Preek zondagmorgen 2 december 2018

Preek zondagmorgen 2 december 2018
Viering Heilig Avondmaal.
Hebreeën 10:19-39
Tekst: Laten wij tot Hem naderen … nu ons hart gereinigd is van een slecht geweten (vers 22)

 

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

De viering van het Heilig Avondmaal bepaalt ons er weer bij,
wat de Heere Jezus voor ons heeft gedaan.
In de brief aan de Hebreeën wordt dat als volgt verwoord:
Nu ons hart gereinigd is van een verkeerd geweten.
Doordat Christus stierf aan het kruis, daar op Golgotha Zijn leven gaf,
kunnen wij innerlijk worden gereinigd, van binnen schoongemaakt worden, in ons hart.
In ons hart is alles opgeslagen wat we hebben gedaan, of juist hebben nagelaten.
In ons hart is opgeslagen wat onze gedachten zijn geweest,
welke keuzes we hebben gemaakt en wat daaraan vooraf gegaan is.
In ons hart zijn ook onze verkeerde keuzes opgeslagen:
keuzes waarbij we niet aan de Heere hebben gedacht,
of waarbij we een keuze gemaakt hebben die tegen de Heere inging.
En daar in ons hart, waar ze opgeslagen liggen, kunnen ze als een zware lust drukken.
Wij kunnen ze niet ongedaan maken, onze verkeerde daden, keuzes, gedachten.
Wij krijgen ze niet weg in ons hart
En in onze relatie met de Heere belemmeren ze ons om naar Hem toe te gaan.
Ze vormen een drempel, ze zorgen ervoor dat je aarzelt om naar de Heere te gaan,
want je merkt in jezelf dat je zo niet voor de Heere kunt verschijnen,
met wat je hebt gedacht, met wat je hebt gedaan.
Zo kun je niet voor de heilige God verschijnen.
Daar is de Heere te heilig voor
om met je zonden die je gedaan en gedacht hebt voor Hem te komen.
Al zijn ze in het verborgen gedaan en heeft niemand er weet van,
ze klagen je aan als je voor de Heere wilt komen.
Alleen als je daarvan bevrijd wordt, als ze van je weggenomen worden,
als je van binnen wordt gereinigd van je zonden, kun je komen.
Alleen dan kun je leven met de Heere, in Zijn nabijheid komen.
Die zonden kunnen weggenomen worden, omdat Christus stierf aan het kruis.
Omdat Hij Zijn leven gaf, omdat Hij daar op Golgotha uw schuld, jouw schuld weg droeg,
wordt wat je verkeerd hebt gedaan, verkeerd hebt gedacht van je afgenomen.
Je wordt van binnen gereinigd, schoongemaakt.
Vanmorgen vieren we met het avondmaal dat onze zonden van ons afgenomen zijn,
Dat ze geen last meer zijn, geen belemmering meer zijn om te komen tot de Heere.
Als je in de afgelopen week je hebt voorbereid op het avondmaal
dan heb je vast ook nagedacht over wat er leeft in je hart.
Je kunt in jezelf de aanklacht hebben gehoord: je hebt van alles verkeerd gedaan.
Het kan ook zijn dat je daarbij dacht aan iets wat je hebt gedaan in de afgelopen tijd,
of dat je je weer bewust was van wat er in de afgelopen tijd in je gedachten omging.
In de afgelopen week heb je gerealiseerd dat het echt niet kon, wat je hebt gedaan.
Dat de gedachten die je had echt niet paste bij een leven met Christus.
Hoe langer je erover nadacht, hoe meer last je ervan kreeg.
Het kan in de afgelopen dagen door je heen gegaan zijn: Maak mij rein voor U.
Omdat je merkt dat het je relatie met Christus belast.
Je hebt nagedacht over het Heilig Avondmaal
en je weet wel: dat avondmaal laat zien dat Christus Zijn leven ook gaf voor mijn zonden,
maar je hebt gemerkt dat je zo makkelijk de fout in gaat.
Wordt het dan niet heel goedkoop als je zo naar het avondmaal gaat
om vergeving te vragen?
Het is een worsteling: je hebt Zijn vergeving nodig, maar toch, de last die op je drukt.
Maak mij rein voor U, was mijn leven schoon, vergeef mijn zonden.
Ik wil het niet goedkoop maken
en toch wil ik wijzen op de belofte die het avondmaal in zich heeft,
doordat het avondmaal herinnert aan het sterven van Jezus voor ons en onze zonden:
in de voorbereiding op het avondmaal wordt ook gevraagd
om de belofte van de Heere te geloven, de belofte die betrouwbaar is,
waar we op aan kunnen, waar we op kunnen rekenen, dat deze belofte waar is:
dat onze zonden ons vergeven zijn vanwege het kruis daar op Golgotha.
Deze belofte is er van Gods kant.
Van onze kant wordt er door de Heere gevraagd om die belofte te geloven,
dat het waar is, dat we gereinigd kunnen worden,
dat we er niet tevergeefs om vragen, maar dat die vergeving ons geschonken wordt,
omdat Christus gestorven is,
dat jij, dat u van binnen gereinigd, schoongemaakt kunt worden.
Ik hoop dat u in de afgelopen week om die reden uitgekeken hebt naar het avondmaal,
dat je in jezelf een verlangen voelde, om hier aan de tafel te zitten
bij de Heere Jezus, onze Heer, onze Redder,
en dat je het brood aanneemt, dat wijst naar het offer op Golgotha
dat ook voor jou gebracht is,
dat je van de beker drinkt, het wijn dat erop wijst, dat ook jouw zonden afgewassen worden.
Dat je niet alleen je zonde onder ogen zag, de ernst van wat er mis ging,
Van de verkeerde keuzes, de verkeerde gedachten en daden,
maar dat je ook de vreugde al ervoer, dat er een nieuw begin mogelijk is.
Niet omdat wij een nieuwe kans verdienen,
maar omdat we een God hebben die ons reinigt, die onze schuld van ons overnam,
die onze zonden van ons afwast,
waardoor we kunnen komen, waardoor we hier aan de tafel kunnen zitten
en brood en wijn kunnen eten,
niet alleen maar uit schaamte, niet alleen maar met een besef van schuld, dat ook,
maar dat er daarbij ook een dankbaarheid, een intense vreugde is,
ik ben hier bij mijn Heer, zoveel had Hij voor mij over, dat Hij Zelf ging
en straks als mijn tijd gekomen is om voor Hem te staan,
dan zal de zonde mij aanklagen,
dan zal de duivel zeggen dat ik geen recht heb om de hemel binnen te gaan.
Maar dan zal Hij opstaan en zeggen: Ik heb de schuld betaald,
door mijn bloed kunnen ze binnen gaan.
Hier aan de tafel vieren we dat de deur openging, dat we een toegang hebben tot God.
Amen

Preek zondagmorgen 27 augustus 2017

Preek zondagmorgen 27 augustus 2017
Schriftlezing: Romeinen 1:1-20
Tekst: 1:5

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Deze preek gaat over genade, het mooiste, het diepste waar het in de kerk over kan gaan!
Genade betekent: iets dat je krijgt, zonder dat je er recht op hebt of verdient,
sterker nog: je verdient het helemaal niet, je hebt er geen recht op en toch krijg je het.
Voor Paulus heeft genade alles te maken met God, die deze genade geeft.
Hij geeft aan mensen, aan ons, aan jou, aan u, aan mij, iets
Waar we geen recht op hebben
– een goedheid die God laat zien, zonder dat Hij daartoe verplicht is.

Genade als een geschenk, een cadeau van God, is bijzonder,
omdat het een breuk herstelt,
een breuk die ontstaan is tussen God en ons door onszelf.
Die breuk is er niet door God gekomen, maar door ons.
Die breuk is er gekomen – tussen God en ons, doordat wij als mensen hebben gezegd:
Wat God geeft is op zich wel best, maar niet genoeg,
we hebben meer nodig om echt een keuze te kunnen maken
tussen wat verkeerd is en wat goed is.
Wij willen dat zelf kunnen bepalen, zelf een inschatting kunnen maken
en dat God aan ons die keuze niet gegeven heeft,
laat zien dat God eigenlijk geen hoge pet van ons op heeft.
Weet je niet, zei de slang, dat je om echt mens te zijn, zelf de keuze moet kunnen maken
tussen wat goed is en verkeerd, dat je de keuze kunt overzien – God kan dat ook.
God heeft dat alleen maar achter gehouden, omdat Hij dat jullie niet gunt.
Zo werd er twijfel in ons hart gezaaid over God, twijfel dat wantrouwen werd:
Hoe kunnen wij God nu vertrouwen als Hij iets wezenlijks achterhoudt,
waardoor we echt mens zouden kunnen zijn
en zonder die keuze zijn we maar half.
Het is misschien goed bedoeld, ter bescherming van ons, maar we kunnen het zelf.
De breuk die er kwam, tussen God en ons, had ermee te maken
dat we niet meer onbevangen naar God konden kijken
en niet meer onbevangen, als dankbare schepselen, zijn zegeningen konden aanvaarden.
Sindsdien is het: bedoelt God het wel echt goed, zit er niet iets achter,
of houdt Hij niet iets achter, wat Hij ons niet wil geven?
We willen wel van God aannemen, maar onszelf niet helemaal overgeven aan hem.
OF er kan ook het effect zijn, dat we ons helemaal van God afkeren,
Dat we niets van hem willen weten en dat je tegenover Hem staat,
niet meer als iemand die bij Hem hoort, maar als iemand die vijandig gezind is, een tegenstander.
Het ingewikkelde alleen is, dat we dat kunnen camoufleren met heel veel godsdienst:
in de brief aan de Romeinen zijn dat aan de ene kant de heidenen,
die hun vijandige houding naar God toe verbergen onder het dienen van afgoden.
Heel gelovig, heel vroom, maar niet de echte God, niet de enige God die er is:
Vader, Zoon en Heilige Geest, maar nepgoden.
Voor Paulus is dat een manier om te verbergen dat je met God eigenlijk helemaal niets wil.
een andere manier, die ook in deze brief naar voren komt is die van de Joden,
die hun vijandschap verpakken in een vroom en toegewijd leven,
maar een leven zonder Christus en daarmee zonder God.
Er is op deze hele wereld niemand die uit zichzelf bezig is met God, met hoe God echt is.
Niemand die uit zichzelf God zoekt.

En dan genade: met genade grijpt God in, in het leven van mensen,
om die vijandigheid weg te doen,
om mensen die zich tegenover Hem hebben gesteld, in afwerende positie, in verzet,
– of dat nu openlijk is of gecamoufleerd –
te openen voor Hem,
zodat ze bij Hem gaan horen, zodat ze naar Hem toe gaan komen,
in Hem gaan geloven, Hem wel vertrouwen.
Onverdiend is het, wij konden uit onszelf niet zeggen:
U moet ons weer terugnemen!
Als dat al bij ons op kwam, dan hadden we geen enkele recht om aan te kloppen.
Wij, mensen, wij hadden het contact verbroken, wij gingen onze eigen weg,
Als we dat van onszelf al bewust waren, dat het een verloren weg was,
een weg bij God vandaan.
Genade is juist dat God komt, dat Hij dat wantrouwen wegdoet,
dat Hij alles herstelt wat door ons kapotgemaakt is
– Hij maakt het weer goed, Hij herstelt – terwijl wij het hadden vergooid, verbruid.
Genade is dat God een diepe knieval maakt, om onze rotzooi, onze puinhoop weg te doen
En daar zelf de rekening voor te betalen,
dat zelf te dragen.

Genade heeft alles te maken met Christus, Jezus Christus de Zoon van God,
die naar de aarde kwam, naar de mens geboren uit het geslacht van David
Jezus Christus, die niet alleen maar mens was, maar God
en wie dat niet zag bij het kruis kon dat zien bij de opstanding,
toen Jezus uit het graf kwam, Hij die in de dood was, de macht van de dood verbrak,
weer levend werd, toen werd het helemaal zichtbaar wie Christus was: de Zoon van God.
Paulus spreekt hier nog niet over het kruis op Golgotha,
maar dat hoort er voor hem volop bij.
Dat Jezus opgewekt werd uit de dood, werpt wel een nieuw licht op het kruis.
Toen Jezus uit het graf kwam en de macht van de dood bleek te hebben overwonnen,
was het duidelijk dat het kruis op Golgotha geen mislukking is,
geen fatale afloop van wat iets moois had kunnen worden,
maar dat het kruis onderdeel was van het plan van God
om genade aan mensen te geven.
Al onze zonden zijn vergeven, zegt het avondmaalsformulier,
en dat is enkel en alleen gebeurd, doordat Hij stierf aan het kruis.
Het is helemaal betaald, de schuld is helemaal weg, er hoeft niets meer bij.
En dat wordt ons nu gegegeven: alsof u dat zelf voor elkaar had gekregen.
Genade is dat God niet naar ons oude leven kijkt, waar die breuk is,
een kloof tussen God en ons die wij zelf hebben veroorzaakt
en die wij zelf niet kunnen overbruggen,
maar dat God naar ons kijkt, alsof Hij naar Christus kijkt.
Hij kijkt naar ons en ziet Christus staan.
Hij ziet geen zondaren meer, geen mensen die Hem afwijzen of uit de weg gaan,
geen mensen die niet bij Hem horen,
maar Hij ziet mensen naar wie Zijn liefde uitgaat:
geliefden van God, zo worden de gemeenteleden in Rome genoemd.
En daarmee bedoelt Paulus niet dat God van hen houdt,
omdat deze mensen zijn gaan geloven,
nee Gods liefde was er eerst en deze mensen hebben gehoor gegeven aan Zijn liefde,
hebben zich laten winnen door de liefde van God
Geliefden van God, als er al iets van hun kant in zit, is dat die liefde in hun hart is gekomen,
dat ze vanuit die liefde zijn gaan leven,
dat Gods liefde in hun hart gekomen is,
dat hun hart door Christus wordt bewoond en niet meer door de zonde.
Bij deze mensen in Rome is gebeurd, wat er ook bij Paulus is gebeurd:
Genade – genade dat je bij God mag horen, dat je in Zijn dienst mag komen,
dat Zijn liefde in je hart komt,
dat je alleen van Hem nog wilt zijn en van niets of niemand anders.
Elke keer als Paulus daarover spreekt, is er verwondering, verbazing,
dat die genade er ook voor hem is,
Want als er iemand is, die deze genade niet verdiende, die tegen God inging,
die God tegenwerkte was hij dat wel en toch: ook voor hem genade.
En die verwondering heeft Paulus ook, als hij ziet dat in Rome
er ook mensen zijn die deze genade ontvingen, voor wie het ook was.
Ik hoop ook, dat u, dat jij die verwondering kent, dat je verbaasd bent,
op een positieve manier verrast, dat God ook in jouw leven wilde komen,
dat die genade er ook voor u is.
Al mijn zonden vergeven, alleen om het lijden en sterven van Christus.
Dat wordt mij geschonken!
En volgende week mag ik in alle verwondering aan de tafel gaan,
de tafel van Christus, de tafel waarop de genade zichtbaar wordt:
– in het brood dat gebroken wordt,
Het brood dat wij breken is de gemeenschap met het lichaam van Christus,
gedenkt en gelooft, dat het lichaam van onze Heere Jezus Christus
is verbroken tot volkomen verzoening van al onze zonden.
– de wijn die wordt uitgegoten
De beker van de dankzegging, waarover wij de dank uitspreken
is de gemeenschap met het bloed van Christus,
gedenkt en gelooft, dat het kostbaar bloed van onze Heere Jezus Christus
is vergoten tot volkomen verzoening van al onze zonden.
– in de vele plaatsen die er om die tafel zijn: ook voor u, voor jou de genade van Christus!

Om die genade te ontvangen zijn er geen voorwaarden.
Ja, het avondmaalsformulier noemt 3 voorwaarden:
dat je ziet hoe hopeloos het met je gesteld is zonder Christus,
dat je de genade wilt aannemen
en dat je je door die genade laat veranderen tot een nieuw mens,

Die voorwaarden laten alleen maar zien, dat het zo, zonder genade, zonder Christus
niet verder kan en dat er iets moet veranderen
en dat er ook iets kan veranderen, omdat God dat heeft gedaan,
omdat Christus op aarde is gekomen.

Soms kun je weten dat er iets met je mis is, omdat je dat zelf merkt.
Iemand die last van zijn gezondheid heeft, gaat naar de dokter toe,
voor een onderzoek, voor medicijnen, voor een behandeling.
zo gaan we naar Christus toe, voor die genade.
Maar niet altijd weet je dat er iets met je mis is,
omdat je op dat moment nog niet iets verneemt.
Ik heb dat wel gezien dat mensen met een onderzoek meededen
en verwachtten dat er niet zo veel zou uitkomen, want ze voelden zich goed
en dat er uit het onderzoek heel iets ingrijpends naar voren komt.
Dat is wat het avondmaal ook laat zien:
Het zit goed fout en als er niets gebeurt, gaat het de verkeerde kant op,
dan kom je, als je leven ten einde gaat niet door het oordeel heen
en is er geen plek in de hemel.
Maar die uitslag, dat inzicht is bedoeld om er wat aan te doen
om van Christus die genade te ontvangen,
het formulier bij het avondmaal is heel scherp, niet om ons weg te sturen,
maar juist om wat mis is aan het licht te brengen, zodat er wat aan gedaan kan worden,
zodat Christus, onze arts, ons kan genezen, Zijn medicijn kan geven: Zijn genade.

Als je inziet, dat het zo – zonder Christus  – niet kan,
dan wijst God je niet af, maar dan neemt Hij je aan, dan neemt Hij je in genade aan,
dan is er een plek aan de tafel,
om dat medicijn te ontvangen: brood waarin je de liefde van Christus proeft,
waarmee je het weer weet, weer proeft, hoe daar op Golgotha
Jezus zich gegeven heeft,
wijn waarmee je weer weet, dat alles wat verkeerd is, wat jij verkeerd gedaan hebt,
weggewassen kan worden doordat Jezus gestorven is, Zijn bloed heeft gegeven.
Het is een geschenk – een kostbaar geschenk, dat je mag ontvangen,
dat er voor u is, het wordt gegeven:
Neem het aan. Ontvang het!

Het is een kostbaar geschenk: God heeft er alles voor over gehad,
Christus heeft alles gegeven.
Er zijn cadeau’s, bijvoorbeeld met een verjaardag, of een afscheid,
die je niet gebruikt, die je hebt staan, waarmee je niets doet, staan in de weg,
maar als iemand zo’n groot geschenk geeft, als iemand zijn leven geeft,
om jou alles te geven, om je te redden van een verkeerde weg,
dan kun je dat toch niet anders dan aannemen,
dat kun je dan toch niet naast je neerleggen, daar niets mee doen?

Ja, kostbaar is het, genade is niet goedkoop.
Het wil ook effect op ons hebben: gehoorzaamheid.
We moeten gaan luisteren naar God, alleen maar van Hem zijn.
U alleen, U behoor ik toe.
In het avondmaal gaat het er niet om, dat we foutloos zijn,
dat we die gehoorzaamheid in praktijk kunnen brengen,
zonder dat we dan nog enige fout maken.
Het gaat om een verlangen, dat we gehoorzaam willen zijn.
Dat is al genoeg voorwaarde: dat je niets meer anders wilt
en dat wanneer je dat niet kunt zijn, gehoorzaam, dat je er dan aan lijdt,
omdat je weet: ik doe God tekort, ik doe mijn Redder, mijn Heiland tekort.
Gehoorzaam zijn is ook dat je komt naar het avondmaal,
ook al is je hart bezwaart en durf je het niet, omdat je al je zonden ziet.
want dan doe je alsof die genade er niet voor je is,
alsof er voor u geen vergeving is.
Uiteindelijk is dat een uit de weg gaan van God,
ook al neem je God heel serieus.
Avondmaal zegt: God wil ons niet uit de weg gaan,
Hij neemt ons serieus, ook in onze zonde,
want daarvan wil Hij ons juist bevrijden en reinigen.

Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven,

Die van de straf voor eeuwig is ontheven,

Welzalig is de mens, wien ’t mag gebeuren,

Dat God naar recht hem niet wil schuldig keuren,

Rechtvaardig volk, verhef uw blijde klanken,

Verheugd in God, naar waarde nooit te danken.

Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t’ allen tijd,

Gij, die oprecht van hart en wandel zijt.

Amen

Preek zondag 27 november 2016

Preek zondag 27 november 2016
Voorbereiding Heilig Avondmaal
Schriftlezing: 1 Johannes 4:7-21
Tekst: 1 Johannes 4:10b

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hoe staat u tegenover God?
Het is goed om jezelf dat geregeld af te vragen: Hoe sta ik nu tegenover God?
Zeker in een tijd vooraf aan het Heilig Avondmaal is dat goed om je dat af te vragen.
Om als het niet goed zit, dat weer in orde te maken.
Heb ik in de afgelopen maanden tijd genoeg vrijgemaakt voor de Heere,
om te bidden, te lezen in de Bijbel, te zingen, met anderen erover te spreken?
Of heb ik dat allemaal wat laten versloffen, omdat ik er geen tijd voor nam.
Heb ik genoeg vertrouwen gehad
dat Hij mijn leven leidt en mijn leven in Zijn hand heeft?
Of heb ik de afgelopen maanden geleefd zonder dat vertrouwen?
En is dat vertrouwen toegenomen?
Of ben ik vergeten dat vertrouwen te voeden, te onderhouden?
De keuzes die ik moest maken – heb ik die wel aan Hem voorgelegd
of heb ik maar wat gedaan, zonder de Heere daarin te betrekken?

Ik hoop dat, als u over deze vragen nadenkt en over uw band met de Heere,
Dat u dan mag zeggen: Ik ben gegroeid in mijn geloof, in mijn vertrouwen,
in het tijd vrijmaken voor de Heere.
Ik betrek Hem nu meer in mijn leven, bijvoorbeeld bij de keuzes die ik maak.

Het kan ook zijn, dat u helemaal niet nadenkt over uw band met de Heere.
U gaat naar de kerk, u luistert naar de preek
en volgende week als het avondmaal is, dan bent u daar,
want als je bij de Heere Jezus hoort, dan hoor je daar te zijn,
omdat Hij je roept aan Zijn tafel
en als je nadenkt over je band met God kun je het geloof ook zo ingewikkeld maken.
Je komt er dan niet uit.

Maar wat als je erachter komt, dat je het er toch wel bij hebt laten zitten.
In het avondmaalsformulier wordt daar iets over gezegd:
dat wij geen volkomen geloof hebben,
en ons er niet toe zetten God met zo’n ijver te dienen als wij behoren te doen,
maar dagelijks strijd hebben te voeren
met de zwakheid van ons geloof
en onze verderfelijke begeerten.
Als u daarover nadenkt, herkent u zich er misschien wel in als ik ze wat uitwerk:
Ja, aan het geloof van mij ontbreekt nog zoveel.
Ik ben het zo snel al weer kwijt, het vertrouwen op God.
En die ijver, dat heb ik niet altijd.
Ik heb eerder last van gemakzucht: ik laat het er te snel bij zitten.
Mijn twijfels zijn vaak te sterk voor mij, ik word ze niet de baas.
De vragen over God blijven in mij rondspoken, ik krijg ze maar niet stil.
Er zijn verlangens in mijzelf, verkeerde verlangens, waar ik me niet mee moet inlaten,
maar ik krijg ze niet uit mijn gedachten.
Je zou zo graag anders willen,
dat je geloof niet zo kwetsbaar is en dat je niet zo snel onderuit gaat door je twijfels
en dat je het er niet zo snel bij laat zitten door je gemakzucht.
dat je je niet zo makkelijk laat wegleiden van de Heere, maar dat je sterk staat.
Zou het ook anders kunnen?

Of zegt u: ach, die dat je in je geloof tekort komt, daar heeft iedereen mee te maken.
Niemand is perfect.
Daar moet je niet te zwaar aan tillen, anders heb je geen leven meer.

Er is Iemand, die de tekortkomingen in ons geloof wel serieus neemt,
die Zich er niet bij neerlegt bij onze gemakzucht,
die het niet kan aanzien dat verkeerde verlangens op een verkeerde weg brengen.
Dat is onze God.
God zond Zijn Zoon als verzoening van onze zonden, schrijft Johannes in zijn brief.
Dat Jezus moest komen naar de aarde, was omdat er verzoening nodig was.
Verzoening dat is nodig als het goed mis is in een relatie,
een relatie die verbroken is en niet zomaar geheeld kan worden.
Dat gaat veel dieper dan het er alleen maar bij laten zitten.
Verzoening gaat om een breuk, een breuk in de relatie tussen God en ons.
Die breuk, zegt Johannes tegen de gemeente, kunnen wij uit onszelf niet helen.
Wij kunnen er uit onszelf niet voor zorgen, dat het weer goed komt tussen de Heere en ons.
Het bijzondere is dat God zelf daar iets aan doet,
dat Hij om de breuk te helen Zijn Zoon naar de aarde stuurde
om het weer goed te maken.
God neemt het initiatief. Hij is ook de enige die het weer goed kan maken.
Zouden we het wel doorgehad hebben
dat het niet goed zat tussen de Heere en ons, als God Zijn Zoon niet had gestuurd?
Jezus kwam op een wereld, die God de rug had toegekeerd.
Wij als mensen kunnen al diep geraakt zijn, als iemand ons de rug toekeert.
Als iemand met ons niet te maken wil hebben,
als iemand doet of wij niet bestaat – dat kan je behoorlijk raken.
Je kunt er beledigd van raken, of juist helemaal van slag.
Wat moest het voor God niet betekenen, dat de mensen die Hij geschapen heeft,
Hem de rug toekeerden en niets meer van Hem wilden weten?
Hadden we eigenlijk wel door wat er gebeurde,
toen we de deur naar God toe dicht gooiden,
toen we dachten dat we het zonder God wel zouden kunnen redden.
Dat we daarmee een schuld op ons hebben geladen naar God toe.

Speelt het nog wel een rol dat Christus kwam om onze schuld te dragen?
En dan ook onze schuld naar God toe?
Onlangs vroeg ik op een Bijbelkring:
Waar denk je aan, als we op zondagmorgen in de kerkdienst onze schuld belijden?
Denk je dan terug aan wat er in de afgelopen week is misgegaan in de relatie met God
Of denk je niet ergens bewust aan en laat je dat gewoon over je heen komen,
omdat het een vast onderdeel van de dienst is.
Wat zou u daarop antwoorden?
Betekent dat echt iets voor u en mist u ook werkelijk iets in de dienst
als de schuldbelijdenis achterwege blijft
en blijft u achter met het besef dat er iets moet gebeuren voor u God kunt ontmoeten?
Of bent u blij dat het dan niet gedaan wordt,
omdat u niet graag herinnerd wordt aan schuld,
omdat het zo’n zwaar beladen woord is, omdat het de benauwde sfeer van vroeger oproept?
Het kan ook zijn dat het over je heen gaat,
omdat schuld zo’n groot woord is.
Verwoord dat nu mijn houding naar God toe, wat er aan de hand is?
Op de Bijbelkring kwam er ook niet echt een antwoord.
Dat ligt vooral aan de manier waarop ik de vraag gesteld heb, denk ik nu.
Ik was vooral benieuwd hoe er hier in de gemeente dat beleefd wordt.
Achteraf gezien had ik misschien beter kunnen vragen
wat het betekent dat de Heere Jezus gekomen is als verzoener,
want dat kan hier gelukkig wel diep beleefd worden
dat Christus niet zomaar kwam,
maar als verzoener van de zonden, zoals Johannes dat schrijft.
Het besef dat wij het vanuit onszelf niet goed kunnen maken naar God toe,
maar dat er iets nodig is, dat God zelf iets moet doen.
en dat onze God dat gelukkig ook heeft gedaan:
Hij zond Zijn Zoon naar deze wereld als verzoening van de zonden.
Als God het weer goed maakt en de relatie weer herstelt,
dan is het wellicht gemakkelijker om na te denken over wat er aan onze kant mis gaat.

Want als er geen vergeving is,
als we er niet van bevrijd kunnen worden, als we er niet van los kunnen komen,
als er geen nieuw leven mogelijk is,
dan kunnen we dat toch niet aan om erover na te denken.
Dan kunnen we die last toch niet dragen,
dat het onze eigen fout is dat de deur naar God dicht is
en dat we God niet onder ogen kunnen komen,
tenzij Hij ons vergeeft, het goed maakt, als God zelf naar ons toekomt.
Want anders blijft er alleen over dat we verloren zijn
in een bestaan waarin we niet meer bij God kunnen komen
en verloren zullen gaan, omdat er geen uitweg is.
Nee, zegt Johannes: God stuurde Zijn Zoon naar deze aarde,
juist vanwege die zonde, die ons dwars zit, die ons op de verkeerde weg brengt
en van God afleidt, een verloren weg.

Hij zocht ons op.
Dat Jezus als kind op aarde geboren werd,
houdt in dat God zelf op deze aarde kwam,
de aarde, die door God geschapen is, maar zich van God had afgekeerd.
Dat vieren we met Kerst: dat God ons opzocht,
dat God zelf mens werd om het weer goed te maken,
door Jezus die aan het kruis ging, om zelf het offer te zijn
dat ons weer met God verzoend.
Johannes geeft aan: moet je zien hoeveel God ervoor over heeft gehad.
Dat Hij zelf kwam naar de aarde,
niet alleen maar om poolshoogte te nemen, om te kijken wat er mis is,
ook niet om de boel maar af te schrijven en weg te gooien
en overnieuw te beginnen met een andere wereld,
maar de mensen die bij Hem vandaan gaan,
de mensen die Hem zo diep gekwetst en geraakt hebben,
weer op te zoeken,
net als hen te worden, om hun weg te gaan, hun leven over te nemen,
een weg die voor Hem eindigde aan het kruis op Golgotha.
Als je echt wilt weten wie God is,
dan moet je naar Golgotha kijken,
of al eerder – in de stal van Bethlehem, waar onze Heer in de kribbe lag.
Dan zie je Wie God is:
dat Hij Zijn schepselen niet heeft afgeschreven,
maar dat Hij er alles voor over heeft gehad om ze weer bij Hem terug te krijgen.
Want Hij wist: Zonder Mij overleven ze het niet, zijn ze verloren.
Er is maar één woord voor: liefde.
Er is maar één verklaring voor: Gods liefde voor mensen,
ondanks hun verkeerde keuze, waarmee we ons van God afkeerden.
ondanks die ingrijpende beslissing om zonder God verder te gaan.
Er zit een plan achter de komst van Jezus naar deze aarde.
Geen kil, onpersoonlijk plan,
maar een plan, waarin een kloppend hart vol liefde en bewogenheid zichtbaar wordt.
Liefde die bereid is om tot het uiterste te gaan.
God geeft zichzelf helemaal.
Zoals ik dat vorige week in de doopdienst al aangaf:
In een verbond geef je je als partners helemaal.
God gaf zich helemaal, toen Hij Zijn Zoon naar de aarde stuurde.
Hij hield niets meer achter.
Het grootste gebaar, alles wat Hij had, dat bood Hij
om ons maar terug te winnen.
God wilde ons weer terug – terug in Zijn gemeenschap, terug bij Hem.
Daarom staat er volgende week ook een tafel in de kerk:
om te laten zien dat God ons terug wil hebben.
Als we onze tekortkomingen ontdekken,
als de Heere ons die voorhoudt,
is dat om ons weer naar Hem toe te bewegen.
Het leren kennen van je zonde is niet bedoeld om je bij God weg te houden.
Om een extra drempel weg te houden,
maar om je bij Christus te brengen.
Wanneer je over je relatie nadenkt met de Heere
en je beseft dat er zoveel is dat schort, moet je wel bij Christus uitkomen.
Daar hoor je te zijn.
Want er is niemand anders die je je kan redden, niemand anders die je kan helpen.
En God wil niets liever dan dat je daar bent, bij Zijn Zoon.
Kerst: betekent dat God ons kwam opzoeken,
omdat wij de weg naar Hem niet meer konden vinden uit onszelf.
Kerst betekent: dat God het niet over Zijn hart kon verkrijgen om ons  verloren te laten gaan.
Kerst houdt in: dat God alles er voor over had om u, om jou weer terug te krijgen.

Komende zondag is het nog geen kerst, maar wel avondmaal
en daar mogen we vieren dat Jezus voor ons kwam op deze aarde,
dat Hij Zijn leven er voor over had om u, om jou, om mij te redden.
Om het weer goed te maken.
Dan is er heel wat wat er schort, en we doen daar niet laconiek over,
maar we lijden eraan en beseffen dat het anders moet
en het gebed en verlangen in ons wordt steeds sterker
dat God ons verandert, dat in ons hart de Heilige Geest komt
en nog meer Zijn werk doet
om ons vol van Christus te maken,
die voor ons naar deze aarde kwam.
In een wereld die donker was, omdat God daar geen plek meer had,
is er een Zon gekomen, die is opgegaan: Christus
die met Zijn licht het duister verdrijft.
Komt tot zijn schijnsel, alle volken,
en gij, mijn ziele, bid het aan!
Amen

Preek zondagavond 26 april 2015

Preek zondagavond 26 april 2015
Efeze 2:11-22
Tekst: vers 22.

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hoe bijzonder de band die je met elkaar hebt als familie of als groep,
merk je pas als er iemand bijkomt die heel anders is,
zo anders dat hij of zij er eigenlijk niet bij past.
Stel: In een gezin zijn de kinderen op een leeftijd gekomen dat ze verkering krijgen.
De eerste die er bij komt, een meisje, past er goed tussen
en wordt zonder problemen opgenomen in het gezin, zij hoort er helemaal bij.
Maar de tweede die er bijkomt, ook een meisje, is zo heel anders.
Ze voelt niet aan wat ze wel en niet kan maken, ze kent haar plaats niet.
Als zij iets zegt, wordt het gesprek heel anders en hangt er een ongemakkelijke sfeer.
En ze bemoeit zich met zaken in het gezin, waar ze zich helemaal niet moet inlaten.
Ze is zo heel anders.
Ze komt ook uit een heel ander gezin en ze kan zich maar niet aanpassen.
De moeder in het gezin heeft haar zoon er wel eens op aangesproken:
‘Die vriendin die je hebt past helemaal niet bij ons soort mensen.
Zou je wel met haar verder gaan?’
Boos loopt de jongen weg en ze hebben het er in het gezin nooit meer over.
Maar de sfeer is sinds de komst van dat meisje zo heel anders.
De vertrouwdheid en de gezelligheid die er altijd ware, zijn weg
en bij verjaardagen en ontmoetingen als zij er bij is.
Je kunt niet alle familiezaken meer bespreken zoals voorheen.
En de band tussen de beide broers, die voorheen heel goed was, is ook veranderd.
Ze trekken niet meer zo vaak met elkaar op en spreken elkaar nauwelijks meer.
De verkering houdt stand en ze trouwen,
maar heeft blijft ongemakkelijk
en de band wordt nooit zo vertrouwd als met de eerste schoondochter.
De schoondochter die er later bij kwam, voelt ook dat zij anders is.
Tegen vriendinnen moppert ze over haar schoonfamilie:
‘Het is echt de kouwe kant. Het is dat hij contact wil houden met zijn familie.
Ik doe het voor hem, maar mij hebben ze nooit geaccepteerd.’

Wat in gezinnen gebeurt, gebeurt ook in kerken.
Eén keer heb ik dat meegemaakt als gastpredikant,
dat er gemeentelid, die nieuw in een gemeente erbij gekomen was,
zoveel spanningen opriep, ook in de dienst waarin ik voorging,
dat de gemeente verscheidene pogingen deed om de man te weren.
Het lukte niet en uiteindelijk vertrok deze persoon door een verhuizing
en de gemeente haalde opgelucht adem bij het vertrek van deze persoon.

In Efeze waren er ook spanningen, doordat er gemeenteleden bij kwamen die anders waren.
Paulus begon met zijn verkondiging in de synagoge.
Hij begon onder degenen die uit hetzelfde volk waren als hij
en ook daar in Efeze leefden met de God van Israël.
Lukas vertelt in Handelingen 19, dat er na 3 maanden spanningen kwamen,
waardoor Paulus moest uitwijken naar een school,
waar ook Efeziërs kwamen die geen Jood waren,
maar wel gingen geloven en bij de gemeente kwamen.
Uit wat we in Efeze 2:11-22 kunnen opmaken, is dat er ook spanningen waren
omdat deze twee heel verschillende groepen zo heel anders waren
en ook een heel andere achtergrond hadden.
De Joden waren opgevoed door hun ouders met de God van Israël.
Ook al woonden ze in Turkije en niet in het Beloofde Land,
ze hielden zich aan de wetten die de Heere aan Abraham en Mozes gegeven had:
ze besneden de jongetjes op de 8e dag, ze hielden zich aan de sabbat,
en zoveel mogelijk aan de andere richtlijnen die in het Oude Testament stonden.
Ze konden niet met alles meedoen in de stad Efeze,
omdat er zoveel tempels en goden waren,
en die goden bepaalden het dagelijks leven in Efeze.
Ze moesten offers brengen voor hun geloof en dat hadden ze ervoor over,
want God is een heilig God en vraagt ook heilig te leven.
Het besef van de heiligheid van God hadden ze van kindsaf aan meegrekegen
door de feesten die gevierd werden, door de preken en Bijbeluitleg in de synagoge,
door de richtlijnen in het dagelijks leven, de omgang met God die er in het gezin was.

En toen kwamen de heidenen erbij, die zo heel anders waren.
Ze misten niet alleen de besnijdenis,
maar ze hadden ook niet het besef van Gods heiligheid meegekregen.
Ze voelden niet aan, wanneer de sfeer heilig moest zijn.
Ze begrepen niet dat God een heilig God is, die je met eerbied en ontzag moet naderen.
Ze snapten maar niet, welke consequenties er zijn voor dagelijks leven als je bij God hoort.
Ze voelden maar niet aan, wat er wel en niet kon in de eredienst,
wat gepast is en wat niet
en ze hadden zo’n heel andere afkomst: ze behoorden niet tot het volk van God
dat God door alle tijden heen verzamelde, ook al woonden zij nu elders.
Het waren mensen die zo ver afstonden van God en daarom nog zo veel moesten leren.
Het werd ongemakkelijk in de gemeente,
want er was geen duidelijke scheiding meer met de wereld om hen heen.
Soms hadden ze het idee dat de mensen uit Efeze toch vooral van Efeze bleven
en niet van Jezus Christus werden in hun dagelijks leven.
Voor de gelovigen, die geen Joodse afkomst hadden, was het net andersom:
de muur die er voorheen was, door de besnijdenis, door de wetten van Mozes,
bleef voor hun gevoel nog steeds bestaan,
ze werden eerder gedoogd dan echt welkom geheten of warm opgevangen.
Alsof er een glazen muur in de gemeente bleef bestaan,
zoals in de echte tempel in Jeruzalem er een scheiding was tussen het voorhof voor de Joden en tussen de heidenen – een grens die de heidenen niet mochten passeren.
Alsof die muur onzichtbaar nog bleef bestaan, door de gemeente heen.
De Joden vonden dat de heidenen zich moesten aanpassen, maar echt begrijpen en aanvoelen wat nodig was, wat gepast was, dat zouden ze nooit kunnen.
De Efeziërs, die van ver kwamen, ze wilden wel, maar voelden dat wat ze ook deden
ze er toch nooit echt bij kwamen, echt opgenomen werden.

Om die reden begint Paulus te spreken over Christus.
Allereerst, omdat Christus door Zijn sterven de afstand heeft overbrugd.
Het klonk al door in de preek die Petrus hield op de Eerste Pinksterdag,
een bekende tekst omdat deze ook in het doopformulier is opgenomen:
Want voor u is de belofte, en voor uw kinderen – dat is voor de Joden,
die de belofte van Abraham gekregen, dat zij Gods volk zijn.
Maar Petrus ging verder:
En allen die veraf zijn – dat waren degenen die geen Joodse komaf hadden
en niet door hun geboorte tot Gods volk behoorden
Zovelen als Heere, onze God, ertoe roepen zal.
Nou, dat was in Efeze gebeurd: ze waren erbij geroepen, beide groepen.
Kijk maar in vers 17: Christus kwam in Efeze.
Niet alleen de boodschap over Christus kwam in Efeze,
in de verkondiging kwam Hij zelf.
Waar over Christus gesproken wordt, daar is Hij zelf aanwezig.
Door Hem konden ook degenen die ver weg waren – vers 13 – erbij komen,
opgenomen worden in de gemeente, opgenomen in de gemeenschap rondom Christus.
En dan is er een tweede reden, waarom Paulus spreekt over Christus.
Vanwege die muur die er in de gemeente is en de gemeente verdeelde.

Juist vanwege die muur spreekt Paulus over verzoening.
Verzoening is een woord dat heel diep gaat, aangeeft hoe een diepe kloof wordt overbrugd,
hoe een muur, die opgetrokken is – bewust of onbewust – en waar je steeds op stuit,
wordt afgebroken.
Verzoening is niet dat twee losse delen aan elkaar gelijmd worden,
want dan blijven het twee afzonderlijke delen, die altijd weer uit elkaar kunnen vallen,
omdat er een breuklijn is tussen de beide delen, afzonderlijk.
Verzoening in families, dat betekent, dat je wel bij elkaar langskomt,
maar dat het dan dat is en niet meer.
Je bent wel samen in een ruimte, maar dat is dan ook alles.
Er is niet echt een gesprek of een echte toenadering, je houdt je allebei afzijdig.
Dat is nog geen verzoening. Hooguit een wapenstilstand, een gedogen,
een noodgedwongen accepteren van elkaar, omdat je met elkaar opgescheept zit.
Verzoening is ook niet, dat de één een stap doet en zichzelf wegcijfert en opoffert.
Zoals een nieuwkomer in de familie zich maar aanpast aan de gewoonten in een familie,
maar niet het gevoel heeft zichzelf te zijn.
Zodra ze zich houdt aan de gebruiken in de familie, dezelfde taal spreekt en ze niet opvalt,
gaat het goed, als ze zich maar aanpast.
Maar dat is geen verzoening. Dat is aanpassen, inschikken.
De een doet een stap naar voren en de anderen wijken iets opzij.
Je hoort erbij, maar dat is dan ook alles. Echt onderdeel ben je niet.
Verzoening is dat twee verschillende partijen samenkomen
en er een heel nieuwe eenheid ontstaat.
Waarbij je niet alleen opgenomen wordt door de ander, maar waarbij je ook geeft.
Waarbij de ander zich opent, oprecht wil weten wie je bent,
een onderdeel van je leven laat zijn, waarbij er begrip is dat je anders bent,
maar waarbij ruimte is om je verhaal te doen, zodat de ander ervan leert
en je vanaf dat moment samen verder gaat
als familie, als gemeente.
Dat is verzoening – zoals dat in een huwelijk gebeurt:
een man en vrouw die allebei uit een heel andere familie komen
en daardoor ook vaak heel anders zijn, anders denken, anders reageren,
andere gewoonten hebben om te leven.
Loyaal en verbonden met de familie waaruit je komt
en toch samen verder.
Paulus legt in hoofdstuk 5 niet voor niets uit dat het huwelijk een manier is
om uit te leggen wat de gemeente is: samen een nieuwe eenheid vormen.
In dat hoofdstuk gaat het om de band met Christus, een eenheid met de Heer van de kerk,
met de Heer van deze wereld, de schepper van hemel en aarde,
die ons geroepen heeft tot dat nieuwe leven,
niet meer veraf, ook niet meer dichtbij. Maar er in – verenigd, tot één geheel.
Ook daar was verzoening voor nodig – door het bloed van Christus (vers 13).
Maar die verzoening werkt ook onderling:
ook onderling tussen de verschillende groepen in de gemeenten
wordt de barrière geslecht en ontstaat er een eenheid, een nieuwe gemeenschap.
Een nieuwe gemeenschap die er in Christus wordt gevormd.
In vers 15 spreekt Paulus over de nieuwe mens,
daarmee bedoelt hij dat het onderscheid tussen Jood en niet-Jood er niet meer is,
geen verschil meer in veraf of dichtbij,
maar samen verder, een nieuwe eenheid – in Christus.
Dat is ook het geheim – het gebeurt in Christus.
Het samenvoegen, de verzoening is geen mensenwerk.
Het zijn geen mensen die samen een compromis sluiten, die een stap naar elkaar doen,
elkaar ondanks de verschillen weten te winnen.
Het is Christus die de verzoening bewerkstelligt. Hij brengt niet alleen verzoening.
Hij voegt niet alleen samen en heelt de breuk die er was,
maar Hij is de verzoening. In persoon. In Hem komt het samen.
Want Hij is onze vrede, die beiden één maakt.
Hij verzoent en dat betekent dat Christus bij elkaar brengt
degenen die uit zichzelf niet bij elkaar kunnen komen, omdat er een muur tussen hen in zit.
Dat kan binnen de gemeente, maar ook binnen families.
Verzoening betekent dat de pijn die veroorzaakt is, uitgepraat kan worden,
omdat er een bereidheid is om elkaar werkelijk te zien en te horen, elkaar uit te laten spreken, omdat je met elkaar verder wilt – wat er voorheen ook misgegaan is tussen jullie.
Omdat Christus de muur heeft afgebroken en de vijandschap heeft overwonnen,
sterker nog: de vijandschap heeft meegenomen de dood in, toen Hij stierf aan het kruis.

Als de dood van Christus de onoverbrugbare kloof die er tussen God en mensen was
kon overbruggen, kan Zijn dood ook de kloof die er gekomen is tussen mensen,
die voor ons gevoel niet meer te overbruggen zijn, overbrugd worden,
kan er toenadering komen, contact, gesprek,
twee overzijden die zich schenen te vermijden worden één, een nieuwe gemeenschap,
herschapen tot de nieuwe eenheid door God.
Een nieuwe gemeenschap om Christus, waarbij je elkaar niet meer uit de weg gaat,
maar waarbij er een gezamenlijkheid is, omdat je in Christus bent
en samen nadert tot één en dezelfde God, die voor allebei een Vader is.
Een nieuw thuis bij God, waarbij het verleden niet meer een scheiding maakt,
het feit dat je uit een heel ander gezin komt niet meer telt,
omdat je nu samen een thuis hebt in Christus.
Of je eerst dichtbij was, zoals de Joden zichzelf dachten, reeds thuis bij God,
omdat God een verbond met hen gesloten had
of dat je ver weg was en een hele afstand moest overbruggen,
ik merk dat aan degenen bijvoorbeeld die niet zijn gedoopt
of die niet met de kerk zijn opgegroeid, hoe zij worstelen met de vraag
of zij wel bij God mogen horen, en wanneer en of ze ooit kwijtraken
dat ze zo weinig weten over God, en zo weinig thuis zijn in de Bijbel
en nooit de vertrouwdheid hebt omdat je de opvoeding niet hebt gehad
en daardoor een achterstand.
Dat verschil valt weg, zegt Paulus, in Christus. In Christus komt er iets nieuws.
Je bent geen vreemde meer.
Nou, er kan heel lang over heen gaan, voordat iemand opgenomen wordt
in een gemeenschap of iemand zich opgenomen voelt in een gemeenschap.
God zegt: je bent geen vreemde meer, maar er één van Mij.
Je bent niet meer ver weg en ook niet meer dichtbij – maar je bent van Mij en in Mij.
Niet meer iemand op een afstand, niet meer iemand die slechts gedoogd wordt,
maar je telt volop mee, omdat je bij Mij een thuis hebt, medeburger bent.
De openheid die mensen niet zo makkelijk hebben,
om de ander na een diepgaand conflict toch weer op te zoeken en op te nemen,
een nieuwe gemeenschap te vormen, waar de kloof is overbrugd
en wat verkeerd is gegaan vergeven is en een werkelijke verzoening plaats gevonden,
geen het-moet-maar of het-is-niet-anders, maar werkelijk bij elkaar gekomen
geen vreemde, maar iemand die een plek heeft aan de tafel.
Dat is het teken van de verzoening: als je aan elkaars tafel kunt zitten,
samen een maaltijd gebruiken, steeds weer opnieuw, genietend van elkaars aanwezigheid.
Elkaar uitnodigen op een verjaardag is een hele stap dan,
elkaar uitnodigen voor een gezamenlijke maaltijd gaan nog verder:
je stelt niet alleen je huis open, maar ook je gezin, je laat de ander echt delen.
Dat is wat God ervan maakt – een werkelijke eenheid,
waar je samen aan de tafel zit – waarbij Paulus ook aan de avondmaalstafel denkt.
Dat gaat samen op: wie samen aan de avondmaalstafel zit,
kan ook bij elkaar aan de eettafel komen
en als je samen niet aan de avondmaalstafel kunt komen,
omdat de scheur zo diep is, moet je elkaar maar eerst opzoeken aan de eettafel
en het weer proberen met elkaar, niet afgedwongen,
maar omdat er in Christus iets is gebeurd, dat uit kan groeien tot het elkaar weer vinden.
Al duurt dat soms een heel lange tijd van voorzichtige toenaderingen.
Dat wil niet zeggen, dat de toenadering ook altijd lukt.
Maar dat kan alleen als we in ons hart niet accepteren dat de kloof blijft bestaan.

Paulus heeft een reden om er zo op te hameren dat er in de gemeente een eenheid ontstaat,
om de gemeente erbij te bepalen dat God een eenheid maakt.
God heeft daar een doel mee: die nieuwe eenheid, die nieuwe gemeenschap is niet zomaar iets, maar is iets heiligs, want het is de plaats waar God woont: een heilige tempel.
God woont niet alleen in degenen die van oorsprong dichtbij waren,
Hij woont in de nieuwe gemeenschap waar die veraf waren, die er niet mee opgegroeid waren, ook hun thuis hebben gevonden.
Ook in hen woont Hij
en beiden hebben ze het nodig, dat ze verzoend worden, met God en met elkaar.
En dat gebeurt ook en God gaat verder: Hij bouwt verder
tot die nieuwe gemeenschap een plaats voor Hem is om te wonen.
Daarom werd de muur afgebroken en de vijandschap overwonnen,
zodat God de gemeente een woonplaats van God kon worden,
een plek waar God op aarde is en waar Hij woont in de mensen.

Soms moet een huis verbouwd worden.
In de vorige gemeente was er een gezin dat een oude boerderij kocht.
Het was de bedoeling dat die oude boerderij gesloopt werd
om er een nieuwe boerderij op te bouwen.
Het werd een heel lang proces, waarbij de familie in een bouwkeet moest wonen.
Ondertussen werd het gebouw afgebroken en een heel nieuwe boerderij.
Vanaf het fundament, een nieuwe constructie waar de boerderij op rustte,
en daarna de muren daarlangs opgebouwd.
Een lang proces, werk in uitvoering.
Zo is het ook met ons en met de gemeente: God werkt aan ons.
Hij breekt ons af en bouwt ons opnieuw op, vanaf het fundament,
niet meer onze afkomst als fundament, als basis, maar gebouwd op Zijn Woord, Zijn beloften,
en als stalen constructie, waar het gebouw op rust het kruis van Christus
dat heel het gebouw draagt en waarlangs ons levenshuis en de gemeente wordt opgebouwd.
Een levenslange verbouwing.
En als het af is, gaat Hijzelf er in wonen.
Het bijzondere is, dat God al tijdens de herbouw er gaat wonen.
Niet pas als het af is, maar nu al en hij werkt, en schaaft, en bouwt, en breekt af
wat de muren zijn die scheiden en bouwt nieuwe muren die dragen.
Hij maakt ons tot een woning voor Hemzelf – ongeacht onze afkomst
maakt Hij van ons een tempel, waar wij thuis zijn bij God en God in ons.
Een huis van vrede, omdat God daarin woont en wij bij God.
Heel ons leven verder wordt er aan ons, aan de gemeente gebouwt
En zo groeien wij, omdat God bouwt, omdat Hij komt wonen
en ons opneemt, niet als vreemdelingen, maar als kind aan huis,
die bij Hem aan tafel horen te zitten, omdat ze van Hem zijn
en Hij ze zo vormt, dat Hij in hen kan wonen en ze ook echt deel uitmaken
van de gemeenschap die om de tafel heen zit.
Amen

Preek Goede Vrijdag 2012

Preek Goede Vrijdag 2012
Tekst: God was het namelijk Die in Christus de wereld met Zichzelf verzoende, en aan hen hun overtredingen niet toerekende; en Hij heeft het woord van de verzoening in ons gelegd (2 Korinthe 5:19)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Hij heeft aan hen hun overtredingen niet toegerekend. Dat geeft aan waarom wij hier nu bijeen kunnen zijn voor het aangezicht van God, om de Heere te ontmoeten.
Want stel, dat Hij dat wel deed. Dat de Heere mij mijn zonden wel toerekende? Alleen als U vergeeft, kan ik bij U komen, zo sloot de preek van afgelopen zondag. Maar wat als de Heere nu niet vergeeft en het mij aanrekent dat ik net als Pilatus ben: onverschillig met betrekking tot Jezus, omdat Jezus niet in mijn leven past en ik niets met hem heb? Pilatus kwam in aanraking met Jezus, maar ging over tot de orde van de dag. Hij liet Jezus de weg naar het kruis gaan – hij was niet onder de indruk van Jezus. Wij kunnen niet – ook op deze avond van Goede Vrijdag niet – doen alsof wij anders dan Pilatus zouden kiezen: uit onverschilligheid tegen Christus en daarmee tegen God.
Dat laat het kruis op Golgotha zien: niet alleen de onverschilligheid van Pilatus of het verzet van de joden, maar ook onze onverschilligheid en ons verzet.
Als de Heere onze zonde ons wel zou toerekenen, wat zouden wij hier dan moeten zoeken? Zouden wij ons dan niet moeten verbergen – zoals Adam zich verborg toen de Heere in de hof kwam nadat hij gezondigd had?
Dat geeft ons samenzijn vanavond een diepe ernst. Wat Paulus hier schrijft, namelijk dat de Heere de zonde niet toerekent, moet waar zijn en niet door Paulus verzonnen zijn, omdat het hem of de gemeente in Korinthe goed uitkwam. Wat Paulus schrijft, moet waar zijn. Alleen als het van de Heere zelf komt, als de Heere zelf aangeeft, dat Hij de zonde niet toerekent, kunt u de woorden van God aanhoren zonder voor Hem te hoeven vluchten. Alleen als het waar is wat Paulus schrijft, kan ik als predikant de woorden van God in mijn mond nemen om u het sterven van Christus te verkondigen. Alleen als het van de Heere zelf komt, kunnen we met elkaar als gemeente naar Christus luisteren, maar de boodschap die tot ons spreekt door het sterven van Christus aan het kruis. Want daarom zijn we vanavond als gemeente bij elkaar: om te horen wat het sterven van de Heere Jezus aan het kruis voor ons betekent. Wat dat kruis op Golgotha ons te zeggen heeft en met ons doet.
We zijn hier vanavond niet bijeen als de Noord-Koreanen die dagenlang in het openbaar hebben gerouwd over de dood van hun grote leider. Goede Vrijdag is geen dodenherdenking. We zijn niet bijeen om de dood van Jezus te betreuren. Als er iets te betreuren valt, is dat onze keuze tegen God en tegen Christus, waardoor we tegenover de Heere zijn komen te staan. Als vijanden!
Hij heeft aan hen hun overtredingen niet toegerekend. Dat is het adembenemende van Goede Vrijdag: dat we hier niet bijeen zijn als vijanden van God om Zijn oordeel over ons aan te horen, het oordeel dat iedereen van ons zich tegen God heeft gekeerd. Dat kruis op Golgotha laat dat wel over ons zien – onthult dat over ons, een onthulling van wie wij ten diepste zijn: tegenstanders en vijanden van God, een oordeel over ons leven.
Het sterven van Golgotha laat ook iets anders zien: over God, over Christus. Namelijk dat Christus onze plaats innam. Onze plaats tegenover God, onze positie van verzet tegenover God. Afgelopen zondag ging de preek over onze positie tegenover Christus: wat doen wij met Hem? Wijzen wij Hem af, zoals Pilatus en de menigte? Vanavond horen we dat God ook positie kiest ten opzichte van ons. Hij, de Heere, die wij hebben afgewezen en onszelf tot vijand van Hem hebben gemaakt. Hij zou ons moeten verwerpen, omdat wij Hem verwierpen. Maar Hij koos ervoor om Zijn Zoon, die zo nauw met Hem verbonden was, op onze plaats te brengen: onze plaats tegenover God, waar we in verzet leven tegen God. Hij rekent ons de zonde niet toe, omdat Hij Christus tot zonde heeft gemaakt. Dat betekent dat God Zijn eigen Zoon verwierp. Hij zette Zijn Zoon buiten de gemeenschap met Hem, buiten de gemeenschap van het Leven. Wie God verlaat heeft smart op smart te vrezen, zegt de Schrift. Daar op Golgotha werd de Zoon door God verlaten. Niet alleen uitgestoten door de mensen, maar ook verworpen door God. Hij, de Zoon, nam onze plaats in. Hij, de Zoon, die deel uitmaakte van de hemelse heerlijkheid, van Gods heerlijkheid. Hij legde die heerlijkheid af. Zelfs Zijn verbondenheid met de Vader, waardoor er nog maar één weg overbleef: de dood als consequentie doordat de band met de Vader werd doorgesneden.
Hij, Christus, deed dat met een reden: Hij liet zich verwerpen om ons. In onze plaats. Jezus nam onze plaats in: de plaats buiten de gemeenschap met God.
Doordat Hij onze positie innam, kunnen wij weer bij God horen en deel uitmaken van Zijn gemeenschap. Hij liet Zich buiten de gemeenschap met God verwerpen, zodat wij weer gemeenschap met God kunnen hebben. Dat is verzoening: niet God verandert, maar Hij verandert onze positie. Verzoening wil niet zeggen, dat God vol boosheid zit en dat Hij die boosheid kwijt moet raken. En het kruis op Golgotha was geen bliksemafleider om de woede van God op te vangen! Verzoening wil zeggen, dat wij van onze plaats worden afgehaald, onze positie van verzet tegen God. Omdat onze vijandschap wordt overwonnen (dat is de verzoening waar de Bijbel over spreekt!) kunnen wij weer leven in de gemeenschap met God.
Dat hoort ook bij Goede Vrijdag: dat de Heere Zelf de gemeenschap, die wij met Hem verbroken hadden, weer herstelt. Wij waren een tak die onszelf hadden losgemaakt van God, van de Bron van het leven. Goede Vrijdag wil zeggen: dat God deze tak die zichzelf had losgemaakt weer verbindt met Hem en dat wij het leven, dat Hij geeft, weer mogen ontvangen. De verandering daarvan is voor ons zo nieuw, dat we dat alleen maar kunnen vergelijken met van dood naar levend, een nieuwe schepping, zoals Paulus dat aangeeft. We kunnen ons er alleen maar diep over verwonderen: dat God vijanden opneemt in Zijn gemeenschap, tegenstanders weer verbindt met Zichzelf.

Maar dan moet het wel waar zijn! Dan moet Paulus dat niet hebben verzonnen om van zijn eigen schuld af te komen. Hij heeft immers de gemeente en daarmee ook Christus vervolgd? Dan moet de boodschap van verzoening wel van God zelf komen! Dat is de ernst: is het waar wat Paulus zegt of niet? Komt het van God of komt het van hemzelf? Als het van God komt, is het onze redding en behoud. Als het door Paulus is verzonnen, is het onze ondergang.
Paulus benadruk dat het van Christus zelf komt! Het kan ook niet van Paulus komen, omdat Paulus niet meer voor zichzelf leeft. Daarom kan hij niet meer uitgaan van zijn eigen mening, zijn eigen standpunt. Het is niet van belang hoe Paulus erover denkt en wat Paulus’ opvattingen zijn.
Voor het kruis gedaagd gaat het maar om één ding: komt het van God?
Het is niet de stem van Paulus die tot ons komt, maar de stem van Christus zelf. Hij die zweeg tijdens Zijn proces, spreekt ons nu aan: Laat u met God verzoenen.
Geef je positie tegenover God op. Het hoeft niet meer, want Christus heeft onze positie overgenomen. Hij werd tot zonde gemaakt, opdat wij het leven in Christus zouden ontvangen. Hij werd verworpen om ons de gemeenschap met God weer te geven.
Op Golgotha kwam God om een oordeel te vellen over ons leven, maar dat oordeel werd gedragen door Zijn eigen Zoon. Op Golgotha kwam God niet met een legioen engelen om ons – vijanden! – van de aarde te bannen. Hij kwam – door één Man, die door mensen en door God werd verworpen. Hij – in onze plaats verworpen – spreekt ons aan, vraagt ons: laat u met God verzoenen!
Amen

ds. M.J. Schuurman

Hoe kunnen we eigenlijk weten dat het waar is wat Paulus zegt? Dat het niet zijn eigen woorden zijn, maar de woorden van God Zelf? Door de opstanding: Hij werd opgewekt omwille van onze rechtvaardigmaking (Romeinen 4:25). Door Christus uit de doden op te wekken, liet God weten dat Christus stierf om ons te verzoenen.

Preek Goede Vrijdag 2011

Preek Goede Vrijdag 2011
Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping (…) En dit alles is uit God, die door Christus ons met Zich verzoend heeft (2 Korinthe 5:17-18)

Gemeente van onze Here Jezus Christus,

(1) Duisternis
Wat houdt de duisternis in die opkomt als Jezus aan het kruis hangt? Zullen de omstanders rondom het kruis beseft hebben dat die duisternis te maken heeft met Degene die aan het kruis hangt? Zullen de bewoners van Jeruzalem door gehad hebben dat de duisternis die hen overviel in verband stond
met degene die buiten de muren werd terechtgesteld? Of zullen ze er meer gedacht hebben: hè, wat vervelend, nu kan ik niet doen wat ik me voorgenomen had.
Een hinderlijke onderbreking van het werk, zoals een stroomstoring bij ons: je kunt het gewone werk niet doen. Je loopt naar een collega om te mopperen dat je niet verder kunt, of naar een buurman om te vragen of hij er ook last van heeft. Of zullen ze er van opgekeken hebben en gedacht: dit is nu het moment dat God ons iets wil duidelijk maken: we moeten ons werk neerleggen en ons bezinnen op wat Hij ons te zeggen heeft?
Dat is in ieder geval wel de bedoeling van de Here geweest. Het is het duister dat over het land valt als God zijn aangezicht verbergt. Te dien dage zal het geschieden, luidt het woord van de Here HERE, dat Ik op de middag de zon zal doen schuilgaan en bij klaarlichte dag het land in het donker zal zetten. (Amos 8:9) Als de Here zegt: het leven dat jullie leiden, gaat zo aan Mij voorbij en tegen Mij in, Ik vertrek uit jullie midden. Het duister dat over het land valt, is het duister waarin God er niet meer is.

Waar Gij niet zijt, is het bestaan,
 is alle denken, alle doen
zo leeg, zo dood, als toen Gij,
Geest, nog niet waart uitgegaan.
(Gezang 250:2 Liedboek voor de Kerken)

Als Jezus niet was gestorven zou de wereld niets anders zijn dan deze duisternis en donkerheid. Dan zou ons leven zich afspelen in deze duisternis, waarin Gods bescherming er niet meer is. Een duisternis die al het licht dat er is wil verzwelgen, die als een octopus al het leven dat er is met zich mee wil trekken de ondergang tegemoet.
De enige die beseft, wat hier gaande is, is Jezus.
Hij beseft, wat de omstanders niet beseffen, wat de bewoners van Jeruzalem aan voorbij gaan
en wat wij ook niet zouden begrijpen als het ons niet was onthuld in Gods Woord. Jezus beseft, dat wat hier gebeurt het oordeel van God is. Dat God hier als rechter aan Zijn volk laat zien: zo staat het met jullie ervoor. Jullie denken, dat jullie trouw zijn, dat jullie Mij van harte dienen en zoeken.
Jullie denken dat jullie Mij vereren, maar jullie vroomheid is een façade, een schone schijn. Als jullie een oordeel over jezelf zou moeten vellen, zouden jullie aangeven dat jullie in Mijn volle licht zouden staan.
Maar met de kruisdood van Jezus vel ik een oordeel over jullie: dat jullie verkeren in de duisternis, de donkerheid, de doodsheid waar ik niet ben. Ondanks dat jullie de schijn ophouden dat jullie Mij dienen, ben ik er al lang niet meer. De duisternis, die om het kruis opkomt, is de spiegel die God ons voor houdt en waarin Hij onze aanklager is: dat Ik er niet ben, dat alles doods en duister is,
komt omdat jullie het duister over jezelf hebt afgeroepen.
Duisternis wil niet zeggen, dat er geen menselijk leven mogelijk is. Ook op een begraafplaats kan men overleven, zoals de bezetene van Gardara laat zien, de man die door een legioen duivels bezeten was. Ook met een leven vol corruptie en afpersing valt een leven op te bouwen, zoals Zacheüs laat zien. Ook iemand die zich beter voelt dan anderen, zoals de Farizeeër, zal niet het idee hebben dat zijn leven aan geluk ontbreekt.
En toch, het is niet het leven zoals God bedoeld had, dit is niet het leven dat God aan zijn schepselen wilde geven. Dat is wat de dood van Christus aan het kruis onthult: dat wij niet leven, zoals God ons opgedragen heeft. Wat we als kerk op Goede Vrijdag gedenken, is een drama, waar wij bij betrokken zijn, een gebeuren dat ons aangaat. Dat gebeuren pleit niet in ons voordeel. Integendeel, het is een daad van verzet tegen onze Schepper. Een daad van rebellie. Het ongedaan maken van de schepping,
de wereld die God voor ons geschapen had, de wereld waarin wij tot onze recht zouden komen, waarin wij alleen maar gelukkig zouden zijn, omdat wij het kwade niet kenden, maar een wereld die wij niet wilden.
Omdat het ons een te gemakkelijk leven was. Wie gelukkig wil zijn, moet ook het ongeluk kennen. Wie trouw wil zijn, moet ook de ontrouw kennen om te weten waar hij tegen strijdt. Wie God wil dienen, moet weten wat het is om als God te zijn. Dachten we. Niet beseffend dat we daarmee de duisternis en de chaos over ons zouden afroepen. Machten die ons zouden beheersen. In de duisternis die opkomt rond het kruis, daarin laat de Here zien, hoe het met ons zo vergaan,
hoe ons leven er uit zo zien als Hij niet ingegrepen had door Zijn Zoon te sturen. In wat voor afgrond ons leven zich zou afspelen. Wie de baas zou zijn in ons leven, wie wij zouden hebben te dienen.

Dat leven in de duisternis is niet iets dat je alleen bij een ander kunt constateren. Alsof wij er van verschoond zouden zijn en alleen een ander er last van zou hebben. Als we zo denken: alleen de ander heeft er last van, maar ik niet zo’n manier van denken – is juist een kenmerk van een even

(2) Gods ingrijpen d.m.v. een oordeel

Dat is gelukkig niet het enige dat God heeft gedaan. Als Hij alleen als rechter zou komen en zou laten weten wat er allemaal met ons mis is, zou goede vrijdag alleen maar een boetedag zijn. Zouden we bij elkaar zitten en vragen of de duisternis ons zou opslokken, zodat dat wij niet oog in oog met God hoeven te staan.
We noemen deze dag Goede Vrijdag, omdat God zelf tegenover de duisternis die wij over onszelf hebben opgeroepen, iets anders stelt.
Als Jezus sterft, is het de beëindiging van de nacht, het doorbreken van de macht van deze duisternis. Het licht der wereld, dat het duister overwint, de duisternis ook in ons leven begrenst. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping. Schepping: dat wil zeggen dat God zich van Zijn beste kant laat zien. Hij laat Zijn macht zien: wat niet is of dood, wordt tot leven geroepen.  Hij laat zich ook van Zijn barmhartige en genadige kant zien:
Hij gunt ons het leven. Het leven dat van Hem afkomstig is en dat wij zijn kwijtgeraakt, door de duisternis over ons af te roepen.
Dat laat tegelijkertijd zien, dat God niet moet veranderen. Hij moet geen ander worden. Wat God in Christus aan het kruis doet, is dat Hij iets met ons doet. Niet Hij moet zich veranderen om bij ons te kunnen zijn, maar wij moeten veranderd worden om met Hem te kunnen leven.
We begrijpen Golgotha verkeerd als we denken dat de toorn van God iets is als een onweersbui die op komt zetten. Dat God zijn toorn als een onweersbui moet ontladen op het kruis. Dat de Here zijn woede kwijt moet raken.
Het oordeel dat God over ons velt, is dat wij zo niet verder kunnen leven, want een leven buiten Hem om, een leven in donkerheid en duisternis, is een leven dat de ondergang tegemoet gaat.
Hij wil ook niet dat wij verloren gaan. Wat Hij hier uitspreekt is een nee tegen de zonde, tegen het duister dat ons omringt en in ons zit. Hij zegt nee tegen de zonde.
Dat oordeel velt Hij over ons om ruimte te maken voor het Ja van zijn liefde. Dat God Ja tegen ons zegt, betekent dat wij Hem weer kunnen aanspreken. Ja – dat betekent een relatie. Een relatie door God zelf met ons wordt aangegaan. Niet meer een relatie die wordt vertroebeld door wantrouwen of angst, maar die bestaat uit geschonken liefde.  Door God geschonken liefde.
Het Ja dat God tegen ons zegt, is het Ja van de rechter die onze vrijheid aankondigt. De poort van de duisternis gaat open en wij mogen weer in het paradijs zijn. Een nieuwe schepping, zegt Paulus. Dat wil zeggen: de toestand waarmee God met ons begonnen is. Het paradijs waarin wij wandelden met God. Met het nee tegen de zonde en het ja tegen ons plaatst God ons weer in zijn nabijheid. Zoals in het beging wij in het paradijs waren.
Alleen heet het geen paradijs. Dat zou suggereren alsof er een terugkeer naar het oude bestaan mogelijk is, het bestaan voor de zonde. God plaatst ons niet in het paradijs, maar in het lichaam van Christus. In Christus – waarin wij niet meer veroordeeld worden, omdat Christus dat oordeel heeft weggedragen. Omdat hij ons heeft verzoend. Wij worden veranderd. Verzoening betekent dat wij anders worden, een ander. Niet meer als iemand die niets meer met God te maken wil hebben, Hem wantrouwt of wegduwt, maar die Zijn Ja tegen ons kan ontvangen.
Een nieuwe schepping – er is bijna niets moeilijker te geloven dan dat wij nieuwe schepping zijn. Dat over ons leven een gunstig en genadig oordeel is uitgesproken. Dat ons ongeloof, onze twijfel en rebellie is overwonnen.
Is dat uiteindelijk niet de verbazing dat er Iemand is die Ja tegen ons zegt? We kunnen ons er al over verbazen, dat er mensen zijn die van ons houden. De verbazing dat God, die wij hebben losgelaten, ons niet heeft losgelaten, is nog groter. Toch is dat wat er op Golgotha gebeurt: dat God Ja tegen ons zegt en dat Ja ons helemaal nieuw maakt, omdat Zijn ja onze vijandschap overwint. Zijn ja verandert ons, vergeeft ons. Zijn Ja dat de deur opent naar Zijn gemeenschap.
Aan het avondmaal vieren wij dat God Nee zegt tegen onze zonde, maar Ja zegt tegen ons en ons zo redt van de ondergang, waarvoor wijzelf kozen. Niet onze verlorenheid, niet ons nee, maar Zijn ja – dat is het geheim van ons leven. Dankbaar en met grote verwondering ontvangen wij zijn Ja. E

En dit alles is uit God.
Amen