Kerk, leer van het voetbal!

Kerk, leer van het voetbal!

Afgelopen zaterdag was mijn zoon pupil van de week bij Owios (OverWinnen Is Ons Streven). Hij mocht de wedstrijd van het eerste bijwonen en kreeg daarbij een speciale behandeling. Ik ging met hem mee. Net als mijn oudste dochter, die keepster is bij Owios. De wedstrijd was de finale van de nacompetitie. Bij winst zou Owios in de tweede klasse blijven; bij verlies was degradatie een feit. De wedstrijd had alles wat voetbal zo mooi maakt.  Al werd er gezegd dat ze deze keer niet zo goed voetbalden, de strijdlust was er. Een doelpunt in de eerste helft en Owios was de bovenliggende partij. Maar een rode kaart voor een verdediger liet de wedstrijd kantelen. Twee opgelegde kansen werden door de spits van Owios gemist en in de laatste minuut werd de gelijkmaker gescoord. In de tweede verlenging, vlak voordat de beslissing door penalty’s genomen zou worden, werd het beslissende doelpunt gescoord. De winst werd gevierd alsof er gepromoveerd werd.
Tijdens de wedstrijd genoot ik dacht ook aan wat er voor mij als predikant te leren valt. (Daar denk ik ook vaak over na als ik op zaterdagmorgen langs de lijn sta om te kijken naar het spel van mijn dochter of zoon.) Het eerste wat mij opviel, was dat je bij binnenkomst direct kon merken dat er iets op het spel stond. De volgende morgen mocht in in mijn oude gemeente voorgaan in een avondmaalsdienst. Ik vertelde over de wedstrijd van gisteren en vroeg hen of zij gemerkt hadden bij binnenkomst dat er iets op het spel staat. Zijn ze bereid om net als een elftal dat strijdt voor blijven in de tweede klasse de strijd van het geloof aan te gaan. Toen het voetbal ruim een eeuw geleden opkwam waren de kerken enthousiast over deze sport. Ze zagen er een parallel in met de strijd van het geloof. Zoals een team strijdt voor de overwinning, zo hoort de gelovige vol passie de strijd van het geloof aan te gaan. Op die zaterdagmiddag zag ik verschillende gemeenteleden op de tribune, waarvan ik wist dat zij de volgende morgen in de kerk zouden zitten. Ik zag hun passie voor hun club en een betrokkenheid op het spel. Ze leefden mee alsof zij zelf op het veld stonden. Ik zag een jongere uit onze gemeente op de tribune. Hij had zich eens aangemeld voor belijdeniscatechisatie, omdat hij op een festival iemand gepassioneerd hoorde spreken over Jezus. Dat raakte iets bij hem en dat wilde hij ook. Aan het einde van het seizoen deed hij geen belijdenis, omdat hij die passie was kwijtgeraakt. Van hem leerde ik hoe belangrijk enthousiasme (als beleving) is en dat het mijn taak als predikant is om de gemeente enthousiast te maken en te houden voor Jezus.
Tijdens de wedstrijd hoorde ik de namen van de spelers: ‘Bennie! Bennie!’ Er werd erbij geroepen dat hij beter kon dan hij liet zien. De spelers zijn jongens van het dorp. Ze zijn bekend. Liever een klasse lager spelen dan een team met allemaal vreemden. Ook dat is een les, een les die ik kerkenraden geregeld voorhoudt: benader niet alleen de mensen die nieuw in de gemeente gekomen zijn voor ambtsdrager, maar zoek ook bewust gemeenteleden die hier hun wortels hebben, die de mensen hier kennen en de gewoonten snappen. Zij zijn soms beter in staat om met de mensen hier over het geloof te praten, omdat er een band is, waardoor de kerk niet een vreemd gezicht wordt, maar één van hen is.
Elke maandag en woensdag worden mijn dochter en zoon getraind en elke keer leren ze meer over voetbal: positiespel, overspelen, waar ze moeten staan, hoe ze anderen in het veld aansturen, hoe ze door blijven gaan al is de tegenstander nog zo sterk. Die training krijgen ze niet alleen van volwassenen, maar ook van jeugdspelers. Ik dacht bij mijzelf: misschien moet ik de catechisatie ook gaan benaderen als een training en moet ik mijn catechisanten niet vertellen over wat van hen verwacht wordt, maar moet ik ze ‘opleiden’, zodat zij hun positie in de kerk en in de maatschappij als ‘spelers’ van Christus kunnen innemen.

Verschenen in het Nederlands Dagblad

Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor

Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor

Vele mensen zitten deze weken voor de buis om het WK voetbal in Rusland te volgen. Voetbal kan de kerk helpen om te ontdekken waar hedendaagse mensen door gegrepen worden en waar ze helemaal voor kunnen gaan, zo is te lezen in Leidenschaft und Fussball.

Recensie

DSCN4298

In de jaren dat Nederland meedeed met een WK of EK Voetbal zocht ik ruim van tevoren het speelschema op om de wedstrijden die Nederland moest spelen in mijn agenda te vullen. Daarmee kon ik voorkomen dat er een kerkelijke activiteit of een vergadering gepland zou zijn op een dag waarop Oranje zou moeten spelen. Niet eens omdat ik zelf alle wedstrijden wil kijken, maar om gemeenteleden niet voor een dilemma te plaatsen waar ze prioriteit aan zouden (moeten) geven.

Voetbal heeft zo’n impact dat mensen er kerkdiensten of andere belangrijke bijeenkomsten voor laten schieten om de wedstrijd te kunnen volgen. Waarom heeft voetbal eigenlijk zo’n impact? En wat kan de kerk daarvan leren? Op deze vragen promoveerde de Duitse rooms-katholieke theoloog dr. Thorsten Kapperer. Kapperer is kerkelijk werker (Pastoralreferent) voor het bisdom Würzburg en jeugdtrainer.

Onlangs vertelde ik iemand uit mijn gemeente in Oldebroek dat ik een boek aan het lezen was over wat de kerk van voetbal zou kunnen leren. ‘Niets!’, zei hij direct, met een grijns op zijn gezicht. Hij had mij immers aangesproken over de club die ik volgde. Ik was bij iemand op bezoek geweest die enthousiast fan van Vitesse was. Daarom had ik aangegeven welke club ik volgde. Dat was in de ogen van degene die ik sprak niet de juiste club geweest… Ik had de club van de regio moeten volgen: PEC Zwolle.

DSCN4431

Orgelles
Ik ben zelf opgevoed met een duidelijke tegenstelling tussen kerk en betaald voetbal. Wedstrijden kon ik niet kijken, omdat we geen televisie hadden en de dominees waarschuwden ’s zondags op de kansel tegen ‘voetbal als afgod’. Amateurvoetbal mocht wel: mijn vader had gevoetbald en een paar broers van mij voetbalden. Ik ben mijn oudste broer altijd dankbaar geweest: omdat hij voor voetbal koos en daarom van orgelles af moest, kreeg ik de kans om op orgelles te gaan.

Thorsten Kapperer laat zien dat de kerken vanaf de negentiende eeuw enthousiaste supporters van voetbal waren. Zowel de Rooms-Katholieke Kerk als de protestantse kerken in Europa zagen in voetbal een manier om arbeiders en kinderen uit achterstandswijken  verantwoorde ontspanning te bieden. Het was volgens de kerk ook ‘een manier om hun emoties te kanaliseren’. De sport bood bovendien een mogelijkheid om de arbeiders, die in te kleine en verloederde huizen woonden, en vaak ongezond werk, een gezonde levensstijl aan te leren. Vandaar ook dat in het Ruhrgebied, waar vroeger veel mijnbouw was, er clubs ontstonden als bijvoorbeeld FC Schalke 04 en VFL Bochum.

Nog steeds organiseert het Vaticaan verschillende voetbaltoernooien, zoals toernooien voor priesters of voor daklozen. Voetbal werd in Engeland halverwege de negentiende eeuw opnieuw uitgevonden. Dat was in de tijd waarin er een massale migratie van het platteland naar de stad was. De voetbalclubs, die overal uit de grond schoten, boden een gelegenheid om zich te identificeren met de plaats waar ze nieuw waren komen te wonen. Het gaf een onderlinge verbondenheid aan degenen die door de verhuizing naar de stad ontworteld waren geraakt.
Kapperer is vooral geïnteresseerd in de impact van voetbal op mensen. Er zijn veel verhalen te vertellen van fans, die nog heel goed weten hoe zij de eerste keer een voetbalstadion bezochten en gegrepen waren door de sfeer. Voetbal werd hun leven.

Als voetbal zo’n impact heeft op mensen, is het dan geen godsdienst? Nee, zegt Kapperer duidelijk. Voetbal verleent fans een identiteit en een levensinvulling, maar er ontbreekt duidelijk een link naar het hogere, naar God. Er wordt wel vaak religieuze taal gebezigd wanneer op de wedstrijd teruggekeken wordt, maar dat gebeurt vaak op een ironische wijze. Hooguit kun je spreken van sporen van het heilige: in een cultuur, waarin velen geen binding hebben met een religie, kun je in voetbal iets opmerken van de functies die godsdienst voor mensen kan hebben: in de levensinvulling, in de beleving, in de rituelen rondom de wedstrijd. De beleving van voetbal komt in de buurt van een spirituele ervaring.
In een cultuur waarin velen de band met godsdienst zijn kwijtgeraakt, is het van belang dat kerken op zoek gaan waar zij zich bevinden. Voetbal kan de kerk helpen om te ontdekken waar hedendaagse mensen door gegrepen worden en waar ze helemaal voor kunnen gaan. Voetbal houdt de kerk en de maatschappij een spiegel voor en heeft zelfs een theologische betekenis, stelde emerituspaus Benedictus eens. Het ensceneert dé ambivalentie die er in onze cultuur ingebakken zit: dat alles maakbaar is en tegelijkertijd de ervaring dat zoveel onberekenbaar is.

Door betrokken te raken bij voetbal, kan de kerk actief worden in de wereld buiten de kerk. Het is een stap om theologisch narcisme tegen te gaan, waarbij de kerk alleen maar in zichzelf gekeerd is. Kapperer geeft verschillende voorbeelden: Predikanten en priesters die betrokken zijn bij een fanclub. Het bisdom Würzburg dat een eigen elftal heeft. De kapel in  het stadion van FC Schalke in Gelsenkirchen. Een mooi voorbeeld is ook een kerkendag die wordt gehouden in het stadion van Borussia Mönchengladbach. Deze club ging bijna ten onder, maar werd gered door een plaatselijke mecenas. De wederopstanding leidde tot de bouw van een nieuw stadion.

De overstap naar dat nieuwe, moderne stadion, dat nog niet de sfeer had van het oude op de Bökelberg, leverde vragen op over de toekomst van de kerk. Wat laat je achter, omdat het niet meer voldoet, terwijl je met het loslaten mogelijk wel aan sfeer verliest? Wat is er nodig om  in de nieuwe situatie net zo’n thuisgevoel te creëren als in de oude situatie? Zulke vragen zouden niet gesteld worden als de kerkendag niet in een voetbalstadion gehouden was.
De kerk kan van voetbal leren om een kerk voor werkelijk iedereen te zijn, stelt Kapperer. Meer dan de kerk weet het voetbal verschillende lagen van de bevolking aan te spreken. Voetbal kan ook een voorbeeld zijn in hoe jongeren binnen de eigen club worden getraind en gecoacht. Voor hun taak op het veld. Voor hun rol binnen de vereniging, als trainer van pupillen of als scheidsrechter.

Als ik als vader langs de lijn sta om de wedstrijd te volgen, waarin mijn oudste dochter keept of mijn zoon voetbalt, staat mijn eigen theologische reflectie niet stil. Geregeld denk ik dan na over wat er nodig is om een team te coachen, om bij een achterstand ze aan te sturen, om bij tegenslag ze te troosten of moed in te spreken. Om ze de normen en waarden van het voetbal aan te leren. De beste les van voetbal kreeg ik ooit van een gemeentelid. Haar kinderen waren afgehaakt van catechisatie. Ze sprak mij daarop aan en hield de plaatselijke voetbalvereniging mij als voorbeeld voor: ‘Nadat mijn jongens stopten met voetbal was er de volgende morgen direct iemand van de club die vroeg waarom ze stopten. Van de kerk heb ik nooit iemand gezien en ze zijn er nooit op aangesproken dat ze gestopt zijn.’

N.a.v. Thorsten Kapperer, Leidenschaft und Fussball. Ein pastoral-theologisches Lernfeld. Würzburg: Echter Verlag. 42 euro

Gepubliceerd in het Friesch Dagblad

Geen zin

Geen zin

DSCN4431

Afgelopen anderhalf jaar zat onze zoon op voetbal. Hij was een keer door een vriendje meegenomen naar een oefenles. Als ouders dachten we dat het geen vaart zou lopen. Toen we hem ophaalden, bleek hij fanatiek meegedaan te hebben en wilde hij niets liever dan op voetbal gaan. Het eerste half jaar was geen probleem: een uurtje op zaterdagmorgen en gratis omdat het kaboutervoetbal was. Aan het einde van het seizoen kregen wij te horen dat hij mee kon doen bij een f-team. Daarop draaide hij een heel jaar mee.

Zijlijn
Je doet daar langs de kant aardig wat mensenkennis op. Daarnaast was het leuk om elke zaterdag mee te gaan naar zijn wedstrijden. Een talent is hij niet. Als statistici zouden uitrekenen hoeveel balcontact hij had, zou het een laag aantal zijn. Scoren deed hij niet. Ook niet in de penaltyserie na afloop van de wedstrijd. Maar elke wedstrijd kon ik wel zien, wat hij op training had geleerd. Tijdens de training leerde hij veel en stak hij veel op. Bovendien ging zijn conditie met sprongen vooruit. En ik genoot ook van het plezier dat hij had.

DSCN4298
(training door soldaten ivm 200jarig bestaan Koninklijke Landmacht)

Maar dat jaar was ook lastiger dan hij van tevoren had bedacht. Want op woensdagmiddag moest hij trainen. Als met een vriendje wilde spelen, moest hij daar dus rekening mee houden. Op vrijdag moest hij op tijd naar bed, omdat hij de volgende morgen vaak vroeg moest spelen. Dit seizoen begon hij te mopperen. Wanneer hij op vrijdag te horen kreeg hoe laat hij de volgende dag moest spelen, riep hij: ‘Nee he, ik heb er geen zin in.’ Maar ’s zaterdagmorgens mopperde hij zelden. Op weg naar het voetbal was hij al volop met het voetballen bezig en tijdens de wedstrijden had hij het duidelijk naar zijn zin.

Stoppen
Aan het einde van het seizoen was het de vraag: gaat hij door of stopt hij? Mijn vrouw was van mening, dat hij moest stoppen want hij voetbalde met tegenzin en dat wilde zij niet. Zelf gaf ik aan dat hij tijdens de zaterdagen juist van het voetbal genoot. Je moest hem alleen op tijd meedelen wanneer hij moest voetballen. Dan kon hij zich erop voorbereiden. Mijn vrouw heeft gewonnen.

Kerkgang
Tijdens dit seizoen heb ik mij geregeld afgevraagd: gaat het met kerkgang ook zo? Dat de kinderen aangeven dat zij geen zin hebben om naar de kerk te gaan? Bij ons wel als ze horen dat ze mee naar de kerk moeten omdat er deze zondag geen zondagschool is. Ik vraag me dan af: Hoe gaat dat in andere gezinnen? Besluiten ouders dan om hun kinderen thuis te houden, omdat ze niet willen dat ze met tegenzin naar de kerk gaan? Nu is een kerkdienst op zondagmorgen een andere belevenis dan een voetbalwedstrijd op zaterdagmorgen. De overeenkomst is dat onze kinderen van tevoren mopperen, maar achteraf best prettig vonden om in de kerk te zijn.

Zwemles
Hij stopte omdat hij op zwemles ging. Maar of dat echt iets verandert? Afgelopen vrijdag haalde ik hem van school. Hij zou die middag naar zwemles moeten gaan, maar de zwemles ging niet door: ‘Gelukkig!’ zei hij, ‘want ik had helemaal geen zin in zwemles.’

Geschreven voor HWConfessioneel

Voetbal is een afgod: een Moloch

Noem voetbal een afgod en een groot deel van Nederland valt over je heen. Vooral de opmerking dat er gebeden moet worden om een nederlaag heeft voor beroering gezorgd.

De opmerkingen van ds. Kempeneers doen mij denken aan de opmerkingen over voetbal die ik vroeger in de preek hoorde. Dat voetbal een afgod is heeft mij nooit overtuigd. Voetbal slechts bij weinigen een impact op het leven die te vergelijken is met geloof.
Voetbal is daarom geen Baäl. Baäl was een echte concurrent van de HERE. Van de afgod Baäl verwachtte men die dingen die alleen de HERE kon geven: zegen, voorspoed, gezondheid, goede opbrengsten. Slechts weinigen gebruiken het voetbal op die manier.
De oranjekoorts past goed in deze tijd. De aandacht voor voetbal is een typische vorm van postmoderne religiositeit. Postmoderne religiositeit kan worden getypeerd als onderbreking van het dagelijkse leven. Deze onderbreking gebeurt door een belevenis, zoals het bezoeken van een voetbalwedstrijd in een land waar men anders niet zou komen. Of door het gezamenlijk kijken van wedstrijden. Deze vorm van religiositeit is niet bepalend voor de eigen identiteit. Men doet eraan als het uitkomt.
Postmoderne religiositeit is vooral een vorm van vrijetijdsbesteding, die kleur moet geven aan het verder saaie dagelijkse leven. Daarom doet men aan esoterie, leest men het blad Happinez, gaat men op pelgrimage, brengt men een bezoek aan Taizé. De oranjekoorts valt in deze categorie.
Tegelijkertijd kan postmoderne religiositeit wel een bepaald verlangen bevredigen. De oranjekoorts geeft even het idee dat het dagelijks leven gerelativeerd kan worden. Even geen serieuze dingen als politiek. Het dagelijks leven is al serieus genoeg. Rondom voetbal wordt ook het individualisme doorbroken. Voetbalwedstrijden worden vaak gezamenlijk bekeken. De behoefte aan gemeenschapszin kan worden vervuld. Er worden nieuwe mythen gecreëerd: de idee dat Nederland wereldkampioen kan worden bijvoorbeeld.
Was het WK alleen maar een vorm van postmoderne religiositeit zou het fenomeen niet door de kerken serieus genomen moeten worden. Naar mijn idee zitten de kerkmensen op zondag helemaal niet te wachten op positieve of negatieve opmerkingen over voetbal. Misschien gaat een groot deel wel naar de kerk om even uit het mediageweld weg te komen: eerst rondom de verkiezingen en direct daarna het WK.

Toch is voetbal minder onschuldig dan het lijkt en is voetbal wel degelijk een afgod. Geen Baäl, maar een Moloch. In de bijbelse overlevering wordt de Moloch beschreven als een god aan wie men de eigen kinderen offert. Dat is in Zuid-Afrika ook gebeurd: men heeft zich alle moeite getroost om het WK naar Zuid-Afrika te halen. Dat een groot sportevenement winstgevend is voor een land is echter een hardnekkige mythe. De kosten zijn voor Zuid-Afrika en de winst voor de FIFA. Alles wat de FIFA beloofde voor de economie te zullen doen is deze organisatie niet nagekomen.
Vandaag de dag presenteert de Moloch zich in grote projecten, waar niemand het overzicht over heeft: grote infrastructurele projecten (Betuwelijn, NoordZuid-lijn), militaire operaties (missie in Uruzgan). De Moloch gebruikt de gedachte van een rijdende trein, die niet meer te stoppen is. Wie de trein mist, loopt de winst mis. Het gewone volk wordt voorgespiegeld dat de economische opbrengst groot zal zijn. Als er die mythe wordt ontkracht, zegt men nog dat het zelfvertrouwen een niet te onderschatten economische factor is. Ook sport is een Moloch: hoeveel voetbalclubs hebben geen stadion gekregen van geld uit de gemeentekas. Hoeveel clubs worden niet voor grote bedragen door de plaatselijke overheid overeind gehouden?

Wie prikt de mythe van deze Moloch door? Actiegroepen proberen al tijden de ‘achterkant’ van het WK te laten zien, maar kregen geen aandacht voor de problemen die het WK voor Zuid-Afrika oplevert. Een voetbalhater ben ik niet. Het WK heb ik redelijk gevolgd, maar wel met het dubbele gevoel dat dit evenement ten koste gaat van de gewone Zuid-Afrikaan.

Ds. M.J. Schuurman

Overgenomen door het Nederlands Dagblad