Preek zondagmorgen 20 augustus 2017

Preek zondagmorgen 20 augustus 2017
Afsluiting VakantieBijbelWeek 2017 (T)op Survival

c5c0f1c6-7c50-464a-9574-82dfeb5e661c

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Het is bijna twaalf uur en het begint al warm te worden,
te warm om nog iets te doen.
Toch loopt er iemand door de warmte om een klus te doen.
Het is een vrouw met een kruik om water te putten.
Je zou benieuwd zijn, waarom deze vrouw op dit tijdstip naar de put gaat
want water putten met deze warmte is geen doen.
Zou ze dat doen, om geen andere andere vrouwen tegen te komen?
vrouwen die over haar spottend aan kunnen kijken: ‘Jij hier, jij durft!’
vrouwen die verontwaardigd kunnen reageren als zij bij de put komt: ‘puh!’
of die met elkaar gaan smoezen en betrapt kijken,
omdat zij de roddels over haar toch opvangt.
Zou ze dat doen, om andere mensen uit de weg te gaan,
mensen die met haar geen raad weten, omdat ze een relatie met een man heeft,
waar het hele dorp over praat: ‘ze is niet getrouwd, moet je zien hoe ze leeft.’
‘Ik snap niet dat die man het bij haar uit houdt.
Ze heeft al 5 andere mannen gehad. Die mannen houden het niet bij haar uit.
Dan moet ze wel een vrouw zijn met wie je moeilijk samen kunt leven.’

De vrouw loopt daar door die warmte over de weg naar de waterput.
Af en toe schuilt ze misschien in de schaduw, maar ze gaat verder.
Het is voor haar een hele survival om daar te komen, een zware tocht,
met een kruik een eind lopen terwijl het warm is
En dan terug met een volle kruik water, een hele tocht.
En het zou best kunnen zijn dat haar hele leven een survival is,
dat er allerlei lastige hindernissen zijn, die ze steeds weer moet overwinnen,
de nare dingen die de mensen om haar heen over haar zeggen,
dat ze voelt dat er over haar geroddeld wordt,
en dat ze er niet in slaagt om een relatie goed te houden,
Dat de mannen met wie ze getrouwd is overlijden, of bij haar weg gaan.
Dat zal haar reputatie geen goed gedaan hebben
en dat geeft aan, dat het leven voor haar niet makkelijk is,
een overlevingstocht met veel hindernissen, elke dag weer een survival.

Ook in Oldebroek zijn er mannen en vrouwen, kinderen en jongeren
voor wie het leven elke dag weer een survival is,
een gescheiden moeder, die alleen de zorg voor de kinderen heeft
en daarnaast ook nog moet werken,
een gezin dat te weinig geld heeft om eten te kopen,
omdat er schulden zijn, of omdat beide ouders niet kunnen werken.
Volwassenen die zich schamen voor zichzelf, omdat ze een verslaving hebben
en daarom helemaal bedenken wanneer zij het beste naar de Emté kunnen gaan
om niemand anders tegen te komen.
Dat kan een tiener zijn, die het idee heeft: ‘Ik ben voor niemand belangrijk.
Niemand die mij ziet, niemand die mij echt kent.’

800_300_1_239031_0_nl_2017_vbw_map_web

Dan komt ze bij de put.
Wat zal ze geschrokken zijn dat daar een man zat.
Net zoals je als tiener bij jezelf kunt denken: ‘Als hij maar niet iets tegen mij zegt.’
En als hij dat wel doet, dat je voelt dat je rood wordt
en niet goed weet wat je moet zeggen.
Zo zal het ook bij deze vrouw geweest zijn.
Ze aarzelt om naar de put te gaan, want ze ziet dat het een man is, een Joodse man,
en ze weet dat het Joden niet toegestaan is om met mensen zoals zij om te gaan,
ze is een Samaritaanse
– dat heeft in deze tijd de betekenis ongeveer van een christelijke man
die een moslima of een vrouw die Jehova-getuige is tegenkomt.
En misschien weet ze ook wel, dat er Joodse geleerden waren in die tijd,
die heel streng waren en van mening waren
dat je als man niet een gesprek mocht beginnen met een vrouw.
Als hij me maar niet aanspreekt …

…. en dat doet hij toch: “ Geef mij water.”
Verbaasd kijkt ze de man aan: “ Hoe kunt u dat aan mij vragen.
U ziet toch dat ik een vrouw ben en ook nog een Samaritaanse.
Dat mag u toch helemaal niet aan mij vragen.”
“Je kent me niet, zegt de man, “anders had je aan mij die vraag gesteld.
Dan had je aan mij gevraagd: “ Geef mij te drinken.”
Ze snapt er helemaal niets van:
“ Nee, ik ken u niet en ik zie niets waarmee u water uit de put zou kunnen halen.”
“ Ik geef je ander water,”  zegt de man, “water dat je niet uit deze put kunt halen.
En het water dat ik je geef, is zo bijzonder, je krijgt daar nooit meer dorst van.
Het is zulk bijzonder water: je wordt er zelf een bron van,
anderen kunnen van jou dat water krijgen.”
Nooit meer dorst hebben, dat lijkt deze vrouw wel wat.
Dan hoeft ze nooit meer die zware tocht, nooit meer die survival te ondernemen
om hier bij de bron water te putten.

Wat zou dat voor water zijn, waar deze man over spreekt?
Zou er echt iets bestaan, waardoor je nooit meer dorst zou krijgen?
Over welke dorst zou deze man het hebben?
Over gewone dorst?
Of zou het gaan om iets waarmee ze graag geholpen wil worden.
Iets wat haar zelf niet lukt, maar wat ze wel graag zou willen.
Iemand die haar helpt om een goede relatie te houden,
zodat de mannen niet bij haar weg gaan, of sterven,
dat ze iemand wordt die wel iets voor elkaar krijgt,
al is het maar om gelukkig te zijn met een man
en gelukkig te zijn, zonder dat anderen in haar omgeving haar veroordelen.
Zou het om nog een ander verlangen gaan?
Verlangen om bij God te mogen horen?

Als een hert dat verlangt naar water, zo verlangt mijn ziel naar U,
U alleen kunt mijn hart vervullen.

Je weet niet wie ik ben, zegt de man tegen die vrouw.
We weten het wel, we hebben het gelezen: het is de Heere Jezus.
Hij moest daar zitten, hier bij de put, om deze vrouw te ontmoeten.

Het is twaalf uur als deze vrouw en Jezus elkaar ontmoeten
en met elkaar in gesprek gaan.
Er is in het evangelie van Johannes nog een keer sprake van 12 uur.
Wie weet dat?
Het staat in Johannes 19:14.
Om twaalf uur wordt het startsein gegeven om Jezus te kruisigen.
Dat Jezus zal sterven aan het kruis, heeft met deze vrouw te maken.
Aan het kruis neemt Jezus alle zorgen van deze vrouw mee,
al het verdriet, alle pijn die ze heeft, alle spot en vernedering die ze heeft meegemaakt,
en ook de afstand tot God, alle fouten die zij heeft gemaakt in haar leven.
De Heere Jezus neemt dat allemaal mee, naar Golgotha.
Er zijn 7 kruiswoorden: 7 zinnen die de Heere Jezus aan het kruis heeft gezegd.
Misschien heb je ze wel geleerd op school, of thuis.
Ik denk dat er wel volwassenen zijn, misschien de ouderen, die ze hebben moeten leren.
Ik ben op zoek naar het vijfde kruiswoord.

“ Mij dorst” Ik heb dorst.
Dat is eigenlijk wat die vrouw had: dorst.
Jezus zegt: Ik ken je dorst om gelukkig te worden, om echt gezien te worden,
om bij God te horen, je verlangen dat je fouten van je afgenomen worden
en het verkeerde wordt weggedaan,
je dorst om eindelijk echt iets goed te doen, iets te kunnen betekenen voor God,
voor je vader of moeder, voor je man of vrouw, voor je vriend of vriendin.
Het kruis wordt een bron.
Misschien ben je in de vakantie wel bij water geweest:
aan zee, aan een beek of bij een waterval.
al dat water komt ergens vandaan: elke beek heeft een bron
van waaruit het water langs je stroomt.
Zo wordt Jezus aan het kruis een bron: levend water komt naar je toe.
Dat levend water is: Gods liefde, is de Heilige Geest.
Dat zegt Jezus tegen deze vrouw: je krijgt van Mij Gods liefde, je krijgt de Heilige Geest.
Ook al ben je een vrouw, ook al ben je een Samaritaan.
Je bent niet minder: al waren geleerden niet zo positief over vrouwen,
bij de Heere Jezus zijn ze wel belangrijk,
na de opstanding zijn de vrouwen de eersten die Jezus zien als levende
en de eersten die over Hem vertellen.
Ook deze vrouw gaat terug om over Jezus te vertellen.
Ook je afkomst is geen belemmering,
en ook als je niets goed kunt doen in het leven, als alles mislukt,
dan zegt Jezus tegen je:
Gods liefde is er ook voor jou, ook jij mag de Heilige Geest ontvangen.
Ook al is je leven een survival, elke dag enorme hindernissen die je moet overwinnen
Jezus zegt ook tegen jou: als je eens wist wat ik je zou geven,
als je eens wist, dat je Gods liefde, als je de Heilige Geest van mij kan krijgen,
dan zou je er om vragen.

maxresdefault

Nu kun je bij deze vrouw denken: zij heeft veel problemen in haar leven
en als zij haar problemen bij Jezus brengt, dan lost Hij ze op.
En dan denk je bij jezelf: ik heb helemaal niet zulke grote problemen.
Met mij gaat het eigenlijk best goed,
heb ik dat levend water van Jezus dan wel nodig?
Ja, iedereen heeft dat water nodig, dat levend water, die liefde van God en de Heilige Geest.
Niemand kan zonder God, niemand kan zonder de Heilige Geest en zonder Gods liefde.
Aan het kruis wordt Jezus een bron, zodat die liefde, zodat de Heilige Geest
naar iedereen toe kan stromen, naar jou, naar alle mensen op deze wereld.
Er is geen enkele belemmering meer om bij God te mogen komen.

Hij heeft voor mij een routeboek.
En als ik toch een keer verdwaal,
gaat Hij zelf naar mij op zoek.

Ik ga achter Jezus aan, hoe de weg ook gaat.
Hij is de beste Gids die er bestaat (Themalied VBW 2017)
Amen

Preek afsluiting VBW 2015 – ‘De Bouwplaats’

Preek afsluiting VBW 2015 – ‘De Bouwplaats’
2 Samuël 7:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Wie van jullie is in de vakantie bij de zee geweest?
En wat heb je daar gedaan?
Weet je wat ik het leukste vind bij de zee?
Om een strandkasteel te bouwen,
een strandkasteel dat sterker is dan de golven van de zee.
Ik houd niet zo van zwemmen in de zee,
of van liggen zonnen op het strand.
Als kind vond ik de zee maar koud en vies door het zout.
Zwemmen in de golven vond ik ook spannend.
Ik had het ook koud, door de wind die waaide.
Wat ik wel leuk vond, was zo’n zandkasteel bouwen.
Het liefst een zandkasteel dat sterker is dan de golven.
Het was de sport om te kijken hoe lang zo’n kasteel zou blijven staan,
ook als de vloed opkwam en de golven steeds hoger kwamen.
Het mooiste was als er van dat kasteel de volgende dag nog iets te zien was.
Dan was ik daar trots op: dat kasteel had ík gebouwd
en het had toch maar voor een dag de golven doorstaan.

Iets maken dat langer niet zomaar kapot gaat en heel lang blijft staan
– is dat ook de wens van David?
Om voor God iets te maken dat niet zomaar kapot gaat,
dat lang blijft bestaan,
zodat het volk Israël eeuwenlang naar deze plaats kan toegaan?
Als David naar zijn eigen paleis kijkt
en dan denkt aan de tent waarin de ark van God staat,
valt hem een verschil op.
Het paleis dat hij heeft laten bouwen is een sterk en degelijk gebouw,
van het hardste hout dat hij had kunnen krijgen: cederhout.
Iedereen die het paleis ziet, is onder de indruk.
Dat paleis zegt ook iets over de regering van David:
net zo stevig en degelijk als het stevige, indrukwekkende paleis.
Stevigheid, dat straalt zijn paleis uit.
Als hij dan denkt aan de ark, de plaats waar God gediend wordt,
dat is maar een tent,
armoedig,
alsof God een zwerver is
en Zijn volk geen geld heeft om aan hun God iets degelijks te geven,
dat langer blijft bestaan.
Gods huis moet net zo lang blijven bestaan als het paleis dat ik heb gebouwd.
Dat is God wel waard: een mooi en kostbaar geschenk
voor alle hulp die de Heere aan David heeft gegeven,
waardoor David nu koning is en niet meer wordt aangevallen door zijn vijanden.
Het lijkt een mooi plan: om zo’n indrukwekkend gebouw voor God,
zodat iedereen die naar Jeruzalem kan zien aan het gebouw
hoe groot en indrukwekkend de Heere is
– en ook hoe dankbaar David is.
De profeet Nathan is dan ook gelijk enthousiast:
dat moet u doen, koning! Doe wat uw hart u ingeeft!
Dat is toch mooi als iemand zoiets over heeft voor de Heere.
Ook vandaag zal dat bewondering opwekken
als iemand bereid is om zoveel voor God te geven
als iemand voor God een monument opricht. Toch?

En toch krijgt Nathan diezelfde nacht de boodschap
dat David geen tempel mag bouwen.
David krijgt van God zelf geen toestemming.
Waarom eigenlijk niet?

Allereerst omdat het rustig in het land is.
David hoeft er niet meer met zijn legers op uit te trekken om oorlogen te voeren.
Nu hij rust heeft, gaat hij nadenken.
Ik kom dat vaak tegen.
Dat iemand gaat nadenken, omdat hij niet veel meer kan doen.
Een vrouw die altijd druk bezig is, in huis of voor anderen, nauwelijks tijd om te zitten.
Ze breekt haar been en moet gedwongen rust nemen.
Dat valt tegen. Er vallen opeens dingen op die ze voorheen niet gezien heeft
en ze gaat nadenken, terwijl ze daarvoor nooit tijd had.
Of een man die altijd druk met zijn werk bezig is.
Hij komt in het ziekenhuis.
Hij is te moe om iets te doen en de hele dag tv kijken of slapen is ook niets.
Omdat hij niets te doen heeft, gaat hij nadenken.
Over zichzelf, over hoe het gaat, over God.
Zo ook met David.
Omdat hij niet meer hoeft te vechten, gaat hij nadenken en rondkijken.
Je ziet hem door de stad gaan lopen,
de stad Jeruzalem had hij nog niet zo lang geleden veroverd op de Jebusieten.
Na zijn overwinning had hij de stad een andere naam gegeven:
stad van David.
Deze stad is van mij.

Ik had vroeger de neiging om overal mijn naam op de zetten:
op mijn schriften, op de kaft van mijn boeken, op mijn tas, soms op muren.
Ik denk dat ik daarmee wilde zeggen: ik was hier.
Zo doet David ook met Jeruzalem. Hij noemt de stad naar zichzelf:
Mijn stad – van mij – door mij bij Israël gekomen en door mij hoofdstad.
Ik was hier.
Zo loopt hij door zijn eigen stad, rond te kijken: van mij, mijn stad.
Mijn stad moet wel uitstraling hebben – allure!
Ik ben tenslotte koning geworden. Wie had dat gedacht,
Dat ik dat snotjochie, weggestopt bij de schapen, eens deze positie zou hebben.
Koning over heel Israël, bevrijder van mijn land.
Dat mag wel gezien worden
en over een poosje mogen ze mijn naam nog wel weten:
David, onze held, bij wie het begon: de vrijheid van Israël.
Hij versloeg de vijanden.
In zijn stad, zijn eigen stad loopt hij rond
en er is 1 plek dat hem tegenvalt.
Weet je welke plek? De plek waar de ark van God staat:
wat armoedig, een tent – geen stevige tempel

Weten jullie trouwens wat de ark is?
(De ark was troon,
gebouwd als een kist, waarop 2 engelen stonden, met de vleugels tegen elkaar.
De vleugels vormden de troon.
op die vleugels troonde de Heere der heirscharen, de Heere van de legers.
Die troon gaf aan: God is hier en
God is klaar om voor je te strijden tegen je vijanden.
Eeen tempel werd in die tijd gebouwd als een paleis, want God is Koning!
Dat hij dat niet eerder heeft gezien – de heilige plaats, de plaats van God.
Dat kan toch niet? Alsof God een zwerver is, een bedoeïen en geen Koning met macht,
die Zijn kracht ook heeft laten zien.
In een tent, dat hij dat niet eerder heeft gezien.
Maar ja, druk. Druk met koning worden, land verdedigen, concurrenten uitschakelen,
macht verstevigen.
Maar goed dat het rustig is en hij een kijkje kan nemen.

In mijn stad wil ik een huis voor mijn God, zoals ik wil en bij mij past,
in mijn stad wil ik God hebben, zoals Hij bij mij past.
De tempel, die David wil bouwen, is niet alleen voor God.
Ook een beetje voor David,
zodat de mensen later David nog herinneren.
Weet je wel, David, die goede koning, dapper en zo gelovig.
Kijk eens wat een mooie tempel hij voor zijn God heeft laten bouwen.
Dat moet wel een goede koning zijn geweest.

Zo is dat bij ons vaak, toch:
dat je de Heere aan de ene kant wil dienen en ook heel oprecht
en dat er toch ook iets van jezelf bij ziet.
Je doet iets voor God en eigenlijk ook voor jezelf,
om gezien te worden, zodat de mensen zeggen: hij was hier.
Kan het anders? Kunnen wij God dienen met 100% zuivere motieven?
Met een oprecht hart?
De Heidelberger Catechismus zegt: zelf onze beste werken zijn nog met zonde bevlekt.
Zelfs het beste dat we doen, zelfs voor God, is nooit helemaal goed.
Het is maar goed dat mijn naam op het predikantenlijst daar in de verte hangt.
In Watergang hing de predikantenlijst vlak tegenover de preekstoel.
Tijdens de kerkdienst keek ik recht tegen mijn eigen naam.
Ik was hier – hier in Watergang.
Ik was hier – mijn gemeente.
Voor je het weet ben je dan net als Nebukadnezer: de stad die ik heb gebouwd. Ik.
David zat er niet ver vandaan:
Jeruzalem, mijn stad – de stad van mij, die ik heb gebouwd,
inclusief de tempel. Mijn tempel voor mijn God.
Uit dankbaarheid, dat zeker ook. Een heel royaal, indrukwekkend gebaar.
En toch, ook een beetje voor jezelf.

De profeet Nathan heeft dat allemaal niet door.
Hij kan niet in het hart kijken.
Doe wat uw hart u ingeeft.
Het hart – ik denk dat er hier in de Bijbel niet voor niets over het hart wordt gesproken.
Toen Samuël in Bethlehem kwam,
keek iedereen op naar de oudste zonen van Isaï.
Zij maakten wel kans, zij hadden het, koningswaardig!
Dan zegt de Heere tegen Samuël: de mensen kijken naar de buitenkant,
wat voor ogen is, wat je met je ogen ziet, God ziet het hart aan.
Zo kijkt Nathan naar de buitenkant en ziet een indrukwekkend gebaar van de koning.
Hij ziet de binnenkant niet, het hart peilt hij niet.
God kent het hart van David.
Heer, die mij ziet zoals ik ben,
dieper dan ik mijzelf ooit ken,
kent Gij mij.

Davids hart was niet zuiver:
hij wilde dat er bij de tempel zo’n eerste steen kwam te liggen:
de eerste steen is gelegd door David, uit dank voor zijn God.
Doordat Davids hart niet zuiver is, kan hij ook niet zuiver kijken.
Dat hangt samen: als je hart vol is van jezelf, kan je God niet zien,
zoals Hij is, zoals God werkelijk is
Het tweede gebod: je mag van God geen beeld maken,
God is niet, zoals jij denkt dat Hij is.
God is zichzelf en vaak anders dan wij denken.
De Heere woonde niet voor niets in “die tent”.
Je hoort de minderwaardige toon in de stem van David: “die tent”, “tussen de gordijnen”.
De Heere corrigeert dat ook: David, die tent is de tabernakel.
Al die eeuwen door, vanaf de Sinaï heb ik in die tent gewoond.
Daar in die tent, woonde Ik, daar stond Mijn ark.
Al die tijd kon Mijn volk mij opzoeken en het was genoeg.
En dan komt er een schaapherdertje
die koning wordt, omdat zijn God hem tot koning uitgekozen heeft,
je bent koning omdat Ik jou heb uitgekozen.
Wie ben je wel dat je voor jezelf een naam bouwt?
Over 100 jaar weet hier in Oldebroek niemand wie ik was.
Misschien over 50 jaar al niet meer, of nog korter.
We zijn een zandkasteel op het strand – we denken heel lang te kunnen bestaan,
maar als de golven van de tijd komen, is er weinig meer van ons over.
Nee, dan God.
Hij is eeuwig, voor altijd.
Hij was er al in de tijd van David, dezelfde God.
David, jij hoeft voor Mij geen huis te bouwen.
Het huis dat jij voor Mij bouwt, hoe stevig ook – zal vergaan.
Dat gebeurde ook, toen Nebukadnezar de stad veroverde,
ging de stad van David en de tempel van David ten onder.

En toch, David ook al gaat jouw stad met de tempel die jij had willen bouwen ten onder,
jouw huis niet.
Jij bent sterfelijk, maar je huis niet.
Jij hoeft je naam niet te bouwen, je hoeft je naam niet overal op te schrijven
om aan de mensen en aan God te laten weten: ik was hier.
God bouwt jouw naam.
Je naam gaat bij God nooit verloren.
Davids naam niet en jouw naam niet.

Hoe kan dat koningshuis van David eigenlijk nooit ten onder gaan?
Want alles wat wij mensen maken, bouwen gaat ooit ten onder,
waarom dat koningshuis van David niet?
Dat heeft met de Heere Jezus te maken.
Jezus was een verre nakomeling van David,
Jezus’ koninkrijk kent geen einde.
Als je in Jezus gelooft, gaat ook jouw naam niet ten onder
maar krijg je in Gods koninkrijk, in de hemel van God een naam die nooit ten onder gaat.
Eeuwig leven bij God.
amen

Bij de Heere Jezus kom je nooit tekort!

Bij de Heere Jezus kom je nooit tekort!
Preek zondag 31 augustus Afsluiting Vakantie Bijbel Week
Mattheüs 15:29-39

Gemeente van onze Heere Jezus Christus, beste kinderen,

Nu de preek wordt de snoep rondgedeeld
of mag je een van de snoepjes opeten die je meegenomen hebt.
Als je erbij was, bij het Bijbelverhaal over de Heere Jezus, had je aan een snoepje niet genoeg gehad.
Dan had je moeder je een bolletje of een snee brood toegestopt.
Want de kerkdienst duurt een uur en een kwartier of misschien 1,5 uur,
maar toen bij de Heere Jezus waren de mensen 3 dagen achter elkaar bij hem.
De Vakantie Bijbelweek was op 3 ochtenden en daarna ging je weer naar huis
en voor de tieners een hele nacht.
De mensen die bij de Heere Jezus waren, zaten al 3 dagen bij elkaar
om te luisteren naar wat de Heere Jezus te vertellen heeft
om te zien wat Hij welke bijzondere dingen Hij deed.

Waarom zijn ze naar Hem toe gekomen?
Wat zouden ze van Hem verwachten?
En waarvoor zou jijzelf naar de Heere Jezus gaan?
Wat verwacht jij van de Heere Jezus?
Geloof is niet alleen iets van grote mensen,
nee, de Heere Jezus laat duidelijk merken dat juist kinderen beter dan volwassenen begrijpen
wat geloven is.
Ik hoop dat je ook van de Heere Jezus houdt
en dat ook jij net als Petrus bij Hem wil horen
en Hem wil volgen.
We zongen het: Ik wil Jezus volgen, heel mijn leven.
Ik hoop dat het waar is, voor jullie en voor ons allemaal in de kerk
en voor degenen die meeluisteren,
dat we met elkaar als gemeente volgeling zijn.
Daarom wordt de Vakantie Bijbel Week ook gehouden
en is er ook elke zondag een kerkdienst en ben je er in de week mee bezig.
Zodat ook jullie bij de Heere Jezus willen horen.

3 dagen waren ze al bij de Heere Jezus om naar hem te luisteren,
om Hem bezig te zien, om door Hem geholpen te worden.
Voor deze mensen is Jezus gekomen.
JE zou kunnen zeggen: Hij is speciaal voor hen teruggekomen.
Mattheüs laat het decor zien waar Jezus komt:
op de berg en bij het Meer van Galilea.
Mattheüs doet dat om te laten zien wie Jezus is.
Jezus komt bij de berg en bij het meer.
De berg – dat doet denken aan Mozes, aa de keer dat het volk Israël in de woestijn was
en de Tien Geboden van de Heere kreeg.
Daar bij de berg kwam God zelf en zei:
‘Jullie zijn Mijn volk. In ben voor altijd bij jullie en jullie God.’
En met de Tien Geboden kregen ze richtlijnen, hoe je moest leven als je bij God hoort,
als je van God bent – daarom hebben wij er ook vanmorgen naar geluisterd.
Als je de Tien Geboden hoort, weet je: ik ben van God
en dan moet ik aan daarnaar leven.

Jezus komt bij de berg en daarmee laat Hij het volk weten: jullie zijn ook Mijn volk
en ik zal jullie vertellen hoe je moet leven.
En zoals God op de berg was en met jullie als volk meeging,
zo ben ik ook in jullie midden: Immanuël.

Op de berg en bij het meer.
Er staat ‘zee’.
Volgens is dat ook niet voor niets.
Dat schoot mij te binnen, afgelopen maandag, in de rouwdienst,
waarin het ging over Jezus die over het water wandelt.
De zee – dat is niet de zee waar je naar toe gaat als je een dagje uitgaat, naar het strand.
Zoals je misschien in de vakantie hebt gedaan.
Nee, het is een zee, omdat het opeens kan veranderen.
Een glad meertje waar je overheen vaart bij mooi weer, waar je op kan vissen.
Er kan opeens een storm komen en alles is anders.
Niet meer het rustige varen over een mooi meertje met prachtige bergen op de achtergrond,
maar een wilde zee, met hoge golven en een krachtige wind,
die het schip op en neer slaat.

Opeens kan je leven veranderen.
We hebben dat in de afgelopen zomer volop gezien.
Je zwaait familieleden uit op het vliegveld en een tijd later hor je het bericht
Dat er met dat vliegtuig iets ergs is gebeurd, wat niemand voor mogelijk houdt.
Opeens dat bericht dat je kind ongeneeslijk ziek is
en de wereld ziet er anders uit: alsof je levensschip in een hevige storm terecht gekomen is,
met wilde golven en een krachtige wind die tegen je levensschip aanblaast.
Mattheüs vertelt verhalen over Jezus over de zee gaat
en ook in een storm terechtkomt en de storm wordt door Jezus gestild.
Jezus die over de golven van deze zee heen loopt.
Psalm 93: boven de wateren die tekeer gaan is God.
Het meer en de berg, ze worden genoemd om te laten zien wie Jezus is.
Meer dan Mozes en als de Zoon van God.

Dan komen de mensen naar de Heere Jezus toe.
Ze komen niet alleen.
Vaak hebben ze iemand meegenomen, uit de familie, of een vriend.
Iemand die verlamd is, of doof, of blind.
Het wordt kort genoemd, maar van iedereen die komt valt vast wel een verhaal te vertellen.
Verlamden die nooit kunnen lopen en altijd door anderen gedragen moeten worden.
Of misschien wel helemaal verlamd zijn en ook de handen niet kunnen bewegen
en helemaal niet kunnen lopen.
Ze komen naar Jezus.
Wie is Jezus? En waarom komen ze bij Hem?
Als het goed is, hebben jullie in de afgelopen week ook over de vertel-vis gehoord
Petrus vertelt de mensen over de Heere Jezus, zodat zij in Hem gaan geloven.

Hier laat Mattheüs zien wie de Heere Jezus is, door over Hem te vertellen.
Mattheüs, die over Jezus vertelt, zegt het niet hardop,
maar wil in de verhalen die hij vertelt laten zien dat Jezus de koning is.
Niet een koning als Herodes, die iemand doodt wanneer hij er niet mee eens is.
Niet een koning die alleen maar in zijn paleis zit en alleen maar feest kan vieren.
Nee, Jezus is de koning van Israël die Zijn onderdanen opzoekt,
juist wanneer zij het moeilijk hebben.
Wanneer zij piekeren en tobben, wanneer zij worstelen.
Wanneer zij het moeilijk hebben met hun verlamd-zijn,
wanneer zij de beperkingen merken van hun kreupel-zijn.
Wanneer zij er niet bij horen, omdat zij niets kunnen horen
en ook het goede nieuws niet kunnen horen.
Jezus zoekt ze op om ze te helpen – om hen op een bijzondere manier te helpen:
door hen te genezen. Zodat ze weer kunnen lopen, kunnen kijken, kunnen horen, kunnen spreken.
Hij laat ze bij zich komen.
Houd ze niet tegen.
Bij een paleis zouden bedelaars op afstand gehouden worden,
zouden verlamden niet zomaar uitgenodigd worden
of misschien zelfs worden weggestopt, zodat de koning de ellende niet zou hoeven te zien
en geen zin meer zou hebben in feestvieren.
Nee, Jezus zoekt hen op en laat zien wat een koning hoort te zijn:
een herder, die zich bekommert om Zijn schapen,
die hart heeft voor Zijn schapen, om hen geeft.
Zijn daden, wat Hij doet, laat zien dat hij niet alleen koning over Israël is,
maar ook de Zoon van God.
Hij komt om te laten zien wie God is.

Op de Vakantie Bijbel Week hebben jullie een tekst geleerd,
een tekst uit Jesaja.
(Want ik ben de HEER, je God,ik neem je bij je rechterhand en zeg je:Wees niet bang, ik zal je helpen).
Jesaja 53: onze ziekten heeft Hij gedragen, zie Mattheüs 8:3.
[Uitdeel-vis: niet uitdelen, maar ook anderen meenemen. Nu nog: voorbede]

Want als de mensen al 3 dagen bij Hem zijn,
merkt de Heere Jezus dat de mensen honger beginnen te krijgen.
Zo kan Hij ze niet terugsturen.
Mattheüs, die over de Heere Jezus vertelt, zegt:
Hij is met innerlijke ontferming bewogen.
Wat Hij ziet bij de mensen, dat raakt Hem diep van binnen.
Dat zal ook gegolden hebben voor de mensen die aankwamen met hun gehandicapte familieleden.
Maar het geldt voor iedereen die er is: ziek of gezond.
Mattheüs vertelt dat niet zomaar.
Hij bedoelt: daaraan kun je zien wie Jezus is, want Jezus is daarmee gelijk aan Zijn Vader,
die Hem gezonden heeft.

Met innerlijke ontferming bewogen. Dat vertelt de Bijbel ook over de hemelse Vader,
over God.
God zit nooit onverschillig in de hemel.
Hij kijkt hoe het op aarde gaat
en als Hij ziet dat mensen het moeilijk hebben wordt Hij diep geraakt.
Als Zijn volk bij Hem weggaat, wordt Hij diep geraakt.
Als Hij het nodig vindt, komt de Heere uit de hemel en daalt Hij op aarde neer.
Als je Jezus ziet, dan zie je dat God zelf uit de hemel is neergedaald.
Om Zijn volk te helpen, te redden.
Ook hier op de berg aan het meer van Galilea zie je wie Jezus is:
Gods Zoon door God gezonden.
Want Jezus ziet onze nood.
Hij ziet dat de mensen geen eten meer hebben en dat ze niet meer terug kunnen
omdat ze daar geen kracht meer voor hebben.
Dan zorgt Hij dat er eten komt.

Mattheüs vertelt over de gebeurtenis.
Het is niet de bekende versie: niet de versie van 5 broden en 2 vissen
die een jongetje bij zich heeft.
Nu zijn het de discipelen die nog 7 broden over heeft en enkele visjes bij zich hebben.
Van die 7 broden zorgt de Heere Jezus dat er een hele menigte kan eten:
4.000 mannen en dan zijn de vrouwen en kinderen nog niet eens meegerekend.
Je zou verwachten dat als Mattheüs dit verhaal vertelt
onder de indruk is van wat de Heere Jezus allemaal doet, hoe Hij dat voor elkaar krijgt.
Maar nee, de nadruk ligt niet op het wonder.
De nadruk ligt hier op het verzadigd-zijn: genoeg krijgen.
Ik denk dat het hier wel herkenbaar is in Oldebroek:
wanneer je een feest geeft, wil je dat je gasten genoeg te eten.
Op recepties wordt er geregeld wat later op de avond een warm buffet klaargezet
en op de verjaardag kan een frituurpan aangaan.
In de familie van Rianne wordt er gesproken over het Veenendaal-gevoel.
Veenendaal, daar woonde haar oma.
En als je daar kwam kreeg je gebak bij de koffie,
maar je had de koffie en gebak nog niet op, of er was al een volgende ronde van eten:
worst en kaas, bijvoorbeeld en bowl.
Er moest genoeg te eten zijn, want je wilt een goede gastheer zijn.
Daar gaat het de Heere Jezus ook om:
Hij wil laten zien, dat Hij de gastheer is, die Zijn volk te eten geeft.
Als een echte koning die voor Zijn volk zorgt.
God zelf die voor Zijn volk in de woestijn, in de afgelegen plaats eten geeft,
zoals God het volk Israël in de woestijn ook manna gaf.
Bij God kom je niets tekort.
Hij geeft van alles genoeg.

Wij danken U van harte
voor nooddruft en voor overvloed
waar menig mens eet brood der smarte
hebt Gij ons mild en wel gevoed.

In de afgelopen week hebben jullie gehoord over Petrus.
In de onderbouw is ook de uitdeel-vis aan de orde geweest.
Petrus mag uitdelen van het brood, dat de Heere Jezus geeft.
Door uit te delen mag Hij laten zien, dat de Heere Jezus een goede gastheer is.

Waarom eigenlijk?
Waarom wil de Heere Jezus laten zien dat Hij een goede gastheer is?
Waarom mag en moet Petrus daarvan uitdelen?
Om te laten zien, dat de Heere Jezus nu voor ons zorgt,
maar niet alleen nu.
Het wijst ook vooruit naar de dag waarop de Heere Jezus terugkomt.
Dan zal er een feestmaaltijd zijn.
Vol overvloed, tafel vol feest.
Wie nu bij de Heere Jezus hoort, mag dan aan die maaltijd mee-eten
en verzadigd worden.
Elk stukje brood dat Petrus uitdeelt, is een uitnodiging:
geloof in de Heere Jezus en dan mag je ook naar dat feest
waar je nooit tekort zult komen, waar de Heere de beste gastheer is die je maar kunt bedenken.
Iedereen wordt uitgenodigd en daarom krijgt iedereen het brood.
Voor nu genoeg te eten.
Dat was vast niet moeilijk om op dat moment onder de indruk van Jezus te raken.
Maar om te geloven, dat Hij er ook voor zorgt dat je aan dat hemelse feest mag deelnemen,
dat is moeilijker.
Daarvoor moet je niet alleen geloven in de Heere Jezus die bijzondere dingen doet,
maar ook geloven in de Heere Jezus die voor ons stierf aan het kruis.

Jezus geeft brood.
Dat brood kunnen wij niet uitdelen, zoals Petrus dat deed.
Wij mogen wel de uitnodiging uitdelen, die in dat brood naar voren kwam:
ook jij mag komen naar dat feest: geloof in Hem!

Daarom heeft men in deze gebeurtenis ook een heenwijzing gezien naar het avondmaal.
Over twee weken wordt dat gehouden.
Daar wordt ook brood gegeten: een klein stukje,
maar ook dat stukje brood is een uitnodiging en ook een opdracht om in de Heere Jezus te geloven
die in de hemel een gastheer voor ons wil zijn.
Een uitnodiging, een opdracht: geloof in Mij.
Wie aan de tafel zit, mag dat brood en deze uitnodiging doorgeven.
Bij de Heere Jezus kom je nooit tekort.
Amen

Preek zondagmorgen 1 september 2013 (Afsluiting VBW)

Preek zondagmorgen 1 september 2013
Afsluiting VakantieBijbelWeek 2013

Genesis 12:1-9

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Vanmorgen willen we de VakantieBijbelWeek afsluiten. We doen dat met een bekend verhaal. Misschien denk je wel: dat verhaal ken ik allang. Maar stel je voor, dat het verhaal van Abram zich vandaag zou spelen hier in Oldebroek…

Stel je voor dat er vanmorgen hier in de kerk iemand naar voren komt, een echte Oldebroeker. Hij is hier geboren en al zijn 75 jaar heeft hij hier gewoond. Iedereen kent hem, omdat hij best wel rijk is, iedereen in het dorp weet zijn huis aan te wijzen en praat vol ontzag over hem. Hij komt naar voren en je wordt nieuwsgierig naar wat hij gaat zeggen.
Dan zegt hij: ‘Beste mensen, moet afscheid van jullie nemen. Ik moet namelijk op reis.’
Dat is raar: ik moet op reis. ‘Ja,’ zegt hij, ‘Ik moet op reis en ik kom niet meer terug. Ik ga hier voorgoed vandaan. Ik ga op weg naar het land, dat God mij wijzen zal.’

Als dat vandaag zou gebeuren, zouden er gelijk een hoop reacties komen:
– De een is vol bewondering: ‘tsjonge, dat is wat: de stem van God horen! En dan zo’n opdracht!’
– Een ander zou zeggen: ‘Dat land dat God je wijzen zal: waar is dat? Is dat in Wezep? Of nog verder: in Apeldoorn? Of is het nog verder: misschien wel het zuiden van Spanje? Moet je zo’n afstand afleggen?’
– Een derde zou zich afvragen: ‘Hoe weet je dat het de stem van God is die zegt dat je hier moet vertrekken? Kun je je niet vergist hebben?’
– Weer iemand anders zou afvragen: ‘Hoe moet dat later met je bezittingen. Je hebt helemaal geen kinderen. Van wie zijn al je spullen, al je geld als je sterft? Komt het dan in vreemde handen, daar in het verre land?’
En de echte Abram, waar de Bijbel over vertelt? Had hij de vragen ook? Denkt hij bij zich zelf: Wat hoor ik nu? Heb ik het goed gehoord? Dat kan de stem van God toch niet zijn? We lezen er niets over. Wat we lezen, is dat Abram de stem van God hoort en dan ook gaat. Alles moet mee.

Je kunt er een spelletje van maken, zoals op de avond van de afsluiting: ik ga op reis en ik neem mee…
Abram moet alles meenemen.

Boekendozen van Verhuisboxen
[Voor het gesprek met de kinderen: Wat moet je allemaal meenemen als je gaat verhuizen? Wat gaat er allemaal in de verhuisdoos?]

Alles moet in verhuisdozen: alle zomerkleren en winterkleren, al het beddengoed, alle kostbare voorwerpen die hij heeft verzameld, al zijn geld het moet allemaal in verhuisdozen. Alle dieren moeten mee, alle knechten die hij heeft. Genoeg eten en drinken voor onderweg. Dat zal een flinke stoet kamelen geweest zijn.

[Voor het gesprek met de kinderen: Wie is er wel eens verhuisd? Hoe is het om te verhuizen?]

Ook heel wat voor de familie van Abram. Zij waren vast niet blij met het vertrek van Abram. Want als Abram gestorven zou zijn, zouden zij als naaste familie alles van Abram erven, maar nu? Van alle rijkdom die Abram had zouden ze niets meer zien.

Een vreemde opdracht van de Heere voor Abram. Kijk als Abram kinderen had, dan kon je nog denken: Hij gaat weg voor zijn kinderen. Ergens anders is er meer ruimte voor hen, daar kunnen ze later hun eigen boerderij beginnen. Daar is de grond beter voor het graan. Daar kun je veel grotere kudden houden.
Abram trekt weg, zonder kinderen. Niemand die hem opvolgt of die later alles erft. Misschien ook wel niemand die hem begraaft of om hem verdrietig is.

Gisteren schreef ik aan iemand, dat ik overwoog om een verhuisdoos mee te nemen om te laten zien wat het voor Abram en Sara betekend moet hebben om te verhuizen. Ik maakte echter een typefout. Op het toetsenbord zit naast de –s de –d. Ik schreef geen ‘verhuisdoos’, maar ‘verhuisdood’. Zo zou je de verhuizing van Abram ook kunnen uitleggen: als een verhuisdood. Want 75 jaar oud en dan zonder kinderen: van Abram zou niets meer overblijven. Niemand die nog kan na vertellen hoe het met Abram was afgelopen en waar hij begraven ligt.

Zo moest Abram leren vertrouwen op God! Dat is niet eenvoudig, want was die stem van God elke dag bij hem om de weg te wijzen?
In de meeste auto’s zit tegenwoordig een tomtom, die de weg wijst. De tomtom zegt het waar je linksaf moet slaan, of rechtsaf. De tomtom zegt het als je op de verkeerde weg zit of weet een nieuwe weg aan te wijzen.
Veel mensen zouden willen dat de stem van God ook als de tomtom was. Elke dag zouden ze dan de stem van God horen. In ieder geval bij belangrijke beslissingen in het leven: welke baan moet ik kiezen? Op wie moet ik verliefd worden? Mag ik gaan scheiden?
Abram weet niet welke kant hij op moet gaan. Hij weet alleen, dat de Heere hem zal brengen. De Heere zal zorgen dat Hij in dat land komt. Maar hoe weet hij ook niet.
Voor ons vandaag heeft de Heere de Bijbel gegeven: Zijn Woord. Voor belangrijke beslissingen kan Zijn Woord worden geraadpleegd. Bijvoorbeeld als het over Syrië gaat. De president van de VS zou graag duidelijkheid willen hebben: mogen we aanvallen of niet? De Bijbel zegt in ieder geval: Gij zult niet doden. Voor ons betekent dat: wees voorzichtig! Ga niet zomaar een oorlog beginnen!
Wacht even: de Bijbel vertelt niet alleen over een opdracht voor Abram. Abram krijgt niet alleen de opdracht: ‘Ga weg met alles wat je hebt! Neem je familie niet mee.’ De Heere zegt nog iets anders:
Ik zal je tot een groot volk maken. Abram, de man zonder kinderen tot een groot volk! Daar is nog niets van te zien. Ook zoals er van dat land dat de Heere wijzen zal nog helemaal niets te zien is. En toch moet Abram gaan. Hij moet vertrouwen. Hij moet erop vertrouwen dat het klopt wat de Heere zegt: dat er een land komt, en dat er een kind zal komen. Dat er uit Abram een groot volk zal komen.

De Heere zegt tegen Abram nog meer: Abram je wordt niet alleen tot een groot volk. Abram, je zult een zegen zijn.
Want Abram, als je wegtrekt naar dat andere land, je neemt je familie niet mee. Dan lijkt het erop of je zult verdwijnen, de verhuisdood. Als de mensen later het spoor van Abram zouden willen volgen,
zouden ze niets vinden. De afdrukken van de kamelen, van de voetstappen, de wind heeft er zand over geblazen, de weg die Abram was gegaan zou niet meer terug te vinden zijn.
Maar Abram, zo werkt de Heere juist. De mensen kunnen van Gods weg niets meer terug vinden. Ze zullen zeggen: waar is God dan? Waar kunnen we zien dat God er nog is? Dat niet alles door de wind is weggeblazen?
Dan mogen ze denken aan jouw verhaal: en dan mogen ze zich herinneren – jouw leven leek te verdwijnen, maar je mocht een nieuw land vinden. De Heere gaf hem land, een kind, nakomelingen.
Zo zal de Heere steeds zorgen dat het goed kwam.

De opdracht voor Abram was een hele speciale. Om tot zegen te zijn voor alle andere volken. God leidt niet alleen de weg van Abram, maar regeert heel de aarde. Israël: weten dat God er nog is.
De president van de VS heeft allerlei plannen klaarliggen: op welke manier moeten we Syrië aanvallen? Wat is de beste manier?
Ook de Heere had een plan klaarliggen en in dat plan kreeg Abram een rol. Het plan was om door de Heere Jezus de wereld te redden van de zonde. Abram ging op weg – zonder kind. Maar uit het kind dat later geboren werd, Izak, zou later de Heere Jezus geboren worden.
Amen

Na de preek zongen we: Wat de toekomst brengen moge (couplet 1 en 4)
Voorafgaande aan de preek: Psalm 25: 2 en 7