Preek Eerste Pinksterdag 2020


Preek Eerste Pinksterdag 2020
Schriftlezing: Romeinen 8:1-17

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

In mijn studententijd preekte ik in een gemeente die wat moderner was dan ik gewend was.
Het was de zondag voor Pinksteren.
In de preek legde ik uit dat Christus naar de hemel was gegaan,
om vanuit de hemel ons de Heilige Geest te geven.
Na afloop van de dienst sprak ik met een van de oudere gemeenteleden.
Die zei tegen mij: ‘Bij ons hoor je niet zoveel over de Heilige Geest.’
En direct er achteraan zei ze: ‘U hebt wel wat van de Heilige Geest.’
Van die opmerking schrok ik best wel.
Niet alleen omdat het in deze gemeente bijna niet over de Heilige Geest ging,
maar vooral dat deze vrouw zei: “U hebt wel iets van de Heilige Geest.”
Daar klonk voor mij iets in door: ik heb de Heilige Geest helaas niet, maar u wel.
Ik was nog te onervaren om tegen haar te zeggen: U hebt de Heilige Geest toch ook?
Ik had ook kunnen zeggen: Dat u bij mij iets van de Heilige Geest merkt, is genade.
Ik ben daarin niet meer dan u en ook u kunt de Heilige Geest hebben.
Ik had ook dankbaar kunnen zijn, dat deze luisteraar opmerkte
dat de Geest door mij heen sprak en haar bereikte
en dat ik zo een middel mocht zijn om in deze gemeente over Christus te vertellen.
Maar ik schrok en ging vooral nadenken over de vraag: Heb ik de Heilige Geest wel?

Paulus is heel stellig naar de gemeente in Rome toe: U hebt de Heilige Geest.
En dat terwijl Paulus nog nooit in de gemeente van Rome is geweest
en alleen maar verhalen over deze gemeente gehoord,
heeft hij genoeg gehoord om te weten: jullie hebben de Heilige Geest.
Hij woont in jullie en Hij is in jullie actief bezig.
Paulus schrijft dat met dankbaarheid en zorg.
Tijdens het schrijven van deze brief probeert hij de gemeente voor zich te zien,
ook al kent hij deze gemeente niet.
Hij heeft gehoord dat ze in verschillende huizen bij elkaar komen in die grote wereldstad.
Deze gemeente bestaat uit 5 huisgemeenten, die in verschillende huizen bij elkaar komen.
Die huisgemeenten zullen verspreid zijn over de stad.
De ene huisgemeente komt wellicht bij elkaar in een grote villa, die in een luxe wijk staat.
De andere huisgemeente komt wellicht samen in een armere wijk.
Onderling hebben ze veel contact en weten ze dat ze bij elkaar horen.
Als hij zo aan de gemeente denkt, denkt hij ook aan de verhalen die hij gehoord heeft.
Leden van deze gemeente die opgegroeid zijn met de goden die Rome had
en nooit van de God van Israël hadden gehoord
en die de verhalen over Christus hebben gehoord en nu zijn gaan geloven.
Hij zal bijzondere verhalen hebben gehoord,
zoals hij zelf ook een bijzonder verhaal kan vertellen over hoe Christus in zijn leven kwam.
Anderen zullen niet zo’n bijzonder verhaal te vertellen hebben,
maar dat zij zijn gaan geloven is net zo goed een wonder, een wonder van de Heilige Geest.
U hebt de Heilige Geest.
Daarin klinkt de dank naar God toe: Dank U wel, Heere, dat U Uw Geest hebt laten werken
en dat daar in Rome een gemeente van Jezus Christus mocht ontstaan, die U wil dienen.
Ook daar in die grote wereldstad met die miljoenen mensen is het evangelie gekomen
en heeft de Geest harten voor Christus geopend.
Toch maakt Paulus zich ook zorgen over die gemeenteleden.
Ze hebben de Heilige Geest, maar laten ze de Heilige Geest ook in hun leven werken?
Daar in die grote wereldstad komt veel op hun af.
Ze zijn maar met weinigen, die in die grote wereldstad geloven in Christus:
5 kleine huisgemeenten, die samenkomen in de woonkamers van gemeenteleden.
Raken ze niet ontmoedigd? Houden ze het vol?
De tegenslagen waar ze mee te maken krijgen, lijden dat ze meemaken:
gaan ze daardoor niet twijfelen?
Een deel van de gemeente, met name de christenen met een Joodse achtergrond,
zijn verbannen uit de gemeente en dat gemis dat laat zich merken in de gemeente.
De gemeente heeft daar een behoorlijke douw van gekregen,
een teleurstelling dat degenen die van Christus zijn, dit niet bespaard is gebleven.
Hij, Paulus zelf, kan wel geloven dat het lijden van deze tegenwoordige wereld
niet opweegt tegen de heerlijkheid die er straks in de hemel zal zijn,
maar blijven de Romeinse gemeenteleden dat ook geloven?
Natuurlijk, ze hebben de Heilige Geest en dat weten ze,
maar beseffen ze nog wel, wat voor een wonder het is dat ze de Geest hebben
en dat ze zijn gaan geloven, dat ze Christus kennen en door Hem bij God mogen horen?
Als Paulus zo aan de gemeente in Rome denkt en voor de geest haalt
wat hij allemaal heeft gehoord over de gemeente en hoe de gemeente eraan toe is,
kan hij toch ook niet een andere zorg van zich afschudden.
Heeft dat oude leven, dat leven van vroeger, toen ze Christus nog niet kenden,
hen toch nog in de greep? Lopen ze het risico om niet terug te vallen in dat oude leven
en daarmee Christus kwijt te raken.
Paulus zou wel naar de gemeente toe willen gaan en het tegen hen willen roepen:
Jullie hebben de Heilige Geest!
Laat de Heilige Geest in je werken en je een nieuw mens maken,
laat de Heilige Geest jullie vormen naar het beeld van Christus!
De Heilige Geest maakt je zo’n ander mens, niet meer ongehoorzaam aan God,
maar van harte bereid om te leven in dienst van Christus.

Misschien volgt u deze dienst wel met dezelfde combinatie die Paulus heeft:
met dankbaarheid en met zorg over de gemeente,
met dankbaarheid en met zorg over enkele andere gelovigen die u goed kent,
of met dankbaarheid en en met zorg over uzelf.
Zou u dat trouwens over uzelf durven zeggen: Ik heb de Heilige Geest?
Zou je dat durven beamen: ja, ik laat me echt leiden door de Heilige Geest.
Ik ben allereerst bezig met wat God wil en dan pas met wat ik zelf zou willen.
Ik wil dat ik op Christus ga lijken.
Ik merk het aan mijzelf, dat ik echt een ander mens begin te worden:
Ik ben geduldiger geworden, milder geworden, ik ben meer bezig met de Heere,
ik neem meer tijd voor Hem dan eerder – en dat alles is ook voor mij een verrassing.
Dat moet de Heilige Geest wel zijn: Hij is met mij en in mij bezig.
Zou u dat van onze gemeente durven zeggen: U hebt de Heilige Geest.
Ik merk dat de Geest hier aan het werk is en ik kan daar de Heere voor danken.

Het kan zijn dat u net als Paulus ook een bepaalde zorg hebt over onze gemeente.
Die zorg kan samengaan met blijdschap en dankbaarheid over wat de Geest doet.
Het kan zijn dat u denkt: de Geest werkt in ons midden, maar zijn we ons dat wel bewust?
We kunnen als gemeente ook gemakzuchtig worden en denken dat het wel goed zit,
want de Geest werkt in immers in ons midden. Wij hebben immers de Heilige Geest?
Juist als het zo vanzelfsprekend wordt, kun je gaan verslappen in je geloof.
Dat begint nooit met opzet en dat gaat ook altijd heel geleidelijk aan.
Er is zelden iemand die zegt: ik ga nu stoppen met geloven. Ik heb het lang genoeg gedaan.
Het begint geleidelijk aan: je slaat een keer een kerkdienst over.
Je vergeet een keer te bidden. Je denkt wat minder aan de Heere.
Die ervaring dat de Geest in je werkte gaat vervagen. Dat is iets van even geleden.
Het kan ook zijn dat de oorzaak buiten jezelf lag:
Je hebt enige tijd geleden belijdeniscatechisatie gedaan.
De gesprekken die je had, waren goed voor je. Je leerde van wat anderen zeiden.
Maar omdat de belijdeniscatechisatie al weer even geleden is
heb je die gesprekken niet meer, waardoor je minder tot nadenken wordt aangezet.
Of je hebt een tijd lang een bijbelkring gevolgd, maar omdat je het druk had,
ben je daar al een aantal keer niet aan toegekomen
– en nu in deze tijd komt het er al helemaal niet van elkaar op te zoeken.
Omdat je die gesprekken niet meer hebt, niet meer hoort hoe anderen ermee bezig zijn,
mis je de prikkel om er zelf mee bezig te zijn en je geloof gaat zo heel zachtjes achteruit.
Het zou je zo goed doen als je weer een paar mensen hebt en tijd zou hebben
om bij elkaar te zijn en er weer samen over te spreken,
samen met de dingen van God bezig te zijn en elkaar aan te scherpen.
Nu je die gesprekken niet meer hebt, is er trouwens ook niemand meer die tegen je zegt:
Eerlijk gezegd maak ik me zorgen om je geloof.
Je hebt de Heilige Geest toch? Waarom gaat je geloof zo zachtjes achteruit?
Weet je dan niet dat je aan Christus toebehoort?
Besef je dan niet wat je allemaal kwijt raakt als je Christus kwijtraakt?
Heb je dan niet door dat je weer het risico loopt om in dat oude leven te komen
Waarbij je alles wat je van Christus hebt ontvangen, al het werk van de Geest,
dat je dat allemaal kwijt bent en je weer terug bent bij af?
Misschien maak je op die manier wel zorgen over jezelf, over de gemeente,
of over iemand die je van nabij kent
en je die ander wel willen wakker schudden en toe willen roepen:
Je hebt de Heilige Geest! Laat de Heilige Geest niet uit je leven weggaan.
Of je zou de gemeente wel wakker willen schudden:
Beseffen jullie dan niet dat de Geest zoveel kracht kan doen in onze gemeente
en dat het vanuit onze gemeente dan naar buiten uitstraalt,
Waardoor er mensen bij Christus komen, die Hem eerst niet kenden.

Paulus kan de zorgen die hij heeft over de gemeente niet voor zich houden.
Ze moeten het weten.
Ze moeten het weten daar in Rome, de gemeente die hij niet kent,
maar die hij toch een keer hoopt op te zoeken, als zijn Heer hem dat toestaat,
als de Geest de wegen van Paulus naar die gemeente leidt,
Ze moeten weten dat Paulus ook wel zorgen maakt over hoe het geestelijk ervoor staat.
Dat is nog niet eens het belangrijkste.
Paulus wil vooral dat ze weten van de Heilige Geest.
Wat de Heilige Geest bij hen kan doen in de gemeente, bij ieder van hen.
De Geest kan jullie opwekken uit de dood, de Geest maakt levend,
ook jullie zal Hij levend maken, ook jullie gaat Hij levend maken.
Want de Heilige Geest wordt gezonden door de Vader,
die Zijn Zoon uit het graf deed komen, deed opstaan uit de dood.
Diezelfde Geest zal ook in jullie werken en woont en werkt al in jullie.
Jullie hebben de Heilige Geest.
Paulus ziet al voor zich hoe de gemeente staande blijft dankzij deze Geest.
Dat ze bij elkaar blijven komen, elkaar blijven opzoeken,
Dat ze volhouden, ondanks de teleurstellingen die er zijn,
waardoor ze best het een en ander voor de kiezen hebben gehad.
Als de toekomstige heerlijkheid veel groter is dan het lijden dat er nu is,
dan geldt dat ook voor de tegenslagen die de gemeente nu moet meemaken.
Dan kan de gemeente wel door een diep dal gaan, een crisis
en dan zullen de gemeenteleden het best moeilijk hebben
en wordt er ook echt wel geschud aan hun geloof – Paulus denkt er heus niet licht over.
Hij kan zich zorgen maken over de gemeente,
maar hij weet dat de gemeente een Bondgenoot heeft, die Paulus’ zorgen kan wegnemen.
Daar in Rome staan ze er niet alleen voor. Ze hebben immers de Heilige Geest.
De Heilige Geest zal hen leiden.
Hij schrijft dat temidden van al de zorgen die hij heeft over de gemeente ook op
om te laten weten wat er bij hen gebeurt: De Heilige Geest zal jullie leiden.
De Geest woont in jullie, de Geest werkt in jullie.
Als Paulus dat opschrijft, weet hij ook dat hij zijn eigen zorgen in Gods handen mag leggen
en mag vertrouwen dat de Geest ook zal werken, daar in die gemeente.
Hij zal de gemeente bewaren en beschermen.
De gemeenteleden daar in Rome zijn nog op aarde, zijn nog niet in de hemel,
maar ze kunnen dankzij de Geest al wel in de hemel komen door te bidden.
Ze kunnen voor God komen met hun zorgen: houd de gemeente in stand,
laat de Geest niet bij ons vandaan gaan, laat ons volhouden in geloof.
Ze kunnen bij God komen met hun dankbaarheid: dank U voor Uw Geest,
Dank U voor Uw genade, waardoor ook in Rome het evangelie kwam,
dat wij over Christus mochten horen en dat wij erbij mogen horen, bij U en bij Uw volk.
Ze kunnen zich met weinig voelen, 5 kleine huisgemeenten in die grote wereldstad
en toch zijn ze niet met weinig, want ze kunnen bij God in de hemel komen.
Al wonen ze in een stad die stikt van de afgoden en tempels,
Zij kunnen bij de enige God komen, die er is, aan Hem hun zorgen en noden voorleggen,
Hem vragen om Zijn nabijheid en bewaring,
en ze weten dat Hij met hen aan de slag is om hen een ander mens te maken,
te vernieuwen naar het beeld van Christus
en ze weten dat ze eens daar mogen zijn, bij hun Heer in de hemel.
Dan zal alle tegenslag, al het pijn dat ze geleden hebben van hen afvallen
en mogen ze ingaan in de heerlijkheid van Christus.
Paulus schrijft dat ook aan de gemeente: U hebt de Heilige Geest.
De Heilige Geest zal dat allemaal aan u geven, omdat de Geest in u woont, in u werkt.

En aan ons? Want het is mooi om te horen hoe de Geest dat in Rome deed,
hoe we horen dat de Geest in die tijd in de gemeente werkzaam was.
Maar we willen ook horen hoe het bij ons zit. Of de Geest bij ons kan werken
en hoe je dat kunt waarnemen, hoe we verder kunnen gaan op die weg
of als we zorgen hebben, dat we zien en merken dat de Geest weer opnieuw werkt.
Dat is wel de belofte die God bij de doop geeft:
Nu dit kind in de doop aan Christus wordt gewijd, wordt gegeven,
zal de Geest met dit kind aan de slag gaan.
Dat is de belofte die er is als de gemeente luistert naar het Woord van God:
Nu wij die woorden horen, nu wij daarnaar luisteren, mogen we erop vertrouwen,
dat God ons daardoor aanspreekt.
Dat de Geest in onze gemeente werkt, merken we aan de kleine dingen:
Dat we kunnen bidden, dat er belijdenis gedaan gaat worden (zou vandaag gebeuren),
dat merken we doordat het gemeentezijn wordt gemist, het elkaar opzoeken,
het samen zingen tot eer van God.
Maar ook als we het niet merken, gaat de Geest wel door.
De Geest laat zich niet door ons tegenhouden, want de Geest is de Geest van God,
die Christus uit de dood heeft opgewekt.
Die Geest werkt in u, in de gemeente – ook in deze tijd.
Amen

Preek Tweede Pinksterdag 2019

Preek Tweede Pinksterdag 2019
Romeinen 8:18-30
Want de schepping is ten prooi aan zinloosheid, niet uit eigen wil,
maar door hem die haar daaraan heeft onderworpen.
Maar ze heeft ook hoop gekregen (Romeinen 8:20)

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Als Paulus spreekt over de schepping die onderworpen is aan de zinloosheid
hebben we daar in de afgelopen week een voorbeeld van kunnen zien:
De wind die opeens kwam opzetten, met sterke rukwinden, een korte, hevige storm.
Door die rukwinden werden verschillende bomen omver geblazen.
Op de radio vertelde een bomendeskundige dat er geen verschil was in bomen:
Er waren jonge bomen, die heel buigzaam zijn, omgeblazen.
Zowel gezonde als zieke bomen – de wind maakte geen verschil.
Er vielen oude, diepgewortelde bomen om, waarvan je mocht verwachten
Dat ze door de diepe wortels stevig in de grond stonden,
bomen die al heel wat stormen hadden doorstaan waren nu toch omgevallen.
De man op de radio vertelde dat het vooral de wind was, die de bomen deed sneuvelen:
Rukwinden die uit een onverwachte hoek kwamen,
Want bomen zijn in staat om stevige wind uit eenzelfde hoek op te vangen.
Maar als de wind uit verschillende hoeken om de boom heen stormt,
wordt de boom gegrepen en is het gedaan met de boom.
Een voorbeeld van de zinloosheid, waaraan de schepping onderworpen is,
Want de wind is niet geschapen om verwoestend huis te houden,
maar eerder een beschermende kracht,
zoals de aarde, God deze schiep, geen verwoestende krachten had,
maar een paradijs voor de mens was, een plek om samen te zijn met God,
de aarde vol van Gods heerlijkheid. Alleen maar goed, goed in Gods ogen.
Maar zo is de aarde niet meer.
De aarde is een plek die onderworpen is aan de zinloosheid.
Ze heeft niet meer het doel, die de Heere aan de aarde gegeven had bij de schepping.
Zoals de wind niet meer de schepping bewaart en beschermt of dient en verzorgt,
maar tekeer gaat, verwoestend is.
In die wind die tekeer gaat en vernielen kan
en ook in de bomen die omgewaaid zijn door die rukwind
is een stem te horen.
Heere, hoe lang zult u toekijken?
HEERE, verlos mijn ziel van hun verwoestende daden. (Ps. 35:17)
En zij riepen met luide stem: Tot hoelang, heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt U ons bloed niet aan hen die op de aarde wonen? (Openbaring 6:10)

Niet alleen de natuur die lijdt door de schade die is aangericht,
maar ook dat deel van de natuur dat de schade aanricht
en niet anders meer kan dan verwoesting brengen,
omdat het in een macht gekomen is – zinloosheid, zegt Paulus, losgezongen van haar doel
Ook voor de natuur geldt:
Want het goede dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik. (Rom. 7:19)
Onderworpen aan de zinloosheid, zegt Paulus.
Het meest waarschijnlijke is dat het God is
die de rest van de schepping laat delen in het lot van de mensen
Die in het paradijs tegen Hem ingingen en zondigden en het kwaad binnenhaalden.
Dit zei God nadat Adam en Eva ter verantwoording werden geroepen:
Vervloekt is de akker om wat jij hebt gedaan,
Zwoegen zul je om ervan te eten, je hele leven lang.
Dorens en distels zullen er groeien, toch moet je van zijn gewassen leven.

De aarde geeft niet meer, waarvoor God de aarde schiep
En de tuin is niet meer de tuin die God schiep, maar een wildernis,
waarin de dorens en de distels de groei van het koren bemoeilijken,
maar ook het bewerken van de akker moeizamer maken.
De schepping zucht en daarmee bedoelt Paulus:
ook het niet-menselijke deel van de schepping, zoals de bomen en planten,
de dieren op het land en in de zee, de vissen en de vogels,
het water, de wind, de aarde.
Ze zuchten omdat ze niet altijd meer doen waarvoor God ze geschapen hebben.

Wij hebben 3 konijnen.
Als ze languit liggen, soms tegen elkaar aan,
dan zie je iets terug van het oorspronkelijke scheppingsdoel.
Maar als je bij het hok komt om ze eten te geven, vallen ze elkaar aan en jagen elkaar op.
Ze gunnen elkaar het eten niet. Ze moeten dan even laten weten wie de baas is.
De schepping is aan de zinloosheid onderworpen.
Ze beantwoordt niet meer aan haar doel, ze zucht onder het juk dat God opgelegd heeft.
In alles, heel de schepping zucht er onder, van het kleinste diertje tot de hoogste berg.
Als de schepping, zucht roept het tot God: bevrijd ons ervan!
Met dat zuchten zegt de schepping: Het is niet onze schuld.
Wij hebben niet de keuze tegen God gemaakt.
Met dat zuchten houdt de schepping ons een spiegel voor:
Wat heb je gedaan, daar in het paradijs, met het leven en de vrijheid die je van God kreeg,
de Schepper die je het leven gaf, die een wereld maakte,
de mens als kroon op de schepping, de mens: beeld van God?
Als de schepping zucht onder de last die God oplegt door onze zonde en klaagt ons aan:
Heel Uw werk, door ons vertreden, klaagt ons mensheid aan bij U.
Er zijn momenten waarop je dat zuchten naast je neer kunt leggen.
Als je foto’s ziet van exotische oorden met witte stranden, een blauwgroene oceaan
en groene bossen op de achtergrond,
dan kun je dat zuchten wegstoppen
en hoef je niet naar de aanklacht te horen die in dat zuchten schuil gaat.
De zonde wil ook niet dat we die aanklacht horen en dat we gaan nadenken,
wil niet dat we onrustig worden en gaan verlangen naar een ander leven, een beter leven.
De zonde wil juist dat we gaan denken dat deze wereld best te doen is
en de tactiek van de zonde is om alle negatieve kanten weg te duwen,
dat zuchten te overstemmen met andere geluiden,
waarbij we zeggen dat deze wereld zo gek nog niet is.
In de afgelopen week zag ik een filmpje van een strand:
strandgasten die aan het zonnebaden waren, aan het zwemmen, volop plezier.
Het was een filmpje van het strand in Latakia, het westen van Syrië.
Dat filmpje werd gedeeld door mensen die het niet zo’n goed idee vonden
dat Syriërs deze kant op kwamen en gaven bij dat filmpje aan:
Als dit Syrië is, waarom vluchten ze dan naar Europa?
Als je zo kunt genieten in je eigen land,
dan heb je toch geen reden om een veilig heenkomen te zoeken in een ander werelddeel?
Wat er niet bij gezegd werd was dat er nog geen tientallen kilometers landinwaarts
gevangenissen staan waar tegenstanders van het regime wreed gemarteld worden.
Ook werd niet gemeld waar het filmpje vandaan kwam.
Het kan ook uit het Assad-kamp zijn: propaganda dat het leven goed is onder zijn bewind.
De schepping zucht om ons wakker te houden.
Om ons niet te doen vergeten dat het hier beneden nog niet is,
ook al kleden we het leven hier nog zo mooi in
en zijn we in staat om alle rampen en narigheid vakkundig weg te poetsen
en de schijn op te houden – de schepping zucht.
Het zuchten van de schepping is niet alleen een aanklacht, een verwijt,
maar ook de stem van een diep geloof,
zoals in alle klachten in de Bijbel, in de klaagliederen uit het Oude Testament bijvoorbeeld

geloof naar voren komt in God, die alles bestuurt.
Want al die klachten die in de psalmen verwoord worden
En het zuchten van de schepping waar Paulus over spreekt,
weten dat God er iets aan kan doen, kan ingrijpen, kan redden, kan bewaren.
Als God het juk van de zinloosheid op de schepping gelegd heeft,
kan Hij dat juk er ook weg nemen en de schepping bevrijden
en weer tot haar doel brengen.
En hoe de mensheid ook zich nestelt in deze aarde en tevreden is hier.
De schepping zucht om ons onrustig te maken
om de illusies die wij als mensen kunnen hebben door te denken dat het hier wel meevalt
te doorkruisen met hun roepen, met hun gezucht.
Het is niet een enkel onderdeel van de schepping dat zucht, maar de hele schepping.
De gebieden die te onherbergzaam zijn om te bewonen net zo goed
Als de plekken waar mensen naar toe gaan om hun vakantie te vieren.
De dieren net zo goed als de planten.
De schepping is één, één in het juk van de doelloosheid, maar ook één in verlangen.
Reikhalzend verlangen: op de uitkijk gaan staan om te zien of je er al iets van verneemt.
Op je tenen gaan staan, om te kijken of het al dichter bij komt.
Want waar veel mensen het wel best vinden, het leven zoals het is,
Weet de schepping dat er een andere tijd komt, een tijd van bevrijding,
een tijd waarin de schepping weer is, zoals God die bedoelde.
Het zuchten van de schepping is daarom niet alleen maar lijden, niet alleen maar aanklacht,
maar ook evangelie: verkondiging dat er door Christus redding is, ook voor de schepping.
De schepping gelooft in haar Schepper,
gelooft in Christus als de hersteller van de schepping, die de zonde wegdroeg,
Waardoor er een tijd zal komen, dat het niet meer nodig is
om te lijden onder die zinloosheid en vergankelijkheid.
Zo getuigt de schepping, die door ons toedoen te maken kreeg met vergankelijkheid,
aan ons mensen van het heil dat er zal komen:
jullie zullen aangenomen worden als kinderen van God,
jullie die in opstand waren en niets van God moesten weten worden weer kinderen van God.
De schepping weet dat er meer is dan de zonde
en van een God die sterker is dan de zonde
En die ook het lot dat de schepping heeft getroffen door de zonde kan wegnemen.
Die de genade heeft, de barmhartigheid ook, om opnieuw te beginnen
met de mensen en daarom ook met de schepping,
Want de schepping blijft Zijn schepping. Hij geeft niet prijs van Zijn hand begon.
De schepping heeft dat geloof blijkbaar uit zichzelf, dat God zal redden
en dat er een nieuwe tijd zal komen.
De schepping lijdt wel aan de vergankelijkheid, kreunt en zucht eronder,
maar is niet het geloof kwijtgeraakt en ziet zelf de hand van de schepper
En getuigt ondanks de sterfelijkheid en vergankelijkheid,
ondanks de neiging om het verkeerde te doen van de Schepper.

Voor ons mensen is het een ander verhaal.
Wij hebben daarvoor de Heilige Geest nodig.
De Geest maakt ons onrustig en doet ons verlangen naar een andere tijd
Waarin God weer bij ons mensen is en wij van Hem zijn.
De Geest wekt in ons een verlangen om los van de zonde te komen
En niet meer gevangen te zitten in die neiging om het verkeerde te doen,
om alleen maar aan onszelf te denken, om het goede dat er is voor onszelf te misbruiken.
Ook wij zuchten, zegt Paulus, onder de zonde, onder het lot dat ons getroffen heeft,
dat ook weer door onszelf over onszelf is afgeroepen.
Maar ook voor ons is dat niet het laatste woord. Het is met de zonde niet afgelopen.
Ook wij mogen weten van die nieuwe tijd, die er door Christus is gekomen en zal komen.
Door Christus die de last van de zonde droeg, het oordeel van God, aan het kruis.
De nieuwe tijd die niet alleen maar iets van de toekomst is.
Als voorbode van die nieuwe toekomst van bevrijding, van weer kind van God zijn,
hebben wij van God de Geest gekregen: een teken dat die andere tijd komt
en dat God ons in die andere tijd wil hebben, wil meenemen, wil redden, bevrijden.
De Geest die ons de ogen opent voor onze neiging om de zonde te geloven
en er in mee te gaan als de zonde de negatieve gevolgen camoufleert
en ons wil doen geloven dat het zo wel gaat
en dat er een nieuwe wereld niet nodig is, omdat deze oude wereld nog voldoet.
De Geest die ons de oren opent voor het zuchten van de schepping
en ons doet luisteren naar de aanklacht die daarin klinkt, het lijden door ons veroorzaakt,
maar die ons ook meeneemt naar de God
aan wie de verzuchtingen van de schepping zijn gericht
om daar bij God ook ons zuchten te brengen.
In dat zuchten van ons zit een gebed, waar we de woorden niet voor kunnen vinden.
We hebben er geen woorden voor om te reageren als de schepping ons aanklaagt,
omdat we niet weten waar we met onze schuld naar toe moeten.
Wij kunnen die zelf niet dragen.
Die schuld kan ons alleen maar afgenomen worden.
In ons zuchten verwoordt de Geest voor ons een gebed waarin we onze schuld erkennen
en waarin we een beroep doen op God: Red ons van onze schuld,
zodat we weer met de schepping samen kunnen leven en samen kunnen uitkijken
naar de toekomst die U zult brengen.
Wij weten niet wat we bidden moeten, zegt Paulus.
We zuchten, omdat we uit onszelf de weg naar God niet vinden.
Dan neemt de Geest ons mee, via onze verzuchtingen, en brengt ze bij God.
En dan weten wij niet wat we bidden moeten en kunnen we alleen maar verzuchten,
de Geest weet van ons zuchten een gebed te maken tot God.
Bij Paulus heeft dat niet-weten wat we moeten bidden wellicht ook te maken
met de zonde waardoor we de wil van God niet meer kennen.
Wij kunnen niet meer zo bidden, door de zonde, dat in ons gebed het niet gaat om ons,
maar om de wil van God. Uw wil geschiede.
Wij weten niet hoe de bevrijding er uit zal zien.
We kunnen ons er geen voorstelling van maken, omdat we alleen deze wereld kennen.
Dit is de wereld waarin we leven.
Wat we erover weten, hebben we uit Gods mond gehoord, gelezen in de Bijbel.
We kunnen daar alleen maar over dagdromen in geloof.
Hoop noemt Paulus het: je kunt je er geen voorstelling van maken,
onze beperkte menselijke gedachten schieten tekort,
maar daarom is het nog wel waar, daarom komt die nieuwe tijd nog wel.
De tijd dat het juk van de schepping wordt afgenomen en ook wij als mensen bevrijd zijn,
samen met de schepping weer kinderen van God zijn en tot onze doel mogen komen.

Heer ons lot is in Uw handen
en het is uw hartewens,
naar uw beeld ons te veranderen
Jezus Christus, nieuwe mens.

Zie ons lijden, Heer, tezamen
met de ganse creatuur,
zie toch, hoe uw erfgenamen
zuchtend uitzien naar het uur,
dat zij ‘t juk mogen schudden
het vernederende juk
der vergeefsheid, ach wij bidden:
breek het stuk, Heer, breek het stuk.

Kom toch om de macht te breken
van de vorst der duisternis.
Geef dat de zege zeker is.
Amen

Preek zondag 19 november

Preek zondag 19 november
Psalm 68:5-21 en Romeinen 8:18-25

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Ik zal in dit vertrouwen leven – zongen we net.
Doet u dat eigenlijk?
Leven in het vertrouwen dat God uitkomst kan geven?
Dat dit geloof, dat God er zal zijn en redding zal brengen, u, jou overeind houdt
zelfs als het er niet op lijkt,
als het om je heen donker is, zo duister dat je er zelf niet meer uitkomt
en zo dreigend dat je zelf niet meer verder kan,
dat je niet de moed verliest en dat je daarom kunt zingen,
zelfs in de nacht, waarin alle licht om je heen weg is,
wanneer je wakker ligt van alle zorgen en allerlei piekergedachten in je rondspoken,
dat je kunt zingen van God, die er is,
in dat donker, terwijl je die zorgen hebt en niet kunt slapen
en zelf niet meer weet hoe het verder moet,
maar dat je weet: God zal zorgen dat het goed komt.
Leeft u wel uit dat vertrouwen?
Is dat wat jou opbeurt als je het moeilijk hebt?

Ik heb altijd bewondering als mensen zo kunnen leven,
zo op de Heere kunnen vertrouwen, dat ze altijd op Hem rekenen, in alle omstandigheden.
Ook je om je heen kijkt en zo weinig van God lijkt te merken.
Als het nieuws vol is van allerlei ellende, waarbij je denkt als je dat ziet:
Kan de Heere dat niet tegenhouden?
Je gaat haast denken dat er geen God meer is.
je hebt al je handen vol aan je eigen leven en je hebt tegenslag op tegenslag te verwerken.
Zingen? Dat kan ik niet meer, laat staan in de nacht, want die nacht is zo donker,
Ik zie zelf geen uitkomst meer – en waar is dan God?

En toch, het christelijk geloof is een geloof van hoop
– hoop dat God er is, dat de Heere ingrijpt, verandering brengt.
En dan niet in de vorm van een wens, waarvan je aanvoelt dat het onmogelijk is,
maar een overtuiging, rotsvast, omdat je weet dat God dat beloofd heeft
en die belofte zal waarmaken.

Van die hoop getuigen de beide Schriftlezingen:
Zing voor God, houdt Psalm 68 ons voor, want Hij blijft niet stil in de hemel zitten wachten
en zelfs als je het hier in deze wereld niet voor het zeggen hebt
en door veel mensen niet wordt gezien, voorbijgelopen wordt,
omdat je een weduwe bent, geen ouders meer hebt,
dan is er God die je ziet, die niet aan je voorbijgaat,
maar die voor jou, voor u uit de hemel neerdaalt en in actie komt.
Als niemand je ziet en je eenzaam bent,
Dan is God er die je eenzaamheid opheft omdat Hij mensen om je heen geeft,
bij wie je in huis mag komen, onderdeel mag worden van het huisgezin.
En tegelijkertijd de mensen die denken dat ze zich alles kunnen permitteren
en door niemand een strobreed in de weg gelegd worden
en hun gang maar lijken te kunnen gaan, die zich verrijken ten koste van anderen,
zij komen God op hun pad tegen en God stopt hun praktijken.
En berg je je maar als God niet vóór je opkomt, maar je tegenstander is,
want ontzagwekkend is God, krachtdadig en niet te stoppen, door niemand.
En toch wéér niet té groot voor een klein, eenvoudig mens die op de Heere vertrouwt.
Juist dan is er de Heere voor u, die voor u strijdt
Juist dan is God er die je niet alleen laat.
De sterkste macht zal verliezen van God, het onderspit delven
en God zal overwinnen.
Zelfs de dood, waar wij niet tegenop kunnen, waar wij ons gewonnen moeten geven,
Zelfs de dood, die machtige laatste vijand kan niet tegen God op.
Die God is een God van volkomen zaligheid (uitredding)
Bij de HEERE, de Heere, zijn uitkomsten tegen de dood.
Je kunt er van zingen, ook als je zelf de dood in de ogen kijkt.
Ook als je weet dat je zelf niet meer lang te leven hebt.
Hij kan, en wil en zal zelfs bij het naderen van de dood volkomen uitkomst geven.

Gelooft u dat ook?
Daarom zingen we erover, steeds weer opnieuw,
zodat we daar ook uit leven, dat God bij het naderen van de dood uitkomst geeft,
volkomen uitkomst.
Niet dat we onsterfelijk worden, of dat ons niets zal overkomen
of dat we geen angst meer hoeven te hebben,
maar wel dat we weten dat in het rumoer van de strijd,
als we de dood in de ogen zien,
als je weet dat je niet lang meer te leven hebt,
dat je weet dat God sterker is, sterker dan deze voor ons zo machtige vijand.
De dood en de angst voor de dood – dat wordt niet weggeduwd,
maar er wordt wel een weg gewezen naar God die ons kan beschermen, zal dragen,
die zelfs in de dood en door de dood heen een weg zal wijzen
naar een nieuw leven met Hem.

Die hoop op dat nieuwe leven dat God ons geeft ná de dood
Zien we ook in Romeinen 8.
Zoals Psalm 68 opkijkt naar de hemel en daar God verwacht,
die uit de hemel neerdaalt om te strijden, die komt,
ZO kijkt Romeinen 8 ook vooruit, naar Christus die komt, op de laatste dag,
de dag dat Christus wederkomt en er een nieuwe hemel en een nieuwe aarde komen
de wereld die nieuw geschapen wordt.
Op die dag zal Gods heerlijkheid geopenbaard worden
en mag wie gelooft die heerlijkheid zien en zelf ook ontvangen,
Bekleed worden met deze heerlijkheid
en leven in deze heerlijkheid, de glans en glorie van God in de hemel.
Het is nog niet zover, maar het komt wel, we kijken er naar uit!
Dat is nu hoop, zegt Paulus, het is er nu nog niet.
Je ziet er om je heen nog niet veel van, maar je weet dat het zal komen,
Je weet dat Christus zal komen, dat die nieuwe hemel en die nieuwe aarde zullen komen.
Stil maar, wacht maar, alles wordt nieuw, de hemel en de aarde.
Ja, stil maar, wacht maar,
Dat is niet met de armen over elkaar zitten, maar dat is uitkijken naar Zijn komst.
Dat is op Hem je hoop vestigen, je leven bouwen.
Ook in tijden waarin je er weinig van ziet.
Als je alleen maar – zoals Paulus dat noemt – het lijden van je eigen tijd kunt zien.
Lijden, omdat deze wereld niet meer is zoals God die bedoelde bij de Schepping.
Je hoeft maar je ogen ervoor open te doen om het lijden te zien.
Ver weg, de ellende die door het nieuws, door internet of door een krant wordt gedeeld:
Oorlog, geweld, natuurrampen, klimaatverandering
of dichtbij iemand die ziek wordt, onverwacht overlijdt,
Heel de schepping zucht, want lijdt ook aan de zonde
en heel de schepping kijkt uit naar die dag waarop de schepping vrij mag zijn.
En toch – ook al is het nog niet zo ver: toch kan er nu al van gezongen worden,
Alsof het al zover is. Alsof die nieuwe wereld er al is,
omdat we weten dat die er – door God – zál komen.
Ook al zuchten we onder dat juk van de zonde, ook al kunnen wij onszelf niet bevrijden,
we weten dat Christus onze bevrijder is en zal zijn.
Naar Hem kijken we uit als het leven te zwaar wordt.
Daar is geen dood, geen rouw, geen leed, geen zielsangst meer,

maar eeuw’ge blijdschap wacht de ziel, daarboven bij de Heer.
We krijgen het alleen maar beter.
Ook al is ons leven nog zo mooi hier,
En soms kan dat ook zo zijn, maar dat is maar kwetsbaar,
het valt mij op in gesprekken
dat er altijd wel iets valt te delen van verdriet, van zorg, spanning.
Voor de buitenwereld lijkt iemand een mooi leven te hebben, zonder problemen,
maar als je bij iemand in huis stapt en zijn of haar verhaal hoort,
Dan weet je dat de uitdrukking: Ieder huis heeft zijn kruis niet zomaar is.
Maar ook als je het wel goed hebt, geldt: Je krijgt het alleen maar beter.
Het is niet alleen iets om naar uit te kijken als je diep in problemen zit,
maar een toekomst voor iedereen om naar uit te kijken, te grijpen.
Doe je dat ook? Doet u dat ook?
Wij verwachten het met volharding, zegt Paulus.
We zien het nog niet gebeuren, maar houden er wel rekening mee.
Heel ons leven is daarop afgestemd – op God die komt.
Het is een lied dat met je meegaat, dat je leven begeleidt, kleur geeft:
Die God is ons een God van heil;

Hij schenkt, uit goedheid, zonder peil,

Ons ’t eeuwig, zalig leven;
Amen

Preek zondag 3 april 2016

Preek zondag 3 april 2016
Romeinen 8:28-39

Gemeente van onze Heere Jezus Christus,

Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars.
Wij? Overwinnaars?
Zou u over uzelf zeggen dat u een overwinnaar bent?
Als bijvoorbeeld iemand aan u vraagt wat voor christen u bent
Dat u dan zegt: ‘Ik ben een christen, die alle moeilijkheden overwint!’?
Overwinnaar zijn houdt in:
dat je elke moeilijkheid die op je afkomt, weet te overwinnen.
Wat er op mij afkomt, het krijgt mij er niet onder!
Ik denk dat er maar weinigen zijn die dat van zichzelf zouden zeggen.
De ervaring is toch een heel andere?
Onze ervaring, onze praktijk is toch eerder dat wij steeds weer nederlagen lijden?
De mijne in ieder geval wel
en ik vermoed dat het voor u niet veel anders is.
We hebben dagelijks de strijd te voeren tegen de zwakheid van ons geloof.
Ik neem het me voor om steeds op God te vertrouwen, wat er ook gebeurt,
maar als er dan iets gebeurt, dan schiet de angst gelijk omhoog.
En die angst ben ik niet snel de baas.
Reden om bang te zijn is er in de afgelopen weken genoeg geweest,
na de aanslagen die in Brussel zijn gepleegd
En misschien hebt u al sinds de berichten over de vluchtelingen die naar Europa trekken
al een voorgevoel dat het de verkeerde kant opgaat.

Hoe kan Paulus dan zeggen, dat wij meer dan overwinnaars zijn?
Heeft hij het over zichzelf, dat hij nergens bang voor is
En vindt hij dat we ons ook niet zomaar gek moeten laten maken door alles wat er gebeurt?
Is Paulus dan een koele kikker elke vorm van bedreiging of angst weglacht?
Een soort supergelovige,
die om die reden dat hij geen angst kent geroepen is
om over al op deze wereld het evangelie te verkondigen?
Nee, Paulus is geen supergelovige.
Aan de gemeente van Korinthe schrijft hij
dat hij helemaal geen superapostel of supergelovige is.
Die gemeente van Korinthe en Paulus kenden elkaar goed,
Want Paulus had een tijd in Korinthe gewoond.
Daar in de gemeente van Korinthe hielden de mensen van opscheppen
en waren ze ook gevoelig voor mooie, sterke verhalen
over wat gelovigen allemaal wel niet konden door hun  geloof.
Paulus gaf daarop te kennen dat hij helemaal niet veel op te scheppen had
maar als er op te scheppen zou zijn
kon hij vertellen over wat hij heeft meegemaakt aan lijden
Dat hem is overkomen, omdat hij apostel voor Christus is.
Die verdrukking of benauwdheid, de vervolging
– met meeste heeft Paulus zelf meegemaakt.
En hij weet dat er momenten zijn,
waarop je het niet meer ziet zitten.
Aan diezelfde gemeente van Korinthe laat Paulus iets zien van een geestelijke crisis.
Hij zag het helemaal niet meer zitten,
omdat hij dacht dat hij het er niet levend van af zou brengen.
Nee, Paulus is geen superapostel
die alle moeilijkheden even fluitend aan kan
en neerkijkt op al diegenen die bezwijken onder de druk die op hen afkomt,
Nee, hij kijkt niet meer op degenen die angstig worden
door wat er op hen afkomt.
Maar uit eigen ervaring weet hij dat er meer is.
Want het is niet zijn eigen kracht,
maar de kracht van Boven,
de kracht van de opgestane Heer,
die stierf aan het kruis, maar die de macht van de dood verbrak
door op te staan uit het graf.
In Hem zijn we meer dan overwinnaars.

Dat maakt nogal verschil:
of we het in eigen kracht moeten doen
of dat we in de strijd als overwinnaars uit de bus komen
omdat we delen in de kracht van Christus
en dat de kracht van Christus,
waarmee Hij op stond uit de dood ook in ons komt.
Door die kracht en door onze Heer kunnen we de strijd winnen
tegen alles wat ons van God afhoudt.
Wat moeten we over deze dingen nog zeggen? schrijft Paulus
Daarmee bedoelt Paulus:
Wat moet er nog worden toegevoegd aan wat we vorig weekend hebben gevierd
met Goede Vrijdag en Pasen?
Wat moeten we nog toevoegen aan het verhaal van Christus aan het kruis?
Wat moeten we er nog extra bijvertellen aan de gebeurtenis
Dat Jezus opstond uit het graf?
Nou, zegt Paulus: er valt nog iets bij te vertellen,
namelijk wat dat allemaal voor ons betekent.
Golgotha, de heuvel waar het kruis van Christus op stond,
is niet alleen iets uit het verleden,
van de dag waarop Christus stierf aan het kruis.
Golgotha heeft ook voor ons nu en voor de toekomst betekenis.
Dat dat kruis op Golgotha heeft een boodschap van God voor ons.
De boodschap van het kruis,
het kruis dat op Golgotha gestaan heeft, spreekt nog steeds,
ook tot ons – het roept ons,
het laat ons iets zien.
De boodschap die het laat zien is een boodschap van liefde,
Waarmee God tegen ons zegt:
‘Ik houd van je!’
En dan niet op de manier waarop wij als mensen
heel gemakkelijk tegen elkaar kunnen zeggen: ‘Ik houd van je’
bij elke nieuwe verkering die je hebt,
waarbij iedereen om je heen weet,
dat die liefde als de verkering over enkele maanden voorbij is
plaats maakt voor afgrijzen: Hoe heb ik verliefd kunnen zijn op deze persoon?
Gods liefde is geen stemming geweest, maar een daad.
We zien dat ook op de manier waarop Paulus over God schrijft:
Als God voor ons is…
Dat kruis op Golgotha spreekt ons ervan dat God voor ons in de bres springt.

Als kind was ik altijd heel verlegen.
Op verjaardagen als er visite was, kroop ik op de bank achter de rug van mijn vader.
Dan was ik er wel bij en toch ook een gevoel van veiligheid, bescherming.
Als God vóór ons is.
God gaat voor ons staan, als er gevaar dreigt.
Als de satan op ons afstormt en ons van allerlei dingen beschuldigd
en het roept dat wij Gods liefde niet waard zijn,
dan gaat God voor ons staan
en geeft daarmee aan: satan, als je hem of haar wil hebben,
dan moet je eerst langs mij.
En als je beschuldigingen inbrengt, dan zal ik zelf eerst checken of ze kloppen
en als ze kloppen zullen ze worden weggedaan
omdat Christus aan het kruis stierf.
Wat moeten we nog aanvullen op Golgotha en de graftuin met het lege graf?
Moeten we in de weken na Pasen er nog op terugkomen?
Ja, zegt Paulus, om helder te hebben
wat dat voor jullie betekent,
wat het voor ons gelovigen betekent, dat Christus op stond,
namelijk dat aan het kruis het oordeel weggedragen werd door Christus.
Als je gelooft, dan geldt dat oordeel niet meer voor jou.
Dan kun je niet meer door de satan worden aangeklaagd.
Dat zal hij wel proberen
en dat doet hij ook
en hij doet alles om je zijn beschuldigingen te gaan geloven.
Ze gaan in je rond
en je gelooft ze ook nog, want zo sterk komen ze naar voren
en het is ook nog een stem in jezelf
waardoor je zomaar gaat geloven dat het Gods stem is die in je werkt:
Je moet maar niet denken,
dat Christus voor jou gestorven is – jij met jouw leven.
En je moet maar niet denken dat jij vrijgesproken wordt
– met alle fouten die jij gemaakt hebt.
En dan moet je sterk in je schoenen staan als je dat niet gelooft.
Toch zegt Paulus:
In hem zijn we meer dan overwinaars.
In Christus zijn we zo sterk
Dat de beschuldigingen die in ons naar boven komen ons er niet onder krijgen.
Die beschuldigingen kunnen waar zijn.
Het bijzondere is juist dat onze Rechter ook onze advocaat wordt.
Ze horen veroordeeld te worden – dat is het gelijk van de satan,
maar, zegt God tegen de satan: je krijgt ze niet, want ze zijn van mij.
Als God voor ons is,
Als Hij voor ons staat om ons te beschermen en voor ons in de bres springt,
wie zal dan tegen ons zijn,
Wie zal ons dan uit Zijn hand rukken
In Hem.

In Hem – dat is taal van de lofprijzing:
Dankzij U, Christus mijn Heer, dank zij U, mijn Heer en God.
Het gaat om die bijzondere band die er is tussen Christus en mij, Christus en u.
In Hem – dat betekent dat je heel nauw met de Heere Jezus verbonden bent.
Niet een positie naast, maar op dezelfde plek:
Dat je bent waar Christus is.
Dat je ook aan het kruis was, toen Christus stierf.
Dat je ook uit het graf kwam, toen Christus opstond uit de dood.
De verhalen van Goede Vrijdag en Pasen zijn niet af
als niet gezegd wordt wat dat voor ons persoonlijk betekent:
een band, een relatie, waarmee wij delen met Christus,
maar dan op een manier dat we in Christus zijn.
Niet alleen met onze gedachten, of ons hart, maar heel ons bestaan.
Wij helemaal. In Hem.
Omdat Christus onze plaats innam,
omdat Hij ruilde met ons.
Ook daar spreekt het kruis op Golgotha van:
dat Jezus onze plaats innam
en wat voor ons het verdiende loon is, naar Hem toeging.
Paulus beschrijft dat hier als volgt:
Omdat Hij Zijn Zoon gegeven heeft.
God die Zijn Zoon als geschenk aan ons geeft,
Het is mogelijk dat we hier moeten denken aan het verhaal van Abraham
die zijn zoon Isaak moest offeren.
Hij kreeg de opdracht en ging.
Uiteindelijk hoefde dat niet omdat er een ram met zijn hoorns in de struiken vast zat,
het lam dat God zelf als een offerdier zou geven.
Isaak hoefde niet geofferd te worden, dat dier nam zijn plaats in.
Zo nam Christus aan het kruis onze plaats in.
God gaf Zijn zoon. Een kostbaar geschenk, dat zoveel voor ons betekent.
Moet ik daar nog meer over vertellen?
Ja, ik zal vertellen wat voor genade dat voor jullie inhoudt.
Jezus die jullie plaats inneemt.

Dan werkt het ook andersom.
Doordat we delen, gaat wat van Christus is ook naar ons toe.
Dan gaat de kracht van de opstanding ook naar ons toe.
In Hem – in Zijn kracht zijn we meer dan overwinnaars.
Die overwinning is een superoverwinning.
Het is zo’n grote overwinning.
Paulus kan niet terugvallen op bestaande woorden
en maakt een nieuw woord.
Door Christus behalen we een superoverwinning, een megaoverwinning.
Zo groot als deze kun je het nooit bedenken.
De overwinning die Christus aan het kruis behaalde wordt ook onze kracht.
Door Hem zijn we niet meer van die zwakke gelovigen
die door elke slag van de satan in de war raken,
zijn we geen gelovigen meer die bij elke tegenslag alle moed verliezen,
maar overwinnaars.
In Hem.

 

Dan spreekt Paulus over de moeilijkheden die iemand kunnen overkomen.
Ervaringen waarbij je leven op het spel staat,
waarbij je heen en weer geslingerd kunt worden,
ruwe stormen die over je leven heen gaan,
stormen waarin je je afvraagt waar God is
en hoe je het hier volhoudt.
Het is niet zomaar een opsomming van willekeurige gebeurtenissen.
Al het positieve en het negatieve dat er in de schepping is.
Van sommige van die ervaringen werd in die tijd gedacht
Dat ze vooral bedoeld waren voor degenen die niet geloven
en die in wat hen overkomt kunnen zien
dat God hun handen van hen heeft afgetrokken.
Nee, zegt Paulus,
Als je iets overkomt aan ziekte, aan overlijden,
als je er psychisch aan onder doorgaat,
dan betekent dat nog niet dat God je losgelaten heeft.
En als die vragen toch op je afkomen, mag je je daaraan vasthouden.
Ook op die vragen heeft God het antwoord, dat Christus daarvoor gestorven is.
In al die stormen is er dat houvast: Gods liefde,
die voor je gaat staan, waardoor al die negatieve krachten je er niet onder kunnen krijgen.
Ruwe stormen kunnen woeden en kunnen tekeer gaan
en kunnen heel wat kapot maken,
maar één ding niet: onze band met Christus
die er door Gods liefde is.
Die is door niets in de schepping, door niemand in de schepping kapot te krijgen.
Zelfs de grootste tegenstander van ons of van God
zelfs de grootste macht die er is kan ons niet van God losweken.
Paulus geeft geen verklaring waarom God die krachten op ons loslaat.
Het enige houvast – en dat heeft hij zelf ondervonden –
is dat God vasthoudt, Gods liefde zo’n sterke kracht heeft.
God bewaart de gelovigen.
God heeft ons geen kalme reis beloofd,
maar wel een behouden aankomst.
Deze spreuk hing heel lang in de studeerkamer van mijn vader
en elke keer als ik achter de computer zat
voor een spelletje of een werkstuk
dan zag ik die spreuk.
Ik vond dat altijd wel erg makkelijk,
maar zo is die spreuk niet bedoeld, als iets gemakkelijks,
maar juist om aan te geven
dat die stormen die er over je leven heen kunnen gaan
uiteindelijk geen vat op je kunnen krijgen
omdat er aan boord van uw levensschip er een kapitein is
die het schip van uw leven in de veilige haven thuisbrengt, de veilige haven van God.
Die kapitein is Christus.
Geen storm krijgt Hem van ons levensschip
en in alles wat ons overkomt, mogen we weten:
Hij brengt ons door alles heen – veilig thuis.
En daarom mogen we nu al – terwijl we nog onderweg zijn
en die stormen om ons heen tekeer horen gaan weten en geloven:
Mijn leven is in de handen van Christus.
Nu ik leef en tot in eeuwigheid.
Niemand kan mij, kan u uit Zijn hand rukken.
Amen


Meditatie Romeinen 8:34

wie zal veroordelen?            Romeinen 8:34

Leven als christen bestaat uit een voortdurende verwondering over God, die ons niet heeft prijsgegeven. Hij heeft ons teruggeroepen van verkeerde wegen, die wij hadden ingeslagen. Toch kan die verwondering ook gepaard gaan met aanvechting: wil God míj niet meer veroordelen? Ben ik dat waard? Wie ernst wil maken met een leven met de HERE, merkt dat hij voortdurend tekort schiet. Vanuit ons is ons geloof en vertrouwen kwetsbaar. Als we terugvallen in het oude, zondige leven, zou God ons dan afwijzen? Namens God roept Paulus ons toe: wie zal ons veroordelen? Christus heeft het oordeel over ons leven weggedragen! Wie mag ons dan alsnog veroordelen? Christus, die onze schuld droeg en zo onze veroordeling op zich nam, Hij pleit voor ons. Hij is onze zekerheid. Onze enige troost in leven en sterven is eigendom te zijn van onze getrouwe Heiland en zaligmaker Jezus Christus. Onze verwondering loopt uit de lofzang: God is het die rechtvaardigt. Dat gebeurt aan ons!

Schriftlezing: Romeinen 8:31-37
Zingen: Gezang 90:1,3

Meditatie Romeinen 8:29

Want die Hij tevoren gekend heeft                       Romeinen 8:29

Gods wil om ons te redden was er al voor onze geboorte. Zelfs voor het begin van onze schepping. Paulus spreekt over God die ons tevoren gekend heeft. Met dat woord ‘kennen’ geeft Paulus aan dat God betrokken is op ons leven. Rusteloos is Hij met ons bezig om ons Zijn heil te schenken. Daarom kent Hij ons. Daarom laat Hij ons niet los. Ook al zouden wij Hem loslaten. Met al onze wegen is Hij vertrouwd. Hij gebruikt Zijn kennis om onze wegen naar Hem toe te leiden. Hij weet dat onze weg op aarde langs aanvechting en twijfel gaat, langs verleiding, bedreiging, geloofsafval en opstandigheid. Op die wegen gaat Hij ons voor en worden wij beschermd. Hij geeft ons het geloof en vertrouwen in Hem, zodat wij Hem als onze Gids vertrouwen die ons in het hemels Vaderhuis zal brengen. Als wij onderweg afhaken door ongeloof, roept Hij ons terug op de goede weg. Zijn kennis is genade.

Schriftlezing: Romeinen 8:18-30
Zingen: Gezang 436: 2,3,4

Meditatie Romeinen 8:1

Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn.                        Romeinen 8:1

Geen veroordeling voor wie in Christus Jezus zijn! Dit is een zin die wij in ons hart moeten bewaren, waar we uit moeten leven. Want dit is het evangelie! In Christus zijn wij geen vijanden meer, maar worden wij verzoend met God. Dat wij in Christus niet veroordeeld worden, is geen menselijk verzinsel. Dat hebben wij niet bedacht. Dat is niet iets wat wij ervaren. Dat wordt ons verkondigd. Als gezant van Godswege zegt Paulus dit tegen de gemeente in Rome en daarmee ook tegen ons. We leven niet meer in de zonde, maar in Christus Jezus. In Christus – we worden overgeplant: een boom die uit giftige grond wordt overgeplant in gezonde aarde. Zo wordt de gelovige gered uit de wereld en geplant in Christus. Doordat we geworteld worden in Christus ontvangen wij de Geest en kunnen wij God weer liefhebben, vertrouwen en dienen. God deed niet met ons naar wat wij verdienden, maar is ons in Christus genadig.

Schriftlezing: Romeinen 8:1-17
Zingen: Gezang 169:4,5,6

Preek over Romeinen 8:29

Preek 5 december 2010
Tweede zondag van Advent
 (tevens doopdienst)
Schriftlezing: Psalm 139: 12-17, Romeinen 8:28-39

Want die Hij te voren gekend heeft (Romeinen 8:29)

Gemeente van onze Here Jezus Christus, doopouders,

Wat we in Romeinen 8 gelezen hebben, is de kern van het evangelie. Want die Hij tevoren gekend heeft. Beste doopouders, als je dit je kind kunt meegeven, heb je aan je kind geleerd wat het evangelie is. Beste ouders, u hebt al eerder de doopbelofte afgelegd. In de christelijke opvoeding gaat het hier om: dat God ons tevoren heeft gekend.
Nu begrijp ik wel dat u zo’n gedeelte als Romeinen 8 niet zomaar even met uw kinderen bespreekt. Wellicht begrijpt u er zelf niet zoveel van. Het gevaar is dan dat je zo’n gedeelte maar weglegt en het ook niet met je kinderen bespreekt. Dat we er niets mee doen. Dat is jammer, want dit gedeelte is de moeite waard. Dit gedeelte bevat de samenvatting, de kern van het evangelie. Daar mag u ook wel uw best voor doen. Voor uzelf, voor uw kinderen. Christelijke opvoeding is toch niet iets dat komt aanwaaien? Ik geloof ook wel dat u als ouders uw best wel doet om uw kinderen in aanraking te brengen met de Here Jezus. Alleen: hoe doe je dat? Geloofsopvoeding kan ook als een druk voelen. Je voelt het belang om je kinderen in het spoor van het geloof te laten gaan. Maar vooral als ze eens voor de hemelpoort zullen staan.
Juist vanwege die druk – doe ik het wel goed? –is wat Paulus zegt goed nieuws. Voor wij onze kinderen in aanraking brengen met de Here, is God al met hen bezig.

Paulus spreekt over God die ons tevoren gekend heeft. Tevoren: voor onze geboorte, voordat de wereld werd geschapen. Dat kennen is geen afstandelijk kennen. Geen röntgenapparaat die ons eens helemaal doorlicht. Geen strenge docent die weet wat er in de klas gebeurt en bij wie je je niet durft te verroeren omdat je anders gestraft wordt.
Kennen heeft hier een intieme klank: er vertrouwd mee zijn. Met al mijn wegen zijt Gij vertrouwd. Kennen heeft een gepassioneerde klank:  betrokken op wie wij zijn, op wat wij doen. Alles in ons leven zó leiden, dat het voor ons op het beste uitloopt.
En wat is dat anders dan een leven met onze Here? Hier op deze aarde en in zijn hemelse heerlijkheid. Dat is toch wat God ons het liefste wil geven? Dat de Here ons geluk wil, dat houdt u uw kinderen toch ook voor? Hier in dit leven en na dit leven? Dat zegt Paulus.
Als onze kinderen geboren worden, kan de wereld om ons heen kil en duister aanvoelen. We kunnen ons somber maken over de toekomst, de wereld waarin zij zullen opgroeien. Hij Die ons tevoren gekend heeft: we mogen weten dat God al bezig is met hen te bereiken vóór u over Hem verteld. Advent zegt dat Hij afdaalde in ons midden. We zijn niet overgeleverd aan het toeval. Toen Jezus in de kribbe kwam, liet God zien dat Hij ons tevoren gekend heeft. Dat is het bewijs, de bekendmaking van het evangelie: Ik ben al vóór je bezig. Je Schepper heeft je niet losgelaten. Bij de doop belijden wij samen met onze kinderen dat wij in zonde ontvangen en geboren zijn. De doop laat ook zien, dat de Here zich niet laat belemmeren door onze zonde, door onze traagheid of ons ongeloof. Met als doel om ons weer te vormen naar Zijn beeld, het evenbeeld van Zijn Zoon.
Tevoren gekend: de Vader staat zoals de vader in de gelijkenis van de verloren zoon p[ de uitkijk. Hij is bereid om op zoek te gaan naar de verloren zoon. Ook al zit hij bij de varkens. Ook al heb je je leven vergooid, God laat je niet los. Ook al ben je tegen Hem ingegaan, Hij laat je niet zomaar los. Paulus zelf is daar een sprekend voorbeeld van. Had hij zich niet tegen God verzet door de christenen te vervolgen en te doden? Daarom kan de lof op God zingen. Vol verwondering over het werk van God in zijn leven. Als God Paulus kan veranderen, kan de Here zelfs ons veranderen. En ik weet niet hoe het in uw leven is gegaan, als de Here zelfs mij tot inkeer kan brengen, kan Hij dat ook bij u en uw kinderen doen. Ik heb er lang over gedaan om mij gewonnen te geven aan Christus.
Tevoren gekend: dat haalt de druk van onze schouders. We mogen het geloof ontspannen voorleven. Geloof is iets dat God werkt. Bij jullie, bij onze kinderen. Wij hoeven onze kinderen alleen maar met de Here vertrouwd te maken.
We mogen onze kinderen bekend maken met een barmhartige God. Hij is geen kil systeem, die selecteert: jij wel en jij niet. Onze God brandt van liefde. Hij wil niets liever dan onze redding (Joh. 3:16).  Omdat Hij niets liever wil dan onze redding, doet Hij alle mogelijke moeite.
Hoe dan? Door roeping: door ons het evangelie te laten horen. Door ons met Zijn stem vertrouwd te maken. Roeping is geen stem in ons zelf, geen ervaring (ook geen bevinding). We kunnen het vergelijken met een vader die ’s morgens zijn kinderen wekt om op te staan, omdat ze door de wekker zijn heen geslapen. Op een gegeven moment ontstaat er een patroon dat de kinderen er op vertrouwen dat hun vader hen wekt. Als hij dat eens niet doet, is het dan zijn verantwoordelijkheid als de kinderen te laat op school komen? Zo is God voortdurend met ons bezig om ons te roepen. Bij de ene bonst en klopt Hij. De ander confronteert Hij en zet Hij hardhandig stil. De ander leidt Hij liefdevol binnen. Middelen waardoor de Here ons roept in Zijn dienst. Omdat Hij ons tevoren kent, weet Hij welk middel bij ons het beste werkt. Hij weet hoe Hij ons kan bereiken. We mogen vertrouwen op deze God. Dat is onze troost.

Wat is het doel van dat roepen van de Here? Wat wil Hij met ons en van ons? Hij wil ons Zijn heerlijkheid geven. Op de radio kun je een reclame horen van het Humanistisch Verbond: ik geloof in een leven voor de dood. Alsof wij dat als christenen niet zouden doen. Flauwekul! Hier in dit leven mogen we al iets zien en ontvangen van God. Als een voorbode van Zijn heerlijkheid. Daarom roept Hij ons: zodat wij gaan lijken op de Here Jezus.  Daarom roept Hij ons. Hartstochtelijk. Omdat Hij het beste met ons voorheeft. Omdat Hij, onze Schepper wil, dat wij tot ons recht, tot onze bestemming komen.
Maar ook, omdat Hij weet dat een leven zonder Hem uitloopt op de dood. En dat wil God niet!

Dat roept wel vragen op. Want waarom roept God ons wel en mijn kind of mijn buurman niet? Dat kan een pijn geven. Moeten we daarom maar anders over God gaan denken? Moeten we dan toch maar erkennen dat God willekeurig is? Dat Hij niet almachtig is? Nee, want Hij is bij machte om zelfs het sterkste verzet te verbreken en te overwinnen. Hij is rusteloos bezig, maar ook met degenen die zijn afgehaakt. God laat niet los als wij loslaten. Wat dat betekent? Dat weet ik niet. Maar wel dat de Here niet onverschillig is als Hij ons laat gaan. En bij machte is: kijk maar naar Paulus, kijk maar naar onszelf.
Tevoren gekend – dat hoeven we alleen maar te beamen en voor te leven.
Amen

ds. M.J. Schuurman

Geen veroordeling (Meditatie Romeinen 8:15)

Geen veroordeling

Want gij hebt niet ontvangen een geest van slavernij om opnieuw te vrezen, maar gij hebt ontvangen de Geest van het zoonschap, door welke wij roepen: Abba, Vader. (Romeinen 8:15)

Vertrouwde bijbelteksten kunnen in een andere omgeving opeens een nieuwe betekenis krijgen. Wie bijvoorbeeld in Israël is geweest, kan de bijbelverhalen met nieuwe inzichten lezen. Je kunt dan de verhalen bewuster lezen. Je hebt op die plaats gestaan! Je kunt beter voorstellen hoe dat geweest moet zijn.

De bijbel met andere ogen lezen – dat kan ook gebeuren als je in contact komt met een andere cultuur.
Wie deze tekst van Paulus leest na een ontmoeting met een Arabier ontdekt in deze tekst een verrassende diepte.
Wat Paulus ons schrijft is bekend: we mogen God aanspreken als onze Vader. Veel gelovigen zullen in hun gebed God ook op die manier aanspreken: trouwe Vader in de hemel, hemelse Vader, onze Vader die in de hemelen zijt.
Een moslim kan God niet als (zijn) Vader aanspreken. In de islam heeft God 99 namen – maar die ene naam Vader zit daar niet tussen. De vertrouwde omgang met onze hemelse Vader kennen moslims niet.
Er speelt nog iets anders. Arabieren zien zichzelf als afstammeling van Ismaël, de andere zoon van Abraham. Deze zoon Ismaël wordt verbannen. Volgens het gebruikelijke familierecht was hij de oudste zoon. Degene die de familietraditie zou voortzetten. Degene die alles zou ontvangen. God geeft Zijn zegen echter aan Izaäk.
Terwijl Izaäk opgroeit, merkt Ismaël dat hij plaats moet maken voor zijn jongere (half)broer. Om die schande af te wenden, bespot hij zijn jongere broer. Daarop worden Ismaël en zijn moeder Hagar weggestuurd.
De Arabieren zijn dan afstammelingen van de verbannen zoon. Om hen heen hangt de schande van het verstoten zijn door de vader.
Deze vader, die zijn oudste zoon verstoot, is de stamvader van alle gelovigen. Horen de afstammelingen van die verstoten zoon Ismaël er wel bij?
Terug naar de tekst van Paulus. Hij spreekt over de Heilige Geest, die ons God leert aanbidden als onze Vader. Hoofdstuk 8 begint ermee, dat er geen veroordeling meer is, omdat Christus die veroordeling heeft weggedragen. In Christus is er geen veroordeling meer. Geen bastaards meer, geen slavenkinderen, maar geaccepteerd als ware kinderen van God.
Door Christus mogen de verstoten kinderen weer (in genade) aangenomen worden.

Niet alleen Arabieren, maar ook wij. Wij kunnen het idee hebben dat wij niet meer bij God horen. Wij kunnen onszelf beoordelen: ik doe dit niet goed, ik kan het niet! Eigenlijk veroordelen wij daarmee onszelf. Dat is niet meer nodig. In Christus wordt er geen negatief oordeel meer over ons geveld. We worden gezien als kinderen van God. We worden door onze hemelse Vader behandeld als zijn eigen kinderen.
Wie over zichzelf oordeelt, mag leren dat uit handen te geven. Als onze hemelse Vader ons aanneemt als Zijn kinderen, waarom zouden wij ons dan nog veroordelen.

De dichter Jochen Klepper (1902-1943) worstelde hier ook sterk mee. Hij was heel perfectionistisch en daarom kwam er weinig uit zijn handen. Veel van zijn plannen (bijvoorbeeld de boeken die hij wilde schrijven) strandden na de planning. Hij trok het zichzelf aan.
Wie zichzelf beoordeeld met strenge normen, denkt dat God dat ook doet. Dwars door alle oordelen die Klepper over zijn eigen leven velde, komt het oordeel van God. Zo is er dan nu geen veroordeling voor hen, die in Christus Jezus zijn. (Romeinen 8:1) Hij ontdekte dat ook voor zijn eigen leven. In een van zijn liederen (opgenomen als Gezang 130 in het Liedboek) verwoordt hij: zijn oordeel – je zou verwachten: zijn oordeel is rechtvaardig en streng of misschien wel hard. Nee, hij schrijft: zijn oordeel is genade. Dat is het! Niet een strenge, afwijzende houding, maar een liefdevolle acceptatie: wij zijn weer kinderen van God. Zo kijkt God naar ons leven: met de ogen van Christus. We hebben – door Christus – genade gevonden in Zijn ogen.

                        Ds. M.J. Schuurman

Geschreven voor: De Kerk thuis