te horen.

Je kijkt naar seksfilmpjes, omdat het spannend is,
of om er met anderen erover te kunnen praten, erover op te scheppen
dat je ook wat weet, of mee kunt fantaseren over hoe geweldig het is.
Maar als je niet meer kunt stoppen met kijken, hoe vrij ben je dan?
Dan zijn die filmpjes de baas over jou
zeker als je door die filmpjes alleen nog maar naar het lichaam van meisjes kijkt
en daarover fantaseert, dan beïnvloedt het je op een verkeerde manier.
Je kunt slaaf zijn, zegt de Heere Jezus, terwijl je denkt dat je vrij bent.
Je kunt slaaf zijn van de zonde: je bent niet meer zelf eigen baas over je leven,
maar er is een macht in je, de zonde, die ervoor zorgt dat je iets doet dat niet bij God past.
Je hebt niet meer de controle over jezelf,
er is iets in je sterker, een soort verslaving, je moet het doen.
De zonde is een macht in je die de controle overneemt.

Net als bij een telefoon of een Facebook-account die gehackt is.
Dan gebeuren er dingen die je niet wilt.
Er verschijnen rare berichten of je kunt je telefoon niet meer gebruiken.
Zo zou je met zonde ook kunnen zeggen dat je gehackt bent:
Je functioneert niet meer, zoals God je bedoeld heeft
Want Hij heeft je bedoeld om eerlijk te leven, trouw en betrouwbaar te zijn,
niet roddelen over ander, niet achterbaks, anderen geen pijn willen doen maar juist steunen.
Maar door de zonde, die je gehackt heeft, ga je dat juist doen:
anderen pijn doen, omdat je alleen maar denkt aan jezelf,
aan je eigen plezier, als je zelf maar geniet,
Als jij je plek in de groep maar hebt, ook al gaat dat ten koste van anderen.
Het zorgt ervoor, dat je de grenzen op gaat zoeken,
want je zou wel eens weten waarom je niet naar die filmpjes mag kijken,
je gaat eens occulte dingen uitproberen, want als het niet mag, kan het juist spannend zijn,
en wat geeft het nou als je naar een Fright Night op Halloween gaat in een pretpark, spannend toch? Of dat je lekker weggriezelt bij een horrorfilm?
Maar wat doet het met je?
Als het de deur openzet naar een wereld,
die duister is, waar je niet in aanraking mee moet komen,
omdat het een deur opent naar een wereld die gevaarlijk kan zijn.

Met zonde is het zo: je gaat eerst op een verleiding in,
omdat je denkt dat het spannend is, dat je wat beleeft wat je eigenlijk niet mag beleven,
of je denkt dat je het wel aan kan,
of je hebt het nodig om jezelf beter te later overkomen
en daarvoor moet je zorgen dat ze slecht over anderen gaan denken.
Maar die verleiding wordt sterker en wordt de baas over je en het verandert je, je karakter:
maakt je gemener, oneerlijker, zorgt dat je allerlei leugens gaat vertellen,
dat je dingen gaat verzwijgen, omdat je het niet meer durft te vertellen.
Er is iets sterker in je: de zonde – slaaf van de zonde.
Ieder die de zonde doet, is slaaf van de zonde.
En dat doen hoeft niet zichtbaar te zijn, kan ook onzichtbaar voor anderen,
van binnen in je hart, zonder dat iemand het weet.

Hij zegt dat ook nog eens tegen mensen die veel met God bezig zijn,
die trouw naar de kerk komen, Bijbel lezen
die in Jezus geloven (of misschien moeten we zeggen: geloofd hebben).
Dat je met Jezus bezig bent, naar de kerk gaat, of catechisatie,
is geen garantie dat je vrij bent.
Slaaf – je komt er niet meer vrij van. Zoals een hack moeilijk te bestrijden is.
Je bent het stuur kwijt. En ook het contact met God kwijt.
Het lijkt een mooi leven, prettig leven, maar alleen voor de korte termijn,
of anderen denken dat je een mooi leven hebt, je kunt helemaal losgaan
en zijn misschien wel jaloers, maar van binnen voel je je niet gelukkig,
omdat je weet, voelt: zo hoort het niet, het moet anders.

Je kunt maar op één manier vrij worden: door Jezus.
Daarom waarschuwt Hij de mensen ook.
Hij doet dat niet uit leedvermaak, of om te laten zien dat Hij zelf zonder zonde is.
Nee, Hij weet, dat we – als we slaaf zijn, slaaf van de zonde –
uiteindelijk ongelukkig zijn, want er is iets of iemand in ons leven de baas
Die dat niet hoort te zijn.
Alleen Jezus hoort dat te zijn. Dan word je vrij
en in plaats van slaaf wordt je kind – kind van God.
En moet je zien wat het verschil is: Een slaaf is wel in huis, maar voor de klusjes.
Bij de maaltijd, bij feesten merk je dat een slaaf er niet echt bij hoort.
Een kind wel: mag aan tafel zitten, mag meevieren, hoort er helemaal bij.
Als je gelooft in de Heere Jezus, maakt Hij je vrij
en meer nog: je bent dan niet alleen maar een iemand die vroeger slaaf was en nu vrij is,
maar je maakt promotie: van slaaf die vrijgemaakt moest worden
naar kind, zoon of dochter van God. Je hoort er echt helemaal bij, bij God.
Alleen als je bij Jezus blijft.
Als je Hem niet inruilt voor die andere macht, opnieuw slaaf maakt.
DAt kost strijd – bij Jezus blijven, Zijn woorden doen!
Verder, dat wij ons van de wereld afkeren, onze oude natuur doden en in een nieuw, godvrezend leven wandelen.  En wanneer wij soms uit zwakheid in zonde vallen, moeten wij niet aan Gods genade twijfelen en ook niet in de zonde blijven liggen. De doop is immers een zegel en ontwijfelbaar getuigenis dat wij een eeuwig verbond der genade hebben met God.

De doop laat zien dat God ons als kind wil hebben.
Vanaf het moment dat ik in mijn moeders buik groeide, voor ik geboren ben,
hebt U mij uitgekozen om Uw kind te zijn.
Uw liefde riep mij bij mijn naam.
Ik ben opnieuw geboren,

No longer slaves

Ik ben niet langer een slaaf, die bang moet zijn, maar Uw kind.
Dat betekent niet, dat je niet meer mag genieten.
Integendeel: God heeft de wereld geschapen, zodat wij ervan kunnen genieten
en als ervan genieten, prijzen wij God.
We mogen alleen niet meer genieten van de zonde, van wat verkeerd is,?
want dat brengt ons bij God vandaan, en zorgt ervoor dat we geen kind meer zijn.
Dan loop je alles mis wat God je wil geven – dat is niet nodig
je hoeft geen slaaf te zijn, maar mag kind van God zijn.
Amen

 

Preek zondagmorgen 29 april 2018

Preek zondagmorgen 29 april 2018
Bevestiging ambtsdrager
Openbaring 20

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In de afgelopen week bij de voorbereiding van dit hoofdstuk
kwam ik tegen dat van alle gedeelten uit het Nieuwe Testament
de uitleg van dit hoofdstuk, Openbaring 20, het meest omstreden is.
Er is geen gedeelte uit het Nieuwe Testament, waarbij de uitleg zo veel van elkaar verschilt.
Toen ik dat las, begon ik te aarzelen:
had ik er goed aan gedaan dit gedeelte voor zondag uit te kiezen?
En dat nog wel met een bevestiging van een ambtsdrager, van een jeugddiaken, erbij.

Ik was al wel even bezig geweest en als ik een ander gedeelte zou kiezen,
zou het voorbereidende werk dat ik al gedaan had voor niets zijn geweest.

Al die verschillen in uitleg hebben te maken met twee vragen:  (1) Wanneer? (2) Hoe?
Wanneer zal het gebeuren dat de engel uit de hemel neerdaalt
om de de tegenstander van God op te sluiten? Of is dat al gebeurd?
Wanneer is dat moment aangebroken dat Christus zal regeren,
samen met de gelovigen –  en dat voor duizend jaar?
Of is dat moment reeds aangebroken en leven wij nu in dat tijdperk?
En dat moment dat de satan weer wordt vrijgelaten – wanneer zal dat zijn?
Of leven we in dat tijdperk, dat de satan weer is vrijgelaten?

En dan die tweede vraag: Hoe zal dat koningschap zijn?
Is het echt duizend jaar? Of staat die duizend voor iets anders?
En zal het een koningschap in de hemel zijn? Of ook op aarde?
Vragen genoeg bij Openbaring 20.

Laten we ons startpunt nemen bij het begin van het hoofdstuk:
Johannes die te zien krijgt in een visioen dat er een engel uit de hemel daalt.
Deze engel heeft in zijn hand de sleutel van de afgrond.
Deze afgrond is beter bekend met de naam hel, de plek waar de satan hoort.
Deze engel heeft nog meer bij zich: ketenen om de satan te binden, voor 1000 jaar.
Heel het Nieuwe Testament is er maar één moment, waarop de satan wordt gebonden:
dat is Golgotha, het moment dat Jezus stierf aan het kruis.
Daar, op dat moment werd de satan verslagen en geboeid.
Dat pleit voor het kruis als startpunt van het rijk van Christus.
Elke uitleg die zegt dat het rijk van Christus nog moet komen,
gaat eraan voorbij dat het allerbelangrijkste aan het kruis is gebeurd.
De overwinning is behaald, satan een nederlaag toegebracht.
De macht die hij nog heeft, om te vernietigen, om te verleiden,
is slechts macht die hij nog heeft bij de gratie van God.
Juist dat is de reden voor degenen die zeggen
dat het duizendjarig rijk van Christus nog moet komen:
omdat in deze tijd de duivel nog zijn gang kan gaan, om te bedreigen en te verleiden,
hij gaat rond als een brullende leeuw, zoekend wie hij kan verslinden.

Maar gaat het wel om het wanneer, hier in dit gedeelte?
Dat klinkt gek, juist ook bij zoveel discussie over het wanneer,
maar ik denk, al lezend in Openbaring en ook in dit hoofdstuk,
Dat het moment waarop het gebeurt niet zo belangrijk is.
Openbaring is namelijk geen programmaboekje voor de toekomst,
Zoals er voor Koningsdag een programma opgesteld is, van uur tot uur
en daarbij aangegeven welke activiteiten er verwacht kunnen worden.
Steeds als er over de toekomst gesproken wordt, kijkt Johannes ons tussendoor steeds aan:
En hoe zit het met jou? Hoe zit het met jouw trouw aan Christus?
Is aan jou te merken dat jij in deze wereld anders bent?
Denk aan de brief aan de gemeente van Laodicea:
Wijn die werd afgekoeld, of juist werd opgewarmd
– dat hoort een christen te zijn: afwijkend van de wereld waarin je leeft.
Maar wijn die lauw geworden is, daar zit geen smaak aan
En het verschil met de omgeving is weg.
Hoe zit het met jouw geloof? Wat kan aan jou gemerkt worden dat je van Christus bent?
Steeds als Johannes iets over de toekomst te zien krijgt en dat doorgeeft
gaat het erom, hoe wij in het hier en nu ervan afbrengen.

In dit hoofdstuk lijkt die aansporing te ontbreken, maar vertelt Johannes wel
dat hij ziet dat de boeken geopend worden,
waarin de gelovigen geoordeeld worden naar hoe ze hebben geleefd
en hoe ze het geloof in praktijk hebben gebracht,
Wat er terecht gekomen is van die trouw in de praktijk van het alledaagse leven.
Dat is geen directe aansporing, maar wel indirect:
het doet ertoe wat je met je leven hebt gedaan.
Het is belangrijk dat in je christenzijn ook in praktijk brengt.
Dat is niet iets dat je even kunt nalaten, maar dat hoort er werkelijk bij.
Dat is nu juist de trouw die gevraagd wordt, dat je je houdt aan Gods geboden.
Jeugddiaken: geloof helpen in praktijk brengen,
om jongeren daarbij te helpen, te begeleiden, aan te spreken
Dat is niet alleen een verantwoordelijkheid voor een jeugddiaken,
maar voor de gehele gemeente.

Als Openbaring dan niet zo zeer een programmaboekje voor de toekomst is,
Waarom geeft Johannes de beelden over de toekomst die hij in visioenen krijgt door?
Om aan te geven dat het ook zin heeft om trouw te blijven,
want al merk je dat de duivel bezig kan zijn, zijn macht is beperkt.
Door God beperkt.
Want in de hemel is er namelijk een sleutel van de afgrond, van de hel,
Waarin de duivel opgesloten kan worden,
zoals een krijgsgevangene, die overwonnen is, opgeborgen wordt.
Of iemand in voorarrest wordt geplaatst,
in afwachting op het vonnis dat uitgesproken gaat worden.
Op de deur waarachter de duivel wordt opgeborgen,
waar hij de gelovigen niet meer kan bereiken, waaruit hij ook niet kan ontsnappen,
wordt ook nog eens een zegel aangebracht
om aan te geven dat alleen vanuit de hemel de toestemming gegeven kan worden
om die deur te openen en de gevangene vrij te laten.
Al die duizend jaar dat hij wordt opgesloten, verandert hij niets
en wanneer hij vrij gelaten zal gaan worden, zal hij opnieuw de strijd oppakken,
de strijd tegen God. En ook de kerk bedreigen.
Wanneer dat niet radicaal uit de wereld gebannen zal worden,
zullen er steeds slachtoffers vallen, gelovigen die gevaar lopen
hun trouw aan Jezus met de dood te moeten bekopen.

Johannes krijgt te zien dat de gelovigen die trouw waren tot in de dood
dat niet tevergeefs waren.
Want dacht de boze, dacht het wereldrijk Rome de gelovigen klein te krijgen
Door ze ter dood te brengen, te vervolgen, onder druk te zetten
en leek het erop dat de boze macht daarin succes had
doordat hij onder de gelovigen slachtoffers kon maken,
Nu de satan is opgeborgen, komen degenen die gestorven zijn voor hun Heer
weer tot leven.
Zij die het met hun leven moesten bekopen, krijgen het leven van Christus terug.
En in plaats van dat ze uitgeschakeld zijn, monddood gemaakt, weggewerkt,
worden ze in ere hersteld
En juist de macht die hen zo kwelde wordt uitgeschakeld, voorgoed,
Duizend jaar!
Een van de vragen bij dit gedeelte is of we die duizend jaar letterlijk moeten nemen.
Dat is nog maar de vraag, want een jaarrekening als wij hadden ze nog niet.
Ze rekenden veel meer in perioden, bijvoorbeeld waarin een bepaalde keizer regeert.
Dan zouden wij leven in de tijd dat Willem-Alexander leefde.
Of men herinnerde een ingrijpende een gebeurtenis: zoveel jaar na de oorlog,
Of de tijd waarin de aardbevingen in Groningen waren begonnen.
Duizend jaar is meer dan een getal, meer dan een tijdsaanduiding.
In de Bijbel is ook de uitdrukking “tot in het duizendste geslacht”.
Gaat het erom, dat dit exact duizend generaties verder is?
Het gaat bij die uitdrukking om het definitieve: Elke generatie die volgt, voor altijd.
Nooit houdt het op.
Met taal heb je vast wel de “overtreffende trap” geleerd: het hoogste, het beste,
meer, hoger, beter is er niet.
Duizend – dat is de allesovertreffende trap.
Op de regering van Christus volgt niets anders,
zoals in een van de geloofsbelijdenissen: Aan Zijn rijk zal geen einde komen.
Na die duizend jaar is de heerschappij van Christus niet voorbij,
nooit zal de macht van Christus voorbij zijn. Voor altijd koning.

Wanneer? Nu of in de toekomst?
Maakt dat eigenlijk uit, of dat nu of in de toekomst gaat gebeuren?
In de Tweede Wereldoorlog zal er over nagedacht zijn,
hoe het met Nederland moest na de oorlog.
Zolang de oorlog niet voorbij was en er delen van Nederland bezet
Heb je er niet zoveel aan, als je zoveel tijd besteedt aan het opbouwen van Nederland
als er weer vrede gekomen is, als je daarbij vergeet te strijden in, gedurende oorlogstijd.
Zo is het ook met het nadenken over wanneer dat zal gebeuren:
Wanneer je daarbij vergeet, dat gevraagd wordt om te strijden voor Christus,
om trouw te zijn aan Gods geboden, om het in praktijk te brengen,
schiet het zijn doel voorbij.
Maar in die strijd kan het wel inspiratie geven, moed geven
als je weet dat je het ergens voor doet, als je een visioen hebt, een droom hebt,
de droom van een vrij Nederland.
En het helpt ook als je weet dat buiten het bezette gebied, in Engeland, een regering is.
Dat er, ondanks dat er een bezetting is, toch wordt doorgeregeerd.
Zo moeten we, naar mijn idee, ook het visioen van Johannes zien:
Er wordt geregeerd. De regering is buiten bezet gebied, in de hemel.
Dat moment van de duizend jaar die geregeerd worden, kunnen ook nu al zijn, las ik ergens,
met Christus in de hemel en de kerk bij Hem in Zijn heerlijkheid die meeregeert,
De kerk die in vrijheid is aangekomen.

Waar het om gaat, is dat dit visioen laat zien, dat de bezetter eens moet inbinden
en zijn macht al kwijt is.
Dat hij ons niet kan verleiden als God dat niet wil.
We bidden in het Onze Vader: Leid ons niet in verzoeking.
God is bij machte het gevaar van de boze, zijn invloed op ons leven tegen te gaan.
Ons te beschermen, omdat de boze al krijgsgevangen gemaakt is, overwonnen.
De overwinning is reeds binnen, reeds behaald.

Dit visioen dat Johannes te zien krijgt, is het zesde visioen.
DAt zesde visioen staat voor de climax, de ultieme confrontatie:
Erop of eronder – ja niet voor God, Hij heeft alle macht
en zal die macht ook nooit meer kwijtraken.
Nee, erop of eronder voor de boze.
Wil hij nog slagen, dan moet hij nu zijn, een laatste stuiptrekking, een laatste oprisping.
Maar steeds als de zesde fase is aangebroken,
of dat nu de zesde schaal is, de zesde bazuin of hier het zesde visioen,
wordt getoond hoe de boze onderuit gaat, hoe machtig zijn leger ook is,
hoe sterk hij zich ook wapent.
Bij het nadenken over het duizendjarig rijk moet het daarom niet gaan
over het wanneer en hoe, al zijn dat voor ons begrijpelijk wel belangrijke vragen,
maar gaat het veel meer om: bevinden we ons op dat zesde moment? Is dat onze tijd?
Dan merken we op aarde dat de macht van de boze toeneemt,
de boze een laatste kans waagt, nog één keer wil opstaan, een laatste krachtinspanning.
Maar tegenover de korte tijd dat de boze daarin slaagt,
staat de duizend jaar, de eeuwigheid van Gods overwinning.
Tegenover de doden die vallen voor het geloof, staat de opstanding van hen
en zij die vielen, zij die geknecht en vertrapt werden, worden in ere hersteld.
De boze heeft hen er niet onder gekregen.
Hooguit tijdelijk, door ze in de dood te sturen.
Maar voor wie gelooft is de dood niet het einde,
maar betekent dat het binnengaan in Gods heerlijkheid
en zij die niet opgewassen waren tegen de macht van de satan
mogen nu zien hoe hun Heer de boze voorgoed vastzet, en zelfs vernietigt
en zij mogen regeren, mee-regeren met Christus.
Christus keert de verhoudingen om: wie onderligt komt boven,
En wie heerst wordt neergeslagen,
Wie onderdrukte, zal overwonnen worden, voorgoed, definitief, het is gedaan.
In die tijd leven wij.
Wees niet bang voor wie het lichaam kunnen doden, zij kunnen de ziel niet doden
en als ze je doden, dan wekt Christus je op en mag je overwinnen.
In Hem zijn we meer dan overwinnaars.
Dan krijgen ze je er nooit meer onder, hoe de boze zich ook zou roeren.
Wie opgestaan is, hoeft niet meer nog eens op te staan, niet nog eens de dood in te gaan.
Er is maar één opstanding.
Zalig en heilig is hij die deelheeft aan de eerste opstanding. Over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen  priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen regeren, duizend jaar lang.
Ambtsdrager-zijn heeft daar iets van weg,
van het priester zijn, maar dan hier op aarde, nog in de onvolmaaktheid,
volop in de strijd, misschien zelfs ooit hier met bedreiging en tegenstand,
maar koningen zullen we zijn, ook de gemeenteleden die geloven en blijven geloven,
niet om hier op aarde te heersen,
maar omdat we mogen delen in Christus’ overwinning.
Daarom krijgt de boze er ons nooit onder
en daarom mogen we ons er ook nooit onder laten krijgen.
Hier op aarde zijn we allereerst priester – dienstbaar aan God,
dienstbaar aan de gemeente, aan elkaar, als jeugddiaken aan Christus, aan de jongeren
zodat je – voor wat in je macht ligt, een kleine bijdrage mag leveren
dat de jongeren van de gemeente ingeschreven staan in het boek van het leven.
Natuurlijk, dat kun je niet, dat is wat Christus doet.
Maar je mag hen daar op wijzen, je mag het hen voorleven, hen uitdagen.
Samen met de rest van de gemeente,
priesters van God en van Christus zijn, en zij zullen met Hem als koningen regeren, duizend jaar lang
Amen

Opmerking: Na afloop van de preek hoorde ik dat de uitleg over 1000 jaar de suggestie met zich meebracht dat er geen wederkomst meer zal zijn. Die zal er zeker zijn. Zie oa Openbaring 22.

Preek zondagmorgen 22 april 2018

Preek zondagmorgen 22 april 2018

Openbaring 19:1-10
Bediening Heilige Doop

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste doopouders

Een bijzonder moment om hier vanmorgen in de kerk te zijn met je kind.
Het is al bijzonder om vader en moeder te mogen worden,
Dat is al een gebeurtenis, zo bijzonder, dat geeft zoveel vreugde en dankbaarheid.
Dat als zo als je voor het eerst vader en moeder wordt,
maar ook als je dat voor de tweede keer wordt is de vreugde, de dankbaarheid niet minder.
En dan mag je vanmorgen je dochter, die je van God hebt ontvangen
weer bij Hem brengen, in Zijn handen leggen.
Een bijzonder moment ook voor de opa’s en de oma’s om dit te mogen meemaken.
Of het nu het eerste kleinkind is, of je al verschillende kleinkinderen hebt:
het blijft bijzonder om te zien dat je eigen kind zelf ook vader of moeder wordt
en het is ook mooi om te zien dat ze met hun kind zelf ook bij het doopvont staan,
misschien zelfs hetzelfde doopvont waar u zelf ook gestaan hebt
en als het in een andere kerk is dan is het toch ook bemoedigend om te zien
dat je eigen kind zelf ook doorgaat in de weg van de Heere.

Ook voor ons als gemeente is de doop van kinderen steeds weer bemoedigend.
Het doet altijd iets met de gemeente, de doop van kinderen.
De betrokkenheid van u als gemeente, bijvoorbeeld door het feliciteren na de dienst,
maakt steeds ook weer indruk op de doopouders.
Ik hoor dat ouders ook vertellen die hier voor in de kerk hebben gestaan
met hun kind voor de doop en na afloop van de dienst in het koor
hoe bijzonder het is dat al die gemeenteleden, dat u, de moeite neemt om te feliciteren.
Daarmee geeft u aan, dat ook zij bij de gemeente horen.

Er is niet alleen dankbaarheid bij de geboorte van een kind.
Je voelt ook de verantwoordelijkheid die je als ouders hebt
voor het kind dat aan jou is toevertrouwd.
Verantwoordelijk naar je kind toe, maar ook naar de Heere toe.
Om het op te voeden, om het voor te gaan, om het te vertellen over Christus.
Een verantwoordelijkheid die je al hebt gekregen vanaf de geboortedag,
een verantwoordelijkheid die je nu nog eens extra, in het openbaar uitspreekt
voor God en voor Zijn gemeente.

Je kunt ook zorgen hebben over de toekomst.
Aan de ene kant geniet je nog zo van het kleine van je kind, al is dat er al snel af,
Aan de andere kant kun je al vooruit denken: Wat zal er van mijn dochter terechtkomen?
Hoe zal het leven van haar zijn? Wat zal ze allemaal meemaken?
Zal zij ook de steun en betrokkenheid van een kerkelijke gemeente hebben,
zoals jullie die mogen ervaren, of zal er voor hen geen gemeente meer zijn?
Wat zal de doop in haar leven uitwerken?
Zal ze gaan geloven?
Zal ze later – als ze zelf kinderen mag krijgen – ook bij een doopvont staan
om haar eigen kind in de handen van Christus te leggen,
zoals het met haar ook gebeurde?
Het is immers niet meer vanzelfsprekend in deze tijd om te gaan geloven.
Een groot deel van de kinderen die nu geboren worden, worden niet gedoopt
en groeien op zonder kennis over Christus.

Is er een tijd geweest waarin het gemakkelijker was om op te voeden als ouders
en om als kind op te groeien
om als ouders te vertellen over Christus en als kind dat eigen te maken,
te geloven als kind en later zelfstandig de weg van Christus gaan?
Elke tijd heeft zijn eigen zorgen en verleidingen.
We zien dat ook in het Bijbelboek Openbaring.
Johannes gebruikt een scherp woord om aan te geven in welke tijd hij leeft:
Het is de tijd van de grote hoer.
In Openbaring gaat het steeds om sterke contrasten:
om God die regeert in de hemel en over de aarde die Hij geschapen heeft,
om Christus die naar de aarde kwam om te redden
en de mensen die in Hem geloven, zij zijn de bruid van Christus.
Er is ook de duivel die steeds voor het negatieve spiegelbeeld kiest, God nabootst.
Hier is de hoer het negatieve spiegelbeeld van de bruid van Christus.
Er is bewust voor dit scherpe woord gekozen, omdat het gaat
om een macht die zichzelf verkoopt aan de duivel,
om een macht die invloed uitoefent op de wereld:
mensen verleidt om bij God vandaan te gaan,
bijvoorbeeld door te kiezen voor het grote geld en zich alleen maar laten leiden
door het verlangen nog rijker te worden en daarvoor al hun principes overboord gooien.
of alles over hebben om de macht te krijgen en die macht behouden
en dat doen door te liegen, door de waarheid achter te houden,
nepnieuws en propaganda brengt en als dat niet werkt geweld gebruikt.

Om in zo’n wereld gelovig te zijn
als je ziet dat je vrienden alleen nog maar aan geld kunnen denken
en alleen maar nog rijker worden, desnoods over de rug van anderen.
Als je ziet dat degenen die de leiding hebben, de macht hebben
er niet op uit zijn om te dienen, om echt te leiden,
maar die macht alleen maar gebruiken voor zichzelf, voor hun eigen positie
en wie daartegen ingaat wordt gevangen genomen, uit de weg geruimd, voor schut gezet.
Om in zo’n wereld als christen je kind op te voeden,
Terwijl je weet dat als je kind het huis uitstapt er zoveel verleidingen op hem of haar afkomen
en als je kind niet meegaat met die verleiding, afzijdig blijft, er tegenstand komt.
Dat was de tijd waarin Openbaring geschreven werd.
Die tegenstand en die druk is er in onze tijd gelukkig niet, maar die verleiding?
Leven wij niet in een tijd waarin er allerlei verleiding op je kind, op jezelf afkomt?
In de wereld die in de reclame getoond wordt, die in films op je afkomt.
Als ouder kun je daar vaak nog wel doorheen prikken, maar je kind:
Wat pikt die ervan op? Wat blijft er haken en hoe werkt dat door op de band met Christus?
Door de doop zijn ze gewijd aan Christus, ze behoren Hem toe
en vanmorgen heeft Christus ook aan hen en aan jou als ouder het ook beloofd
dat Hij voor hen gestorven is en hun zonden zal vergeven
en is de belofte van de Heilige Geest gekomen, dat benadrukt: Ik zal in je kind werken!
Ik zal ruimte in haar hart maken voor Christus en haar hart bewaren voor Christus
dat er geen andere, geen verkeerde invloeden zullen komen.
Dat ze niet meegesleurd wordt, maar trouw blijft aan haar Heer!

Die trouw, daar gaat het om – trouw blijven aan Christus,
ondanks tegenstand, ondanks allerlei verleidingen die op je afkomen.

Daar heeft dat indrukwekkende geluid dat Johannes uit de hemel hoort mee te maken.
Een koor dat op een indrukwekkende manier ‘Halleluja’ zingt.
Het zijn degenen die al in de hemel zijn:
een vader of een moeder, die niet meer hier op aarde leeft, maar in Christus gestorven zijn,
Die zijn voorgegaan, een opa of een oma, een broer of een zus, een vriend, vriendin.
‘Halleluja’ zingt het koor.
Zal het in de hemel altijd zingen zijn? En als je dan niet van zingen houdt?
Dan moet je denken aan de bevrijding.
Het was vorige week 73 jaar geleden, dat Oldebroek werd bevrijd – 17 april 1945.
Op die dag en de dagen erna zal er feest gevierd zijn, gezongen, gedanst.
Zo klinkt in de hemel ook het lied van de verlosten, van degenen die bevrijd zijn: Halleluja!
Halleluja – het is een woord dat om instemming vraagt,
dat wij hier op aarde antwoorden door ook Halleluja te zingen, of te antwoorden met Amen!
Net als in de oorlog Radio Oranje werd uitgezonden om de mensen in Nederland
in bezet gebied moed in te spreken, zodat ze trouw bleven aan de koningin en het vaderland
Halleluja – houd vol: er komt een andere tijd, want Christus heeft reeds overwonnen
En al die verleidingen, de hoer, het negatieve spiegelbeeld van de duivel
is reeds overwonnen, is reeds veroordeeld.
Ze zingen het ons voor, de heiligen in de hemel, degenen die in Christus gestorven zijn,
die hier op aarde hebben geleefd: moeder of vader, zus of broer, vriend of vriendin,
al degenen die geleefd hebben in de wereld die bezet gebied was door de duivel
maar volgehouden hebben en aangekomen zijn: Halleluja.
De eerste begrafenis die ik meemaakte, was van mijn opa. Ik was een jaar of 12.
We zongen aan het einde van de dienst: ‘k Heb geloofd en daarom zing ik.
Ik geloof en daarom zing ik mee met dat lied.
We dragen iemand uit, die ons dierbaar is, maar we hebben het geloof
dat er een opstanding is, dat Christus is opgestaan
en dat de opa die nu gestorven is wel een plek krijgt op het kerkhof achter de kerk
maar eens dat graf weer zal verlaten, omdat Christus leeft, opstond uit de dood.
Zingen is een daad van verzet: in bezet gebied zingen van de Overwinnaar
die ons zal bevrijden, van wie we reeds zijn.
Daarom is ook dopen, net als zingen, een daad van verzet:
We wijden onze kinderen aan Christus, ze zijn apart gezet, voor Christus bestemd.
Een daad van verzet tegen de hoer waar Johannes over spreekt.
Ze zijn voor een Ander: voor Christus. Zo voeden we ze ook op.
Zodat ook onze kinderen meezingen, de groten en de kleinen:
Loof onze God, al Zijn dienstknechten en die Hem vrezen, de groten en de kleinen.
Zo voeden we ze op, dat ze meezingen: Halleluja, Amen!
Opdat ze Hem toegewijd zijn met waarachtig geloof, vaste hoop en vurige liefde.

Waarom gaat niet iedereen in verzet? Waarom zijn er mensen die zich toch laten verleiden?
Het is net als in de oorlog: er waren er ook die kozen voor de Duitsers, zelfs predikanten.
Die dachten: dit is de nieuwe tijd.
We moeten ons gewonnen geven: het is niet anders.
Of misschien zelfs: dit is de weg die Gód met Nederland gaat.
Voor hen geen verzet, maar juist banden aanknopen met de bezetter, meedoen.
Een rijk dat voorlopig blijft bestaan.
Een rijk dat duizend jaar zou bestaan, zo kondigde Hitler aan.
In de tijd van de christenen uit Openbaring was het Rome dat van zichzelf zei:
Wij bestaan voor altijd. Ze spraken over het eeuwige Rome.
Nee zingt het koor: Halleluja, alleen God is eeuwig
en dat eeuwige Rome is slechts een hoopje as, waarvan de rook voor altijd omhoog gaat.
Geen aardse macht begeren wij, die gaat alras verloren.
Verlangen naar macht is wedden op het verkeerde paard.
God is overwinnaar en je gaat – als je je tegen Hem keert – onderuit.
In Psalm 2 zijn er volkeren die onrustig zijn en in opstand komen tegen God
en dan zingt de Psalm: die in de hemel woont zal lachen.
Het lijkt indrukwekkend, het lijkt veel, maar vanuit de hemel is het om te lachen.
Het stelt niets voor. Halleluja. Waarom zou je je uitleveren?
Waarom zou je je ziel verkopen en wedden op de verkeerde macht?

Steeds weer dat koor uit de hemel, degenen die al verlost zijn, vol vreugde:
Halleluja, want de Heere, de almachtige God is Koning geworden.
Geen toekomstmuziek, maar nu al.
We leven in bezet gebied, en toch, er is een verschil met de tijd van de oorlog.
Er werd wel eens de vergelijking gemaakt: Golgotha is de D-day, de landing
en de Wederkomst de V-day, de dag van de wapenstilstand.
Dat gaat niet op, want vanaf 6 juni moest nog bijna een jaar gevochten worden
om de bevrijding te brengen en de macht van de tegenstander te breken.
Het kruis is de dag waarop de overwinning werd behaald,
De overwinning is zeker!
De ruimte die de tegenstander heeft, is alleen de ruimte die hij van God krijgt.
Waarom weten we niet, maar het geeft ons wel moed:
Hoezeer hij ook tekeer kan gaan, hoezeer hij ook verleidt
en net doet of hij alle macht heeft – die macht laat God hem
en die macht wordt de boze ook zo weer afgenomen, als God dat wil.

Tegenover die hoer staat een andere vrouw: de bruid.
Daarom dopen we, omdat we geloven dat Christus zijn kerk als bruid ziet.
Om haar als bruid te werven, kwam Hij ten hemel af.
En het is haar gegeven zich met een smetteloos en blinkend fijn linnen te kleden.
Maagdelijk, zonder zonde.
Wit is ook de kleur van de opstanding, van het leven in Gods heerlijkheid.
De bruid ziet er prachtig uit – wit en smetteloos, want gereinigd door het bloed,
een nieuw leven, opgestaan in heerlijkheid.
Opdat zij dit leven getroost mogen verlaten
en onbevreesd mogen verschijnen voor uw rechterstoel.

Vorig jaar preekte ik tijdens een doopdienst over Hanna,
die haar kind in de tempel bracht bij priester Eli.
Als de hoer ergens zichtbaar was, was dat juist daar in de tempel
bij de zonen van Eli: Hofni en Pinehas, die de dienst van God zo verkwanselden
dat de mensen de tempel gingen mijden.
Hanna bracht toch haar zoon, maar gaf hem iets, elk jaar weer opnieuw:
Een priestermanteltje: SAmuël, mijn jongen, jij bent anders, want jij bent van de Heere.
Dat manteltje als een bescherming, een herinnering.
Zo is de doop ook als dat priestermanteltje: kind, je bent van een Ander, van je Heer.
Voor jou is een andere toekomst weggelegd, als je trouw blijft:
Dat linnen kleed, smetteloos en blinkend van Gods heiligheid.
Het is een bescherming én een aansporing tegelijkertijd.
De bescherming van God: Ik ben er en Ik zal waken voor je kind,
Zoals Ik op Golgotha gestreden heb om ook haar vrij te maken.
En een aansporing ook: voor de kinderen, voor ons allemaal:
Trouw, trouw aan Christus. Twee kanten van het verbond.
God belooft – wij zijn verplicht tot een nieuwe gehoorzaamheid
zodat we hier op aarde al mee kunnen zingen
en later ons mogen voegen bij dat koor in de hemel,
dat koor van verlosten dat mag zingen voor haar Heer en Heiland,
De bruid die niet genoeg kan krijgen van haar Bruidegom Christus: Halleluja.

Het kan best een tijdje duren voor het voor hen of voor ons zover is,
Je zou kunnen zeggen: een lange verkeringstijd: Je hoort bij elkaar, je bent van elkaar,
maar de bruiloft laat zich om een bepaalde reden op zich wachten.
Niet omdat er geen liefde is, niet omdat je niets in elkaar ziet
en dan na een tijd is die tijd voorbij en ben je echt man en vrouw.
In die tijd, al ben je niet met elkaar getrouwd, blijf je elkaar trouw, blijf je elkaar zien,
blijf je bij elkaar horen.
Zo geldt voor ons het leven hier op aarde. Totdat we aankomen, tot de bruiloft aanbreekt
zijn we hier op aarde al van Hem, onze Heer en Heiland, onze liefste
en stemmen we mee in – voor zijn troon in de hemel en hier op aarde: Halleluja!
Amen






Preek zondagmorgen 15 april 2018

Preek zondagmorgen 15 april 2018
Openbaring 13

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ik zag …
Het is niet alledaags wat Johannes te zien krijgt:
Een beest, een monster dat oprijst uit de zee,
een beest dat op een panter lijkt, met poten van een beer, een bek van een leeuw.
Een draak die die aan dit beest de macht geeft.
Als het een film was, zou het op op zijn minst 12+ krijgen
vanwege de spanning en de dreiging,
of misschien zou het hele boek Openbaring wel vallen in de categorie horror.

Een aantal jaren geleden volgden wij met ons gezin een bijbelrooster
dat was opgesteld door het Nederlands Bijbelgenootschap.
Zes weken lang was het de bedoeling om Openbaring te lezen,
Van het begin tot het einde.
Halverwege zijn we met dit rooster gestopt, omdat er sprake was
van zoveel rampen die over de aarde komen,
een derde deel van de wereld verwoest, een derde deel van de mensen gedood.
Dat zal een reden kunnen zijn, waarom u dit Bijbelboek maar liever niet opendoet.
En als je dan toch doorleest, kom je heel wat tegen wat je niet zomaar begrijpt.
Daardoor kun je dit Bijbelboek links laten liggen.
In de afgelopen jaren heb ik uit Openbaring gepreekt,
maar dat waren altijd de wat meer begrijpelijke delen van dit Bijbelboek
en met een grote boog ben ik om die moeilijkere gedeelten heengegaan.
Als er een tijd is om dit Bijbelboek te lezen, is dat de tijd na Pasen,
want Johannes moet zijn visioenen aan de gemeente doorgeven,
om de gelovigen te leren wat het voor hun leven, voor hun concrete situatie betekent,
dat Jezus is gestorven aan het kruis en is opgestaan uit de dood.
Wat betekent het voor ons eigen leven, wat betekent het voor de wereld waarin wij leven,
dat Christus uit de dood is opgestaan, nu leeft, in de hemel is
en vandaar uit de hemel over ons regeert?
Het Bijbelboek Openbaring wil ons die geloven in Christus dat aan ons leren,
dat we dat bij alles wat ons overkomt, elke nieuwe gebeurtenis die ons overkomt,
dat we dat blijven geloven: in de hemel is Christus,
Hij regeert, Hij waakt over de kerk en mijn leven is in Zijn hand geborgen.

Dat doet Hij ook, als dat er niet op lijkt.
Als je woont in Syrië, waar geen einde aan de oorlog lijkt te komen,
en de manier waarop de oorlog wordt uitgevochten steeds weer onmenselijk is,
er zoveel strijdende partijen zijn, zodat je niet meer weet wie je moet steunen.
Als je woont in Jemen, waar ook net zo’n wrede oorlog is, in de armoede van Venezuela.
Als je opgesloten zit in de werkkampen van Noord-Korea,
in Ravensbrück, Mauthausen of Auschwitz.
Steeds weer blijken mensen voor elkaar de aarde in een hel te kunnen veranderen.
Juist dan, als je daar middenin zit, is het niet altijd makkelijk om te geloven,
dat Christus regeert, dat Hij overwonnen heeft, dat daarom alles op deze wereld goedkomt.
Dan lijkt het erop, dat een ander regeert,
de tegenstander van God, de duivel, die hier in Openbaring aangeduid wordt met de draak.
Hij heeft veel macht die draak,
macht om verwoesting op aarde te brengen, gelovigen te bedreigen,
een handige verleider, gewiekste bedrieger, die bijna alle mensen zover krijgt
in hem te geloven en hem te volgen.
en dan zul je maar gelovig zijn, geloven in Jezus Christus, Gods Zoon,
gestorven aan het kruis en opgestaan uit de dood,
geloven dat Christus regeert, samen met de Vader in de hemel
en je ziet dat iedereen om je heen kiest voor zijn tegenstander,
zich mee laat nemen, kiest voor het beest, de handlanger van de draak,
die zo veel mensen weet te verleiden om bij God weg te gaan
en zich te binden aan Gods tegenstander.

We kijken wel eens naar aantallen, tellen in de kerk, hoeveel mensen er zijn.
Vanmorgen in de Maranathakerk een volle bak, maar als het een avonddienst was…
Gemeenteleden die alleen nog maar meeluisteren met de kerkradio vragen dat wel eens:
Hoe is het kerkbezoek? Heb je nog wel een volle kerk?
Aan het zingen kunnen ze horen of het er veel zijn of weinig.
Johannes houdt het de gemeente voor dat ze niet raar moeten opkijken
Als het leeg wordt in de kerk of er geen instroom van buiten komt,
geen mensen zijn die geïnteresseerd in zijn het evangelie,
omdat het beest, de handlanger van de draak, Gods tegenstander,
bijna alle mensen die er zijn verleidt, wegtrekt bij God vandaan.
Je kunt dat niet altijd gebruiken als het leger wordt in de kerk
en toch moeten we er ook voorbereid zijn, dat het kan gebeuren
dat mensen eerder warmlopen voor iets dat hen bij God wegleidt
en daarom geen interesse hebben in het evangelie van Christus.
Dat kan ook gebeuren.
Dat is wel het doel, waarom de draak dat beest uit de zee laat opkomen
en macht geeft, om zoveel mogelijk te verleiden.
En daarom geeft Johannes het aan ons door,
Zodat u uzelf niet laat meenemen, niet laat inpakken, laat verleiden,
maar dat u trouw blijft aan Christus
En Johannes geeft het ook aan ons door dat we niet moeten gaan twijfelen
als we om ons heen zien, dat heel veel anderen geen interesse hebben in Christus
en een leven kunnen opbouwen, waarin geloof, waarin Christus geen plaats heeft.
Johannes wil ons leren dat die verleiding kunnen doorzien,
Dat we er niet intrappen, ons niet mee laten slepen, maar trouw blijven.

Ik zag …
Uit de zee komt een beest naar boven, het lijkt om een panter,
met berenpoten en een leeuwenbek.
De zee, dat is voor de christenen aan wie Johannes dit vertelt,
de zee waarop de Romeinse machthebber de havens van Klein-Azië komt binnenvaren,
de Romeinse consul, de Romeinse gouverneur, gestuurd uit Rome, over de zee.
Een indrukwekkend gezicht moet dat geweest zijn: de Romeinse vloot,
veel schepen bij elkaar, en dan als de schepen stuk voor stuk aanmeren,
De nieuwe machthebber, de nieuwe gouverneur, die in vol ornaat de boot afstapt,

een gebeuren om indruk te maken op de bewoners van die stad,
om de macht van Rome te laten zien, die ook hier in Klein-Azië gekomen is.
Maar Johannes ziet niet de nieuwe Romeinse gouverneur,
maar hij ziet een beest, uit verschillende dieren samengesteld,

komend over de zee.
De zee waaruit het beest opkomt, de zee waarover de Romeinse gouverneur komt,
De zee, die voor de Romeinen het beeld van hun eenheid was –
al het land om deze zee heen hadden ze immers veroverd.
In de Bijbel is de zee geen macht die eenheid brengt,
die landen samenbrengt, omdat je erover kunt varen,
maar de zee is vooral een macht die verwoest, bedrieglijk is,
je lijkt erover heen te kunnen gaan, maar onverwacht kan het stormen
en kunnen de golven slaan en toont het zijn macht om te vernietigen,
de schepen die erop varen kunnen vergaan, overstromingen houden huis.
Men dacht ook wel, dat in die zee een verschrikkelijk monster woonde,
een zeedraak als het ware, de Leviathan.
drie dieren – afkomstig uit een ander Bijbelboek – Daniël 7.
Daar in Daniël 7 zijn het 4 dieren, die elk een nieuw wereldrijk aangeven,
wereldheersers, waartegen niemand is opgewassen, die alles veroveren
en met geweld hun macht bewaren.
Nu bij Johannes schuiven die beelden van die verschillende rijken inéén.
Die eerdere rijken waren al huiveringwekkend:
wreed, machtsbelust, alles verpletterend, nietsontziend,
maar nu komt er een rijk, dat het ergste is van alles, dat de anderen nog overtreft,
in wreedheid en slechtheid,
maar de mensen hebben dat niet door, knielen neer, leveren zich uit
en verkopen hun ziel, maken zich slaaf, van dit beest.
Zij zien niet wat ze doen, maar jullie, gelovigen, wees alert en lever je niet uit,
blijf trouw aan de Heer die je bent gaan dienen,
ook al ben je een van de weinigen, al krijg je het er zelf moeilijk mee,
vanwege alle tegenstand die er kan komen.

Van de vier dieren uit Daniël 7 ontbreekt één dier: de adelaar
en juist dat was het symbool, dat Rome voerde en dat vast op de schepen was te zien,
Ik denk dat dit bewust is, om te voorkomen dat we gaan denken
dat er één bepaald rijk is, of één persoon is, die het is.
Maar dan kan de waakzaamheid verslappen, omdat we op één vijand voorbereid zijn
En ondertussen meegenomen worden door het beest
dat zich aan ons in een andere gedaante voordoet.
De ene keer toont het zich in de politiek,
zoals we terugkijkend over het Hitler en zijn regime kunnen zeggen.
Een andere keer als een economische ontwikkeling,
die ervoor zorgt dat mensen doordat het zo goed hebben God niet meer nodig hebben
en niet meer gered hoeven te worden door Christus’ dood en opstanding,
omdat ze hier op aarde al een goed leven hebben.

Waar het om gaat, is dat de duivel, de tegenstander van God, God nabootst, nadoet.
Als God zelf in Christus op aarde komt en mens wordt,
dan kan de duivel, de draak uit Openbaring, ook een gestalte op aarde brengen.
Als Jezus gekomen is, om de macht over de aarde weer terug te krijgen,
dan wordt dat nagedaan.
Als Christus na Zijn hemelvaart de Heilige Geest uitstort,
dan doet de draak dat na door een geest die verleidt te sturen.
De demonische drie-eenheid worden ze wel genoemd,
de draak en zijn beesten, de een uit de zee en de ander uit de aarde.
Het duivelse spiegelbeeld van God.
Ze presenteren zich als de redder, als degenen die geluk brengen,
maar zijn het niet, maar verwoesters.
Twee gezichten hebben die gestalten van de draak, die beesten die opkomen,
De een uit de zee en de ander uit de aarde.
Naar buiten toe vriendelijk, maar voor de gelovigen een verschrikking.
Als je niet meedoet, als je je niet gewonnen geeft, als je niet buigt,
dan ben je een bedreiging, dan hoor je er niet bij, dan moet je weg.
Het beest wordt de macht gegeven om te strijden tegen de heiligen,
een strijd tegen degenen die bij Christus horen.
Als je je hart niet geeft, omdat je hart al van Christus is
als je je knie niet buigt, omdat je voor geen andere Heer wilt knielen
dan die je geschapen heeft en aan het kruis en uit het graf heeft gered,
dan beland je in een oorlog met dit beest, een zware strijd, erop of eronder.
Kijk er niet van op als dat gebeurt, zegt Johannes, wees erop voorbereid.
Zorg dat je niet verzwakt, dat je overwonnen wordt.
Want met hoeveel macht dat beest ook op je af komt
en hoezeer je leven overhoop wordt gehaald en je haast bezwijkt onder de druk,
er is een houvast in de Heer die naar de aarde kwam en mens werd,
die niet kwam om te verleiden of te verwoesten, maar die kwam om te redden.
Als je naam geschreven staat in het boek des levens, dan blijf je behouden,
dan word je vastgehouden, dan sta je er niet alleen voor
En heb je de zekerheid in Christus.
Het gaat hier niet om hoe je in dit boek des levens komt,
maar dat als je er in geschreven staat, dat je dan mag geloven
Dat geen draak of beest, welk beest dan ook, dat geen duivel je kan wegroven.
Dat is de volharding van de heiligen: God bewaart je
en dan kun je niet terugvallen in de macht van de duivel, die immers verslagen is.
‘Maar God is getrouw, die hen in de hun eenmaal gegeven genade door zijn barmhartigheid bevestigt en tot het einde toe met kracht bewaart.’ (DL V,3)
God bewaart je en daarom kun je trouw zijn – Hij geeft de kracht.
God bewaart je, daarom moet je trouw zijn. Breng die trouw in praktijk.
Het is evangelie en opdracht inéén.
God bewaart je en tegelijkertijd moet je daar zelf ook aan werken.
Het komt hier aan op volharding en geloof.
Volharden – dat is volhouden, omdat je weet: God heeft het laatste woord,
ook over het beest dat zijn macht van de duivel heeft gekregen.
Niet opgeven, omdat je weet dat de overwinning al is behaald.
Volharden – dat is niet je niet mee laten slepen, al doen anderen om je heen dat wel.
Volharden en geloven – dat is dat je hart van Christus is en van Christus blijft.
Ook in de moeilijkste omstandigheden in je leven,
ook als het in je eigen leven of in deze wereld anders verloopt.
Ze zijn er geweest die hebben volgehouden, martelaren, die voor de leeuwen zijn gegooid,
Die naar concentratiekampen en strafkampen zijn gebracht.
Die druk hebben wij hier gelukkig niet.
En toch, christenen die leven in gebieden waar vervolging is,
die maken zich vaak meer zorgen over ons dan over zichzelf,
want bij hen laat het beest zich openlijk zien,
maar in de luxe en de welvaart kan hij zich ook voordoen, om ons in slaap te sussen
en zo mee te voeren bij Christus vandaan.
Wees op je hoede en geloof tegelijkertijd in de macht van God
die zichtbaar werd aan het kruis waar de draak werd verslagen,
Christus overwon en regeert, over deze wereld, over ons leven,
het heden en de toekomst is in Zijn handen
En Hij strijdt voor ons, gaat ons voor in de strijd.
amen